Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1814 - 1820)

Algemene toestand in de stad

Ook nu zijn het bewogen jaren. Weliswaar is de Franse overheersing voorbij. De nieuwe vorst, Zijne Majesteit Koning Willem I, laat zich duidelijk gelden, verscheidene keren duidelijk in het belang van de stad. Deze jaren staan de haven- en sluiswerken centraal. Ze vragen zeer veel wijsheid van het Stadsbestuur. Het sas wordt aangelegd en het kanaal gegraven. De schorren en slikken van het Goese Diep zijn ingepolderd en de vriuchtbare Wilhelminapolder is ontstaan en levert de eerste oogsten koolzaad en vlas.

De economische bedrijvigheid heeft zeer te lijden gehad onder de slechte bereikbaarheid van de stad door het dichtgeslibde vaarwater. Neringen en bedrijvigheid kwijnen.
De financiële situatie van de stad is niet rooskleurig. De armenzorg betekent een drukkende last. De commissie voor de economische spijsuitdeling, de armenwerkinrichting en de wezen- en armenschool voorzien in een grote behoefte. De gebouwen van de voormalige schutterijen krijgen een nieuwe bestemming. Dit geldt ook voor de Franse kerk en de Kleine of Gasthuiskerk. Verscheidene grote werken vinden plaats aan poorten, wallen en vesten, die de stad een ander aanzien geven.

Nasleep Franse overheersing

Naar aanleiding van een brief van de commissaris van het district Goes over maatregelen tot verhindering van desertie besluit het Stadsbestuur op de 28e december 1814 de veerschippers en voerlieden het vervoeren van militairen beneden de rang van officier zonder behoorlijk permissiebiljet te verbieden.

Op zijn verzoek wordt de Gouverneur in april 1815 bericht dat er tot nu toe geen inwoners uit Goes zijn teruggekeerd van de tocht naar Rusland onder Keizer Napoleon.

Op de 24e juni 1815 ontvangt het Stadsbestuur een circulaire van de Gouverneur. Daarbij geeft deze te kennen ‘dat het Zijne Majesteit heeft behaagd, in afwachting van de algemene dank- en bededag, te bepalen om op aanstaande Zondag in de kerken der onderscheidene gezindheden, door Lofgezangen en Dankzeggingen, de verwonnen Zegen Godsdienstig te vieren en den Allerhoogsten voor een zoo grote Weldaad als de onlangs behaalde overwinning op de Vijand gemeenschappelijk te verheerlijken’. De leraars van de godsdienstige gezindheden worden daartoe uitgenodigd.

De presiderende burgemeester legt op de 27e april 1816 een verslag over van een algehele inspectie van alle stedelijke eigendommen en van alles wat hem is voorgekomen dat gedurende de jaren van wanorde, ontvreemding en benadeling van eigendommen, privileges en rechten van burgers is ondernomen. Het Stadsbestuur betuigt haar bijzondere genoegen over de attentie van de burgemeester. Er wordt een commissie ingesteld, bestaande uit burgemeester De Leeuw en de raadsleden Slabber en Verschoor, om dit verder uit te werken.

Op de 16e mei 1816 legt de secretaris van de Commissie tot liquidatie van de achterstand en opgave over van onderscheidene bewijzen die nodig zijn voor het opmaken van de vorderingen van de stad Goes wegens gedane stortingen vanuit de stadskas in de Franse schatkist. Opgezonden worden duplicaatkwitanties van de in 1813 gestorte som van ƒ 16.000 naast de originele afrekeningen van de Franse schatkist over 1811 en 1812 en eveneens de originele kwitantie van de door de voormalige thesauriers van de stad op de 27e april 1812 overgestorte som van ƒ 9.542,36.

Engelse hulptroepen verschijnen

In januari 1814 is er sprake van aanvallen van de Engelsen op het eiland Zuid-Beveland.
Op de 5e januari bepaalt het Stadsbestuur dat de staat van de gekwetste militairen en gewapende burgers vordert dat steeds een voldoende hoeveelheid linnen en pluksel voor handen is. Er is weliswaar een bepaalde voorraad door verscheidene aanbiedingen van de ingezetenen en ‘gewis, ieder menschenvriend zal gaarne iets toebrengen tot ondersteuning van deze ongelukkigen’. Besloten wordt op de 6e januari aan de huizen van de ingezetenen een inzameling van deze benodigdheden te doen. De omroeper zal rondgaan en hiervan aan de ingezetenen kennis geven.

Het Stadsbestuur bepaalt op de 16e januari 1814 dat het van het uiterste belang is bijtijds te zorgen dat de levering van levensmiddelen aan de Engelse troepen wordt verzekerd. De beperkte voorraad, bijzonder van slachtvee, maakt het noodzakelijk om te onderzoeken hoe lang met de levering nog voortgegaan kan worden. Besloten wordt de vleeshouwers, belast met deze leverantie, op dit punt te horen. Deze verklaren nog gedurende twee maanden met het leveren van het benodigde vlees te kunnen voortgaan.

Ook op de 16e januari worden de gemeentebesturen dringend verzocht om de Engelse troepen op hun aanvraag te voorzien van wat zij voor hun proviand nodig hebben.
Het blijkt dat de voorraad jenever bij de wijnhandelaren gering is. Het is onmogelijk om gedurende de aanhoudende vorst toevoer uit Holland van jenever te verkrijgen. Juist ligt de zetschipper Marinus Huysen uit Middelburg in de haven met een vracht jenever aan boord met een hoeveelheid van vijf okshoofden en 75 stukken ieder van over drie okshoofden, toebehorende aan de heer Dagnedu. Deze partij jenever wordt gevorderd en aan de Engelsen geleverd.
Maar schipper Huysen verzoekt vrijheid om de jenever zelf te leveren, mits de prijs niet beneden de twintig pond per okshoofd is. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

De slachters, belast met de aankoop van vlees voor de Engelse troepen, verklaren op de 24e januari buiten staat te zijn nog verder in de leverantie van vlees te voorzien.
De vleeshouwers Pieter Zeegers, Hendrik Mackay, Jacobus Temperman en Pieter Verhoef verbinden zich om het gevorderde slachtvee bij taxatie te leveren. Besloten wordt tot taxateurs van het slachtvee, dat binnen de stad ten dienste van de Engelse troepen zal worden geleverd, te benoemen Pieter Proos en Jan Boddingius.
De vleeshouwers hebben 117 stuks slachtvee ingevoerd zonder betaling van het stedelijke octrooi. Voor de invoer zijn ze verschuldigd 1872 francs. Besloten wordt dat de vleeshouwers zullen kunnen volstaan met betaling van acht francs inplaats van de werkelijke belasting van zestien francs.

Op de 24e januari 1814 besluit het Stadsbestuur op het rapport van magazijnmeester Langguth een aantal broodbakkers te gelasten tot het leveren van 150 commiesbroden van drie stuivers per stuk voor de Engelse troepen. Het zijn Hendrik de Jonge, Leendert Breker, Frans van Hall, Jacobus Barbier, Marinus Corbeel, Jan Eckhardt en Adriaan Verburg.

Op de 10e februari 1814 komt er een verzoek om opgave te doen van de gebouwen en stallen die voor logement van de Engelse troepen kunnen dienst doen alsook van de fournituren zoals matrassen, peluwen, dekens etc. en de staat waarin deze verkeren.

Ook begin maart 1814 vordert de districtcommissaris zes koebeesten voor de Engelse troepen. Deze worden geleverd door de vleeshouwers Jacob Sandee, Jan Pijke, Gerard Bakker, Hendrik Jan op ’t Hof, Adriaan de Dreu en Maarten Verdonk. Enkele dagen later worden nog eens drie koebeesten gevorderd, die geleverd worden door Jan Soutendam, Thomas de Roo en Jacobus Foortsen.
Ook op de 30e maart worden voor de Engelse troepen drie koebeesten gevorderd. Deze worden geleverd door Jan van Waarde en Dingenis den Herder.

Op de 7e april 1814 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de districtscommissaris met de eis dat de stad Goes in het contingent van het departement tot levering van 63 paarden een bijdrage moet leveren van drie paarden niet jonger dan vijf en niet ouder dan tien jaar, goed en sterk, vrij van zichtbare gebreken. Op vrijdag de 8e april moeten zes paarden worden gepresenteerd door een lid van het Stadsbestuur. Daaruit zullen dan drie paarden worden gekozen, zijnde het contingent van de stad.
Op de 9e april vordert de districtcommissaris 24 wagens, bespannen met twee paarden, en vijftien losse paarden met harnas en dubbele strengen om zich op de eerste oproep naar Yerseke te begeven.

De burgemeester geeft op de 17e december 1814 te kennen ‘dat op heden de verjaring van onze verlossing door de aankomst der Engelse hulpbenden, onder aanvoering van den dapperen Bevelhebber Oiven, het hem voegzaam oordeelde om dat gewichtige evenement met een plechtige luister te vieren en te dien einde de heren welke hem in die hachelijke ogenblikken hadden bijgestaan te doen delen in de hulde die hij voornemens was der gewapende burgermacht als dankbetuiging voor hunne ijver en welwillendheid in het beoefenen van de wapenen te brengen’.

De Gouverneur vraagt in april 1815 om een opgave van schepen in de Goese haven die gemist kunnen worden. Het Stadsbestuur bericht dat er zich hier thans geen geschikte schepen bevinden en ook niet gemist kunnen worden zonder dat dit de grootste belemmering aan de binnenlandse handel zou veroorzaken. Het aantal schepen in de stad is sinds de Franse overheersing namelijk aanmerkelijk verminderd.

Bijzondere gebeurtenissen

Branden in dorpen Vriezenveen, den Ham en Wanneperveen
In september en oktober 1814 woeden er grote branden in de dorpen Vriezenveen, den Ham en Wanneperveen. Op verzoek van Zijne Majesteit de Koning wordt in april 1815 een collecte gehouden voor de ingezetenen van deze dorpen tot leniging van hun nood door het afbranden van 29 woningen en turfschuren en het verlies van al hun goederen en vee. De predikanten geven hiervan op zondag aan hun gemeenten kennis en wekken hun milddadigheid op. De collecte op de 1e mei 1815 brengt 93 gulden op.

Watersnood in Gelderland en Zuid-Holland

Op de 20e november 1816 wordt er een algemene collecte gehouden voor de noodlijdenden door de watersnood in Gelderland en Zuid-Holland. De collecte langs de huizen brengt op ƒ 519.1.8. Daarnaast is in de besloten kist op het Stadhuis gedeponeerd ƒ 59.5.0 en door inschrijvingen ontvangen ƒ 65.0.0. In totaal bedraagt de collecte derhalve ƒ 643.6.8.

Eerbetoon aan Frans Naerebout
De aan lager wal geraakte mensenredder Frans Naerebout was door de zeeblokkade van het Continentaal Stelsel als zeeloods brodeloos geraakt. Hij teerde nog op de roem die hij verkreeg na het redden van honderden zeelieden van gestrande schepen. Directeur van de Wilhelminapolder Van den Bosch bezorgde hem werk en een vast inkomen.

Er vindt op de 28e september 1816 een officiële plechtigheid plaats ter gelegenheid van de uitreiking van een geschenk aan de mensenredder Frans Naerebout, thans inwoner van de stad. In de Goessche Courant wordt door de redacteur ‘een aanstootgevende advertentie’ opgenomen. Deze behelst de mededeling dat in het relaas van de plaats gehad hebbende openbare plechtigheid van het Departement bij het uitreiken van een geschenk aan de achtenswaardige Frans Naerebout de stedelijke regering abusievelijk in rang voor de rechtbank was vermeld. Dit blijkt buiten medeweten van het Departement te zijn gebeurd.

Op de 12e december 1816 verzoekt de heer M. Slabber, als president van het in de stad opgerichte Departement der Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij, het departement de eer aan te doen om op aanstaande woensdagmorgen om tien uur op het Stadhuis te assisteren bij haar vergadering. Daarin zal aan een van de leden een zilveren medaille namens de maatschappij als een ereprijs worden geschonken. Deze persoon is kennelijk de te Goes wonende mensenredder Frans Naerebout.
Want op de 14e december verzoekt de Gouverneur hem te informeren waarom de persoon van Frans Naerebout, benoemd tot Broeder van de Orde van de Nederlandsche Leeuw, de ontvangst van dit Ereteken niet heeft geaccepteerd. Nadat Naerebout hierover gehoord is wordt de Gouverneur geantwoord dat ‘hij onbekend is geweest met zijn verplichting om de ontvangst te berichten, doch zulks als nu dadelijk zal doen’.


Op de 18e december 1819 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de bestuurders van het Goessche Departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Daarin wordt kennis gegeven van de plechtigheid die op maandag 20 december op de middag zal plaats hebben ter gelegenheid van het plaatsen van een erezerk op het graf van Frans Naerebout. Het Stadsbestuur wordt uitgenodigd om met een commissie uit de vergadering deze plechtigheid bij te wonen. Het Stadsbestuur vaardigt de raadsleden Noël, Van Dorth en Eltzmann en de secretaris af om deze plechtigheid bij te wonen.
Op deze maandag zal gedurende de gehele dag de wandelkerk gesloten blijven.

Op de 8e juli 1820 ontvangt het Stadsbestuur van de boekdrukker Kleeuwens drie exemplaren van ‘de Lofrede op Frans Naerebout, uitgesproken in de vergadering van het Goessche Departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op 20 december 1819’. Deze boekwerken worden aan het Ministerie van Binnenlandse zaken opgezonden.

Overstromingen in Gelderland, Holland en Noord Brabant
De Gouverneur geeft in februari 1820 kennis van de ontzettende overstroming die een aantal ingezetenen in Gelderland, Holland en Noord Brabant in de grootste rampspoed heeft gedompeld. Hij doet een oproep om mildelijk bij te dragen. Het Stadsbestuur besluit de oproep van de Gouverneur dadelijk te publiceren, de predikanten van de hervormde gemeente en de pastoor van de rooms-katholieke gemeente uit te nodigen om deze aan hun gemeenten bekend te maken en tot mededeelzaamheid op te wekken en een commissie voor de inzameling van giften te benoemen. De commissie bestaat uit de heren G. de Leeuw, president, M. Slabber, J.H. Verschoor van Nisse, J.N. van der Bilt, mr. J. de Backer, P. Ossewaarde, A.W. Mirandolle, ds. J. de Kanter, ds. C. Colmschate, J. van der Heyden, J. Soetebier, H. Lenshoek, mr. J.J. van Deinse en L. de Fouw.
De inzameling is een succes. Tot de 21e februari is de opbrengst van de collecte ƒ 1997,95 + een zak bruine boontjes.

Schade door stormvloed op 28 februari 1820
Het Stadsbestuur rapporteert op de 1e maart 1820 aan de Gouverneur over de stormvloed die op gister de sas- en havenwerken van de stad in gevaar heeft gebracht met het verzoek om die werken in deze bijzondere omstandigheid aan de aandacht van de ambtenaren van de Waterstaat aan te bevelen. De Gouverneur deelt een week later mee dat de Griffier van de Staten namens hem de volgende dag binnen de stad zal aankomen om de door de jongste storm veroorzaakte schade in ogenschouw te nemen.
Bij de inspectie zijn de hoofdingenieur Schraver en burgemeester De Leeuw aanwezig. De hoofdingenieur geeft tijdens het bezoek te kennen dat de nodige voorzieningen aan de dijken zullen worden bewerkstelligd. Hieraan schijnt men daadkrachtig werkzaam te zijn, zodat ook daardoor de veiligheid van de sluis verzekerd wordt.