Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1801 - 1806)

Algemeen

In de economische bedrijvigheid speelt het zogenaamde ‘Goessche gewicht’ een belangrijke rol. In september 1804 betogen de stadsdirecteuren dat ze van tijd tot tijd hebben ontdekt dat in het binnen de stad gebruikte gewicht een zodanig verloop is gekomen dat een voorziening ten hoogste noodzakelijk is. Zelfs het door de ijkmeester bij het ijken gebruikte peilgewicht hebben ze niet in de vereiste orde bevonden. Om die reden hebben ze zich voorzien van een behoorlijk geijkt Amsterdamsch gewicht. Hiermee willen ze het Goessche gewicht op een eenparige voet brengen.
Ze stellen voor om een vaste voet te bepalen in de evenredigheid van het Amsterdamsche en Goessche gewicht, dit om de ingeslopen misbruiken weg te nemen. Het Stadsbestuur is hier zeer gevoelig voor. Besloten wordt ‘als een algemene regel en orde aan te nemen en vast te stellen dat volgens de aloude costume en gewoonte het onderscheid tussen het Amsterdamsche en Goesche gewicht zal zijn 13 percent, in dier voege dat 100 pond Amsterdamsch waaggewicht uit zal maken 113 pond Goesch gewicht’. Volgens deze vastgestelde regel zullen alle abuizen die binnen de stad in het gewicht plaats hebben worden hersteld. De stadsdirecteuren krijgen opdracht de stadsijkmeester van het nodige peilgewicht, nauwkeurig in de bepaalde evenredigheid, met het nu voorhanden zijnde Amsterdamsch gewicht gemaakt, te voorzien.

Voor de 8e februari 1806 roept het Stadsbestuur de neringdoende lieden, fabrikanten en trafikanten op om beëdigd te worden. Hieronder vallen de zeepzieders en die tijdens hun afwezigheid het opzicht over de zeepziederij hebben; de korenmolenaars en hun knechts; de moutmolenaars en brouwers en hun knechts; de brood- en koekebakkers en meelverkopers; de grutters; de stijfselmakers; de vleeshouwers en spekslagers; de slagters en beestensnijders; de zoutzieders en die tijdens hun afwezigheid het opzicht over de zoutketen hebben.

Op deze zelfde 8e februari neemt het Stadsbestuur ook maatregelen wat betreft het stichten van nieuwe winkels waar deze voorheen niet zijn geweest. Overwogen wordt dat het verder vestigen van slagers-, smids- , kuipers- en andere winkels van dien aard op plaatsen waar die tot heden niet zijn geweest voorkomen moet worden. Ook moet worden tegengegaan het slachten van vee in de slachterswinkels die tegenwoordig in sommige voorname straten zijn aangelegd.
Het Stadsbestuur besluit bij Publicatie te verbieden het beginnen met enige openbare nering, bedrijf of ambacht in huizen waarin dit voorheen niet is gedaan, zonder daartoe toestemming te hebben verkregen. Verder worden de slagers op de markt en daar nabij verboden het slachten van rundvee en varkens voor of in hun huizen. Ze worden gelast dit te doen in gebouwen die daartoe zullen zijn goedgekeurd en door stadsdirecteuren aangewezen.

In 1806 worden verscheidene huizen in de voornaamste straten van de stad gekocht of gehuurd voor het bedrijven van neringen en ambachten waarvan een goede politie zou vorderen dat deze elders en in minder aanzienlijke delen van de stad toegestaan zouden zijn. In het bijzonder heeft dit plaats wat betreft het aanleggen van slachterswinkels. Het Stadsbestuur bepaalt dat er voortaan geen slagerswinkels mogen zijn op de Grote Markt en in de daarop uitkomende straten.

Bakkers

In de jaren 1801-1806 doen zich vele mutaties bij de bakkers voor.
In 1801 krijgt Leendert Bakker vergunning om na een afgelegde gunstige proef de broodbakkerstijl uit te oefenen. Hij neemt de bakkerij van Jan Vadden aan de Ganzepoortstraat over. Ook Benjamin den Boer Pzoon krijgt dit jaar toestemming om het broodbakkerambacht uit te oefenen.
Antoni van Oostveen is door koop eigenaar geworden van de bakkerij aan de Voorstad. Hij wordt toegelaten als bakker.
In november betoogt de meester broodbakker Bernardus den Deeken ‘dat den oven en het Fournuis dermate versleeten zijnde, dat eene geheele vernieuwing daarvan, van de uiterste noodzakelijkheid is geworden’. Hij verzoekt om de oven voor zijn broodbakkerij te mogen plaatsen in de zogenaamde kookkeuken. Het Stadsbestuur verleent hem hiervoor vergunning.

In 1802 krijgt Philippus de Wijs vergunning om in het huis ‘de Hulck’ aan de Klokstraat nummer 9, dat hij van Jacobus de Hooge heeft gekocht, de peperkoekbakkerij uit te oefenen. Hij blijft echter verplicht om vooraf bij de commissarissen van de voormalige gilden de verklaring af te leggen bij Publicatie van 24 december 1798 voorgeschreven. Bakker De Wijs krijgt tevens vergunning voor de verkoop van azijn en zeep.
Ook mag Pieter Lubin het broodbakkerambacht in de stad gaan uitoefenen.

In 1803 krijgt Johannes Harinck Hzoon toestemming voor het zetten van een oven voor de koekebakkersstijl in een woonhuis aan de Klokstraat nummer 19. De voormalige schoolmeester Levinus Antoni Alblas krijgt eveneens vergunning om als peperkoekbakker die stijl uit te oefenen in het door hem gekochte huis met bakkerij aan de Ganzepoortstraat.
Ook oefenen de peperkoekbakkerij uit Pieter Oversluis (hij doet dit overigens al vanaf 1799).
Wijbrand van de Wissel krijgt vergunning om bij voortduur de banketbakkers- en confiturieraffaire uit te oefenen en Jacobus Seybel verzoekt toestemming om in een zeker huis aan de Lange Kerkstraat, thans van Bernardus Boulboele, een oven voor de broodbakkerij te stichten. Het Stadsbestuur wijst dit af.

In 1804 verzoekt Bernardus den Deken ontheffing van het betreffende artikel in de Ordonnantie op het bakkersambacht, zodat hij bij voortduur zowel het broodbakkerambacht als de peperkoekbakkerambacht mag blijven uitoefenen.
In zijn uitvoerige brief betoogt bakker Den Deken dat hij de enige bakker is die tegelijk broodbakker en peperkoekbakker is. Door de commissarissen van de gecombineerde bakkersambachten wordt hem dit nu verboden. Het Stadsbestuur wijst dit af.
In augustus deelt Elisabeth Louisa van Aart weduwe van Johannes Beldrok mee voornemens te zijn haar huis, koekbakkerij, pakhuis en wat verder daartoe behoort publiek op te veilen en aan de meestbiedende te verkopen. Er hebben zich lieden voorgedaan die wel bereid zijn dit te kopen mits zij de brood- of koekbakkerij daar mogen uitoefenen.

Wat betreft 1805 verzoekt de suiker- en banketbakker Wijbrand van der Wisse in april vergunning om in zijn huis aan de Lange Vosstraat, dat hij van de erven Nicolaas Jansen (de gebroeders Gerard en Jan Janssen) heeft gekocht, tot voortzetting van zijn nering een oven voor de suikerbakkerij te mogen stichten. Het Stadsbestuur gaat daarmee akkoord en bepaalt dat van die oven geen ander gebruik mag worden gemaakt dan voor de suikerbakkersaffaire. En alzo mag dit huis, nu of in het vervolg, voor geen brood- of peperkoekbakkerij geschikt worden gemaakt.
In juni deelt Laurens Jonker uit Haarlem mee genegen te zijn om zich metterwoon binnen de stad neer te zetten en het suikerbakkersambacht uit te oefenen. Hij wil dit doen in het huis van Pieter Engelse, dat hij wil huren. Hij krijgt toestemming om daar een suikerbakkersoven te stichten.

Op sommige boerenhofsteden bakt de boerin zelf brood. Zo krijgt Leijn Dijkwel in 1801 vergunning om op het hem toebehorende ‘Hoeftie, staande onder de stads jurisdictie in de Goese Polder’, een bakoven te stichten.

 

Er is een nauwlettend toezicht op de kwaliteit van het brood.
Zo houden de door het Stadsbestuur aangestelde commissarissen over de distributie van de levensmiddelen en fourages, Cornelis van de Velde en Pieter Engelse, in 1801 een inspectie op het geleverde brood aan de in garnizoen liggende Franse troepen in de stad. Uit hun inspectierapport blijkt dat ze de kwaliteit van 330 broden hebben onderzocht. 170 broden, geleverd door bakker Bart van Hessel, zijn in het geheel afwijkend van de lopende contracten bevonden. 160 broden, geleverd door bakker Cornelis Cornelisse, waarover de commandant geklaagd heeft, zijn daarentegen wel goed bevonden.

Ook in oktober 1801 klaagt de commissaris van het voormalige bakkersgilde bij het Stadsbestuur dat sinds geruime tijd het brood in de bakkerswinkels niet is nagewogen. Dit dient, tot voorkoming van schade in het algemeen en wering van misbruiken, van tijd tot tijd te geschieden. Hij voelt zich verplicht zijn bezorgdheid onder de aandacht van het Stadsbestuur te brengen. Het Stadsbestuur besluit, na raadpleging van de Ordonnantie op het gewezen bakkersgilde van 1 april 1775, haar leden Gorsse en Van de Velde op te dragen om, geassisteerd door de commissaris over het voormalige gilde, een stadsbode en een dienaar van de justitie, de weging van het brood bij de bakkers op heden te laten geschieden en daarover te handelen zoals in artikel 2 van de Ordonnantie op het bakkersgilde is vastgesteld.

Uit een opgave aan het Departementaal Bestuur van februari 1806 blijkt dat de volgende bakkersbazen de eed hebben afgelegd voor het Stadsbestuur: de broodbakkers Jan George Eckhard, Frans van Hall, Elias Vertregt, Bernardus den Deken, Jacobus Barbier, Thomas Briels, Marinus Corbeel, Pieter Lubeijn, Pieter van Strien, Antoni Oostveen, Barth van Hessel, Benjamin den Boer, Frans Susijn, Adriaan Verburg, de weduwe van Alexander Antoine Lubin, Cornelis Cornelisse en Leendert Breker en de koekbakkers Hubertus Harinck, Cornelis Harinck, Philippus de Wijs, Levinus Antoni Alblas, Johannes Harinck en de weduwe van Pieter Oversluis.

In november 1806 stelt het Stadsbestuur, op voorstel van de hoofdcommissaris van het bakkersbedrijf, tot commissaris van dat bedrijf in de plaats van wijlen Pieter Oversluis aan Jan George Eckhardt.

Beurtveren

Beurtveren algemeen
Er zijn deze jaren nog tien vaste beurtveren van Goes op andere steden vice versa.
Toch ondervinden de beurtschippers soms groot nadeel van het vervoeren van passagiers en goederen met kleine schuitjes op de vaste veerdagen van de beurtschippers, ondanks het bij resolutie van het Stadsbestuur van 29 augustus 1801 vastgestelde verbod.
In juni 1802 besluit het Stadsbestuur hiertegen nogmaals op te treden. De commissaris van het schippersgilde krijgt opdracht zoveel in zijn vermogen is daar tegen te waken en te zorgen dat geen passagiers en goederen worden vervoerd zonder dat vooraf de vracht ten behoeve van de gewone beurtschippers is voldaan. Indien enigen van het kleine schippersgilde of andere eigenaars van hengsten, hoogaarzen of dergelijke vaartuigen dit weigeren of op de veerdagen van de beurtlieden goederen of personen vervoeren zonder voldoening van de vracht, zullen de vaartuigen van die schippers in beslag worden genomen en voor zes weken aan de ketting gelegd.
In januari 1803 stelt het Stadsbestuur Adriaan Bosdijk tot commissaris van de veren en beurtschippers op Amsterdam-Haarlem, Gouda, Rotterdam, Leiden-Delft-den Haag, Dordrecht, Middelburg, Vlissingen, Zierikzee, Bergen op Zoom en Tholen aan.

De beurtschippers verzoeken in februari 1803 het Stadsbestuur de vrachtlonen niet te verhogen vanwege de tegenwoordige duurte van levensmiddelen, de benodigde materialen voor de scheepsbouw en het onderhoud en repareren van hun vaartuigen.
Het verzoek is ondertekend door de beurtschippers op Amsterdam Cornelis Katsman en Adriaan de Beste, op Rotterdam Cornelis Reijnhout en Marimnus Gouw, op Dordrecht Pieter de Ridder, op Middelburg Willem Codde en op Den Haag J. van Baalen.

In maart 1803 rapporteren de stadsdirecteuren het Stadsbestuur dat de zaten in de kaai weer in zo’n toestand zijn geraakt dat op zeer weinig plaatsen door de schippers kan worden geladen of gelost. Het komt hen daarom noodzakelijk voor om zo lang mogelijk de vaart van de beurtschepen te bevorderen. De zaten dienen in de situatie te worden gebracht dat de schippers behoorlijk kunnen aanleggen om hun goederen in en uit te laden.
Het Stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te machtigen om het afnemen van de zaten in de kaai met de meeste spoed uit te laten voeren op voor de stad voordeligste wijze.

Er worden verscheidene schippers toegelaten om met het schip in ‘de breede beurt’ te varen.
Op gunstig advies van de commissaris van het schippersgilde krijgt Adriaan Roose in april 1803 toestemming om met zijn poonschip in het schippersgilde en mitsdien in de brede beurt te varen. Zo ook krijgt Jan van Blitterswijk in mei 1805 toestemming om met de door hem van de weduwe van Marinus Verstraate gekochte poonschuit van Goes in de zogenaamde brede beurt te varen.

Beurtveer op Amsterdam-Haarlem-Zaandam buiten de sluis
In februari 1802 krijgt de beurtschipper op Haarlem en Amsterdam Jan Visser ontslag. In de vacerende schippersplaats wordt aangesteld tot beurtman Adriaan de Beste. Hij moet het schip van Jan Visser overnemen op basis van een taxatie door vier onpartijdige personen. Hij wordt aangesteld tot beurtschipper op Amsterdam, Zaandam buiten de sluis en Haarlem.

Beurtveer op Delft, Leiden en Den Haag
Dit beurtveer gaat deze jaren met nogal wat strubbelingen gepaard. De beurtschipper Marinus van Baalen van het veer op Delft, Leiden, den Haag, Delfshaven en Schiedam overlijdt in 1801. Tot nieuwe beurtman wordt de zoon van de overledene, Johannes van Baalen, aangesteld. In april 1804 is de nieuwe beurtschipper Jan van Baalen echter in zo’n situatie geraakt dat het veer door hem niet meer kan worden bediend. Hij wordt ontslagen als beurtschipper. In zijn plaats komt Janis Reijnhout. Maar na een maand verzoekt deze ontslag omdat zijn vaartuig niet geschikt is om het veer waar te nemen. Het Stadsbestuur besluit het veer voorlopig slechts tot Delft te bedienen en daar de goederen voor Leiden en Den Haag over te laden. Weldra komt de beurtschipperplaats opnieuw vacant door het ontslag van Janis Reijnhout. Hendrik Koole wordt nu aangesteld als beurtschipper. Daarbij wordt bepaald dat zijn opvolger het door hem aan te schaffen of over te nemen beurtschip dient over te nemen voor de getaxeerde waarde. Maar al in oktober 1805 neemt beurtschipper Hendrik Koole ontslag uit zijn bediening. Het stadsbestuur besluit nu Pieter Walet, door de Stedelijke Raad van Den Haag aangesteld als beurtschipper van Den Haag op Middelburg, Vlissingen en Veere en onderhorige plaatsen van Zeeland, toe te staan om ook te varen op Goes. Hij krijgt in de haven van Goes aan de Grote Kaay binnen de brug een leg-, los- en laadplaats aangewezen.

Beurtveer op Middelburg
Door de gemeentebesturen van Goes en Middelburg wordt in juli 1802 het volgende over de beurtveren tussen beide plaatsen overeengekomen:

  • jaarlijks zullen de wederzijdse schippers van vaarbeurt veranderen;
  • de leg- en laadtijd te Middelburg zal zijn op maandag en zaterdag tot ‘s middags 12 uur;
  • de leg- en laadtijd te Goes zal zijn op woensdag en donderdag tot ’s middags 12 uur;
  • tot eind december 1802 zal schipper Smits blijven varen op maandag van Middelburg en op woensdag van Goes;
  • schipper Codde zal op donderdag van Goes en op zaterdag van Middelburg varen;
  • van begin januari tot eind december 1803 zal schipper Smits de beurten van schipper Codde hebben en zo omgekeerd jaarlijks wisselen.

In januari 1806 wordt Willem Codde ontslagen als koopmansbode en beurtschipper van Goes op Middelburg. In zijn plaats komt als koopmansbode Jan Boogaard en als beurtschipper Wouter Biersteker. Codde betoogt daarop in een uitvoerig schrijven dat hij genoodzaakt werd met zijn schip op de gewone veerdagen te blijven liggen alleen wegens het missen van vracht maar geenszins door nalatigheid of onverschilligheid in de waarneming van zijn bediening. Het heeft hem zeer verdriet dat door de geringheid van lading en de waarneming van commissies door anderen zijn bedieningen hem geen voldoende bestaan hebben opgeleverd.

In februari 1806 stelt het Stadsbestuur een Instructie voor de koopmansbode op Middelburg vast. Daaruit blijkt o.a. dat hij wekelijks op donderdag van Goes naar Middelburg zal vertrekken en uiterlijk op zaterdag van daar terugkeren. In het bijzonder zal hij het overbrengen van hem toevertrouwde gelden zonder vertraging bewerkstelligen. Hij zal het vervoeren van wat hem toevertrouwd is zoveel mogelijk doen met de vaste beurtschipper van de stad op Middelburg. Hij mag zich niet bezig houden met het vervoer van pakken, dozen of iets van wat tot de vracht van de vaste beurtschipper behoort. Ook is hij verplicht een borg te stellen van ƒ 6000.

Beurtveer op Rotterdam
Na ‘smakking’ en na kennisname van het inspectierapport van de scheepstimmerman over de gesteldheid van de vaartuigen van de beurtschippers die zich tot de smakking naar het Rotterdamse veer hebben aangemeld, wordt Adriaan de Beste in maart 1801 tot beurtschipper op Rotterdam verkoren.
In maart 1802 gooit bij de ‘smakking’ naar het bedienen van het Rotterdamse beurtveer Cornelis Reijnhout de hoogste ogen. Ook in 1804 en 1805 wordt Reijnhout verkoren tot beurtschipper op Rotterdam.

De verkoren beurtman op het veer op Rotterdam Cornelis Reijnhout, die zelf met een smalschip in de brede beurt vaart, verzoekt het Stadsbestuur in januari 1803 voortaan alleen toe te laten schippers van smalschepen, die veertien lasten kunnen laden, zonder daartoe schippers van poonschepen toe te laten. Hij betoogt dat het veer tot het jaar 1796 altijd bediend en bevaren is door drie smalschepen, te weten een van de stad Rotterdam en twee van deze stad. In 1796 zijn tot de loting ook toegelaten schippers die geen smalschepen, maar poonschuiten bevaren. Volgens hem hebben burgemeesters en schepenen op de 5e augustus 1646 besloten dat een schipper, willende toegelaten worden tot ‘de Groote beurte’, een smalschip moet hebben die tenminste veertien lasten kan laden.
Daarop dienen Janis Reijnhout, Marinus van Straaten, Wouter Biersteker en Cornelis de Beste, schippers van zogenaamde poonschuiten, verzoeken in om met hun poonjachten bij voortduur jaarlijks naar de bediening van het Rotterdamse beurtveer te mogen dingen. Het Stadsbestuur staat hen dit toe en wijst het verzoek van Reinhout af.

Het Stadsbestuur bepaalt in maart 1803 dat tot de aanstaande en in het vervolg te doene loting naar het Rotterdamse veer niet toegelaten zullen worden schepen of schuiten die van geen behoorlijk paviljoen tot gerief van passagiers zijn voorzien.
De Rotterdamse vroedschap is het hier mee eens. Want in april 1804 antwoordt het college van Rotterdam op de brief van het Goese Stadsbestuur dat ze geen bedenking heeft om toe te staan dat in het veer tussen beide steden niet alleen smalschepen maar ook poonschuiten worden toegelaten, mits deze van een voldoende grootte en met een behoorlijk paviljoen voorzien zijn.

Eind mei 1805 komt er een brief van Wethouders van de stad Rotterdam binnen bij het Stadsbestuur. Ze geven kennis dat een aantal kooplieden zich beklaagd heeft dat het schip van Wouter Biersteker, thans bij loting tot de waarneming van het veer toegelaten, in geen geval daartoe geschikt is. Ze achten zelfs hun goederen en personen daarin niet voldoende veilig. Deze klachten zijn door de commissarissen van het grote schippersgilde als gegrond bevonden. Ze verzoeken om inplaats van dit schip een smalschip ofwel een grote poonschuit, voorzien van een geschikt paviljoen, in het veer te plaatsen.
Hierover vraagt het Stadsbestuur het oordeel van de commissaris van het schippersbedrijf. Deze geeft echter afdoende getuigenis over het schip van Biersteker. Besloten wordt de wethouders van Rotterdam het ongegronde van hun klachten onder ogen te brengen. Rotterdam neemt hiermee geen genoegen en verzoekt inplaats van het huidige schip een groot poonschip met een goed paviljoen in te zetten. Hierop stuurt het Goese Stadsbestuur gunstige verklaringen van scheepstimmerlieden en commissarissen van het schippersbedrijf aan Rotterdam.
Op de 29e juni komt het antwoord van Rotterdam ter tafel van het Stadsbestuur. De wethouders van Rotterdam persisteren in hun weigering tot toelating van beurtschipper Biersteker. Het Stadsbestuur besluit dat voorlopig geen andere beurtschipper op Rotterdam zal worden aangesteld, maar dat de tweede beurtschipperplaats, waarvan de aanstelling volgens de Ordonnantie op het veer aan deze stad toekomt, zolang bij wethouders van Rotterdam zwarigheden over de toelating van poonschuiten wordt gemaakt, vacant gelaten zal worden.

Beurtveer op Veere
In november 1805 geeft de stedelijke raad van Veere kennis van de aanstelling van Jan Meeuwsen tot beurtschipper en bode van Veere op Goes vice versa in de plaats van Cornelis Kroonenburg, die om zijn ontslag heeft verzocht.

Beurtveer op Vlissingen
De beurtschipper van Goes op Vlissingen vice versa Gerrit de Heer krijgt in februari 1801 toestemming om met een overdekte poonhengst het veer waar te nemen. Twee jaar later, in januari 1803, verzoekt beurtschipper De Heer om met de door hem gekochte hoogaars weer op Vlissingen te mogen varen. In april 1804 overlegt hij zijn vernieuwde commissie als beurtschipper van Vlissingen op Goes, die hij van de Vlissingse raad heeft verkregen.

Boekverkopers en boekdrukkers

In oktober 1801 overlijdt de stadsdrukker Jacobus Huisman. Gedurende dertien jaar heeft Pieter Krombouw als knecht bij Huisman gediend als leerling en gezel drukker. Al die tijd heeft hij getracht zich in de beoefening van het boekdrukken en wat verder aan die zaak behoort te bekwamen. Daarom verzoekt hij tot drukker te mogen worden aangesteld.
Echter, in december dient ook David Koning een verzoek in. Hij heeft het huis en de drukkerij van de overleden stadsdrukker Jacobus Huisman gekocht en verzoekt nu het boekdrukken en boekverkopen daarin te mogen uitoefenen. Tevens verzoekt hij als stadsdrukker op eenzelfde traktement als wijlen Huisman genoot te worden aangesteld. Het Stadsbestuur besluit David Koning het boekdrukken en het verkopen van boeken toe te staan.

In april 1803 verzoeken beide boekverkopers en boekbinders binnen de stad, David Koning en Francois Oversluis, octrooi om voortaan met uitsluiting van alle anderen de boekbinders- en boekverkoperaffaire te mogen doen. Tevens verzoeken ze het eerste privilege om voor vijftien jaar binnen de stad alleen als stadsdrukker te mogen fungeren. Vanwege de gegeven toestemming aan Krombouw gaat het Stadsbestuur hier niet op in.

Boekhandelaar David Koning dient in juni 1805 een verzoek in om toestemming om op zodanige wijze aan te leggen een boekverdeling bij trekking, in aanwezigheid van de deelnemende. Ofwel, indien zijn verzoek wordt afgewezen, dat dan aan hem mogen worden verleend gunstige brieven van voorschrijving aan de Raadpensionaris. Het Stadsbestuur wijst zijn verzoek echter af. Het aanleggen van verlotingen van goederen, hetzij onder de naam van verdeling of anderszins, is bij plakkaten van den Lande uitdrukkelijk verboden.

In mei 1803 reageert Pieter Krombouw opnieuw. Hij betoogt dat hij bij wijlen Jacobus Huisman, in leven boekdrukker en -binder binnen de stad, veertien jaren als leerling en knecht het vak heeft geleerd en uitgeoefend. Hij meent over de vereiste bekwaamheid te beschikken om dit vak als meester uit te oefenen en verzoekt dan ook vergunning voor het drukken, inbinden en verkopen van boeken. Opnieuw wijst het stadsbestuur zijn verzoek wat betreft het drukken af. Wel krijgt hij toestemming om binnen de stad de boekbindersnering uit te oefenen en boeken en schrijfbehoeften te verkopen.

Brouwerijen

Deze jaren zijn er drie brouwerijen in de stad: ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt, ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat en …… In februari 1806 blijkt uit een opgave aan het Departementaal Bestuur dat Aarnout van Citters, Gerardus Codde, Jacobus de Jongh en Cornelis Marinus de Jongh moutmolenaars en brouwers zijn.

Nicolaas Vervenne bezit in erfpacht het ravelijn (de Groene Jager) aan de stadswal achter de brouwerij ‘het Witte Claverblad’. In 1798 is hem het ravelijn in erfpacht gegeven op voorwaarde dat in geval het Stadsbestuur ‘in tijd en wijle kon goedvinden aldaar aan iemand plaats te vergunnen tot de bouw van een molen of anderszins, alsdan het gehele ravelijn of een gedeelte van dien, naar zich te mogen trekken’. In dat geval zal de eigendom van het woonhuis en de daarop staande beplanting worden vergoed op basis van taxatie door neutrale lieden. In december 1802 wijst hij er op dat aan het woonhuis op het ravelijn enkele hoognodige reparaties moeten gebeuren. Hij is niet ongenegen het gebouw aanmerkelijk te vergroten. Maar hij wordt daarin weerhouden door de ingebouwde reserve in het erfpachtcontract van 1798. Hij stelt voor hem een zekerheid te geven en hem in de gelegenheid te stellen om door de voorgenomen verbouwing een reële verbetering aan het pand tot stand te brengen. Het Stadsbestuur besluit hem als erfpachter gedurende de lopende termijn van de erfpacht van het ravelijn zonder consequentie voor de toekomst ‘de reserve zal worden gehouden als niet geschied zijnde’.

Herbergen, koffiehuizen, kroegen, slijters en grossiers in sterke drank

Algemeen
In februari 1806 betogen de tappers in wijn en grossiers in sterke dranken in een uitvoerige brief ‘dat ze door de dadelijke voldoening van de impost bij de inslag alsmede door het gedurig vermis van manden, flessen en vaatwerk, in de onvermijdelijke noodzakelijkheid zijn gebracht om eenparig met elkander maatregelen te beramen waardoor zij buiten schade der burgerij in de aanmerkelijke voorschotten van impost zouden kunnen worden gesoulageerd’.
De brief is ondertekend door Dominicus Noël, Jan Dominicus, Cornelis Mispelblom, Leendert Krekelenberg, T.C. Neuburg, Cornelis Vervenne, Cornelis van de Vaarde en Johannes Stokmans.

Naar aanleiding van een aanschrijving van de Raad van Financiën roept het Stadsbestuur in juni 1806 alle neringdoende ingezetenen op tegen de eerstvolgende vergadering van de raad om de eed in handen van de president af te leggen. Ter vergadering verschijnen de wijntappers of slijters, de koffyhuishouders, de logementhouders en de herbergiers binnen de stad. Ze leggen allen ingevolge de Ordonnantie voor de impost op de wijn de voorgeschreven eed af.

Bierstekers
In 1801 krijgt Abraham Johannes Jaspers, geassisteerd door zijn voogdes Philippina van der Moere weduwe Jaspers en zijn voogd Franciscus Henricus Wagenaar, vergunning om binnen de stad als biersteker Brabantse en Vlaamse bieren te verkopen.

Grossiers in sterke drank
In deze jaren krijgen verscheidene inwoners vergunning om de wijnkopers- en/of grossierderij in sterke dranken te bedrijven. Dit zijn:
in 1801 Jacobus Wulfaart in het door hem gekochte huis op de Vlasmarkt;
in 1802 Willem van den Berg in het door hem gekochte woonhuis op de Kaaij; Cornelis Benjaminse in het huis in de Lombardstraat beoosten het huis van oud-burgemeester A.W. van Citters en bewesten het huis van Jozias Sloover; Philippus de Wijs Jacobzoon in een huis in de Klokstraat;
in 1803 Marinus Hoelands in het door hem gekochte woonhuis, de wijnkelders en het wijnpakhuis van Cornelis van de Vaarde op de Grote Kaaij;
in 1804 Simon van Zoom; Marinus Janse Timmerman in het huis het ‘Slot Oostende’; hij mag daar de tabakverkopers- en grossiersaffaire in sterke dranken uitoefenen in de plaats van zijn overleden zuster Maatje Janse Timmerman weduwe van Pieter Rijk;
in 1805 Gerardus Codde; hij mag echter alleen als wijnkoper en niet als grossier in sterke drank optreden;
in 1806 Jacob Visser uit Middelburg (hij krijgt vergunning als distillateur van likeuren in het door hem gehuurde woonhuis in de Lange Kerkstraat van Engel Sloover); Gerardus Codde en Adriaan Jasperse Rapholm in zijn huis op de Kaaij.

Herbergen
Er zijn deze jaren de volgende mutaties in de herberg- en logementhouders:
in 1801 wordt herbergier en logementhouder in de herberg ‘de Groote Zoutkeet’ op de Grote Markt Johannes Andries Huisseling;

in 1802 krijgt Leendert Verduin, wonend in de kroeg ‘het Molentie’ buiten de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, vergunning voor het houden van herberg in zijn woonhuis; hij wil deze herberg voortaan ‘Buiten Vermaak’ noemen; hij mag daar ook een biljarttafel opstellen;
in 1803 mag Jan Verlorenkost in het door hem gekochte huis ‘de Meermin’ aan de westzijde van de Grote Kaai de herbergiernering uitoefenen; J.C. Rucker, wonende in het Fort Bath, huurt dit jaar het logement ‘de Grote Zoutkeet’ op de Grote Markt en gaat hierin de herbergiernering uitoefenen; Joseph Vaas krijgt permissie om in het door hem gekochte logement ‘de Zwaan’ in de Magdalenastraat de herbergiernering uit te oefenen en logement te houden; Frans Benjaminse krijgt permissie om in het logement ‘de Gouden Leeuw’ aan de westzijde van de Grote Markt de herbergiers- en logementhouderaffaire te doen; hij heeft het logement gekocht van Aldegonda Battij weduwe van Nicolaas Bosdijk; Johannes Puto, thans wonende te Middelburg, heeft van docter Dominicus Noël gehuurd het logement ‘Belle Vue’ op de Grote Markt en krijgt vergunning om daarin de logement- en herbergiernering voor te zetten;
in 1805 krijgt Johannes Thomson, wonend in de Voorstad, vergunning om in het door hem van Dominicus Noël gehuurde huis ‘Belle Vue’ aan de Grote Markt herberg en logement te houden, mitsgaders daar een biljart te plaatsen en koffyhuis te houden; Adriaan Rapholm heeft op een publieke veiling in oktober 1805 de herberg ‘de Nationale Kolfbaan’ aan de Kaaij gekocht uit de boedel van Willem van den Berge; hij wil zich daar generen met de verkoop van zout bij de kleine maat naast harde en zachte zeep in het gros; Johannes Kocken krijgt vergunning om in het door hem gekochte huis, het zogenaamde ‘Schippershuis’ aan de Grote Kade, herberg en logement te houden;
in 1806 krijgt Gerard Breker, bewonend het gebouw van de voormalige schutterij ‘de Voetboog’, nu van de directie voerende leden van de Sociëteit Van Ongenuchten Vrij, vergunning om daar herberg te houden.

 

In 1806 telt de stad de volgende 18 logementhouders en herbergiers: Frans Benjaminse in ‘de Gouden Leeuw’ aan de Grote Markt, Frans Schoonderwalt, Johannes Thomson in ‘Belle Vue’, Klaas Langguth, Leendert Verduin in ‘Buiten Vermaak’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, Jan Verlorenkost in ‘de Meermin’ aan de Grote Kade, Jan Rottier, Joseph Vaes in ‘de Zwaen’ in de Magdalenastraat, Jan Coenraad Ruchert in ‘de Groote Zoutkeet’ aan de Grote Markt, Laurens Vermue, Jan la Frou, Johannes Kocken in ‘het Schippershuis’ aan de Grote Kaai, Leendert Breker in ‘de Voetboog’, Jan de Jode, Jan van Waarde, Fans Verdonk, Cornelis Bordink en Steven van Veen.

Koffiehuizen
In juli 1801 mag Johannes Andries Huiseling in het logement ‘de Groote Zoutkeet’ koffyhuis houden en een biljarttafel opstellen.
Klaas Langguth mag in maart 1806 in het huis op de Grote Markt, waar dit tot nu toe door zijn vader is uitgeoefend, koffiehuis en biljard houden en daarbij wijn schenken.

Kroegen
De volgende wijzigingen treden deze jaren op in de kroeghouders:
in 1801 Willem Hoevens in zijn huis op de Beestenmarkt; Job van der Maas in de kroeg ‘de Blaauwe Steen’; Leendert Verduin in de kroeg ‘het Molentie’ buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort;
in 1802 Lucas Volmer in het huis ‘het Wapen van Amsterdam’; Willem Reinhardus in de kroeg ‘Het Anker’ in de Zusterstraat; Thomas Briels in het huis ‘den Gouden Appel’ in de Manhuisstraat; hij krijgt toestemming om daar ook ‘een Trektafel’ te doen stellen; Pieter Reijnders in het huis ‘’s Lands Welvaren’ in de Sint Adriaanstraat;
in 1803 Nicolaas Reijnaars in de kroeg ‘het Fortuyn’ op de Beestenmarkt (in juli 1803 wordt hem naar aanleiding van ingekomen klachten over ongeregeldheden die plaats gehad hebben voor zes weken als kroegier alle nering ontzegd); Theunis Groeneweg, knecht in het gasthuis, krijgt geen toestemming om in zijn woonhuis ‘de Smak’ in de Sint Jacobstraat (nevens de gang van het schippershuis, waarin voorheen de tappernering is uitgeoefend) kroeg te houden;
in 1803 Willem Reinardus in ‘het Anker’ in de Korte Kerkstraat, alwaar sinds vele jaren de kroeghoudernering is geschied; Jacob Aytjes Weeldinga in het huis ‘Engelenburg’; Adriaan Groenendijk in de kroeg aan de Blaauwe Steen (waar sinds vele jaren de kroeghoudernering is geëxerceerd); Anna Maria Blockers weduwe van Josephus Sickman in de kroeg ‘het Wapen van Amsterdam’ (waar sinds enige jaren de kroeghoudernering is geëxerceerd); Cornelis Bik, geboortig van Zierikzee, in huwelijk met Elisabeth de Smith weduwe van Cornelis Molhoek (die voorheen hier de kroeghoudernering heeft geëxerceerd) in de kroeg ‘de Drie Morianen’; Sebastiaan Vadden in de kroeg ‘het Wapen van Amsterdam’ in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat;
in 1804 Steven van Veen in het huis ‘’s Lands Welvaren’, staande tussen de twee waterpoorten, in de plaats van zijn overleden moeder, de weduwe van Harman van Veen; Willem Hoevens in de kroeg ‘het Anker’ in de Manhuisstraat; Lambertus Berks in het door hem gehuurde huis ‘Engelenburg’, staande naast de Oostpoort; Joseph Jongen in de kroeg ‘de Gouden Appel’ in de Manhuisstraat;
in 1805 Johannes Geerling in de kroeg ‘het Wapen van Amsterdam’ in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat; Ernst Ferdinand Holker krijgt vanwege zijn huwelijk met Adriana de Witte weduwe van Adriaan Groenendijk, vergunning om in het logement aan de Blaauwe Steen te gaan wonen en aldaar logement te houden en gelagen te zetten;
in 1806 Antony de Witte in de kroeg ‘de Oranjeboom’ in de Wijngaardstraat; zijn vader heeft hier vele jaren de kroegiernering gedaan; Adriaan Verhelst in de kroeg ‘de Gouden Appel’ in de Zusterstraat; Augustinus van den Berge in de kroeg ‘het Anker’ in de Zusterstraat.

Slijters
Vergunning om sterke drank in de kleine maat te verkopen krijgen:
in 1801 Lieven van Loo; Abraham Biersteker in zijn woonhuis op de Kaai en Johannes den Boer;
in 1802 Jan van der Jagt in zijn woonhuis in de Sint Adriaanstraat en Jan de Keijzer;
in 1803 Catharina de Jonge in haar huis op de hoek van de Magdalenastraat (‘ze moet zich onthouden van het tappen van zoopjes en zetten van gelagen’); Janis Keller in het door hem gehuurde huis in de Korte Kerkstraat, mits zich onthoudende van het tappen van zoopjes en zetten van gelagen;
in 1804 Marinus de Koeijer in zijn huis aan de Nieuwstraat; Lucas Reijnierse; Joseph Jongen in het huis in de Korte Kerkstraat, door hem van dokter Dominicus Noël gehuurd; Dirk van der Linde in zijn huis in de Papegaaystraat; Gerardus Reijnders in het door hem van dokter Dominicus Noël gehuurde huis aan de Korte Kerkstraat;
in 1806 Geertruida Mispelblom weduwe van Jacobus Dominicus in haar woonhuis bij de Kaaij; Antoni Pluimers in het door hem bewoonde huis in de Korte Kerkstraat; Dignus Dominicus Jacobzn in zijn woning op de Beestenmarkt en Gerard Reijnders in zijn huis aan de Lange Vosstraat;
in juli 1806 worden alle wijntappers en slijters voor het Stadsbestuur beëdigd. Het gaat om Johannes Stokmans, Jan Dominicus, Leendert Krekelenberg, Dominicus Noël, Cornelis van de Vaarde, Cornelis Mispelblom en Dignus Dominicus in compagnie, Marinus Hoelands, Gerardus Codde, C.F. Hubregtse en Cornelis Vervenne.

Hoedenmakers

Op zijn verzoek krijgt Johannes Pilaar in november 1801 toestemming tot het voortzetten van de hoedenfabriek in het door hem van Gerard Machielse gekochte woonhuis. Dit onder het genot van alle zodanige voorrechten als aan andere hoedenfabrikeurs zijn toegestaan.
In augustus 1802 verzoekt Jan Machielse Nzoon toestemming om hoeden te mogen maken binnen de stad. Aanvankelijk wijst het Stadsbestuur dit verzoek af. Maar enkele weken later krijgt hij vergunning om binnen de stad hoeden te verkopen.

Er is nòg een hoedenfabriekje in de stad.
Pieter Vermeijs verzoekt in september 1803 toestemming voor het doen stellen van de nodige vuurmachines voor het fabriceren en verkopen van hoeden voor zijn hoedenmakeraffaire in een zeker huis aan de Lange Vosstraat nummer 52. Dit huis heeft hij gekocht van Jacobus de Broekert.
Uit zijn verzoekschrift blijkt het volgende. Zijn grootvader was Machiel Heijnen. Deze heeft in het woonhuis aan de Lange Kerkstraat, onlangs door zijn moeder Alida Heijnen weduwe van G. Vermeijs bij publieke veiling verkocht, uitgeoefend het fabriceren en verkopen van allerhande soorten van manshoeden. Dit is door hem voor zijn moeder tot aan de verkoop van het pand voortgezet. Door de verkoop van deze fabriek zal zijn negotie van hoeden aldaar worden gedemolleerd. Hij heeft nu van Jacob de Broekert diens woonhuis in de Lange Vorststraat gekocht en zou graag in dat huis fabriceren en verkopen allerhande soorten manshoeden en daarvoor willen stichten een fournuis en de verdere voor een zodanige fabriek benodigde vuurmachines.

In februari 1806 krijgt de meester hoedenmaker Johannes Heijnen vergunning om in zijn woning in de Nieuwstraat, naast de kroeg ‘de Walendans’, voor de uitoefening van zijn bedrijf te doen stichten de nodige fournaisen voor zijn hoedenfabriek.

Kaarsenmakers

Deze jaren vestigen zich vier nieuwe kaarsenmakers in de stad.
In januari 1801 krijgt Abel van Kogelenbergh, burger en inwoner, vergunning om in een huis van Pieter Zitters aan de Korte Vosstraat een kaarsenmakerij te stichten. In dit huis mag hij een fournuis voor de kaarsmakerij aanbrengen.
Ook Jakob Brandt mag in februari 1802 een fornuis of smelterij plaatsen voor de kaarsenmakeraffaire in zijn huis aan de oostzijde van de Korte Kerkstraat.
In februari 1804 verzoekt Willem van Sluis, burger en inwoner, de kaarsenmakernering te mogen doen in zijn woonhuis in de Ganzepoortstraat nummer 28 oostzijde en daarvoor een fornuis te stichten. Dit is akkoord.
Theunis van Uye, wonend in ‘de Rosencrans’ aan de Lange Vorststraat nummer 88, krijgt in maart 1805 vergunning voor het uitoefenen van de kaarsenmakerij en om hiervoor een fornuis te stellen in het door hem gekochte woonhuis in de Lange Vorststraat naast zijn woonhuis. Maar de buurman van Van Uye in ‘het St Janshooft’ op Lange Vorststraat nummer 94, dokter J.A. Eltzman, verzoekt de vergunning niet te verlenen. Hij heeft vernomen dat Van Uije het huis tussen zijn woning en het woonhuis van hem heeft aangekocht met de bedoeling om daar de kaarsenmakerij uit te oefenen. Hij vreest voor brand en de ondraaglijkheid van de stank van de kaarsenmakerij. Temeer daar Van Uije de kaarsenmakerij wil uitoefenen in het vertrek gelegen naast zijn apotheek. De vele artsenijen zullen door de stank gevaar lopen. Bovendien ‘laat hij zich voorstaan dat gijlieden niet zult permitteren dat zodanige fabriek wordt geëxerceerd in de straat door verscheidene notabele burgers bewoond wordende‘. Het Stadsbestuur besluit de brief terzijde te leggen.

Kleermakers en keurslijfmakers

Er vestigen zich deze jaren twee keurslijfmakers in de stad. In januari 1801 is dit Johannes Machielse Nicolaaszoon. Hij schrijft ‘gezind te zijn zich als keurslijfmaker en vrouwe kleermaker in de stad neder te zetten’.
Matthijs Lemmens, burger en inwoner, bedrijft sinds enige jaren het keurslijfmakers ambacht zonder vergunning. Hij krijgt in maart 1803 alsnog vergunning om met het maken, repareren en verkopen van keurslijven en alle ander keurslijfmakerwerk voort te gaan.
Ook Adriaan Hieftie mag in 1803 het maken en verkopen van kleding tot de boerenklederdracht behorende voortzetten, evenals Cornelia Tinje, Elisabeth Soeffeer en Maria Sloover als wollenaaisters en Dirk Hermanse Bik als kleermaker.

Ook negen nieuwe kleermakers vestigen zich in de stad.
In januari 1801 schrijft Adriana Benjaminse gezind te zijn zich te generen met het maken van klederen. Ze krijgt hiervoor vergunning. In februari 1801 laat Frans Boldensdorf weten gezind te zijn de kleermakerstijl uit te oefenen. Ook hij krijgt hiervoor vergunning.
In 1802 vestigen zich zelfs drie nieuwe kleermakers in de stad. Klaas Hoondert Pieterzoon, burger en inwoner, krijgt in april 1802 vergunning om het kleermakersambacht uit te oefenen, evenals Marinus van de Visse Leendertzoon in mei 1802 en Cornelis Snoek, burger en inwoner, in augustus 1802.
In februari 1803 deelt Adriaan Hieftje, burger en inwoner, mee geruime tijd geleden binnen de stad het ambacht van kleermaker te hebben uitgeoefend, in zover het het maken en verkopen van boerenklederdracht betreft. Hij verzoekt hem te accorderen om vrijelijk met het verkopen en maken van deze goederen te mogen voortgaan.
Ook in 1804 komen er drie nieuwe kleermakers in de stad. In februari is dit Adriaan van Loo Lievenzoon, burger en inwoner. Hij krijgt toestemming om na afgelegde gunstige proef tot de uitoefening van het kleermakersambacht en als vrijmeester op te treden. In april mag Johannes Pieter Poole, burger en inwoonder, na het afleggen van de vereiste proef en betaling van het inkomstgeld, het beroep van kleermakersbaas uitoefenen. Eveneens krijgt in mei Hubrecht Schoonderwalt vergunning om het kledermakerambacht uit te oefenen.

Leerlooiers

In mei 1801 verzoekt de inwoner van de stad, Abel van Kogelenbergh, een leerlooierij en ploterij te mogen oprichten. Het Stadsbestuur besluit hem toe te staan op de door hem aan te kopen erve, thans nog in eigendom van Frans Schoonderwald en gelegen buiten de Koepoort in ‘Meester Klaashoek’ onder het oude Goessche Ambacht, een looierij en ploterij aan te leggen.
De leerbereider en looier Gerard Bakker verzoekt in maart 1806 toestemming voor het inslaan van ongeraffineerd zout dat hij voor zijn fabriek nodig heeft. Het Stadsbestuur vindt het gebruik van ongeraffineerd zout in zijn fabriek onmisbaar en gaat hiermee akkoord.

Lootgieters en schaliedekkers

Deze jaren worden twee nieuwe lootgieters en schaliedekkers in de stad toegelaten. In mei 1802 krijgt Leendert Verheule vergunning om het schaliedekkers- en loodgieterambacht uit te oefenen.
Hendrik Daniël van Ettinger, burger en inwoonder, mag zich in juli 1803 als lootgieter en schaliedekker in de stad vestigen.

Makelaars in turf en telhout

In mei 1803 beraadslaagt het Stadsbestuur over het verzoek van Hubrecht Visser, makelaar in Hollandse turf. Hij verzoekt de schippers die de Friesche haardbrand aanbrengen te verplichten insgelijks gebruik te maken van hem als makelaar. Dit wordt van de hand gewezen en de schippers wordt vrijgelaten hun turf zelf aan een ieder te verkopen.

Op zijn verzoek stelt het Stadsbestuur in februari 1804 Jan Visser aan tot makelaar van blokkeel of telhout, dat door vreemde schippers te Goes wordt aangebracht. Volgens zijn verzoek doet Visser dit ‘tot verbetering van zijn tijdelijke middelen van bestaan en ter voldoening van het verlangen van de particuliere schippers, op deze stad met blokkeel of telhout ter negotie varende’.

Markten

Jaarmarkt
De jaarlijkse Jaarmarkt of Goese kermis wordt gedurende vijftien dagen in de tweede helft van augustus gehouden. De notulenboeken vermelden meestal de gebruikelijke afspraken. De president van de stedelijke raad krijgt machtiging om de akkoorden te maken over de staangelden van de komedies en spellen die tot voordeel van de stad moeten betaald worden. Het Stadsbestuur bepaalt elk jaar als naar gewoonte dat ‘geene draaiborden, dobbelspelers, rijfelaars of diergelijke worden toegelaten en alle bedelaars worden geweerd’. Tweemaal wordt deze bepaling in de Haarlemse en Middelburgse Couranten bekend gemaakt. Veelal worden toegelaten zodanige spelen en vertoningen ‘waaromtrent gevoegelijke condities ten aanzien van de standplaatsen zullen kunnen worden gemaakt’.
In juli 1803 bepaalt het Departementaal bestuur van Zeeland door middel van een Publicatie dat er gedurende het jaar 1803 in geen steden, plaatsen of dorpen kermissen of jaarmarkten zullen mogen worden gehouden. Wel wordt toegestaan dat de vrije graanmarkt, die gewoonlijk in de kermisweek te Goes plaats heeft, gepermitteerd zal blijven.

In augustus 1804 komen verscheidene verzoeken binnen van vreemde kooplieden, die thans op de Jaarmarkt met hun goederen staan, om de Jaarmarkt nog voor enige dagen te verlengen. Het Stadsbestuur overweegt ‘dat vele kooplieden, vermits de verschikking van de Vlissingse jaarmarkt, alhier laat zijn gearriveerd, mitsgaders voornamelijk dat de tarweoogst nog niet zijnde geëindigd dit oorzaak heeft gegeven dat de toevloed van landlieden niet zo aanmerkelijk als naar gewoonte heeft geweest, hetgeen zowel de burgerij als vreemde kooplieden een gedeelte van de verwachte voordelen zouden doen missen’. Besloten wordt dan ook om daaraan tegemoet te komen en, zonder enige consequentie voor toekomende jaren, de tegenwoordige Jaarmarkt voor twee dagen te verlengen.

Sommige kooplieden, die met hun negotie de jaarmarkten binnen de steden van Zeeland bezoeken, vragen in 1805 opnieuw om verlenging van de Jaarmarkt. Maar het Stadsbestuur houdt nu voet bij stuk en vindt het niet wenselijk het verzoek in te willigen. Iedereen is nu aan de vastgestelde tijden gewend en verschikking zou alleen maar onrust veroorzaken. Het is ook niet billijk ten opzichte van andere inwoners en opgezetenen die door de verlenging nadeel zouden lijden.
Een opmerkelijk feit is dat het Stadsbestuur in 1805 besluit ‘in het generaal alle schikkingen, de jaarmarkt betreffende, te demanderen aan de president van de raad om daarin te handelen zoals desselfs goede raad gedragen zal’.

In februari 1806 besluit het Stadsbestuur, op voorstel van de hoofdcommissaris van de kleermakersstijl, de Ordonnantie voor dit ambacht van de 5e januari 1805 uit te breiden met de bepaling dat ‘hetzelve ambacht binnen deze stad door niemand als Baas zal mogen geëxerceerd worden dan die proef gedaan of dadelijk als vrijmeester in het zelve is toegelaten geworden’.

Voor de in augustus 1806 te houden Jaarmarkt verzoeken commissarissen van het schoenmakersbedrijf of door hen alsnog de gewone jaarlijkse advertenties tegen het inbrengen van zogenaamd Langstraatwerk op de jaarmarkt kan worden gedaan. Ze krijgen toestemming om daaromtrent te werk te gaan volgens de Ordonnantie van de 7e juli 1804. Tevens besluit het Stadsbestuur op de aanstaande Jaarmarkt, beginnende 16 augustus en eindigende 30 augustus, geen draaiborden, rijfelaars en dergelijke noch bedelaars toe te laten.
Op het verzoek van Arend Hoetinck, directeur van een gezelschap Nederduitse Toneelspelers, wordt besloten deze toe te staan om gedurende de aanstaande Jaarmarkt enige uitvoeringen te geven. Voor dat doel zal op de Vlasmarkt een tent worden opgeslagen.

Meekrapnering

De geïnteresseerden in de meestoof ‘de Zon’ verzoeken in december 1806 hen bij voortduur te vergunnen ‘het effect van de favorabele resolutie van de 4e oktober 1800, waarbij hen uit consideratie van de schade, door brand aan deze stoof geleden, voor de tijd van 21 jaren vrijdom van stadswaaggeld is geaccordeerd’. Ze verzoeken daarom vrijgesteld te worden van betaling van de additionele verhoging van het waagrecht ten behoeve van de stad.
Het Stadsbestuur besluit aan de geïnteresseerden gedurende de tijd van de vrijdom, bij de resolutie van de 4e oktober 1800 toegezegd, te accorderen restitutie van het betaalde waaggeld ten behoeve van de stad.

Molens

Boekweitmolens
Deze jaren zijn er in de stad twee boekweitmolens.
In juli 1804 dienen beide grutters en boekweitmalers, Marinus Serleij en Jan Soutendam junior, een verzoekschrift in bij het Stadsbestuur. Ze vragen vrijgesteld te worden van de verplichting tot het verkopen van tarwe, meel en blom volgens de door de pasmeesters van het brood daarvan, ingevolge de onlangs vastgestelde Ordonnantie voor het bakkersgilde, gefixeerde prijs. Ze willen, zolang hierover niet beslist is, graag met het verkopen van meel en blom op de vorige voet voortgaan. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek echter af.

In december 1804 wenden ze zich opnieuw tot het Stadsbestuur. Ze verzoeken een zodanige voorziening te treffen dat geen boekweitmeel of grutte van elders aangebracht binnen de stad wordt verkocht. Ze vinden dit in strijd met het hun verleende octrooi. Maar ook dit verzoek (namelijk dat alleen meel binnen de stad gemalen, hier verkocht zal mogen worden) wijst het Stadsbestuur af.

Gortmolen
Deze jaren draait op het Ravelijn de Grenadier bij de Koepoort de pel- en gortmolen met de chocolademolen van de gebroeders Pieter en Jacobus van Kleijnputte. Op hun verzoek krijgen ze in juni 1804 toestemming om op hun pelmolen ‘het benodigde vuurwerk voor twee paar chocolaad steenen’ te doen stellen.

In november 1804 schrijven de beide molenaars het Stadsbestuur opnieuw aan. Ze betogen dat hun vader in 1778 toestemming heeft gekregen om op zijn pelmolen gepelde gerst, zogenaamde juffrouw gort, te mogen breken door paarden en stenen gedreven en niet met breekstenen zonder daarmee gort of meel van boekweit te malen of te breken. Na het overlijden van hun vader hebben ze de pelmolen gaande gehouden. Door de recente Ordonnantie van het Departementaal bestuur van Zeeland wordt dit hun nu belet. Ze ageren tegen het besluit van het Departementaal Bestuur, waarbij het breken van gepelde gerst tot juffrouw gerst aan de pelder wordt verboden. Ze verzoeken toestemming om gebruik te kunnen blijven maken van de vrijheid die hun bij resolutie van 21 februari 1778 tot het breken van gepelde gerst is verleend. Het Stadsbestuur besluit hun verzoek met een positief advies aan het Departementaal bestuur voor te leggen.

In augustus 1806 dienen de gebroeders Pieter en Jacobus van Kleijnputte van de pel- en chocolademolen een verzoek in om voortzetting van het uitsluitend octrooi voor hun fabrieken, zoals aan wijlen hun vader en aan henzelf op 7 mei 1791 en 23 juni 1792 is toegekend. Het Stadsbestuur besluit de heren Van Kleijnputte en hun erfgenamen continuatie te verlenen van hun octrooi om alleen en met uitsluiting van alle anderen de gort- en pelmolen gaande te houden en om eveneens met uitsluiting van alle anderen binnen de stad het maken van chocolade te bedrijven. Het octrooi geldt voor de volgende vijftien jaren tot 1822. Niettemin is het aan alle burgers en winkeliers toegestaan om zodanige speciën als op hun fabriek worden gepeld, gemalen of gefabriceerd ook vrijelijk van andere plaatsen te ontbieden en te verkopen.

Houtzaagmolen
De pachter van het kaaigeld, Isaac de Broekert, stelt het Stadsbestuur in maart 1801 voor, tot voorkoming van geschillen, vrijstelling van het kaaigeld te verlenen voor alle grof hout dat over boord wordt gelost, dit voor rekening van de eigenaar van de zaagmolen. Het Stadsbestuur besluit daarop ‘alle grof hout, hetgeen overboord in het water wordt geworpen en aldus naar de zaagmolen wordt gevoerd om aldaar te worden gezaagd’ van betaling van kaaigeld vrij te stellen.

In maart 1804 verzoekt de weduwe van de houtzaagmolenaar Marinus Harinck, Geertruid Bouten, (opnieuw) verlenging van het seclusief octrooi voor haar zaagmolen ‘de Eendracht’ voor de tijd van 21 jaar. De laatste keer is dit toegestaan op de 28e januari 1792.

Het Stadsbestuur besluit de weduwe Harinck de concessies opnieuw op dezelfde wijze te verlenen, namelijk:

  1. octrooi voor haar of haar erfgenamen gedurende de tijd van veertien jaar, ingaande 1 april 1803, voor het zagen van hout op haar zaagmolen en mitsdien een iegelijk gedurende die tijd van het stichten van een zaagmolen uit te sluiten, mits deze molen door de geoctrooieerde in stand en gaande wordt gehouden, terwijl bij verkoop van de molen daarvoor toestemming aan de raad zal moeten worden gevraagd;
  2. vrijdom gedurende de tijd van dit octrooi van de 200e penning op de gebouwen waarvan zij tot op heden die last niet heeft betaald;
  3. vermindering gedurende deze tijd van alle stedelijke cijnzen, uitgezonderd die van £ 1.15 onder de benaming ‘voor het ravelijn daar de schorsmolen op gestaan heeft: £ 2 voor het leggen van hout in de zoute veste en £ 2 wegens het door de stad onderhouden van de brug en het spui buiten de Hoofdpoort’;
  4. alsmede gedurende die tijd vrijdom van het kaaigeld voor grof hout.

Korenmolens
In januari 1801 dient de eigenaar van de windkorenmolen ‘de Vijf Gebroeders’, gelegen aan de noordzijde van de stad op het Bastion, molenaar Pieter Remijn, een verzoek in bij het Stadsbestuur voor de bouw van een nieuwe stenen windkorenmolen aan de Paardenweg. Dit is de latere molen ‘de Coornbloem’. Zijn oude molen op het Bastion, de oudste molen van de stad, werd in 1797 bij een inspectie in een zodanig deplorabele staat bevonden dat afbraak noodzakelijk werd geoordeeld.
Remijn verzoekt ‘dat hem, tegen afstand van de tegenwoordige Moolberg, moge worden geaccordeerd een gedeelte van stadsgrond benoorden de ’s-Heer Hendrikskinderen Poort om aldaar een nieuwe stenen windkorenmolen te stichten’. Tevens verzoekt hij de erfpacht, die hij nu betaalt voor zijn windkorenmolen op de noordwal, op de nieuw te stichten molen over te brengen en ook om de oude molen af te breken.
Het Stadsbestuur verleent hem vergunning om een nieuwe stenen windkorenmolen te laten bouwen overeenkomstig het door hem aan de stadsdirecteuren voorgelegde plan daarvoor.
Hiervoor krijgt hij in erfpacht een gedeelte grond voor de bouw van de nieuwe molen ter plaatse waar weleer de oliemolen ‘de Treurniet’ heeft gestaan op de stadswal ten noorden van de ’s Heer Hendrikskinderenpoort, ‘onverminderd het pachtcontract voor een einde dijk, door hem in pacht gebruikt benoorden de ’s Heer Hendrikskinderen poort’. Dit op gelijke voet als de tegenwoordige moolberg door hem wordt bezeten.
Ook krijgt hij en opvolgende eigenaren toestemming de vrije uitweg van de nieuwe molen over stadsgrond naar de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat en -poort.

Verder krijgt hij toestemming om, nadat met de opbouw van de nieuwe molen zal zijn begonnen en deze zover mogelijk zal zijn gevorderd, de huidige windkorenmolen op het Bastion af te laten breken om materialen daarvan tot volbouwing van de nieuwe molen te kunnen gebruiken.
De ‘tegenwoordige windkorenmolenberg’ (dit is het Bastion op de noordwal) zal, na het geheel opruimen van de daarop staande molen, door Remijn aan de stad worden ingeruimd en in volle eigendom aan de stad worden geleverd.
Molenaar Remijn krijgt de opdracht van het Stadsbestuur om met de sloop van de oude molen zolang mogelijk te wachten. De voltooiing van de nieuwe molen zal, nadat de sloop van de oude molen zal zijn begonnen, zodanig moeten worden bespoedigd als tot voorkoming van ongerief voor de ingezetenen zal kunnen geschieden.

In maart 1806 betogen de stadsdirecteuren dat de plantagiën van opgaande bomen in de nabijheid van windmolens die bij de stad staan, naar het hun voorkomt, zo zeer tot nadeel van de eigenaars van de molens is, dat enige voorzieningen noodzakelijk zijn. Besloten wordt de stadsdirecteuren te verzoeken omtrent de stadsplantagiën zodanig te handelen dat in dit opzicht alle billijke klachten worden voorkomen.

Uit een opgave aan het Departementaal Bestuur in februari 1806 blijkt dat de eed op het gemaal is afgelegd door Pieter Remijn en Isaac de Haas, beiden als korenmolenaars, en door Gilles de Smit, Adriaan Remijn en Marinus de Haas als molenaarsknechts.

Moutmolens
In maart 1806 overweegt de stedelijke raad dat het aantal brouwers te klein is om een moutmolenaar te kunnen onderhouden. Overwogen wordt om een van de korenmolens tevens als moutmolen te gebruiken. Besloten wordt dat hiervan van de aan te wijzen korenmolen gebruik zal kunnen worden gemaakt wanneer de brouwers hun mout niet zelf verkiezen te malen of niet kunnen malen (in die gevallen en anders niet). Daarvoor zal dienen de waterkorenmolen aan de Kleine Kade.

De Raad van Financiën in het departement deelt in april 1806 mee dat de aanwijzing van een moutmolen voor de brouwers te Goes alleen te pas kan komen voorzover zij, of door de wet of door andere omstandigheden, verhinderd zijn worden hun mout op de eigen molens te breken. De brouwers kunnen mitsdien gerust voortgaan met het malen van gemoute gerst in hun trafieken.
In januari 1806 deelt het Stadsbestuur de Raad van Financiën op haar verzoek mee ‘dat alle brouwers alhier het voor hun fabrieken nodige graan op eigen rosmolens binnen hun fabrieken malen’. De aanwijzing van een van de korenmolens voor het medegebruik als moutmolen zal niet behoeven te geschieden omdat de brouwers het gemoute graan malen met rosmolens in hun eigen brouwerijen.

Waterkorenmolen
Er is deze jaren heel wat te doen over de waterkorenmolen aan de Kleine Kade nummer 42.
De molenaar van deze molen, Pieter Remijn, heeft deze op 7 maart 1798 voor zeven jaar van de stad gepacht. In januari 1801 wordt over de aankoop van de benodigde materialen voor de reparatie van de watermolen en een gedeelte van de kaaij buiten de Keetpoort zodanig gehandeld als tot het meeste profijt van de stadsfinanciën door de stadsdirecteuren dienstig wordt geoordeeld.

In juli 1802 schrijft Remijn het Stadsbestuur: ‘Ofschoon deze molen sedert de aanvang van de pacht zo door de steeds toenemende verlanding van de kaai en de achterhaven als anderszins dermate onbruikbaar is geworden, dat wel verre daarmede een gelijke kwantiteit granen als voorheen en bij de ingang van de pacht te kunnen malen, veel min bij stilte, niet slechts deze stad maar ook een deel van het platteland te kunnen gerieven, de hoeveelheid granen, welke het ene getij door het andere gerekend, daarmede konde gebroken worden, bijna niet noemenswaardig is geworden’.

In een andere brief betoogt molenaar Remijn het volgende: ‘De beklagelijke toestand waarin onze watermolen thans verkeert, is ulieden al te kenbaar. Maar boven dit alles is deze nu in de alleronaangenaamste, schadelijkste en, zoals het zich laat aanzien, in wanhopende omstandigheden voor onze burgerij en voor mij zelve verkerende. Dat heeft mij doen besluiten de omstandigheden waarin wij zijn en mijn bedoeling aan ulieden open te leggen.
Niet meer dan een en wel een windkorenmolen kunnende gebruiken, is men met een dagelijkse gematigde wind slechts in staat om voor deze stad genoegzaam meel te bezorgen, naar onderscheide begeerte der bakkers zoo voor den buul als voor de krop geschikt. Dan daar het thans den Hemel niet behaagt, gelijk al veelmalen, het lievelijke zomerweer en den zagtvriezenden winter medebrengt, geen harden of doorgaanden wind te laten waaien, waardoor eene groote schaarsheid van meel is veroorzaakt en dat in een tijdstip als deze, dat de stad van vreemdelingen en buitenlieden staat als bij duizenden vermeerderd te worden. Waardoor de bakker nevens ikzelve een geheel jaar rekene deze tijd, onzen zo genoemden Hoogst te zijn. Tot voorkominge dan, in volgende tijden, ben ik bedagt geworden om zulke groote schaarsheid voor te komen, mijne nieuw gemaakte molen te brengen tot die Kragt, dat door behulp der paarden er goed meel mede zoude kunnen gemalen worden, genoegzaam, zo ik berekene, om deze stad uit den nood te houden’.
Hij betoogt verder dat hij alles op zijn kosten zal laten maken en hetzelve wederom geheel en al zal wegbreken en vernietigen, wanneer de watermolen in zijn vorige staat zal zijn hersteld, zodanig namelijk dat men met recht kan zeggen dat hij aan het oogmerk voldoet.
Remijn verzoekt afslag en vermindering van de pacht tot het tijdstip dat de molen weer in een betere staat zal zijn gebracht.

De stadsdirecteuren vernemen daarop dat Remijn overweegt van de pacht van de stads waterkorenmolen geheel en al af te zien, ‘hetwelk zij oordelen ten meeste profijt van de stad, immers tot betere instandhouding van de watermolen en tot groter gerief van de burgerij te zullen verstrekken’.
Het Stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren op te dragen met Pieter Remijn een schriftelijke overeenkomst te conveniëren tot ontslag van het pachtcontract van de 6e maart 1798 voor de windkorenmolen aangegaan.
Nadat deze overeenkomst zal zijn gesloten dient het opnieuw verpachten van de watermolen zodanig geregeld te worden dat het tot het meeste voordeel van de stad zal strekken.
Op 27 november 1802 rapporteren de stadsdirecteuren dat ze met de pachter van de stads waterkorenmolen een contract tot beëindiging van de pacht van de molen zijn aangegaan. Ze hebben getracht de molen opnieuw te verpachten maar dat is mislukt. Door niemand dan de vorige pachter Remijn is er iets voor geboden. Dit heeft hen doen besluiten de verpachting te beëindigen. Ze adviseren voorlopig en in afwachting dat zich een meer gunstige gelegenheid zal opdoen, de watermolen door iemand voor rekening van de stad tegen een zeker daggeld of aandeel in het maalloon te laten bedienen. Op deze wijze kan zoveel mogelijk alle schade worden voorkomen en voor het gerief van de burgerij worden gezorgd. Het Stadsbestuur gaat met dit voorstel akkoord.
De verpachting van de watermolen gebeurde tot nu toe aan Gillis de Smith voor ‘vrouwenmeel’ als loon. De Smidt deelt echter in december mee dat hij hiervan niet rond kan komen en verzoekt om een maandloon.

In juli 1803 geven de stadsdirecteuren kennis dat de stads waterkorenmolen weer in die situatie is gebracht, dat daarmee behoorlijk kan worden gemalen en graan gebroken. Ze krijgen machtiging om de molen weer te verpachten tot het meeste voordeel van de stadsmiddelen. De watermolen wordt daarop gedurende zeven jaar verpacht aan Izaac de Haas voor een som van £ 100 per jaar.

Molenaar De Haas beklaagt zich in februari 1805 dat hij zeer geringe winst met de molen maakt door de aanhoudende vorst in de afgelopen drie maanden. Daardoor is hij buiten staat geraakt zijn pachtpenningen op te brengen. Hij verzoekt dan ook voor een gedeelte van betaling van de pacht te worden vrijgesteld. In de laatste drie maanden heeft hij slechts 21 ponden en 16 schellingen Vlaams kunnen beuren. Er is niet genoeg overgeschoten om zijn pacht te betalen en helemaal niets voor zijn levensonderhoud. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek onverbiddelijk van de hand en oordeelt dat De Haas in vorige tijden meerdere winsten heeft genoten.
Maar in mei 1805 melden de stadsdirecteuren dat Izaak de Haas hen voldoende heeft laten blijken dat de pachtpenningen van £100 Vlaams per jaar door hem op den duur niet kunnen worden opgebracht. Datgene wat boven de pacht met de molen wordt gewonnen is niet voldoende om een bestaan voor hem en zijn huisgezin op te leveren. Ze zijn van oordeel dat het stadsbelang vordert, ‘tot voorkoming van het geheel verval van dit kostbaar pand’, de huidige pachter daarin gehouden dient te worden. Het Stadsbestuur besluit daarop De Haas door een vermindering van de pacht daarin tegemoet te komen.

Oude kleerverkopers

Deze jaren komt opnieuw een aantal verzoeken binnen om de oude kleerkopernering te mogen doen. Zo krijgt in juni 1802 Hendrik van Sprang toestemming om het kleermakersambacht te mogen uitoefenen en om een oude klederverkoperwinkel te houden. En in juli 1803 mag Gerrit Spijk alhier kopen en verkopen oude klederen, oud ijzer en al wat tot de oude kleerkopernering behoort. In maart 1804 is het Jan van Kogelenberg die vergunning krijgt om in zijn woonhuis in de Papegaaystraat de oude kleerkopernering te doen. De Jood Levi Mensers mag in juni 1804 in zijn gehuurde huis in de Lange Vorststraat de oude klederkopernering doen. Ook in augustus 1805 komt er een oude kleerkoperwinkel bij. Marinus van de Visse mag dan in zijn huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat de oude kleder- en oud ijzer- en kopernering doen. Wel moet hij alle ingekochte goederen tenminste gedurende drie dagen voor zijn woning ten toon stellen.

Marinus de Munck krijgt in februari 1806 vergunning voor het doen van de oude kleerkopernering. Hij is verplicht alle ingekochte goederen tenminste gedurende drie dagen publiek voor zijn woning ten toon te stellen. Ook Adriaan Verhelst krijgt in december 1806 vergunning om binnen de stad de oude klederverkopernering te doen. Ook hij moet alle ingekochte goederen gedurende tenminste drie dagen voor zijn woning ten toon stellen.

Scheepswerf

Al vele tientallen jaren wordt de scheepswerf geëxploiteerd door de familie Welle. In april 1802 verzoekt Andries Welle om tot de uitoefening van het scheepstimmermanambacht te worden toegelaten. Het Stadsbestuur wijst dit van de hand ‘zoals het is leggende’.

Schilders en glazenmakers

Joseph Brusket mag in 1802 het glazenmakerambacht binnen de stad uitoefenen.
De meester schilder Frederik Goossen en andere schildersbazen krijgen in maart 1803 toestemming om de verfkwasten, die ze voor hun beroepsbezigheden nodig hebben, van buiten de stad te ontbieden en in te slaan, mitsgaders om deze te blijven leveren en verkopen. In hun verzoekschrift schrijven de schildersbazen dat ‘sedert onheugelijke tijden de schilders binnen deze stad de verfkwasten, tot het exerceren van hun ambacht benodigd, van elders hebben ontboden en ingeslagen. Zulks ofschoon hetzelve in enige opzichten mocht zijn aanlopende tegen het voorrecht hetwelk de geadmitteerde verkopers van borstelwerk binnen de stad tot het verkopen van alle soorten van verfkwasten, bij uitsluiting van alle anderen, hebben gesusteneerd te competeren’.

In mei 1805 verzoekt een aantal knechts, werkzaam bij de schildersbazen, vanwege de duurte van de levensmiddelen om - evenals de timmerlieden- en metselaarsknechts - hen een passende verhoging van hun dagloon toe te kennen. Het verzoek is ondertekend door Marinus van de Linde, Gerhardus Verheule, Pieter Reijnders, Pieter Krombout, George Roosee, Pieter Willemse, Maarten van der Linde, Hendrik de Broekert, Cornelis Machielsen, Adrianus Spijk, H. Schrauwen, J. van Hakkeren, Willem Braam, Jacob van Waarde, Marinus Krombouw, Marinus Goeree en Jan van der Pol. Het Stadsbestuur wijst het verzoek echter af met de overweging dat het schildersambacht nimmer heeft behoort onder de proefvorderende gilden, maar door een ieder vrij zijnde kan worden uitgeoefend en mitsdien niet gelijk gesteld kan worden met de ambachten van timmerman en metselaar.

Schoenmakers

Deze jaren vestigen zich drie nieuwe schoenmakers in de stad. Het zijn Thijs van der Heij, Jacobus van den Huisse en Cornelis Welle Pzoon. Jacob Boogaard mag in 1803 zijn schoenmakersambacht voortzetten.

Van andere orde is het verzoek van Anthonius Olieslager van februari 1803. Hij verklaart op de 23e januari 1799 permissie te hebben gekregen voor het verkopen van in- en uitlandse bieren, alsmede stoelen, schoenen, muilen en hoeden, zowel binnen als buiten de Republiek gefabriceerd. De commissarissen van het gilde dreigen hem dit nu te beletten. Hij verzoekt vanwege het anders te lijden verlies (hij heeft namelijk een grote partij schoenen en muilen van buitenlands maaksel in voorraad) toestemming om zijn voorraad schoenen en muilen van buitenlands maaksel te mogen uitverkopen. Het Stadsbestuur staat Olieslager en ook andere schoenverkopers toe om hun voorhanden zijnde schoenen en muilen uit te verkopen.

Slagers

Hendrik Mackay krijgt in december 1802 vergunning om, na het afleggen van de gewone verklaring bij commissarissen van de voormalige gilden, binnen de stad het slagersambacht uit te oefenen.

Uit een opgave aan het Departementaal Bestuur van februari 1806 blijkt dat er in de stad de volgende beëdigde vleeshouwers en spekslagers te zijn: Jan Temperman, Jacobus Temperman, Cornelis Dekker, Pieter Zegers, Pieter Sloover, Cornelis van Kogelenberg, Hendrik Mackay, Matthijs Solmelinck, Anthony Noorthoeve, Hendrik Zwieter en Engel Sloover; ook zijn er de volgende beëdigde slachters en beestensnijders: Gijsbregt Schuilinck, Pieter Minders, Jan Sloover en Josias Sloover.

De beenhouwers en varkensslagers Jacobus Temperman en Engel Sloover verzoeken in maart 1806 de lokaliteiten voor het slachten van hun beesten goed te keuren. Zolang niet is beslist op hun verzoek verzoeken ze hen voorlopig toe te staan dat ze met de slacht in hun winkels voortgaan. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek echter van de hand. Gedurende de tijd van een maand krijgen ze gelegenheid te voldoen aan de aanwijzing van zodanige andere lokalen als ze volgens de Publicatie van het Stadsbestuur gehouden zijn te doen.

De stadsdirecteuren zijn in maart 1806 door verscheidene personen benaderd over de mogelijkheid van het oprichten van een of meer slachthuizen. Het Stadsbestuur besluit de stadsdirecteuren te gelasten om geen toestemming voor het slachten te verlenen dan alleen op plaatsen die naar hun oordeel daarvoor geschikt zijn en waar het minste ongerief voor de bewoners van nabijgelegen huizen te vrezen is. Tevens moeten ze in het oog houden dat de slachthuizen zoveel mogelijk dicht bij de stadswallen en riolen geplaatst zijn.

Smeden

Goud- en zilversmeden
In mei 1801 vestigt Jan van den Thoorn, burger en inwoner, zich als goud- en zilversmid in de stad. Ook Geraart Jansen mag zich in juli 1802 als vrijmeester in het zilversmeden in de stad vestigen aan de Lange Vorststraat, evenals Martinus Huibertus Harinck in het door hem gekochte woonhuis aan de Ganzepoortstraat. Beiden krijgen vergunning voor het zetten van de nodige fornuizen voor de goud- en zilversmederij. Bij nader inzien verzoekt goud- en zilversmid Harinck toestemming om de benodigde fornuizen te plaatsen in een huis in de Korte Vorststraat dat hij van Frans Schoonderwalt heeft gekocht.
Wat de meester zilversmid Jansen betreft, in maart 1805 vraagt hij toestemming om in het door hem gekochte huis van Pieter Manger aan de oostzijde van de Lange Vosstraat het benodigde fornuis voor zijn zilversmederij te doen plaatsen.

Soms gebeurt het dat goud- en zilversmeden ingekocht goud of zilver gelijk onbruikbaar maken, zodat het ondoenlijk wordt om vermiste, gestolen of verloren goederen te achterhalen. Met het oog daarop bepaalt het Stadsbestuur in juli 1803 dat ‘alle goud- en zilversmeden mitsgaders kashouders het door hun voortaan in te kopen goud en zilver niet zullen mogen versmelten, ineen slaan of op enige wijze hoegenaamd onkenbaar te maken dan acht dagen na de gedane inkoop en dat gedurende die acht dagen al het ingekochte goud en zilver door hen binnen hun winkel op zekere afzonderlijk door ieder daartoe te destineren plaats zal moeten worden ten toon gesteld’.
In augustus 1804 stelt het Stadsbestuur een nieuwe Ordonnantie voor de goud- en zilversmeden vast.

Koper- en blikslagers
Jacobus van den Hoven krijgt in februari 1802 vergunning voor het oprichten van een smidse voor de koper- en blikslagersaffaire in het door hem gekochte huis aan de Ganzepoortstraat. Jan van den Berge, wonend te Zierikzee, krijgt in januari 1803 vergunning om als koper- en blikslager dat ambacht uit te oefenen in het door hem gekochte huis met de koper- en blikslagerssmidse, de gereedschappen en de winkelgoederen van de weduwe van de overleden kopersmid Cornelis Dupersij in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat. Ook Antoni Roes in de Voorstad mag in 1803 het maken, repareren en verkopen van koper en blikwerk voortzetten.

In december 1806 dient Johannes Berger een verzoek in om in een door hem gehuurd huis van de weduwe Johanna van Flierenburg-Matthijsse in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat op te mogen stellen een vuurwerk voor zijn koperslagerambacht. Gelet op de bezwaren van omwonenden wijst het Stadsbestuur dit verzoek af.

Hoefsmeden en slootmakers
Johannes Verwest krijgt in februari 1803 vergunning om bij voortduur het smids- en slootmakerambacht uit te oefenen en de daartoe behorende goederen te verkopen. Ook in 1803 mag Wouter van Hertum, wonend te Nieuw Vossemeer, de hoefsmederij in de stad uitoefenen. Hij heeft daarvoor aangekocht de hoefsmidse in de Nieuwstraat van de voormalige smid Adriaan Schippers.

Steenhouwers

Deze jaren krijgen wel vijf metselaarsbazen vergunning om ook de steenhouwerij uit te oefenen. Vanaf december 1801 mag Jacobus de Villaars het steenhouwerambacht ter hand nemen. In mei 1805 legt Pieter Willem van Baalen de proef als steenhouwer af. Hij heeft 26 jaren als leerling en knecht onder het opzicht van zijn vader en andere deskundigen zich in het steenhouwen geoefend. Hij krijgt vergunning om dat ambacht als vrijmeester binnen de stad uit te oefenen. Ook Andries Visser wordt in juni 1805 toegestaan om zich als metselaarsbaas in de stad te vestigen en ook het steenhouwerambacht uit te oefenen.
Metselaarsbaas Laurus Carol de Hondt krijgt in april 1805 vergunning om ook het steenhouwerambacht als vrijmeester uit te oefenen en in 1806 krijgt Adriaan de Munck, burger en inwoner, vergunning om zich als metselaarsbaas en steenhouwer in de stad te vestigen.

Stijfselmakerijen

Er vestigen zich deze jaren twee nieuwe stijfselmakerijen in de stad.
In maart 1803 krijgt Thomas Briels Jzoon toestemming om in de fabriek bij de Koepoort (het pakhuis ‘Sint Jacob’, Wijngaardstraat nummer 62, ten zuiden van de stadswal en ten oosten van het schuttershof van de Voetboog), die hij van zijn schoonvader Joseph Pinar heeft overgenomen, stijfsel te fabriceren en deze stijfsel in de stad te verkopen. Hij krijgt vrijdom van de stadsbelasting van vier stuivers per zak graan dat in de fabriek zal worden gebruikt. Voorwaarde is wel dat het gemalen graan voor de stijfselmakerij dadelijk van de molen moet worden gebracht in de stijfselfabriek. Het graan mag onder geen enkel voorwendsel weer worden vervoerd dan na tot stijfsel te zijn gefabriceerd.
Al in september 1804 gaat de stijfselfabriek over naar Jacobus Henricus op den Kamp, burger en inwoner. Hij heeft de stijfselfabriek van Joseph Pinar gekocht en krijgt nu vergunning om daarin het maken en fabriceren van stijfsel bij voortduur uit te oefenen. Op den Kamp krijgt in februari 1805 ook vergunning om in zijn stijfselfabriek een fornuis voor het drogen van stijfsel aan te brengen. Tevens krijgt hij toestemming om vier bomen op de stadswal bij de Koepoort, die hinderlijk zijn voor zijn stijfselfabriek, te rooien en te verkopen.

Ditzelfde jaar, in september 1803, verzoekt de peperkoekbakker Cornelis Harinck Huibertzoon om een stijfselfabriek op te mogen richten in een lokaliteit buiten zijn woning en wel in zijn pakhuis, staande en gelegen aan de zuidzijde van de Beestenmarkt nummer 9. Hij krijgt hiervoor toestemming. Hij verzoekt het Departementaal Bestuur van Zeeland om vrijdom van ’s lands imposten voor de granen en brandstoffen die in zijn stijfselmakerij gebruikt worden. Het Stadsbestuur geeft hiervoor een positief advies met de bepaling dat, tot voorkoming van fraude, deze vrijdom niet anders dient te worden toegestaan dan op gelijke voet en voorwaarde als deze in maart aan Thomas Briels is toegestaan.
Mogelijk heeft de peperkoekbakker de vergunning voor zijn neef Willem aangevraagd. Want in maart 1804 krijgt Willem Harinck Johanneszoon toestemming om ter plaatse waar Cornelis Harinck, ingevolge de vergunning van de 8e oktober 1803 een stijfselfabriek heeft opgericht, de stijfselfabricage bij voortduur uit te oefenen.

In februari 1806 worden de stijfselmakers Cornelis Harinck, Jacobus Hendrik op den Kamp en Bernardus den Deken beëdigd als stijfselmakers.

Tabaknering

In mei 1801 verzoekt Marinus de Neve een tabakeest te mogen opstellen voor het drogen van tabak in zijn woonhuis in de Voorstad. Ook wil hij graag de grossiersnering in sterke drank daar uitoefenen. Het Stadsbestuur wijst echter beide verzoeken af.
Wel krijgt Cornelis Benjaminse in november 1802 permissie voor het stellen van een fornuis of droogeest voor het drogen van gekorven tabak in het achterhuis van zijn huis aan de Lombardstraat uitkomende in de Sint Jacobstraat.
Ook Philippus de Wijs Jacobzoon, burger en inwoner, krijgt in juli 1803 vergunning om in zijn huis aan de Klokstraat een tabakdroogfornuis voor zijn tabaksnijderaffaire op te stellen.
Hetzelfde krijgt de tabakfabrikant Cornelis Jacobus Klugten van Baalen in juni 1804. Hij mag een droogas voor zijn tabakaffaire overbrengen en stellen in een door hem gekocht woonhuis in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat.

Timmerlieden en metselaars

In 1801 vestigen zich twee nieuwe timmermansbazen in de stad. Het zijn Adriaan Klemkerke, burger en inwoner, en Hendrik Mulder, burger. De burger Antoni Hyssen mag het metselaarsambacht uitoefenen en de burger en inwoner Pieter Remijn mag het timmermans- en metselaarsambacht ter hand nemen.
In 1802 vestigen de timmermansbazen Willem Polderman en Jozias Molhoek zich in de stad.
Jan Jacob Brandt krijgt in 1803 vergunning om, na afgelegde gunstige proef, het ambacht van metselaarsbaas binnen de stad uit te oefenen. Hij heeft ruim 21 jaar bij Francois van Baalen als leerling en knecht in het ambacht van metselen gewerkt.
In 1805 vestigt Laurus Carol de Hondt, burger en inwoner, zich als metselaarsbaas en steenhouwer in de stad.

In februari 1805 ontvangt het Stadsbestuur een brief van Bastiaan de Munck en verdere metselaarsknechts en opperlieden bij de metselaarsbazen. De brief is ondertekend door meer dan veertig personen. Hieronder bevinden zich vijf personen met de naam De Munck, drie met de naam Gandolf en twee met de naam Van Loo. Vanwege de hoog stijgende duurte van de noodzakelijkste levensmiddelen, vermindering van werk, meerdere kostbaarheid van hun gereedschappen en andere bezwarende omstandigheden verzoeken ze eenzelfde besluit te nemen als dat onlangs door de stedelijke raad voor de timmerliedenknechts is genomen. Het Stadsbestuur willigt hun verzoek in. De metselaarsbazen moeten hun knechts voortaan een daggeld betalen van 24 stuivers per dag en in de wintermaanden 22 stuivers per dag.

Turfverkoop

In januari 1805 komen er klachten binnen over de handelwijze van de makelaar in Hollandse turf, Hubrecht Visser. Het Stadsbestuur overweegt dat zonder enig ongerief voor de burgerij deze bediening zou kunnen worden afgeschaft. Besloten wordt het makelaarschap van de Hollandse turf en de Friese haardbrand af te schaffen. De turfschippers die in Goes aankomen, zullen voortaan volkomen vrijgelaten worden om hun turf in persoon of door iemand anders aan de burgerij te verkopen. De makelaar in turf, Hubrecht Visser, krijgt daardoor ontslag. Wel moet hij zich in zijn bediening van turftonder getrouwelijk gedragen.

Veehouders

Uit een in juli 1801 gedane telling blijkt dat het aantal paarden in de gemeente 183 bedraagt.

Verhuur rijtuigen

Ook deze jaren leggen verscheidene inwoners zich toe op de verhuur van rijtuigen en paarden en om als huurkoetsier te fungeren. Het zijn in 1801 Adriaan Haasdonk, mits hij een bord voor zijn woning uithangt; Karel Mange, op voorwaarde dat hij zich van een behoorlijk rijtuig en paarden zal voorzien; in 1802 Antoni Olyslager, mits dat hij een bord uithangt voor zijn woning; in 1804 Pieter Remijn, mits hij voor zijn woning een bordetje uithangt; in 1805 Jacob Goud in de Voorstad, die ook een bord voor zijn woning moet uithangen; Antoni Lindeman; Leendert Verduin, wonend buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort; hij mag ook als vrachtrijder optreden; Jacob Filius, mits hij een bord als verhuurder voor zijn woning uithangt; Pieter Verhoef, mits hij een bordetje voor zijn woning maakt.

Visserij

Het Departementaal bestuur van Zeeland schrijft de Stadsbesturen van Middelburg, Zierikzee, Goes, Tholen, Vlissingen en Veere, mitsgaders de besturen van Brouwershaven, Arnemuiden, Bruinisse en Sommelsdijk, aan over de visserij. Het gelast hen om de nodige maatregelen te nemen en te zorgen dat geen visserspinken of andere vaartuigen, onder hun jurisdictie behorende, ter visvangst zich in zee begeven tot dat daarover nader en anders zal worden besloten. Deze maatregel is nodig ‘uit hoofde van de ongehoorde handelwijze door den vijand gepleegd wegens het wegroven van de visserspinken van Scheveningen en elders en wijders om al mede te zorgen dat de visschers binnen de banken zich tot voorkoming van schade, zo bij hun uitgaan als terugkomen, vervoegen aan de ’s lands schepen of vaartuigen langs welke zij moeten passeren’.


Maria Sierevelt, de echtgenote van Dirk Bik, krijgt in 1805 vergunning om met vis aan de huizen binnen de stad te leuren. In december 1805 ontvangt Cornelis Bik permissie om met de door hem gekochte hoogaars van de stad in het zogenaamde klein schippersgilde te varen.

Winkeliers

Jacob Visser uit Middelburg krijgt in maart 1806 vergunning om in een door hem gehuurd huis in de Lange Kerkstraat de nering in kruidenierswaren te doen. Ook wordt hij toegelaten als destillateur van likeuren en grossier in sterke dranken.
In mei 1806 krijgt Johanna Modderkreeke vergunning om in het door haar gehuurde huis van F.C. Hubregtse aan de oostzijde van de Sint Jacobstraat te verkopen kleine winkelwaren waaronder sterke drank bij de kleine maat.
Joseph Cohen, wonende te Bergen op Zoom, dient in september 1806 een verzoek in om winkel te houden in de stad. Hij is winkelier te Bergen op Zoom en als zodanig bij het gemeentebestuur aldaar gepatenteerd. Hij heeft genegenheid gekregen om zich in Goes te vestigen en verzoekt hem als burger van de stad aan te nemen en binnen de stad winkel te houden en negotie te doen in chitzen en andere goederen. De parnassijns en ouderlingen van de Joodse gemeente van Bergen op Zoom stellen zich borg voor hem.

Zeepziederij en zeepverkoop

In november 1802 komt er bij het Stadsbestuur een verzoek binnen van het ‘Comptoir van Negotie’, alhier gevestigd onder de firma Van Tilburg, Slabber en Compagnie. Door de firma is aangekocht een pand, voorheen in eigendom van Vrouwe Digna Ossewaarde weduwe van mr. Laurens Pieter van de Spiegel, staande en gelegen aan het einde van de Wijngaardstraat, bekend op het kohier van de 100e penning onder de nummers 533, 536 en 537. Het is de intentie van de firma om daar een zeepziederij en zeepfabriek te stichten.
Verzocht wordt om, als tegemoetkoming in de aanzienlijke kosten daarvoor, te worden toegelaten om, met uitsluiting van alle anderen binnen stad en jurisdictie, zeep te zieden en te fabriceren. Voor dat doel dienen de gebouwen geschikt te worden gemaakt en van de nodige vuurplaatsen te worden voorzien. Tevens verzoekt de firma om als zeepzieders en zeepfabrikeurs zeep te mogen verkopen en tevens toestemming voor het vervoeren met eigen beëdigde bedienden van het benodigde voor de zeepziederij en zeepfabriek. Ze verzoeken in de af te leveren zeep gelijke vrijheden te mogen genieten als de overige zeepziederijen en zeepfabrieken binnen dit departement. Ook verzoeken ze vrijstelling van de 100e penning op de gebouwen en erven.

De stadsdirecteuren onderzoeken het verzoek. Ook overleggen de leden van het Stadsbestuur Dominicus, Vervenne en Ossewaarde met de indieners van het verzoek over de concessies die voor de te stichten zeepziederij kunnen worden overeengekomen.
Dit alles geeft het Stadsbestuur aanleiding om te besluiten:

  1. de gezamenlijke geïnteresseerden in het ‘Comptoir van Negotie’ toe te staan om de door hen aangekochte gebouwen, staande aan het einde van de Wijngaardstraat, geschikt te doen maken tot een zeepziederij en voor dat doel daarin de nodige vuurplaatsen te doen stichten;
  2. de geïnteresseerden in de zeepziederij toe te staan om als zeepzieders en zeepfabrikeurs alhier zeep te verkopen mits daarvan voor hun fabriek advertentie doende;
  3. de geïnteresseerden in de zeepziederij het recht te verlenen om gedurende de tijd van 21 achtereenvolgende jaren, ingaande 1 januari 1803 en te eindigen 31 december 1823, alleen en met uitsluiting van alle anderen binnen de stad zeep te zieden en te fabriceren;
  4. hen gedurende de tijd van het octrooi vrijdom van stadsimposten op de brandstoffen en alle andere materialen te verlenen, benodigd voor de uitoefening van de zeepziederij en zeepfabriek;
  5. de geïnteresseerden toe te staan om het vervoer van de gefabriceerde zeep uit de fabriek te doen geschieden door eigen beëdigde bedienden.

In maart 1806 dienen de kooplieden Van Tilburgh, Slabber en compagnons, fabrikanten in zeep, een rekest in bij Zijne Excellentie de Raadpensionaris met verzoek om vergunning voor het inslaan van ongeraffineerd zout, benodigd voor hun zeepziederij. Het Stadsbestuur stuurt de Raadpensionaris bericht dat het gebruik van ongeraffineerd zout in deze fabriek onmisbaar is en er geen redenen zijn waarom dit verzoek niet zou kunnen worden geaccordeerd.
Uit informatie naar aanleiding van een aanschrijving van het Departementaal Bestuur in 1806 blijkt dat de eed voor de impost op de zeep is afgelegd door de heren Van Tilburgh, Slabber en compagnons als zeepzieders; Barend Koekkoek als opzichter over de zeepziederij en Marinus Serlee en Jan Soutendam als grutters.

In maart 1806 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Raad van Financiën in het departement met het verzoek een capabele persoon op te geven aan wie de post van ijkmeester van de zeeptonnen zou kunnen worden opgedragen. Matthijs van Doorn wordt door het Departementaal Bestuur tot ijker van de zeeptonnen aangesteld.
Het Stadsbestuur geeft in januari 1806 advies aan de Raad van Financiën van Zeeland over de Poincten van instructie en de voet van beloning voor de ijking en branding van de zeeptonnen. Men heeft niet anders kunnen ontdekken ‘dan dat alleen velangd wordt verzekerd te zijn dat de zeep binnen de Republiek is gefabriceerd, zonder dat deze ijking of branding immer zal kunnen dienen tot het fixeren van een zekere grootte voor de zeepvaten om daar naar het gerijf hetgeen dezelve bevatten te kunnen evalueren’. Het is genoeg dat de ijker de tonnen, die hem door de zeepzieders worden aangeboden, behoorlijk met het wapen van de Republiek brandt, zonder zich met de grootte in te laten.

Deze jaren leggen zich tal van inwoners toe op de verkoop van harde en zachte zeep. Veelal combineren ze dit met de verkoop van azijn en/of zout.
Vergunningen voor de verkoop van harde en zachte zeep en in sommige gevallen van azijn en zout krijgen in 1801 Adriaan Haverhoek, Geertrui Rijne weduwe van Nicolaas Weijland, Joseph van Eghem (+ zout); Johannes Wilhelmus Hecking (+ azijn); Marinus de Neve in de Voorstad; Antoni Visser (+ azijn); in 1802 Jan van Kogelenberg (+ azijn en zout); Marinus de Jonge Azoon (+ azijn); Frans Boldensdorff (+ azijn en zout); Dienke Persant weduwe van Adriaan de Beste (+ azijn); Dirk Nonnekens (+ sterke drank); Johannes van Baalen (+ azijn en zout); Jan Gorsse (+ azijn); in 1803 Jan Kriekaart te Rilland en Bath; Jacobus Hendrik op den Kamp; Machiel Potvliet; Jan van Winteroy in de Voorstad (+ zout); in 1804 Dingeman Leijs (+ zout) in zijn woonhuis in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat; Jan van der Does (+ zout); Jan Oosthoek, Gerard Meijer en Michiel Potvliet; in 1805 Marinus van de Vreede in de Voorstad (+ azijn); Adriaan Jasperse Rapholm (+ zout en azijn); Joseph Jongen in ‘de Gouden Appel’ (+ zout); Willem Schot (+ sterke drank en azijn) in het door hem gekochte huis op de Oude Vismarkt bij de Kleine Kerk; Pieter Kastel in de Voorstad (+ azijn); Cornelis Visser (+ zout); Johannes Harinck Hzoon (+ azijn); in 1806 de winkelier Karel Mulder in zijn woonhuis aan de Papegaaystraat (enkele weken later krijgt hij ook vergunning om in zijn huis sterke drank bij de kleine maat te verkopen); de kruidenier Laurens Warre in het door hem gehuurde huis in de Lange Vosstraat; Cornelis Snoep in het door hem gehuurde huis van Jan de Keijzer in de Lange Vosstraat naast de zilversmid Jan van den Thoorn (mitsgaders sterke drank bij de kleine maat); de winkelier Jacobus Reijnhout in het door hem gekochte huis in de Korte Kerkstraat van wijlen Jacob Brand; Maria Zegers weduwe van Jacobus Reijnders in haar huis in de Ganzepoortstraat.

Zoutnering

Deze jaren is er nog steeds sprake van een zekere nabloei van de aloude zoutnering.
Zo komt er in augustus 1802 een brief bij het Stadsbestuur binnen, waarbij Tilburgh Slabber Comp. en A. de Jongh meedelen: ‘De ondergetekenden geven kennis voornemens te zijn op morgen vuur aan te leggen onder de Noodpanne in de keet, bewoond wordende door Pieter den Boer’.
Ook in mei 1805 komen we nog een bericht over de zoutnering tegen. Ingevolge het voorstel van de geïnteresseerden in de zoutketen alhier besluit het Stadsbestuur teniet te doen de posten van opzichters over de turftonders van alle Friese turf, bij besluit van 24 februari 1787 op verzoek van de geïnteresseerden ingesteld. De tot op heden fungerende opzichters Lieven van Loo en Hendrik Geleets worden uit die functies ontslagen.

Er zijn deze jaren ook vijf grossiers in zout in de stad, te weten Marynis Serley, Frederik Zuidweg, Willem Goeree, Jan Soutendam en Nicolaas Vervenne. In februari 1806 betogen de zoutgrossiers dat ‘ze bij hun verkegen admissie van de raad om zout in het gros te mogen verkopen zijn belast geworden met een jaarlijkse recognitie van vijftig gulden ten profijte van de stadskas’. Het opleggen aan hen van een aanmerkelijke recognitie kan nimmer tot oogmerk hebben gehad om aan een ieder, wie zich slechts adresseert aan de raad en de recognitie betaalt, om ook als zoutgrossier te worden toegelaten. Juist door een beperking van het aantal geoctrooieerde zoutgrossiers worden ze in staat gesteld om de recognitie te blijven betalen. Bij vermeerdering van dit getal zal dat onmogelijk worden.
Ze hebben nu vernomen dat twee burgers een toelating tot grossier hebben verzocht, waardoor het getal van vijf naar zeven zal vermeerderen. Daardoor zouden ze volstrekt buiten staat worden gebracht om in de jaarlijkse betaling van vijftig gulden te volharden. Tot voorkoming van een totaal bederf van hun zoutnering voelen ze zich gedrongen zich tot de stedelijke raad te wenden met het verzoek om het aantal zoutgrossiers te bepalen op het huidige aantal van vijf. Maar het Stadsbestuur is hier niet gevoelig voor.
Abraham Johannes Jaspers en Marinus Timmerman dienen verzoeken in om toegelaten te worden als grossier in zout. Jaspers deelt mee dat, ingevolge de Ordonnantie van 18 december 1805 op het middel van het zout, bij de zoutketen met geen mindere kwantiteit dan van vier zakken mag worden uitgeslagen. Tot gerief van de in- en opgezetenen zou hij zich graag generen met het verkopen van zout in het gros. Hij verzoekt hem toe te laten als grossier in het zout. Ook Marinus Janse Timmerman, wonend in ‘het Slot Oostende’, verzoekt toegelaten te worden als grossier in zout. Jaspers en Timmerman krijgen vergunning om op te treden als grossiers in zout.

In september 1806 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Raad van Financiën in dit departement met de aanschrijving om zodra mogelijk te berichten of er en zo ja, welke fabrieken zich alhier bevinden die negotie in geraffineerd zout doen en tegen de intentie van de wet consent tot het inslaan van ongeraffineerd zout hebben verkregen of uit hoofde van vorige concessies blijven behouden. Het Stadsbestuur antwoordt dat er zich geen zodanige fabrikeurs binnen de stad bevinden.

Ook in november 1806 houdt het Stadsbestuur zich bezig met het zout. Er komt een brief van de Secretaris van de Raad der Financiën in het Departement Zeeland. Daarbij wordt een kopie van ‘de Zoutmaat’ toegezonden. Deze dient als een legger te worden bewaard, waarnaar de ijkers de grootte van de zoutmaten zullen moeten berekenen. In de brief wordt verzocht deze te allen tijde ten dienste van de ijkers te houden. De oude leggers moeten onbruikbaar gemaakt of, voorzover zij aan het land behoren, aan de Raad van Financiën worden toegezonden. Het Stadsbestuur besluit de legger op het Stadhuis te deponeren en, na ontvangst van de verder benodigde instrumenten voor het meten en ijken van de maten, de ijking van de zoutmaten conform deze legger tot stand te brengen.

In februari 1806 leggen voor het Stadsbestuur de eed af de heren Tilburg, Slabber en compagnons als zoutzieders en Willem Sampon, Cornelis Soutewelle, Lieven van Loo en Jan van Loo als degenen die het opzicht hebben over de zoutketen.

Overige neringen en ambachten

Borstelverkopers
Deze jaren komt het verkopen van borstelwerk in zwang. Jacob Brand, Hendrik Le Cointre en Tannetje Groenendijk krijgen toestemming om borstelwerk en witwerkerwaren te verkopen.

Gareelmakers
In augustus 1803 komt er ook een nieuwe gareelmaker in de stad. Het is Lucas Reijnierse die vergunning krijgt voor het gareelmakerambacht.

Horlogemakers
Ook enkele horlogemakers vestigen zich in de stad. Zo wenst Pieter Fris in december 1802 toegelaten te worden als horlogemaker. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek af. Wel krijgt Pierre Frederic Jacob Meuron in november 1804 hiervoor toestemming. Hij mag, na een afgelegde gunstige proef van bekwaamheid, de horlogemakerstijl binnen de stad uitoefenen.

Klompenmakers
In januari 1802 krijgt Guiljaam van de Wijngaard toestemming voor het uitoefenen van het ambacht van klompenmaker.

Kuipers
Er vestigen zich deze jaren drie nieuwe kuipersbazen in de stad.
Hendrik van Doorn, burger en inwoner, mag - na het afleggen van de proef zoals voorgeschreven in de Publicatie van 24 december 1798 - het kuipersambacht binnen de stad bedrijven. Ditzelfde jaar vestigt zich nòg een kuipersbaas in de stad. In juli 1802 krijgt Cornelis Leijs, burger en inwoner, vergunning voor het uitoefenen van het kuipersambacht.
Ook Gerardus Codde gaat het ambacht van kuiper uitoefenen.

Maljeniers
In januari 1801 vestigt Karel Bruschetto, burger en inwoner, zich binnen de stad om negotie te doen in spijkers en alle mallienierwaren of ijzerwerk, alsook om steenhouwerwerk te verkopen. Ook Cornelis van de Velde, burger en inwoner, krijgt in mei 1802 toestemming voor het uitoefenen van de maljeniernering en het verkopen van ijzerwerk binnen de stad.

Manufacuriers
De Jood Lipman Levi Menzer krijgt in augustus 1803 vergunning om in het door hem van dokter Dominicus Noël gehuurde huis in de Lange Vorststraat een winkel op te zetten voor het verkopen van manufacturen of het oprichten van een zogenaamde Ellewinkel.

Mandenmakers
In april 1801 krijgt Logier den Braaber toestemming om het mandenmakerambacht binnen de stad uit te oefenen.

Schrijnwerkers
Deze jaren krijgen Jacobus Wulfaart, Philippus Vervenne en Johannis Ross vergunning om het schrijnwerkerambacht in de stad te bedrijven.

Stoeldraaiers
Simon van Zoom, Willem van Nakke, Bartholomeus Reijnierse, Joacobus Ross en David Magnin krijgen in 1803 toestemming voor het verkopen van goederen die tot het stoeldraaierambacht en de borstel- en witwerkernering behoren. Ook vestigt zich in maart 1804 nog een stoeldraaier in de stad. Gerrit Reijnders, burger en inwoner, krijgt na het afleggen van een proef en de verklaring van nakoming van de gildewetten, vergunning tot het uitoefenen van het stoeldraaierambacht. Hij heeft dit ambacht gedurende vier jaar bij de proefmeester Isaac de Clercq te Middelburg uitgeoefend.

Wagenmakers
In juni 1801 vestigt Martinus Paulusse, burger en inwoner, zich als wagenmaker in de stad. Ook Jacobus de Broekert en Hendrik Grauwen, burgers en inwoners, krijgen in 1802 vergunning voor het uitoefenen van het wagenmakerambacht.