Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1801 - 1806)

Stadsbestuur

Het stadsbestuur bestaat in 1801 uit de volgende personen: L. Dijkwel, P. van Kleijnputte, N. Vervenne, M. Gorsse, P. Ossewaarde en C. van de Velde. Loco-secretaris is J. Pilaar.
Gedurende deze jaren vervult Ossewaarde het presidium van de raad.

Op de 19e september 1801 komt er een Proclamatie van het Uitvoerend Bewind binnen. Daarbij wordt een nieuw ontwerp van Staatsregeling aangeboden met bepalingen over het ter inzage leggen en het opnemen van de stemmen daarover. Het stadsbestuur besluit een exemplaar daarvan op enkele publieke plaatsen voor elk en een iegelijk ter inzage te leggen van 1 tot 6 oktober des voormiddags van 9 tot 12 uur op het Stadhuis. Ook zal in het Stadhuis een publiek stemregister worden gelegd. Alle mannelijke ingezetenen van 20 jaar en ouder hebben gelegenheid om daarin hun stem op het nieuw aangeboden ontwerp van de Staatsregeling met ‘Ja’ of ‘Neen’ uit te brengen.

In december 1801 deelt raadslid Leijn Dijkwel het Stadsbestuur mee dat hem door zijn meer en meer toenemende lichaamsgebreken de waarneming van zijn post als lid van het stadsbestuur hoe langer hoe moeilijker valt. Het is hem geheel ondoenlijk geworden enige zaken buitenshuis waar te nemen. Het stadsbestuur besluit, ‘hoewel het haar ten uiterste leed doet de goede raad van de burger Dijkwel te zullen moeten missen’, uit de overtuiging van de gegrondheid van de aangevoerde redenen voor zijn verzoek, dat ze geen vrijheid vindt dit te weigeren. Dijkwel wordt dan ook ontslagen als lid van de stedelijke raad en als buitenregent van het Gasthuis. De vacature van buitenregent van het Gasthuis wordt voorlopig waargenomen door P.A. Ossewaarde. Als raadslid wordt hij opgevolgd door de burger Johannes Stokmans. Stokmans verklaart zich bereid tot het aannemen van die functie ‘mits hij nooit verantwoordelijk zij voor het geadviseerde of helpen adviseren door L. Dijkwel’.

Het Departementaal Bestuur van Zeeland stuurt in juni 1802 een Publicatie waarbij ‘ter kennis van den volke wordt gebragt, dat het zelve bestuur zig heeft geconstitueerd, met last aan allen die het aangaat om het Departementaal Bestuur van Zeeland als zodanig te erkennen en te gehoorzamen en wordende daarbij wijders alle beambten in derzelver posten gecontinueerd tot zoo lange daar in nader zal zijn voorzien’.
Tot lid van het Departementaal Bestuur van Zeeland wordt benoemd de burger Jan Cornelis van Stapelen ‘welke zich mitsdien tot dat einde binnen deze stad bevindt’. Het stadsbestuur benoemt een commissie die de heer Van Stapelen op de meest geschiktste wijze geluk zal wensen met de benoeming van het Departementaal Bestuur en in het bijzonder met zijn aanstelling tot lid daarvan. Hij zal worden verzocht bij voorkomende gelegenheden het belang van de stad en het eiland zoveel doenlijk te bevorderen en onder het oog te brengen. In deze commissie worden aangewezen de burgers Gorsse en Vervenne en secretaris Ossewaarde.

Het Stadsbestuur ontvangt in augustus 1802 een brief van het Departementaal Bestuur van Zeeland. Daarin wordt kennis gegeven van de benoeming van commissies voor het ontwerpen van reglementen voor de gemeentebesturen en rechtbanken in de steden en plaatsen. De huidige gemeentebesturen krijgen opdracht om geschikte lokalen voor de vergaderingen van deze commissies aan te wijzen. Besloten wordt de zogenaamde directeurs- en landrechtkamer van het Stadhuis in gebruik te geven voor de bijeenkomsten van de commissies voor de stad en het eiland. De stadsboden zullen deze commissies hand- en spandiensten verlenen.

In december 1802 benoemt het Departementaal Bestuur van Zeeland de leden van het nieuwe gemeentebestuur. Pieter Ossewaarde Pzoon wordt de nieuwe president. Tot leden van de raad worden benoemd mr. Cornelis Dominicus, Cornelis Pieter Keetlaar, Pieter van Kleijnputte, mr. Cornelis van Erlach La Motthe, Martinus Slabber, Jan Soetebier, Laurens Jan  van de Spiegel en Johannes Stokmans. Ze worden op de 31e december geïnstalleerd. Na hun beëdiging proclameert de vergadering zich als ‘de Constitutionele Raad van de Stad Goes’. De nieuwe Raad zal vergaderen op zaterdagmorgen om tien uur.

In oktober 1802 geeft Boudewijn Verselewel van der Bilt in een uitvoerige brief te kennen dat het de Raad genoegzaam bekend is hoe zijn oudste zoon, Willem van der Bilt, na ruim twee jaar wegens wangedrag in het Sint Catharina Gast- en Verbeterhuis te Bergen op Zoom voor zijn verbetering geplaatst is geweest. Daaruit is hij op de 28e juni ontslagen. Hij heeft echter zijn voormalige ongebonden levenswijze hervat, zich aan het onmatig gebruik van sterke drank, het verkeer met slechte vrouwspersonen en andere lichtmisserijen overgegeven, zonder in het alderminst op de veelvuldige, vriendelijke en ernstige aanmaningen van hem en zijn naastbestaanden acht te nemen. Hij verzoekt zijn zoon opnieuw in het Sint Catharina Gast- en Verbeterhuis te Bergen op Zoom in bewaring te houden voor de tijd van een jaar. Het verzoek is mede ondertekend door Cornelis Pieter Keetlaar, oom van moederszijde van zijn zoon, en Z.D. van der Bilt van Cloetinge, z’n broer.

Het stadsbestuur stelt in januari 1803 een, door de leden Dominicus en La Motthe en secretaris Ossewaarde opgesteld, ontwerp voor een Reglement van Orde voor de vergaderingen van de Raad vast. De commissie krijgt opdracht ook een Instructie voor de Secretaris van de Raad te ontwerpen.
Er wordt in januari ook een orde van aftreden voor de leden van de Raad vastgesteld. Volgens het Stedelijk Reglement dient jaarlijks één lid van de raad af te treden. De eerste aftreding dient in januari 1804 plaats te vinden. Bij loting wordt de volgorde van aftreden bepaald alsvolgt: M. Slabber in 1804; J. Soetebier in 1805; P. van Kleinputte in 1806; C.P. Keetlaar in 1807; J. Stokmans in 1808; L.J. van de Spiegel in 1809; C. van Erlach La Motthe in 1810; P. Ossewaarde Pzoon in 1811 en C. Dominicus in 1812.

Cornelis Pieter Keetlaar wordt in 1803 benoemd tot lid van het Departementaal Bestuur van Zeeland. In oktober 1802 trad hij nog op als testamentair executeur van de boedel van wijlen Vrouwe Adriana Izabella Ossewaarde, weduwe van mr. Dignus Cornelis Keetlaar, en voogd van haar nagelaten minderjarige erfgenamen. Hij kreeg toestemming om alle onroerende goederen van de weduwe Keetlaar-Ossewaarde te laten veilen en verkopen.
In verband met zijn benoeming tot lid van het Departementaal Bestuur van Zeeland ontstaat er een vacature in de stedelijke raad. Op de nominatie voor de raadsplaats worden geplaatst Nicolaas van der Hagen Nzoon en Johannes Nederveen. Van der Hagen wordt benoemd.

Er komen in april 1803 brieven binnen van de leden van het Departementaal Bestuur van Zeeland Z. Paspoort en W.A. de Haze Bomme. Ze geven daarbij te kennen dat bij de loting voor welke ring de leden van het bestuur verondersteld worden zitting te hebben, hun is ten deel gevallen de ring waartoe de stad Goes behoort. Ze bieden aan om de belangen van de stad en haar ingezetenen zoveel mogelijk te bevorderen.

In mei 1803 worden zeven personen gekozen tot kiezers in de grondvergadering. Het zijn Pieter Ossewaarde, Gerard Bakker, Adrianus de Jongh, Pieter Adriaan Ossewaarde, Laurens Jan van de Spiegel, Martinus Slabber en Nicolaas van der Hagen. 

Het Stadsbestuur overweegt in december 1804 dat, ofschoon artikel 26 van het Reglement voor het bestuur van de stad is vastgesteld, de leden van de raad, behalve een matig presentiegeld, voor zich een redelijke bezoldiging kunnen bepalen. Dit is echter tot heden niet gebeurd, evenmin als voor de leden van de Rechtbank.
De waarneming van deze posten dient volgens het Reglement en niet gratis te geschieden.  Ook in andere steden genieten de leden van de Raad en van de Rechtbank gelijke vergoedingen. Besloten wordt dan ook vanaf 1 januari 1805 een matige toelage aan de leden van de Raad en van de Rechtbank voor hun werkzaamheden te geven. Deze bedraagt per lid van de Raad en de Rechtbank 200 gulden per jaar. De presidenten krijgen bovendien ieder 100 gulden.

In juli 1805 komt de vertegenwoordiging van Goes in het Departementaal Bestuur van Zeeland aan de orde. Er is onvrede dat bij de benoeming van leden in het Departementaal Bestuur van Zeeland en de Departementale Raad van Financiën door de Raadpensionaris niemand uit de stad of het eiland is benoemd.
De Raad voert aan dat zodoende niemand van dit eiland op de hoogte blijft van hetgeen in de departementale besturen wordt verhandeld. Bovendien ondervinden de inwoners van het eiland nadeel omdat niemand hun belangen kan behartigen in deze besturen. Het eiland Zuid-Beveland heeft, gelet op haar uitgestrektheid en aandeel in de lasten, recht op een stem in deze colleges. Overigens heeft Goes altijd een stem gehad in de Staten van Zeeland. Besloten wordt de Raadpensionaris in gepaste termen hierop te wijzen.

In november 1806 verzoekt het Stadsbestuur Zijne Majesteit de Koning om de stad in het Departementaal Bestuur te laten vertegenwoordigen bij een zich voordoende vacature. Zijne Majesteit deelt mee dat daarop bij een voorkomende gelegenheid acht zal worden geslagen.

Secretarissen en griffiers

In augustus 1801 overweegt het Stadsbestuur de geringe beloning die de griffier Jan Cornelis Crucque tot nu toe in verhouding tot zijn meerdere werkzaamheden op de griffie van president en schepenen van de stad geniet. Ook speelt een rol de door Crucque bij de  voortduur bewezen diensten ter gelegenheid van het inkwartieren van Franse troepen in de stad. Besloten wordt hem een vermeerdering van traktement toe te kennen van honderd gulden per jaar.

Ook wordt op voorstel van de voormalige secretaris en ontvanger van de 200e penning op de huizen binnen de stad, Jacobus Dominicus, besloten na het sluiten van de rekening voor de huisschatting van 1799 in mindering op het batig saldo voor rekening van de stad te nemen al hetgeen vanwege de 200e penning tot 1799 onbetaald is gebleven.

In december 1802 treedt mr. Cornelis Dominicus af als secretaris van de stad. Voor de vervulling van deze functie worden op de nominatie geplaatst Pieter Adriaan Ossewaarde, Jan Cornelis Crucque en Johannes Nederveen. Het Departementaal Bestuur van Zeeland benoemt Ossewaarde. Begin januari 1803 rapporteren de raadsleden Dominicus en Keetlaar dat ze de boeken, charters, papieren en registers van de secretaris van het voormalige gemeentebestuur volgens een daarvan gemaakte en ter secretarie berustende lijst hebben overgenomen en in orde bevonden.
Het Stadsbestuur besluit op de 13e januari 1803 tot secretaris van het stadsbestuur te benoemen Pieter Adriaan Ossewaarde. Hij wordt tevens benoemd tot secretaris van de weeskamer en ontvanger van de 100e en 200e penning op de huizen binnen de stad. Verder wordt mr. C. Dominicus, die tot heden het secretarisambt heeft waargenomen, voor zijn diensten bedankt. De raadsleden Dominicus en Keetlaar krijgen opdracht om de boeken, charters en papieren in handen te stellen van de nieuwe secretaris Ossewaarde.
Helaas krijgt de afwikkeling van het secretarisambt van Dominicus een vervelend einde. Want in juli 1803 deelt de president mee dat hij naar de wens van de raad van tijd tot tijd alle mogelijke minnelijke aansporingen heeft gedaan aan de voormalige secretaris van de stad, Jacobus Dominicus, betreffende ‘zekere nog ongesloten liquidatie over door hem ontvangen logiesgelden en daaruit gedane betalingen om alzo de overgave van het consignatie comptoir en verder tot de secretarie behorende zaken langs die weg te kunnen faciliteren en bespoedigen’. Aan deze aanmaningen voldoet Dominicus niet. Het Stadsbestuur besluit de president te verzoeken om nogmaals de gewezen secretaris Jacob Dominicus ‘serieuzelijk te interpelleren’ om alsnog uiterlijk op aanstaande zaterdag deze liquidatie en bescheiden over te leggen. Als ook hierop geen reactie komt, wordt Dominicus  aangeschreven om alsnog uiterlijk binnen acht dagen de liquidatie met de bescheiden ter verificatie aan de president van de raad over te brengen.

De secretarissen van het Stadsbestuur, Van de Spiegel en Ossewaarde, stellen in juni 1803 voor de griffiers van de Rechtbank en de Raad van de stad, J.C. Crucque en J. Pilaar, van de dienst als gewapende burgers vrij te stellen. Het Stadsbestuur besluit met de commandant van de gewapende burgermacht in overleg te treden om het ontslag van de griffiers uit de gewapende burgerij te bevorderen.
Ook wordt besloten het traktement van de derde griffier, Jan Cornelis Crucque, te verhogen met vijftig gulden tot een bedrag van 250 gulden per jaar en hem verder nog een extra vergoeding van vijftig gulden per jaar te verlenen voor de verzorging van de inkwartiering en het tekenen van biljetten.

De griffiers bij de stedelijke Raad en de Rechtbank, Francois Breekpot, Johannes Pilaar en Jan Cornelis Crucque, leggen in december 1803 ter goedkeuring voor zekere schikkingen en voorwaarden, waarop Breekpot vanwege zijn hoge leeftijd afstand doet van zijn griffierplaats ten behoeve van Pilaar en Crucque. Dit onder uitkering van een som van 318 gulden die door hen jaarlijks aan Breekpot gedurende zijn leven zal worden gedaan.
Het Stadsbestuur gaat ermee akkoord dat Breekpot afstand doet van zijn functie als griffier en zijn traktement. Johannes Pilaar wordt aangesteld als griffier op de griffie van de stedelijke Raad en Jan Cornelis Crucque als griffier op de griffie van de Rechtbank van de stad.
Wel wordt bepaald dat het werk op de griffie van beide colleges, evenals van de weeskamer en het landrecht, door hen en de aan te stellen derde griffier zal moeten worden waargenomen volgens een door de beide secretarissen op te stellen verdeling.
Het traktement voor de griffier bij de Raad zal ƒ 225 en voor de griffier bij de Rechtbank ook ƒ 225 bedragen. Tevens zal aan het einde van ieder jaar aan de drie griffiers een extra toelage van in totaal ƒ 200 worden verleend, te weten voor de griffier bij de Raad ƒ 50, voor de griffier bij de Rechtbank ƒ 50 en voor de derde griffier ƒ 100. Pilaar en Crucque zullen verplicht zijn aan de gewezen griffier Breekpot gedurende zijn leven in totaal ƒ 318 te betalen. Tot derde griffier wordt aangesteld Jan Dominicus Janzoon op een traktement van ƒ 100 per jaar.

Functies  

Naar oud gebruik werden vanouds op Drie Koningen Avond de stadsbedienden als regel weer gecontinueerd in hun functies. Dit gebruik is sedert enige jaren in onbruik geraakt.
De stadsboden, conciërges van het Stadhuis, lijkdienaars, stadsomroeper, zegelaars van de bieren, landboden, korenmeters, keurmeesters van de vis en bedienden van de extra-ordinaire compagnie worden in deze jaren weer voor een jaar gecontinueerd in hun bedieningen. Verder worden jaarlijks weer voor een jaar in hun functies toegelaten de stadsdrukker, de koopmansbode op Middelburg, de koffyhuishouders, de schoolmatressen, de grossiers in zout en zoutverkopers bij de kleine maat, de grossiers en slijters in sterke dranken, de herbergiers en kroeghouders en de bakker in de Voorstad. De koffyhuishouders worden gelast zich stipt te gedragen naar de publicatie over het koffyhuis houden op zondagen. Ook de stadsrentmeester Leendert Krekelenberg wordt weer opnieuw in zijn functie benoemd.  

Op verzoek van de nieuw aangestelde waagmeester van het graan en de Schotse kolen, Jan Visser, besluit het Stadsbestuur in april 1802 dat alle schaalkolen, die te Goes worden gekocht en opgeslagen, zonder uitzondering door de beëdigde weger van de stad zullen moeten worden gewogen. Uit de opbrengst daarvan zal het salaris van de weegmeester worden betaald.

In 1801 worden tot gezworenen van de Goese Polder uit een door dijkgraaf en gezworenen gemaakte voordracht benoemd Maarten Verdonk, Pieter Cornelisse de Jonge en Jacob van der Maas.
Ook in 1801 wordt Johannis Pilaar tot secretaris van het college van het landrecht aangesteld. Dit om de zaken van het landrecht beter te laten waarnemen.
In 1802 verzoekt de stadsklokkenist Jacobus Lotens, in verband met zijn werkzaamheden voor het in orde brengen van het klokkenspel en uurwerk van de Grote kerk, om verhoging van zijn traktement met honderd gulden per jaar uit de stadskas. Het Stadsbestuur wijst dit af.
De vendumeester voor de onroerende goederen, Jan Aegidius Stokmans, krijgt toestemming voor het voortzetten van de pacht voor nog eens zeven jaar. 
In oktober 1802 overlijdt de secretaris van de Goessche Polder Adriaan Hannewijk. Tot nieuwe secretaris wordt benoemd Henricus Johannes van ’t Hoff en tot penningmeester Johannes Nederveen.

De zogenaamde crieerders, Jacob van der Kreeke, Cornelis van Kogelenberg en Pieter van Klink, schrijven in januari 1802 ‘dat zij meermalen hebben moeten ondervinden dat sommige lieden weigerig waren hun verschuldigde omtrent het Arm- en Roepgeld, op enige goederen staande, te betalen, waarvan door hun de ene helft en de andere helft door het weeshuis van de stad genoten wordt’. Ze verzoeken hen toe te staan om op grond van de overgelegde lijst het arm- en roepgeld te mogen innen. Bij hun brief voegen ze een ‘Notitie van ’t Arm- en Roepgeld op de Koopdagen, te ontvangen door de Roepers dezer stad’.

In januari 1803 voorziet het Stadsbestuur in twee vacatures in het college van stadsdirecteuren. Als leden van het college worden opnieuw aangesteld P. van Kleijnputte, M. Slabber en J. Stokmans. Ook krijgt Krijn Janse Belle dan ontslag als Stadsfabriek. In zijn plaats komt Johan Frederik Metzger op een traktement van vijftig ponden Vlaams. De stadsdirecteuren worden verzocht om alle convenabele en billijke schikkingen te maken om de dienst van de voormalige stadsfabriek Belle aan de stad te behouden en hem uit het gewone traktement van de stadsfabriek een zodanige vergoeding toe te schikken als ze redelijk zullen oordelen,  alles echter zonder bezwaar van de stadsmiddelen. Belle wordt aangesteld tot onderfabriek en tweede opzichter over de stadswerken. Bij absentie van de eerste stadsfabriek zal hij als zodanig fungeren. Zijn traktement is £ 33 Vlaams. Mocht Metzger komen te overlijden, vertrekken of ontslagen worden, dan zal Belle als eerste worden benoemd.
De stadsdirecteuren wijzen er in september 1803 op dat de stadsfabriek J.F. Metzger een traktement geniet van slechts vijftig ponden Vlaams per jaar. Ze vinden dit geen voldoende beloning voor de menigvuldige werkzaamheden die van tijd tot tijd aan de stadsfabriek worden opgedragen. Het Stadsbestuur besluit Metzger een zodanig daggeld toe te kennen als de stadsdirecteuren verantwoord vinden, dit met inachtneming van de beperkte staat van de stadsfinanciën. 

Op de 15e januari 1803 besluit het Stadsbestuur tot herziening van de Lijst van stedelijke ambtenaren en leden van subalterne colleges en het vervangen van sommige daarvan door andere personen.
Ontslagen worden de kerkmeesters Marinus Gorsse, Leendert Krekelenberg en Cornelis Mispelblom; de erfscheiders Cornelis van de Velde en Willem de Wolf; de pasmeesters van het brood Gerard Codde en Johannes Pilaar; de keurmeesters van de granen Joseph van Eghem en Jacobus de Broekert; de keurmeesters van de meekrap Cornelis Mispelblom en Jacobus de Broekert; de regenten van het gasthuis Willem de Wolf en P.A. Ossewaarde; de  regentesse van het gasthuis Cornelia Codde echtgenote van Cornelis van de Velde; de regenten van het  weeshuis Marinus Gorsse, Leendert Krekelenberg en Francois Breekpot en de regentesse van het weeshuis Johanna Joël weduwe van Johannes van den Thoorn.
Benoemd worden als kerkmeesters Cornelis Pieter Keetlaar, Jan Soetebier, Laurens Jan van de Spiegel en Johannes Stokmans; als erfscheiders Joos Goossen en Adriaan Bosdijk; als pasmeesters van het brood Johannes Stokmans en Marinus de Goffau; als keurmeesters van de granen Pieter van Kleijnputte en Abraham Boon; als keurmeesters van de meekrap Martinus Slabber en Jan Soutendam senior; tot regenten van het gasthuis Laurens Jan van de Spiegel en Cornelis van Erlach La Motthe; tot regentessen van het gasthuis Adriana Clasina Canisius echtgenote van ds. Johannes Ludovicus Lotchius en Catharina Digna Ossewaarde echtgenote van Bernardus Pieter van Kerkwijk (omdat beiden bedanken voor hun benoeming worden aangesteld Maria Paulina Arnoldina Oppenoorth echtgenote van Hendrik Berkers en Petronella Oversluis echtgenote van Jan Boddingius); tot regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis Cornelis Pieter Keetlaar, Martinus Slabber en Hendrik Berkers en tot regentesse van het gecombineerde arm- en weeshuis Cornelia Wilhelmina de Groot echtgenote van Laurens Jan van de Spiegel.

In maart 1803 wordt tot dijkgraaf van de Goese Polder benoemd Nicolaas van der Hagen Nzoon. Sedert het overlijden van mr. Johan Adriaan van Dorth was deze functie vacant gebleven.
Ook de post van dijkgraaf van de Brede Watering bewesten Yerseke komt in april 1803 vacant door het overlijden van mr. Dignus Cornelis Keetlaar. Het Stadsbestuur draagt voor benoeming voor Adolf Ossewaarde. Gezworenen van de Brede Watering maken echter bezwaar bij het Departementaal Bestuur tegen deze voordracht. Ze zijn van mening dat de stedelijke raad van Goes niet bevoegd is om een voordracht te doen. De leden Slabber en Van de Spiegel en de secretaris stellen een conceptbrief op naar aanleiding van de bezwaren van de gezworenen. Het Stadsbestuur stelt dit concept vast, maar president Ossewaarde verklaart zich met de conclusie niet te kunnen verenigen.
Uiteindelijk stelt het Departementaal Bestuur toch Adolf Ossewaarde aan tot dijkgraaf van de Brede Watering bewesten Yerseke in de plaats van wijlen mr. Dignus Cornelis Keetlaar.

In maart 1804 ontstaat er een vacature van stadsbode door het overlijden van Andries Fris. In zijn plaats wordt benoemd tot conciërge van het Stadhuis Cornelis  van de Volkeren. De weduwe Grietje Fris geboren Wiggers verzoekt om een toelage in verband met de armoedige staat waarin ze is vervallen. Haar verzoek wordt afgewezen.
De nieuwe conciërge van het Stadhuis, Van de Volkeren, wordt tot verbetering van zijn inkomsten tevens benoemd tot weegmeester in de Waag. De andere stadsboden, Adriaan Cornelisse, Pieter den Boer en Pieter Zitters, krijgen een tegemoetkoming vanwege het gemis  van de inkomsten van het waagmeesterschap.

Er ontstaat in juni 1804 een vacature van directeur van de straten en wegen over het zuidkwartier van het eiland door het overlijden van Pieter de Winter. In zijn plaats wordt aangesteld Martinus Slabber. De stad Goes heeft vanouds het recht van aanstelling van twee directeuren over de straten en wegen van het eiland.

Per 1 januari 1805 worden de volgende graan-, zout-, kalk- en koolmeters aangesteld voor ‘het doen van de metingen voor de impost op de rondemaat’: als graanmeters Hubrecht Visser, Cornelis Crombouw, Karel Verplakke, Jacobus Ponse en Leunis van Flierenburg; als zoutmeters Pieter de Munck, Job Goeman en Pieter Verplakke; als kalk-, tras- en koolmeters Lieven van Loo en Marinus Gandolf. Als meetloon ontvangen ze:
van graan voor een partij van een last of daar boven 2 penningen per zak en voor een partij beneden het last 4 penningen per zak;
van zout ƒ 2 voor een honderd vat geraffineerd Frans of Cadis zout ƒ 2.13.-;
van kolen 5½ stuivers voor een halve hoed;
van kalk 2½ stuivers voor Dordtse en 3 stuivers voor Brabantse kalk;
van run 1 stuiver per ton.

In maart 1806 verzoekt M. Slabber ontslag uit zijn functie van stadsdirecteur. Dit wordt hem onder dankzegging voor zijn bewezen diensten verleend. In zijn plaats komt Nicolaas van der Hagen, die naast de heren Van Kleijnputte en Stokmans bij continuatie deze commissie op zich wil nemen.