Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1814 - 1820)

Bakkers

Tot commissarissen voor het inspecteren en toezicht houden op de samenstelling van het brood worden in september 1814 benoemd P. Engelse, F. van Hall en J.G. Eckhardt. Ze krijgen opdracht om toezicht te houden en te zorgen dat het brood met geen ongeoorloofde bestanddelen wordt vermengd en dat het meel en deeg van de vereiste kwaliteit is. Als ze dit constateren moeten ze dit dadelijk aan het Stadsbestuur melden.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 21e september 1814 verschijnen 26 bakkers om de bij artikel 30 van de Ordonnantie op het gemaal voorgeschreven eed af te leggen. Het zijn de bakkersbazen Frans Susijn, F. Briels, J.G. Eckhardt, Marinus Corbeel, J. Vertregt, J. Bevier, Nicolaas Vertregt, Jan van Sprang, Adriaan Verburg (Grote Kade), Anthonie Oostveen, C. Cornelis, Cornelis Knoet, Hendrik de Jonge, Ben J. den Boer, de weduwe P. van Strijen, de weduwe Anthonie Lensen, Frans van Hall, Bernardus den Deken, Ivo de Kaar, Hendrik op den Kamp, G. Zandijk, de broodbakkers L. Breker, A. Juin en J. Lubeijn en de koekbakkers Cornelis Harinck en Johannes Harinck.

De meester broodbakker Adriaan Verburg deelt het Stadsbestuur in september 1814 mee dat hij, onkundig met de wetten terzake, in zijn woonhuis op de Grote Kade in wijk D nummer 250 zonder vergunning een schoorsteen heeft laten bouwen. De pijp hiervan is aangebracht in en tegen de muur van het woonhuis in wijk D nummer 249 van de meester goud- en zilversmid Johannes de Leeuw. Hij krijgt alsnog toestemming voor het behoud van deze pijp.

In september 1815 vestigt zich als bakker in de stad Bart van Hessel. Hij krijgt vergunning om in zijn woonhuis op de Kaaij in wijk D nummer 43 de broodbakkeraffaire te beginnen. Hij moet de oven die in dit huis staat wel laten inspecteren.
Ook Sara Maria de Zager, weduwe van Jacob Visser, krijgt in maart 1816 vergunning om in haar woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk A nummer 181 een broodbakkerij te stichten.
De koekenbakker Johannes Harinck mag in mei 1816 een jaagschoorsteen op zijn huis aan laten brengen. Ook bakker Hendrik Muller krijgt hiervoor toestemming in zijn huis aan de Lange Vorststraat, evenals bakker Johannes Dekker in zijn huis aan de Ganzepoortstraat.
In februari 1818 krijgt Pieter Engelse junior vergunning om in het woonhuis aan de Lange Kerkstraat nummer 38/40 in wijk A nummer 177 de konfituriers- en banketbakkersaffaire uit te oefenen. Hiervoor mag hij een fornuis en bakoven en een uitstekende toonkast aan de straat laten maken.

Op verzoek van de commissarissen en pasmeesters van het brood besluit het Stadsbestuur in februari 1817 de prijzen van het kleine gebak te verhogen. De enorme duurte van de granen laat het niet toe om het gewicht van dat gebak in evenredigheid met de prijzen te verminderen. De bakkers en broodverkopers worden gelast het kleine gebak, dat op de tegenwoordige voet zal moeten worden gewogen in zijn deeg, overeenkomstig het voorschrift van de pasbiljetten te verkopen voor de volgende prijzen:

koeken:
1 koek 1⅞ cent;
2 koeken 3¾ cent;
25 koeken 40 cent.

klein beschuit:
2 beschuiten 1⅞ cent;
4 beschuiten 3¾ cent;
25 beschuiten 20 cent;
100 beschuiten 80 cent.

groot beschuit:
1 beschuit 1⅞ cent;
25 beschuiten 40 cent;
100 beschuiten 160 cent.

mestellen:
1 mestel 5 duiten of 1⅞ cent;
13 mestellen 7½ stuivers of 37½ cent;
15 mestellen 15 stuivers of 75 cent;
100 meestellen 60 stuivers of 300 cent.

Provinciale Staten stellen in juli 1818 het Reglement op de zetting van het brood binnen de provincie Zeeland vast. In dit Reglement wordt aan de plaatselijke besturen overgelaten om door plaatselijke verordeningen tot gerief en gemak van de ingezetenen in overeenstemming met de bestaande gebruiken zodanige bepalingen te maken als het belang met inachtneming van het provinciale Reglement vordert. Dit is de aanleiding dat het Stadsbestuur het ‘Reglement op het bakkers-, brood- en meelverkopersbedrijf binnen de stad Goes’ vast stelt. Enkele artikelen uit het Reglement volgen hierna:

Artikel 1
De zetting van het brood zal geschieden naar een onveranderlijk gewicht.

Artikel 2
De bakkers zullen voor het bakken van een metrieke mudde meel, welke hun door particulieren ter verbakking wordt gebracht, genieten in deeg ƒ 1,25 en in meel ƒ 2,18¾, uitgezonderd de godshuizen en armeninrichtingen; deze zullen slechts ƒ 1,35 betalen.

Artikel 4
Het maalloon van een metrieke mudde beestevoeder wordt bepaald op 34½ cent.

Artikel 5
Door burgemeesters zullen benoemd worden drie met het vak bekende commissarissen, die met beide burgemeesters en twee leden uit de raad het nodige toezicht zullen houden dat aan de bepalingen van dit reglement wordt voldaan.

Artikel 6
Van de namen en merken van de broodbakkers en brood- en meelverkopers zal een lijst geformeerd en ter stadssecretarie gedeponeerd worden.

Artikel 7
De commissarissen zullen ook toezien op de kwaliteit van het meel en deeg en bij bevinding dat het niet zuiver of goed is, dadelijk aan de burgemeesters kennis geven.

Artikel 10
Boven en behalve de broodsoorten bij het reglement aan de zetting onderhevig verklaren wij ook daaraan onderworpen al datgene wat hier ter stede gebruikelijk was als: mestellen en groot beschuit, kranselingen, koeken en klein beschuit, tarweblom, tarwemeel en roggemeel.

Tot uitvoering van artikel 5 worden uit de raad benoemd de heren Noël en Van Dorth. Verder worden tot commissarissen benoemd Pieter Engelse, Cornelis van de Velde en Marinus de Goffau.

In oktober 1819 sturen de gezamenlijke broodbakkers van de stad een memorie aan de Gouverneur over gehele of gedeeltelijke opheffing van de stedelijke belasting op het gemaal.

Het Stadsbestuur overweegt in november 1819 dat de binnen de stad bestaande belasting op de gemalen rogge zwaarder is dan in de andere steden van de provincie. Dit schijnt de zoete koekbakkers in die steden aan te sporen om vooral op marktdagen, wanneer het grootste vertier plaats vindt, aanzienlijke hoeveelheden zoete koek en ander koekbakkergebak tot verkoop in te voeren en openlijk op de markt voor mindere prijzen dan de binnen de stad gevestigde bakkers te verkopen. Wat deze niet dan tot hun schade, immers zeker niet dan voor minder voordeel dan de vreemden, kunnen navolgen.
Het Stadsbestuur oordeelt dat de herhaaldelijk geuite klachten van de Goese bakkers gegrond zijn. Besloten wordt Gedeputeerde Staten te verzoeken vast te stellen dat onder de stedelijke belasting, die op de gemalen rogge geheven wordt, ook zal begrepen zijn alle gemalen rogge of roggemeel, met andere speciën vermengd, tot deeg gekneed of tot koek of ander gebak verbakken, wat binnen de stad zal worden ingevoerd en dat al hetzelve zal onderworpen zijn aan een stedelijke belasting, de vermengde rogge of roggemeel en de zoete koek van ƒ 1,50 en het klein gebak of pondegoed van ƒ 2,50 de honderd Amsterdamse ponden, kleinere kwantiteiten naar avenant.

In maart 1820 ontvangt het Stadsbestuur opnieuw klachten van de bakkers. Het gaat over de aanzienlijke invoer van zoete koek en ander klein gebak, dat door lieden van buiten de stad, vooral op marktdagen, wordt uitgevent en verkocht. Dat gebeurt meestal voor mindere prijzen dan de Goese bakkers kunnen volgen, aangezien de binnen de stad geheven belasting op de gemalen tarwe en rogge hoger is dan in andere steden van de provincie. Op het platteland is deze zelfs in het geheel niet belast. Waar het gebak niet aan stedelijke belasting onderhevig is kan het dus vrij worden ingevoerd. Het Stadsbestuur voelt met de klachten van de bakkers mee en is van oordeel dat deze gegrond zijn en het billijk is dat daar tegen maatregelen worden getroffen.
Er wordt een Reglement voor de stedelijke belasting op de zoete koek en het zogenaamd pondegoed vastgesteld.

Beurtveren

Beurtveren algemeen
In september 1814 zijn er klachten van de beurtlieden en schippers van de stad over het vervoeren van vrachten door vreemde en elders wonende schippers. Ze dringen aan om te voorzien in de misbruiken die daaruit tot nadeel van de Goese ingezetenen kunnen voortvloeien. Het Stadsbestuur besluit dat voortaan in de haven of het sas van de stad niet zal mogen worden geladen door vreemde en elders wonende schippers zolang er van de binnen de stad wonende schippers buiten lading liggen. Hierop zijn nochtans uitgezonderd die schepen die met een vracht in de haven aankomen en daarna met dezelfde vracht weer vertrekken.

Het Stadsbestuur onderhoudt in februari 1816 de commissaris van de veren Adriaan Bosdijk ‘over zijn bovenmatige vorderingen van vrachten en onkosten’. Hij moet zich stipt naar de bestaande of verder nog vast te stellen reglementen gedragen en nauwkeurig aantekening houden van het aantal wagens dat voor iedere lossing gebruikt wordt en bij iedere partij vrachtgoederen het verschuldigde voor scheeps- en wagenvrachten ieder afzonderlijk noteren. Bosdijk verklaart op deze wijze niet te willen werken en dan liever afstand te doen van zijn functie. Als hij bij dit standpunt blijft besluit het Stadsbestuur hem ontslag te verlenen. In de vacature, waarnaar 17 personen solliciteren, wordt Willem de Fouw Jzn. benoemd.

In maart 1816 worden de vrachtlonen voor de beurtveren opnieuw vastgesteld, te weten voor het veer op Middelburg, Bergen op Zoom en Tholen; voor het veer op Vlissingen; voor het veer op Rotterdam; voor het veer op Dordrecht; voor het veer op Gouda, mitsgaders op Delft, ’s-Gravenhage en Leiden; voor het veer op Haarlem en Amsterdam en voor het veer op Zierikzee.
Dit is echter aanleiding voor de beurtschippers Adriaan de Besten, Janus Reijnhout en Willem Verstrate van deze stad op Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg om bezwaar te maken tegen de opnieuw vastgestelde vrachtlonen. De meeste van deze vrachtlonen zijn zo gering dat ze hierdoor geen genoegzaam bestaan zullen hebben. Het Stadsbestuur besluit hen een passende verhoging op de vrachtlonen toe te staan. Met de stadsbesturen van Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg wordt in overleg getreden om de vrachtlonen vanaf deze steden op gelijke voet te brengen.

Cornelis Katsman en Adriaan de Besten, beurtschippers op Amsterdam vice versa, verzoeken in juli 1816 de vrachtlijst voor de beurtschippers op Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg, zoals die op 14 april is vastgesteld, te herzien en te bepalen op de helft inplaats van eenderde hoger dan de daarin opgenomen tarieven voor vrachten van de andere schippers. Het Stadsbestuur willigt hun verzoek in.

In oktober 1816 rijzen er bedenkingen over de bediening van de beurtveren. Ook zijn er klachten van ingezetenen over de willekeurige handelwijze met name van de Amsterdamse, Goudse en Dordtse beurtschippers, die volstrekt geen regel houden in de tijd van hun vertrek naar die plaatsen. Daaruit vloeit van zelf voort dat hun retour en dus de aanvoer van goederen van elders even onzeker is. Dit kan niet anders dan strekken tot nadeel van de ingezetenen en tot belemmering van de handel. Het is ook strijdig met de bestaande ordonnanties en reglementen. Het Stadsbestuur besluit deze beurtschippers aan te schrijven en zeer ernstig te gelasten om hun veren stipt volgens de bestaande ordonnantiën te bedienen en vooral er voor te zorgen dat hun vertrek van en naar deze stad regulier op de bestemde tijden plaats vindt. Ook behoren de ingezetenen en verdere belanghebbenden behoorlijk te worden geriefd en daardoor het belang van de handel van fabrieken en neringen te worden bevorderd.

In september 1818 verzoeken Gedeputeerde Staten van Zeeland de ordonnantiën op de beurtveren op te sturen. De ordonnantiën en reglementen voor de beurt- en veerschepen van Goes op Middelburg, Bergen op Zoom, Tholen, Vlissingen, Rotterdam, Dordrecht, Gouda, Delft, Leiden, den Haag, Haarlem, Amsterdam en Zierikzee worden opgezonden.

In september 1819 doet zich een probleem voor met betrekking tot de commissaris van de veren. Door de vaststelling van een nieuwe Ordonnantie voor het beurtveer op Rotterdam zal de commissaris van de veren van de stad een belangrijk gedeelte van zijn bestaan gaan missen. De commissaris heeft de functie van bestelmeester, zonder enige andere beloning dan die uit het commissarisschap van de veren voortspruit, tot hiertoe waargenomen. Een vermindering van beloning zou onbillijk zijn. De commissaris-bestelmeester wordt dan ook belast met de directie over de stedelijke arbeiders, voorzover het het bezorgen van de met beurtschepen aangebrachte goederen betreft. Ook wordt hij belast met het ophalen en ontvangen van de daarvoor verschuldigde arbeidslonen, waarvan hij behoorlijke aantekening zal moeten houden.

In juli 1820 komen er verzoekschriften bij het Stadsbestuur binnen van Jacobus Benjaminse, Paulus de Kok, Gijsbertus Klop, Johannes den Boer en Marinus de Fouw, alle schippers van en op Goes varende. Ze verzoeken, niettegenstaande hun schepen groter zijn dan vier last, in de haven van de stad, de wind dienende, te mogen zeilen.
Het Stadsbestuur bepaalt dat ze voorlopig en tot nadere beschikking zullen worden toegelaten om met schepen van zeven last en daar beneden in de binnenhaven voor of bij de wind te zeilen, zonder immer te mogen laveren.

Beurtveer op Antwerpen
In deze jaren komen we nauwelijks gegevens over het beurtveer op Antwerpen tegen. Abraham Kleijn, koopmansbode van Goes op Antwerpen, wordt ontslag verleend.
In juni 1819 verzoekt Adriaan Benjaminse begunstigd te worden om beurtschipper van Goes op Antwerpen te zijn. Burgemeesters en schepenen van Antwerpen worden hiervan kennis gegeven en uitgenodigd tot het instellen van een geregeld beurtveer tussen Antwerpen en Goes. In het geval Antwerpen hiermee instemt, wordt voorgesteld Benjaminse ook van hun zijde toe te laten.

Beurtveer op Bergen op Zoom
Deze jaren is er ook een beurtveer op Bergen op Zoom vice versa. In oktober 1819 krijgt de te Bergen op Zoom wonende Marinus de Fouw een aanstelling als beurtschipper op dit veer.

Beurtveer op Dordrecht
Het al sinds mensenheugenis bestaande beurtveer op Dordrecht rendeert onvoldoende. De beurtschipper Jan Dalebout verzoekt in februari 1820 ontslag vanwege het geringe rendement van dat veer.

Beurtveer op Gouda en Delft
In tegenstelling tot het beurtveer op Dordt wordt wel weer brood gezien in herstel van het aloude beurtveer op Gouda. In juli 1816 verzoeken de beurtschippers op Amsterdam en Haarlem, Cornelis Katsman en Adriaan de Beste, ‘in het belang van de ingezetenen en de herstelling van het voormaals bestaan hebbende veer op de stad Gouda’, aangesteld te worden tot beurtschippers op Gouda. Het gemeentebestuur geeft hen toestemming. Ze mogen de vertrektijden afstemmen op die van hun beurtveren op Amsterdam en Haarlem.


Beurtveer op Middelburg

Naast het beurtveer Goes-Middelburg is er ook een speciale koopmansbode op Middelburg. In december 1814 krijgt het gemeentebestuur van de burgemeester van Middelburg een brief over de benoeming van Leendert de Waard tot koopmansbode op Goes met het verzoek om deze bode binnen Goes toe te laten.
In februari 1817 wordt in overeenstemming met het Stadsbestuur van Middelburg besloten een van beide functies van koopmansbode tussen Goes en Middelburg op te heffen. Om beurten zal een van de steden de overblijvende plaats invullen. De thans fungerende koopmansbode van Middelburg, Leendert de Waard, wordt voorlopig de gemeenschappelijke koopmansbode.

In november 1818 komt de koopmansbode De Waard op Middelburg echter in strijd met ‘enerzijds wat tot de brievenpost behoort en anderzijds wat tot de beurtschipper behoort’.
De beurtschipper van Goes op Middelburg v.v. doet zijn beklag dat de koopmansbode zich belast met het vervoeren van grote pakketten en balen. Dit behoort echter tot de vracht van de beurtschipper. Hij verzoekt de burgemeester van Middelburg op grond van zijn instructie, waarbij dit is verboden, tot conservatie van het beurtveer hiertegen maatregelen te nemen.
Bepaald wordt dat de koopmansbode van Goes op Middelburg v.v. voortaan geen pakketten met papieren mag vervoeren die uitsluitend door ’s Rijks brievenpost behoren te worden verzonden.
In september 1819 verzoekt en krijgt de koopmansbode De Waard eervol ontslag. Hij vermeldt niet de reden van zijn verzoek.
Onder de sollicitanten bevindt zich de beurtschipper op Middelburg Willem Verstraate. Als reden geeft hij op dat het beurtveer geen voldoende bestaan oplevert. Het gemeentebestuur van Goes stelt de burgemeester van Middelburg voor om de bediening van koopmansbode met die van beurtschipper te verenigen. De aanstelling van de beurtschipper/koopmansbode zou dan beurtelings moeten plaatsvinden.
De stadsregering van Middelburg gaat akkoord met de combinatie van beide posten. Overeen gekomen wordt de Instructie per 1 december 1819 zodanig te veranderen dat hij elke week op woensdag en zaterdag van Middelburg naar Goes zal vertrekken en op maandag en donderdag van Goes naar Middelburg.


Beurtveer op Rotterdam
In juni 1814 blijkt dat de beurtschipper van Goes op Rotterdam vice versa, Marinus Goeree, z’n zaken niet naar behoren regelt. Om die reden wordt zijn borgtocht ingetrokken.
De beurtschipper van Rotterdam op Goes, Jan Hendrikus van den Akker, krijgt in oktober 1817 toestemming om ook als beurtman van Goes op Rotterdam te varen.

Kennelijk is er eind oktober 1817 toch een nieuwe beurtschipper op Rotterdam, namelijk Abraham Biersteker.

Beurtveer op Veere
Ook het vanouds bestaande beurtveer van Goes op Veere vice versa heeft stil gelegen. In april 1816 verzoekt Gijsbregt Klop als beurtschipper op Veere vice versa te worden aangesteld. Het gemeentebestuur overweegt dat het tot gerief en gemak van de ingezetenen kan verstrekken dat het beurtveer op Veere er weer is. Besloten wordt het veer weer te heropenen.


Beurtveer op Zierikzee

In juni 1814 krijgt Paulus de Kok, burger van Zierikzee, een aanstelling tot beurtschipper van Zierikzee op Goes vice versa. Enkele maanden later legt de burgemeester van Zierikzee een door hem opgesteld conceptreglement voor de beurt- en veerschipper van Zierikzee op Goes en vice versa aan het gemeentebestuur van Goes voor met het verzoek om dit gecombineerd vast te stellen. Hiermee wordt akkoord gegaan.
Er doen zich echter in november 1817 moeilijkheden tussen beide gemeentebesturen voor.
Door ‘zijn ongehoorzame en beledigende handelwijze’ wordt de beurtschipper van Zierikzee op Goes, Paulus de Kok, door het gemeentebestuur van Goes geschorst. De andere beurtschipper, Jacobus Benjaminse, moet het veer voorlopig alleen uitoefenen.
Zierikzee wordt verzocht hetzelfde te besluiten. Maar het Stadsbestuur van Zierikzee heeft een geheel andere mening. Het is ontstemd over de schorsing en verzoekt deze met de meeste spoed ongedaan te maken. Het Stadsbestuur van Goes is hiertoe niet genegen, omdat De Kok op dezelfde onbehoorlijke wijze blijft voortgaan. Overwogen wordt zelfs hem te ontslaan. Kennelijk volgt er een minnelijke schikking.
Want in juli 1820 verzoeken Benjaminse en De Kok als beurtschippers van en op Zierikzee om, in plaats van telkens de bij tarief bepaalde schutgelden te betalen, akkoord te gaan met een maandelijks abonnement van ƒ 5 respectievelijk ƒ 2,60. Hierdoor zullen ze maandelijks een zekere som voor schutgeld betalen in plaats van daartoe voor elke reis volgens het tarief gehouden te zijn. Goes is niet ongenegen tegen een maandelijks bedrag van ƒ 5 ieder de vrije doorvaart door de schutsluizen te verlenen. Ook Zierikzee gaat hiermee akkoord. De maandelijkse vergoeding van vijf gulden gaat in per 15 september 1820.

Brouwerijen

In september 1814 leggen de vier brouwersbazen de eed van trouw aan het bewind af. Het zijn de weduwe De Roo, J. van ’t Westeinde (van ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt nummer 1), J. de Jongh (van ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat nummer 29), J. de Wagter, Jan Broeks en P. Bordoux.
De bierbrouwers Jacobus de Jongh en zoon van brouwerij ‘de Gans’ krijgen in september 1815 een berisping omdat ze zich niet houden aan de stedelijke ordonnanties. Ook krijgen de bierbrouwers Van de Putte en zoon van brouwerij ‘het Witte Claverblad’ in mei 1818 een proces verbaal van de controleur der stedelijke belastingen wegens weigering van een visitatie in zijn fabriek door de commies Barens.

In maart 1818 dienen de bierbrouwers binnen de stad bezwaar in tegen de hoge belasting op de bieren ‘als surpasserende het maximum bij de wet bepaald mitsgaders tegen de formaliteiten welke bij de vastgestelde ordonnantiën van hen worden gevorderd’. Hierover vraagt het Stadsbestuur het gevoelen van Gedeputeerde Staten.
De overeenkomsten voor de bieren in hun bouwerijen die binnen de stad worden gebrouwen worden in juni 1818 tot wederopzegging goedgekeurd. De brouwers De Jongh en Van de Putte hebben zich ieder verbonden tot een maandelijkse betaling van tien gulden en de brouwer van ’t Westeinde van zes gulden.
Gedeputeerde Staten vragen in juni een opgave hoeveel bier van gewone kwaliteit de brouwers binnen de stad met een roerkuip van een zekere bekende grootte gemiddeld brouwen. Na het inwinnen van advies van de controleur en ontvanger van de stedelijke middelen antwoordt het Stadsbestuur dat door de brouwers dooreen gerekend met een roerkuip van 70 ankers 19 à 20 ton bier gebrouwen wordt.

Op de 19e januari 1819 is er een publieke verkoping van de brouwerij ‘Het Witte Claverblad’. De Goessche Courant van 4 januari 1819 vermeldt het volgende:

Publieke verkoping op 19 januari 1819, des avonds om 6 uur, in de herberg de Oude Zoutkeet, bij Cornelis de Jonge, van een welbeklante bierbrouwerij, genaamd Het Wit Claverblad, voorzien van twee extra schoone brouwputten, staande te Goes op de Beestenmarkt, in wijk B nummer 194, met hecht, sterk, welbetimmerd en zeer specieus woonhuis, schuur, stalling, verdere lokalen en erve, benevens pakhuis, wijk B nummer 197, en daar achter liggende 180 roeden moestuin; en bij welke aan de koper zullen volgen alle de brouwersgereedschappen, vaatwerk, wagens, vier paarden en verder toebehoren, aankomende de heer Jan Jacobse van ’t Westeinde. Informatie te bekomen bij de eigenaar en notaris Leonard de Fouw te Goes.

Met ingang van 1820 wordt het ravelijn achter brouwerij ‘Het Witte Claverblad’ voor 21 jaar verpacht aan Nicolaas Vervenne tegen betaling van 24 guldens per jaar. Dit is onverminderd het recht dat de stad heeft op de ravelijnen in het algemeen.

De weduwe Elisabeth Slimmens-Sonneville verzoekt in maart 1820 op erfpacht of cijns te worden afgestaan ongeveer tien roeden stadsgrond, liggende tegen haar grond aan de stadswal achter de brouwerij ‘de Claver’ tegen het Ravelijn de Groene Jager, in gebruik bij Nicolaas Vervenne en waarvan vier roeden behoren aan het ravelijn. Overwogen wordt dat het verzoek voordelig is voor de stadsfinanciën en van de betreffende grond thans geen inkomsten worden genoten. Het verzoek wordt geaccordeerd.
Ook bierbrouwer Jacobus de Jongh & zoon verzoekt in april 1820 hem op erfpacht uit te geven een stukje land van de stad van 225 roeden, liggende aan de westzijde van de stadswal achter en tegen hun brouwerij, dat thans bij hen in pacht is. Besloten wordt hen in erfpacht uit te geven 225 roeden stadsgrond, gelegen achter hun brouwerij.

Gedeputeerde Staten vragen in april 1820 informatie of het van belang wordt geoordeeld om maatregelen te nemen tegen het misbruiken en weerloos maken van brouwersvaatwerk. Het Stadsbestuur vraagt hierover informatie van de bierbrouwers binnen de stad. Deze verklaren dat zodanige maatregelen voor hun trafieken van het uitgebreidste nut worden beschouwd. Het Stadsbestuur antwoordt dan ook dat het vaststellen van zulke bepalingen niet dan nuttig kan zijn.

Chocoladefabriek

In oktober 1816 vestigt de fabrikant Pieter Remijn in zijn pelmolen op het Ravelijn de Grenadier een chocoladefabriek. Hij verzoekt dat:

  1. aan de beurtschippers op Amsterdam en Gouda een vaste tijd mag worden voorgeschreven om geregeld van deze stad te vertrekken;
  2. hem wordt vrijgelaten om zijn gefabriceerde chocolade door zijn eigen knechts te doen scheepvoeren en hij dan, en dus ingeval hij van geen stedelijke arbeiders gebruik maakt, mag volstaan met betaling van een stuiver per kist;
  3. het arbeidsloon van iedere Goessche zak gort mag worden bepaald op acht penningen inplaats van de bij ordonnantie bepaalde twee stuivers per baal.

Het Stadsbestuur besluit de beurtschippers te gelasten zich aan vaste tijden te houden. Ook zijn tweede verzoek wordt ingewilligd. Wat het derde verzoek betreft wordt besloten dat Remijn voortaan zal kunnen volstaan met betaling van het volgende arbeidsloon voor de gort die door hem uit zijn fabriek naar elders wordt afgezonden: beneden de tien zakken die tegelijk worden verzonden één stuiver per Goessche zak en van tien zakken en daar boven acht penningen per Goessche zak.

Herbergen, kroegen, koffiehuizen en slijterijen

Herbergen en koffiehuizen
In juli 1816 verzoekt Jan Rottier, herbergier aan de Westerschans aan de stadshaven, vergunning om in zijn daar staande herberg en danszaal op zon- en feestdagen, buiten de uren van de godsdienstoefeningen, muziek- en dansuitvoeringen te geven. Het Stadsbestuur geeft hem te kennen dat in zijn verzoek niet kan worden getreden ‘naardien de Staten van Zeeland op 4 oktober 1815 het toestaan van zodanige permissiën hebben verboden’. Rottier wendt zich daarop tot de Staten van Zeeland. Deze verwijzen hem terug naar het Stadsbestuur. Gelet op de plaatselijke omstandigheden dient dit maar een besluit te nemen. Het Stadsbestuur is van oordeel dat in het algemeen de daarbij opgenoemde publieke vermakelijkheden op zon- en feestdagen verboden moeten worden. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

Josephus de Smit mag in april 1815 de kroegiersnering voortzetten in de herberg ‘de Blaauwe Steen’. Ook Ivo de Kaar krijgt in juni 1815 vergunning voor het uitoefenen van het beroep van herbergier en logementhouder in het huis in wijk A nummer 7. Hem wordt ‘expresselijk gelast geen muziek, speel- of danspartijen aldaar te houden’.
Op 30 september 1816 krijgt Philippus de Wijs vergunning voor het houden van een koffyhuis.

Kroegen
Cornelis Leijs mag in februari 1816 in de kroeg ‘de Appel’ in de Zusterstraat de kroegiersnering voortzetten. Ook Hendrik Kunst krijgt in juni 1818 toestemming om binnen de stad de kroegiersaffaire uit te oefenen.

Tapperijen
In november 1817 krijgt Johannis Babtist van Halsteren vergunning om in het huis in wijk C nummer 51 een tapperij te stichten.

Kaarsenmakerijen

In januari 1817 krijgt Adriaan Brandt toestemming om in zijn woonhuis in wijk C nummer 100 een kaarsensmelterij op te richten.

Markten

Jaarmarkt
In april 1815 verzoekt de directrice van de schouwburg te Middelburg, C.E. van Dinsen geboren Kraayesteijn, om op de aanstaande kermis of jaarmarkt in augustus enkele voorstellingen te mogen geven. Het Stadsbestuur besluit dit verzoek toe te staan mits ze zich onderwerpt aan de wetten van het land en de stedelijke verordeningen.
Ook voor de jaarmarkt in augustus 1819 geeft het Stadsbestuur toestemming aan I.H. Hensley geboren Van Brussel, directrice ‘van een troep toneellisten’, om gedurende de jaarmarkt enige toneelvoorstellingen te geven.

Korenmarkt
In september 1814 benoemt het Stadsbestuur tot graanmeters Job Goeman, Anthony Visser en Adriaan van der Maas.
In april 1818 overlijdt de graanmeter Adriaan van der Maas. In zijn plaats wordt benoemd de assistent-graanmeter Cornelis de Munck. Johannis Zoutewelle wordt assistent graanmeter.

Vismarkt
In april 1815 beklaagt de pachter van de afslag van vis op de Vismarkt, Willem Goeree, zich over het leuren en verkopen van verse vis langs de huizen zonder dat deze vooraf op de visafslag is aangeboden. Het Stadsbestuur besluit dit bij Publicatie te verbieden op een boete van twaalf gulden en verbeurte van de vis.

De verpachting ‘van het visboek’ heeft in juli 1816 de aandacht van het Stadsbestuur opgewekt. Er wordt een onderzoek ingesteld of de bestaande Ordonnantie op het visperk voldoende en voor het bedoelde oogmerk geschikt is. Het blijkt daaruit dat verschillende bepalingen thans niet te pas komen. Dit is aanleiding om een geheel herziene Ordonnantie op het visperk vast te stellen.

In 1817 besluit het Stadsbestuur verscheidene ‘vischvrouwen ter vismarkt’ toe te laten. De bewijzen van toelating worden aan de afslager van de vis, Frederik Zuidweg, afgegeven.

Meekrapnering

In juli 1815 verschijnt er een Publicatie van de Gouverneur van Zeeland met een verbod om voor de 1e september meekrap te delven en voor de 15e september in de meekrapstoven te stoken.

Enige beurtschippers verzoeken in november 1817 om verhoging van het vrachtloon voor het vervoer van vaten meekrap. Het Stadsbestuur besluit het vrachtloon voor een vat of baal meekrap te bepalen op 36 stuivers.

In september 1819 is er brand in de meestoof ‘de Zon’.

De Gouverneur wil in maart 1820 geïnformeerd worden over de correcte uitvoering van de Wet op de meekrapbereiding en -handel van 1819 binnen de stad. Goes dient een concept voor een Instructie voor de keurmeesters en stoofgewrochten bij hem in te dienen. Het Stadsbestuur nodigt de directeuren van de meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’ uit een concept voor een Instructie te ontwerpen. Het Stadsbestuur stelt de Instructie voor de keurmeesters van de meekrap en de stoofgewrochten overeenkomstig het concept van de directeuren in juni vast en stuurt deze toe aan Gedeputeerde Staten van Zeeland.
In september komt er echter een aanschrijving van de Gouverneur met de opdracht al wat betrekking heeft op de keur der meede en de werkzaamheden van de gewrochten op de oude voet te doen voortgaan, dit met inachtneming van de Wet van 28 oktober 1819. Hiervan wordt kennis gegeven aan de directeuren van de meestoven en de keurmeesters van de meekrap.

Begin april 1820 deelt de Gouverneur het Stadsbestuur mee dat hem bericht is dat de heer Soutendam te Colijnsplaat een aantal vaten mullen heeft opgekocht met het oogmerk om deze in een van de meestoven in de stad over te stampen. Hij verzoekt daar tegen te waken. Het Stadsbestuur antwoordt daarop dat deze informatie van alle grond ontbloot is en dat de Wet op de meekrapbereiding en -handel in de stad stipt wordt nageleefd.

Molens

Windkorenmolens
In de vergadering van het Stadsbestuur van de 19e september 1814 verschijnen de korenmolenaars en hun knechts om de bij de Wet van 17 december 1805 bepaalde eed af te leggen. Dit zijn de molenaarsbaas Pieter Remijn (van de korenmolen ‘de Korenbloem’ en de tot korenmolen omgebouwde voormalige pelmolen ‘de Grenadier’) en de knechts Adriaan Remijn, Abraham Remijn, Gillis de Smit, Pieter Machielse, Abraham Leenhouts en Janis Kopmels. Ze leggen in handen van de burgemeester de eed af.

Molenaar Pieter Remijn van de windkorenmolen ‘de Grenadier’ op het Ravelijn de Grenadier verzoekt in februari 1815 de cijns op zijn molen en de molen ‘de Korenbloem’ bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, in totaal een bedrag van £ 68 Vlaams, evenwichtiger te verdelen.
Het Stadsbestuur besluit de cijns voor de molen ‘de Grenadier’ te stellen op £ 30 Vlaams en voor de molen ‘de Korenbloem’ op £ 38 Vlaams.

In oktober 1817 is er een langdurige stilte en gebrek aan wind. Men is genoodzaakt geweest verscheidene dagen met de rosmolen van korenmolenaar Adriaan Remijn te malen en graan te breken. Deze rosmolen staat naast de windkorenmolen ‘de Korenbloem’ op de stadswal. Adriaan Remijn is hier eigenaar van geworden bij de aankoop van de molen van zijn vader Pieter Remijn. Adriaan Remijn betoogt dat de ondervinding heeft doen zien dat de, tijdens het stichten van de roskorenmolen, bij resolutie van de gemeenteraad van 3 juni 1809 gemaakte bepalingen over het gebruik daarvan niet geheel afdoende zijn. Ook zijn de bepalingen over de bediening van de bakkers en verdere belanghebbenden en het vinden van de buitengewone drijfkosten niet voldoende geregeld. Dit is aanleiding om het Reglement van 1809 nader vast te stellen. Het nieuwe reglement is woordelijk in het notulenboek opgenomen.

Overigens nam de gemeenteraad het besluit van 3 juni 1809 naar aanleiding van een beschikking van de Minister van Financiën waarbij werd toegestaan om het gemis van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade door een roskorenmolen te vergoeden. Voor deze roskorenmolen werd met de molenaar Pieter Remijn van de windkorenmolen ‘de Korenbloem’ bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort een overeenkomst aangegaan.

Op het ingekomen schriftelijk bericht van de commissarissen van de bakkers samen met de molenaars Adriaan Remijn van de roskorenmolen en de windkorenmolen ‘de Korenbloem’ en Pieter Remijn van de tot een korenmolen ingerichte pelmolen ‘de Grenadier’, besluit de gemeenteraad op de 18e oktober 1817 tot het vervangen van de overeenkomst van de 3e juni 1809 en het vaststellen van een nieuw reglement. Dit bestaat onder meer uit de volgende bepalingen:

  • de rosmolen dient, zo mogelijk in overleg met de bakkers, op de eerste aanzegging van het Stadsbestuur aan de gang te worden gebracht;
  • vanwege de kostbaarheid om met de rosmolen te werken en de ongenoegzaamheid om met de rosmolen in de dagelijkse behoefte te voorzien, worden de bakkers verplicht om zoveel mogelijk en naar gelang van hun debiet voor een week voorraad van meel te hebben;
  • eerst dient de benodigde kwantiteit graan ten dienste van de godshuizen en van het armbestuur gemalen te worden; bij loting zullen de toerbeurten van de bakkers worden bepaald;
  • de molenaar moet zorgen dat er altijd voldoende paarden en drijvers voorhanden zijn om de rosmolen gedurig aan de gang te houden.

Houtzaagmolen
In maart 1819 verzoeken de houtzaagmolenaars binnen de stad, de weduwe van Marinus Harinck en haar zoon, op grond van het besluit van het Stadsbestuur van de 4e oktober 1800, om, niettegenstaande de afbraak van de stenen beer, de bepalingen van deze resolutie van kracht te laten blijven. Mitsdien dient de stad tegen betaling van de vastgestelde jaarlijkse recognitie van twee ponden Vlaams of zoveel minder als uit overweging van de door genoemde afbraak te verminderen jaarlijkse reparatie als anderszins naar billijkheid zal bepaald worden, zich te blijven belasten met het onderhoud van het voormalige spuikanaal bezijden de havenpoort die naar hun molen leidt alsook van de brug over dat kanaal. Het Stadsbestuur besluit hen toe te staan om bij de voortduur van het dwarskanaal voor hun molen voor de aan- en vervoer van hout het nodige gebruik te maken en de over dat kanaal liggende brug op kosten van de stad te onderhouden. Wel dienen zij en verdere eigenaren van de houtzaagmolen het kanaal voor hun eigen rekening in behoorlijke staat te onderhouden. Ook moeten ze voortaan inplaats van de voorheen bedongen twaalf gulden aan de stad betalen een jaarlijkse som van zes Nederlandse guldens.

Depot van gemalen koren en rogge
In oktober 1816 vraagt de Gouverneur het gevoelen van de burgemeester of hij het van belang acht dat er binnen de stad een depot van gemalen tarwe en rogge wordt aangelegd. De burgemeester reageert hierop dat hem geen genoegzame redenen hiervoor zijn voorgekomen.

Smeden

Smeden
In april 1814 verzoekt de districtcommissaris ten behoeve van de Engelse troepen zes ijzeren staven te laten maken. Uit het rapport van de waarnemend stadsarchitect Pieter Proos blijkt dat door gebrek aan kolen de smids buiten staat zijn de staven te maken. Het Stadsbestuur besluit uit het stadsmagazijn af te geven twee zakken steenkolen zodat de smids daardoor in de gelegenheid zijn aan de vordering te voldoen.

 

De smidsbaas Joos Filius krijgt in september 1815 toestemming om in het woonhuis in wijk B nummer 158 een trekschoorsteen te laten maken. In juli 1816 mag de hoefsmid in de Nieuwstraat, Wouter van Hertum, zijn hoefstal even buiten zijn huis op zijn stoep aanbrengen.

Koper- en blikslagers
De koper- en blikslager Antoni van de Velde krijgt in september 1814 vergunning voor het maken van een fornuis voor de uitoefening van zijn bedrijf.

Goud- en zilversmeden
In januari 1814 worden de zilversmeden Markus Boddingius en Johannes de Leeuw aangesteld tot het waarderen van het goud en zilver, dat bij de particuliere ontvanger is overgebracht van een liberale gift uit Cortgene.
De meester zilversmid G.J. van der Ven mag in februari 1815 in zijn huis op de Grote Markt twee jaagschoorstenen aanbrengen. In oktober 1815 krijgt de zilversmid Cornelis Roelofse vergunning om in zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk A nummer 175 een zilversmidfornuis te plaatsen.
Jan van den Thoorn, meester goud- en zilversmid, krijgt in juli 1816 vergunning om in zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat een stookfornuis en twee jaagschoorstenen te laten maken. Ook de goud- en zilversmid Coenraad Roelof Roelofse mag in december 1816 in zijn woonhuis in wijk C nummer 11 een fornuis laten maken.
In januari 1818 geeft de goud- en zilversmid G.J. van der Ven te kennen dat hij door onbekendheid met de bestaande keuren zonder toestemming in zijn woonhuis in wijk D nummer 2 een oven en fornuis heeft laten bouwen. Hij krijgt alsnog vergunning voor het aanleggen van een vuurplaats.

Keurkamer voor goud- en zilverwerken
Op aanschrijving van de Gouverneur zal de controleur van het Kantoor van Waarborg in augustus 1816 de stad bezoeken voor het herkeuren van de gouden en zilveren werken en horlogiën. Hiervoor worden hem twee vertrekken in het Stadhuis beschikbaar gesteld.

Stijfselmakerij

In juni 1815 krijgt Engel Slover vergunning om achter zijn woonhuis, uitkomende in de Korte Vorst, een stijfselmakerij te stichten.

Tabaknering

In februari 1814 verleent het Stadsbestuur A.J. Jaspers op zijn verzoek vergunning om in zijn pakhuis, staande op de zogenaamde Kleijne Weije in wijk A nummer 120, een vuuras (tabakeest) voor het drogen van tabak te stichten. Hetzelfde wordt in februari 1815 toegestaan aan Willem Pieterse. Hij krijgt toestemming om onder zijn pakhuis, staande achter zijn woning aan de Lange Vorststraat, een fornuis met een schoorsteen op te stellen voor het drogen van tabak.
Ook Benjamin den Boer Pzoon krijgt in juni 1815 vergunning om in zijn achterhuis in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat een droogfornuis voor tabak te plaatsen. Nicolaas van der Schans mag in februari 1816 in zijn huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk B nummer 105 een tabakas met een schoorsteen aanbrengen.
Ook in februari 1816 krijgt Cornelis Jacobus Klugten van Baalen vergunning om in zijn woonhuis op de Beestenmarkt in wijk B nummer 193 te laten bouwen een schoorsteen voor het branden van koffybonen alsook om daarnaast een tabak droogas te plaatsen.
En in november 1816 mag de schilder Hendrik Izaak de Broekert in zijn woonhuis in wijk C nummer 120 een droogas voor tabak laten maken.
De winkelier Petrus Nortier krijgt in januari 1818 vergunning om in zijn pakhuis in het Ossenhoofdstraatje in wijk B nummer 117 een droogas voor tabak aan te brengen.

Timmerlieden en metselaars

De timmermansbaas Izak de Broekert verzoekt in september 1814 om even buiten de Bleijkveldse poort, ter plaatse waar zijn houtschuur en timmermanswinkel heeft gestaan, met enige verandering een woonhuis, een timmermanswerkwinkel en een houtschuur te bouwen. Hij krijgt hiervoor vergunning.

Touwslagerij

Lucas Reijnierse, gepatenteerd gareelmaker en touwslager, verzoekt in juli 1816 om voor zijn huis aan de Nieuwstraat een daar staande paal op zijn kosten te vernieuwen en te vergroten. Tevens verzoekt hij toestemming voor het slaan van touwen in deze straat, beginnende aan de paal voor zijn huis en alzo noord op langs de huizen en stallen. Het Stadsbestuur overweegt dat zijn verzoek gegrond is op vorige gewoonten en billijkheid. Besloten wordt zijn verzoek toe te staan mits dit van geen de minste hindernis voor zijn buren nu of in het vervolg zal zijn noch de passage over de straat in geen geval zal belemmeren.

Er is in 1817 ook sprake van ‘een oude lijnbaan op de stadswal’. In augustus vergunt het Stadsbestuur namelijk het maken van een aschbak en het slopen van een secreet op de stadswal bij de oude lijnbaan te gunnen aan Adriaan de Munck voor ƒ 105.

Vlasverwerking

In december 1814 komen er klachten binnen van Cornelis Verduijn, vlasboer onder de gemeente Cloetinge. Hij geeft te kennen dat de stadsarbeiders een onmatig loon eisen voor het verwerken van het vlas en dat de prijs van het weekloon in Holland op z’n hoogst op tien stuivers per honderd steen bepaald is. Hij verzoekt het Stadsbestuur hierover een duidelijke bepaling te maken, aangezien de Ordonnantie van het gewezen arbeidersgilde over het verwerken van vlas geen de minste melding maakt. Het Stadsbestuur overweegt dat de prijs van het werkloon naar evenredigheid van het werk dient te worden geregeld. Het is van het grootste belang dat hierover niet willekeurig wordt gehandeld. Besloten wordt het werkloon van gehekeld vlas voortaan te bepalen op tien stuivers de honderd steen, dat door de arbeiders zal worden genoten.

Vlasverwerker Cornelis Verduijn krijgt in juli 1816 vergunning om in en aan zijn huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk een bakoven en een vlasdrogerij te stichten.

Vleeshouwers

In november 1815 hebben de meester vleeshouwers binnen de stad, Johannes Dekker en Pieter Verhoef, fraude gepleegd tegen de Ordonnantie op het bestiaal, terwijl in juni 1816 ook de vleeshouwer Carel Verdigem hiervan wordt beschuldigd. Dit blijkt uit de procesverbalen van de controleur van de stedelijke belastingen.
Ook in april 1817 wordt tegen de meester vleeshouwer Engel Slover proces-verbaal opgemaakt wegens frauduleuze invoer van slachtvee, tegen de vleeshouwer Cornelis Brouwer wegens het slachten van een schaap zonder betaling van impostbelasting en tegen de vleeshouwer Hendrik Mackay wegens geconstateerde fraude.

In juni 1820 krijgt Pieter Slover eervol ontslag als keurmeester van het vlees vanwege zijn hoge jaren en getrouwe bediening. In zijn plaats komt Jozias Slover. Hij is verplicht gedurende zijn leven aan Pieter Slover uit te keren het traktement en verdere voordelen die door hem in die betrekking zullen genoten worden.

Wijnnering

In september 1814 zijn wijn- en drankverkopers in de stad: Jan Dominicus, Abraham Steendijk, L. Breker, Pieter de Jongh, weduwe Hubregtse, weduwe Cornelis Vervenne, Francois Jan Minné, T. Poele, N. van Huizen, weduwe Vertregt, D. Noël, Simon van Zoom en Joannes Babtist Tielens.

In juni 1815 komen er voorschriften binnen van de Gouverneur van Zeeland voor het aanstellen van wijn- en bierwerkers.

In december 1816 verzoekt Simon van Zoom om, als bij de administratie van de stedelijke belastingen een stadswijn- en sterke drankroeijer, proever, teller of meter mocht worden aangesteld, met die functie begunstigd te worden. Dit verzoek wordt voor advies in handen gesteld van de ontvanger van de stedelijke belastingen met de vraag of aan zo’n ambtenaar behoefte is en zo ja, wat zijn traktement behoort te zijn. Het Stadsbestuur besluit met het voorstel akkoord te gaan. De nieuwe stadsroeier en –proever Van Zoom mag declareren: voor een stuk, pijp of trommel groter dan een gewoon okshoofd vijf stuivers; voor een half okshoofd of dubbel anker twee stuivers; voor kleinder fust een stuiver. Zijn traktement bedraagt zestig gulden per jaar.

Ook in december 1816 komen er verzoeken binnen bij het Stadsbestuur van de gepatenteerde wijnhandelaren Pieter de Jongh, Adriaan Lantschot, Joannes Babtist Tielens, Abraham Steendijk, Jan Dominicus en Francois Jan Minné. Ze verzoeken te mogen genieten krediet voor de stedelijke impost op de wijnen. Het Stadsbestuur besluit het gevraagde krediet toe te staan.

De wijnkoper Abraham Steendijk verzoekt in januari 1818 afschrijving of korting van de stedelijke impost voor zijn ingevoerde wijnen op de moer. Besloten wordt Steendijk een korting of afschrijving toe te staan van zes stopen op iedere 96 stopen van door hem al ingeslagen en verder in te voeren wijn op de moer. Hij is verplicht van iedere inslag een schriftelijke opgave van de hoeveelheid aan de ontvanger van de stedelijke belastingen over te leggen. Deze declaratie moet door de stadsroeier en -peiler worden gecontroleerd om te constateren dat de aangegeven wijn inderdaad ‘op den moer is ingeslagen’.
Ook van de wijnkoper Jacobus de Jongh Jzn komt er in december 1818 een verzoek binnen om te mogen genieten krediet op de stedelijke impost op de wijnen. Ook De Jongh krijgt het verzochte krediet, mits zich gedragende naar de ordonnantiën van de stad.
In maart 1820 dient ook de wijnkoper Klaas van der Swan een verzoek in om krediet voor de impost op de wijn ten behoeve van de stad. De controleurs en ontvangers van de stedelijke belasting adviseren negatief omdat hij de commiezen heeft geprobeerd tot het tekenen van valse declaraties over te halen. Bovendien, vinden ze, dat zijn verzoek nadelig is voor de stedelijke belastingen. Zijn verzoek wordt aangehouden omdat er tegen hem een procedure loopt over ontduiking van de stedelijke belastingen.

Zoutnering

In maart 1818 verzoeken de heren Van Tilburgh en Slabber en compagnon om toestemming voor het slopen van een zoutkeet aan de oostzijde van de haven in wijk D nummer 290. Dit verzoek wordt toegestaan.
Ook in mei 1820 komt er een verzoek van de heren Van Tilburgh en Slabber & compagnons voor het afbreken van een zoutkeet aan de oostzijde van de haven, waarmee akkoord wordt gegaan. En in juli 1820 dienen de heren Van Tilburgh en Slabber & compagnons een verzoek in om toestemming voor het gedeeltelijk afbreken van de gebouwen aan de oostzijde van de oude haven, staande in wijk D nummer 291. Van de afbraak willen ze een pakhuis voor zout laten bouwen naast en aan de achterzijde van de zoutkeet aan de oostzijde van de haven. De grond waarop de af te breken gebouwen staan willen ze tot een moeshof of bos aanleggen en voor dat doel behoorlijk afschutten. Hiermee wordt akkoord gegaan.
In juli 1820, als er gesproken wordt over het wegruimen van de sluis in de dam tussen de oude haven en het dwarskanaal, wordt ook het oordeel gevraagd van het Kantoor van Negotie van de heren Tilburgh en Slabber en compagnons, als eigenaren van de in de nabijheid van de sluis bestaande zoutketen.

Overigen neringen en hanteringen

Deze jaren is Jan Janse van Noordwijk pruikmaker in de stad. In maart 1817 verzoeken enige winkeliers om vermindering van arbeidsloon voor houten klompen.
De horlogemaker, Pierre Fredrik Jacot, krijgt in september 1818 vergunning om in zijn woonhuis in wijk A nummer 225 een nieuwe schoorsteen te laten bouwen.

In maart 1720 worden aan het Ministerie van Binnenlandse zaken opgezonden drie exemplaren van een bij de boekverkoper F. Kleeuwens uitgegeven werkje, getiteld ‘Brief van Buiten tegen Weger’, aan de heren redacteuren van het tijdschrift genaamd de Weegschaal over een zeker artikel dat in nummer 1 van jaargang 1820 voorkomt.

Er komt een brief bij het Stadsbestuur binnen van Elisabeth en Cornelia van Aard, erfgenamen van de weduwe van Christoffel van Aard, overleden binnen de stad. Daarin wordt toestemming verzocht voor het publiek verkopen van enige winkelgoederen die tot haar nalatenschap behoren. Aan de weduwe Van Aard’s erven wordt toegestaan manufacturen te verkopen.

Gilden

Deze jaren bestaan er nog steeds een bierdragersgilde en een arbeidersgilde of -ambacht.
Tot ondercommissarissen van het bierdragersambacht worden aangesteld Adriaan Bosdijk, Laurens de Hond en L.A. Sluijters en tot ondercommissarissen van het arbeidersambacht Pieter van Klink, Pieter van Waarde en Lieven van Loo. Ten overstaan van de hoofdcommissaris van de stedelijke werklieden worden de stedelijke werklieden beëdigd.

Op de 20e juli 1814 ontvangt het Stadsbestuur een brief over het weer invoeren van de gilden en corporaties en de wijze waarop. De presiderende burgemeester benoemt de raadsleden Slabber en Soetebier voor het dienen van advies over dit onderwerp.

In juli 1816 stelt de heer Slabber, hoofdcommissaris over de bierdragers of kraankinderen binnen de stad, uit naam van het gilde voor dat hen in het vervolg wordt toegestaan om bij hun begrafenisplechtigheden weer als vanouds te mogen gebruik maken van zekere zilveren schilden die onder hen berusten en die ook aan het bierdragersgilde toebehoord hebben. Deze schilden worden bij begrafenissen van gildenbroeders op de doodkist geplaatst.
Het Stadsbestuur staat dit verzoek toe op voorwaarde echter dat de bierdragers evenals de geoctrooieerde arbeiders gezamenlijk een begrafenisfonds aanleggen.

Eveneens in juli 1816 verzoeken verscheidene winkeliers en neringdoende ingezetenen het tarief van de arbeidslonen voor de zakkedragers, vastgesteld op 18 augustus 1815, te herzien ‘mitsgaders dat tot wegneming van zeker inconveniënt bestaande door de weigering van de schippersknechts om het scheepstakel te laten gebruiken om de goederen onmiddellijk uit het schip op de vrachtwagens over te brengen, zodanige maatregelen te treffen als het Stadsbestuur geschikt zal oordelen’. Besloten wordt dit verzoek toe te staan. Er zal toegezien worden dat de schippersknechts correct omgaan met het scheepstakel.

Op de 26e oktober 1818 keurt het Stadsbestuur de Staat van de administratie der goederen, middelen en effecten, afkomstig van de voormalige gilden, goed met een batig slot van ƒ 82.
In 1820 is het batig saldo opgelopen tot ƒ 473,24. De commiesgriffier Pilaar legt in maart 1820 als administrateur van de goederen, middelen en effecten van de vernietigde gilden binnen de stad, lopende van 22 oktober 1818 tot 1 januari 1820, de rekening over. Het Stadsbestuur besluit deze goed te keuren en vast te stellen.