Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1807 - 1813)

Baljuw

De president van de Rechtbank deelt in de raadsvergadering van 4 april 1807 mee dat de heer Jan Aegidius Stokmans het voornemen heeft zijn ontslag als baljuw van de stad in te dienen en van de waarneming van de baljuwage ontslagen wenst te worden. Op verzoek van de Rechtbank heeft hij de waarneming van de baljuwage voorlopig op zich genomen. In juni wordt Stokmans bij Koninklijk Besluit ontslag verleend. Samen met de Rechtbank stelt de gemeenteraad een nominatie op ter vervulling van deze functie. In aanwezigheid van de leden van de Rechtbank J. Dominicus, D. de Meijer, M.C. van Dorth en P.D. van Hogendorp wordt met eenparigheid besloten op de voordracht te plaatsen Willem van Citters, Martinus Slabber en Cornelis Pieter Keetlaar.

Extra-ordinaire compagnie

Op het eiland functioneert nog steeds de extra-ordinaire compagnie, ook wel genoemd ‘de Roode Roede’. Juist in deze tijd, waarin veel landlopers en bedelaars voorkomen, is deze van belang.
In januari 1807 vraagt de secretaris van het Departementaal bestuur van Zeeland informatie over de voordracht van de raad wat betreft ‘het middel van ’s lands wachten’ en in het bijzonder over ‘het getal der Roode Roeden en hun bezoldiging mitsgaders of en in hoeverre derzelver getal tot het doen van de nodige recherches genoegzaam geoordeeld worden’.
De gemeenteraad geeft op deze vraag als zijn gevoelen te kennen ‘dat dezelve Bende daartoe wel eenige reforme nodig zoude hebben en onder meer bepaalde directie zoude behoren gebracht te worden’.

De ‘Roode Roede’ komt in januari 1809 opnieuw in beeld. Secretaris P.A. Ossewaarde legt de rekening over van het middel van ’s lands wachten over de jaren 1806, 1807 en 1808. Vanwege het eindigen van de belastingheffing ten behoeve van het middel besluit de gemeenteraad aan de ‘Roode Roeden’ die tot heden nog gefungeerd hebben, namelijk Abraham Otte en Tobias Rijkaart, bij wijze van pensioen ieder toe te kennen £ 7 pond per jaar. Ze zullen evenwel verplicht zijn zodanige diensten te verrichten, zowel in de stad als daar buiten, als hun naar redelijkheid en in evenredigheid aan dit pensioen zullen worden opgelegd. Het kapitaal van het fonds voor betaling van de ‘Roode Roeden’ zal worden gereserveerd om daarvan bij tijd en wijle een gepast gebruik te maken.

Burgermacht

In april 1807 komt er een Decreet van Zijne Majesteit de Koning over het inzetten van de gewapende burgermacht voor militaire diensten.
Op voorstel van de gecommitteerden voor de burgerbewapening besluit het gemeentebestuur in juni 1807 dat voortaan, als de exercitie op zaterdagsavond niet doorgaat, ‘als een teken daarvan des namiddags om vier uur met de zogenaamde dagklok zal worden geklept’. Dit zal ook plaats hebben als de daarop volgende maandag de exercitie opnieuw mocht worden opgeschort.
In juli 1807 komt er een nadere instructie voor de burgermacht. De Landdrost stuurt een aanschrijving om de nodige orders te stellen dat de gewapende burgermacht wordt gebracht op een sterkte van 250 manschappen. De gecommitteerden uit de gemeenteraad voor het werk van de burgerwapening krijgen opdracht de nodige maatregelen te nemen dat de vereiste uitbreiding van de gewapende burgermacht op de meest geschikte wijze wordt tot stand gebracht. Ook stuurt de Landdrost in augustus 1807 bericht dat de Minister van Oorlog de nodige orders heeft gegeven om uit de provinciale magazijnen van oorlog in de vereiste wapenrustingen voor de burgercorpsen te voorzien. Voor Goes betekent dit 250 geweren, 12 sabels, 40 patroontassen, 1 koperen trom en 1 slagbank daarvoor.
En ook in november 1807 komt er een maatregel van hogerhand. De Landdrost stuurt een kennisgeving van het Koninklijke Decreet dat bepaalt dat alle bezwaarschriften wegens gepresteerde militaire diensten door de gewapende burgermachten zullen worden geaccordeerd tot de 1e januari 1808. Na deze datum zullen deze niet meer worden toegestaan. Deze resolutie wordt ter kennis gebracht van de commanderende officier van de gewapende burgermacht binnen de stad.

In april 1808 geven de gecommitteerden voor het werk van de burgerwapening de gemeenteraad te kennen dat de nieuwe geweren voor de burgermacht afgehaald en in behoorlijke orde zijn ontvangen en dat de oude geweren aan ’s lands magazijn te Veere zijn afgegeven.

Er zijn deze jaren enkele mutaties in de staf van de gewapende burgermacht. In maart 1807 wordt als luitenant in de tweede compagnie in de plaats van Jozias Risseeuw aangesteld Marinus Harinck.
In december 1807 overlijdt de kapitein van de eerste compagnie, Jacob van Kleijnputte. Op de nominatie worden geplaatst Francois de Keijzer en Gijsbregt de Jonge Ossewaarde, respectievelijk eerste luitenant en tweede luitenant bij de compagnie. Francois de Keijzer wordt benoemd. In de plaats van De Keijser wordt tot eerste luitenant bij deze compagnie aangesteld Gijsbregt de Jonge Ossewaarde. In zijn plaats wordt als tweede luitenant bij de eerste compagnie aangesteld Dignus Dominicus Jacobzoon.
De Keijzer fungeert slechts korte tijd als kapitein van de eerste compagnie. In augustus 1808 krijgt hij, op zijn verzoek, eervol ontslag als kapitein. Voor de vervulling van deze plaats worden op de nominatie geplaatst Gijsbregt de Jonge Ossewaarde en Jan van den Thoorn.
In juli 1808 worden tot officieren van de gewapende burgermacht aangesteld tot luitenant bij de eerste compagnie Servaas van Gemert en tot luitenant bij de tweede compagnie Thomas Snoep.
In februari 1810 komt er een brief van de Landdrost van Zeeland met de kennisgeving van de bepaling ‘dat de distinctieve tekenen van het Corps d’Elite van de hoofdstad zullen zijn in goud en die voor het overige van de schutterij in zilver’. Deze tekenen zullen in het gehele Koninkrijk voor alle schutterijen dezelfde zijn.

Brandweer

Eind januari 1808 woedt er een brand te ’s-Heer Arendskerke. Alle vier brandspuiten rukken de stad uit om de brand te blussen. Op de 30e januari meldt de president de gemeenteraad ‘dat op laatstleden dinsdag het ongeluk van brand op ’s-Heer Arendskerke heeft plaats gehad. De bedienden bij de brandspuiten hebben uit een prijzenswaardige ijver om alle mogelijke hulp tot blussing te bieden zich dadelijk met alle de spuiten naar de plaats van de brand begeven, zonder daartoe bepaalde orders van de generale brandmeesters af te wachten. Dit is prijzenswaardig, maar de voorzichtigheid gebiedt dat nimmer alle blusgereedschappen uit de stad worden verwijderd. Als er onverhoopt binnen de stad brand zou uitbreken zou dit een eminent gevaar opleveren’.
De generale brandmeesters krijgen een aanschrijving dat voortaan bij het ontstaan van brand buiten de stadsjurisdictie nimmer meer dan twee brandspuiten buiten de stad mogen worden gezonden. De twee overige brandspuiten moeten te allen tijde binnen de stad worden gehouden.

In juni 1808 komt in de raadsvergadering ter sprake dat buiten de Bleekveldse poort een grote hoeveelheid hooi en stroo ten dienste van de troepen is opgeslagen. Bij onverhoopt ongeval van brand in de magazijnen zouden grote gevolgen voor de gebouwen, pakhuizen en dergelijke, die daar in de omgeving liggen, te duchten zijn. De raad besluit bij Publicatie te verbieden het roken van tabak en het hebben of dragen van enige brandbare stoffen vanaf de Bleekveldse poort tot aan de oliemolen van de weduwe van G. Peman.

Ook wordt in november 1808 bij Publicatie verboden het branden van varkens binnen de stad. In oktober 1809 besluit de gemeenteraad tot voorkoming van brand de Ordonnantie tegen het branden van varkens binnen de stadspoorten vanaf de 14e van Slachtmaand nader vast te stellen.

De generale brandmeester Marinus Gorsse verzoekt in februari 1808 in verband met zijn ver gevorderde jaren ontslag als generale brandmeester bij de nieuwe brandspuit, staande aan de Oostpoort. In zijn plaats wordt aangesteld Pieter van Kleijnputte.
In januari 1813 treedt Jozias Risseeuw aan als generale brandmeester in de plaats van mr. Nicolaas van der Hagen.

Politie

Per januari 1811 wordt tot Garde Champêtre (veldwachter) aangesteld Pieter van Iersel, sergeant de police, en Antoni Bourré, garde chassé les quelsfurent agréés. Bourré wordt in april 1813 benoemd tot agent van politie.

Er vindt in mei 1813 een inschrijving plaats voor het inzamelen van penningen voor weekgeld voor de in dienst getreden nationale gardes in de stad en jurisdictie. Besloten wordt de burgers van de stad A.J. Jaspers, J.J. Burger en Fr. Walraven, alle drie aangewezen voor de nationale garde, toe te staan om in aller naam een voorlopige vrijwillige bijdrage in contanten te verzoeken bij alle burgers van 20 tot 40 jaar. Dit dient tot inschrijving voor een fonds om daaruit degenen die zich vrijwillig tot de actieve dienst hebben aangeboden hun overeengekomen weekgeld te betalen.

In december 1813 besluit de provisionele burgemeester L.J. van de Spiegel de volgende opmerkelijke order uit te vaardigen voor de heren d’ Engelbronner, De Keizer en Nortier: ‘Uw eigen veiligheid vordert dat gij tot nader order ten uwen huise blijft, twelk ik u gelast bij dezen. Terwijl ik u tevens alle correspondentie met de algemene vijand verbied, onder welk voorwendsel het ook zij’.