Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1807 - 1813)

Hervormde gemeente

Algemeen
Uit de opgave van de kerkelijke gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken blijkt dat het aantal tot de Hervormde gemeente behorende zielen tussen de 3100 en 3200 ligt. Hiervan zijn tussen de 1000 en 1100 lidmaten.

De Hervormde gemeente wordt bediend door vier predikanten. Aan het begin van deze periode zijn dit ds. Johannes Ludovicus Lotchius, ds. Conradus Colmschate, ds. Jacobus de Kanter en ds. Gerardus Blaaubeen.
Hun traktementen zijn ƒ 600 + extra-ordinair ƒ 150 + vergoeding voor huishuur ƒ 180 + uit het kerkenfonds ƒ 50, samen ƒ 980. Per kind ontvangen ze bovendien ƒ 50.

De voorzangers voor de beide kerken zijn Kornelis van Zoom en Levinus Anthoni Alblas. De organist van de Grote kerk is Jacobus Lotens. Krankenbezoeker is Paulus Provoost. De kosters van de beide kerken zijn Pieter Engelse en Lieven Maartense.

Predikanten
Eind januari 1807 verzoekt ds. Pické om losgemaakt te worden van de gemeente vanwege het aannemen van een beroep naar de Hervormde gemeente van Oud Vossemeer. Het Collegium Qualificatum besluit hiertoe ‘schoon met veel leedwezen van zijn dienst en verbintenis aan deze gemeente’. Het geeft de predikant zijn ontslagbrief ‘met hartelijke zegenbede over zijn persoon en verder dienstwerk’. Hierop neemt ds. Pické van de vergadering ‘een teder en vriendelijk afscheid onder uitboezeming van de hartelijkste zegenbede, hetwelk door de preses alleszins gepast beantwoord wordt, waarop de beroepen en nu ontslagene de vergadering verlaat’. Hij krijgt een loffelijk getuigschrift mee.

In februari 1807 komt de kerkenraad met de vertegenwoordigers van het Stadsbestuur Ossewaarde, Slabber en Van der Hagen in een collegium qualificatum bijeen voor de losmaking van de naar elders beroepen predikant ds. Petrus Pické en voor het uitbrengen van een beroep op een nieuwe predikant.

In maart 1807 bespreekt de kerkenraad het beroepen van een nieuwe predikant. Hierover wordt ‘amicaal gesproken’. De preses ds. De Kanter wordt opgedragen de oudste gedeputeerden uit de stedelijke raad uit naam van predikanten en ouderlingen te verzoeken dat alle leden van het Collegium Qualificatum hoe eer hoe liever bij elkaar geroepen worden om met het beroepingswerk een begin te maken.

Er wordt een groslijst van 24 predikanten opgesteld, waaruit een twaalftal wordt geformeerd, namelijk de predikanten Oudkerk, Man, Van Eijk, De Bruyn, Beausar, Uitenhoeven, Voyer, Blaaubeen, Schoenmakers, Buijt, Berkers en Welman.
Het Collegium kiest daaruit een zestal. Met meerderheid van stemmen worden daaruit op de nominatie geplaatst de predikanten De Bruyn, Blaaubeen en Schoenmakers. Beroepen wordt ds. G. Blaaubeen uit Sluis in Staats Vlaanderen.
Op de 20e juni 1807 komt er een brief met bericht dat de beroepen predikant het beroep wil aannemen. De nieuwe predikant wordt op de 29e november ‘plechtig ingehuldigd door zijn ambtgenoot en vriend ds. J. de Kanter, aan wie ds. Colmschate deze beurt op vriendelijk verzoek had afgestaan’. Hij bevestigt hem met de tekst Jesaja 53 : 1, terwijl de bevestigde ‘s middags intrede doet en zijn dienstwerk begint met de tekst 2 Korinthe 5 vers 9. De kerkenraadnotulen vermelden: ‘Het plechtig werk van die dag is in de beste orde en tot algemeen genoegen volvoerd’.

De diakenen geven in maart 1807 kennis dat de diaconie bezwaard was met een kapitaal van £ 500 ten profijte van de erven van de vroegere predikant wijlen ds. D. Kaas. De erven willen dit bedrag terugbetaald hebben. De diaconie is daardoor genoodzaakt dit bedrag te lenen tegen een rente van 5%. De kerkenraad keurt dit goed.

Een Koninklijk Decreet bepaalt in december 1807 dat kerkelijke gemeenten beneden de 2000 zielen voortaan één predikant, van 2000 tot 4000 zielen twee predikanten etc. zullen hebben. Van alle vacatures moet kennis worden gegeven aan de Minister van Binnenlandse Zaken. De kerkenraden krijgen dit Decreet toegezonden ter informatie met het verzoek in voorkomende vacatures dienovereenkomstig te handelen.

De president deelt het Stadsbestuur op 30 december 1807 mee opgewacht te zijn door de preses van de kerkenraad van de Hervormde Nederduitse gemeente. Namens de kerkenraad gaf deze kennis dat de kerkenraad voornemens is, in overeenstemming met het verlangen van vele leden van de gemeente, de voormiddag godsdienstoefening in het vervolg ‘s morgens om half tien te laten aanvangen, de wintermaanden daarbij inbegrepen. Het Stadsbestuur gaat daarmee akkoord.

In november 1808 beraadslaagt de kerkenraad uitvoerig over enkele brieven van de Classis en Synode over het beëindigen van de traktementen van predikanten per 1 januari 1810.
De kerkenraad beschouwt het ophouden van de betaling van de kerkelijke bedieningen als een wezenlijk bezwaar en inbreuk op het recht dat het Hervormd kerkgenootschap meent te hebben op de geestelijke goederen, waaruit de kerkelijke bedienden tot nu toe gesalarieerd werden. Ook meent de kerkenraad dat men ter gelegenheid hiervan onder de attentie van Zijne Majesteit de Koning zou kunnen brengen ‘de sobere bezoldiging van de predikanten in vergelijking met de meerdere duurte van alle noodwendigheden des levens en de van tijd tot tijd verzwaarde belastingen als vooral het verbazend lange uitstel van de betaling der tegenwoordige traktementen’. Ze verzoekt Zijne Majesteit goedgunstig hierin te voorzien. De kerkenraad stelt een commissie in, bestaande uit de preses en zijn wijkouderling, die de bezwaren op de aanstaande klassikale vergadering zal inbrengen.
De Classis neemt de bezwaren over en zendt deze als haar bezwaren door aan de Synode van Zeeland.

Begin januari 1809 verzoeken de predikanten van de Nederduitse en Waalse Hervormde gemeenten, evenals dit in november 1806 aan de raad is verzocht, te worden vrijgesteld van alle lasten die als gevolg van het octrooi tot het heffen van additionele stuivers ten behoeve van de stad worden geheven en de nodige maatregelen te nemen om hun het effect daarvan te doen genieten. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek af.

In april 1809 ontvangt de kerkenraad een aanschrijving aan de Classis Zuid-Beveland van de Minister van de Eredienst van de 1e van Grasmaand (april). De inhoud hiervan is als volgt:

De Minister van den Eredienst;

dat, volgens het gestatueerde in het Koninklijk Decreet van 1810, de Publieke Schatkist, mitsgaders de gemeenten, plaatselijke en andere publieke kassen zullen ontlast worden van de betalingen, welke zij thans doen aan kerkelijke bedienden zoals kosters, voorlezers, voorzangers, organisten, catechiseermeesters en dergelijke, die alle op dat tijdstip komen ten laste van het kerkgenootschap, hetwelk zij dienen;
dat het nochtans de Minister is voorgekomen, dat in vele gemeenten der Hervormden van het beramen dier schikkingen niet genoegzaam werk zoude worden gemaakt, hetgeen schijnt te moeten worden toegeschreven of aan enig misverstand of aan twijfeling ten aanzien der bedoeling en executie van het aangevoerde artikel.

Geeft aan de Nederduitsche en Waalsche Synoden en aan de Klassen der Hervormde kerk bij deze te kennen: dat het de stellige en ernstige wil is van Zijne Majesteit de Koning, dat het bepaalde in het Decreet van de 2e van Oogstmaand 1808 ten stiptste zal worden ten uitvoer gebracht.

Dat derhalve na de 31e van Wintermaand generhande betalingen uit ‘s Rijks of andere publieke kassen aan enige kerkelijke bedienden zullen geschieden.
En dat mitsdien het belang der Hervormde gemeenten, welker bedienden tot nog toe uit deze kassen zijn betaald, of welke uit die kassen enige gelden voor onkosten van het Nachtmaal of soortgelijke objecten genoten hebben, gebiedend vordert, dat zij respectievelijk op geschikte middelen bedacht zijn om, met het begin van het aanstaande jaar, zelve in deze hunne behoeften te voorzien’.

25e van Bloeimaand 1810

Er komt in april 1809 ook een brief van de Classis Zuid-Beveland met het verzoek om de nodige schikkingen te treffen om voorlopig in het gewone onderhoud van de leraren in de gemeente te voorzien. De kerkenraad beraadslaagt ‘vriendschappelijk over deze belangrijke zaak’. Besloten wordt de zorg voor het voorlopige bestaan van de leraren op te dragen aan een commissie, bestaande uit drie ouderlingen, twee diakenen en vier leden van de gemeente, waarvan er twee uit de Raad van de stad zullen worden gekozen. In de commissie worden benoemd de ouderlingen Van Tilburg, Vervenne en Walrave, de diakenen P. Remijnse en F. Pieterse en uit de gemeente de heren mr. W. Canisius, P. van Kleinputte, mr. A.W. van Citters heer van ’s-Gravenpolder en J. Kakebeeke.

Op 30 december 1809 geeft Zijne Majesteit Koning Lodewijk Napoleon order om alle betalingen ten behoeve van enige kerkgenootschappen uit plaatselijke kassen te laten ophouden.
Tevens wordt gelast dat de kerkgebouwen, die nog onder plaatselijk beheer zijn, worden overgegeven aan de kerkelijke gemeenten die deze in gebruik hebben. Het beheer en onderhoud wordt aan de kerkgenootschappen overgelaten.
Het Stadsbestuur geeft de thesauriers van de stad opdracht om te zorgen dat de betalingen aan de kerkgenootschappen ophouden.

Met de kerkenraad van de Hervormde gemeente worden daarop zodanige schikkingen gemaakt die nodig zijn om de overdracht van het beheer van het kerkgebouw en de daaraan behorende middelen van de Hervormde gemeente te effectueren.
In februari 1810 rapporteren de kerkmeesters dat aan de kerkenraad van de Hervormde gemeente overgifte is gedaan van de kerkegoederen. De heren worden verzocht de gedane overgifte te effectueren op zodanige voet als ze overeenkomstig de gestelde orders het meest raadzaam zullen achten.
In maart delen de kerkmeesters mee dat ze een conferentie hebben gehouden met de afgevaardigden van de kerkenraad over de voorlopig gemaakte regelingen voor de overdracht.

De Prefect geeft in juni 1810 opdracht dat een staat moet worden opgesteld van het aantal kerken in ieder ressort, aan welke godsdienst zij toebehoren, in welke staat zij zich bevinden, of zij genoegzaam zijn voor de godsdienstuitoefening en het aantal lidmaten.
Het Stadsbestuur stuurt een exemplaar van dit besluit aan de kerkenraad van de Hervormde Nederduitse gemeente, aan de kerkenraad van de Waalse gemeente, aan de bestuurders van de rooms-katholieke gemeente en aan die van de Mennonieten gemeente.

De gedeputeerden namens het Stadsbestuur voor het opnemen van de kerkrekening en de kerkmeesters rapporteren in juni 1810 over de overgifte van de administratie van de kerkegoederen aan de gecommitteerden van de kerkenraad. Het Stadsbestuur besluit bij deze gelegenheid weg te nemen alle redelijke klachten van andere gezindheden hierover. Besloten wordt:

  1. dat voor het luiden van de klokken bij begrafenissen voortaan door de stadskas hetzelfde bedrag zal worden genoten als hetgeen door de kerkmiddelen werd genoten;
  2. dat door de kerkemiddelen zal worden voldaan een billijke recognitie wegens het gebruik van de kleine stads Stoofwei voor begraafplaats; bij resolutie van mei 1807 is de recognitie op voordracht van de thesauriers bepaald op ƒ 20 per jaar.

De ingestelde commissie voor de eredienst staakt begin augustus 1810 voorlopig haar werkzaamheden. De belangrijkste reden hiervan is dat het schijnt dat de Keizer over 1810 deze traktementen toch wil betalen. De kerkenraad verzoekt de commissie echter haar werkzaamheden toch op te pakken. De predikanten hebben over 1809 al moeten zuchten onder de wanbetaling van hun traktementen. Zonder vooruitzicht wanneer zij hun traktementen zullen ontvangen dreigen ze nu ook tot 1811 te moeten wachten voordat deze over 1810 kunnen worden uitbetaald. De commissie wordt gevraagd deze traktementen voor te schieten uit de kerkekas. Deze kunnen dan later verrekend worden met de bijdragen uit ‘s rijkskas.
De preses ds. De Kanter deelt in de kerkenraadvergadering van de 17e oktober 1810 mee dat bij hem stellig bericht is ingekomen dat Zijne Majesteit de Keizer over het lopende jaar 1810 de predikanten op de gewone voet zal blijven betalen en dat zelfs binnenkort een aanmerkelijk gedeelte van hun traktement sinds 1 april jl. staat betaald te worden.
De vergadering is verheugd over dit gunstige bericht.

In oktober 1810 ontvangt ds. J. de Kanter een beroep als herder en leraar van de gemeente van Kampen. De kerkenraad ‘wenst hem het nodige licht toe om in deze de gelukkigste keuze te doen en verklaart algemeen vurig te verlangen, dat zijn eerwaarde, indien het zijn kon, bij ons blijve!’. De predikant geeft de president van het Stadsbestuur te kennen ‘dat het hem niet onverschillig is te weten of zijn langer verblijf alhier van de zijde van de regering aangenaam is’. Daarop heeft de president hem te kennen gegeven ‘dat het de raad ten hoogste aangenaam zoude zijn zijn langer verblijf alhier in der tijd te mogen vernemen’.
Ds. De Kanter deelt op 27 oktober mee na rijpe deliberatie besloten te hebben voor het beroep naar Kampen te bedanken en bij deze gemeente te blijven. De scriba schrijft in het notulenboek: ‘Met algemene blijdschap wierd deze tijding bij de vergadering aangenomen, onder welmenende wensch dat zijn eerwaarde’s keuze met de kennelijkste blijken der Goddelijke goedkeuring achtervolgd en zijn dienstwerk in deze gemeente verder gezegend moge worden’.

Ds. J. de Kanter doet eind maart 1811 het volgende voorstel aan de kerkenraad:
‘Dat hij van den predikdienst met den aankleve van dien in deze gemeente voorlopig door de kerkenraad mocht ontslagen worden;
dat hij echter zijn bentrekking als predikant van deze gemeente mocht blijven behouden en wanneer de omstandigheden zo veranderden dat hij in het burgerlijke geen bestaan meer zou vinden, alsdan de vrijheid mocht hebben om de predikdienst met den aankleve van dien wederom te aanvaarden, mits er dan ook op een betamelijke wijze voor zijn wedde in deze betrekking gezorgd worde;
dat, wanneer hem het voorgaande wordt toegestaan, hij bedankte voor het traktement uit de boezem van de gemeente bijeengebracht wordende, teneinde hetzelve te doen strekken om zijn ambtgenoten hun volle, immers zulk een bezoldiging te geven als billijk en rechtmatig zal geoordeeld worden’.


De kerkenraad besluit het verzoek van ds. De Kanter, na rijpe overweging, voorlopig in te willigen. Dit onder de voorwaarde dat, indien een van de drie huidige predikanten overlijdt, van hier vertrekt of tot de predikdienst onvermogend wordt en men in zijn plaats een andere leraar wil beroepen, ds. De Kanter verplicht zal zijn zich binnen de tijd van vier weken uit te spreken of hij de preekdienst met alles wat eraan vast zit wil aanvaarden. Als hij dit niet verkiest, zal hij van zijn betrekking als predikant van de gemeente volkomen ontslagen zijn. Ds. De Kanter neemt hiermee genoegen. Hij verzoekt dat hij niet alleen bij een eerstkomende, maar ook bij volgende vacatures de voorkeur mocht hebben om die te vervullen. De kerkenraad staat dit toe in zover dat dit alleen in geval van een tweede vacature geldt en niet verder. Dit laat ds. De Kanter zich welgevallen.

Eind juni 1811 deelt ds. De Kanter de kerkenraad mee ‘dat er een wending, onder het hoog bestuur der Goddelijke Voorzienigheid, in zijn levenslot gekomen is’. Daardoor is hij verplicht een stap verder te gaan. Het is de kerkenraad, zo vertrouwt hij, ten volle bekend dat het Zijne Majesteit de Keizer en Koning behaagd heeft hem te benoemen tot Griffier van het Vrederecht van het Canton van Goes. Hij noemt de redenen van zijn destijds gedaan verzoek: ‘Het gebrek aan behoorlijke bezoldiging, mij met mijn vrij talrijk huisgezin in deze dagen van hooggaande duurte en van algemene vermagering en uitputting, waardoor het tevens bezwaarlijk was om uit de boezem van de gemeente de nodige jaarwedde voor vier predikanten samen te brengen, gelijk dit uit de berichten van het college tot instandhouding van de eredienst in deze gemeente op een treurige wijze blijkbaar was, mij genoodzaakt heeft om in het burgerlijke mijn bestaan te zoeken. Deze redenen zijn nog van volle kracht, maar klimmen zelfs hoe langer hoe meer. Zo zie ik in de aanstelling tot Griffier van het Vrederecht op een zekere voet op een vererende wijze tevens voor mijn bestaan gezorgd.
Zijn nieuwe burgerlijke roeping plaatst hem in zulke betrekkingen en roept hem tot zulke bezigheden, dat dezelve mij niet bestaanbaar schijnt met het ambt van bedienaar van het Evangelie’.
Deze redenen geven hem aanleiding om te verzoeken hem van het ambt en de verbintenis als evangeliedienaar in deze gemeente geheel te ontslaan.

De kerkenraad vindt de aangevoerde redenen voldoende, zodat de vergadering ‘hoewel met hartelijk leedwezen aangedaan over den stap, die haar waarde medebroeder thans deed, evenwel geen vrijheid meent te hebben om hem daarin hinderlijk te zijn of zijn verzoek af te slaan’. Alvorens een besluit te nemen wordt dit verzoek aan de Classis voorgelegd.
De Classis stemt in met het ontslag en betuigt unaniem ‘de smart van haar leden, die zij daarover gevoelen, dat zij langs deze weg beroofd worden van een waardige medebroeder, die aan deze vergadering vele diensten heeft bewezen’.
De kerkenraad, gehoord het advies van de Classis, besluit om het verzoek van ds. J. de Kanter in te willigen en, ‘ofschoon met gevoelige smerte over het gemis van zulken waardige medebroeder’, hem het gevraagde ontslag te verlenen.
Ds. De Kanter besluit om gewichtige redenen geen openlijk afscheid van de gemeente te nemen. Hij neemt vervolgens ‘een liefderijk en zegenend afscheid van de vergadering, hetwelk door de preses met vriendbroederlijke heilbede en dankbetuiging wordt beantwoord’.

De kerkenraad besluit in september 1814 na rijpe overweging de vierde predikantsplaats op te heffen. De redenen hiervoor zijn dat de gemeente thans nog maar één kerkgebouw heeft en dat het fonds niet toereikend is om de traktementen van de nog dienstdoende drie predikanten en andere benodigdheden tot instandhouding van de godsdienst te kunnen betalen. Besloten wordt hierover eerst het oordeel van de manslidmaten te horen. Op de uitgeschreven zitting verschijnt niemand.

De predikanten, ds. Colmschate en ds. Blaaubeen, verklaren in september 1811 zich verplicht te vinden om met leedwezen te betuigen dat zij nog maar een zeer gering bedrag van hun gewone jaarlijkse traktement hebben ontvangen. Ze zijn daardoor niet in staat hun huishouden overeenkomstig hun stand gaande te houden. De kerkenraad besluit de Commissie tot instandhouding van de eredienst aan te schrijven om ten spoedigste pogingen te doen om in de nood van de predikanten te voorzien.

Eind september 1811 dienen de predikanten een voorstel tot regeling van de preekbeurten in. De kerkenraad neemt deze over. De regeling komt op het volgende neer:

  • van de eerste zondag in oktober tot de laatste zondag in maart zullen de gewone godsdienstoefeningen driemaal worden gehouden, namelijk om half tien, om half twee en om vijf uur;
  • van de eerste zondag in april tot de laatste zondag in september zullen de godsdienstoefeningen ’s avonds stil staan; er zal alleen voor- en namiddags gepredikt worden; de zogenaamde vroegpredikaties, die nu twee jaren gehouden worden, zullen voortaan geheel ophouden;
  • de woensdagavondbeurten zullen op de gewone voet het gehele jaar door blijven voortduren en onder de drie predikanten worden verdeeld.

Deze regeling gebeurt onder de bepaling dat de huidige predikanten alleen voorlopig in deze schikking bewilligen. Ze willen niet gerekend worden tot het waarnemen van meer of andere predikbeurten verplicht te zijn dan die welke er bij hun beroeping in deze gemeente plaats hadden.

Er gebeurt nog meer in deze septembermaand.
Eind september 1811 betoogt de commissie tot het vinden van een fonds tot instandhouding van de openbare godsdienst in deze gemeente dat ze meent de predikanten hun traktement over het tweede kwartaal van dit jaar te kunnen betalen met ƒ 510 ieder. De commissie meent verder alles te hebben aangewend wat tot bevordering van de instandhouding van de openbare godsdienst kan strekken en het daarvoor benodigde fonds op alle mogelijke manieren te begunstigen. Echter, aan de andere kant moet ze tot haar leedwezen er op wijzen dat het fonds niet volkomen toereikend is om daaruit een billijke en naar de stand van de predikanten geëvenredigde betaling te kunnen doen. Daarom verzoekt ze de medewerking van de kerkenraad om gezamenlijk beraad te houden over hoe hierin te voorzien. De kerkenraad toont zich zeer voldaan over deze vriendelijke brief en besluit zoveel mogelijk mee te werken tot bevordering van deze belangrijke zaak. Hiertoe wordt uit de kerkenraad een commissie geformeerd, bestaande uit de preses, de scriba en twee ouderlingen en diakenen met de opdracht om een concept daarvoor te ontwerpen.

Op 28 maart 1812 komt er bericht van de Minister van de Eredienst dat voorzien zal worden in de vergoeding van de traktementen over het eerste kwartaal. Niettemin besluit de kerkenraad het Provisioneel Reglement op de instandhouding van de openbare godsdienst in stand te houden. Er zal zitting worden gehouden voor het innen van de contributies door ouderling Van Tilburg en diaken Boddingius.

Wel of niet voortzetten Collegium Qualificatum
In december 1810 geeft ds. Lotchius de kerkenraad in overweging om bij de aanstaande vermaking van de kerkenraad als naar gewoonte gecommitteerden van het gemeentebestuur uit te nodigen voor het houden van een Collegium Qualificatum. De vergadering overweegt de verandering die in de wijze van bestuur van de stad is opgetreden en dat met ingang van 1811 de Franse wet in volle werking komt. Deze wet schrijft het houden van een Collegium Qualificatum niet meer voor. Daarom is het houden van Collegium Qualificatum tot verandering van de kerkenraad onnodig.
Begin januari 1811 heeft de preses ds. Lotchius de Maire (burgemeester) gesproken over de wijze waarop de aanstaande vermaking van de kerkenraad dient plaats te vinden. De Maire is van oordeel dat voor de jaarlijkse verandering van de kerkenraad geen Collegium Qualificatum zoals voorheen meer behoeft belegd te worden.

Samenstelling kerkenraad

In januari 1807 zijn aftredend de ouderlingen C. Mispelblom, N. Vervenne, G. Peman en J. de Hond en de diakenen N. Visser, J. Langebeeke, M. Boddingius en W. de Jong.
In aanwezigheid van de vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, P. Ossewaarde, M. Slabber en N. van der Hagen, worden met algemene stemmen gekozen tot nieuwe ouderlingen Willem de Wolf, Hendrik de Kanter, Jan Soutendam en Adriaan Bosdijk en tot diakenen Jozias Goossen, Adriaan Brand, Cornelis Marinus de Jong en Jan Soutendam junior.
De ‘consistoriedienaar’ gaat dadelijk op pad om de gekozenen in kennis te stellen en te vernemen of zij hun verkiezing aannemen. Alle gekozen ouderlingen nemen het aan, maar alle nieuw gekozen diakenen bedanken.

De vergadering is zeer onvoldaan over het gedrag van de gekozen diakenen. Een commissie uit de kerkenraad, bestaande uit de preses, een ouderling en een diaken, zal de weigerachtige diakenen bezoeken. Het bezoek heeft tot gevolg dat A. Brand zijn verkiezing alsnog aanneemt. Ook Goossen en Soutendam geven, na het horen dat het Collegium bij de verkiezing persisteert, hun woord. De Jongh doet dit op voorwaarde dat hij dan niet als officier (luitenant) van de schutterij ontslagen wenst te worden. Het gemeentebestuur staat dit niet toe, waarop De Jongh besluit zich alsnog te laten bevestigen.

Met algemene stemmen besluit de kerkenraad in januari 1808 dat elk lid onbeschroomd zijn gevoelen moet kunnen zeggen. Geen lid van de kerkenraad zal het advies van een ander lid over enige zaak openbaar mogen maken. Voortaan zal de preses het recht hebben om over bepaalde zaken de leden geheimhouding op te leggen. Zo iemand dit besluit overtreedt zal hij een halve rijksdaalder boeten.

In januari 1808 zijn aftredend de ouderlingen Johannes Walraven, Johannes Stokmans, Marinus Gorsse en Huibertus Harinck en de diakenen Marinus Corbeel, Anthony de La Croix, Cornelis Harinck en Marcus Does.
In aanwezigheid van de afgevaardigden van het gemeentebestuur, C. Erlach La Motthe, P. van Kleinputte en N. van der Hagen, worden gekozen tot nieuwe ouderlingen Pieter Ossewaarde, Pieter Machielse de oude, Daniël Boddingius en Henricus van ’t Hof en tot nieuwe diakenen Cornelis Klugten van Baalen, Gijsbrecht de Jonge Ossewaarde, Jacobus Barbier en Adriaan de Jonge.
De koster wordt er op uit gezonden om de verkoren broeders van hun verkiezing kennis te geven. Hij rapporteert ‘dat de heer Ossewaarde niet te huis was, Machielse het had aangenomen en dat de twee laatste verkoren ouderlingen ook niet te huis waren, doch hunne vrouwen gezegd hadden dat hare mannen voor dien post bedankten’. De verkoren diakenen hebben het aangenomen behalve J. Barbier. De kerkenraad besluit de broeders die bedankten door een commissie, bestaande uit de preses, een ouderling en een diaken, tot de aanneming van hun verkiezing nader te bezoeken.
Na bezoek door de commissie verklaren de verkozen broeders hun verkiezing aan te nemen, uitgezonderd D. Boddingius. De vergadering betuigt haar leedwezen over de halsstarrige weigering ‘van dien eenen verkorene heer’. Tot voorkoming van alle moeilijkheden die uit een andere verkiezing zouden kunnen voortvloeien, wordt een van de afgegane ouderlingen, broeder M. Gorsse, verzocht nog weer twee jaar te willen dienen. Gorsse bewilligt hierin tot genoegen van de vergadering.

In januari 1809 zijn aftredend de ouderlingen Willem de Wolf, Hendrik de Kanter, Jan Soutendam de oude en Adriaan Bosdijk en de diakenen Josias Goossen, Adriaan Brand, Cornelis Marinus de Jong en Jan Soutendam.
In aanwezigheid van de afgevaardigden van het gemeentebestuur, Martinus Slabber en Pieter van Kleijnputte, wordt overgegaan tot de jaarlijkse verandering van de kerkenraad.
Ouderling Gorsse verzoekt hem te ontslaan wegens zijn aanhoudende ongesteldheid. Hij is buiten staat om langer zijn bediening te kunnen waarnemen. Hij wordt honorabel ontslagen.
De afgaande broeder De Kanter toont zich bereid om nog een jaar te dienen.

Gekozen worden tot nieuwe ouderlingen Cornelis Mispelblom, Nicolaas Vervenne, Jacobus de Hond en Arnoldus van Tilburgh en tot nieuwe diakenen Johannes Slimmens, Willem de Jong, Marinus Boddingius en Jacobus Burger.
De koster gaat de gekozenen langs met het verzoek hun verkiezing aan te nemen. Staande de vergadering rapporteert hij dat allen hun verkiezing aannemen, uitgezonderd Slimmens die wenst te bedanken vanwege zijn voortdurende ongesteldheid en omdat hij al lange tijd (zes jaar) gediend heeft. Ondanks het bezoek van een commissie uit de kerkenraad blijft hij bij zijn weigering. In zijn plaats wordt verkoren tot diaken Willem van Nakke, ‘waarvan hem door de koster is kennis gegeven en die zulks tot blijdschap der vergadering heeft aangenomen’.

In januari 1810 worden in aanwezigheid van de gecommitteerden van het gemeentebestuur, Martinus Slabber en Nicolaas van der Hagen, vier nieuwe ouderlingen en vier nieuwe diakenen gekozen. De preses herinnert aan het oogmerk van de belegde vergadering om de gewone jaarlijkse verandering in de kerkenraad te maken en in plaats van de vier afgaande oudste ouderlingen en diakenen anderen te verkiezen.
In de plaats van de afgaande ouderlingen worden met algemene stemmen verkoren Johannes Walraven, Adriaan Nortier, Johannes Nederveen en Anthony Burger en tot nieuwe diakenen Marcus Does, Cornelis Haring, Theunis Pieterse en Pieter Remijnse.
De koster doet de ronde om de nieuw gekozenen dit mee te delen. Teruggekeerd geeft hij kennis dat de nieuw verkoren broeders het hebben aangenomen, wat de vergadering met blijdschap vernomen heeft.

In januari 1811 zijn aftredend de ouderlingen Arnoldus van Tilburg, Jacob den Hond, Nicolaas Vervenne en C. Mispelblom en de diakenen Willem de Jong, Marcus Boddingius, Jacobus Burger en Willem van Nakke.
Met eenparigheid van stemmen worden gekozen tot nieuwe ouderlingen Adriaan Bosdijk, Aarnout van Citters van ’s-Gravenpolder, Pieter van Kleinputte en Marinus Sandee en tot nieuwe diakenen Adriaan Brandt, C.M. de Jongh, Leendert Breker en Pieter Kruisse.
Na de rondgang van de koster blijkt dat alleen de broeders Bosdijk, Sandee, Breker en Kruisse hun verkiezing hebben aangenomen.
De kerkenraad gaat er van uit dat geen van de andere op dubbeltallen geplaatste kandidaten een verkiezing zullen aannemen. Gevraagd wordt of twee van de afgetreden ouderlingen alsnog voor twee jaar willen dienen. Tot groot genoegen van de kerkenraad zijn de broeders Van Tilburg en De Hond bereid de post van ouderling weer vrijwillig op zich te nemen.
Wat betreft de diakenen worden de twee andere nog opgegeven personen benoemd. Deze worden met algemene stemmen weer opnieuw verkoren. Na terugkomst van de koster bericht hij ‘tot blijdschap van de vergadering’ dat zij zich die verkiezing hebben laten welgevallen.
De kerkenraad bestaat in februari 1811 uit de predikanten J.L. Lotchius, C. Colmschate, J. de Kanter en G. Blaaubeen en de ouderlingen Nortier, Burger, Walraven, Nederveen, Van Tilburg, De Hond, Sandee en Bosdijk.

In januari 1812 worden voor de volgende tweejarige dienst gekozen tot ouderlingen Pieter Machielse, Jan Boddingius, Pieter Remijn en Johannes Walraven (bij continuatie) en tot diakenen Adriaan de Jonge Gzoon, Jacobus Barbier, Francois Walraven en Hendrik Muller.
Alle gekozen broeders nemen hun verkiezing aan. De vergadering ‘verneemt dit met vreugde’.
Hierdoor bestaat de kerkenraad in januari 1812 uit de predikanten Lotchius, Blaaubeen en Colmschate en de ouderlingen Van Tilburg, Bosdijk, Sandee, Den Hond, Walraven, Remijn, Boddingius en Machielse.

In januari 1813 zijn aftredend de ouderlingen A. van Tilburg, J. den Hond, M. Sandee en A. Bosdijk en de diakenen P. Kruisse, Leendert Breker, J. Harinck Hubertuszoon en A. Verburg.
Met eenparigheid van stemmen worden verkoren tot nieuwe ouderlingen A. van Tilburg (omdat hij twee jaar terug bij continuatie diende), J. den Hond (idem), J. de Kanter (de voormalige predikant) en M. Sandee en tot diakenen Thomas Snoep, Pieter Nortier, Philippus Vervenne en Martinus Haring Hubertuszoon. Tot blijdschap van de vergadering geven allen aan de koster te kennen hun verkiezing te aanvaarden.

Handelingen van de kerkenraad
In januari 1807 verzoekt de kerkenraad de kerkmeesters op de best mogelijke wijze er voor te zorgen dat er in de Grote kerk een bank wordt gemaakt of aangewezen voor de aftredende leden van de kerkenraad, zowel ouderlingen als diakenen.

De kerkenraad voelt in maart 1807 de wenselijkheid om een vaste richtlijn vast te stellen hoe te handelen met de doop van onechte kinderen. Besloten wordt om, zodra predikanten en ouderlingen de geboorte van zodanige kinderen in hun wijken vernemen, ze daarvan aan de kerkenraad kennis zullen geven. Deze kinderen zullen bij de eerste gelegenheid dat de predikant, in wiens wijk ze geboren zijn, zijn woensdagavondbeurt vervult, gedoopt worden. De moeder, als ze geen lidmaat is, zal naar twee getuigen moeten omzien en deze aan de wijkpredikant moeten opgeven.

In mei 1807 komt de viering van Hemelvaartsdag aan de orde in de kerkenraad. Ingevolge het besluit van de Synode ‘zal de gedenkwaardige dag van Christus Hemelvaart, reeds sedert vele jaren bij de overige kerken dezer landen aan de nagedachtenis hiervan toegewijd, voor de eerste reis bij deze gemeente plechtig gevierd worden’. Dit gebeurt op de 3e mei voor de middag in de Grote Kerk door ds. Colmschate. Voortaan zal de viering van Hemelvaartsdag in ere worden gehouden en deze als een tweede feestdag worden aangemerkt.

In de kerkenraad komt op de 26e december 1807 de aanvang en duur van de kerkdiensten ter sprake. Vanwege de langdurige duisternis ‘s morgens in de winter besluit de vergadering dat de voormiddag godsdienstoefening gedurende de maanden november, december, januari en februari om half tien zal aanvangen, te beginnen met de eerste zondag in februari 1808. De predikanten zullen intussen verplicht zijn ‘met de laatste klokslag van elf uur hunne predikatie geëindigd te hebben, op de boete van een halve rijksdaalder’. De preses zal van dit besluit aan de president van de gemeenteraad kennis geven en daarvoor zijn goedkeuring vragen.

Wat ook in bespreking komt in de kerkenraad op de 26e december 1807 is het houden van dansscholen in de stad. Ds. Lotchius zegt vernomen te hebben dat ‘in de stad zekere dansscholen zouden worden gehouden, waarvan het gerucht meldt, dat meer dan dansen en schandelijke ongeregeldheden zouden plaats hebben’. Hij stelt de kerkenraad voor om zich hierover bij de President van de Rechtbank te vervoegen, hem van dit gerucht kennis te geven en te verzoeken zich hierover te laten informeren en in alle plaats hebbende ongeregeldheden te voorzien. De vergadering neemt hierin genoegen. De preses ds. Colmschate zal dit ten uitvoer brengen.
Van het gemeentebestuur komt bericht dat de President van de Rechtbank, onder dankbetuiging voor de attentie van de kerkenraad, ‘gezegd had gemelde ongeregeldheden reeds zo veel hij konde te keer te hebben gegaan en tevens belooft in ’t vervolg daaromtrent te zullen vigileren’.

De kerkenraad stelt in oktober 1808 een nadere richtlijn vast voor de bediening van de Heilige Doop. Dit in verband met ingeslopen verkeerde gewoonten. Voortaan zullen ‘s woensdags alleen onechte kinderen worden gedoopt. De andere kinderen zullen voortaan worden gedoopt op zondagnamiddag. De doopouders zijn verplicht hun doopbriefjes op zaterdagnamiddag om twee uur in de kerkenraadvergadering in te leveren. De doopgetuigen zullen aan de gemeente bekend moeten zijn als lidmaten van de kerk en zullen van onberispelijk gedrag moeten zijn.

Ook de viering van Nieuwjaarsdag komt in oktober 1808 in bespreking. Door de Synode is bepaald dat in alle Zeeuwse kerken de Nieuwjaarsdag voortaan plechtig zal worden gevierd door op deze dag eenmaal openbare godsdienstoefening te houden.

De kerkenraad is in februari 1809 verwonderd dat de administrateurs van de nagelaten goederen van wijlen Cornelia Pieroom weduwe van monseigneur Francois Wagenaar nog steeds geen rekening of overgifte hebben gedaan volgens de testamentaire dispositie van haar, bij het overlijden van Clara van der Stelle weduwe van de heer Gerhard Peman. Namens de kerkenraad schrijft ds. G. Blaaubeen hen aan.

De predikanten geven in maart 1809 de namen door van personen die tot lidmaten van de kerk zullen aangenomen worden. Bij deze gelegenheid stelt ds. De Kanter voor of het in verband met de tegenwoordige tijdsomstandigheden niet raadzaam zou zijn deze personen nu en in het vervolg op te wekken om het hunne naar vermogen bij te dragen tot het instandhouden van de Hervormde godsdienst. Kennelijk doelt hij op het mede bijdragen aan de traktementen van de predikanten en andere kerkelijke beambten. De meerderheid van de kerkenraad is voor uitstel van een dergelijke opwekking.

In het notulenboek van de kerkenraad is een brief opgenomen van de Classis Zuid-Beveland aan de kerkenraden van maart 1809 met de volgende inhoud:

‘Weleerwaarde Heren en Medebroeders!
In onze jongste vergadering, gehouden te Goes op de 28e februari 1809, is de Classis in de noodzakelijkheid gebracht om te oordelen over het al of niet toelaten van zulke personen, welke zich zonder enige bevoegdheid het doen van openlijke godsdienstoefeningen aanmatigen. Het kon daarbij onze opmerking niet ontgaan hoe eensdeels het houden van zulke oefeningen volstrekt strijdig was met de intentie van de hoogeerwaarde Synode van Zeeland, welke met het hoogste recht van de respectieve Classis vordert, dat zij waken tegen het publiek godsdienstig onderwijs van ongestudeerde en half gestudeerde personen en anderdeels, hoe de oefeningen van zulke menschen niet anders konden dan nadelig zijn aan de regtzinnige en gegronde pogingen van de van God gezonden leeraars, om hunne leden tot ware kennis en beoefende godsvrucht op te leiden en niets minder dan verwarring en tweedracht in de Christelijke gemeenten konden teweeg brengen.
Het is om deze en andere redenen dat de eerwaarde Classes geoordeeld heeft te moeten besluiten dat al zulke onbevoegde oefeninghouders allerwege met de meeste zorg behoren geweerd te worden en diensvolgens de respectieve kerkenraden onder het ressort dezer Classis serieuselijk aanmaant, gelijk geschiedt bij dezen, om ieder in het zijne zoveel mogelijk tegen zulke menschen te waken en er onder generhande voorwendsel tot het openbaar oefeningswerk toe te laten, opdat er geen kwaad zaad op de akker des Heeren uitgestrooid worde.
Vertrouwende dat deze onze circulaire als naar gewoonte in ulieder Actenboeken zal worden geinsereerd en na toebede van des Heeren besten Zegen over ulieder personen en werkzaamheden.
Noemen wij ons, Weleerwaarde Heeren en medebroeders, die van het eerwaarde Classes van Zuid-Beveland en in derzelver naam, J.J. Römbach, scriba’.

De kerkenraad neemt deze brief voor notificatie aan en een kopie daarvan wordt in het Actenboek ingeschreven.

 

In de kerkenraadvergadering van de 19e mei 1809 deelt de preses uit naam van zijn ambtgenoten mee, dat de predikanten met elkaar zijn overeengekomen om tot vergoeding van het gemis van twee godsdienstoefeningen van de eerste zondag in april tot de tweede zondag in oktober, veroorzaakt door de overdracht van de Kleine of Gasthuiskerk, een zogenaamde vroegpredikatie in te voeren. Dit in de hoop dat er door de gemeente een goed gebruik van gemaakt zal worden. De ouderlingen keuren deze overeenkomst goed. De vroegdienst zal om zeven uur beginnen en om half negen eindigen. De daarop volgende godsdienstoefening zal om half tien beginnen en de middaggodsdienstoefening om twee uur.

Eind december 1810 wordt de preses met zijn twee ouderlingen gevraagd om namens de grote kerkenraad ‘de heer Maire te complimenteren, met zijn nieuwe post te gratuleren en deze vergadering met derzelver belangen aan zijn protectie aan te bevelen’.
Op de 25e maart 1811 gehouden ‘vriendelijke bijeenkomst’ van de grote kerkenraad geeft de op handen zijnde komst van de Prefect van het Departement van de monden der Schelde in deze stad aanleiding om de preses, de scriba en een van hun ouderlingen ‘te committeren ter begroeting van zijn edele uit naam van de kerkenraad’.

Op de 23e maart 1811 neemt de kerkenraad kennis van een door de Commissie tot instandhouding van de openbare eredienst opgestelde conceptbrief ten behoeve van de Classis Zuid-Beveland. De kerkenraad stelt deze vast en maakt deze in drie godsdienstoefeningen bekend.

In maart 1812 besluit de kerkenraad tot het houden van een collecte voor de Hervormde gemeente van Sluis wegens het afbranden van hun kerkgebouw. De collecte brengt £ 82.8 op.

Ds. Colmschate rapporteert aan de kerkenraad op de 3e oktober 1812 dat de onderprefect hem heeft gevraagd op aanstaande zondag om half elf dankzegging te doen voor de overwinningen door Zijne Majesteit Keizer Napoleon op de Russen behaald.

In een buitengewone vergadering van de grote kerkenraad op de 5e december 1812, waarin alle leden tegenwoordig zijn, wordt een ingekomen brief van de Maire van de stad voorgelezen. Deze behelst dat er op het jaarlijkse Feest van de Kroning van Zijne Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Napoleon op de 6e december om half elf een Redevoering zal worden gehouden en een Te Deum gezongen. De vergadering besluit over het een en ander de nodige schikkingen te maken, waaraan op de volgende dag is voldaan.

In de vergadering van de kerkenraad van de 20e maart 1813 uit ds. Blaaubeen klachten ‘over het buitensporig gedruis der gevangenen op het zogenaamd Laboratorium, tot merkelijke hindernis der catechisaties in de consistorie’. Besloten wordt dat de preses zich daarover bij de Juge d’instruction zal vervoegen met het verzoek dat hier in moge worden voorzien. Hij krijgt van de heer Juge d’instruction de vriendelijke toezegging dat over de ongeregelde bewegingen van de gevangenen de nodige voorziening zal worden gedaan.

Halverwege juni 1813 ontvangt de kerkenraad een aanschrijving van de 16e juni met het verzoek om een plechtig dankuur te houden naar aanleiding van de overwinning van Napoleon te Würtschen. Op de volgende zondag wordt om elf uur voormiddags een Te Deum op de overwinning gezongen.
Hetzelfde gebeurt op de 26e september 1813 des voormiddags om half twaalf. Dan wordt een dankuur gehouden voor de overwinning van de Keizer in de Slag bij Dresden.

Overname kerkgebouwen
Op de 3e februari 1810 vervoegt een commissie uit de gemeenteraad, bestaande uit de heren Van de Spiegel en Soetebier, zich bij de preses van de kerkenraad. De commissie rapporteert dat de gemeenteraad genegen is om het kerkgebouw van de Grote kerk aan de Hervormde gemeente over te dragen en het onderhoud daarvan met haar inkomsten onder het beheer van de kerkenraad, overeenkomstig ’s Konings wet, te stellen. Maar vooraf wil ze van de kerkenraad weten of deze als opzieners van de gemeente zich bevoegd rekent om deze overname te doen dan wel of daarvoor een oproeping van de kerkelijke gemeente behoort te geschieden.
De kerkenraad besluit de preses, geassisteerd door zijn twee ouderlingen, te laten antwoorden ‘dat de kerkenraad zich bevoegd acht om de kerk met hetgeen daar toe behoort over te nemen, maar evenwel alvorens met de gemeente daarover zal handelen’.
Over dit besluit wordt op de volgende zondag drie maal een afkondiging aan de kerkelijke gemeente gedaan.

Over de eventuele oproeping van de gemeente besluit de kerkenraad, om de zaak zoveel mogelijk te vereenvoudigen, op morgen de 11e februari bij de drie onderscheidene godsdienstoefeningen aan de gemeente kennis te geven van het besluit van de Koning over de kerkgebouwen, haar onderhoud en inkomsten. Ook over wat daarvan door de kerkenraad gedaan is, met de vraag of de gemeente daarin berust en genoegen neemt dat de kerkenraad het kerkgebouw, met wat daartoe behoort, overneemt en verder zodanige maatregelen neemt als ze dienstig zal oordelen tot een geregelde administratie over het gebouw en haar inkomsten. Daartoe zal de preses met zijn ouderlingen maandagmorgen van 10 tot 12 uur in de consistoriekamer zitting houden om de lidmaten, die hiertegen bezwaren hebben, te horen. Als de meerderheid geen bezwaren heeft, zal de kerkenraad aannemen dat de gemeente de handelingen en het voorstel van de kerkenraad goedkeurt.
Het blijkt dat niemand van de mansleden voor de commissie verschijnt. De kerkenraad acht zich daardoor bevoegd om het kerkgebouw over te nemen en de nodige maatregelen voor een geregelde administratie over het gebouw en haar inkomsten te nemen.

Op de 26e februari 1810 wordt een extra-ordinaire vergadering gehouden ten huize van ds. Blaaubeen. De preses brengt ter tafel een brief van de Classis van Zuid-Beveland, waarin aan de kerkenraad een kopie wordt gegeven van een extract uit het verbaal van de Landdrost van Zeeland van de 8e van Wintermaand 1809. Deze behelst hoofdzakelijk dat overeenkomstig de bedoeling van Zijne Majesteit burgemeesters, regeringen en gemeentebesturen moeten zorgen dat de kerkgebouwen met de eerste maand van 1810 worden overgegeven aan en met derzelver onderhoud en inkomsten onder beheer gesteld van de kerkelijke gemeenten. De Classis verzoekt de kerkenraad op de aanstaande classisvergadering van de 6e van Sprokkelmaand rapport te doen wat er dientengevolge door de kerkenraad gedaan is of staat gedaan te worden.
De kerkenraad besluit het gemeentebestuur inlichtingen te vragen op welke wijze en wanneer voldaan kan worden aan de bedoelingen van Zijne Majesteit de Koning betreffende de overgifte, het onderhoud en de inkomsten van de kerkgebouwen.

Ook komt tijdens de vergadering van de 26e februari 1810 een brief aan de orde van de gemeenteraad met de volgende inhoud:

Weleerwaarde heren!

Heren kerkmeesters, welke van onzentwege zijn belast om de overgifte van het kerkgebouw en de daaraan behorende goederen op de voet der dispositie van de Landdrost van de 8e december te effectueren, hebben ons gecommuniceerd dat twee conferenties gehouden zijn met het oogmerk om de afdoening dezer zaak te bevorderen, een tegenovergestelde strekking hebben gehad. Dat men er verre af is om zich daaromtrent vooralsnog te verstaan en dat zekere oproeping der gemeente om zich over dat onderwerp te verklaren heeft plaats gehad, zonder derzelver voorweten.
Het smert ons dat de oogmerken van de kerkmeesters, die niet anders dan de onze zijn, om de overgifte op een ordentelijke wijze te bewerkstelligen schijnen te worden miskend. Het doet ons leed dat men in plaats van de bedoelde zaak op een vriendschappelijke wijze te behandelen, verwijten van onbehoorlijk delay doet, tot voorbarige maatregelen zijn toevlucht neemt en zich van de gemeente tracht te kwalificeren om zo het zijn kon een wijze van overgifte te jouisseren gelijk men die eerst begeerd heeft en zonder met enig overleg te werk te gaan.

Wij moeten ulieden onbewimpeld zeggen, weleerwaarden heren, dat op deze voet het oogmerk dat ulieden zowel als wij in dezen zich ongetwijfeld voorstellen, nimmer op een geschikte wijze zal worden bereikt. Dat de oproeping van de gemeente op een zo gepresseerde en van het gewone gebruik in de behandeling van zaken, zo ver afwijkende wijze, de zaak geenszins bevorderd heeft, want dat wij op grond van een veronderstelde daaruit voortvloeiende kwalificatie zwarigheid zouden moeten maken om tot de overgifte te verstaan.

Intussen, weleerwaarde heren, zijn onze oogmerken om het Hervormd kerkgenootschap ten volle te doen genieten het effect der dispositie, welke aan hetzelve slechts verzekert die rechten, welke wij nimmer in enige twijfel trekken aan hetzelve toe te komen, daarin geenszins verandert.

Wij nodigen ulieden uit om het belang van dat genootschap in de tegenwoordige ogenblikken niet op te offeren aan verschillen, die niets tot het wezen der zaak doen, maar adverteren ulieden om met de heren kerkmeesters (die wij daartoe opnieuw hebben verzocht) nadere conferenties aan te leggen, op een ronde en openhartige wijze de nodige arrangementen tot de overgifte te behandelen en vast te stellen en wel te willen vermijden onaangenaamheden, waaromtrent het ons veel kost ulieden te hebben moeten onderhouden.
Wij hebben de eer ulieden van onze zeer volkomene hoogachting te verzekeren.

De raad voornoemd,

P.A. Ossewaarde’.

De kerkenraad is zeer verontwaardigd over het schrijven van de gemeenteraad. In het actenboek is het volgende hierover aangetekend:

‘De vergadering, ten hoogste verontwaardigd over zovele valsche beschuldigingen en snerende uitdrukkingen als in deze brief voorkomen, besluit deze niet onbeantwoord te mogen laten, maar evenwel, om een nieuw bewijs van haar toegevendheid en vredelievendheid aan de dag te leggen, in geen breedvoerige wederlegging of aanwijzing van verkeerdheden, met welke haar commissie gehandeld heeft, te treden, maar alleen op een bescheiden wijze haar waardigheid en onschuld hertelijk te handhaven’.

Besloten wordt dat de vier predikanten een brief zullen concipiëren, die in een daartoe te beleggen vergadering zal vastgesteld worden met de uitnodiging om over de overname van het kerkgebouw in conferentie te treden.
Op de 2e maart 1810 legt de preses de kerkenraad een conceptantwoord, opgesteld door de vier predikanten, voor met de volgende inhoud:

‘Wel Edele Achtbare Heeren!

Hoe verwonderd en getroffen wij waren bij de lezing van Uw letteren van de 24e van Sprokkelmaand, zoo mogten wij echter over de grieven, daarin voorkomende, ons troosten met de bewustheid van een rein geweten en dat wij geenszins zulke verwijten en aantijgingen verdiend hebben.
Gemakkelijk zou ons vallen dit breedvoerig aan te wijzen: doch waartoe zou dit dienen? Mogelijk nergens anders toe dan om het belang van dat Genootschap, waaraan U zowel als ons zo veel gelegen ligt, en om het welke wij, desnoods, nog wel willen lijden en verdragen, daaraan op te offeren. Vergunt ons alleen, Edel achtbare Heren! het gebeurde kortelijk te herinneren’.

Vervolgens bevat de brief een correcte weergave van de brief aan de gemeenteraad, de bekendmaking aan de gemeente en de zitting om bezwaren aan te horen.
De brief vervolgt daarna op de volgende wijze:

‘Ziet daar! Edelachtbare Heren! Een kort en getrouw verhaal van hetgeen gebeurd is. Hoe konden wij nu, inplaats dat de onderhandelingen zouden worden voortgezet, met enige mogelijkheid denken een brief van Ulieden te zullen ontvangen, waarin onderscheidene uitdrukkingen gebezigd worden, die zo grievend als onverdiend zijn.
Nooit twistgierig, gevoelen wij te wel, dat de tijd, dien wij beleven, en het onderwerp, waarover moet gehandeld worden, ons nu vooral tot eensgezindheid en toegevendheid moet aansporen, dan dat wij, op enigerhande wijze, op deze onverdiende grieven willen hechten: en daar ons enig doel is het belang en welzijn van het kerkgenootschap, waarover wij als opzichters gesteld zijn, en de bereiking daarvan ons tot vreugde zal verstrekken, nemen wij gaarne de uitnodiging van Ulieden aan, om met heren kerkmeesters nadere conferenties aan te leggen, en dat wel met die rondheid en openhartigheid als elk Mensch en vooral Christenen, in alle hunne handelingen betaamt, en die wij ons niet bewust zijn verzaakt te hebben.
Wij bidden de dierbaarste Zegeningen Uw eldelachtbaren toe en noemen ons, met de verschuldigde eerbied, Wel Edele Achtbare Heeren!
Namens de kerkenraad G. Blaaubeen, scriba’.

De brief wordt door de vergadering eenparig goedgekeurd en aan de gemeenteraad verzonden. Tevens stuurt de kerkenraad een uitnodiging aan de kerkmeesters om een tijdstip te bepalen om met hen in conferentie te treden over de overname van het kerkgebouw.

De kerkenraad komt op de 14e maart 1810 in een extra-ordinaire vergadering bijeen voor het bespreken van een brief van de Raad van de Stad, getekend door P.A. Ossewaarde.
In deze brief wordt de kerkenraad ongezouten meegedeeld waarin ‘de alleszins ongepaste handelingen’ gelegen zijn. Deze zijn:

  • de kerkenraad heeft ontijdig afgebroken de aangevangen onderhandelingen met de kerkmeesters tot bevordering van een geregelde overgave van het kerkgebouw;
  • de alleszins gepresseerde en bij overhaasting gedane oproeping van de gemeente door de kerkenraad.

Uiteindelijk wordt de kerkenraad in de brief uitgenodigd een commissie aan te wijzen om met de kerkmeesters in conferentie te treden op de 16e maart om elf uur.
Ofschoon de inhoud van deze brief voor de kerkenraad niet minder honend en grievend was dan die van de eerste brief, wordt besloten ‘om des vredes wille, denzelven niet te beantwoorden en de preses en zijn ouderlingen zich aanstaande vrijdag ten stadhuize zullen begeven’.

In de vergadering van de kerkenraad van de 17e maart 1810 doet de delegatie verslag van de conferentie met de kerkmeesters. Hieruit wordt de indruk gewekt dat deze een zakelijk en constructief verloop heeft gehad. De kerkmeesters stelden voor om aan de kerkenraad tegen behoorlijke acte van decharge over te geven de kerk (de Grote kerk) met haar goederen met inachtneming van de bepalingen van het Koninklijke Decreet.
De vertegenwoordigers van de kerkenraad hebben hierin gaarne berust en deze met dankzegging aangenomen. Hiermee was de conferentie geëindigd.

De kerkenraad ziet hierin aanleiding om zich ‘te beklagen over de zeldzame handelwijs van de Raad in deze met de kerkenraad gehouden’. In overweging wordt genomen per brief daarvan aan de raad kennis te geven. Uiteindelijk wordt besloten dit vooralsnog niet te doen en de uitslag van de gehouden conferentie enige tijd af te wachten. Uit dit alles wordt de indruk gewekt dat bepaalde personen uit de gemeenteraad deze zaak nogal hebben opgeblazen.

Op de 10e juli 1810 overleggen de gecommitteerden ad hoc de kerkenraad een door hen geconcipieerd plan tot voorlopige administratie van de kerk met haar goederen, voorafgegaan van het een en ander over de tegenwoordige toestand van het kerkgebouw en haar middelen, zover dit uit de gedane rekening blijkt.
De kerkenraad bedankt de gecommitteerden zeer voor hun genomen moeite en besluit het stuk bij alle leden ter nadere bestudering rond te zenden en op de eerstkomende broederlijke bijeenkomst, te weten op de 23e juli daarover te handelen.

Evangelische gezangen
De invoering van de evangelische gezangen komt enkele keren aan de orde in de kerkenraad. Zo besluit de kerkenraad in januari 1807 dat de preses en een van zijn ouderlingen de kerkmeesters zullen vragen om de borden, die in beide kerken hangen voor het aanwijzen van de te zingen Psalmen, zodanig te veranderen of te vernieuwen, dat daarop ook de Evangelische gezangen vermeld kunnen worden.
Ingevolge een aanbieding van een zekere heer Allart in de Haagsche Courant ontbiedt de kerkenraad voor de behoeftigen in de gemeente vijftig exemplaren van de Evangelische gezangen. De vergadering betuigt hierover haar genoegen.

Van de Synode van Zeeland ontvangt de kerkenraad in mei 1808 een gedrukte brief waarin ze haar vreugde uitspreekt dat in de meeste gemeenten de Evangelische gezangen zijn ingevoerd. De brief vervolgt met: ‘Maar zij moet niet minder haar innige droefheid betuigen, dat in sommige Gemeenten in het tegendeel daaraan nog niets is gedaan, dat in verscheidene zelfs geen Gezangenboeken in de kerken voor handen zijn, niettegenstaande door de Classen op haar verzoek aan allen uitdrukkelijk is aangeschreven daarvoor te willen zorgen. En dat er nog een groter aantal Gemeenten gevonden wordt die er tot heden toe in de openbare Godsdienst geen dadelijk gebruik van maken. Het doet de Synode ten uiterste leed, dat men alzo niet begeert te volgen het loffelijke voorbeeld van ver het grootste gedeelte onzer Gereformeerde Gemeenten in ons Vaderland’. Het gedrukte stuk is in het actenboek opgenomen.

In de kerkenraadvergadering van de 15e juli 1809 komt opnieuw een brief van de Synode van Zeeland over de invoering van de Evangelische gezangen in bespreking. Er is weerstand in een aantal gemeenten tegen de invoering daarvan. De brief luidt als volgt:

‘De Christelijke Synode van Zeeland, gehouden te Zierikzee op 9 mei en volgende dagen, heeft besloten:

dat de predikanten verplicht zijn bij elke openbare godsdienstoefening tenminste eenmaal uit de Evangelische gezangen een lied of gedeelte daarvan af te geven en bij onwilligheid naar behoren zullen worden gecorrigeerd, desnoods in hun dienst geschorst en ontzet;
dat de voorzangers der gemeente gehouden zijn het afgegeven lied te zingen op pene van schorsing en afzetting;
dat de leden van de kerkenraad, als opzieners der gemeente dezelve in alle goede en christelijke inrichting en een goed voorbeeld behoren te geven, verplicht zijn de liederen op een even stichtelijke wijze mede te zingen als zij gewoon zijn de psalmen te zingen, zullende anders insgelijks worden geschorst of ontzet’.

Onderhoud kerkenraad met Koning Lodewijk Napoleon
In de vergadering van de kerkenraad van de 15e april 1809 wordt besloten ter gelegenheid van de op handen zijnde komst van de Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, dat Zijne Majesteit door de gehele kerkenraad zal worden begroet. Ds. J. de Kanter wordt verzocht het woord tot de Koning te voeren in de Franse taal. Dit ook uit naam van de diakenen die op hun verzoek zich bij de predikanten en ouderlingen zullen voegen.

De uitgestelde komst van Zijne Majesteit de Koning van Holland geeft de preses, ds. J. de Kanter, in de vergadering van de 30e april aanleiding voor te stellen of het niet geschikter is dat Zijne Majesteit door een commissie inplaats van door de gehele grote kerkenraad begroet wordt. Dit voorstel wordt goedgekeurd. De commissie wordt opgedragen aan de vier predikanten, de ouderlingen Ossewaarde en Mispelblom en de diakenen Van Balen en Burger.
Op de 11e mei doet de commissie tot begroeting van Zijne Majesteit bij zijn aankomst in de stad, bij monde van ds. De Kanter verslag van de hen opgedragen taak. Ze berichten ‘in substantie dat zij op een alleszins gracieuze wijze bij Zijne Majesteit gerecipieerd waren en de serieuste verzekering gekregen hadden van Hoogst desselfs ijverigen zucht voor den bloei van den Godsdienst en het gelukkig lot van desselfs Dienaren’. Het rapport wordt met dankzegging aan de gecommitteerden door de kerkenraad aangenomen.

Aankondiging bezoek Keizer Napoleon aan Hervormde kerk van Goes
Een jaar later ziet het er naar uit dat de kerkenraad de eer te beurt ook de broer van Koning Lodewijk Napoleon, Keizer Napoleon, te ontmoeten.

In een buitengewoon bij elkaar geroepen vergadering van de grote kerkenraad op de 6e van Bloeimaand (mei) 1810, waarbij alle leden aanwezig zijn, deelt de preses mee dat volgens een aanschrijving van de Prefect van het Departement aan de Raad van de stad, Zijne Majesteit de Keizer der Franschen binnenkort alhier verwacht wordt. De grote kerkenraad wordt gelast Zijne Majesteit aan de deur van de Grote kerk op te wachten.
Besloten wordt dat de Keizer, op het gehoor van het geluid van de klok, door de gehele grote kerkenraad zal worden begroet, ‘zijnde ds. De Kanter wegens zijn kunde in de Fransche taal verzogt het woord te voeren, indien tot het een en ander gelegenheid is’.

In het actenboek staat onder de 29e van Bloeimaand aangetekend: ‘Belangende de commissie van de 6e van Bloeimaand; deze heeft niet kunnen uitgevoerd worden, zijnde Zijne Majesteit den 9e dezer door deze stad gepasseerd en den 13e dito tevergeefs verwacht’.

Een maand tevoren, op de 7e april 1810, ontvangen de leraars van de onderscheidene kerkgenootschappen een brief van de Landdrost waarin gelast wordt om op de 8e van de maand God te danken voor het voltrokken huwelijk tussen Zijne Keizerlijke Majesteit Napoleon en de Aartshertogin Maria Louise van Oostenrijk en Zijn Zegen daarover af te smeken.

Verheffing Oranjehuis
Op de 24e december 1813 neemt de grote kerkenraad kennis van een brief van de provisionele burgemeester van de stad, L.J. van de Spiegel, ten geleide van een Proclamatie van Zijne Koninklijke Hoogheid de Prince van Oranje Nassau, Soeverein Vorst der Verenigde Nederlanden, van de 6e december 1813, met last om deze Proclamatie van de predikstoel aan de gemeente voor te lezen. Dit is de volgende dag, de 25e december, in de voor- en namiddagkerkdienst gebeurd.

Deze dag verneemt de kerkenraad ook dat de commissaris-generaal van Zijne Koninklijke Hoogheid in de stad gearriveerd is. Ze voelt zich terstond verplicht hem door een commissie uit haar midden ‘te complimenteren en te verzekeren van haar welmenende deelneming en vreugde over de gelukkige verheffing van Zijne Koninklijke Hoogheid tot Soeverein Vorst der Verenigde Nederlanden met hartelijke gelukwensing over dit heugelijk evenement en verdere gunstige verandering van zaken en tevens met aanbeveling der belangen van deze gemeente en van de godsdienst aan de zorg van Zijne Koninklijke Hoogheid’.
De commissie wordt bij de commissaris ‘op een alleszins gracieuze wijs ontvangen en krijgt de vriendelijkste verzekering dat zijn edele de gunstigste berichten nopens de goede gezindheden van de kerkenraad in dezen aan Zijne Koninklijke Hoogheid zou overbrengen, terwijl zijn edele tevens zich zeer gedienstig aanbood om, wanneer er bijzondere belangen vanwege de kerkenraad of gemeente aan Zijne Koninklijke Hoogheid mochten voor te dragen zijn, daartoe zijn invloed te besteden. Waarop de commissie met vriendelijke dankbetuiging voor deze gracieuze offerte aan zijn edele te kennen gaf, dat zij op geen verdere bijzonderheden gelast was’.

Het aanbod van de commissaris-generaal geeft de kerkenraad aanleiding tot een bespreking of men zich niet andermaal bij de commissaris zou vervoegen om de kwestie van de predikantstraktementen en van de verdere kerkelijke beambten aan zijn attentie aan te bevelen. De kerkenraad vertrouwt er echter op dat ook dit door de tijd weer op de oude voet zal worden gebracht. Ze vindt een dergelijke voordracht vooralsnog nodeloos, behalve ds. Lotchius die hier sterk voor voelt. Op zijn verzoek wordt hiervan een aantekening in het actenboek vermeld.

Diaconie Hervormde gemeente
De inkomsten en uitgaven over deze jaren uit de rekeningen van boekhouder Jan Boddingius blijken uit het volgende overzicht:

  Inkomsten: Uitgaven: Saldo (+/-)
1808 £ 800.11.5 £ 874.15.5  £ 74.04.0 -
1809 £ 543.01.3 £ 671.05.3  £ 127.06.0 -
1810 £ 620.04.6 £ 608.17.3  £ 11.07.3 +
1811 £ 617.19.1 £ 578.19.6  £ 38.19.6 +
1812 £ 565.02.1 £ 548.09.4  £ 16.12.9 +
1813 £ 433.12.1 £ 431.06.3  £ 2.06.7 +

De diakenen stellen begin 1810 voor een lening aan te gaan van honderd ponden Vlaams, ‘dewijl dezelve, uit hoofde van de wanbetaling van de interesten en landpachten, hun uitgaven niet konden gaande houden’. De kerkenraad bewilligt hierin.

Eind maart 1811 roept de preses de kerkenraad in een buitengewone samenkomst bijeen om te handelen over het gebeurde na de collecte ten behoeve van de diaconie op de 27e maart. Het gebeurde komt hierop neer: ‘De broeders in het diaconiekamertje teruggekomen zijnde om het gecollecteerde te tellen, was aldaar met veel haast een der boden van de heer Maire van de stad verschenen, die dezelve dagvaardde om op staande voet voor zijn wel edelgestrenge te verschijnen op het Loket der Mairie. Zonder enig uitstel hadden de broeders daaraan voldaan en een vrij gestrenge berisping van de heer Maire ondergaan, omdat zij de collecte gedaan hadden zonder alvorens daartoe zijn verlof te vragen, zijnde zulks strijdig met de wetten van het Rijk. Zullende, indien diergelijke collecten in het vervolg geschiede zonder zijn verlof, over het dus gecollecteerde door de Maire gedisponeerd worden’.
Met verwondering en aandoening wordt dit bericht door de vergadering, om meer dan een reden, vernomen. Besloten wordt deze redenen per brief, hoe eerder hoe liever, aan de Maire te berichten en daarbij de gedane collecte te verdedigen. Ds. De Kanter stelt hiervoor een concept op. Dit wordt door de grote kerkenraad op de 31e maart eenparig goedgekeurd.

In de vergadering van de kerkenraad van de 6e april komt een brief van de Maire L.J. van de Spiegel ter tafel. Deze behelst onder andere dat hij nimmer in zijn functie van Maire gedogen zal, dat er collecten in deze stad gebeuren zonder van tevoren daarvoor permissie verzocht en verkregen te hebben.

Overdracht doop-, trouw- en overlijdensboeken
Eind december 1810 ontvangt de kerkenraad een brief van de Maire van de stad, L.J. van de Spiegel. Hij vraagt daarbij om overlegging van het doopregister, waarin vermeld zijn alle geborenen van 1 januari 1791 tot en met 31 december van dat jaar. De vergadering besluit het doopregister, waarin ook de geborenen vermeld zijn, door de koster op het Stadhuis te laten bezorgen.

Op de 5e januari 1811 legt de preses een besluit van de Prefect van het Departement aan de kerkenraad voor, behelzende dat de geboorte-, trouw- en overlijdensregisters door hen, die deze tot hiertoe hebben bijgehouden, per 1 januari 1811 dienen te worden gesloten en bekrachtigd en binnen de tien eerste dagen van januari overgebracht ter Mairie op het Stadhuis. Bepaald is verder dat de registers van de burgerlijke stand voortaan alleen door de Maire en zijn adjuncten mogen worden bijgehouden. Ook is bepaald dat de kerkelijke inzegening van huwelijken voortaan niet mag geschieden zonder bewijs dat dit voor de burgerlijke overheid is gedaan. Geboorte- en sterfgevallen moeten voortaan worden aangegeven bij de Officier van de burgerlijke stand. De kerkenraad besluit dat de predikanten de doop- en trouwregisters zullen nazien en ter overgifte in gereedheid brengen.

Op de 26e januari 1811 worden door de preses aan de heer Johannes Pilaar, daartoe gemachtigd door de Maire, overgegeven de Doopregisters van 26 april 1615 tot en met 12 juni 1671; van 17 juni 1671 tot en met 25 december 1713; van 5 januari 1714 tot en met 25 december 1767; van 1 januari 1768 tot en met 30 december 1801 en van 6 januari 1802 tot en met 6 januari 1811, alsook de Trouwregisters van 20 maart 1593 tot en met 14 januari 1626; van 7 februari 1665 tot en met 21 januari 1756 en van 25 januari 1756 tot en met 9 januari 1811.

Regeling voor de eredienst
De commissie tot instandhouding van de eredienst schrijft in april 1811 een brief aan de kerkenraad over haar besluit met betrekking tot de positie van ds. J. de Kanter. Weliswaar berust de commissie in de met ds. De Kanter gemaakte schikking, ‘wiens demarche, hoe zeer dezelve thans wel gepast en weldenkend genaamd moet worden, echter de commissie leed doet, als makende een begin met haar te beroven van het college 4-tal van waardige leraren, wordende intussen de commissie daardoor opgebeurd dat de heer De Kanter zijn betrekking als predikant op de gemeente blijft behouden, ook door de hoop dat hij van tijd tot tijd zijn talenten zal besteden tot welzijn, stichting en opbouw van de gemeente en tot eer van Hem Die onze hoogste verering waardig is’.

De kerkenraad stelt op 18 november 1811 een Reglement op de inrichting en instandhouding van de openbare godsdienst en het godsdienstig onderwijs bij de Nederduits Hervormde gemeente van Goes vast. Hierin wordt bepaald dat er maar drie predikanten zullen zijn tegen een traktement van elk ƒ 1000. De twee voorlezers zullen samen genieten ƒ 150. Er zal slechts één koster zijn.
Middelen om de totale benodigde uitgaven van in totaal ƒ 3670 te vinden zullen zijn: vrijwillige giften of legaten; een verhoging van de zitplaatsengelden; bijdragen van de gemeente bij vrijwillige inschrijving; inzameling bij het aannemen van lidmaten; betaling voor kerkelijke attestaties; betaling bij het aangeven van kinderen om gedoopt te worden; collecten onder de openbare godsdienst.
De kerkenraad betoont zich in zijn vergadering van de 21e december 1811 ‘ten uiterste voldaan en verheugd over de edele pogingen van de commissie ter uitvoering van dit belangrijke en zo lang gewenst werk aangewend’. Ze bedankt ouderling Van Tilburg zeer vriendelijk voor de gegeven opening en in zijn persoon ook alle leden van de commissie voor hun ijverige welwillendheid en moeilijke werkzaamheden die ze hierin betoond hebben. Ze wenst dat dit ontwerp verder met de meeste voorspoed uitgevoerd en door de Goddelijke Zegen alleszins dienstbaar gemaakt mag worden tot instandhouding en bevordering van de openbare godsdienst in de gemeente.

De gemeente wordt op zondag de 22e december 1811 in de drie godsdienstoefeningen door het voorlezen van het hiervoor genoemde Reglement opgeroepen om op donderdag de 26e december in de kerk te verschijnen. De gemeente maakt daarvan ook in vrij aanzienlijke getale gebruik. De heer A. van Citters van ’s-Gravenpolder, als medelid van de commissie, doet een gepaste en opwekkende aanspraak aan de verschenen gemeente en leest het Provisioneel Reglement voor. Elk van de aanwezige leden van de gemeente krijgt de vrijheid zijn aanmerkingen op het stuk openlijk kenbaar te maken. Maar in het geval dat niemand zich horen laat, zal dat stilzwijgen voor toestemming en voor goedkeuring van het Reglement worden gerekend.
Het blijkt dat niemand van de aanwezigen opmerkingen heeft. De heer Van Citters concludeert daarop ‘dat het opgelezen provisioneel Reglement gehouden wordt als door de ganse gemeente goedgekeurd en aangenomen, terwijl ook dit weder met algemeen stilzwijgen beantwoord wierd’.

In januari 1813 rapporteert ouderling Van Tilburg dat de heren van de commissie tot instandhouding van de openbare eredienst om gewichtige redenen hebben besloten een bijzonder college op te richten, waarvan de leden op zich hebben genomen om bij de openbare godsdienst met een beursje rond te gaan tot inzameling van de penningen voor het in stand houden van de eredienst, wat anders door de diakenen behoort te gebeuren. Hiervoor zijn benoemd Willem de Jonge, Teunis Pieterse, Marcus Does, Johannes Machielse, Jan Ross en Antoni Juin.

De driemaandelijkse contributies voor het Fonds tot instandhouding van de openbare godsdienst worden vanaf juli 1813 opgehaald en wel door de vier oudste ouderlingen, geassisteerd door de leden van de commissie ter inzameling.

Zangcollege
Er is deze jaren sprake van een zogenaamd zangcollege.
Op de 20e maart 1807 besluit de kerkenraad het zangcollege te vragen op de Tweede Paasdag na de middag om twee uur uit de Evangelische gezangen over ‘de Opstanding van Jezus’, onder het spelen van het orgel, enige liederen ten gehore te brengen. Hieraan wordt de gemeente op de volgende zondag kennis gegeven. Ten behoeve van het zangcollege zal onder de toehoorders in de kerk een collecte worden gehouden, waarvoor de ouderlingen hun diensten aanbieden. De scriba bedankt het zangcollege uit naam van de kerkenraad voor haar uitvoering. Voor het college is gecollecteerd £ 2.8.10.

Het zangcollege geeft in oktober 1807 te kennen dat ze weldra haar werkzaamheden ‘zonder het bestier van een musicant zal kunnen voortzetten en daarom de bijdrage uit het daartoe verzameld fonds tot dat einde niet meer zal behoeven’. De kerkenraad constateert dat de middelen in het fonds nog toereikend zijn voor drie maanden. Deze zullen nog aan het zangcollege worden uitgereikt. Verder zal het zangcollege vriendelijk worden aangezocht ‘om ter voorlichting en bestier van de gemeente het openbaar gezang, vooral in de woensdagavondgodsdienst, door hun gemeenschappelijk gezang te willen versterken’.
Voortaan zal ook ‘op elke tweede feestdag des namiddags in de Grote kerk een openbaar godsdienstig gezang, toepasselijk op de bijzondere tijdsomstandigheden, worden gehouden en aan hetzelve een gepaste richting worden gegeven met het doen van een aanspraak of redevoering door een van de predikanten, bij minnelijke schikking waar te nemen, zodanig evenwel, dat de predikanten aan zich de vrijheid behouden om dit werk te staken, in geval het op den duur aan het oogmerk niet mocht voldoen’. De bij die gelegenheid gecollecteerde penningen zullen voor de ene helft aan de diaconie worden uitgereikt en voor de andere helft besteed worden tot dekking van de onkosten.

Relatie met andere kerkelijke gezindten
Op de 13e april 1811 ontvangt de kerkenraad een brief in de Franse taal van de onderprefect van het arrondissement Goes. Daarin wordt kennis gegeven ‘dat de Pastoor, de bestuurders en enige andere leden van de rooms-katholieke gemeente hun begeerte geuit hebben, dat het gedeelte van de Grote Kerk, hetwelk niet voor onze eredienst gebruikt wordt, hun worde afgestaan, teneinde ingericht te worden voor de Roomsche eredienst’. De rooms-katholieke gemeente wil zich belasten met het maken van een behoorlijke afscheiding en voor haar gebruik de ingang behouden die recht tegenover haar kerkgebouw gevonden wordt.
Besloten wordt ds. De Kanter vriendelijk te verzoeken een conceptantwoord, voornamelijk uit de overeenkomst tussen de Hervormde en Rooms-katholieke gemeenten gesloten op 16 mei 1809, in het Frans te formeren en aan een volgende vergadering voor te leggen. De kerkenraad besluit de brief vast te stellen tijdens een vriendelijke bijeenkomst ten huize van ouderling Sandee.

De opzieners van de Lutherse gemeente doen de preses van de Hervormde kerkenraad in mei 1813 het verzoek dat de dankpredikatie op het bij die gemeente binnenkort te vieren Heilig Avondmaal in de Grote kerk des namiddags na de geëindigde godsdienstoefening door hun gemeente mag worden gehouden. De reden is dat het kerkgebouw, dat thans bij de Lutherse gemeente in gebruik is, te bekrompen is voor de menigte toehoorders die bij dergelijke gelegenheden gewoon zijn toe te vloeien. De meerderheid van de kerkenraad besluit dit aan de Lutherse gemeente toe te staan. Het wordt aan de discretie van de Lutherse gemeente overgelaten om een passend aandeel van de bij die gelegenheid gecollecteerde penningen aan de diaconie armen van de Hervormde gemeente uit te reiken en tevens om de koster voor zijn moeite een vergoeding te verlenen.

Bureau van Weldadigheid
De kerkenraad ontvangt in maart 1812 een brief van het Bureau van Weldadigheid van de stad Goes aan de bestuurders van de armen van de Hervormde kerk. Deze bevat een kennisgeving dat ze nodig hebben bekend te zijn met de eigendommen en hulpmiddelen, die bepaald zijn of dienen kunnen tot ondersteuning van behoeftigen. Ze verzoeken hen binnen de kortste tijd toe te zenden een staat van de gesteldheid van de armengoederen. De gegevens moeten worden overlegd aan een commissie van leden die daartoe benoemd zijn, met name de heren Lammens, Beaulieu en Dominicus.
De vergadering besluit deze zaak in handen van een commissie te stellen, bestaande uit de preses en scriba, de broeders Van Tilburg, Boddingius als boekhouder en Breker en daarover na overleg met een kundig rechtsgeleerde te adviseren. De commissie raadpleegt de advocaat mr. De Wit Hamer. Deze is van oordeel dat de diaconiegoederen een bijzonder eigendom van de Hervormde gemeente zijn en derhalve niet in de termen vallen om onder de administratie van het Bureau van Weldadigheid te moeten worden gebracht. De kerkenraad stemt in met het door de commissie opgestelde conceptantwoord.
Hoewel eerst geweigerd, besluit de kerkenraad in april 1812 het herhaalde verzoek van het Bureau van Weldadigheid in te willigen. De boekhouder wordt opgedragen om met spoed een staat van de gesteldheid van de armengoederen op te maken.

Waalse gemeente

In maart 1807 rapporteren de afgevaardigden van het Stadsbestuur naar het Collegium Qualificatum van de Waalse gemeente, La Motthe en Van de Spiegel, dat J. Glaser te Harderwijk is beroepen tot voorlezer, voorzanger en schoolmeester bij de Waalse gemeente. Hij neemt dit beroep aan. Voor zijn overkomst ontvangt hij een som van ƒ 52 in het vertrouwen dat door de Waalse kerk een gelijke toelage zal worden verleend.

Rooms-katholieke gemeente

In november 1808 dienen de gecommitteerde kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente twee verzoeken in bij de Kwartierdrost. Het ene betreft een verzoek om in het bezit te worden gesteld van hun aandeel in de publieke kerken, pastoriehuizen, fondsen en dergelijke. Het andere betreft de vraag van de rooms-katholieke armbestuurders om voor hun armwezen in het bezit te worden gesteld van het armenhuis, fondsen en dergelijke binnen de stad.

Er komt in februari 1809 informatie bij het Stadsbestuur binnen dat de armmeesters van de rooms-katholieke gemeente zich niet hebben ontzien een zeker persoon, die door hen gealimenteerd wordt en ziek is, ‘op de publieke straat te zetten, teneinde daarvan ontslagen te worden’. Deze persoon is in het Gasthuis opgenomen en inmiddels overleden. Over deze handelwijze wordt een klacht ingediend bij de Landdrost van Zeeland met het verzoek ‘om desselfs voorziening tegen zodanige, de mensheid onterende handelwijze’.

De gecommitteerden om schikkingen te maken met de kerk- en armmeesters van de rooms-katholieke gemeente rapporteren in mei 1809 dat ze tevergeefs hebben getracht daarover met het bestuur van de rooms-katholieke gemeente te accorderen, aangezien de bestuurders onderling daarover van mening verschillen. Het Stadsbestuur besluit daarop het aanbod schriftelijk te doen en daarover het antwoord van het bestuur in te wachten.
Niettemin kan op de 16e mei 1809 met de rooms-katholieke gemeente een schikking worden getroffen over de overgang van het gebouw van de Kleine of Gasthuiskerk naar de rooms-katholieke gemeente. Over de wezen is een schikking gemaakt dat het Stadsbestuur jaarlijks achthonderd gulden uit de goederen van het weeshuis zal overmaken aan de rooms-katholieke armen.
Het Stadsbestuur besluit op de 20e mei dat vanaf heden niet meer in de Kleine of Gasthuiskerk voor de Hervormden zal worden gepredikt, maar dat gedurende de vier zomermaanden een ochtendgodsdienstoefening zal worden gehouden in de Grote kerk die aanvangt om zeven uur.

In juni 1809 zijn er onenigheden tussen pastoor F. Stook en de kerk- en armmeesters van de rooms-katholieke gemeente. Pastoor Stook uit zijn klachten bij de Landdrost over de behandeling die hem door het kerk- en armbestuur is aangedaan. Hij verzoekt de Landdrost maatregelen te nemen om schade en verwarring voor de gemeente te voorkomen. De Landdrost verzoekt het Stadsbestuur te trachten de kwestie zo mogelijk in der minne te bemiddelen. Besloten wordt deze kwestie in handen te stellen van de leden van de raad Van de Spiegel en Soetebier en de secretaris om de pastoor en de kerk- en armmeesters te horen en zo mogelijk te verenigen.

Ook is er in september 1809 onenigheid tussen de armmeesters van de rooms-katholieke gemeente en de regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis. De armmeesters beklagen zich over het gedrag van de regenten in hun functie van wijkmeester. Het Stadsbestuur geeft hierover commentaar aan de Landdrost.

Van de 2e juni 1813 dateert een proces-verbaal van de deliberaties van de ‘Conseil Municipal over la reconstruction de l’Eglise Catholique’. Dit naar aanleiding van ‘la petition de M M le Cure et Marquelliers de l’Eglise Catholique de Goes, tendante a aotenier l’appui du conseil sur les plans de la reconstructions d’une nouvelle Eglise, sur le terrein et proprieté de la dite Eglise, joints a cette Petition.....’

Mennonieten gemeente

Over de Mennonieten gemeente, gevestigd aan de Korte Vorststraat, vernemen we deze jaren niets. Wel wordt op de 30e december 1809 bij Koninklijk Decreet bepaald waarop die van de Mennonieten gemeente zullen worden vrijgesteld van de militaire en burgerlijke wapendienst.

Israëlitische gemeente

Er is deze jaren nog geen Israëlitische gemeente in Goes. Op de 6e mei 1809 komt er een Koninklijk Decreet over de maatregelen ‘om de staat van vernedering en armoede, waarin zich het gros der Israëlieten binnen het Rijk bevindt, te doen ophouden’ en ‘om tegen het inkomen van zodanige vreemden, die geen middelen van bestaan hebben en ten laste van de armen zouden vervallen, te waken’. Het Stadsbestuur neemt het Decreet voor kennisgeving aan.