Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1807 - 1813)

Bakkers

Deze jaren zijn er verscheidene mutaties bij de bakkers.
In het jaar 1808 verzoekt Engel Sloover vergunning om in zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat een broodbakkerij te mogen oprichten. Zijn verzoek wordt echter afgewezen.
Wel krijgt dit jaar Jacobus Johannes Seijbel toestemming om in het woonhuis en de broodbakkerij, die hij van Bernardus den Deken heeft gehuurd, de broodbakkerstijl uit te oefenen.
Hendrik de Jonge Gzoon krijgt in 1811 vergunning om in het door hem gekochte woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 28 een broodbakkersoven te stichten en om de broodbakkernering daar uit te oefenen.
Ook in dit jaar mag de korenmolenaar van de molen ‘de Koornbloem’ in het huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk B nummer 154 een broodbakkersoven stichten, dit onder oppertoezicht van de stadsarchitect en de brandmeesters.
In 1812 krijgt bakker Jacobus Johannes Seijbel toestemming om in zijn woonhuis aan de Lange Vosstraat in wijk C nummer 120 de daar staande suikerbakkersoven te vervangen door een broodbakkersoven en brood daarin te bakken en de broodbakkeraffaire daar uit te oefenen.
De dit jaar nieuw geplaatste bakkersoven en fornuizen in de bakkerij van Hubertus Harinck op de Vlasmarkt in wijk B nummer 210 worden geïnspecteerd en goed bevonden.
In 1813 mag Antoni Juin in het huis op de Grote Markt in wijk D nummer 4 een broodbakkersoven stichten. De belendende bewoners J.J. van Deinse en J. van Ham hebben daar geen bedenkingen tegen.

Beurtveren

Beurtveren algemeen

In juni 1807 komt er een aanschrijving van de Landdrost voor het inzenden van vrachtlijsten voor het overvoeren van passagiers in overleg met de besturen van de plaatsen waarop van Goes beurtschepen afvaren. Besloten wordt de Landdrost kopieën van de vrachtlijsten, zoals die met de regeringen van Middelburg, Vlissingen, Bergen op Zoom en Dordrecht zijn overeengekomen, toe te sturen. Tevens wordt bericht dat er vooralsnog geen vastgestelde vrachtlijsten zijn van de regeringen van de steden Zierikzee, Veere, Rotterdam en Amsterdam, ofschoon daarover correspondentie heeft plaats gehad.
Maar in november 1807 kan de stadssecretaris meedelen dat er thans vrachtlijsten met de regeringen van de steden waarop beurtveren bestaan zijn overeengekomen en vastgesteld, met uitzondering van die van Amsterdam en Veere. Besloten wordt de stad Veere aan te sporen de vrachtlijst voor het veer goed te keuren. Wat betreft het veer op Amsterdam wordt besloten vanwege het geringe gebruik dat van dit veer wordt gemaakt daarop niet nader aan te dringen. Kort hierop komt ook van de stad Veere de vastgestelde vrachtlijst voor het transport van passagiers met de beurtschepen tussen beide steden. Geconstateerd wordt dat thans van alle steden, waarop beurtschepen vanaf Goes varen, - met uitzondering van Amsterdam - de vrachtlijsten zijn vastgesteld.

In september 1810 deelt de president de stadsraad mee dat de beurtschippers door de omstandigheden der tijden aanmerkelijk worden belemmerd en buiten staat zijn om regulier naar de plaats van hun bestemming af te varen. Dit heeft tot gevolg dat vele kooplieden en winkeliers genoodzaakt zijn kleine vaartuigen aan te leggen om hun winkelgoederen te bekomen. Dit is weliswaar strijdig met de vastgestelde ordonnanties op de veren, maar niettemin allernoodzakelijkst om de weinige commercie die er nog bestaat levendig te houden. Besloten wordt alle schippers van kleine vaartuigen toe te staan daarin te continueren.

Beurtveer op Amsterdam
In 1807 stelt het Stadsbestuur van Amsterdam voor om de vrachtlonen voor de passagiers met de beurtschepen tussen Amsterdam en Goes opnieuw te reguleren.

Beurtveer op Bergen op Zoom
Ook in 1807 wordt een nieuwe vrachtlijst voor het veer tussen Goes en Bergen op Zoom vastgesteld.

Beurtveer op Dordrecht

In 1807 doet de stad Dordrecht voorstellen voor het vaststellen van de vrachtlonen voor passagiers met de beurtschepen tussen beide steden. Het Stadsbestuur besluit de vrachtlonen vast te stellen zoals die door Dordrecht worden voorgesteld.
De schippers dienen zich bij het ontvangen van passagiers daarnaar te reguleren en het passagegeld te verantwoorden.

Beurtveer op Gouda en Delft

In juli 1807 wordt Jan van Blitterswijk aangesteld als beurtschipper van Goes op Delft en Delfshaven, Schiedam en Gouda. Hij moet dat veer beurtelings op die steden om de veertien dagen waarnemen. In oktober 1807 kan overeenstemming worden bereikt met de raad van de stad Gouda over de gepresenteerde vrachtlijst voor passagiers in het veer tussen beide steden.

Beurtveer op Rotterdam
De beurtschipper op Rotterdam Marinus Goeree krijgt in februari 1807 een berisping over de waarneming van zijn beurtveer. Hij dient zich zodanig te gedragen dat er geen verdere klachten over het veer meer voorkomen. Tijdens zijn veerdagen mag hij ook niet meer blijven liggen als hij niet door wind of weer wordt verhinderd.
Overeenstemming wordt in 1807 bereikt met Rotterdam over een nieuwe vrachtlijst.
In 1807 wordt de beurtschipperplaats op Rotterdam weer als naar gewoonte verloot. De keuze tussen de beide schippers valt op degene die het hoogste getal zal werpen. Na de loting wordt tot beurtschipper van Goes op Rotterdam en vice versa aangesteld Cornelis Reijnhout. In 1808 valt het lot voor het Rotterdamsche veer op Jacobus Reijnhout.

In oktober 1810 richt de beurtman op Rotterdam v.v., schipper Marinus Goeree, zich tot het Stadsbestuur. Hij doet zijn beklag dat schipper Jacobus Reijnhout ‘in het nadeel van hem zich heeft durven verstouten om aldaar zich mede als beurtman op deze stad te doen uitroepen’. De president deelt de commissaris van de Goessche veren daarop mee dat schipper Jacobus Reijnhout niet hier kan noch zal worden erkend als beurtman op Rotterdam.

Beurtveer op Veere
In januari 1809 wordt met Abraham Biersteker op zijn verzoek een regeling getroffen voor de betaling van de stedelijke recognitie als beurtschipper op Veere over 1807 en 1808. Wel dient hij direct te betalen de recognitie voor het achterstallige jaar 1806 en de regeling houdt geen rechten in voor 1809 en volgende jaren.

Beurtveer op Vlissingen
In mei 1807 wordt in onderling overleg tussen Goes en Vlissingen een nieuwe vrachtlijst voor het overvoeren van passagiers met de beurtschepen tussen beide steden vastgesteld.

Beurtveer op Zierikzee

De beurtschipper op Zierikzee, Gommert van der Linde, verzoekt het veer te mogen waarnemen met een hengst. Na overleg met het Stadsbestuur van Zierikzee krijgt hij daarvoor toestemming, mits hij een behoorlijk overdekt verblijf voor passagiers in de hengst zal laten maken.
Maar in mei 1807 meldt beurtman Van der Linde dat hij weer eigenaar is geworden van de poonschuit waarmee hij het veer eerder heeft bediend. Met de stad Zierikzee kan in oktober 1807 overeenstemming worden bereikt over een nieuwe vrachtlijst.
Beurtschipper Gommert van der Linde verzoekt in 1807 van het beurtveer voorlopig afstand te mogen doen ten gunste van Jan Dalebout.
In december 1809 komt er een brief van de burgemeester van Zierikzee over bepaalde voorzorgmaatregelen. De beurtlieden, die van Zierikzee afvaren, mogen hun ladingen niet anders dan naar Holland vervoeren.

Fabrieken en trafieken

Ingevolge het verzoek van Zijne Majesteit de Koning verstuurt het Stadsbestuur op de 3e september 1808 een opgave van de staat van de fabrieken en trafieken in de stad.

Herbergen, koffiehuizen, kroegen, slijters en grossiers in sterke drank

Algemeen
In januari 1809 ontvangt het Stadsbestuur een Decreet van Zijne Majesteit de Koning waarbij aan de tappers van gedestilleerde wateren wordt toegestaan om hoeveelheden met of beneden de acht flessen of drie stopen van andere tappers of particulieren in te slaan met een vrij consentbiljet van de ontvanger of gaarder ter plaatse daar de uitslag geschiedt.

Herbergen, kroegen en koffiehuizen
De herbergier in de herberg ‘de Gouden Leeuw’ aan de Grote Markt, J. de Molenaar, krijgt in juli 1811 toestemming om de voordeur van zijn herberg ‘te verplaatsen naar de zijde aan de Sint Adriaanstraat’.
In februari 1808 mag Joseph Jongen in het door hem gekochte koffyhuis op de Grote Markt daar koffyhuis houden, biljart houden en de tapperij in wijnen en sterke dranken bedrijven.
Marinus Goeree en Alexander Courlois krijgen in april 1808 vergunning voor het houden van een koffy- en wijnhuis en het houden van een biljarttafel, Goeree in het koffyhuis op de Turfkaai en Courlois in het Goessche Koffyhuis op de Grote Markt. In mei 1813 wordt Jean Leonard Poelman als koffyhuishouder toegelaten.
Jacoba Markee weduwe van Adriaan van der Grif krijgt in 1807 vergunning om in het door haar gehuurde huis in de Lange Kerkstraat sterke drank bij de kleine maat en wijn te verkopen als tapster.
Andries de Buck uit Vlissingen krijgt in maart 1807 vergunning om zich in de stad te vestigen als kroeghouder in het door hem gekochte huis aan de Opril van de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat om sterke drank bij de kleine maat te verkopen.
Ook Abraham Biersteker mag in april 1807 in het door hem gekochte huis in het gebied ‘Tussen de twee waterpoorten’ de kroegiers- en logementhoudersnering doen.
Jacob Aaltjens Weeldinga en zijn vrouw, die in de kroeg ‘Engelenburg’ wonen, wordt de inwoning binnen de stad ontzegd.
In 1807 krijgen vergunning om als tapper op te treden Marinus de Munck in zijn huis op de Beestenmarkt en Jacob Heus in het door hem bewoonde huis in de Lange Vosstraat.
In 1808 zijn dit Johannes Walraven in de kroeg ‘het huis Goeree’; Cornelia Zweedijk in haar huis in de Korte Vosstraat; Marinus Sinke als tapper in het door hem gehuurde huis in de Korte Kerkstraat; Willem van der Weele als tapper voor het verkopen van sterke drank bij de kleine maat; Adriaan Benjaminse Jacobzoon als tapper in het door hem gekochte woonhuis in de Sint Jacobstraat.
In 1810 krijgt Willem van Ravenswaay vergunning als kroeghouder in de kroeg ‘het Anker’  in de Zusterstraat. In juni 1810 komen er verzoeken binnen van Adriaan Cornelisse Schrijver om in ‘de Laatste Stuiver’  in de Voorstad kroeg te houden en van Jacobus Molenaar om de tappersnering te doen in wijn, bier en sterke drank in zijn woonhuis aan de Lange Vorststraat.

Slijters
Opmerkelijk veel burgers en inwoners krijgen in 1807 vergunning om de slijternering in wijn en sterke drank in de kleine maat uit te oefenen. Het zijn:
in 1807 Joseph van Eeghem in zijn huis aan de Oprel naar de kaaij; Hendricus Schraauwen in zijn huis op de hoek van de Kreukelmarkt; Adriaan Jasperse Rapholm in zijn huis aan de westzijde van de kaai; Marinus Janse Timmerman in zijn huis ‘Het Slot Oostende’; Benjamin den Boer in zijn huis op de Beestenmarkt; Marinus de Jonge Azn in het door hem gehuurde huis in de Korte Kerkstraat; Marinus Serlee in zijn huis in de Sint Jacobstraat; Leendert Breker in zijn huis in de Ganzepoortstraat en Cornelis van de Velde;
in 1808 Neeltje Lavooij in haar huis aan de Sint Jacobstraat.

Markten

Dinsdagse weekmarkt
Zijne Majesteit de Koning bepaalt in juli 1808 dat in alle steden en plaatsen waar op zaterdag markt wordt gehouden, deze op een van de andere dagen van de week, met uitzondering van de zondag, zal moeten worden gehouden. Het Stadsbestuur schrijft hierover aan de Kwartierdrost dat, behalve de dindagmarkt, er vanouds binnen deze stad ook op zaterdag een marktdag is geweest. Echter, de zaterdagmarkt is al sinds lang zodanig vervallen dat deze gezegd kan worden geheel te zijn opgehouden. Er hoeft daarom geen verschikking plaats te vinden.


Jaarmarkt

Zoals vanouds wordt ook deze jaren steeds met het oog op de in augustus te houden jaarmarkt of Goessche kermis bepaald om het gewone verbod tegen kwakzalvers, loterijspeelders en bedelaars op de aanstaande kermis bij advertentie in de couranten bekend te maken.

Korenmarkt
Gelet op het Decreet van Keizer Napoleon van 4 mei 1812 besluit de Maire tot de volgende regeling voor de graanmarkt:

Artikel 1
De graanmarkt moet worden gehouden op de Grote Markt en de tijd tot het houden daarvan wordt bepaald op dinsdag en zaterdag van iedere week, des voormiddags van tien tot een uur, zullende gedurende het eerste uur, te weten van tien tot elf uur, alleen aan de inwoonders en bakkers tot eigen gebruik mogen worden verkocht en de overige tijd aan kommissionarissen en kooplieden.

Artikel 2
Een ieder, zowel particulieren als kooplieden en bakkers, die onder deze commissie tarwe, rogge en gerst hebben leggen, worden hierbij gelast om de kwantiteit van iedere soort ter Mairie te komen aangeven voor of op de 30e van deze maand.

In juli 1812 oordeelt het Stadsbestuur het noodzakelijk om de juiste hoeveelheid van de granen, die in de stad voorhanden zijn, te kennen. Besloten wordt ‘dat allen die enige tarwe, rogge of gerst, hetzij voor consumptie of negotie hebben opgelegd, verplicht zijn de hoeveelheid daarvan op te geven ter Mairie van de stad en wel op morgen 23 juli ‘s morgens van 9 tot 12 uur’.

Vismarkt
In april 1813 stelt het Stadsbestuur een Reglement voor de Vismarkt vast. Dit wordt zowel in de Franse als de Nederlandse taal in het notulenboek ingeschreven als ‘Reglement consernant la Police du marche aux Poissans’. De globale inhoud van de artikelen is als volgt:

Artikel 1
Ieder die genegen mocht zijn visch bij afslag op de markt te doen verkopen, is gehouden dezelve voor het aangaan van de markt te laten keuren door daartoe benoemde keurmeesters. Welke daarvoor van een afslag beneden de twintig francs zullen genieten 54 centimes en boven de twintig francs een franc ieder. Een van de keurmeesters zal verplicht zijn bij de afslag tegenwoordig te zijn teneinde de visch nauwkeurig te onderzoeken.

Artikel 2
Het uur van de vismarkt wordt bepaald gedurende de maanden april tot en met september op negen uur des morgens en gedurende de overige maanden op half tien. Het is echter geoorloofd na de hiervoor bepaalde tijd visch af te slaan, bij aldien zulks met de omroeper door de stad is bekend gemaakt.

Artikel 3
De verkoop van visch zal bij afslag geschieden door een beëdigde publieke afslager, te benoemen door de Maire.

Artikel 4
De afslager mag gedurende de afslag geen geld ontvangen teneinde het afsterven van de visch te voorkomen. Hij zal voorafgaand aan de afslag bekend maken het uur gedurende hetwelk men de betalingen ten zijnen huize kan doen.

Artikel 5
Het voorgaande artikel is niet toepasselijk bij de afslag van schardijn of panharing, in welk geval de betaling terstond zal moeten geschieden.

Artikel 7
Ieder die zich op de markt bevindt, zonder uitzondering, zal stil moeten zijn gedurende de afslag en verkoop van de vis, zonder geraas te maken.

Artikel 8
Nadat de keurmeester zal hebben bekend gemaakt dat de afslag begint, zal niemand in het visperk mogen zijn of komen, uitgezonderd de keurmeester en de vischvrouwen. Het is insgelijks verboden dat er zich iemand anders in het huisje van de afslager bevindt dan hij.

Artikel 9
De afslager zal behoorlijk aantekenen de dag, maand en jaar van de afslag, gelijk mede de prijs en de naam van de koper en verkoper. Hij zal van de verkoop de som, die dadelijk na de afslag aan de verkoper moet betaald worden, niet meerder mogen afhouden dan drie percent voor zijn beloning.


Artikel 10

De verdeling van de visinkopen zal nimmer minder mogen zijn als van:

  • grote vis, rond of plat, 1 stuks;
  • schelvis, grote 4 stuks en kleine 6 stuks;
  • platen 4 stuks, kleine 8 à 16 stuks;
  • botten 16 stuks, kleine 26 stuks;
  • scharren 16 stuks, kleine 26 stuks;
  • tongen 6 stuks, kleine 16 stuks;
  • kleine rog 2 stuks;
  • paling 4 stuks, kleine 50 stuks;
  • molenaar 50 stuks;
  • spiering 50 stuks;
  • panharing 26 stuks;
  • gerookte haring 26 stuks;
  • schardijn een halve emmer.

Molens

Waterkorenmolen
Het Stadsbestuur besluit in maart 1810, op voorstel van de thesauriers, toe te staan om uit de waterkorenmolen aan de Kleine Kade al het molenwerk weg te breken en dit ten gunste van de stad te verkopen.

Windkorenmolens
De beide korenmolenaars in de stad, Pieter Remijn van de korenmolen ‘de Koornbloem’ op de noordwestelijke stadswal en Isaac de Haas van de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ op het Bastion, verzoeken in februari 1807 om verhoging van het maalloon, zowel voor het malen als voor het afhalen en weer thuis brengen van het graan en de meel.
Het Stadsbestuur beraadslaagt over het advies van de commissarissen van de gecombineerde bakkersambachten naar aanleiding van het verzoek van beide molenaars. Overwogen wordt dat in de billijke klachten van de molenaars enige voorziening behoort te geschieden. Ook wordt overwogen dat uit het bericht van de commissarissen blijkt dat het stadsweeghuis, dat voor het wegen van de granen wordt gebruikt, thans geheel overbodig is geworden ‘vermits volgens de Maat ter moole wordt gedaan’.

In april 1808 stuurt de Landdrost een Decreet van Zijne Majesteit de Koning toe met de bepaling ‘dat het molsteren of scheppen der granen zal worden afgeschaft en vervangen door een billijk maalloon in geld’.
Bij het vervallen van het weegloon kan zonder bezwaar een redelijke schikking voor het vinden van het vermeerderde loon van de molenaars, zonder noemenswaardig bezwaar van de burgerij, worden gemaakt.

In april 1809 verzoekt molenaar Pieter Remijn van ‘de Koornbloem’ het Stadsbestuur hem, of bij zijn overlijden een van zijn zoons die daarvan gebruik zou willen maken, het recht te vergunnen om, wanneer dit noodzakelijk mocht worden geoordeeld, toe te staan binnen de stad en jurisdictie een tweede ros- en windkorenmolen te stichten.
Er volgt nòg een brief van Remijn. In mei 1809 verzoekt hij een roskorenmolen naast zijn windkorenmolen ‘de Koornbloem’ op de stadswal ten noorden van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort te mogen stichten. Het Stadsbestuur staat hier positief tegenover. In juni (zomermaand) 1809 komt bericht van de Minister van Financiën met toestemming om het gemis van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade op te vangen door het stichten van een roskorenmolen. De stadsdirecteuren leggen de met korenmolenaar Pieter Remijn hiervoor aangegane overeenkomst over. Hiermee wordt akkoord gegaan. De Minister van Financiën wordt verzocht aan Pieter Remijn te vergunnen om naast zijn windkorenmolen ‘de Korenbloem’ bij de s-Heer Hendrikskinderenpoort te doen stellen een ros korenmolen.
Het Stadsbestuur stemt hiermee in op voorwaarde van betaling van een jaarlijkse recognitie van 300 gulden ten bate van de stad.

In januari 1813 verzoekt molenaar Remijn om toestemming om voor rekening van zijn zoon Adriaan Remijn een tweede windkorenmolen te mogen stichten. Deze zou moeten komen op de plaats waar voorheen de stadskorenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ heeft gestaan. Deze molen komt dan in de plaats van de door hem gestichte rosmolen naast zijn windkorenmolen ‘de Koornbloem’.
De thesauriers van de stad rapporteren hierover. Daaruit blijkt dat Remijn heeft aangekocht de pelmolen ‘de Grenadier’ op het Ravelijn de Grenadier bij de Koepoort heeft aangekocht met het oogmerk om deze geschikt te maken tot korenmolen. Naar aanleiding van het advies van de thesauriers besluit het Stadsbestuur het verzoek toe te staan.

Stadsweeghuis
Het Stadsbestuur besluit in 1808 naar aanleiding van het Decreet van Zijne Majesteit de Koning tot het volgende:

  1. de weging van de granen in het stadsweeghuis en de betaling van een halve stuiver per zak voor weegloon zal worden beëindigd;
  2. de weegmeester Jan Visser krijgt ontslag. Voorlopig mag hij wel in het stadshuis, waar hij deze functie uitoefende, blijven wonen tegen betaling van zeven ponden Vlaams per jaar;
  3. de stadsgewichten, de balans en verdere gereedschappen die in het weeghuis zijn, zullen aan de stadsfabriek worden overgegeven om elders te worden bewaard;
  4. de molenaars wordt toegestaan om voortaan van de ingezetenen te vorderen: - voor maalloon van iedere zak tarwe en rogge, gelijk ook van alle andere graansoorten die tot beestenvoeder worden gemalen, mitsgaders voor het overmalen van een zak koekenbakkerzemelen, ƒ -.7.-; - voor iedere zak rogge voor de koekenbakkers die tweemaal wordt gemalen ƒ -.12.- en voor het halen en weer thuisbrengen van iedere zak graan, zemelen of meel ƒ -.2.-.

Door deze gunstige regeling worden de molenaars aanmerkelijk in hun bezwaren tegemoet gekomen. Ze worden dan ook ‘serieuselijk gerecommandeerd van door een prompte en alleszins getrouwe bediening van de burgerij zich die gunst waardig te maken, met aanzegging dat bij het inkomen van enige gegronde klachten deswegens het aan hun verleende faveur dadelijk zal worden ingetrokken, als wordende het zelve bij deze slechts geaccordeerd tot wederopzeggens toe’.

Oude kleerverkopers

Deze jaren krijgen verscheidene burgers en inwoners vergunning om de oude kleerkopersnering uit te oefenen. Het zijn in 1808 Albrecht Reijnhout, Jacob van der Schraagen, Jacobus Riemers en Jannetje de Jonge en in 1810 Nicolaas Ter Maat.
Wel besluit het Stadsbestuur in 1808 alle oude klederverkopers aan te zeggen dat alle goederen, hoe ook genaamd, gedurende tenminste acht dagen na inkoop daarvan, waaronder een marktdag, voor hun woningen openlijk ten toon gesteld moeten worden.

Slagers en vleeshouwers

In juli 1808 dient de vleeshouwer Pieter Zeegers een verzoek in om toestemming om in zijn slachthuis, staande aan de wal bij de Bleek aan de Ganzepoort, te doen stellen een fornuis voor het schouwen en schoonmaken van geslachte varkens. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
Ook in 1808 krijgt Emanuel Abrahams vergunning om binnen de stad het ambacht van vleeshouwer uit te oefenen. En ook Pieter Verhoef mag zich als vleeshouwer en varkensslager in de stad vestigen.
In 1810 krijgt Gerard Minders toestemming om in zijn gekochte woonhuis in de Wijngaardstraat de slachteraffaire uit te oefenen.


Smeden

Koperslagers, blikslagers en smeden
In maart 1808 mag Johannes Dekker zich als koper- en blikslager in de stad vestigen.
De smidsbaas Johannes Verwest krijgt in december 1813 vergunning om een vuurplaats voor zijn smederij in de Voorstad aan te brengen.

Goud- en zilversmeden
In februari 1807 krijgt Cornelis Langemaire vergunning om zich, na het afleggen van een gunstige proef en voldoening van het inkomstgeld, als vrijmeester en tevens goud- en zilversmid aan de Lange Kerkstraat te vestigen. Hij krijgt vergunning om daar een fornuis voor het zilversmeden te laten opstellen.
In oktober 1807 vestigt zich ook Thomas Snoep Jzoon als goud- en zilversmid in de stad.
Het Departementaal Bestuur van Zeeland verlangt in maart 1807 een opgave van de goud- en zilversmeden binnen de stad.

Keurkamer voor goud- en zilverwerken
In juni 1807 besluit het Stadsbestuur een Keurkamer voor de gouden en zilveren werken op te richten. De Kamer bestaat uit vier keurmeesters. Tot keurmeesters worden aangesteld Jan Boddingius, Adriaan van den Thoorn, Cornelis Beijaard en Marcus Does, terwijl Marcus Boddingius als extra-ordinair lid wordt toegevoegd. In 1810 volgt goud- en zilversmid Cornelis Langemaire Marcus Boddingius op als lid van de Keurkamer.
De keurmeesters verzoeken in september om een ander lokaal voor het verrichten van hun werkzaamheden dan wat hun door de stadsdirecteuren is toegewezen. Ze vinden dit niet voldoende geschikt. Het Stadsbestuur geeft hen toestemming om zelf om te zien naar een andere geschikte lokaliteit en om dat te huren. De kosten kunnen desnoods door de keurmeesters worden gedragen.
In maart 1809 komt bericht van de Landdrost dat de jaarlijkse aftreding van de keurmeesters voor het goud en zilver dient te worden geregeld. Het Stadsbestuur antwoordt dat er dikwijls geen gelegenheid zal zijn om sommige nuttige leden van de Keurkamer door even geschikte personen te vervangen. Het is daarom van mening dat hierover met de meeste omzichtigheid dient te worden omgegaan. Echter, als die aftreding onvermijdelijk mocht worden geoordeeld, dan zou als eerste kunnen aftreden Adriaan van den Thoorn en in diens plaats gesteld Daniël Boddingius.
De keurmeesters vinden overigens dat ze een te gering en onvoldoende loon genieten, maar ook dat de huur van het lokaal voor hun werkzaamheden voor stadsrekening dient te worden genomen. Het Stadsbestuur oordeelt dat aan de keurmeesters geen geschikte vergaderplaats in het Stadhuis kon worden aangewezen en zij daarom elders op hun eigen kosten zich van een zodanige plaats hebben moeten voorzien. Niettemin wordt besloten de huur ten bedrage van 36 gulden over 1809 voor de komende jaren voor stadsrekening te nemen.

Stijfselfabriek

In april 1807 dient Jacobus Hendrik op den Kamp een verzoek in om vrijstelling van betaling van een zekere recognitie voor het gebruik van stadsgrond bij zijn stijfselfabriek aan de Koepoort. Dit was ook de vorige eigenaar van de fabriek bij resolutie van 14 mei 1791 vergund mits deze grond weer aan de stad zou worden ingeruimd. De stadsdirecteuren krijgen opdracht het nodige toezicht hierop te houden.

Tabaknering

A.H. Risseeuw krijgt in 1808 toestemming om in zijn huis aan de Lange Kerkstraat een droogas voor zijn tabakaffaire te doen stellen. Ook Martinus Harinck mag in 1809 een droogas voor het drogen van tabak in zijn werkhuis aan de Korte Vosstraat stichten.

Timmerlieden, metselaars, kalkblussers en steenhouwers

In juli 1807 mag Jacobus de Kok, inwoner van de stad, zich als timmermansbaas vestigen.
In 1808 krijgt Jan Vermeulen toestemming om het bedrijf van metselaar uit te oefenen.
Ook Pieter Willem van Baalen vraagt in 1809 toestemming om zich als metselaarsbaas en kalkblusser in de stad te vestigen. Zijn verzoek wordt echter afgewezen. Eerst moet hij een geschiktere plaats voor de uitoefening van zijn bedrijf opgeven.
In juni 1810 verzoekt Pieter Berks uit Sas van Gent om buiten de Slikpoort, bezijden of op het einde van het zogenaamde ‘Roode Pakhuis’ aldaar, een kalkblusserij aan te leggen en te doen bouwen. Dit verzoek wordt afgewezen.

Verhuur rijtuigen

Niet minder dan acht burgers en inwoners krijgen deze jaren vergunning voor het verhuren van rijtuigen en paarden. Als voorwaarde geldt in alle gevallen dat ze dit op een bord bij hun woning moeten bekend maken.
In 1807 zijn dat Jan Verlorenkost; Cornelis Knoet; Adriaan Hieftje; Laurens van Bokstal; Forra Bouten weduwe van Jacobus de Jongh; Cornelis Marinus de Jongh onder de Firma Jacobus de Jongh en zoon; Jan Soutendam junior;
In 1808 zijn het Albrecht Cornelisse Pover; Abraham Kopmels, Jan van ’t Westende; Frans Benjaminse en Pieter Carstanje.

In september 1808 dient een aantal vrachtrijders binnen de stad een verzoekschrift in. Ze beklagen zich dat tot hiertoe slechts enkele vrachtrijders zijn begunstigd met het vervoer van goederen van en naar het overzetveer bij Ter Lugt. Ze verzoeken wekelijks via een algemene loting of op zodanige andere wijze als het Stadsbestuur het geschiktst acht eveneens tot het vervoeren van koopmansgoederen te worden toegelaten en daardoor van de vrachtgelden te profiteren.

Zoutnering

De secretaris van de Raad der Financiën in het Departement Zeeland stuurt in januari 1807 een strijkstok en twee brandijzers voor de ijker van de zoutmaten en een stel Amsterdamse graanmaten waarnaar die van de ingezetenen kunnen worden geijkt. Deze worden overgedragen aan de Ijker van de zout- en graanmaten Marinus van Leeuwen.
Enkele maanden later komt er van de Raad der Financiën een bepaling dat de onlangs toegezonden zoutmaten behoren te worden geïntroduceerd om daarmee het zout te meten dat uit de zoutziederijen wordt uitgeslagen. Het is niet de bedoeling deze ook te gebruiken voor kleinere hoeveelheden waarmee door winkeliers in zout wordt gehandeld.

In januari 1809 krijgt Isaac de Broekert toestemming voor het afbreken en slopen van een zoutkeet.

De adjunct maires en de brandmeesters inspecteren in juni 1812 de plaats waar een nieuwe vuurmachine zal worden opgesteld in een zoutkeet van de sociëteit van de firma Van Tilburg, Slabber en compagnons. Ze krijgen toestemming om deze nieuwe vuurmachine in de zoutkeet aan te brengen.

Overige ambachten

In november 1807 krijgt Pieter Fris vergunning om binnen de stad het ambacht van horlogemaker uit te oefenen.
Lucas Reijnierse krijgt in april 1808 toestemming voor het verkopen van allerhande soorten van stoeldraaiers- en borstelwerk.
Opmerkelijk in 1808 is de aanschrijving ‘om zoveel doenlijk de fabriek van de heer Canisius (waarschijnlijk een oud Goesenaar) onder den Wijngaard te Delft in de leverantie van goederen te favoriseren’.
Een nieuwe tak van economische bedrijvigheid doet zich wellicht voor in 1811. In augustus wordt een commissie ingesteld voor ‘het vinden van engagement met de propriëtries de cette commune voor het planten van beetwortelen’. In de commissie hebben zitting M. Slabber en J. Nederveen en namens de Propriëtries mr. J. Kakebeeke en J. Almekinders.
In april 1812 krijgt Joos Felius in de Voorstad toestemming om een grutterij op te richten. Vooraf inspecteren de brandmeesters het hiervoor te gebruiken gebouw. Felius krijgt toestemming om in de grutterij een kruipeest te doen stellen.