Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinanciën (1801 - 1806)

Drukkende financiële lasten

Zeer zwaar drukken deze jaren de lasten als gevolg van de Franse overheersing.
Dit blijkt nog niet als de stadsrentmeester, Leendert Krekelenberg, rekening doet van de ontvangsten en uitgaven van de stadsmiddelen over het jaar 1800. De rekening sluit dan nog met een goed slot van £ 1910.16.- Vlaams.

Ook wordt in maart 1802 op de vele verzoeken van verscheidene burgers om betaling van de door hen gedane leveranties ter gelegenheid van het feest van de 19e mei 1798 vrij moeiteloos besloten tot betaling. Daarbij neemt het Stadsbestuur in aanmerking dat deze verzoeken alleszins deugdelijk en redelijk zijn. Secretaris Ossewaarde krijgt opdracht om de betaling van alle achterstallige schulden bij voorschot uit het middel van de huisschatting te doen.

In augustus 1802 komt er een onderzoek naar de geldheffingen. Tot districtsgecommitteerden voor het onderzoek van de juiste opbrengst van de geldheffingen die dit jaar moeten worden betaald worden aangesteld de notabele burgers Willem van der Bilt, Cornelis Pieter Keetlaar, Adolf Ossewaarde, Q. Dominicus, Pieter Adriaan Ossewaarde en Nicolaas van der Hagen.

Vanaf augustus 1803 wordt er een heffing van een wagengeld ingevoerd. Ook besluit het Staatsbewind tot een heffing van twee ten honderd (2%) aan belastingen van de ingezetenen. En in januari 1804 gaat het over de verkoop van juwelen van de ingezetenen. De stadsdirecteuren geven kennis dat ze de juwelen tot het meeste voordeel van de stad hebben kunnen verkopen. Deze juwelen zijn ingevolge het besluit van de 25e september 1802 uit de Bank van Lening gelicht en voorlopig op de secretarie ondergebracht. Ze zijn er in geslaagd om deze juwelen te verkopen voor een som van 650 gulden. Het door de stadsdirecteuren verrichte wordt goedgekeurd.

 

Eind januari 1805 dient een aantal, veelal tot de notabelen behorende burgers en ingezetenen een indrukwekkend rekest in. Ze schetsen daarin de staat van verval en neringloosheid waarin een ieder door de opeenstapeling van geldheffingen en belastingen meer en meer gedompeld raakt.
Het rekest richt zich tegen de buitengewone belasting op de bezittingen. De globale inhoud van deze brief volgt hierna.
‘Ze hebben zich sedert het jaar 1795 zovele opofferingen getroost en zien niet de minste hoop tot enige verademing opdagen. In nog geen tien jaar hebben de ingezetenen van het land zoveel moeten opbrengen dat allerlei standen onder de bevolking kwijnen. Velen zien hun nering vergaan. Deze beschreiensweerdige toestand wordt nog merkelijk verzwaard door het openstellen van haventjes op het platteland en het dagelijks toenemende aantal winkels in de dorpen en het minder vertier van de landlieden. In deze kommerlijke ongelegenheden grijnst de armoede ons aan, terwijl zelfs de vermogenden hun liefdegaven moeten verminderen. In deze druk zien de ingezetenen radeloos uit naar hulp. Velen zien de noodzakelijkheid in om dit ongelukkige land te verlaten, waartoe de vermogendste het gemakkelijkst overhellen en ook veelal de meeste reden vinden. Dit alles levert een akeligst vooruitzicht op. Geen volk in Europa wordt zo zeer uitgemergeld dan wij! Eertijds welgestelde lieden en vooral weduwen en wezen gaan te gronde’. En zo gaat de brief in bewogen bewoordingen verder.
Het rekest is geschreven door de meest vooraanstaande burgers van de stad en is ondertekend door: mr. J.G. de Witt Hamer, de arts J. Dyserink Dekker, de arts D. Noël, J.A. Harinck, P.D. van Hogendorp, F. de Keijzer, J. Hemerijk Tak, J. Joël weduwe Van den Thoorn, A. van den Thoorn, Johannes Walraven, Jacobus van Kleijnputte, G. Donk, Pieter Faber, G. Codde, S. van Bel, M.J. Muller weduwe Van Bel, T. Houttuin weduwe Thomson, W. Kouweliere, N. Vervenne, D. de Meijer, M. Hoelands, D. Magnin, Cornelis Vervenne, Jan Boddingius, Anthonie De Laviere, Nathanaël Visser, Marinus Corbeel, Jacobus Langebeke, P. Engelse, Jacobus van den Hooven, de arts J.A. Eltzman, C. Boddingius weduwe Does, M. Does, Marinus de Goffau, Jacobus Barbier en Jozias Goossen.

Ze verzoeken het Stadsbestuur hun klachten met de meeste aandrang aan hogere machten  binnen de Republiek over te brengen. Het Stadsbestuur besluit de klachten over de drukkende en steeds herhaalde geldheffingen op de meest krachtige wijze te ondersteunen. De inhoud van hun rekest zal ter kennis van het Departementaal Bestuur van Zeeland worden gebracht met het verzoek de zorgen en klachten over te brengen aan de hogere vergaderingen van de Republiek.

Op de 1e februari 1806 verschijnt er een Publicatie van Hunne Hoog Mogenden waarbij vastgesteld wordt het finaal ophouden van alle gemene landsmiddelen en impositiën zoals die te voren zijn betaald geworden.

In februari 1806 stelt het Stadsbestuur een dubbeltal notabele en gekwalificeerde burgers op ten behoeve van het Departementaal Bestuur van Zeeland. Dit gebeurt om dit bestuur in staat te stellen daaruit gecommitteerden uit de stad te benoemen tot het beramen van een nieuw plan voor de stedelijke belastingen die de tegenwoordige stadsmiddelen zullen moeten vervangen.
Op de nominatie worden geplaatst mr. Jan Gerard de Witt Hamer, Cornelis Pieter Keetlaar, Nicolaas Vervenne, Leonard de Fouw Jzoon, Adrianus de Jongh, G. Peman, C.  Mispelblom en H. de Kanter. Tot leden worden benoemd de heren De Witt Hamer, Keetlaar, Vervenne en De Fouw. De Witt Hamer bedankt echter voor zijn benoeming. In zijn plaats worden genomineerd de heren Adrianus de Jongh en Jacob Kakebeke. De Jongh wordt aangesteld.

De stadsdirecteuren krijgen in maart 1806 machtiging om de nodige conferenties over het nieuwe belastingstelsel voor de stad een aanvang te doen nemen. In mei doet secretaris Ossewaarde verslag van de gehouden conferenties over de invoering van de nieuwe stadsmiddelen. Het Stadsbestuur keurt het plan eenparig goed. Het omvat onder meer een verhoging van het kaaigeld met acht additionele stuivers boven iedere gulden van de landsbelastingen.

In juni 1806 verzoekt de Raad van Financiën om inzending van de kohieren van het dienstbode-, karos-, wagen- en paardegeld van 1 november 1804 tot 1 oktober 1805. Deze worden zo spoedig mogelijk gemaakt.
Ook komt er een Publicatie binnen met een ordonnantie over de wijze waarop binnen de Bataafse Republiek de impost op het meubilair geheven zal gaan worden. Eveneens ontvangt het Stadsbestuur een ordonnantie over de wijze waarop binnen de Bataafse Republiek zal worden geheven een personele belasting. De drukkende lasten voor de burgers worden nog verder verzwaard door de Publicatie van een belasting op paarden, runderen en schapen om te dienen tot een Fonds ter bevordering van de landbouw en het tegengaan van veepest.

De secretaris van het Departementaal Bestuur van Zeeland stuurt in juli 1806 enige bemerkingen op het ingezonden Plan voor de nieuwe stedelijke belastingen zoals dit is opgesteld door de gecommitteerden die met de examinatie daarvan zijn belast. In de brief wordt verzocht om, met inachtneming van die bemerkingen, een nader ontwerp van plaatselijke belastingen in te zenden. Deze opgave wordt in handen gesteld van de stadsdirecteuren met het verzoek om in overleg met de gecommitteerden uit de burgerij de stedelijke raad van advies te dienen op welke wijze aan de door het hoger bestuur gemaakte bedenkingen op het plan zal kunnen worden tegemoet gekomen.

In september 1806 is de financiële nood van de stad zeer hoog geklommen.
Secretaris Ossewaarde geeft opening van zaken dat hij met de stadsdirecteuren geconfereerd heeft ‘over de groote verleegenheid waarin dezelve heeren zig bevonden om de administratie van de stadsmiddelen aan den gang te houden, die door gebrek aan de nodige penningen zoo hoog is gesteegen, dat verscheidene rekeningen van het afgelopen jaar nog onvoldaan zijn gebleven en de daagelijksche uitgaven nauwelijks kunnen worden gedaan’.
Hij stelt voor om hieraan tegemoet te komen door het aanwenden van een gedeelte van de zogenaamde redemtiepenningen die wegens de huisschatting nog aan het land moeten worden betaald. Hiervan is een bedrag van ruim £ 500 dat de stad nog van het land vanwege de huur van kazernes tegoed heeft. Het Stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te machtigen om voor het instandhouden van de stadskas gebruik te maken van een som van £ 500 uit deze redemtiepenningen van het jaar 1805.

Op de 27e september 1806 beraadt het Stadsbestuur zich over de brief van de gedeputeerde leden uit het Departementaal Bestuur van Zeeland. Deze dient tot adres van een besluit waarbij provisioneel ter kennis van de stedelijke raad wordt gebracht een besluit van Zijne Majesteit de Koning. Dit behelst de goedkeuring van de door het Departementaal Bestuur van Zeeland gedane voordracht over het plan van additionele belasting van de landsmiddelen voor de stad.
De stedelijke raad krijgt toestemming om tot het dekken van het jaarlijkse tekort op de dagelijkse en huishoudelijke uitgaven en voor de vergoeding van het gemis van de middelen en impositiën (die door het nieuwe stelsel van algemene belastingen moeten verstaan worden te zijn vervallen), te mogen invorderen boven ’s lands impositiën acht additionele stuivers op iedere gulden van de navolgende middelen: de verponding; het personeel; de dienstboden; het paarden- en plaisiergeld; de runderbeesten; het meubilair; de wijnen; het beestiaal; het gemaal; het recht van de waag; het klein zegel op de patenten; het klein zegel op de alienatiën en de roerende goederen die bij publieke vendu verkocht worden. Dit met de speciale opdracht om dadelijk te doen ophouden de stedelijke middelen van belasting die tot hiertoe geheven werden. Verder behelst het Koninklijk Besluit een verklaring dat, aangezien het voorgestelde kaaigeld strijdig is met de geest en letter van het 27e artikel van het Reglement voor de gemeentebesturen, dit niet in overweging kan worden genomen.

Bank van lening

In september 1802 besluit het Stadsbestuur de twee doosjes met juwelen, die in de Bank van Lening staan en in de notulen van de 4e juli 1801 breder zijn omschreven, over te brengen naar de secretarie op het Stadhuis en aldaar te deponeren.

Bij het opstellen van de rekening van de Bank van Lening in juli 1803 is een tekort ontdekt van over de £ 1000. Het blijkt dat veel panden hoger zijn beleend dan de werkelijke waarde is. De stadsdirecteuren krijgen opdracht de zaak nader te onderzoeken en maatregelen te nemen die ze het meest nuttig vinden.
De stadsdirecteuren doen na onderzoek verslag aan het Stadsbestuur van de door hen gemaakte schikkingen en gevoerde onderhandelingen met de borgen van de kassier Wilhelmus Oostdijk. Het Stadsbestuur verzoekt de stadsdirecteuren over deze zaak verder de nodige directie te houden en de post van boekhouder en kassier vacant te verklaren.
Tot nieuwe kassier en boekhouder van de leenbank wordt aangesteld Hendrik Berkers. De ontslagen boekhouder Oostdijk wordt aangeschreven om alle boeken van de administratie van de leenbank in handen te stellen van de stadsdirecteuren.
Begin 1806 overlijdt de nieuwe boekhouder Hendrik Berkers. Op verzoek van zijn weduwe M.P.A. Berkers-Op ten Oorth besluit het Stadsbestuur in april 1806 haar te blijven belasten met de administratie van de stadsleenbank. Ze wordt aangesteld tot kashoudster in de Bank van Lening op een traktement van ƒ 500. Maar in december 1806 overlijdt ook de weduwe Berkers en komt de bediening van kassier en boekhouder van de Bank van Lening vacant. In deze vacature wordt aangesteld Leonard de Fouw Jzoon onder het genot van een jaarlijks traktement van ƒ 500.