Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinancien (1807 - 1813)

Financiële toestand van de stad

De toestand van de stads financiën is deplorabel.
In april 1809 ontvangt de stad een aanschrijving van de Minister van Oorlog met de mededeling dat de stad door het ministerie is belast met een som van ƒ 7873:16 wegens van het rijk overgenomen kazernefournituren. De betaling daarvan zal worden geëffectueerd door het inhouden van een vierde van de rekening van logiesgelden tot de volledige en finale liquidatie toe.

In augustus 1810 beklaagt Philippus de Wijs zich over het niet betalen van aan hem verschuldigde rente door de stad. Het Stadsbestuur bericht hem ‘dat de deplorabele staat van de stadsfinanciën, zoals mijn Heer den Sousprefect zeker bekend is, geen betaling van interesten permitteert’.

Ook in augustus 1810 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Kwartierdrost over Zuid- en Noord-Beveland ten geleide van een bericht van de Prefect in dit departement dat alle inwoners, die aan het recht van patent zijn onderworpen, zich daarvan voor de 15e augustus zullen moeten voorzien. Deze brief wordt voor kennisgeving aangenomen.

Op zijn verzoek wordt de thesaurier van de stad, de heer P.A. Ossewaarde, in oktober 1810 ontslagen en in zijn plaats benoemd de president van de Raad, de heer M. Slabber.
Het Stadsbestuur besluit in november 1810, naar aanleiding van de overwegingen van de thesauriers van de stad, ’s lands ontvangers P. Ossewaarde Pzoon en J. Dyserinck Dekker aan te schrijven en te verzoeken om aan de Raad te overleggen ‘een summiere staat van hun recepten nopens het additioneel ten behoeve van de stad over 1810’. Verder wordt hen verzocht maandelijks aan de raad opgave te doen van wat bij hen ten behoeve van het voormelde is geïncasseerd, zodat ze in staat worden gesteld om de meest dringende schulden te voldoen.

In november 1810 stuurt de commandant Balson een brief met klachten over enige neringdoende ingezetenen die de oude Franse kronen in betaling van militairen zouden aannemen. Hij verzoekt bij een Publicatie van de Raad hiertegen te waarschuwen. Daarbij dient bepaald te worden dat degenen, die mochten weigeren deze kronen aan te nemen, terstond zullen worden gearresteerd, onder handen van de militaire politie genomen en naar het militaire hoofdkwartier te Middelburg gevoerd om volgens de Franse wetten en rechten gestraft te worden. Het Stadsbestuur besluit dit verzoek te weigeren. Dit is geen zaak voor de Raad. De brief zal worden doorgezonden aan de Sous Prefect.

Verponding en quotisatie

Op de 31e januari 1807 ontvangt het Stadsbestuur een Publicatie van Zijne Majesteit Koning Lodewijk Napoleon. Binnen het Koninkrijk zal het middel van de verponding worden geheven. De Publicatie wordt gezonden aan president en schepenen van de stad om te worden gepubliceerd als naar gewoonte.

Door de Wet van 30 maart 1808 wordt ons land een aanslag opgelegd van drie miljoen gulden. Het aandeel van de stad Goes bedraagt ƒ 6.225. Met de zogenaamde quotisatie dient dadelijk een begin te worden gemaakt. De voornaamste ingezetenen dienen bij het doen van de quotisatie te assisteren.
In augustus stelt het Stadsbestuur gecommitteerden aan tot het helpen formeren van deze quotisatie. Benoemd worden de heren Jan Boddingius, Jacob Kakebeeke, Johannes Nederveen en P.D. van Hogendorp.
Er wordt nog een poging gedaan de aanslag te verminderen. Het eiland Oost-Beveland, waarvoor de aanslag ook geldt, is door inundatie ondergelopen, waardoor uit dat eiland niets kan worden opgebracht.

In maart 1810 ontvangt het Stadsbestuur een Koninklijk Besluit waarbij gevoegd is een Wet bevattende maatregelen om te voorzien in de behoeften van de publieke schatkist door middel van vervroeging van de betaling van de verponding over 1810.

Oude schulden wegens kazernering

In april 1807 geeft de secretaris de raad kennis dat door hem zijn ingevorderd alle achterstallige vorderingen van de stad wegens de huur van gebouwen voor kazernes over de jaren 1800, 1801, 1802 en 1805. Deze bedragen, zowel voor het voormalige Oude Manhuis als wat de stad in het bijzonder competeert, een som van ƒ 4312.19.-, in vier wisselbrieven op de ontvangergeneraal D. Hooft te Amsterdam, samen groot ƒ 4000.-.- en het overige contant. De stedelijke raad verzoekt de secretaris voor het incasseren van de opbrengst van deze wisselbrieven de nodige zorg te dragen.

Stedelijk octrooi

Op de 24e november 1810 bespreekt het Stadsbestuur een brief van de Sous Prefect waarin wordt verzocht de nodige voorbereidingen voor een stedelijk octrooi. De middelen worden daarbij vermeld.
De Sous Prefect komt zelf ter vergadering en wordt ‘met alle eerbewijzen en achting aan desselfs rang en persoon verschuldigd’ ontvangen. De middelen en begroting voor het verkrijgen van octrooi voor het toekomstige onderhoud van de stad worden besproken. Het project is door de Sous Prefect overgenomen. Hij verzoekt het Stadsbestuur het verdere van het project op zich te willen nemen. De vergadering neemt deze aanbieding met dankerkentenis aan.

In december 1813 beraadslaagt het Stadsbestuur over de inning van de verenigde rechten. Gezorgd moet worden dat een van de gewichtigste stadsinkomsten, het stedelijke octrooi, niet fluctueert maar verzekerd wordt. Besloten wordt de heer W. Voorbeytel, voorlopig belast met het oppertoezicht op de inning van het stedelijke octrooi ten kantore van de ontvanger van de verenigde rechten en het stedelijke octrooi, te verzoeken zich in alles te gedragen naar de voorschriften in de Publicatie hierover en inzonderheid wat betreft de fabricage van de bieren, zodat geen onregelmatigheden plaats hebben. Hij zal verplicht zijn om dadelijk, wanneer zich enige zwarigheden opdoen, zich onverwijld tot het Stadsbestuur tot het bekomen van opheldering te wenden.

Stads leenbank

In augustus 1810 deelt de heer L. de Fouw Jzn, onder eerbiedige dankbetuiging voor de gunstbewijzen die hij vanwege de stad heeft genoten, mee dat hij de wijnkoperaffaire heeft gekocht van de heer Stokmans. Deze negotie heeft hij intussen overgenomen. Daardoor is hij niet meer in staat om nog langer de functie van boekhouder van de stads leenbank waar te nemen. Hij verzoekt eervol ontslag uit deze functie met het verzoek hem zover nodig toe te staan om door schikking met zijn opvolger een gedeelte van de woning van de Bank van lening tot november te mogen gebruiken. Hiermee wordt akkoord gegaan.
Met unanieme stemmen benoemt het Stadsbestuur de heer Pieter Engelse tot kassier van de stadsleenbank.