Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1814 - 1820)

Moeizame voorbereidingen

Het Stadsbestuur stelt in augustus 1814 een commissie in met de opdracht te onderzoeken wat ten opzichte van de haven en sluis verder dient te worden gedaan als gevolg van de gedane inspectie naar de gesteldheid van de sluis. In deze commissie hebben zitting de heren Jozias Risseeuw en Leonard de Fouw als leden van de gemeenteraad en Jacob Kakebeeke, een van de notabelste ingezetenen.
De commissie houdt zich bezig met het onderzoek van alles wat op de haven en sluis betrekking heeft. Ze zal zich ook voorbereiden om in de te houden conferentie met de Directeur-generaal ‘het belang van de stad en haar ingezetenen voor te staan en alle nodige en zo hoog dringende reclamaties te doen teneinde door gepaste maatregelen de ingezetenen van de bovenmatige last, welke door het gemis van het gebruik van de haven hun bij voortduring drukt, bevrijd te worden en te delen in de voordelen welke een onbelemmerde vaart onmisbaar oplevert’.

Onderkend wordt wel dat de taak van de commissie aan vele moeilijkheden onderhevig zal zijn. Het Stadsbestuur wijst de commissie aan om met de Directeur-generaal van de Waterstaat in conferentie te treden. De heren Risseeuw, Kakebeeke en De Fouw zullen zich naar ’s Hage begeven om het Stadsbestuur te vertegenwoordigen en in overleg treden over de te nemen maatregelen voor de haven en sluis. De conferentie zal plaats vinden op de 25e oktober 1814.

Tijdelijk gebruik Schenge

Ondertussen wenden de schippers van de stad zich op de 1e oktober 1814 tot de burgemeester over het afbakenen van het Schenge. Hun oogmerk is dat het Schenge, ten dienste van de ingezetenen en vreemde schippers, gedurende de afsluiting van het sas van de stadshaven veilig en zonder gevaar zal kunnen worden bevaren.
Het Stadsbestuur overweegt dat de door het gouvernement aangestelde bakenmeesters alleen slechts zorgen voor de gewone vaarwaters. Dit gat (het Schenge), als zijnde afgesloten, wordt beschouwd alleen dienstig te zijn voor de schipperij van deze stad gedurende de sluiting van de haven. Het is van groot belang voor de ingezetenen dat hierin wordt voorzien. De afbakening behoort naar billijkheid te worden beloond.
Na vooroverleg met de commissaris van het district, Janis Ossewaarde, de sluiswachter op Ter Lugt, en Janis Koole, schipper te ‘s-Heer Arendskerke, wordt besloten te gelasten ‘het Gat, genaamd het Schenge,’ af te bakenen en zodanig te onderhouden dat het gedurende de afsluiting van het sas van de stadshaven te allen tijde zonder gevaar kan worden bevaren. Ze mogen van alle schippers die dit Gat bevaren, zonder onderscheid, voor bakengeld vorderen van iedere spriet, gaffelschip of tjalk achttien stuivers, van een poonschip tien stuivers en van een hengst of hoogaars vier stuivers in het jaar.

Conferenties te ’s-Hage op 25 oktober en 25 november 1814

Op de 31e oktober 1814 neemt het Stadsbestuur kennis van het zeer gedetailleerde rapport van de commissie naar ‘s-Hage. De burgemeester bedankt de rapporteurs voor hun wel aangewende pogingen in het behartigen van een van de gewichtigste belangen van de ingezetenen van de stad. Ze worden verzocht om nogmaals op zich te nemen de voortgezette conferentie met de Directeur-generaal van de Waterstaat te ’s-Gravenhage bij te wonen. Voor deze nadere bespreking is een uitnodiging ontvangen van de Directeur-generaal voor de 25e november om 9 uur op het Departement van de Waterstaat te ‘s-Gravenhage met zodanige last en macht om in voorkomende zaken te handelen, behoudens het aangaan van financiële verplichtingen.

Verslag nadere conferentie te ‘s-Gravenhage

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 3e december 1814 geeft de burgemeester te kennen ‘dat de leden zich zekerlijk met genoegen zullen herinneren de kiessche bereidwilligheid waarmede de heren J. Risseeuw, L. de Fouw en J. Kakebeeke tot welzijn van de ingezetenen van de stad op zich genomen hebben om nogmaals met de Directeur-generaal van de Waterstaat in ’s Hage te confereren over het bevaarbaar maken van de haven van de stad’. De commissie verlangt na terugkomst verslag te doen van het door haar verrichte. Ze doen een ‘uitmuntend verslag’ van het door hen verrichte op de onderscheidene conferenties met de Directeur-generaal van de Waterstaat in ‘s-Hage.
De burgemeester, getroffen door de rapportage van de commissie, betuigt namens de raad zijn hartelijke dank voor al het zo wel verrichte in deze. ‘De hoop wordt gekoesterd dat de ingezetenen van de stad zich weldra zullen mogen ontheven zien van hetgeen zo lang hun handel en verdere betrekkingen bezwaarden, door de blijde toekomst van een bevaarbare haven te zullen mogen erlangen’. De burgemeester stelt voor hiervan ‘honorabel mentie in de notulen te maken. Wensende dat de commissie hun onvermoeide pogingen met den besten uitslag zullen mogen bekroond zien en hierdoor zowel als door de edele bewustheid van te hebben gehandeld naar beste kennis en wetenschap met opoffering van de waarneming van hun eigene belangen, de eervolle beloning, die zij zowel verdiend hebben, zullen mogen erlangen’.
De gemeenteraad, zijn tevredenheid aan de commissie willende betuigen, besluit deze een extract van het verhandelde in deze vergadering, als een offer van erkentenis ‘voor wel bewezen diensten’, toe te zenden. Verder wordt de Commissie door de burgemeester namens de gemeenteraad uitgenodigd om in zowel de door hun begonnen werkzaamheden en de nog te houden conferenties te willen blijven volharden. Dit wordt met welwillendheid door de commissie geaccepteerd. De commissieleden verklaren dat zij van hun zijde gaarne alles willen bij brengen wat tot het bereiken van het voorgestelde doel dienstig kan worden geoordeeld.
De commissie declareert eind december 1814 hun kosten voor de reizen naar en het verblijf te ’s-Gravenhage ‘tot het besogneren over het herstel van het sas en de haven’ ten bedrage van ƒ 826,15. Deze worden vergoed.

Verdere voorbereidingen van de havenplannen

De burgemeester deelt de gemeenteraad op de 3e december 1814 mee dat de heren Slabber, Van Kleinputte en Vervenne hebben overlegd met de commissie uit de Lodewijkpolder (de latere Wilhelminapolder) over het transporteren van goederen door de haven met aken. Maar de heren hebben niet naar tot genoegen mogen slagen omdat door de directie van de Lodewijkpolder voortdurend moeilijkheden en bezwaren in de weg worden gelegd zoals blijkt uit de memorie die door hen aan de commissie is toegezonden.

De inspecteur van de Waterstaat, de heer A. Schraver, belast met het opzicht over de peilingen en boringen naar de aard van de gronden, zal met de commissie een inspectie doen op de plaats van het bevaarbaar maken van de haven. De Directeur-generaal van de Waterstaat bepaalde dat het Stadsbestuur en de directie van de Lodewijkpolder daarover een minnelijke schikking dienen te bereiken onder toezicht van de inspecteur Schraver.

In januari 1815 verzoekt de daarvoor ingestelde commissie goedkeuring voor de onvermijdelijke kosten voor materialen en arbeidslonen voor het effectueren van grondboringen in de nabijheid van de huidige havensluis ten bedrage van ƒ 1.330, ‘daarbij in acht nemende de meeste spaarzaamheid’.

De dijkgraaf van de Lodewijkpolder geeft het Stadsbestuur op de 29e maart 1815 te kennen dat het Zijne Majesteit de Koning behaagd heeft dat de Polder voortaan de naam van ‘Wilhelminapolder’ zal voeren.

Het Stadsbestuur ontvangt in mei 1815 een verzoekschrift van enige van de notabelste ingezetenen van de stad. Het zijn kooplieden, negocianten en winkeliers. Ze vragen de medewerking van het Stadsbestuur om bij de Directeur-generaal van de Waterstaat te pleiten voor het beramen van middelen voor het bevaarbaar maken van de haven. Het Stadsbestuur stuurt dit verzoek met een positief advies door naar de Directeur-generaal van de Waterstaat.

Conferentie te ’s-Gravenhage op 14 juli 1815

De Directeur-generaal nodigt het Stadsbestuur uit een commissie af te vaardigen om op de 14e juli 1815 de conferentie bij te wonen die in het gebouw van de Directie van de Waterstaat te ’s-Gravenhage zal worden gehouden over de te nemen maatregelen voor de sluis en haven. De gecommitteerden tot het werk van de haven en het sas, de commissieleden J.J. Risseeuw, L. de Fouw en J. Kakebeeke, worden verzocht deze conferentie bij te wonen. Ze krijgen alle vertrouwen van het Stadsbestuur en volkomen volmacht om in het belang van de stad te handelen.

Op de 18e juli komt het Stadsbestuur in een extra vergadering bijeen om door de commissie geïnformeerd te worden over het resultaat van de conferentie tot herstel van het bevaarbaar maken van de haven. De raad bedankt de commissie met erkentelijkheid voor haar onvermoeide pogingen en verzoekt haar hierin te willen blijven volharden. Besloten wordt een brief, die door alle raadsleden wordt ondertekend, naar de Directeur-generaal van de Waterstaat te zenden.

Groot nadeel voor scheepvaart en koophandel

‘De ongelukkige situatie waarin deze stad met betrekking tot derselver haven en sas blijft verkeren, daar die gesteldheid zo eenen nadeligen invloed op deszelfs scheepvaart en koophandel heeft’, doet het Stadsbestuur op de 4e oktober 1815 besluiten, nu er zich een verandering op het Ministerie van Waterstaat voordoet, om de belangen van de stad nogmaals aan de Directeur-generaal van de Waterstaat O. Repelaar van Driel vóór zijn afscheid voor te dragen.

Op de 4e november 1815 constateert het Stadsbestuur dat op de brief aan de Directeur-generaal van de Waterstaat over de haven en het sas niets is vernomen. Besloten wordt nogmaals de bezwaren ter kennis van Zijne Excellentie te brengen ‘ter verkrijging eener geschikte Haven en Sas, opdat wij ook weldra daardoor mochten in staat gesteld worden om onze zoo kwijnende handel uit haren diep vervallen staat op te beuren en die bronnen van welvaart voor de ingezetenen dezer stad zouden mogen geopend worden’. Temeer ‘daar ook in het zo naburige Middelburg, door de Hoge Gunst van Zijne Koninklijke Hoogheid, zich over het bezit ener goede haven en sas dankbaarlijk zoude mogen verheugen.”

Er komt op de 16e november 1815 een brief binnen van de Minister van Waterstaat, de Hertog van Ursel, als antwoord op de verzonden brief van de 8e november. De minister verzekert het Stadsbestuur ‘zich zodra mogelijk met de ongelukkige gesteldheid van onze haven en sluis te zullen bezig houden en aan Zijne Koninklijke Majesteit de middelen tot herstel te zullen voordragen, dan alzoo deze zaak, hem geheel onbekend en van een delicate aard zijnde, betuigt Z.E. zulks alvorens van zijnentwege nauwkeurig te zullen laten onderzoeken. Wenschende niettemin dat het gebrek aan geldmiddelen bij deze stad in enen minderen graad bestond, teneinde dezelve voor een groot gedeelte in de te maken kosten zoude kunnen dragen’.

Ook de Gouverneur van Zeeland belooft zich in te spannen voor het herstel van de haven. Op de 28e december 1815 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Gouverneur als antwoord op de hem toegezonden brief van de 14e december. Hij schrijft overtuigd te zijn van het ongeluk waarin deze stad deelt, door het gemis van een bruikbare haven en sas. Direct na ontvangst van de brief van het Goese gemeentebestuur heeft hij zich tot de Minister van Waterstaat gewend en het verzoek gunstig voorgedragen en op een spoedige afdoening aangedrongen. Niets zal hem aangenamer zijn dan onze rechtmatige belangen bij het gouvernement voor te staan.
Het Stadsbestuur betuigt zijn gevoelens van dankbaarheid over dit bericht van de Gouverneur.

Overleg over financieringsvoorstel

Op de 20e januari 1816 deelt de Gouverneur van Zeeland het antwoord van de Minister van Waterstaat en publieke werken mee op zijn brief van de 24e december 1815. In deze brief had de Gouverneur ten sterkste aangedrongen op het herstel van de haven.
De Gouverneur verzoekt de burgemeesters om zich met het ontwerpen van een project tot vinding van de kosten, nodig voor het herstel, dadelijk bezig te houden en dit aan hem toe te zenden, zodat hij dit aan de Minister van Waterstaat kan voordragen.
De brief wordt in handen gesteld van de Commissie voor het werk van de haven van de stad met het verzoek ‘om deze met de meeste aandacht te overwegen en zich bekwaam te maken om met overleg van de burgemeesters derzelver consideratiën nopens de verder te nemen maatregelen tot herstel van de voortdurende ruïneuze staat der ingezetenen met betrekking tot derzelver haven mede te delen’. De burgemeesters worden verzocht hieraan te willen meewerken.

Daarop brengen de burgemeesters op de 3e februari 1816, in overleg met de Commissie voor de haven en sluis, een begroting van de voor herstel noodzakelijke kosten ter tafel. Deze is opgesteld in overeenstemming met een indertijd ontworpen plan van de heer Van Diggelen, ingenieur en chef bij de Waterstaat in Zeeland. Het plan komt neer op het navolgende.
Aan het Rijk worden afgestaan de effecten die de stad ten laste van het Rijk heeft, bestaande uit ƒ 22.500 werkelijke schuld en ƒ 45.000 uitgestelde schuld en 45 stuks kansbiljetten voor een geschatte waarde van ƒ 11.340, alsook een vordering die de stad bezit wegens in de Casse de Service te Parijs overgestorte som van ƒ 30.378. Met voordracht om het resterende van wat de stad in de kosten zal moeten bijdragen uit ’s lands kas aan de stad wordt voorgeschoten. Dit bedrag zal worden terugbetaald met een jaarlijkse aflossing van ƒ 5.000, welk bedrag wordt gevonden uit een verhoging van 10 procent op de primitieve aanslag van de stad in de belastingen op de gebouwde eigendommen en andere belastingen.
Het Stadsbestuur gaat met dit financieringsvoorstel akkoord. Het plan wordt toegezonden aan de Gouverneur ‘tot redres van de steeds aanhoudende ongelukkige staat van de haven met de meeste aandrang te solliciteren’.

Maar anderhalve maand later, op de 16e maart 1816, constateert het Stadsbestuur teleurgesteld dat nog niet de minste reactie van de Minister van Waterstaat op het ingezonden voorstel is ontvangen. Ze vreest dat ook deze actie opnieuw vruchteloos zal blijken te zijn. Besloten wordt een voorstel in te dienen of de stad zal mogen beschikken over het bedrag van ƒ 20.000 dat bij decreet van de voormalige Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, voor het herstel van de haven is toegestaan.

Een veelbelovende conferentie op 22 maart 1816

Al op de 21e maart 1816 komt er via de Gouverneur een uitnodiging van de Minister van Waterstaat om met een commissie namens de stedelijke regering een conferentie te houden over de voordracht voor het herstel van de haven op vrijdag de 22e maart in zijn Cabinet in de Abdij te Middelburg. De president burgemeester zal samen met de commissie voor de haven er naar toe gaan.

Op de 28e maart doet de presiderende burgemeester verslag van de conferentie met de Gouverneur. Ze hebben ‘een zeer ampele conferentie gehad, bij welke hij met de levendigste vreugde had mogen opmerken, dat Zijne Excellentie het grootste belang stelt in de redding dezer stad en dezelve met alle grond op Zijne Excellentie’s vermogende medewerking zal mogen rekenen’. De conferentie had voornamelijk tot doel om de Gouverneur over het gebeurde over deze zaak te informeren en zijn gevoelens ten aanzien van de verder te nemen maatregelen te doen kennen. De Gouverneur heeft wel te kennen gegeven dat het Stadsbestuur duidelijker inzicht moet geven welk gedeelte van de kosten ten laste van de stad kan worden genomen, welk aandeel de Wilhelminapolder daarin behoort te dragen en welke bepalingen ten aanzien van het werk zelf nog onbeslist zijn of dienen te worden vastgesteld. Daarop hebben de burgemeesters met de commissie naarstig overlegd hoe aan het verlangen van de Gouverneur tegemoet gekomen kan worden. Dit heeft geresulteerd in een aangepast plan met begroting.

Het Stadsbestuur ‘conformeert zich met groot genoegen aan de ondernomen stappen en is verheugd dat de Gouverneur de welvaart van de stad zo bijzonder ter harte gaat’.
De Gouverneur stuurt op de 13e april 1816 bericht dat hij opnieuw bij de Minister van Waterstaat op het herstel van de haven heeft aangedrongen.

Koninklijk Besluit tot uitvoering havenplannen

En dan, eindelijk, na zovele jaren komt er op de 25e mei 1816 bericht van de Gouverneur van Zeeland met een afschrift van het Koninklijk Besluit van de 12e mei ´houdende bepalingen volgens welke de herstelling van de haven en sluis dezer stad in het aanstaande jaar 1817 zal plaats hebben en voorschrijvende de wijze tot het vinden van de kosten daartoe benodigd´.
Het plan bestaat uit:

  1. de reparatie van het nog bestaande sluisgebouw teneinde hetzelve in staat te stellen om als binnensluis te dienen;
  2. de bouw van een nieuwe sassing in de tegenwoordige buitenhaven waarvan de slagbalk op drie voeten meerdere diepte dan die van de thans afgedamde sluis zal moeten worden aangelegd;
  3. het met rijzen pakkingen opbeuren van de tussenruimte van de beide sassingen of de nieuwe sluiskolk met rijzen pakkingen.

Het Stadsbestuur dient een berekening van de fondsen te formeren.

De gemeenteraad is hierover zeer verheugd!
Onder ‘eenparige betuiging van dankbare vreugde welke deze gunstrijke beschikking van Zijne Majesteit ten behoeve van deze stad teweeg brengt en oprechte erkentelijkheid jegens Zijne Excellentie de Gouverneur die de pogingen van het Stadsbestuur zo krachtdadig heeft gelieven te ondersteunen´, wordt besloten een commissie te benoemen om de dankbaarheid van het Stadsbestuur aan de Gouverneur over te brengen. In de commissie hebben zitting burgemeester De Leeuw, raadslid Verschoor en de secretaris.
Tevens wordt een commissie ingesteld, bestaande uit de beide burgemeesters, raadslid Slabber en de secretaris, om een plan tot het vinden van een dekking van de kosten te beramen.

Al op de 1e juni 1816 rapporteert de commissie voor de haven. Allereerst over haar bezoek aan de Gouverneur om hem de gevoelens van erkentelijkheid van het Stadsbestuur te betuigen voor zijn gunstige medewerking voor het verkrijgen van Zijne Majesteits besluit tot herstel van de haven. De commissie is door de Gouverneur op ‘een alleszins gracieuze wijze gerecipieerd geworden’. Ze heeft van hem ‘de belangrijke verzekering mogen ontvangen van zijn voortdurende gunstige gevoelens jegens deze stad en hetgeen de volvoering van het herstel van de haven betreft’.

De commissie belast met het ontwerpen van een plan voor het vinden van de financieringsmiddelen die voor de havenwerken nodig zijn, heeft haar werkzaamheden voltooid. Het Stadsbestuur bedankt haar voor haar werkzaamheden. Het plan wordt met enkele kleine veranderingen vastgesteld en de begeleidende brief wordt goedgekeurd en verzonden.

Het Stadsbestuur overweegt op de 17e juli 1816 dat de heer Schraver, ingenieur en chef bij de Waterstaat in Zeeland, het maken van de nodige plannen en bestekken tot herstel van de haven overeenkomstig Zijne Majesteits gunstige besluit is opgedragen. Het is waarschijnlijk dat de heer Schraver zich naar de betreffende locatie zal begeven tot het doen van inspecties. Bij die gelegenheid kan het van bijzonder nut zijn dat hem alle vereiste inlichtingen worden gegeven. Besloten wordt de leden van de bestaan hebbende Commissie voor de havenwerken te verzoeken om bij gelegenheid van het verblijf van de heer Schraver hem alle noodzakelijke assistentie en inlichtingen te geven.

Op de 27e juli 1816 deelt de ingenieur en chef van de Waterstaat in Zeeland, de heer A. Schraver, mee dat hij ‘de sterkste verzekering geeft van zijn voornemen om de aan hem opgedragen commissie betrekkelijk de sluis- en havenwerken zodra mogelijk aan te vangen’.

En opnieuw duurt het lang!

Het duurt opnieuw lang. Het Stadsbestuur besluit dan ook op de 10e oktober 1816 de bemiddeling van de Gouverneur in te roepen om te bewerkstelligen dat de nodige maatregelen genomen worden tot executie van het besluit van Zijne Majesteit de Koning over het herstel van de haven.
Op de 2e november constateert het Stadsbestuur dat ‘tot hier toe geen de minste vordering wordt gemaakt met de voorlopige schikkingen tot herstel van de haven, uitdrukkelijk bij het besluit van Zijne Majesteit omschreven en ook op het daartoe onlangs aan de Gouverneur gerichte adres geen dispositie is ingekomen’. Besloten wordt bij de Minister van Waterstaat op het herstel van de haven aan te dringen met een afschrift aan de Gouverneur.
Deze brief heeft resultaat! Want op de 16e november 1816 bericht de Minister van Waterstaat op de brief van het Stadsbestuur ‘dat aan de ingenieur en chef Schraver, de nodige assistentie ten koste van den lande verleend zijnde, tot de uitvoering van de werkzaamheden betrekkelijk de herstelling van de haven alsnu de nodige orders zijn gesteld dat dit werk in den kortst mogelijke tijd kan worden opgemaakt en aan de Koning ter approbatie aangeboden’.
Tevens is er van de Gouverneur een kennisgeving van de inspanningen die hij tot bespoediging van het werk van de haven bij de Minister heeft gedaan. Hij voegt er aan toe ‘dat het hem altoos genoegen zal geven de pogingen van de stedelijke regering in dit opzicht te kunnen ondersteunen’. Het Stadsbestuur betuigt de Gouverneur haar dankbaarheid voor de aanhoudende medewerking en ondersteuning die ze van hem heeft ondervonden. Tevens beveelt het de belangen van deze stad, vooral wat betreft het werk van de haven, in de bescherming en ondersteuning van de Gouverneur aan.

En nu de financiering nog!

Het gemeentebestuur van Kattendijke en de Wilhelminapolder verzoeken op de 16e november 1816 om gedurende de aanstaande winter ‘s avonds en ‘s nachts de Wilhelminapolder met vier lantaarns te verlichten ‘uit hoofde anderszins de onderlinge communicatie in dien polder ondoenlijk zoude zijn’.

De ingenieur en chef bij de Waterstaat, A. Schraver, stuurt op de 27e november 1816 een kennisgeving dat hij voornemens is om op de 1e december de werkzaamheden voor de projecten van de havenwerken voor de stad te beginnen.
De president burgemeester geeft het Stadsbestuur op de 6e december kennis ‘dat hij, onderricht van het arrivement van de heer ingenieur en chef Schraver op het Sas teneinde zig met het opmaken der projecten voor de haven dezer stad bezig te houden, zich met twee leden van de Commissie voor de havenwerken naar het Sas had begeven en aldaar de heer Schraver had gecomplimenteerd, bij welke gelegenheid dien heer de stellige verzekering heeft gegeven nopens den spoedigen afloop van de hem opgedragen werkzaamheden’.

De Hoofdingenieur van de Waterstaat stuurt op de 10e februari 1817 bericht van zijn aanstaande overkomst voor het gezamenlijk examineren van het plan voor het herstel van de havensluis. Op de 25e februari geeft de president burgemeester de raad inzage in de projecttekeningen, bestekken en berekeningen voor het herstel van de sluis en de haven. Hoofdingenieur Schraver verzoekt de gedachten hierover van het Stadsbestuur. Hij, en ook zijn zoon, ingenieur bij de waterstaat Schraver, zijn aanwezig om de vergadering alle inlichtingen te geven. Vooraf zijn de plannen ettelijke malen met de burgemeesters doorgenomen en aangepast.
Uitvoerig bespreekt het Stadsbestuur de voorgelegde plannen. ‘Hierover wordt rijpelijk gedelibereerd en gelet op de inlichtingen en explicaties van de ingenieurs Schraver en op de gevoelens van de Commissie voor de havenwerken, wordt besloten de ingenieurs Schraver de betuiging van erkentelijkheid dezer vergadering aan te bieden voor de alleszins blijkbare nauwkeurigheid en zorgvuldigheid, welke ze in het samenstellen dezer projecten hebben in agt genomen mitsgaders voor al hetgeen zij voor de belangen van deze stad wel hebben gelieven te doen. Ook de burgemeesters en de Commissie voor de havenwerken wordt de welgemeende dankerkentenis van de vergadering overgebracht’.

De Gouverneur geeft op de 27e februari 1817 te kennen dat de Hoofdingenieur van de Waterstaat hem de begroting voor de havenwerken heeft toegezonden. Hij verlangt op de 4e maart een conferentie te houden op het gouvernement in de Abdij over de uitvoering van het plan tot herstel van de havenwerken. Afgesproken wordt dat de president burgemeester, raadslid Verschoor van Nisse en twee of drie gecommitteerden tegen half elf op de bestemde plaats zal zijn.
Vooraf maken de burgemeesters samen met de Commissie voor de havenwerken enige berekeningen ‘tot vinding van de interesten en de aflossing van het te negotiëren kapitaal’.

Op de 15e maart wordt verslag gedaan van de conferentie met de Gouverneur op de 4e maart. Het vinden van de benodigde fondsen voor dit werk was het voorname doel van de conferentie. De Gouverneur drong er bij de delegatie op aan tijdig naar fondsen uit te zien. De Gouverneur is meegedeeld dat inmiddels aan de heren Van den Broeke en Compagnon, makelaars te Amsterdam, is geschreven om te onderzoeken of er een mogelijkheid is tot het afsluiten van een geldlening. Deze heren zijn meermalen in andere zaken voor de stad werkzaam geweest. Helaas komt op de 19e maart bericht van de Amsterdamse makelaars Van den Broeke van hun mislukte pogingen om een negotiatie voor het herstel van de haven te verkrijgen.

In de vergadering van de 17e maart 1817 geeft burgemeester Van Tilburgh het Stadsbestuur kennis dat de voorzittende burgemeester met de stadssecretaris hedenmorgen naar Middelburg zijn vertrokken om de Gouverneur over de zaken van de havenwerken te raadplegen.

Eindelijk verheugend nieuws!

Maar dan ontvangt het Stadsbestuur op de 26e april 1817 het verheugende bericht van de Gouverneur, ten geleide van het Koninklijk Besluit van de 13e april 1817, waarbij Zijne Majesteit bezwaar maakt tegen de voordracht van Zijne Excellentie de Minister van Waterstaat om de som van ƒ 166.000, nodig voor het herstel van de haven, uit ’s lands schatkist voor te schieten. Bepaald wordt dat dit bedrag zal moeten worden gevonden overeenkomstig Zijn Koninklijk Besluit van de 12e mei 1816 uit een te openen geldlening op meer voordelige voorwaarden dan de tot dusver geprojecteerde, waarvan de interesten en aflossingen uit een jaarlijkse belasting op de eigendommen in Zuid-Beveland behoren gevonden te worden, onverminderd de middelen die de stad uit haar eigen middelen zal kunnen beschikbaar stellen.

De president burgemeester doet op de 30e april 1817 verslag van het overleg door een commissie met Gedeputeerde Staten op 28 april over de wijze van uitvoering van het Koninklijk Besluit van de 13e april. Het verrichte wordt goedgekeurd. Een commissie zal zich onverwijld naar Amsterdam en zonodig naar andere Hollandse steden begeven en daar beproeven om tot vinding van de kosten, volgens de berekening nodig voor het herstel van de haven, te lenen een som van ƒ 166.000 en wel op zodanige voorwaarden als die commissie voor het belang van de stad raadzaam zal oordelen. In deze commissie nemen zitting, met volmacht om te handelen namens het Stadsbestuur, de heren J.J. Risseeuw, lid van de Commissie voor de havenwerken, en L. de Fouw, eveneens lid van de Commissie en secretaris van de stad.
Deze commissie rapporteert op de 14e mei 1817. Daaruit blijkt dat, niettegenstaande alle moeite, men niet heeft kunnen slagen. Ze legt over een brief van de heren Eck en Zoon, makelaars te Rotterdam, die voor dit doel mede werkzaam zijn geweest. Ze stellen voor om bij de hoge autoriteiten te verzoeken dat een meer voordelig plan van negotiatie dan dat voorlopig was ontvangen door het gouvernement mag worden geopend en aangemoedigd. Gedeputeerde Staten worden verzocht een conferentie te houden of tot andere werkzaamheden mocht worden gevorderd.

De president burgemeester brengt op de 24e mei een opnieuw ontworpen plan van negotiatie tot het vinden van de kosten tot herstel van de haven ter tafel. Hiervan kan, in het geval van een aanvraag door Gedeputeerde Staten, eventueel gebruik worden gemaakt.

Met een commissie uit de kooplieden van de stad houdt het Stadsbestuur op de 16e augustus 1817 een bespreking over het afsluiten van een geldlening voor het herstel van de haven voor de benodigde ƒ 90.000. Voor de uitvoering van het geprojecteerde plan wordt een commissie gevormd, bestaande uit Martinus Slabber, Jozias Risseeuw, Jacob Kakebeeke, Petrus Nortier, Jan Soetebier en Abraham Steendijk. Van het plan voor de negotiatie zal een publicatie worden gedaan en een voldoende aantal exemplaren gedrukt om aan de voornaamste ingezetenen toe te zenden.
Al op de 21e augustus geeft de commissie tot het bewerkstelligen van de inschrijving in de negotiatie de burgemeester de verzekering ‘dat de vastgestelde som van ƒ 90.000 bereids geheel en zelfs daar te boven was ingeschreven’.
De plannen zijn inmiddels ontworpen en goedgekeurd en worden naar de Gouverneur gezonden.

Op de 9e december 1817 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van Gedeputeerde Staten ten geleide van een afschrift van het Koninklijk Besluit van 10 november. Daarbij worden de middelen aangewezen tot het doen van de werken aan de haven. Tevens wordt goedgekeurd het plan tot negotiatie van een som van ƒ 120.000 tot gedeeltelijke goedmaking van de daartoe benodigde kosten, waarin Zijne Majesteit wel voor ƒ 30.000 heeft willen deelnemen. Ook krijgt het Stadsbestuur autorisatie voor de verkoop van ƒ 22.500 werkelijke schuld en van een aantal slagbare bomen met een berekende waarde van ƒ 8.000. Gedeputeerde Staten voegen hieraan toe ‘dat de deelneming van Zijne Majesteit tot een doorslaand blijk zal verstrekken van zijn bezorgdheid voor het welzijn der ingezetenen van Goes, bij welke deze Koninklijke weldaad, zo zij vertrouwen, naar waarde zal worden erkend’.
Het Stadsbestuur besluit de Gouverneur hun grote erkentelijkheid voor zijn medewerking kenbaar te maken, evenals aan Zijne Majesteit de Koning.

In verband met het besluit van de 9e december wordt met de grootste spoed, staande de vergadering van het Stadsbestuur, de begroting voor 1818 vastgesteld met daarin een verhoging van de stedelijke belastingen met 3% op de belasting van de huurwaarde van de vaste panden, van ƒ 2 per okshoofd op de sterke dranken, ƒ 2 van de geslacht wordende koeien per stuk en ƒ 1 van iedere zak tarwe of rogge die gemalen wordt.
Ook gaat het Stadsbestuur akkoord met het voorstel van de burgemeesters om met de meeste spoed over te gaan tot de verkoop van de bomen van de stad, die bij Koninklijk Besluit van de 10e november zijn aangewezen tot de middelen tot goedmaking van de kosten voor de havenwerken.

In januari 1818 blijkt dat de verkoping van de bomen aan de westzijde van de haven de verwachtingen heeft overtroffen. De opbrengst kan worden begroot op ƒ 9.150.

Aanbesteding van de havenwerken

Van de 24e januari 1818 is er een brief van ingenieur Ferrand van de Waterstaat over de inspectie van de haven voor het bepalen van een bergplaats van de schotwallen. Hij heeft deze inspectie met een lid van de commissie voor de havenwerken en de stadsarchitect tot wederzijds genoegen volbracht.

Ook op de 24e januari 1818 deelt de voorzittende burgemeester mee dat het bestek en de condities voor de aanbesteding van de haven en sluiswerken, die op de 28e januari moet plaatshebben, nu zijn ingekomen. Het kan nodig zijn dat er over het een of ander inlichtingen nodig of aanmerkingen te maken zijn. Het is van belang daarover met de ambtenaren van de Waterstaat of de Gouverneur te overleggen. De voorzittende burgemeester met de commissie voor de havenwerken krijgen machtiging om zowel voor als bij en na de aanbesteding, tot bevordering van het belang van de stad, al datgene te doen en te verrichten wat gezamenlijk nodig zal bevonden worden.
Het Stadsbestuur besluit de president burgemeester en de commissie voor de havenwerken te autoriseren tot het behandelen en waarnemen van de belangen van de stad met betrekking tot de binnenkort te houden aanbesteding. De president burgemeester zal in elke vergadering van de raad over de stand van zaken rapporteren.

Op de 28e januari 1818 heeft de aanbesteding van de haven- en sluiswerken te Middelburg plaats. De president burgemeester rapporteert aan het Stadsbestuur over de aanbesteding. Met de heren Verschoor van Nisse en Risseeuw van de commissie van de havenwerken is hij bij de ingenieur en chef van de Waterstaat Schraver geweest. ‘Met genoegen heeft hij de volkomenste blijken van welwillendheid en medewerking mogen ondervinden. Edoch, de besteding is zo ver boven de berekening gelopen dat zonder het bijbrengen van nieuwe fondsen er geen vooruitzicht op de uitvoering is’. Volgens de Gouverneur dient men nu de beslissing van de Minister van Waterstaat af te wachten.

Op de 25e februari 1818 wordt een nieuwe aanbesteding van de haven- en sluiswerken gehouden. Deze is nòg hoger als de vorige keer uitgevallen. De president burgemeester geeft in overweging zich tot Zijne Majesteit de Koning te wenden. Het Stadsbestuur besluit tot het instellen van een commissie om de belangen van de stad bij de Koning of de Minister van Waterstaat te bepleiten. De commissie bestaat uit burgemeester De Leeuw, de secretaris De Fouw en de heer Risseeuw.

Op zaterdagavond de 14e maart keert de commissie terug in de stad. Ze wenst ten spoedigste verslag te doen van haar bevindingen. De commissieleden worden officieel in de vergadering binnen geleid. Burgemeester Slabber bedankt hen plechtig voor de door hen bewezen gewichtige diensten aan de welvaart van de stad en haar inwoners. De heer Verschoor van Nisse zal de Gouverneur over de uitslag van de reis rapporteren. Nb. Wat het resultaat van de reis is blijkt niet uit het notulenboek.
Ook aan de deelnemers in de geldlening voor de havenwerken wordt verslag gedaan van de verrichtingen van de commissie naar ’s Hage.

 In de laatste week van maart 1818 vindt de ontknoping plaats van de aanbesteding. De Minister van Waterstaat machtigt de Gouverneur om, na het inwinnen van advies van de Hoofdingenieur en zoveel nodig in overleg met het Stadsbestuur, te trachten tot een onderhandse aanbesteding voor de haven- en sluiswerken te komen. Tevens zal de Gouverneur een afweging moeten maken welke aanpassingen van de havenwerken kunnen worden gemaakt om de prijs te verminderen.
Op de 25e maart besluit het Stadsbestuur, na een gehouden conferentie met de commissie tot de havenwerken, aan de Gouverneur en de Hoofdingenieur bij de Waterstaat de bedenkingen mee te delen die haar zijn voorgekomen en die dienstig zijn voor de uitvoering van het besluit van de Minister van Financiën van de 19e maart. Verondersteld wordt dat de aannemingsprijs daardoor aanmerkelijk kan verminderen.

Onderhandelingen over uitslag aanbesteding

Op de 30e maart rapporteert de president burgemeester, mede namens commissielid Risseeuw, over de op uitnodiging van de Gouverneur op zaterdag jl. gehouden onderhandelingen, in bijzijn van de Hoofdingenieur, met de aannemers van de haven- en sluiswerken. Bij deze gelegenheid hebben ze ook de conferentie bijgewoond over het onderzoek naar de mogelijke beperkingen op de werken. Hij kan de gunstige uitslag hiervan meedelen. Deze bestaat hierin, dat, ‘NA ZEER VEEL MOEITE’, de sluiswerken met een uitstel van de voltooiing tot ultimo juli 1819 zijn aanbesteed aan de aannemers Van ’t Hof & Brandenburg voor ƒ 180.000. De Minister van Waterstaat wordt verzocht te bevorderen dat ook het havenwerk spoedig zal aanbesteed worden.

Als het bericht komt dat de nieuw benoemde Gouverneur van Zeeland eerstdaags naar ’s Hage zal gaan om beëdigd te worden, schrijft het Stadsbestuur hem op de 16e april aan met het verzoek ‘aan de belangen van deze stad met betrekking tot deszelfs ongelukkige vaarwater gedachtig te willen zijn’.

Op de 12e mei 1818 ontvangt het Stadsbestuur een aankondiging van de op de 27e mei te houden aanbesteding van het uitdiepen van de haven, alsook het bestek en de door de Minister van Waterstaat op de 24e april vastgestelde condities.

De Gouverneur wordt – Onder toezending van het bestek en de condities van de aanbesteding van de sluis verzoekt het Stadsbestuur de Gouverneur op de 16e mei daarop de veranderingen te laten noteren die bij de onderhandse besteding toegestaan zijn en deze daarop weer te retourneren. De burgemeesters kunnen daardoor op de hoogte zijn van de verplichtingen van de aannemers van deze werken.
De stukken komen op de 21e mei retour met de nader daarin aangebrachte veranderingen bij de besteding.
Enkele dagen later deelt de Gouverneur mee dat Zijne Majesteit de Koning de besteding van de sluiswerken in de haven heeft goedgekeurd, alsmede de aanpassingen in het bestek van de eigenlijke havenwerken. Het laatste werk kan opnieuw worden aanbesteed. Er is een tekort van ƒ 80.000. Middelen worden beraamd om het gat te dekken.

Op de 23e mei 1818 besteden de burgemeesters aan het uitdiepen van kreken en het maken van leg- en losplaatsen voor de schepen van de stad op het veer van Ter Lugt aan Janus Ossewaarde voor ƒ 120. Deze werkzaamheden zijn noodzakelijk door de sluiswerken.

Uitvoering haven- en sluiswerken

Op de 11e juni 1818 wordt, vooruitlopend op de definitieve beslissing over de haven- en sluiswerken, op advies van de Hoofdingenieur van de Waterstaat, de directie over de sluis- en havenwerken, onder het oppertoezicht van de Hoofdingenieur Schraver, opgedragen aan de ingenieur van het departement en de stadsarchitect Proos.

De Gouverneur schrijft op de 20e juni dat het de Minister van Waterstaat is voorgekomen dat het noodzakelijk is om over de sluis- en havenwerken een welingerichte directie aan te stellen en een behoorlijk dagelijks toezicht te houden. Het Stadsbestuur geeft als advies dat het haar is voorgekomen dat de directie samengesteld dient te zijn uit leden van de stedelijke raad of die het vertrouwen daarvan bezitten. Dit met bijvoeging van iemand die in staat is om de werken ‘kunstmatig’ te kunnen beoordelen.
In overweging wordt gegeven tot directie te benoemen de voorzittende burgemeester De Leeuw als president en als leden de heren Hoofdingenieur Schraver, de secretaris van de stad L. de Fouw, het oud-raadslid J. Risseeuw en de notabele ingezetene J. Kakebeeke. De laatste drie heren zijn vanaf het begin met de belangen van het vaarwater voor de stad belast geweest. Aanbevolen wordt verder het dagelijkse toezicht op te dragen aan ingenieur Ferrand van dit arrondissement van de Waterstaat en de stadsarchitect Proos.

Op de 18e juli 1818 komt er bericht van de Gouverneur over de gunstige beschikking van Zijne Majesteit de Koning dat het ontbrekende bedrag van ƒ 65.000, dat tot voltooiing van de sluis- en havenwerken nog ontbreekt, niet uit ’s rijks kas maar op een andere wijze zal worden gevonden. Op welke wijze dit is blijkt begin oktober 1818. De Gouverneur zendt dan een Koninklijk Besluit toe van de 29e augustus om aan de stad Goes voor de sluis- en havenwerken een voorschot te verlenen van ƒ 65.000 ‘uit hoogstdeszelfs bijzondere fondsen tegen een rente van 5%’.

De Commissie voor de havenwerken rapporteert op de 1e augustus 1818 dat bij een gehouden inspectie is gebleken dat door het uitgraven van de binnenkaai tot de diepte, zoals in het bestek voorgeschreven, de kaaimuren zouden worden ontgrond en gevaar lopen om in te storten. In overleg met ingenieur Ferrand is aan Hoofdingenieur Schraver voorgesteld om de specie tegen de kaaimuren twee voet hoger te laten zitten dan in het bestek bepaald. De Hoofdingenieur bewilligt hier niet in. De uitdieping dient volgens zijn plan te worden uitgevoerd.

De eerste betalingen van de werkzaamheden vinden plaats in augustus 1818. Autorisatie wordt verleend tot betaling aan aannemer G. van Asperen van ƒ 6.875 voor het uitdiepen en in een geregeld profiel brengen van de haven en aan aannemer Van ’t Hof Brandenburg van ƒ 18.000 voor het bouwen van de nieuwe sluis voor het oude sas en verdere werken.

Op de 15e augustus 1818 bericht de Minister van Waterstaat dat de werken aan de haven en sluis door het Stadsbestuur van Goes, onder de surveillance van de Waterstaat, dienen te worden uitgevoerd. Door de stad moet in het dagelijkse toezicht worden voorzien en de kosten daarvan zullen door de stad moeten worden gedragen. Op deze aanwijzing van de Minister besluit het Stadsbestuur een stedelijke commissie van toezicht over de haven- en sluiswerken te benoemen en daartoe aan te stellen de voorzittende burgemeester De Leeuw als president, secretaris De Fouw als lid en tot mede leden uit de notabele ingezetenen de heren Jozias Risseeuw en Jacob Kakebeeke.
Tot onderopzichter van de havenwerken wordt aangesteld Jacob Allemekinders, tot onderopzichter van de saswerken Willem Polderman en tot tweede onderopzichter over het sas J. Thomson.

Voortgang haven- en sluiswerken

Op de 26e december 1818 houdt de Commissie voor de havenwerken op het sas een conferentie met de Hoofdingenieur en de ingenieur van de Waterstaat over de vorderingen van de sluis- en havenwerken. Geconstateerd is dat de sluiswerken met de grootste activiteit en nauwkeurigheid worden voortgezet en naar omstandigheden niets meer gewenst kan worden. De commissie is over de aannemers voor de sluiswerken ten volle tevreden.
Maar tot haar leedwezen kan geen gunstig verslag worden gegeven van de aannemer van de havenwerken Van Asperen. Deze verzoekt dringend om betaling van drie termijnen. Echter, uit een door de ingenieur verrichte peiling is de vrees ontstaan ‘dat het kanaal op veel plaatsen te ondiep en te smal gegraven is’.

De aannemer betoogt dat deze vrees ongegrond is. Hij verzoekt met klem hem uit zijn verlegenheid tot het doen van betalingen wegens gebrek aan fondsen te verlossen.

Maar uit een nadere en nauwkeurige peiling blijkt dat de bestaande vrees niet ongegrond is. De haven blijkt op een aantal plaatsen wel vijf voet te smal te zijn gegraven. Aannemer Van Asperen krijgt vooralsnog geen betalingen meer. De hulp van de Gouverneur wordt ingeroepen. Van de Commissie voor de havenwerken worden nadere voorstellen tegemoet gezien.

In januari 1819 beleggen de twee leden uit het Stadsbestuur, de heren De Leeuw en Kakebeeke, een conferentie met de Hoofdingenieur Schraver en aannemer Van Asperen over de grove gebreken aan de havenwerken. Van Asperen is bereid tot het doen van meerdere bezodingen en andere niet voorziene, doch niettemin hoogstnoodzakelijke werken. De stad is hiermee wellicht voordeliger uit dan dat de aannemer tot de letterlijke volbrenging van het bestek zou worden genoodzaakt. Dit kan zeer vele moeilijkheden teweeg brengen en de stad lange tijd verstoken doen zijn van voltooiing van deze dringende werken. Onderkend wordt dat de stad het toezicht had op de uitvoering van de werken. De Hoofdingenieur verklaart desgevraagd dat de voorgestelde veranderingen niet hinderlijk voor de scheepvaart zullen zijn.

De Gouverneur stuurt het Stadsbestuur eind maart 1819 een antwoord op haar brief van de 26e december 1818. Hij heeft de voordracht van het Stadsbestuur, gegrond op het aanbod van aannemer Van Asperen, tot voltooiing van de havenwerken aan de Minister van Waterstaat toegezonden. Hij wacht diens beslissing af. Doch ten aanzien van de buitenhaven verlangt hij, alvorens daarover een passend voorstel aan de Minister te kunnen doen, een opgave over het vinden van de daartoe benodigde kosten. Verder deelt hij mee dat, indien het Stadsbestuur soms enige nieuwe gunst van de Koning mocht verlangen, hij liever zal zien dat deze door het Stadsbestuur zelf wordt gevraagd.
Op advies van burgemeester De Leeuw besluit het Stadsbestuur de Gouverneur, onder dankbetuiging voor de gedane voordracht ten aanzien van de binnenhaven, de restauratie van de buitenhaven buiten kosten van de stad aan de Minister van Waterstaat voor te dragen.

In juni 1819 overweegt het Stadsbestuur dat de sluiswerken aan de haven zodanige vorderingen maken dat het te verwachten is dat deze spoedig zullen zijn voltooid. Maar, om daarvan het gewenste effect te verkrijgen, is het noodzakelijk dat ook de havenwerken in behoorlijke staat zijn afgewerkt. Echter sinds lang bestaat de gegronde vrees dat aannemer Van Asperen al enige tijd niets tot de voltooiing van zijn werk schijnt aan te wenden. Er wordt namelijk niets daarvan vernomen. De Gouverneur wordt in kennis gesteld van de bezwaren van de raad met verzoek hierin te bemiddelen.

Op de 26e juni 1819 wordt, in aanwezigheid van de ingenieur van de Waterstaat en de opzichters Proos en Allemekinders en aannemer Van Asperen, een peiling van de nieuwe haven verricht. Burgemeester De Leeuw legt het rapport hiervan ter vergadering over.

De burgemeesters doen bij monde van burgemeester De Leeuw, als voorzitter van de havencommissie, op de 5e juli 1819 verslag van het verhandelde tijdens de conferentie met de Inspecteur-generaal Goudriaan in bijzijn van de Hoofdingenieur Schraver en ingenieur Ferrand over de gesteldheid van de havenwerken en over aannemer Van Asperen. Na het vertrek van de Inspecteur-generaal geeft ingenieur Ferrand aan de havencommissie te kennen dat hij ingevolge de orders van de Inspecteur-generaal zich weer heeft belast met de directie over de havenwerken. Hij stelt de commissie voor om, nu uit de laatstgehouden peilingen aan de Inspecteur-generaal is gebleken dat de havenwerken door aannemer Van Asperen, over het geheel genomen, de capaciteit zowel in breedte als in diepte heeft verkregen die bij het bestek is bepaald, de aannemer Van Asperen nu attesten van de volgens het bestek afgemaakte werken af te geven. De Commissie voor de havenwerken meent echter tegen dat voorstel bezwaren te moeten maken in verband met de door de aannemer aan de raad gedane voorstellen tot verbetering en vermeerdering van zijn werk. Daaraan is nog niet volledig voldaan. Het Stadsbestuur keurt het verhandelde door de commissie volkomen goed en blijft bij haar weigering in de afgifte van attesten aan aannemer Van Asperen.

Op de 17e juli 1819 rapporteert de havencommissie uitvoerig over haar overleg met de provincie, de Hoofdingenieur en de ingenieur van de Waterstaat. Onder dankbetuiging voor het verrichte en het uitgebrachte rapport en in aanmerking nemend de dringende noodzaak die er voor de ingezetenen bestaat om zonder verder verwijl enig genot van het havenkanaal en de sluiswerken te verkrijgen, besluit het Stadsbestuur het volgende De door de Hoofdingenieur met de havencommissie gemaakte voorlopige aanbesteding van de onvermijdelijke werken tot verzekering van het gedeelte van de buitenhaven tot aan en in de te amoveren buitendam, worden als onvermijdelijk goedgekeurd. De havencommissie krijgt machtiging om daarover de Hoofdingenieur en aannemer Van ’t Hoff en Brandenburg te informeren.

Uitvoeringsmaatregelen

Het Stadsbestuur overweegt op de 31e juli 1819 dat, als gevolg van de gunstige beschikkingen van Zijne Majesteit, de medewerking van de Gouverneur en de aanzienlijke deelneming van de goede ingezetenen, de sluis- en havenwerken zeer ver gevorderd zijn. Met grond mag men hopen dat binnen weinige dagen de haven geopend zal kunnen worden en de stad zich weer zal mogen verheugen in het bezit van een geschikte gelegenheid voor de scheepvaart, waarvan zij door een reeks ongelukkige omstandigheden lange tijd is verstoken geweest. Het is daardoor noodzakelijk enige voorlopige maatregelen te nemen tot regeling van de bediening van de havensluis en van de wijze waarop de scheepvaart op de haven zal worden uitgeoefend.
De gemeenteraad stelt een ‘Provisioneel Reglement met betrekking tot de scheepvaart op de buiten- en binnenhaven, mitsgaders door de schutsluis tot in de Kaai van de stad Goes’, vast.

Op de 7e augustus 1819 wordt het trekken van de schepen in de stadshaven verpacht voor ƒ 200 per jaar aan L. Karstanje en Q. Brand.

Burgemeester De Leeuw legt als voorzitter van de havencommissie op de 27e augustus 1819 het 9e attest van de vorderingen van de werken aan de sluis ten behoeve van de aannemers Van ’t Hoff en Brandenburg over. Dit voldoet ten volle aan de condities van het bestek. Het gehele werk is in de beste orde opgeleverd. Er is ook een attest waaruit blijkt dat het in juli aanbestede pakwerk aan de buitenhaven voor ƒ 2.500 geheel is voltooid.

Half september 1819 geeft de Hoofdingenieur van de Waterstaat Schraven kennis van een ontdekte filtratie in de nabijheid van het sas. De sasmeester krijgt opdracht dat verschijnsel nauwkeurig te observeren.

Opening nieuwe haven

De feestelijke opening van de nieuwe haven is op de 18e augustus 1819.
De Gouverneur van Zeeland wordt hiervoor uitgenodigd. Deze voelt zich zeer vereerd en wil dit graag doen. Het Stadsbestuur overweegt op de 31e juli 1819 ‘dat Zijne Majesteit de Koning de stad, in het bijzonder door het verlenen van aanmerkelijke fondsen uit zijn eigen middelen voor de totstandkoming van de sluis en havenwerken, zo mildelijk heeft begunstigd en wellicht ook dezelve het geluk van hoogstdeselfs tegenwoordigheid bij het eerste gebruik van deze werken zoude gelieven te doen genieten’. De vergadering neemt de vrijheid Zijne Majesteit daarvoor eerbiedig uit te nodigen. De heren G. de Leeuw en L. de Fouw worden verzocht persoonlijk dit verlangen aan de Koning over te brengen en hem te verzoeken om de plechtigheid van het openen van de haven te willen bijwonen.

Op de 7e augustus 1819 geeft de president burgemeester de raad in overweging of het niet wenselijk zou zijn voor de opening van de stadshaven commissies in te stellen om de plechtigheden die daarbij behoren plaats te hebben te regelen. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord. Tot het regelen van het te geven diner en de muziek bij de eerste invaart van de haven ter gelegenheid van de openingsplechtigheid worden benoemd uit de raad de heren M. Slabber en M.C. van Dorth en uit de notabele ingezetenen de heren W. van Citters, J. Soetebier en P. Nortier.

Op de 8e augustus 1819 schrijft ingenieur Ferrand namens de Hoofdingenieur Schraver dat de afgraving van de kapitale dijk voor de sluis van de haven zodanig is gevorderd dat in de afgelopen nacht het water al voor de sluis is gekomen. Hij nodigt het Stadsbestuur uit om heden namiddag om 1 uur met het opkomende water bij de sluis aanwezig te zijn om een en ander in ogenschouw te nemen.

Hiervan wordt gebruik gemaakt. De aanwezige heren raadsleden vertrekken naar de sluis. ‘Naar derwaarts vertrokken, aldaar gekomen en door de Hoofdingenieur gecomplimenteerd zijnde, hebben de heren van een en ander visie genomen’. De Hoofdingenieur deelt mee dat de haven aanstaande donderdag de 12e augustus in de staat zal zijn om finaal geopend te kunnen worden, ‘vermits de dan nog overgebleven werken van dien aard zullen zijn, dat dezelve van het getijde afhangen en zo direct de vaart niet hinderlijk’.

Op de 7e augustus 1819 schrijft burgemeester De Leeuw vanuit Brussel dat de commissie pas op de 9e ‘s middags audiëntie bij Zijne Majesteit de Koning gegeven zal worden. Op de 10e augustus doet burgemeester De Leeuw verslag van de audiëntie. Vorige week gaven zowel de raadsleden Van der Bilt als Van Dorth te kennen niet in de gelegenheid te zijn op audiëntie naar de Koning te gaan. Hijzelf is vervolgens met secretaris De Fouw naar Brussel gegaan. Daar zijn ze door de Koning ‘gracieus ontvangen’. Hij was bijzonder verheugd over de staat van de sluis en haven. Evenwel is Zijne Majesteit niet in de gelegenheid de uitnodiging te aanvaarden. Hij beloofde bij zijn eerste komst in Zeeland de stad te bezoeken.

De Gouverneur bepaalt de dag van de opening van de haven op woensdag de 18e augustus 1819. Hij stelt zich voor met een jacht voor de eerste binnenvaart in de haven naar de stad te komen. De schutterij wordt uitgenodigd voor het bijwonen van de plechtigheid. De inwoners wordt gevraagd deze dag met alle gepaste vreugde te vieren.

Op de 13e augustus delibereert het Stadsbestuur over de festiviteiten ter gelegenheid van de opening van de haven. Er zal een diner in het Stadhuis worden gegeven. Daarnaast zal van stadswege ’s avonds, ter ere van Zijne Excellentie de Gouverneur, een bal en danspartij worden gegeven. De directeuren van de Sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ krijgen het verzoek om het gebouw van de Sociëteit voor de receptie van de heren en dames die het Stadsbestuur zal uitnodigen beschikbaar te stellen.

Van de Minister van Waterstaat komt bericht dat hij bedankt voor de uitnodiging om bij de opening van de haven tegenwoordig te zijn ‘als daarvan door den drang der bezigheden bij het departement niet kunnende profiteren’.

Contacten met de Wilhelminapolder

In februari 1819 ontvangt het Stadsbestuur een brief van directeur G.J. van den Bosch, mede namens de geïnteresseerden in de Wilhelminapolder. Hij geeft kennis van hun voornemen om over de haven een brug te plaatsen en daarnaast een steiger en een zate aan te leggen. Tevens geeft hij in overweging om voor het aanleggen van een steiger tussen of voor de sluizen een zekere strook langs de noordzijde van de haven in erfpacht of eigendom over te nemen. Hij is bereid daarover te onderhandelen.

Enige schippers, die op Goes varen, beklagen zich in augustus 1819 over de ongeschiktheid van de ophaalbrug over de haven bij het dorp in de Wilhelminapolder. Deze brengt een aanmerkelijke hinder aan de scheepvaart toe. Dat wordt nog vermeerderd door bepalingen van het gemeentebestuur van Kattendijke, waarbij verboden wordt met bomen of haken in de brug te stoten op straffe van een schadevergoeding en boete. Dit blijkt dikwijls onvermijdelijk te zijn. Deze kwestie wordt voor advies in handen gegeven van de havencommissie. De commissie rapporteert op de 11e september met bijvoeging van een omschrijving van de gebreken van de brug. De commissie en in het bijzonder de heer Risseeuw worden bedankt voor hun moeite en tekening. Deze wordt verder meegenomen in de conferentie tussen de havencommissie en de heer Van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, over de aanrakingspunten tussen de stad en de Wilhelminapolder.

De Gouverneur deelt het Stadsbestuur in oktober 1819 mee dat de Minister van Waterstaat van oordeel is dat de stad verplicht is om de veranderde uitwatering voor de Wilhelminapolder ‘in complete orde en in alle delen voldoende’ aan de polder op te leveren. Hij verlangt daarom dat de stad met de meeste spoed in de realisering van deze werken voorziet. Het Stadsbestuur maakt hier tegen bezwaren en is ook buiten staat om aan deze zo bezwarende last te voldoen. Het is van oordeel dat de ongehoudenheid hiervan ontwijfelbaar is. Bovendien heeft de stad volstrekt geen fondsen om dit werk te bekostigen. De havencommissie wordt verzocht dit met de Gouverneur te bespreken.

De heer Kakebeeke en secretaris De Fouw rapporteren op de 16e oktober 1819 over de met de Gouverneur gehouden conferentie over de bezwaren met betrekking tot de uitvoering van de suatiewerken ten gunste van de Wilhelminapolder. De Gouverneur was evenwel van oordeel dat de stad aan het realiseren van de suatiewerken van de Wilhelminapolder dient te voldoen.
Uit eerbied en achting voor de personen en bevelen van de Minister van Waterstaat en de Gouverneur, echter onder nadrukkelijk protest van ongehoudenheid van stadswege om die werken te bekostigen, besluit het Stadsbestuur aan de aanschrijving te voldoen en daarom de suatiewerken te realiseren.

De kosten van de suatie op basis van het bestek van de Hoofdingenieur van de Waterstaat blijken aanmerkelijk hoger te zijn dan aanvankelijk begroot. Dit wordt aan de Gouverneur voorgelegd. Maar de Gouverneur houdt de boot echter af. Het heeft geen zin deze kwestie voor te leggen aan de Minister van Waterstaat. Onder protest besluit het Stadsbestuur zich er bij neer te leggen. Ook al omdat de tijd dringt!
Het werk wordt opgedragen aan Jan Hansum, wonend aan het sas te Goes, voor een bedrag van ƒ 7.099,40. De Gouverneur wordt dringend verzocht van de bezwaren van de stad Goes een zodanig gebruik te maken als hij voor het belang van de stad raadzaam oordeelt. Ook om de stad van deze drukkende en, zo de vergadering meent, onrechtmatige last te ontheffen.

Overeenkomst met Wilhelminapolder

In februari 1819 stelt de directeur van de Wilhelminapolder, G.J. van den Bosch, voor ‘alle poincten van aanraking tussen de stad en de Wilhelminapolder’, die nu verspreid in stukken zijn opgenomen, in een conventie vast te leggen. Het Stadsbestuur nodigt hem uit aan te geven welke ‘poincten’ volgens zijn gevoelen in een conventie geregeld zouden moeten worden.

In oktober 1819 rapporteert de havencommissie over de conferentie met de heer Van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder, over het sluiten van een conventie met betrekking tot de aanrakingspunten tussen de stad en de Wilhelminapolder. De commissie is vanwege de naar haar oordeel onbillijke eisen van de directie van de Wilhelminapolder buiten staat geweest om het over de voornaamste punten eens te worden. Ze verwacht geen betere resultaten van verdere conferenties en verzoekt hiervan dan ook verschoond te mogen blijven.

Het Stadsbestuur besluit van deze stand van zaken, met vermelding van beider inzichten, aan de Gouverneur kennis te geven. De leden van de havencommissie krijgen het verzoek om, nu ze zich eerstdaags naar Middelburg zullen begeven voor een conferentie met de Gouverneur, om bij die gelegenheid ook over deze zaak met hem te spreken.

Op de 23e oktober 1819 rapporteert de stadssecretaris L. de Fouw, mede namens de heer Risseeuw, lid van de havencommissie, over de uitslag van de conferentie met de heer Van den Bosch (als dijkgraaf en vertegenwoordiger van de eigenaren van de Wilhelminapolder), bij de Gouverneur op de 18e oktober over het sluiten van een conventie met betrekking tot de punten van aanraking tussen de stad en de polder. Het rapport komt hoofdzakelijk neer op het volgende:

  • afgezien wordt om ‘de punten van aanraking’ in een conventie op te nemen;
  • een provisioneel peil wordt voor de haven van de stad bepaald op acht voeten; dit zal niet mogen worden verhoogd dan alleen bij onderlinge schikking tussen het Stadsbestuur en de dijkdirectie van de Wilhelminapolder;
  • de brug bij Wilhelminadorp zal nader worden onderzocht en, in het geval daarop van stadswege nog bedenkingen mochten zijn, zullen deze aan de Gouverneur worden opgegeven, terwijl bij gebreke aan zodanige opgave het daarvoor zal worden gehouden dat met de huidige brug genoegen wordt genomen;
  • tussen de stad en de polder zal worden onderzocht en vastgesteld of ten aanzien van de bediening en het gebruik van de brug nog enige nadere bepalingen behoren te worden gemaakt;
  • ten aanzien van het bezwaar van het gemeentebestuur van Kattendijke en de directie van de Wilhelminapolder, gedaan tegen de bepaling van het stedelijke reglement op de scheepvaart over het visiteren van de schepen voor de stedelijke belastingen, wordt het daarvoor gehouden dat er geen visitaties door de Wilhelminapolder zullen mogen plaats hebben in het gedeelte van de haven dat tussen het oude hoofd van de stad en de schutsluis gelegen is; het Stadsbestuur heeft de vrijheid om in de buitenhaven door de daar aankomende schippers declaratie te laten doen.

Aanstelling sasmeester

Al vanaf 1812 fungeert de voormalige mensenredder en loods Frans Naerebout uit Vlissingen als sasmeester aan het Goese Sas. Zijn aanstelling loopt in 1817 af. In oktober 1817 komt er een brief bij het Stadsbestuur binnen van Frans Naerebout, wonend aan het sas van de haven. Hij geeft kennis dat het Zijne Majesteit de Koning heeft behaagd hem, ter afdoening van alle verdere aanspraken als haven- en sasmeester, toe te kennen een gratificatie van ƒ 500 ineens. Hij verzoekt, voor het geval het Stadsbestuur tot de aanstelling of voordracht van een havenmeester mocht besluiten, hem daarmee te begunstigen.

Het Stadsbestuur besluit op de 18e oktober 1817 Naerebout voorlopig aan te stellen tot havenmeester van de buitenhaven. Dit onder toekenning van een zodanig loon of havengeld als gewoonlijk door vreemde schippers in de haven voor de havenmeester is betaald.
De Gouverneur wordt verzocht zijn salariskosten ten laste van ’s lands kas te nemen. Uit de kas van de stad kan er geen traktement als havenmeester worden betaald. ‘Edoch, dat bij aldien door de herstelling van de haven en havensluis wederom tot de aanstelling van een sasmeester kan worden overgegaan, alsdan op hem bij preferentie een gunstig regard zal worden geslagen’.

De Gouverneur deelt daarop mee dat deze kosten uit de stadsbegroting dienen te worden betaald en hij geen vrijheid vindt om op het verzoek van Naerebout enigszins te beschikken. Hiervan wordt Naerebout kennis gegeven. Kort daarop overlijdt Naerebout.

In juli 1819 wordt tot voorlopige sasmeester van de havensluis en tot voorlopige havenmeester van de buitenhaven en de binnenhaven van het sas tot aan het oude hoofd benoemd Jan van Blitterswijk. Hij moet zich stipt houden aan het vastgestelde ‘Reglement betrekkelijk de scheepvaart op de buiten- en binnenhaven door de schutsluis’.
In augustus 1819 wordt tot havenmeester van de binnenhaven, van het oude hoofd tot binnen de kaai, alsook tot boomsluiter, benoemd Cornelis Bosdijk en tot brugophaalder Jacob Boogaard.
De raad stelt in juli 1819 een ‘Provisioneel Reglement betrekkelijk de scheepvaart op de buiten- en binnenhaven, mitsgaders door de schutsluis tot in de Kaai der stad Goes’, vast.
Er worden zeventien bladzijden in het notulenboek gewijd aan de bepalingen voor de sasmeester, het trekken van schuiten, de tarieven, etc.

De Gouverneur geeft in september 1819 kennis van de aanstelling van de sasmeester Jan van Blitterswijk tot aansteker van ‘de Lantaarn op Oost-Beveland’ en tot ontvanger van de baken- en lantaarngelden aan het Goessche sas op een traktement van ƒ 150. Het Stadsbestuur is de Gouverneur hiervoor erkentelijk, daar het de vergadering bijzonder aangenaam is dat de door haar aanbevolen persoon benoemd is.

Het is onvermijdelijk om de sasmeesterswoning, die nog door het bestuur van de Wilhelminapolder aan de stad moet worden overgedragen, in een bewoonbare staat te brengen en daaraan de nodige reparaties te laten doen. De havencommissie onderhandelt hierover in september 1819 met de heer Van den Bosch, directeur van de Wilhelminapolder. Als de stad reparaties betaalt moet de Wilhelminapolder niet denken dat het Stadsbestuur van de vorderingen van een gedeelte van de reparaties ten laste van de polder af zal zien.
Directeur Van den Bosch bericht daarop dat hij, hoewel daartoe niet verplicht, een gedeelte van de herstelkosten ten bedrage van ƒ 89 zal betalen.

De voorlopig aangestelde sasmeester Jan van Blitterswijk blijkt in januari 1820 tot nu toe z’n functie met alle naarstigheid en getrouwheid te hebben waargenomen. Het Stadsbestuur besluit hem definitief te benoemen tot sas- en havenmeester. Hij zal een vijfde gedeelte van de door hem te ontvangen sas- en havengelden ontvangen, mits deze niet beneden de 500 gulden zullen zijn. Doet dit zich voor, dan wordt dit uit de stadskas aangevuld.

De eigenaren van de Wilhelminapolder sturen in april 1820 de transportakte van de overdracht van de eigendom van de keet op het Goese sas, bewoond door de sasmeester, aan de stad.

Voltooiing havenwerken

De Hoofdingenieur van de Waterstaat besteedt in april 1820 aan aannemer Hansum voor ƒ 800 aan het herstel van de degradaties in de zeetaluds van de wederzijds tegen het buitensas gelegen aansluitdijken. Deze schade is veroorzaakt door de storm van de 3e maart 1820. Op advies van de havencommissie besluit het Stadsbestuur deze kosten niet ten laste van de stad te nemen, maar Gedeputeerde Staten mee te delen dat deze in de generale werken tengevolge van de stormvloed begrepen moeten worden.

Op de 6e mei 1820 komt er een kennisgeving van ingenieur Ferrand over de verkregen autorisatie om de aannemer van de havenwerken zijn werk te laten voltooien. Daarvoor is nodig het water in de haven gedurende enige dagen, dat dit werk zal duren, af te laten. Dit zal gebeuren van 28 mei tot 10 juni.
De burgemeester geeft op de 12e juni 1820 het Stadsbestuur kennis dat de havencommissie op zaterdag jongstleden de definitieve opname van de havenwerken van aannemer Van Asperen heeft gedaan. Ze heeft deze in de vereiste orde bevonden en overeenkomstig het bestek zijn de werken voltooid. Hiervan is de Gouverneur kennis gegeven. De 7e termijn kan daardoor worden betaald.

Het Stadsbestuur ontvangt op de 1e juli 1820 een aanschrijving van de Gouverneur met toezending van een bestek en kostenbegroting voor het maken van een gedeelte nieuwe waterleiding langs de westzijde van de aansluitingsdijk tegen de zuidzijde aan het zee einde van de buitensluis in de mond van de haven en van een nieuw stenen duikersluisje onder de zeedijk van de Wilhelminapolder. Daarbij wordt het verzoek gedaan om op de uitvoering van deze werken de nodige maatregelen te nemen en aan Gedeputeerde Staten de vereiste opgave en voordracht te doen. Verder geeft de Gouverneur het verlangen van de Minister van Waterstaat te kennen dat alle kwesties over de bekostiging van het herstel van de ontdekte doorsijpeling achter het nieuwe suatiesluisje aan de noordzijde van de sluiskolk van de haven, alsook van de verbetering van de suatie van de Wilhelminapolder, met de directie van de Wilhelminapolder worden afgedaan en daarbij de billijkheid te betrachten.

De Gouverneur nodigt het Stadsbestuur in juli 1820 uit op te geven op welke wijze daarover met die van de Wilhelminapolder tot overeenstemming kon worden gekomen.

De Gouverneur wordt daarop bericht dat, ofschoon het Stadsbestuur zich niet verplicht rekent tot het volbrengen van wat het Departement van de Waterstaat ‘aanhoudend aan deze stad goed vindt op te leggen, men echter, om een einde aan deze verdrietelijke zaak te verkrijgen, zich genegen verklaart tot de betaling van een gedeelte der ƒ 3.748,60, waarop het opgegeven werk betrekkelijk de suatie van de polder door de Hoofdingenieur is begroot geworden’. Het Stadsbestuur verklaart zich bereid om, ingeval zodanige schikking zijn goedkeuring wegdraagt, daartoe een nadere voordracht te doen, ‘des deze vergadering verschoond blijve om in directe onderhandeling met den Wilhelmina Polder te treden’.
Er is kennelijk sprake van een verstoorde verhouding tussen het Stadsbestuur en de directie van de Wilhelminapolder.

Na overleg met de havencommissie stelt het Stadsbestuur in augustus 1820 een antwoord vast op de aanschrijving van de Gouverneur over de bekostiging van de benodigde reparaties aan de kolkdijken aan het sas en het herstel van de suatie van de Wilhelminapolder.

Maar opnieuw gaat Zijne Majesteit de Koning zijn eigen gang, maar wel in het voordeel van de stad! Op de 19e augustus 1820 wordt het Stadsbestuur extra ordinair bijeen geroepen. De burgemeester doet mededeling van het besluit van Zijne Majesteit de Koning om, uit aanmerking van de betoogde noodzakelijkheid van het herstel van de Goese buitenhaven en de ongunstige staat waarin de stadsfinanciën zich bevinden, de herstelling voor rekening van ‘s Rijks kas te nemen zoals begroot op ƒ 5.814,87. De gemeenteraad is hierover verheugd.

De finale oplevering van de havensluis gebeurt samen met de ingenieur van de Waterstaat op de 26e augustus 1820. Het werk is over het algemeen in de vereiste orde bevonden. De aannemers hebben zich verbonden het nog ontbrekende, voornamelijk aan de zuiderkolkdijk, met spoed te herstellen. Na voltooiing zal het laatste attest worden afgegeven.

Op de 16e december 1820 legt de president burgemeester een brief over van ingenieur Ferrand. Deze stuurt de vergadering een door hem en de stadsarchitect Proos opgesteld proces-verbaal van de examinatie van de havendammen aan de buitenhaven. De meest noodzakelijke reparaties zijn besteed op de 24e september 1820 aan aannemer J. van Asperen.

Toch krijgt het de langdurige geschiedenis van de haven en het sas een merkwaardig slot!
De burgemeester verklaart dat de stadsarchitect nimmer opdracht heeft ontvangen om in naam of vanwege het Stadsbestuur zich in te laten met enig schriftelijk bewijs of relaas van deze examinatie. Hij heeft deze alleen op verzoek van de ingenieur bijgewoond. Hij is van mening dat het proces-verbaal de stad in geen geval aangaat en de uitnodiging tot inzending als niet gedaan te beschouwen is. Doch ingenieur Ferrand verklaart bij de toezending van de stukken aan het Stadsbestuur te persisteren. Daarop besluit het Stadsbestuur deze stukken, als de stad niet aangaande, buiten deliberatie te houden.