Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onder Franse en Engelse overheersing (1807 - 1813)

Garnizoen in de stad

Op de 9e april 1807 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de luitenant-generaal Van Guericke, commandeur van de Koninklijke Ridderorde van Holland en commanderende de tweede militaire divisie. Het heeft Zijne Majesteit Koning Lodewijk Napoleon behaagd hem te gelasten zijn hoofdkwartier in de stad Goes te vestigen. Daarom zal hij op heden met zijn staf binnen Goes arriveren. Het gemeentebestuur besluit de nodige maatregelen te treffen tot het logement van de verwachte officieren. De kazernes voor het logement van de troepen worden zoveel mogelijk in orde gebracht. Luitenant-generaal Van Guericke zal bij zijn aankomst door een commissie uit de gemeenteraad worden verwelkomd en gecomplimenteerd.

Op de 11e april geeft de president de vergadering kennis dat luitenant-generaal Van Guericke eergisteren binnen de stad is gearriveerd. Hij heeft zijn opwachting bij hem gemaakt en hem in gepaste termen gecomplimenteerd. De gemeenteraad delibereert over het verlangen van de luitenant-generaal om gelegenheid te krijgen tot het huren van een geschikte woning gedurende zijn verblijf in de stad. Besloten wordt de heer C. Dominicus voor te stellen om zijn huis voor de inwoning van de luitenant-generaal te verhuren.

De gemeenteraad besluit op de 20e juni 1807 de pachter van de stads stoofweide een billijke afslag op de pachtprijs voor deze weide te accorderen vanwege de schade die door de exercities van militairen en gewapende burgers op deze weide is veroorzaakt.

In januari 1808 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de kolonelkwartiermeester generaal Gradmann te Middelburg. Deze bevat een aankondiging over de aanvang van de kazernering van de troepen voor stadsrekening. Eerstdaags zal er een order komen over de overdracht aan de stad van de kazernefournituren die in de stad voorhanden zijn.

Ernstige dreiging van fortificatie en inundatie

Op de 3e juni 1807 roept president Ossewaarde de gemeenteraad in buitengewone zitting bijeen. Hem zijn ter ore gekomen ‘de al sedert enige dagen lopende geruchten van zeker project tot het stellen van de stad in staat van defensie, het aanleggen van vestingwerken aan dezelve en het formeren van inundaties in de omtrek. Door sommige omstandigheden, zoals onder andere het doen van inspecties op en rond de stadswallen, op laatstleden zondag door enige officieren en het vragen van enige informaties door de commanderende generaal aan de stadsfabriek omtrent de mogelijkheid om zout water in de vesten te brengen, beginnen tenminste enige schijn te verkrijgen die zouden kunnen doen vermoeden dat dezelve niet van alle grond zijn ontbloot. Hij acht deze zaak van het hoogste belang voor deze stad en daarom is het hem voorgekomen dat het deze vergadering niet onverschillig kan zijn om omtrent dezelve nadere informaties te verkrijgen, teneinde dien overeenkomstig te kunnen te werk te gaan. En zulks nuttig oordelende zodanige demarches te doen welke haar buiten verantwoording zouden kunnen stellen omtrent de zeer heilloze gevolgen welke uit de werkelijke exercitie van dusdanig project ongetwijfeld voor de burgerij zouden moeten resulteren’. Hij stelt voor een commissie in te stellen om zich te vervoegen bij de commanderende generaal in de stad. Deze commissie zou de generaal op gepaste wijze kunnen voordragen het hoge belang dat er voor de raad in gelegen ligt om te weten of er inderdaad enig project tot fortificatie van deze stad en het inunderen van landen in haar omtrek bestaat. De generaal dient te worden verzocht hierover enige opening van zaken te geven, opdat de raad in de gelegenheid zal zijn om middelen te beramen, die zij ten beste van haar inwoners in het werk kan stellen.

Eenparig besluit de gemeenteraad president Ossewaarde en raadslid Van Kleinputte met de secretaris aan te wijzen voor het afleggen van deze commissie. De drie afgevaardigden van de gemeenteraad kwijten zich onmiddellijk van deze opdracht. Ze rapporteren dat de commanderende generaal Van Guericke, ‘ofschoon in het algemeen gezegd hebbende dat, zo er enige plannen tot versterking van deze stad mochten zijn, zulks een militaire operatie zou wezen, waaromtrent het hem niet geoorloofd is enige informaties te geven. Echter zich in zo verre hadde geëxpliceerd dat de situatie van dit eiland vordert, dat er op hetzelve een vast punt van retraite ingeval van vijandelijke invasie gevonden wordt. Dat het mogelijk zou zijn dat zodanig punt in deze stad gekozen wierd, doch dat zowel de nadelen als voordelen daarvan aan de Minister van Oorlog zijn opgegeven zonder wiens last niets van dien aard kan worden geëxecuteerd. Dat er voor dit moment nog geen redenen zijn om te geloven dat zulks zal plaats hebben, doch dat, zo er iets daaromtrent bij vervolg mogt gebeuren, hij niet zal nalaten de raad er van te informeren en met dezelve te overleggen welke mesures in zodanige omstandigheden ten beste der burgerij, immers tot desselfs minste nadeel, zouden kunnen worden aangewend’.

De gemeenteraad hoort het rapport van de commissie aan en bedankt hen voor hun genomen moeite. Overwogen wordt ‘dat, alhoewel het antwoord van generaal Van Guericke voor dit ogenblik enigszins geruststellend schijnt te zijn, echter daaruit zou moeten worden geconcludeerd dat de lopende geruchten niet geheel zonder enige grond zijn en dat er ten allerminste gedachten schijnen te worden gemaakt over de geschiktheid om deze stad in staat van verdediging te brengen. Het komt de raad dan ook niet ongepast voor daarover representaties te doen en de gevaarlijke gevolgen die bij de eventuele exercitie van zodanig plan deze stad zouden treffen, onder het oog te brengen van diegenen welke hetzelve plan zullen moeten beoordelen, teneinde alzo deze raad zich voor het vervolg buiten verantwoording te stellen van die middelen ten beste der burgerij te hebben aangewend welke in desselfs macht zijn’.
Besloten wordt met de meeste spoed aan de Minister van Oorlog een brief te sturen met, samengevat, de volgende inhoud:

  • We zijn verontrust door de geruchten welke zich meer en meer verspreiden, door de inspecties die wij zien nemen op de situatie van de stad en haar omtrek en ook uit de informaties die van onze geëmployeerden bij de stadswerken zijn ingenomen, bevestigd wordende in de gedachten dat het plan om deze stad te versterken en inundaties in haar nabijheid te formeren niet geheel een chimère (hersenschim) is, zal het voorzeker uwe excellentie niet kunnen bevreemden dat wij over een zaak, waarin wij zo zeer geïnteresseerd zijn, ons dadelijk tot dezelve wenden.
  • We brengen onze gevoelens van diepe smart kenbaar dat een zodanig plan eens zou kunnen worden gerealiseerd. En hoewel wij aan de ene kant ons alle opofferingen voor de dienst van Zijne Majesteit en het vaderland ons willen getroosten, rust aan de andere kant op ons de verplichting om voor de belangen van onze ingezetenen te waken. We zouden verachting van onze Koning verdienen zo wij in dit opzicht van enig verzuim zouden kunnen worden beschuldigd.
  • Het is onze zaak niet de noodzakelijkheid om deze stad tot een vesting te maken te beoordelen, hoe zeer ook in ons oog de volstrekte onmogelijkheid om een vrije communicatie over water steeds open te houden en al het weinige nut dat daarvan te wachten is, enigszins zou kunnen aantonen. Het is even weinig onze zaak om over het te verwachten effect van een inundatie in de omtrek van deze stad onze gedachten te zeggen, ofschoon de onbetwistbare zekerheid dat de vijand, meester van het eiland zijnde, ook sluizen in zijn macht zal hebben om het water grotendeels te kunnen aftappen, naar onze mening daarvan geen grote vruchten beloofd.
  • Maar het staat ons vrij om aan de attentie van Uwe Excellentie te brengen de immense schade en verliezen die met de executie van het een en ander moet gepaard gaan en Uwe Excellentie te smeken dat daar op het verdiende acht moge worden geslagen.
  • Trouwens, veel meer dan een eeuw is verlopen sinds er enige de minste gedachte zoude opkomen om deze stad te defenderen en derhalve is alles verdwenen wat enigszins tot zodanige defensie zou kunnen dienstbaar zijn. De wallen en ravelijnen zijn met gebouwen bezet en fabrieken op dezelve aangelegd. De vesten op vele plaatsen geheel verlopen en gedempt, bruggen geamoveerd, aarden dammen in de plaats gelegd en voorts geen fractie is overgebleven die kunnen doen zien dat eens onze stad voor een reguliere defensie vatbaar zoude geweest zijn. Daarentegen is alles in de omtrek bebouwd en aan de zuidzijde een voorstad aangelegd die buiten tegenspraak als het welvarendste gedeelte van deze stad moet worden aangemerkt.
  • Wij ijzen bij de gedachte dat dit alles ter vernieling zou moeten worden gedoemd. Dat fabrieken die onze zenuw van bestaan zijn, zouden moeten worden gesloopt en daardoor onze ingezetenen, die al geen huis en erve verloren, even wel geruïneerd zouden worden. Dat met één woord, daar waar wij ons verheugen enige welvaart te kunnen aankweken, verwoesting en ruines de plaats zouden innemen.
  • Onmogelijk is het voorzeker de schade te berekenen welke zou worden veroorzaakt, maar het zal genoegzaam zijn Uw Excellentie te zeggen dat tenminste twee honderd huizen zeer nabij in de omtrek van deze stad gevonden worden die bij het aanleggen van vestingwerken de vernieling dreigen. Dat voorts iedere morgen land, wat zich in de omtrek van de stad en tegen de stadsvesten bevindt, niet minder als van duizend tot vijftien honderd gulden meerder waarde heeft, zodat die schade al op miljoenen kan worden berekend.
  • Bij inundatie zullen er tegelijk twaalf duizend morgen vruchtbare landerijen moeten worden bedorven.
  • Wij bidden Uwe excellentie dat dit alles naar waarde moge worden beoordeeld, dat, welk project van versterking en inundatie deze stad en haar omtrek aan Uw Excellentie moge worden aangeboden, ook in aanmerking moge worden genomen de heilloze gevolgen welke deze haar ingezetenen en de opgezetenen van het platteland bij de uitvoering van zodanig plan bedreigen.
  • Wij smeken Uw Excellentie ons daaromtrent enigszins gerust te stellen.

Een kopie van deze brief wordt aan de Landdrost gezonden. Zijn invloed wordt ingeroepen om de uitvoering van de plannen te voorkomen.

Op de 13e juni 1807 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Minister van Oorlog. Hij geeft daarbij kennis ‘dat het nimmer de intentie van Zijne Majesteit is geweest, en nog niet is, om de Stad Goes te versterken of enige vestingwerken om dezelve aan te leggen, dewelke tot enige defensie zouden moeten dienen. Veel min dan ook om deze zo ruïneuze inundatie daar te stellen als bij de missive van de raad wordt bedoeld. Zijnde de wil van Zijne Majesteit alleen, dat onderzocht worde waar een geschikte plaats op dit eiland is teneinde aldaar een geretrancheerd camp aan te leggen alwaar de troepen en artillerie die successievelijk ter defensie van de rechteroever der Schelde zullen arriveren, veilig kunnen camperen en welk veldwerk (indien het zelve zijn beslag al mocht erlangen) niet anders dan als een passage werk moet worden beschouwd, om na de vrede wederom te worden geslecht’.

De gemeenteraad neemt deze brief, ‘als bevattende alleszins voldoende en geruststellende inlichtingen over deze zaak’, voor informatie aan en besluit daarin te berusten.

Vrede tussen Frankrijk, Rusland en Pruisen

Er komt op de 1e augustus 1807 een lastbrief binnen van de Minister van Binnenlandse zaken, ingevolge de intentie van Zijne Majesteit de Koning, ‘om op de meest plechtige wijze door het doen van opzettelijke dankzeggingen en het zingen van een Te Deum of andere lofzangen op zondag de 2e augustus des voormiddags de verschuldigde hulde aan het Opperwezen ter gelegenheid van de onlangs gesloten vrede openlijk te doen plaats hebben onder afsmeking van de Zegen des Allerhoogsten voor de algemene vrede en voor de welstand van dit land en desselfs Doorluchtigen Koning’.

Vertrek luitenant-generaal Van Guericke

Op de 3e oktober 1807 geeft luitenant-generaal Van Guericke kennis van zijn vertrek en de verplaatsing van zijn hoofdkwartier naar Bergen op Zoom. Hij bedankt de gemeenteraad voor de bewijzen van vriendschap die hij gedurende zijn verblijf binnen de stad heeft genoten. In zijn plaats wordt het commando over de troepen binnen de stad en het eiland aanvaard door de brigadegeneraal Pitcairn. Deze verzoekt om een geschikt logement. De gemeenteraad besluit hierin van stadswege te voorzien. Voor dit doel kan worden gehuurd het woonhuis in de Korte Kerkstraat, eigendom van ds. J.A. Bevier van de Waalse gemeente. De stadsdirecteuren krijgen opdracht dit pand geschikt te maken voor bewoning.

Kazernering troepen

Eind december 1807 besluit de gemeenteraad J.L. Langguth, die tot nu toe is belast met de directie over de kazernering van ’s lands wege, in dienst van de stad te nemen om daarmee bij voortduur te blijven belasten.

Verder oordeelt het gemeentebestuur het wenselijk om, na gedaan onderzoek naar de staat van de kazernes in de stad en het aantal fournituren, maatregelen te nemen voor het in orde brengen hiervan. De secretaris zal daarover corresponderen met de kwartiermeester-generaal Gradman en met deze overleggen over de overname van kazernefournituren.

In maart 1808 komt er een aanschrijving van de Landdrost. Daarbij wordt gelast om, voorzover enige troepen van de uit Duitsland naar het vaderland terugkerende armee in de stad Goes mochten doortrekken, nachtverblijf houden of in garnizoen komen, deze op de meest welgemanierde wijze, zo door het luiden van de klokken, het uitsteken van vlaggen en andere festiviteiten als door het geven van alle verversingen, te ontvangen.
Of deze troepen ook gearriveerd zijn blijkt niet!

De Minister van Oorlog antwoordt in april 1808 op het verzoek van de gemeenteraad dat de verrekening van het bedrag van ƒ 7.873,16, dat de stad aan den Lande verschuldigd is wegens de overname van kazernefournituren, zal geschieden door de inhouding van slechts een vijfde van de opeenvolgend in te zenden declaraties voor logies van de troepen.

De commanderende officier verzoekt in december 1808 om enige veranderingen aan te brengen in de kazernes. Bij de tegenwoordige strenge koude kan daarin niet behoorlijk worden gestookt. Het gemeentebestuur wijst dit verzoek echter af.

Zeeuws legioen

Het Departementaal Bestuur van Zeeland wekt in mei 1807 de gemeenteraad op het krachtigst op, door alle middelen die in zijn macht zijn, de werving voor het Zeeuwse legioen te begunstigen. De raad doet dat en looft een premie van stadswege uit van drie Zeeuwse rijksdaalders voor elke ingezetene die in het legioen zal worden aangenomen.

In januari 1808 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gedeputeerden uit het Departementaal Bestuur. Daarin wordt kennis gegeven van het door Zijne Majesteit de Koning genomen besluit tot de oprichting van een Zeeuwsch Legioen. Dit wordt samengesteld uit ingezetenen van Zeeland en is bestemd om in dit departement op den duur garnizoen te houden. Een ieder wordt uitgenodigd om in een van de corpsen van het legioen dienst te nemen. De stadsbesturen worden opgeroepen om de aanmelding voor dit legioen op alle mogelijke wijzen te bevorderen en de ingezetenen in de gelegenheid te stellen zich voor dat legioen aan te melden.

Logement voor de kapitein

Op de 26e maart 1808 ontvangt de gemeenteraad een brief van de kapitein, commanderende de troepen in de stad. Zijn verzoek is of de raad hem behulpzaam wil zijn om een behoorlijk logement te bekomen en verder om te worden voorzien van een staat van de kwartieren van de stad. Besloten wordt op de best mogelijke wijze in het logement van de kapitein commandant te voorzien. De stadsdirecteuren worden verzocht hiervoor het nodige aan te wenden. Hem wordt het huis, dat door de Franse kostschoolhouder in de stad is bewoond, beschikbaar gesteld. Dit huis zal desnoods voor een gedeelte worden gemeubileerd.

Op de 8e april 1809 deelt de president de gemeenteraad mee opgewacht te zijn door de kapitein Radijs van Sickinga, die tot nu toe de troepen in de stad heeft gecommandeerd. Deze gaf hem kennis van de overdracht van het commando aan de heer De Ranitz.

Aankomst generaal-majoor Vicherij

Op de 28e mei 1808 geeft de president de gemeenteraad kennis van de aankomst van generaal- majoor Vicherij. Deze heeft het commando over een aantal troepen, dat zich thans binnen de stad en het eiland bevindt, op zich genomen. Hij heeft de generaal-majoor direct na zijn aankomst namens de raad opgewacht en gecomplimenteerd. De gemeenteraad besluit op de best mogelijke wijze in het logement van generaal Vicherij te voorzien. Voor dit doel is met dokter J. Dyserinck Dekker overeen gekomen om geschikte en voldoende vertrekken van zijn huis in te ruimen.

Al een enkele dag later, op de 30e mei, ontvangt de gemeenteraad een brief van generaal-majoor Vicherij, ‘eerste aide de Camps des Konings, gouverneur van de residentie, commandant van de op het eiland gestationeerde troepen’. Daarin geeft de generaal kennis dat het de wil van Zijne Majesteit is dat de troepen in hun logementen goed worden behandeld en niets verzuimd wordt dat tot behoud van hun gezondheid kan strekken. Ze moeten daarom van droge legplaatsen worden voorzien. Er dient hen geen spek gegeven te worden, als zijnde dit voedsel aan de troepen verboden. Het water voor de manschappen moet worden gekookt. Hen mag geen ander dan dit gekookte water worden voorgezet. De generaal verzoek het gemeentebestuur zich te gedragen naar deze voorschriften.

Op de 25e juni 1808 vaardigt generaal-majoor Vicherij voorschriften uit voor het detachement huzaren dat in de stad bij het hoofdkwartier wordt ingezet. Hiervoor dient een kazerne in gereedheid te worden gebracht om zodoende de burgerij van de inkwartiering daarvan te ontlasten. De president antwoordt hierop dat daaraan al voldaan is en de huzaren al gekazerneerd zijn.
Overigens vertrekt dit detachement al spoedig. Op de 20e augustus 1808 komt bericht van generaal Carteret dat order is gegeven voor het vertrek van het corps jagers en huzaren, die zich in het eiland bevinden, naar Bergen op Zoom. Voor het overvoeren van deze troepen zullen de nodige schepen worden geprest.

Militaire hospitalen

De inspecteur van de militaire hospitalen maakt begin augustus 1808 verscheidene opmerkingen over de inrichting van de hospitalen en de fournituren daarvan. Hij verzoekt van stadswege voor de hospitalen aan te maken honderd stuks eenmans kribben en fournituren. De president antwoordt hierop dat dit onmogelijk is voor de stad. Dit wordt voorgelegd aan de Minister van Oorlog. Evenwel wordt verzocht met het laten aanmaken van veertig kribben en fournituren te volstaan. De gemeenteraad besluit voor veertig kribben te zorgen.
De Minister van Oorlog antwoordt daarop dat hij genoegen neemt met het doen aanmaken van veertig eenmanskribben en fournituren, omdat die voldoende zijn voor een garnizoen van vierhonderd man. Besloten wordt het in orde brengen van deze kribben en fournituren nu zo spoedig als doenlijk is te realiseren.

Dreigende invasie door Engelse troepen

Op de 10e juni 1809 komt er nog een aanschrijving tot het uitschrijven ‘van een dankdag voor de voorspoed van de wapenen van Frankrijk en desselfs geallieerden’. Maar op de 30e juli zet een Brits expeditieleger van 38.000 man onder commando van Lord Chatham voet aan wal op Walcheren. Ze ontmoeten weinig tegenstand en kunnen in de overrompelende eerste twee weken van augustus Veere en Middelburg bezetten, evenals op Zuid-Beveland fort Bath.


Op de 29e van Hooimaand (juli) 1809 komt de gemeenteraad in buitengewone zitting bijeen. Aanwezig zijn de heren Ossewaarde, president, Slabber, Stokmans en Van der Hagen.
Er zijn ‘ingekomen tijdingen dat er alleszins vrees is, dat de voor de wal zijnde Engelse vloot een ontscheping van troepen zal effectueren’. Besloten wordt bij een publicatie welke op staande voet is vastgesteld, dit ter kennis van de burgerij te brengen met gepaste aanmaning tot behoud van de rust. Uit dat oogpunt wordt ook besloten de gewapende burgerij dadelijk de wacht te laten betrekken.

Op zondag de 30e van Hooimaand (juli) komt er een brief van de Landdrost. De brief bevat een last en aanschrijving ‘om hem nauwkeurig bericht te doen of en zo ja, welke ondernemingen door de vijanden tegen dit eiland zijn volbracht, evenals welke positie dezelve heeft als ook om met dit bericht dagelijks voort te gaan en hierover met de gemeentebesturen van de dorpen langs de kusten van het eiland te corresponderen’.
De Landdrost wordt bericht dat op heden, zoveel bekend is, geen ondernemingen op dit eiland hebben plaats gehad.
Ook op maandag de 31e komt er een verzoek van de Landdrost om geïnformeerd te worden over de tegenwoordige stand van zaken in het eiland en of de correspondentie met Tholen nog open is.

Op maandag de 31e van Hooimaand ontvangt het gemeentebestuur een brief van de luitenant-generaal Bruce, commanderende de troepen in Zeeland, geschreven in de Noord Craaiert. De brief behelst een aankondiging dat hij met enig gevolg in dit eiland zijnde gearriveerd, hij zijn hoofdkwartier te Borssele zal vestigen. Er moet gezorgd worden voor de vivres (levensmiddelen) voor tweehonderd manschappen te Baarland en Borssele.
Besloten wordt aan dit verzoek te voldoen.

Op dinsdag de 1e augustus is er ’s middags om twee uur een bericht dat, volgens ingekomen tijdingen en observaties op de torens, de Engelse troepen tussen Kattendijke en Wemeldinge ontschepen en zich naar de stad begeven. Besloten wordt zoveel mogelijk voor het welzijn van de ingezetenen van de stad te zorgen. Er wordt een commissie ingesteld om zich buiten de stad te begeven, de opmarcherende troepen tegemoet te gaan en te trachten in onderhandeling met de commanderende officier te komen. De commissie moet proberen zodanige gunstige voorwaarden voor het bereiken van het gedachte oogmerk te bedingen als enigszins zal kunnen geschieden. De commissie bestaat uit de heren Ossewaarde (president), Soetebier, Van der Hagen, de secretaris en de baljuw Willem van Citters.
Aan de ingezetenen wordt kennisgeving gegeven van de verwachte troepen.

Na terugkeer rapporteert de commissie dat ze zich buiten de stad hebben begeven, daar de opmarcherende troepen hebben ontmoet en bij de generaal John Hope, zijnde aangemeld, hun last hebben voorgedragen. Ze hebben in hoofdzaak voorgesteld:

  • dat bij de inmars en het verblijf van de troepen binnen de stad de personen en goederen van de ingezetenen de volkomenste veiligheid mag verzekerd worden;
  • dat de stad zoveel mogelijk van inlegering verschoond en de troepen gekazerneerd mogen worden;
  • dat de gewapende burgers, die thans de wacht betrekken, ongehinderd hun functies blijven waarnemen totdat zij zullen zijn vervangen.

Generaal Hope beantwoordde dit met de verzekering dat aan deze voorstellen zal worden voldaan en men daarover de meest volkomen gerustheid kan hebben. De commissie heeft gemeend daarin te moeten berusten. De gemeenteraad neemt hiermee genoegen.

Tijdens de vergadering van de gemeenteraad op deze 1e augustus verschijnt de gedeputeerde van de Commissaris-generaal van het Groot Brittannische leger, de Graaf van Chattam. Hij legt een vordering van verscheidene levensmiddelen en fourages voor, die door de stad aan het Groot Brittannische leger verstrekt dienen te worden. Besloten wordt hieraan zoveel mogelijk te voldoen en hiervoor de nodige regelingen met de broodbakkers te maken. Voor de regeling hiervan wordt gemachtigd de griffier J.C. Crucque met assistentie van Joseph Jongen.

Op donderdag de 3e augustus 1809 komt de gemeenteraad opnieuw bijeen. Aanwezig zijn de heren Ossewaarde, president, La Motthe, Slabber, Van der Hagen, Stokmans, Van Kleijnputte en Soetebier.
De raad overweegt dat tot heden de grootste onzekerheid in de stad heerst over de situatie op Walcheren. In het bijzonder betreft dit de vraag of het bestuur van dit departement nog in autoriteit is, of de orders van dit bestuur behoren te worden uitgevoerd, of dit bestuur in overweging moet nemen zijn functies te moeten vervolgen en meer andere zaken die uit de tegenwoordige omstandigheden voortvloeien.
Besloten wordt alle mogelijk pogingen aan te wenden om een commissie naar Middelburg te laten vertrekken. Voor dit doel worden aangewezen president Ossewaarde, raadslid Soetebier en secretaris Ossewaarde. Allereerst moeten ze bij de generaal, in de stad commanderende, de vereiste verzoeken doen om een vrijgeleide naar Middelburg te krijgen voor een commissie uit de raad om zodanige orders en informatie te verkrijgen als in de tegenwoordige ogenblikken enigszins van nut zou kunnen zijn.

Op zondag de 6e augustus komt de gemeenteraad opnieuw bijeen. De commissie uit de raad is gisteravond teruggekeerd uit Middelburg en doet verslag van hun afgelegd bezoek aan Middelburg. Ze overleggen een beschikking van de Landdrost over de tegenwoordige omstandigheden. De Landdrost geeft te kennen dat de departementale administratie van Zeeland voorlopig op de vorige voet haar werkzaamheden blijft voortzetten. Hij verzoekt zoveel mogelijk aan de vorderingen van de Engelse troepen te voldoen. Het Stadsbestuur zal voorlopig haar functies blijven uitoefenen.

Leveranties aan de Engelse troepen

Op woensdag de 9e van Oogstmaand (augustus) blijkt dat de gedane leveranties aan de Groot Brittannische troepen al een som bedragen van ƒ 12.000. De daarvan opgestelde rekening wordt toegezonden aan de Landdrost van Zeeland met het verzoek de betaling daarvan zo spoedig mogelijk te doen.

Deze 9e augustus komt er ook een brief van de Commissaris-generaal Lotgens over de dagelijkse leverantie van 900 ponden brood en 700 stopen genever. Besloten wordt de commissaris de bezwaren tegen de leverantie op te geven. Het maken van voldoende goed brood zal zoveel mogelijk worden bevorderd.
Toch gaat dit niet zonder slag of stoot. Op het nader betoog van de commissaris Lotgens over het voldoen aan de vordering van brood bespreekt het gemeentebestuur deze zaak opnieuw. Er wordt geklaagd over de slechte betaling voor de leveringen. De bakkers zijn onvermogend om bij het ontbreken van betaling enig brood te leveren. Als er niet betaald wordt is het ondoenlijk voor de bakkers om met de leveranties voort te gaan. Voor de stad zouden hieruit de schromelijkste gevolgen ontstaan. Besloten wordt hiervan kennis te geven aan de commissaris.

Op de 12e augustus komt er een vordering van alle tarwe die te verkrijgen is. Deze moet naar de molens worden gebracht. Dit is voor het gemeentebestuur aanleiding een delegatie uit zijn midden naar de Landdrost te Middelburg af te vaardigen. Hiervoor worden de heren La Motthe en Van Kleijnputte aangewezen. Ze krijgen last en autorisatie om:

  • zich te vervoegen bij de Landdrost en zijn onverwijlde medewerking in te roepen voor het verkrijgen van afbetaling van de eerste declaratie van ƒ 11.826 en van de declaratie die heden is opgemaakt ten bedrage van ƒ 5.110;
  • de Landdrost te verzekeren dat het bij verder uitstel volstrekt onmogelijk is de zaken in de stad Goes aan de gang te houden;
  • zich ook te vervoegen bij de Commissaris-generaal van het leger en met de meeste nadruk aan te dringen op betaling en op te roepen tot de spoedige betaling van de achterstallige f 16.936 en een bedrag van f 6.650;
  • kennis te geven van de gedane vordering van alle tarwe die in de stad voorhanden is, maar dat effectuering daarvan tot heden is uitgesteld en dat bij gebreke van betaling de zaken eindelijk tot het uiterste zullen gedreven worden;
  • er op aan te dringen dat door een reguliere dagelijkse afbetaling dit gedaan zou kunnen worden.

Maar op de 14e augustus besluit het gemeentebestuur de voorgenomen commissie naar Middelburg voorlopig aan te houden. De Commissaris-generaal Lotgens deelt namelijk mee dat de liquidatie van de declaraties wegens de leveranties aan de troepen zal kunnen geschieden.
De volgende dag, de 15e augustus, komt de betaling van de eerste declaratie van de levering aan de Engelse armee ten bedrage van ƒ 11.826,14 al binnen. Voor deze penningen zal distributie van de onderscheidene leveranties worden gedaan.

Op de 21e augustus ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Landdrost met de mededeling dat de Kwartierdrost Schorer en de heer Tak op heden zich te Goes zullen bevinden om met de gemeenteraad te overleggen over de bezwaren zoals in de brief van het gemeentebestuur vermeld. Na enige tijd treden de beide heren binnen. Ze geven een uitvoerig overzicht van de stand van de deliberaties over het punt van de requisitering en van de wijze waarop daarmee in Walcheren wordt te werk gegaan. Ze verzoeken de gemeenteraad op het nadrukkelijkst om alles te doen wat mogelijk is tot behoud van orde in de loop van de zaken. Ze manen aan om gunstig en met alle inschikkelijkheid stipt aan de orders te gehoorzamen en aan de vorderingen van brandstoffen en levensmiddelen te voldoen.

Op de 26e augustus 1809 komt er een vordering van de commissarissen van de Engelse armee van 200 zakken graan en 700 balken. Het gemeentebestuur weigert echter aan deze order te voldoen.

Overdracht soevereiniteit over het eiland aan Goes

Op de 14e augustus 1809 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de luitenant-generaal Risslijn met de volgende inhoud: ‘Op autorisatie van Zijne Excellentie de luitenant-generaal Graaf Chattam, commanderende de troepen van Zijne Majesteit de Koning van Groot Brittannië, thans in Zeeland, zo is het dat Zijne Excellentie de luitenant-generaal aan de regering van de stad Goes overdraagt de soevereiniteit van het gehele platteland van Zuid- Beveland’. De gemeenteraad besluit echter de Landdrost kennis te geven dat de raad buiten staat is om, behalve de plaatselijke administratie, daarnaast ook nog eens de directie over het eiland te behartigen.

Vorderingen door Engelse armee

Op de 30e augustus 1809 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de directeur over de hospitalen voor het leger met het verzoek om ten dienste van de hospitalen te doen insinueren een zeker pakhuis in de stad. Besloten wordt dit verzoek te weigeren.
Op deze zelfde dag komt er ook een verzoek van de luitenant-kolonel van de artillerie voor het uitleveren van alle wapens en ammunitie die in de stad voorhanden zijn. Het gemeentebestuur besluit de kolonel te verzoeken de gewapende burgerwachten, die in de stad tot behoud van de inwendige rust zijn bedoeld, hun wapens te laten behouden. Daarop volgt een bericht dat de wapens in handen van de burgerij kunnen worden gehouden.

Op de 1e van Herfstmaand (september) vordert de Engelse commissaris Lotgens 3000 zakken tarwe. Het gemeentebestuur besluit echter deze vordering te weigeren.
Op deze zelfde dag verschijnt de generaal van het Engelse leger in de vergadering. Een commissie uit de raad, bestaande uit de president en de secretaris, doet pogingen betaling los te krijgen voor aan het leger gedane leveranties.
De gemeenteraad besluit op de 3e september zoveel mogelijk te trachten de nog onbetaalde rekeningen wegens leveranties aan de Engelse armee vereffend te krijgen. De griffier Crucque en de stadsbode L. den Boer worden gemachtigd om zich naar Middelburg te begeven om de finale afdoening te regelen.

Vertrek Engelse troepen uit de stad

Op de 3e september 1809 verlaten de troepen van het Engelse leger geleidelijk de stad en het eiland. Volgens ingekomen berichten is generaal Roslijn voornemens met zijn hoofdkwartier in de aanstaande nacht te vertrekken. De gemeenteraad besluit per brief de generaal, onder dankbetuiging voor wat tot hiertoe voor de ingezetenen is verricht, te verzoeken om alle voorzorgmaatregelen tegen ongeregeldheden bij de aftocht te willen nemen.
Inderdaad vertrekt de Engelse armee in de nacht van 3 op 4 september uit de stad. De gemeenteraad besluit een wacht van een voldoende aantal gewapende burgers in te stellen. Hiervoor worden de nodige orders aan de commandanten gegeven.

Vergoeding voor geleden schade van Engelse troepen

In januari 1810 dienen Jan Boddingius en Jan Soutendam een verzoek in om schadevergoeding wegens het weien van runderbeesten voor de Engelse Armee. Dit verzoek wordt van de hand gewezen.
Op de 2e februari 1810 deelt president Slabber mee hedenmorgen aangesproken te zijn door een officier van de Franse douane. Deze gaf hem onder vertoning van een order daarvoor te kennen opdracht te hebben om binnen de stad aan de huizen visitatie op de aanwezigheid van Engelse goederen te houden. Hij zegt daarvoor toestemming te hebben van de plaatselijke commandant en verzoekt de assistentie van een stadsbode.
President Slabber doet de vergadering twee dagen later verslag van verscheidene inspecties door de Franse douaniers. Van A. Nortier, C.J. Klugten van Baalen en C. Harinck Wzoon zijn verscheidene goederen vervoerd en in de stadswaag in bewaring genomen. De douaniers hebben echter op verzoek van de eigenaren geneigdheid getoond om die goederen weer aan de huizen van de eigenaren te brengen en dan te doen verzegelen. Dit heeft echter nog een vervelend gevolg, wat omstandig in de notulen van de gemeenteraad is weergegeven.

Op de 2e juni 1810 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Kwartierdrost met het verzoek om opgave van de schade, die veroorzaakt is door de belegering van de Engelse troepen.
Besloten wordt bekend te maken dat morgenmiddag zitting zal worden gehouden voor het doen van aangiften.

Weer Hollandse troepen in de stad

Op de 5e september 1809 stelt president Ossewaarde de gemeenteraad in kennis van de ontvangst van een brief van kapitein Faber met de aankondiging dat de Hollandse troepen het Fort Bath hebben bezet. De kapitein verzoekt enige onderrichting over de stand van zaken binnen de stad en het eiland. De president heeft deze onderrichting dadelijk per brief gegeven. De raad keurt deze handelwijze goed.

Deze zelfde dag nadert de Hollandse armee de stad. Omstreeks 7 uur in de avond arriveert maarschalk Graaf Dumonceau, generaal in dienst van Franse keizerrijk en maarschalk van Holland, met enige bezetting in de stad. Hij verschijnt in de vergadering van de gemeenteraad. De raad voorziet zoveel mogelijk in het logement en de verzorging van de troepen.

Ook komt er op deze 5e september een bericht van generaal Snelman, geschreven te Goes. Besloten wordt bij maarschalk Graaf Dumonceau opheldering te vragen over de daarbij gedane aanvraag tot voorziening in de levensmiddelen en fourages van de in de stad verwachte troepen. De besturen op het platteland worden verzocht voor het logement van de bij hun arriverende troepen te zorgen en de Hollandse vlag op de torens uit te steken.
Enkele dagen later geeft de Commissiaris van oorlog de gemeenteraad kennis van het aangaan van een contract over de leverantie van levensmiddelen (vivres) en veevoer (fourages) voor de troepen in het eiland. Hij verzoekt de medewerking van de raad om die aanbesteding aan een vertrouwd en solide persoon te kunnen doen. Maar de gemeenteraad antwoordt de commissaris dat geen persoon, die daartoe genegen is, in de stad kan worden gevonden.

Op de 16e september 1809 overweegt de gemeenteraad dat het alleszins betamelijk zou zijn dat het gouvernement direct door de raad over de alhier plaats gehad hebbende omstandigheden en van het beloop van de zaken gedurende ‘de invasie des vijands’ wordt geïnformeerd. Er wordt een door de secretaris geconcipieerde brief aan de Minister van Eredienst en Binnenlandse zaken gezonden.
Er komt op de 14e oktober antwoord van de Minister van Eredienst en Binnenlandse zaken dat Zijne Majesteit de Koning hem heeft gelast aan de Raad van Goes zijn goedkeuring te kennen te geven over het door de Raad gehouden gedrag gedurende de vijandelijke invasie. De Minister verklaart dat het hem een aangename taak is aan die last van Zijne Majesteit te voldoen.

De gemeenteraad ontvangt op de 17e september 1809 een brief van de majoor chef, waarbij deze op last van luitenant-generaal Brand verzoekt het stellen van de nodige orders dat niemand zich van de ene plaats naar de andere in het eiland zal begeven zonder van een schriftelijk bewijs voorzien te zijn dat hij in het eiland woonachtig is. Hierover worden de nodige aanschrijvingen aan de besturen ten plattelande gedaan.

Op de 24e september 1809 komt er een brief van de koloneldirecteur van de artillerie en genie te Bath met opnieuw een verzoek om een aantal wagens en houtwaren voor de fortificaties aldaar. Besloten wordt dit verzoek te weigeren.
Een week later komt er een nader verzoek van kolonel Siderius om van een grote partij houtwaren te worden voorzien, alsook dat enige timmermansknechts uit de stad naar het Fort te Bath worden gezonden. Wat het eerste betreft worden de kooplieden in hout daarvan kennis gegeven om met de kolonel over de te doene leverantie te communiceren. Verder worden tien timmermansknechts van hier naar het fort te Bath gezonden, die wekelijks worden afgelost.

Op de 26e september 1809 komt er weer een ander verzoek. Bij Koninklijk Besluit worden drie vrijwilligers voor iedere vijfhonderd zielen gevorderd met de opdracht aan de gemeentebesturen om dit aantal manschappen binnen een maand op te zenden. Het gemeentebestuur besluit voorlopig een premie van vier dukaten uit te loven aan degenen die zich voor de stad als vrijwilliger beschikbaar stellen.

Op de 6e van Wijnmaand (oktober) ontvangt het gemeentebestuur bericht van de Kwartierdrost met kennisgeving van de aanstaande aankomst van het hoofdkwartier van generaalmaarschalk Graaf Dumonceau binnen de stad alsook van een geheel regiment infanterie. Besloten wordt voor een en ander zodra mogelijk te zorgen.

Op deze zelfde dag komt er ook een brief van de generaalmaarschalk van Holland, Graaf Dumonceau, aan de Landdrost met het bericht dat de strengste maatregelen genomen zijn om militairement en als spionnen aan te houden degenen die in het eiland Walcheren zullen overgaan of met de vijand op welke wijze ook enige gemeenschap zullen onderhouden zonder hiertoe een uitdrukkelijke toestemming van de commanderende generaal in het eiland te hebben. Ook beurtlieden of schippers zijn hiervan niet uitgesloten. De spionnen die men zal vatten zullen naar Bergen op Zoom worden getransporteerd en aldaar gevangen gezet. Geen paspoorten zullen gerespecteerd worden dan die door luitenant-generaal Van Helden, commanderende in Zuid Beveland, door de maarschalk of door de generaal-majoor zijn ondertekend. Deze maatregelen zullen duren zolang het eiland Walcheren niet in het bezit van de troepen van het Rijk zal zijn gekomen.

Op de 16e van Wijnmaand (oktober) komt er een aankondiging van de generaalmaarschalk van Holland, Dumonceau, van de aankomst binnen de stad van het achtste regiment infanterie met het verzoek om te zorgen voor de inkwartiering van maar liefst zestienhonderd man. De president wordt opgedragen dadelijk op de ontvangst van deze order, samen met de Kwartierdrost, de nodige stappen bij de maarschalk te doen tegen de inkwartiering van een zo groot aantal troepen. Dit heeft tot gevolg dat Zijne Excellentie wel heeft willen beloven dat de troepen grotendeels elders zullen worden geplaatst. De president wordt voor zijn gehouden directie bedankt.

De president van de gemeenteraad bericht op de 21e oktober dat de heer Hoynok van Papendrecht, baljuw van Zuid-Holland en belast met de criminele jurisdictie ten plattelande in dit eiland, het oogmerk zou hebben om de delinquenten die aldaar mochten worden gevat, te doen. overbrengen in de gevangenhuizen in de stad tot de tijd toe dat deze kunnen worden getransporteerd. De president is van oordeel dat dit aan vele bezwaren onderhevig zal zijn omdat de gevangenhuizen binnen de stad voor dat doel weinig geschikt zijn en ook onkosten zal veroorzaken die zeer bezwaarlijk zijn. De gemeenteraad besluit de president te verzoeken bij ontvangst van aanvragen tot het gebruik van de gevangenhuizen binnen de stad voor dat oogmerk dit af te wijzen, tenzij sprake is van buitengewone gevallen en wanneer de gewone bewaarplaats te Cloetinge daartoe niet voldoende mocht zijn.

Opnieuw komt een onheilsbericht binnen op de 24e oktober 1809. De president geeft de gemeenteraad te kennen, dat uit een onderhoud dat hij met kolonel Siderius heeft gehad en uit de aandrang tot het aanschaffen van werklieden, hem geen twijfel overliet of het plan tot het aanleggen van vestingwerken rondom de stad is thans op het punt van te worden ter uitvoer gebracht. De gemeenteraad overweegt dat de raad zich in 1807 over een dergelijk plan tot de Minister van Oorlog heeft gewend met het gewenste gevolg dat dit toen geen voortgang heeft gehad. Het wordt van de alleruiterste noodzakelijkheid geacht om opnieuw te beproeven of een vernieuwd adres van dien aard van enige uitwerking zal zijn. Besloten wordt opnieuw met aandrang pogingen daarvoor bij de Minister van Oorlog te doen. De Minister van Oorlog verklaart op de 11e november dat wat betreft de versterking van de stad ‘de omstandigheden niet gedogen nu daaromtrent enige geruststellende verzekering te geven’.

Voorziening in de behoeften van de Franse troepen

De Minister van Oorlog geeft op de 25e november 1809 kennis dat men van de zijde van de Fransen bij voortduur aandringt op het voorzien in het onderhoud van de Franse troepen die in Zeeland zijn of aldaar verwacht worden. Zijne Majesteit Koning Lodewijk Napoleon is in de onmogelijkheid om de uitgaven die hieruit voortvloeien ten laste van ‘s Rijks kas te nemen. Hij heeft besloten dat door de zorg van de onderscheidene plaatselijke besturen in alle behoeften van de Franse troepen met de meeste ijver zal moeten worden voorzien. Dit op voorwaarde dat door de Franse administratie aan de particulieren, die de leveranties doen, behoorlijke betaling wordt gedaan. De gemeenteraad besluit dat zodra doenlijk daarover bezwaren bij de Minister van Oorlog zullen worden ingediend. Ook zal de onmogelijkheid worden aangetoond om het benodigde voor de Franse Armee in het eiland aan te schaffen.
Er komt op de 9e december een antwoord op de brief van de gemeenteraad van de 26e november in de volgende zin. De Minister van Oorlog geeft kennis dat door Zijne Majesteits beslissing, bepalende dat de Franse troepen op Zuid-Beveland evenals de Hollandse zullen moeten worden onderhouden, de zwarigheden vervallen die over het voorzien in hun behoeften door de gemeenteraad aan de Minister zijn meegedeeld.

Op deze zelfde dag, de 9e december, bepaalt de Landdrost dat van de op te richten twaalf bataljons vrijwilligers door de stad 24 manschappen geleverd dienen te worden. De aanwerving daarvan dient zo spoedig mogelijk te worden uitgevoerd.
Op de 16e december 1809 verzoekt de Commissaris van Oorlog opgave van de staat en gesteldheid van de gebouwen die tot kazernes en stalling van paarden binnen de stad geschikt zijn alsook van de voorhanden zijnde fournituren.
Op deze zelfde dag komt er ook een brief van de fungerende Kwartierdrost, waarbij van de stad worden gevorderd 600 bossen stro alsook de dienst van enige timmermansknechts.

Ook op de 24e februari 1810 is er een verzoek om in de behoeften van de Franse troepen in de stad te voorzien. De Kwartierdrost Ossewaarde komt ter vergadering van het gemeentebestuur. Hij meldt dat de Franse toepen, die in dit kwartier zijn gelegerd, door de ingezetenen van de nodige levensmiddelen dienen te worden voorzien, aangezien dit door de Franse autoriteiten is gevorderd. Hieraan dient zoveel mogelijk te worden voldaan. Hij verzoekt dat door de stad voorlopig in de aanschaf van een lokaliteit voor de distributie en verder in enig brandhout en de fourage van enige paarden van de gendarmerie in de stad wordt voorzien. Besloten wordt voor het gevraagde de nodige maatregelen te nemen.

Op de 1e van Lentemaand (maart) 1810 dringt de Kwartierdrost opnieuw aan om in de behoeften van de Franse troepen te voorzien. Het gaat om de aanschaf van een magazijn of distributieplaats en om het bakken van het nodige brood voor de troepen. Ook dringt hij aan om de militairen vrijstelling van tol, bruggeld, straatgeld, weggeld, barrièregeld of poortgeld te verlenen. De gemeenteraad toont zich bereid hieraan zoveel mogelijk mee te werken. Echter, aan de vraag om geneesmiddelen kan niet worden tegemoet gekomen, omdat de plaatselijke geneeskundige commissie heeft verklaard dat er een gebrek is aan geneesmiddelen.

Het gaat allemaal niet vanzelf. Want op de 17e maart 1810 komt er een brief van de Kwartierdrost met de kennisgeving dat hij zich in de allergrootste noodzakelijkheid gevonden heeft om tot een quotisatie voor het verzorgen van de Franse troepen over te gaan. De stad is daarin aangeslagen voor een som van ƒ 1550. Hij verzoekt dit bedrag op de kortst mogelijke termijn te leveren en desnoods bij parate executie te innen en op de 24e van deze maand over te dragen.

Op de 31e maart 1810 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Kwartierdrost met de kennisgeving van de aanstelling van een correspondent van de aannemer van de levensmiddelen (de vivres) voor de armee, W. van Rijn, voor de departementen Zeeland en Brabant. Door deze aannemer is met behoorlijke moeite gezorgd dat in de plaatsen, waar troepen zijn, ook beambten van zijnentwege aanwezig zijn. De gemeentebesturen dienen hiervan aan de Landdrost kennis te geven.

Op de 28e april 1810 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van de kapitein-adjudant-majoor, die in de stad het commando heeft. Hij deelt mee dat een kapitein van de keizerlijke douane zich in de stad heeft gevestigd met het verzoek deze alle nodige zekerheid te verlenen en visitaties te houden in tegenwoordigheid van een burgerlijke beambte.

De president rapporteert de gemeenteraad op de 13e mei 1810 dat de Ontvanger van de douane zich tot hem heeft gewend. Hij verzocht tegen betaling van huur een lokaal voor het houden van zijn bureau beschikbaar te stellen. Hij heeft getracht hierover een akkoord te bereiken voor een bepaald huis, het enige dat daarvoor enigszins geschikt is. Maar dat verzoek werd afgewezen. Daarop heeft hij zich genoodzaakt gezien dit huis voor dat doel te vorderen en een order af te geven aan de eigenaar van dat huis om, onder betaling van een passende huur, het in te ruimen. De handelwijze van de president wordt goedgekeurd.

Op de 20e mei 1810 ontvangt de gemeenteraad een brief van de Sous Prefect van Walcheren ten geleide van een brief van de Ministerdirecteur voor de administratie van oorlog, geschreven te Parijs. Deze brief houdt in dat op de daarvoor gedane verzoeken orders zijn gesteld dat de ingezetenen van de eilanden Zuid- en Noord-Beveland ontlast zullen zijn van alle fournituren aan de troepen die op de voet van vrede zijn gebracht, op dezelfde wijze en door gelijke middelen als in het overige van het Rijk.

Op zaterdag de 7e juli 1810 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Prefect met de mededeling dat de Ministerdirecteur van de administratie van oorlog besloten heeft dat het logement van de officieren niet meer vrij aan hen zal worden verschaft. Verder heeft hij besloten dat de vergoeding over de maand mei aan de ingezetenen, die logies hebben beschikbaar gesteld, ten goede komt. Wat betreft het verhuren van kamers aan officieren zullen alle faciliteiten verleend worden.

Op de 11e juli 1810 doet de commandant van de stad, kolonel Balson, een dringend verzoek om op het spoedigste een geschikt en passend logement te worden toegewezen. De gemeenteraad besluit de commandant te kennen te geven ‘dat, geen huizen in de stad onbewoond zijnde, de raad de autorisatie van de Prefect heeft gevraagd hoedanig zich te gedragen en daarover de dispositie moet afwachten’.
De commandant dreigt daarop ‘militairement zich logement te verschaffen’ als hem niet binnen 24 uur een geschikt logement wordt geboden. De raad geeft generaal Gilly te kennen dat de commandant te voorbarig handelt.
Na veel beraad en geschrijf in het notulenboek besluit het Stadsbestuur alsnog als logement het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt nummer 1 aan te bieden. Uiteindelijk wordt het huis van de heer Hendrik de Kanter in wijk B nummer 15 aangewezen voor een huurbedrag van tweehonderd gulden per jaar.

Van de Kwartierdrost komt op de 14e juli 1810 een brief bij het gemeentebestuur over de oprichting van een Garde de Cotes. Er is voor het eiland Zuid-Beveland provisioneel een compagnie kustbewakers of kustkanonniers opgericht. Goes moet hiervoor een contingent van 22 manschappen leveren. De gemeenteraad besluit eerst te proberen dit contingent op vrijwillige basis te vinden. Maar het blijkt dat slechts één persoon zich vrijwillig wil aanbieden. Het gemeentebestuur gaat daarop over tot het aanwijzen van zodanige inwoners waarvan geoordeeld wordt dat deze daartoe wel geschikt zijn.
Een week daarna, op de 22e juli, bepaalt de Prefect dat voor dit arrondissement twee compagnieën kanonniers worden gevormd. Boven de al geleverde 22 manschappen moet nòg een gelijk aantal door de stad worden geworven. Het contingent van de stad Goes zal uiteindelijk 44 manschappen bedragen. Aan elk van deze manschappen zal van stadswege een vergoeding van twee gulden per week worden verleend. Het geld hiervoor moet komen uit een algemene contributie.

Op de 11e augustus 1810 verzoekt de Sous-prefect een geschikt logement voor de commandant van de stad beschikbaar te stellen. De president van de gemeenteraad deelt mee dat de nodige regelingen daarvoor zijn gemaakt en tot genoegen van de commandant een huis is gehuurd van mevrouw de weduwe De Craane aan de Lange Kerkstraat voor een huurbedrag van twaalf gulden per maand. Hiervan komt tien gulden ten laste van de commandant en twee gulden ten laste van de stad.

En op de 18e augustus 1810 verzoekt de Commandant van de stad om de militairen, die nog bij de burgers gelogeerd zijn, in kazernes onder te brengen. Ook moeten de nodige orders gesteld worden dat geen vreedzame burgers na tien uur ‘s avonds meer door de militaire patrouilles worden aangehouden of opgebracht. Het gemeentebestuur bedankt de commandant hartelijk voor zijn optreden. Tevens wordt hem dringend verzocht het openen en sluiten van de stadspoorten weer evenals vanouds te laten gebeuren door de poortiers en niet meer door de militairen, want dit leidt tot velerlei klachten.

Op de 3e september 1810 besluit het gemeentebestuur de commandant van het garnizoen te doen delogeren in en te verplaatsen naar het huis van de heer A. Zwemer. De aanleiding hiervan is de klachten van de huiseigenaar B. van der Bilt over de bij hem ingekwartierde officier en zijn vrouw, die door de gemeenteraad bij hem zijn ondergebracht.

Maar de luitenant-kolonel van het 3e bataljon van het Regiment Pruisen in Fransche dienst, dat in de stad in garnizoen ligt, deelt mee dat hij geen gebruik kan maken van het logement bij de heer Zwemer en dat hij wil blijven wonen in het door hem thans gebruikte logement bij de heer B. van der Bilt. De officier zijn twee kamers en een keuken in het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt, bewoond door de heer Langguth, aangeboden. Maar hij wenst daar geen genoegen mee te nemen. Er is daarop een inspectie van het logement bij Langguth gedaan. De Sous-prefect heeft dit volkomen geschikt bevonden.

Maar ook in oktober moet voorzien worden in logementen voor de overige officieren. Op de 27e oktober ontvangt het gemeentebestuur een brief van de commandant van de stad Balson, vergezeld van een dagorder van generaal Rozinga, commandant van de divisie van de Zeeuwse eilanden. Deze dagorder behelst een order voor het behoorlijk logeren van officieren gedurende deze winter. Hij verzoekt een nauwkeurige opgaaf van enige logementen voor superieure en andere officieren. De dagorder wordt in handen gesteld van de heren Van de Spiegel en Van Kleinputte om met assistentie van de secretaris een lijst van de logementen op te stellen.

Het garnizoen wordt in november nog weer verder uitgebreid. Op de 3e november stuurt de commandant van de stad een kennisgeving dat een compagnie soldaten van ongeveer honderd manschappen binnen de stad zal arriveren tot versterking van het garnizoen. Hij verzoekt te zorgen dat de kazernes daarvoor in gereedheid worden gebracht. De president deelt mee dat hieraan al is voldaan.

Op de 10e november 1810 heeft een zekere Jan Haliaan, kustkanonnier in de 6e compagnie kustkanonniers, zich niet ontzien verscheidene malen onder zware bedreigingen de president en andere leden van de raad uit te schelden en te bedreigen. Ook heeft een zekere Jasper Bogaart, ook kustkanonnier uit deze compagnie, kunnen goedvinden om de griffier Crucque op een brutale wijze te bejegenen. Het gemeentebestuur besluit de heer Soetebier, geassisteerd door een van de secretarissen, te verzoeken zich bij de commandant Balson te vervoegen en daar over het voorgevallene verslag te doen en de nodige maatregelen te nemen dat zulke personen, anderen ten voorbeeld, worden gestraft. De commandant belooft de kustkanonniers daarvoor te zullen straffen.

De Commissaris van oorlog te Middelburg geeft op de 1e december 1810 kennis dat begin december honderd veteranen in de stad in garnizoen zullen arriveren. Hij verzoekt het gemeentebestuur te zorgen voor hun logement.

Op de 27e mei 1811 komt er bericht van de Sous-prefect over de organisatie van een derde compagnie kustkanonniers. Voor de regeling daarvan wordt een commissie gevormd, bestaande uit de heren Van Kleinputte, Dominicus, Van Kerkwijk, Vervenne en Hecking en als secretaris de commies ter secretarie Pilaar.

 

Vertrek van de Fransen en vrede

Op 16, 17, 18 en 19 oktober 1813 wordt Napoleon en zijn legers bij Leipzig vernietigend verslagen. Half november bezetten geallieerde troepen ons land. Prins Willem Frederik keert op de 30e november 1813 terug in Nederland en aanvaardt op de 2e december 1813 als Willem I in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de soevereiniteit als constitutioneel vorst.

Op de 13e december 1813 komen de Maire Van de Spiegel en de adjuncten in vergadering bijeen op het Stadhuis. In hun midden verschijnt de commandant van het eiland Zuid- en Noord Beveland, Balson, chef de bataillon, ridder, lid van het Legioen van Eer. Hij geeft te kennen dat hij het nodig oordeelt ‘enige mouvementen met de twee veldstukken, welke hij in de stad had doen voeren tot bewaring van de publieke rust, te maken naar de kant van Krabbendijke, terwijl hij zelf voornemens is zich naar de positie van Borssele te begeven. Verklarende volkomen gerust te zijn dat door de Maire de goede orde zodanig zoude worden gemainteneerd, dat hij bij zijn retour een nieuw bewijs mocht erlangen van de eensgezindheid van de goede inwoners van de stad’. De Maire antwoordt hierop dat hij van zijn kant alles zal aanwenden om de rust en goede orde te bewaren.

Op de 17e december 1813 komt het gemeentebestuur in een extra-ordinaire vergadering bijeen. Present zijn de heren L.J. van de Spiegel, burgemeester, G. de Leeuw, vice burgemeester, J. Dyserinck Dekker en J. Hemerijk Tak.
Burgemeester Van de Spiegel geeft te kennen dat de commissie uit de ingezetenen van de stad zich eergister de 15e december bij hem heeft vervoegd. De commissie, bestaande uit de heren F. de Keijser, C.J.K. van Balen, J. Dommisse Jz, J.C. Crucque en J. Hemerijk Tak, wilde, door zijn goedkeuring meer gewettigd, de hulp en bijstand van de Britse Macht op de Oosterschelde te Zierikzee gaan inroepen. De commissie is teruggekeerd met 280 man Engelse troepen onder bevel van de commandant van Zijne Britsche Majesteits schip, de Cornwal. Het komt hem voor ‘dat het niet onvoegzaam zou zijn, de verlangde ondersteuning bekomen hebbende, om de ingezetenen van de stad bij Publicatie van de heugelijke ogenblikken welke wij mogen beleven te doen kennis dragen, daarbij bepalende dat wij in deze gewichtige ogenblikken aan ons voorbehouden het bepalen van de Dag der algemene Vreugde’.
Het voorstel van de burgemeester wordt door de aanwezige regeringsleden ‘met geestdrift goedgekeurd’. Het als secretaris fungerende lid van de provinciale regering, J. Hemerijk Tak, wordt verzocht een Publicatie voor dat oogmerk te concipiëren. Deze zal na afkondiging worden geplaatst in de Goessche Courant. Voor de uitgave daarvan meent hij als burgemeester de nodige autorisatie te hebben mogen geven.

Verder wordt besloten om, met en naast de rechterlijke macht, onze opwachting te maken bij de commandant van de Engelse hulptroepen om ‘hem te betuigen dat wij ons gelukkig rekenen ons onder de bescherming van onze Bondgenoot, Zijne Britse Majesteit, te bevinden, terwijl wij onze personen en betrekkingen op het plechtigste aanbevelen’.

Echter op de 19e december 1813 wordt door de provisionele burgemeester L.J. van de Spiegel besloten en ten uitvoer gebracht de volgende order voor de heren d’ Engelbronner, De Keizer en Nortier: ‘Uw eigen Veiligheid vordert dat gij tot nader order ten uwen huise blijft, twelk ik u gelast bij dezen. Terwijl ik u tevens alle correspondentie met de algemene vijand verbiede, onder welk voorwendsel het ook zij’. In gijzeling worden gesteld de heren Wyam en Cornelis van Boven.