Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1814 - 1820)

Openbare orde en rust

In januari 1814 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Commissaris van het arrondissement met de uitnodiging ‘om de nodige maatregelen te nemen dat de viering van den dag des Heeren worde verzekerd en alle storens van denzelven worde voorgekomen’.
Het Stadsbestuur besluit dat gedurende de godsdienstoefeningen op de zon- en bededagen alle neringen, bedrijven en openbare vermakelijkheden moeten stil staan, noodzakelijke dingen voor zieken en reizende personen uitgezonderd.

Gedurende de Franse overheersing is een gewoonte ingeslopen om bij gelegenheid van de vastenavond (dit is de dinsdag vóór Aswoensdag) rond te lopen langs de straten in maskeradekleding en zich in het openbaar daarmee te vertonen. Dit geeft dikwijls aanleiding tot bespottelijke en zedeloze vertoningen en bedrijven. Tot bewaring van de goede orde besluit het Stadsbestuur in februari 1814 te verbieden om bij gelegenheid van de vastenavond vermakelijkheden openlijk in maskeradekleding te verschijnen of gemaskerde bals en danspartijen zonder permissie van de burgemeesters te geven. Ook volgende jaren wordt dit verbod herhaald.

In juni 1815 ontvangt het Stadsbestuur een brief van het lid van Gedeputeerde Staten Van Doorn over het toestaan van openbare vermakelijkheden. Hij verzoekt de overwegingen van het Stadsbestuur over het besluit van Zijne Majesteit van de 1e maart over het toestaan van openbare vermakelijkheden zoals bals of danspartijen en dergelijke op zondagen na het eindigen van de godsdienst. Het Stadsbestuur besluit hierop te antwoorden ‘dat het ons toeschijnt dat Z..M. wijselijk zulks aan de plaatselijke regeringen heeft overgelaten, als ieder best met de localiteit in haren bekend. Dat wij met betrekking tot de Stad Goes en derzelver Jurisdictie nimmer toestaan, dat binnen dezelve enige Bals of Danspartijen plaats hebben op Zondagen en zulks niet zouden gedogen dan bij buitengewone gelegenheden van publieke feesten, door ’s Lands Hoog Bestuur ingesteld’. Ten aanzien van gebouwen buiten de stad en geïsoleerd staande gebouwen, waarin de tappersnering wordt uitgeoefend, wordt toegestaan dat aldaar op zondag na het eindigen van de godsdienstoefening muziek gemaakt en danspartijen gegeven worden,

Vanwege de voortschrijdende onreinheid van de straten, pleinen, markten en openbare wandelwegen wordt in mei 1816 een aantal verordeningen vastgesteld tot bevordering van de zuiverheid en reinheid van de stad en wallen en de publieke veiligheid, zedelijkheid en goede orde.

In januari 1819 verzoeken Jan Heinrich Priesterbach, Petrus Nortier, Johannes Pilaar en Andries Smallegange om tot debitanten van loterijen in de twee eerstvolgende Koninklijke Nederlandsche Loterijen voor deze stad te worden aangesteld. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord en stelt het aantal debitanten op vijf. De Gouverneur vindt dit echter teveel van het goede en drie splitsers van de loten voldoende. Johannes Pilaar doet daarop vrijwillig afstand van deze functie.

In november 1820 komt er een brief van de Officier van Justitie te Goes binnen met bijvoeging van een vordering op de stadsarchitect tot het doen stellen van het schavot op de 7e november. Hieraan wordt voldaan.

Nachtwacht

Het Stadsbestuur overweegt op de 2e januari 1814 ‘het grote nut welke een welingerichte nachtwagt ter verzekering van de veiligheid van de eigendom van de ingezetenen van de stad kan teweeg brengen’. Besloten wordt de onder het vorige bewind gelicentieerde nachtwakers weer als vanouds te herstellen. Deze worden op dezelfde dag nog beëdigd.

Sommige nachtwakers maken zich in augustus 1816 schuldig aan sluikerijen.
De klapperlieden Pieter de Munck, Anthonie Noorthoeve en Pieter de Bruijne worden voor acht dagen in hun bediening geschorst zonder traktement. Niettegenstaande hun verplichting om tegen alle sluikerijen te waken, hebben ze goederen die voor de stadsimpost in aanmerking komen binnen de stad laten invoeren. Ze worden gelast beter aan hun verplichtingen te voldoen. Pieter Schutter wordt zelfs als nachtwaker of klapperman ontslagen.

In november 1817 verzoeken de stedelijke klapperlieden om verhoging van hun traktement, dit omdat hun werkzaamheden zijn uitgebreid. Het Stadsbestuur besluit als schadeloosstelling voor hun meerdere werkzaamheden gedurende deze en de volgende maand hen een beloning te geven. Uit het fonds voor huishoudelijke uitgaven van de begroting van dit jaar wordt hen toegekend een halve hoed kolen en gedurende de wintermaanden een gelijke halve hoed kolen, dit zonder enige consequentie voor het vervolg.

Politie

In maart 1814 wordt de voormalige agent van politie, Anthonie Boeree, weer hersteld in zijn functie. Maar in september 1817 krijgt hij, samen met de agent van de stedelijke politie Johannes Evert Loobeek, een schorsing. Beiden verzoeken eerherstel en beloven zich beter te zullen gedragen. Maar Boeree wordt definitief ontslagen, terwijl Loobeek weer in zijn functie wordt hersteld om, naast de voorlopig aangestelde agent Izaak Houtop, de functie van agent van politie weer waar te nemen.

In juni 1815 dient het Stadsbestuur bij de Gouverneur een verzoek in voor de aanstelling van een afzonderlijke veldwachter voor de stad en jurisdictie. Dit wordt door de Gouverneur afgewezen.

Ingevolge het Regeringsreglement betreffende de aan de burgemeesters toevertrouwde politie wordt in januari 1816 aan de begroting een post toegevoegd van ƒ 400 voor de bezoldiging van een aan de burgemeesters ondergeschikte Schout van Politie.

Brandweer

Op de 30e juni 1817 worden de brandspuiten ‘s namiddags om half twee geëxamineerd. De schutterij komt dan, voor de bezetting van de spuiten, in de wapenen.

De generale brandmeesters rapporteren op de 18e maart 1819 over de brand die heden namiddag heeft plaats gehad in een woonhuis van de stad aan de Wijngaardstraat, dat door enige arme huisgezinnen is bewoond. De brandmeesters krijgen een dankbetuiging voor de algemeen betoonde waakzaamheid met het verzoek om de tevredenheid van de burgemeesters aan de spuitgasten over te brengen.

Rechtbank, notarissen en procureurs

De Gouverneur van Zeeland geeft in mei 1815 kennis dat de steden voortaan geen huur voor het gebruik van lokalen voor de rechtbank mogen vorderen. Deze lokaliteiten komen voortaan voor rekening van de stad.

Op de 15e maart 1817 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Rechtbank van eerste aanleg van dit district, zitting houdende te Goes. De brief behelst een uitnodiging tot het bijwonen van de plechtige openbare zitting tot beëdiging van de rechterlijke autoriteiten en ambtenaren op eerstkomende maandagmorgen om 10 uur. Dit is bevolen bij Koninklijk Besluit van 25 februari 1817. Besloten wordt van deze vererende uitnodiging gebruik te maken.

De heer mr. J. de Backer wordt op de 2e februari 1819 geïnstalleerd als Officier van Justitie bij de Rechtbank van eerste aanleg, die binnen de stad zitting houdt.

Deze jaren fungeert als notaris in de stad mr. Jan Soetebier op het adres wijk D nummer 269. Als advocaat en procureur fungeert mr. Johannis Jacobus van Deinse, gevestigd aan de Grote Markt in wijk D nummer 5.

Schutterij

De Gouverneur deelt op de 11e mei 1815 mee dat de Secretaris van Staat voor de Binnenlandse zaken hem heeft gerapporteerd, dat, ofschoon de schutterij van de stad overcompleet is, de leden van de schutterij behoren te worden gekleed zoals in de Wet van 27 februari 1815 is voorgeschreven. Hij verzoekt de voorgeschreven kleding zo spoedig als doenlijk is te effectueren. Ook moet zo spoedig mogelijk een lijst van de hoofdofficieren en mindere officieren van de schutterij worden ingezonden.

Het Stadsbestuur besluit de Gouverneur te antwoorden ‘…..dat zonder de complete uiteenrukking van het gehele corps, hetgeen in deze ogenblikken niet anders dan tot verkoeling van den goeden geest welke hen bezield zoude kunnen verstrekken, de in de Wet voorgeschreven kleding zeer bezwaarlijk en, bij aldien het ons gepermitteerd is te zeggen, bijna onuitvoerbaar is’. Het was juist om deze reden dat het Stadsbestuur verzocht hiervan vrijgesteld te worden. De officieren zorgen voor eigen rekening voor hun kleding, terwijl er onder de overigen weinig of geen gevonden worden die in staat zijn voor eigen kleding te zorgen, omdat alles binnen de stad gewapend is. De Gouverneur wordt dringend verzocht te bevorderen dat alles bij het oude kan blijven.

Twee dagen later, op de 13e mei, informeert de Gouverneur naar de sterkte van het bataljon schutterij. Dit bestaat uit zes compagnieën, ieder met 94 manschappen, een kapitein, een eerste luitenant en een tweede luitenant. De onderofficieren moeten, evenals bij de armee, van een geweer zijn voorzien.

Op de 1e juni 1815 verzoekt de Gouverneur ervoor te zorgen dat de commandanten van de dienstdoende schutterijen geen vaandel aan hun corpsen geven zonder toestemming van hogerhand. Het Stadsbestuur besluit te antwoorden ‘dat tijdens de organisatie van het bataljon Landstorm van de stad, de regering tot hun aanmoediging heeft geschonken een Oranje Vaandel met het Stads Wapen en de inscriptie ‘Voor Vaderland en Oranje’ en boven aan de rand ‘1e Bataljon Landstorm van Zuid- Beveland’. Dit wordt alleen bij buitengewone gelegenheden ontrold en ‘wij zijn van oordeel dat, daar hetzelve verstrekt ter aanwakkering van hunne geestdrift, zoo lang er geen reorganisatie van dit Bataljon Landstorm plaats heeft, wij dezelve hun vaandel kunnen laten behouden’.

Opnieuw komt er een aanschrijving binnen van de Gouverneur op de 24e augustus 1815. De kleding voor de schutterij, die de burgers volgens artikel 53 van de Wet moeten aanschaffen, dient zodanig te worden ingericht dat deze ingevolge de bedoeling van Zijne Majesteit niet alleen voor de schutterlijke dienst, maar ook tevens in de burgerlijke samenleving van nut is.
Tevens schrijft de Gouverneur voor dat de exercities van de burgers slechts twee maal per week dienen plaats te hebben zodat deze burgers niet buiten noodzaak van hun beroepsbezigheden worden afgetrokken, hetgeen strijdig zou zijn met de bedoelingen van Zijne Majesteit.

Burgermacht

De commanderende kolonel Clement en de chef van de gewapende burgerwacht in het eiland Zuid-Beveland verzoeken in januari 1814 om in het vervolg voor de hoofdwacht van de gewapende burgers, in plaats van het Stadhuis waar de wacht tot nu toe is geplaatst, te mogen gebruiken het lokaal op de Korenbeurs op de Grote Markt, wat daarvoor bijzonder is ingericht.

Op de 29e januari 1814 deelt de districtscommissaris mee dat, vanwege de instelling van de Landstorm, de gewapende burgerwacht kan worden ontbonden. De Landstorm zal de burgermacht vervangen.

Landstorm

Eind januari 1814 verschijnt er een Publicatie van Zijne Koninklijke Hoogheid, de Prins van Oranje Nassau, soeverein vorst der Verenigde Nederlanden, over de organisatie van de Landstorm. Aan de plaatselijke besturen is opgedragen de bevoegdheid tot het doen van een voordracht tot het vervullen van de plaatsen van de stafofficieren en commandanten bij de gewapende macht. Voorgedragen dienen te worden: een kolonel, een luitenant-kolonel voor het stedelijk bataljon, een majoor en een adjudant.
Het Stadsbestuur besluit voor te dragen tot kolonel mr. Aarnout van Citters, tot luitenant-kolonel Cornelis Beijaard, tot majoor Jan van den Thoorn en tot adjudant van de staf Joost Swemer.

De leden van de Landstorm worden in zes compagnieën opgedeeld. Tot subalterne officieren van de onderscheidene compagnieën worden benoemd tot kapiteins van de 1e compagnie Marinus Harinck; de 2e compagnie Servaas van Gemert; de 3e compagnie Jan Soutendam ; de 4e compagnie Jacob Kakebeeke; de 5e compagnie Wilhelm van Citters en de 6e compagnie C.J. Klugten van Baalen.
Tot luitenants worden benoemd van de 1e compagnie Marcus Boddingius, Gerrit van Asperen en Cornelis Harinck; van de 2e compagnie Cornelis Dominicus, Leonard de Fouw en J.G. Eltzman; van de 3e compagnie Leonardus Lankhorst, Abraham Steendijk en Marinus Hubertus Harinck; van de 4e compagnie M.C. Van Dorth, Petrus Nortier en Gerbrand Zandijk; van de 5e compagnie Willem Sampon, Karel Rembges en Caspar Lauer; van de 6e compagnie Jacobus Johannes Burger, Aarnout de Ware en Cornelis Winkelman.

In maart 1814 komt er een uitnodiging om onverwijld de nodige maatregelen te nemen om de manschappen, behorende tot de landmilitie, van behoorlijke huisvesting en de nodige fournituren te voorzien. Het Stadsbestuur besluit dat de heren Slabber en Van Tilburg zich bij generaal Sweers de Landas zullen vervoegen met het verzoek de meerdere manschappen boven de 120, waarvoor in de stad kazernes zijn, in de nabuurschappen te doen legeren. De generaal geeft hiervoor toestemming.
Voor het ogenblikkelijke onderhoud van het contingent van de landmilitie van het district wordt besloten het aandeel in het bedrag van ƒ 2.000 ad ƒ 400 uit te betalen bij wijze van voorschot.

De Gouverneur van Zeeland geeft in april 1815 kennis dat de bestaande Landstorm voorlopig in de stad zal blijven bestaan en de organisatie van de schutterij voorlopig zal worden opgeschort. Er dienen voor de vacante plaatsen van officieren nominaties door het Stadsbestuur te worden ingezonden. In de vacante officiersplaatsen worden voorgesteld: tot 2e luitenant bij de 2e compagnie Jacob de Fouw of J. Magchielse; bij de 6e compagnie tot 2e luitenant J.I. van Stapele of S. van Zoom; bij de compagnie kantonniers tot 2e luitenant J. de Backer.

In augustus 1815 gelast de Gouverneur van Zeeland dat de thans bestaande Landstorm wordt opgeheven en dat de schutterij zo spoedig mogelijk wordt georganiseerd. Dit ingevolge de Wet van 27 februari 1815. Zo spoedig mogelijk dient een nominatie te worden ingezonden voor een dubbel aantal officieren, die naar evenredigheid van de bevolking nodig zijn. Het Stadsbestuur besluit, ‘ofschoon wij de licentiatie van een zoo schoon gewapend, geoefend en geregeld saamgesteld Bataljon met leedwezen zien, wij echter aan de wet obediëren’. Daarom wordt conform de aanschrijving besloten.
De schutterij zal naar evenredigheid van de bevolking moeten bestaan uit 133 man. Verzocht wordt ter voorkoming van verwarring twee compagnieën te formeren. De volgende nominatie wordt voorgelegd:

  • tot kapitein commandant Fr. de Keijser of de heer J. Soutendam;
  • tot kapitein van de 2e compagnie J. van den Thoorn of M. Harinck;
  • tot 1e luitenant van de 1e compagnie W. van Citters of C.S. Klugten van Balen;
  • tot 1e luitenant van de 2e compagnie F. van der Bilt of G. Zandijk;
  • tot 2e luitenant van de 1e compagnie C.S. Klugten van Balen en W. Sampon of J. Swemer en L. de Fouw;
  • tot 2e luitenant van de 2e compagnie C. Winkelman en J.J. van Stapele of C.M. de Jongh en J. Dominicus;
  • tot auditeur L. Lankhorst of J.C. Crucque.

Er komt in april 1816 bericht binnen via de Gouverneur van de Minister van Binnenlandse zaken dat voor de dienstdoende schutterij een aantal van 126 Engelse geweren met de daarbij behorende bajonetten en scheden bestemd zijn. Alle thans gebruikte wapens dienen te worden teruggezonden. Op de 25e april arriveren met de Rotterdamse beurtman twee kisten, ieder met twintig Engelse geweren. Deze worden beschouwd als een gedeelte van de toegezegde geweren voor de schutterij. Vier dagen later ontvangt Goes van de stad Middelburg 86 geweren, bajonetten en bajonetscheden voor de schutterij. En op de 29e april deelt de Minister van Binnenlandse zaken mee dat voor de schutterij zullen worden toegezonden 16 sabels, 20 krassers en 2 kogelvormen. Hij heeft de intendant verzocht de daarbij behorende 126 gele geweerriemen aan de stad te leveren. Tevens verzoekt hij de hier voorhanden zijnde 400 gele bajonet- of sabelkoppels en patroontassen, benevens 20 sabels, 128 koppels en 126 patroontassen met de riemen, voor de stad te behouden. De ontvangen wapens worden voorlopig op het Stadhuis gedeponeerd. De magazijnmeester voor de kleding en equipage te Delft stuurt begin mei nog eens 126 witte geweerriemen.

De luitenant kolonel van het 1e bataljon van de Landstorm deelt het Stadsbestuur op de 20e april 1816 mee dat hij vanaf heden een aanvang neemt met de wekelijkse exercities van zijn bataljon.

Op de 31e mei 1816 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de luitenant kolonel van het bataljon Landstorm van de stad. Hij geeft kennis dat volgens bij hem ontvangen bevelen, het bataljon morgen in de wapenen zal komen om door de militiecommissaris, in naam van Zijne Majesteit de Koning, voor hun gedane diensten te worden bedankt.
Daardoor komt er in juni 1816 een einde aan het bestaan van de Landstorm.

Op de 22e juni 1816 deelt de president burgemeester mee dat de commissie tot aanwijzing van de stedelijke schutterij al zover in haar werkzaamheden is gevorderd dat de stedelijke compagnie tegen aanstaande zaterdag voldoende zal zijn georganiseerd om door het Stadsbestuur te worden geïnstalleerd. Hij stelt voor die dag ‘s morgens om tien uur de gemeenteraad extra ordinair uit te nodigen om deze plechtigheid dan te laten plaats hebben. Vooraf zal op dezelfde tijd het bataljon van de Landstorm voor de bewezen diensten worden bedankt en de afgifte van hun wapens zijn geregeld.

Op zaterdag de 29e juni 1816 vindt de ontbinding van de Landstorm en de installatie van de Compagnie dienstdoende schutterij plaats. ‘s Morgens om tien uur wordt het corps van de Landstorm in de wapenen geroepen en ontbonden. De officieren assisteren bij de installatie van de schutterij. Aan iedere compagnie van het bataljon wordt op die dag twaalf gulden voor vertering uitgereikt.
De kapitein van de compagnie stedelijke schutterij wordt uitgenodigd om zijn compagnie tegen 12 uur in de wapenen te doen komen om beëdigd en geïnstalleerd te worden.

Tot voorlopige Krijgsraad van de stedelijke compagnie wordt aangesteld: Jan van den Thoorn, kapitein, Wilhelm van Citters, luitenant, Willem Braam, sergeant, P. van Hall, korporaal, en Hendrik C. Mackay, schutter.

Het notulenboek tekent over de ontbinding van de Landstorm het volgende aan:
‘De vergadering, vanwege de heer Luitenant Colonel van het bataljon Landstorm onderricht dat het bataljon in orde was geschaard, heeft zich voor het front begeven en na het formeren van een kring de heren opperofficieren, officieren en verdere leden van de Landstorm met een terzake dienende aanspraak voor derzelver bewezen diensten en betoonde ijver tot het afweren van de algemene vijand, plegtig bedankt. Hetgeen door de Luitenant Colonel op een zeer gepaste wijze is beantwoord. Vervolgens ten Stadhuize teruggekeerd, defileerde het bataljon en bracht de heer Luitenant Colonel, vergezeld door alle de officieren van het corps, het vaandel over hetwelk door de Regering aan hetzelve geschonken was, welk vaandel overgenomen zijnde keerden de officieren tot de afdanking van hunne manschappen naar het bataljon terug en begaven zich daarna weder ten Stadhuize tot het nemen van enige ververschingen’.

Compagnie stedelijke schutters

De installatie van de Compagnie stedelijke schutters is op zaterdag de 29e juni 1816. Tegen twaalf uur komt de Compagnie in de wapenen. Het Stadsbestuur wordt door de kapitein geïnformeerd en begeeft zich, vergezeld van de officieren van het ontbonden bataljon Landstorm en de Chef van het 3e bataljon schutterij van het district, vertegenwoordigd door de Majoor van dat bataljon welke tot het bijwonen van deze plechtigheid zijn uitgenodigd, voor het front van de compagnie. Nadat de compagnie een kring heeft gevormd, worden de manschappen beëdigd, geïnstalleerd en in dienst gesteld. Dit wordt in dankbare termen beantwoord door de kapitein ‘met recommandatie van zijn onderhorigen om getrouw aan hun eed en pligt te zijn’.
De stadsregering en verder gevolg begeven zich weer naar het Stadhuis, waarna de compagnie defileert en wordt afgedankt, terwijl de officieren, na nog enige ogenblikken aldaar vertoefd te hebben, zich hebben geabsenteerd. Daarmee is ‘deze plechtigheid op een geschikte wijze afgelopen, onder het spelen van het keurig Muzijk van de Landstorm en een herhaald geroep van Leve de Koning’.

De Minister van Binnenlandse zaken verzoekt de overcomplete wapenen van de schutterij, namelijk 172 koppels, 178 patroontassen met de riemen en 20 sabels, op te zenden aan de magazijnmeesters te ’s-Gravenhage. Besloten wordt het reçu voor 126 Engelse geweren, die op 10 april zijn ontvangen, benevens voor 126 patroontasriemen en 126 gele bajonet- of sabelkoppels, alsmede voor 20 krassers, 2 kogelvormen en 16 sabels, te tekenen en dit reçu aan de Minister toe te zenden.

De Krijgsraad van de dienstdoende Compagnie schutterij verzoekt in augustus 1816 in de voorlopige benoeming van een auditeur bij hun vergaderingen te voorzien. Het Stadsbestuur gaat akkoord met hun voordracht en benoemt de heer Leonardus Lankhorst. In de Krijgsraad hebben onder meer zitting de heren Willem van Citters, Pieter Andries Hochart en Antony Zitters.

Het Stadsbestuur treft verscheidene voorzieningen voor de Compagnie schutters.
Zo krijgt Johannes Magchielse, de aannemer van de schakots voor de schutterij, in oktober 1816 toestemming om in de plaats van de schakots het wapen van Jacoba van Beijeren door de Naam Lijffer van zijne Majesteit te vervangen.
De kapitein van de stedelijke schutterij verzoekt in oktober om een lokaal voor de winterexercities van de schutterij beschikbaar te stellen. Hiervoor worden de wandelkerk en het koor van de Grote kerk aangewezen.
In december stelt het Stadsbestuur een Instructie en Reglement voor de muzikanten van het bataljon schutterij vast. Tot directeuren van het corps muzikanten worden aangesteld de luitenants Wilhelm van Citters en Pieter Isaac Buteux.

In juli 1818 ontvangt het Stadsbestuur vier kisten met als inhoud 126 geweren, 126 bajonetscheden, 126 schroevendraaiers, 20 aftrekkers, 1 kogelvorm en 24 patroonrollers. Deze worden aan de stadsarchitect ter hand gesteld met de opdracht deze samen met de kapitein van de stedelijke schutterij te verwisselen met de thans bij de compagnie in gebruik zijnde geweren en toebehoren.

Cornelis Beijaard krijgt in oktober 1818 een benoeming tot Majoor van de rustende en dienstdoende schutterij.

In juni 1819 dient weer te worden overgegaan tot de jaarlijkse organisatie van de stedelijke schutterij. De kapitein van de schutterij krijgt opdracht te onderzoeken welke personen van de schutterlijke dienst behoren te worden ontslagen.

Als de verwisseling van de wapenen van de rustende schutterij in dit district is afgelopen worden ter voldoening aan de aanschrijving van de Gouverneur aan de magazijnmeester van de Artillerie te Bergen op Zoom toegezonden: 520 geweren en bajonetten en 556 scheden, alsook uit het stadsdepot 615 geweren, 525 bajonetten en 587 bajonetscheden.

Gewapende macht van Zuid-Beveland

Op de 2e januari 1814 keurt het Stadsbestuur het Reglement van Orde voor de gewapende macht in het eiland Zuid-Beveland goed, waarna burgemeester L.J. van de Spiegel dit ondertekent. Dit wordt gepubliceerd voor de ingezetenen.
Leden van de Raad van Discipline zijn: F. de Keijser, voorzitter, C. Beijaard, vice voorzitter, J.C. Crucque, G. van Asperen, M. Does, W. Braam, L. Raaphorst, K. van der Zwaan en J. Rost. Secretaris is J. Swemer.

De commissarissen uit het Stadsbestuur adviseren op de 5e januari 1814 over de middelen die in het werk gesteld kunnen worden tot het verkrijgen van gelden waaruit, voorlopig en totdat daarop door Zijne Koninklijke Hoogheid de nodige orders zullen zijn gesteld, de gewapende macht van Zuid-Beveland kan worden betaald. De commissie vindt het redelijk dat de telkens uittrekkende gewapende burgers, in elk geval degenen die tot de minvermogende klasse behoren, enige schadeloosstelling ontvangen en daardoor worden aangemoedigd. Het Stadsbestuur besluit:

  1. de administrateur van het fonds voor de kustkanonniers aan te schrijven en te gelasten nauwkeurige lijsten in te zenden over de administratie en tot het overbrengen van de in kas zijnde gelden aan de ontvanger J. Pilaar;
  2. de heren Risseeuw en Van Balen te machtigen om aan de huizen van de ingezetenen, die zij menen dat door hun vrijstelling van de wapening of andere omstandigheden verplicht of genegen te vinden zijn tot het doen van enige bijdragen, een inzameling van penningen te doen en een intekening te openen voor een vrijwillige contributie, voorlopig voor de tijd van twee maanden;
  3. de penningen te gebruiken voor de bevoorschotting van de soldij van de aangeworven vrijwilligers en onderstand van de uittrekkende gewapende burgers.

Garnizoen

In februari 1814 overweegt het Stadsbestuur de grote noodzakelijkheid tot het vinden van fondsen om de slechte staat van de kazernes en fournituren in de stad te verbeteren en de burgerij zoveel mogelijk van inkwartiering te ontlasten. Besloten wordt een commissie uit de gemeenteraad in te stellen, de burgers om vrijwillige bijdragen te verzoeken en daarna uit de fondsen de nodige aankopen van fournituren en verbetering van de kazernes te doen. Met de directie over alles wat de kazernering en inkwartiering van militairen betreft worden belast de heren M. Slabber, A. van Tilburg, P. van Kleijnputte, D. Noël en F.N. van der Bilt. Als secretaris treedt op J. Pilaar.

Uit de archiefgegevens blijkt dat er in 1815 geen vast garnizoen in de stad ligt. Voor 1816 is het contingent dat door Goes moet worden opgebracht in de nationale militie bepaald op negen man.

De militaire onderinspecteur van Zeeland deelt in augustus 1815 mee dat voorlopig in de stad in garnizoen zullen komen vier compagnieën West-Indische troepen. Omdat er slechts voor twee compagnieën behoorlijke kazernes zijn, verzoekt het Stadsbestuur de inspecteur daarvan verschoond te blijven of slechts met twee compagnieën belast te worden.
Enkele dagen later komt er bericht dat de troepen niet in Goes maar elders zullen worden gelegerd.

Bij Koninklijk Besluit wordt in november 1815 meegedeeld dat de ingezetenen verplicht blijven om bij het doormarcheren van troepen deze te huisvesten en te voeden. In voorkomende gelegenheden dient voor de stipte nakoming hiervan te worden gezorgd.

De Gouverneur van Zeeland deelt in december 1815 mee dat hem op een officiële wijze is te kennen gegeven dat de 4e compagnie van het 1e bataljon van Linie, dat op de 16e oktober te Goes nachtverblijf heeft gehouden, door de stadsregering op een onvoegzame wijze zou zijn behandeld en dat, zo de ligging al in redelijke staat was, het voedsel niettemin ongenoegzaam en slecht was. Bovendien zou op de klachten tegen deze handelwijze de Raad van Inkwartiering dreigementen hebben geuit. Hij ziet zich verplicht de burgemeester hierover te onderhouden en wil informatie over het gebeurde. Tevens uit hij zijn ongenoegen hierover en gelast het Stadsbestuur in het vervolg zich stipt naar de inhoud van het Marsreglement te gedragen. Het Stadsbestuur wijst de gouverneur er op ‘dat ons niets bekend is en wij ten enenmale onkundig zijn van al datgene en dat het onverdiende misnoegen van de heer Gouverneur ons grieft’.

In september 1816 komt er een brief van de Minister van Financiën waarin is bepaald dat een detachement van het 14e bataljon Infanterie, bestaande uit een officier, een sergeant, drie korporaals, een tamboer en twintig man, naar de stad zal marcheren om ´een schildwagt te geven aan het kantoor van de ontvanger particulier en ´s lands gelden te escorteren´.

De Gouverneur geeft in januari 1818 kennis dat het contingent van de stad in de militie voor dit jaar is bepaald op negen man.
In maart 1818 bericht de provinciale commandant van Zeeland dat op de 14e tot de 16e maart enige troepen binnen de stad zullen arriveren en nachtverblijf houden.
De provinciale commandant van Zeeland geeft in mei 1819 kennis dat op de 15e mei in de stad zullen aankomen om te overnachten twee detachementen Infanterie, tezamen zeventig manschappen. De commissie van kazernering moet hiervoor maatregelen nemen.