Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1814 - 1820)

Afsluiting haven van het dwarskanaal naar de zaagmolen

De burgemeesters geven de directie van de Goese Polder in april 1820 kennis van het voornemen van het Stadsbestuur tot het aanleggen van een sluis in en over het dwarskanaal buiten de Havenpoort. De directie deelt daarop haar verlangen mee dat deze sluis van een schoft (schuif of deur) zal worden voorzien tot afsluiting van dat kanaal. Na bestudering van de tekening van de sluis en de onderscheidene projecten tot afsluiting wordt besloten de sluis, inplaats van een schoft te voorzien, zodanig in te richten ‘dat de afsluiting kan geschieden door middel van balken, zodanig bewerkt dat deselve spoedig en met gemak in daartoe opzettelijk gemaakte sponden kunnen worden neergelaten en samengevoegd. En verder er voor te zorgen dat deze balken altoos op een zekere bepaalde plaats voorhanden voor het doel gereed zijn’.

Afsluiting dwarskanaal achter de oliemolen

Op de 1e juli 1820 bespreekt het Stadsbestuur het wegruimen en stoppen van de sluis in de dam tussen de oude haven en het dwarskanaal achter de oliemolen van de erven van de heer Peman. Na het horen van het advies van burgemeester Slabber, namens het kantoor van Negotie van de heren Tilburgh, Slabber en compagnie, als eigenaren van de in de nabijheid van de sluis liggende zoutketen, besluit het Stadsbestuur ‘de sluis voor de passage van het water uit de binnenhaven open te laten en binnenwaarts op enige afstand van die sluis een convenabele kom te behouden, doch onmiddellijk achter dezelve, door de oude haven van de eerste zoutkeet naar de overzijde, een dam te leggen, teneinde de daar achter liggende en verlande strook grond af te dammen en droog te maken om vervolgens ten profijte van de stad te kunnen worden verpacht’.

Op de 15e juli deelt de presiderende burgemeester echter mee dat door de burgemeesters geen uitvoering is kunnen gegeven worden aan het raadsbesluit van de 1e juli over de afdamming van een strook land aan de oude haven, aangezien de dam in de voorafgaande nacht is doorgestoken en alzo het havenwater is doorgelaten.

Begraafplaatsen

De kerkmeesters van de Hervormde gemeente verzoeken het Stadsbestuur in februari 1820 de nodige maatregelen te nemen tot handhaving van een resolutie van de raad van de 3e mei 1806. Daarbij is bepaald dat voor het begraven van lijken ‘s morgens vroeg, boven het gewone kerkrecht ten behoeve van de kerk, zal moeten worden betaald ƒ 25 voor ieder lijk. Dit verzoek wordt voor advies in handen gesteld van de leden van het Stadsbestuur De Leeuw, Verschoor van Nisse en de secretaris.

Kerkgebouwen

Grote kerk
In februari 1816 worden de zitplaatsen in de zogenaamde regeringsbanken in de Grote Kerk opnieuw ingedeeld. Op verzoek van het Stadsbestuur geven de burgemeesters Slabber en Verschoor de volgorde van zitting in de regeringsbanken op de door de kerkenraad overgelegde lijst aan.

Kleine of Gasthuiskerk
Ingevolge een aanschrijving van de Gouverneur bespreekt het Stadsbestuur met de kerkmeesters van de rooms-katholieke parochie in juli 1820 de overgave van de Kleine of Gasthuiskerk aan de stad. Daarbij blijkt dat de kerkmeesters graag de eigendom van het kerkgebouw zouden behouden. Ze zijn echter bereid het gebruik af te staan zolang zij dat gebouw voor hun godsdienstoefeningen niet nodig hebben. Het Stadsbestuur is met deze regeling tevreden en verzoekt de Gouverneur hier geen bezwaar tegen te maken.
De burgemeesters slagen tot tevredenheid in een schikking met de kerkmeesters over het gebruik van de Kleine kerk. Deze zal voortaan tot kazerne, magazijn of ander stadsgebruik in gebruik worden gegeven, dit zolang de rooms-katholieke gemeente dit gebouw niet zelf nodig heeft voor haar godsdienstoefeningen.
De Kleine of Gasthuiskerk aan de Gasthuisstraat was de voormalige kapel van het Agnietenklooster. In 1809 kwam de Kleine Kerk terug in handen van de rooms-katholieken. Zij gebruikten het kerkgebouw tot 1815, totdat het aan de Singelstraat tegenover de Grote Kerk verrezen nieuwe kerkgebouw in gebruik kon worden genomen.

Wandelkerk

De kerkmeesters van de Nederduits hervormde gemeente geven in juni 1818 hun wens te kennen om de wandelkerk, die dezer dagen opnieuw is geschilderd en verfraaid, gesloten te houden en de gewone passage door de kerk te verleggen over het kerkhof. Ze zijn bereid het voetpad over het kerkhof in een goede staat te brengen en te onderhouden.
Tegelijk komt een verzoek bij het Stadsbestuur binnen van enige bewoners van de Korte Kerkstraat. Deze beklagen zich over het zo lang gesloten houden van de wandelkerk. Ze verzoeken deze zoals vanouds een vrije passage te geven. Dit tot voorkoming van het grote nadeel dat ze door de sluiting lijden.
Het Stadsbestuur overweegt dat het onbillijk zou zijn zo’n verandering toe te staan. Het zou in het nadeel van de belanghebbende ingezetenen zijn. En de afsluiting is niet noodzakelijk voor het algemeen belang. Besloten wordt dan ook het verzoek van de kerkmeesters te weigeren met het verzoek om vanaf eerstkomende maandag de wandelkerk weer tot een vrije passage open te stellen.

Leidijken langs de buitenhaven

Het blijkt in september 1818 onvermijdelijk noodzakelijk om de leidijken langs de buitenhaven, die aanmerkelijk zijn afgekalfd, voor de winter te herstellen en te verzwaren. Dit tot voorkoming van de anders te duchten grotere kosten van reparatie of gehele vernieuwing. De dijken zullen worden geïnspecteerd.

Plantsoenen, straten en overige openbare werken

Plantsoenen
Tot bestrijding van de dringende uitgaven van de stad worden in januari 1814 bij publieke veiling verkocht 281 opgaande olmenbomen, staande aan de stadssingel van de Oostpoort tot aan de Galghoek. Deze zijn volledig vatbaar om te worden geveild en kunnen zelfs met geen voordeel worden staande gehouden.
In november 1818 doet de voorzittende burgemeester het voorstel om, vanwege het nuttige van een bijzondere directie over de plantages van de stedelijke eigendommen, hem en raadslid Kakebeeke zich met de directie van de plantages en die verder nodig zullen zijn te willen belasten.

Straten en wegen
De verbetering en het onderhoud van de Postweg van Goes over Kapelle en Wemeldinge tot Yerseke vindt plaats op 18 oktober 1815. In september 1816 houdt de Waterstaat een aanbesteding van enige reparaties aan de Postweg van Middelburg over Zuid-Beveland naar Tholen.
In maart 1818 neemt het Stadsbestuur kennis van een bekendmaking van de Minister van Waterstaat van een op 1 april te houden aanbesteding van het onderhoud van de postroute van Middelburg over Goes naar Tholen.

Schoorstenen
Deze jaren worden nogal wat panden regelmatig voorzien van nieuwe vuurplaatsen en schoorstenen.
In 1816 krijgen Gerard Verheule in zijn huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, Jacob Allemekinders in zijn huis op het plein buiten de Ganzepoort, Izaak de Broekert in zijn woonhuis buiten de Bleekveldse Poort, Pieter Crombouw in zijn huis aan de Lange Kerkstraat, Jan Boddingius in zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat en Willem Braam in zijn woonhuis in wijk C nummer 21 hiervoor toestemming.
In 1817 mogen een schoorsteen laten bouwen Laurus Vermue in zijn woonhuis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, Jozias Risseeuw in zijn woonhuis in wijk D nummer 31, Johannes Pilaar in zijn woonhuis op de Kleine Kade en H.J. van ’t Hof op zijn hofstede ‘Klein Frankrijk’.

Stads reiniging en hygiëne
In maart 1815 wordt bij publieke veiling voor vijf jaar verpacht het ophalen van de haardas en vuilnis binnen de stad voor een som van 680 gulden aan Krijn Kribbe. Als borgen dienen Jacobus en Adriaan Kakebeeke.
Op voordracht van de brandmeesters gelast het Stadsbestuur in februari 1816 een extra-ordinaire inspectie en visitatie aan de huizen van de ingezetenen van alle schoorstenen en vuurplaatsen.

Verlichting

In 1814 komen er voortdurend klachten binnen van verscheidene burgers over het slechte en kort branden van de stadslantaarns. De stadsarchitect Pieter Proos houdt een inspectie ten overstaan van een van de stadsboden en de lantaarnaansteker J. Kramer en de kinderen van Machiel Potvliet, die zelf door ziekte verhinderd is, om te zien of de volgens de wet vereiste en door hen daarvoor ontvangen olie op een goede manier in de lantaarns wordt gedaan. Het blijkt dat de lantaarnaanstekers zich in geen geval aan het contract van aanneming van de 10e juli 1813 houden. Overwogen wordt de hoge noodzakelijkheid dat de verlichting van de stad overeenkomstig het contract van aanneming geschiedt ‘opdat onze goede burgerij van een zo nuttige inrichting niet worde gepriveerd’. Ook speelt hierbij een rol dat de bij herhaling gedane vermaningen aan de lantaarnaanstekers Machiel Potvliet en Jan Kramer zonder enig resultaat zijn gebleven. Ook de aannemer Pieter den Boer houdt zich niet aan het contract van aanneming. Kramer en Potvliet worden uit hun functies ontslagen.

Er komen twintig sollicitatiebrieven binnen naar de functie van lantaarnaansteker. Tot nieuwe lantaarnaanstekers worden benoemd Willem van Ravenswaay voor wijk 1 en Jacobus van de Velde voor wijk 2 op een traktement van elk 75 gulden per jaar.

In januari 1820 rapporteren de burgemeesters dat ze tevergeefs hebben beproefd om de verlichting van de stad aan te besteden voor het bedrag dat daarvoor op de begroting van 1820 is uitgetrokken. Het is niet te voorzien dat er voor dit bedrag een aannemer te vinden zal zijn. Gedeputeerde Staten worden verzocht een meer passend bedrag hiervoor op de stedelijke begroting van 1820 toe te staan, namelijk ƒ 1.927 inplaats van ƒ 1.600.
De verlichting en het aansteken van de lantaarns wordt ingaande 1820 voor vijf jaar aanbesteed aan H.C. Pilaar voor ƒ 1.800 per jaar.

Overige openbare werken
In februari 1815 krijgt het lid van het Stadsbestuur, Pieter van Kleinputte, toestemming om een houten zomerhuis op zijn erf te slopen.
Het werk voor het aanbrengen van een stenen heul of waterloop tussen de erven van enkele bewoners en het Ossenhoofdstraatje wordt in maart 1816 aanbesteed en opgedragen aan Andries Visser.
Hendrik Izaak de Broekert krijgt in februari 1817 vergunning voor de afbraak van een bouwvallig stalletje en het in de plaats daarvan optrekken van een muur langs de straat. En Pieter Zeegers krijgt vergunning voor de afbraak van een varkenshok, staande aan de stadssingel bij de schotte op stadsgrond. Tevens mag hij aan de stadswal bij de blekerij aan de Ganzepoort een zomerhuisje bouwen en daarvoor 3 à 4 voeten grond van de stadswal innemen.
Pieter de Jongh krijgt in 1817 de pacht van de trekkerswoning staande aan de havendijk.
De grote Stoofweide, liggende ten noorden van het zogenaamde grote molenwater, groot drie gemeten en zestig roeden, wordt voor zeven jaar verpacht aan Petrus Nortier voor ƒ 154 per jaar.
In oktober 1819 wordt het uitdelven van de zogenaamde schotteput bij de Koepoort besteed aan Leendert Korstanje.

Poorten, dammen en stadsgangen

Stadspoorten
In augustus 1814 worden de poortiers van de stadspoorten weer in functie hersteld. Hendrik Baarends wordt in verband daarmee gesommeerd zich uit het huisje aan de Ganzepoort terug te trekken, zodat dit weer voor de poortier kan worden gebruikt.

In de toren boven de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort wordt de ammunitie van de stad bewaard. Luitenant-kolonel Beijaard stuurt het Stadsbestuur in mei 1815 een staat van de voorhanden zijnde ammunitie toe.

In maart 1817 wordt een aarden put in de dijk buiten de Bleekveldse Poort gegraven voor het begrote bedrag van ƒ 58. Reparaties aan de houten bruggen van de Koepoort en de Hoofdpoort gebeuren in juni 1817 voor een bedrag van ƒ 124.

In november 1817 schrijven Gedeputeerde Staten voor dat bij de aankomst van de postillons of brievenposten bij nacht of ontij de poorten dadelijk en zonder betaling van poortgeld dienen te worden geopend.

Enige bewoners van de Voorstad ondervinden in januari 1818 veel ongerief van het sluiten van de Ganzepoort gedurende de wintermaanden ’s avonds om tien uur. Ze verzoeken te bepalen dat de poort gedurende het gehele jaar ’s avonds om elf uur wordt gesloten. Het Stadsbestuur komt de bewoners tegemoet en bepaalt dat de Ganzepoort voortaan het gehele jaar ’s avonds om elf uur voorgoed zal worden gesloten. Wel zullen de bewoners van de Voorstad verplicht zijn na het klokslag van tien uur om, evenals alle anderen, het gewone poortgeld, zijnde het dubbele van wat vóór de klok van tien uur is verschuldigd, aan de poortier te betalen. Het wordt aan de burgemeester overgelaten of deze maatregel tot meerdere poorten of tot alle poorten moet worden uitgebreid.

Jacobus Benjaminse verzoekt in juni 1818 ontslagen te worden van de pacht van ongeveer 200 roeden grond buiten de Bleekveldse poort aan de haven. Deze grond pacht hij vanaf 1815 van de stad. Hij heeft hierop een moeshof aangelegd. Door het opvoeren van de specie uit de haven gedurende dit seizoen heeft de grond geen vruchten opgeleverd, zelfs zijn de daarop staande vruchten geruïneerd. Hij wordt van de pacht over dit en volgende jaren ontslagen.
Ook het einde dijk aan de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort wordt in december 1819 verpacht aan molenaar Adriaan Remijn voor ƒ 30 per jaar en van vier boomvakken buiten de Bleekveldse poort aan Pieter Proos voor ƒ 26.

Het Stadsbestuur beraadt zich in december 1819 over het nemen van maatregelen tot meerdere verzekering van de opbrengst van de stedelijke belastingen. Besloten wordt met ingang van 1820 voor de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, de Ganzepoort, de Havenpoort, de Oostpoort en de Bleekveldse poort zogenaamde declaratiekantoren te plaatsen. Daarin kunnen de daar te plaatsen commiezen alle declaraties van in-, uit- en doorvoer van aan stedelijke belastingen onderworpen objecten regelen. Die declaraties moeten worden gedaan voor alles wat door de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Ganzepoort wordt in-, uit- en doorgevoerd aan het declaratiekantoor bij die poorten. En voor al wat door de Havenpoort, de Oostpoort en de Bleekveldse poort alsook met schepen door de haven wordt in-, uit- en doorgevoerd moet dit gebeuren aan het kantoor op de kaai bij de brug. Geen aan stedelijke belastingen onderworpen voorwerpen zullen langs een andere weg dan door de haven en de poorten, en dus ook niet door de Koepoort, mogen worden vervoerd. Mocht dit wel gebeuren, dan zal dit worden beschouwd als frauduleus vervoer met toepassing van de daarop staande straffen. Door het stichten van deze declaratiekantoren wordt het aantal commiezen met tenminste twee uitgebreid. Tot derde en vierde commies worden aangesteld Willem van der Hoek en Johannes Thomson.

In maart 1820 wordt de brug voor de Ganzepoort voor ƒ 70 aanbesteed. Ook wordt gedelibereerd over de wijze van renovatie van de Koepoort. Deze verkeert in een vervallen staat en is dringend aan herstel toe. De stadsarchitect maakt hiervoor een tekening. Het Stadsbestuur besluit de raadsleden Noël, Eltzman en Kakebeeke te laten onderzoeken wat de geschiktste en minst kostbare wijze van herstel is. Deze commissie adviseert, na afweging van de geschiktste en onkostbaarste wijze van herstel, tot herstel van de Koepoort volgens het plan en de begroting van de stadsarchitect. Bezien zal nog worden of de kosten verminderd kunnen worden.
Ook besluit het Stadsbestuur in mei 1820 tot het maken van een stenen heul over het dwarskanaal buiten de Hoofdpoort voor ƒ 1.255. Na aanbesteding worden de reparaties aan de stadspoorten gegund aan aannemer Hermanus Boet voor ƒ 530, van enig aardewerk aan de stadswal bij de Koepoort aan aannemer Ferdinand Rutsaard en van het repareren van een gebouwtje naast de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort aan aannemer Marinus Goossen voor ƒ 165.

In november 1820 overlijdt de poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, tevens stadsijker van de droge maten, Marinus Ramond. In zijn plaats wordt aangesteld als poortier Johannes Verdonck en als stadsijker Pieter Ramond.

Bruggen
In september 1817 is er onrust onder een aantal ingezetenen over de betrouwbaarheid van de ophaalbrug. Ze verzoeken de presiderende burgemeester om maatregelen ‘teneinde te ontdekken of de vrees welke men schijnt te hebben alsof de ophaalbrug aan de kaai in zodanige staat zoude zijn, dat hetzij door het doorvallen van de brug of het afbreken van de wippen, er ongelukken zouden te duchten zijn’. Uit de inspectie van de stadsarchitect blijkt dat hij niet heeft kunnen ontdekken dat de brug gevaar hoegenaamd voor instorten of anderszins oplevert. Het Stadsbestuur besluit voorlopig in de door de stadsarchitect gegeven verzekering dat er geen het minste gevaar bestaat te berusten en daarom vooralsnog geen besteding te doen. Wel zal de brug van tijd tot tijd worden geëxamineerd.

In november 1818 overweegt het Stadsbestuur dat de aanbesteding van het maken van een nieuwe ophaalbrug mislukt is voor het bedrag dat daarvoor op de begroting is uitgetrokken. Het is niet te voorzien dat deze, vanwege de duurte van de houtwaren, voor de berekende som kan worden gemaakt. De burgemeesters krijgen opdracht om te bezien of er meer fondsen dan de al voorgestelde kunnen worden aangewend.
In december wordt Gedeputeerde Staten toestemming gevraagd om voor het vernieuwen van de ophaalbrug aan de kaai, behalve de voor 1818 begrote ƒ 2.000 en de voor 1819 begrote ƒ 600, nog ƒ 400 te mogen uittrekken uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar. Bij vruchteloos beproefde aanbestedingen is gebleken dat dit werk voor niet minder dan ƒ 3.000 zal kunnen worden gemaakt. Op de 16e januari 1819 wordt het maken van de nieuwe ophaalbrug aanbesteed aan de timmermansbaas Hendrik Mulder voor ƒ 2.850.

Stadsgangen
Cornelis Harinck verzoekt in maart 1815 om de stadsgang, naast zijn op de Beestenmarkt gebouwde schuur, van de stad te mogen kopen voor twintig Zeeuwse rijksdaalders. Dit verzoek wordt afgewezen, maar in mei wordt het alsnog ingewilligd voor dit bedrag.

Posterij

In mei 1815 verzoekt de Goese logementhouder Johannes van Ham de Gouverneur van Zeeland vergunning om een postwagen of postiljon op het traject Middelburg-Bergen op Zoom vice versa via Goes te mogen exploiteren. Daardoor zijn reizigers in de gelegenheid om met de postwagen van Bergen op Zoom in één dag van Goes naar Rotterdam of Antwerpen te reizen. De Gouverneur legt dit verzoek voor advies voor aan het Goese Stadsbestuur.
Na het horen van Van Ham rapporteert het Stadsbestuur aan de Gouverneur geen bezwaren te hebben tegen het verzoek. Dit kan vermoedelijk voor de stad voordelig zijn, ‘vooral daar wij ons verlaten op de prejuditie van de Gouverneur in het daarstellen van de nodige voorzieningen ter voorkoming en wering van schade aan de thans dagelijks rijdende postwagen van Goes op het Sloe en Yerseke vice versa’.

Het Stadsbestuur vraagt de Gouverneur of de stedelijke regering de bevoegdheid kan krijgen om in het Reglement van de thans bestaande dagelijks rijdende postwagen van Goes op het Sloe, Yerseke en vice versa enige veranderingen te maken. Als dit wordt toegestaan zal tot een publieke verpachting voor een aantal jaren worden overgegaan tot profijt van de stedelijke kas ‘welker financiële situatie zich in een deplorabele toestand bevindt’.

In februari 1817 zijn er voortdurend klachten over de niet behoorlijke bediening van de postwagen op het Sloe. Daarin behoort verandering te komen. De bediening moet op een zodanige wijze geschieden dat hieruit voor de stad enig financieel voordeel vloeit. Het Stadsbestuur denkt aan een openbare verpachting van de functie van commissaris voor de postwagens. Akkoord wordt gegaan met een door de burgemeesters gemaakt ontwerp. Vooraf zal hierover communicatie plaatsvinden met de Gouverneur.

Gedeputeerde Staten schrijven in november 1817 voor om te zorgen dat bij de aankomst van de brievenpost bij nacht of ontij de poorten dadelijk en zonder betaling van poortgeld worden geopend.

Scheepswerf

De scheepstimmerman Gillis Welle dient in juni 1820 een verzoek in bij het Stadsbestuur. Hij vraagt of de houtwaren, die hij op zijn werf gebruikt voor het repareren van schepen, vrijgesteld mogen zijn van stedelijke belasting en of de schepen, die naar zijn werf komen om te worden gerepareerd, vrijgesteld mogen worden van sas- en havengeld.
Het Stadsbestuur besluit het eerste verzoek van Welle te weigeren. En wat betreft het tweede verzoek te bepalen dat de schepen en vaartuigen, die leeg en alleen met het oogmerk binnenkomen om op zijn werf te worden opgelegd en gerepareerd, alsook na gedane reparatie weer leeg vertrekken, zullen worden geschut en doorgelaten zonder betaling van sas- en havengelden.

Schutterijgebouwen

Voormalig schuttersgebouw van de Busse
Bastiaan van Hoeke, pachter van een stuk zaailand ter grootte van 225 roeden, liggende aan de westzijde van de stadswal achter de schutterij van de Busse, krijgt in januari 1816 toestemming om de pacht over te dragen aan Cornelis Marinus de Jongh.

De Commissie van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen stelt in november 1817 voor om het gebouw van de voormalige schutterij van de Busse aan de Wijngaardstraat, thans in gebruik als kazerne, te mogen gebruiken voor de vergaderingen van het Goesche Departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Dit wordt overgelaten aan het oordeel van de Commissie van Kazernering. Het gebouw dient altijd en ieder ogenblik gereed te blijven voor stadsgebruik of de inlegering van troepen.

Op de 19e december 1818 deelt de Gouverneur mee dat gedurende zijn jongste verblijf in de stad hem, maar ook het college van regenten over de gevangenhuizen, het gebouw van de voormalige schutterij van de edele Busse niet ongeschikt is voorgekomen voor een bewaarplaats van gevangenen. Omdat dit gebouw echter stadseigendom is wil hij graag geïnformeerd worden of het Stadsbestuur zou kunnen instemmen met de kosteloze verwerving van een doelmatig arrondissementgevangenhuis.
Het Stadsbestuur overweegt dat dit gebouw voor de stad van weinig nut en bovendien zeer bouwvallig is. Het wil de Gouverneur ook een blijk geven van haar bereidwilligheid om tot bevordering van het algemene welzijn mee te werken. De Gouverneur wordt geantwoord dat het Stadsbestuur het gebouw van de voormalige edele Busse voor het beoogde doel graag door den lande zal zien geschikt maken zonder aanspraak te maken op enige vergoeding daarvoor.

Voormalig schuttersgebouw van de Voetboog
In 1798 werd de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ gehuisvest in het gebouw van de voormalige schutterij van de Edele Voet- of Kruisboog van het Sint Jorisgilde.
Op de 27e april 1816 geven de directeuren van de Sociëteit te kennen dat enkele grote reparaties aan het gebouw moeten plaatsvinden. Dit heeft aanleiding gegeven tot een besluit van de leden om het nieuw aan te bouwen lokaal zodanig in te richten dat het bijzonder geschikt zal zijn voor toneelvertoningen, concerten en dergelijke. Ze verzoeken hen voor 25 jaar een octrooi te verlenen dat er buiten hun gebouw geen publieke uitvoeringen van toneelstukken, opera´s, balletten en concerten zullen worden gegeven.

Het is het Stadsbestuur in juli 1816 ter ore gekomen dat, niettegenstaande de duidelijke letter van de Wet van 1 maart 1815, men zich niet heeft ontzien om hedenmorgen gedurende de godsdienstoefening in de ruimten van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ openbare arbeid te verrichten. Na onderzoek blijkt dat Pieter de Leeuw en Jan Haljaan dit werk hebben verricht. Ze krijgen hiervoor een boete. Het Stadsbestuur maakt haar ongenoegen kenbaar aan de directeuren van de sociëteit.

Na ingewonnen advies van de directeuren van de sociëteit willigt het Stadsbestuur in oktober 1817 het verzoek van Jan Finjé in om in de sociëteit een glazen kroon te laten verloten.

Slot Oostende

Antonius d’Olieslager, wonend aan de Sint Adriaanstraat, krijgt vergunning om in ‘De Stallingen’ bij het voormalige Slot Oostende achter zijn huis, die geschikt zijn gemaakt tot drie woningen, schoorstenen te laten bouwen.

Stadhuis

In de nacht van 10/11 februari 1815 zijn zes gevangenen ‘van den Toren boven het Stadhuis met braak ontvlucht’. Het Stadsbestuur ondervraagt de nachtwakers. In die nacht hebben als wakers gefungeerd Anthoni Noordhoeve, Pieter Schutter, Pieter de Munck en Pieter de Bruine. Om vier uur in de morgen van de 11e is door Noordhoeve en De Bruine de laatste ronde gedaan, terwijl Schutter en De Munck op de wacht bleven en daar sliepen wat uit gewoonte is toegestaan. Om vijf uur hebben ze de wacht verlaten. Zoals gebruikelijk bij iedere ronde hebben ze aan de gevangenenruimten geluisterd. Ze verklaren onder ede eenparig niets van de braak in het gevangenhuis te hebben gehoord. Het Stadsbestuur gelast dat de nachtwakers voortaan voor en na elke ronde zich aan de gevangenenruimten zullen verzekeren dat er niets buitengewoons plaats heeft wat tot vermoedens van braak aanleiding geeft.

In juli 1817 wordt een omvangrijke reparatie aan de stadhuistoren verricht. De kosten hiervan zijn ƒ 430.

Stenen beer tussen Hoofdpoort en ’s-Heer Hendrikskinderenpoort

Er lag vanouds een stenen beer tussen de Hoofdpoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.

Het Stadsbestuur beraadt zich in juli 1818 over mogelijkheden om de zeer zorgelijke toestand van de stedelijke financiën te verlichten. Ook moeten er aanzienlijke herstelwerkzaamheden plaats vinden aan de haven. Het opmerkelijk idee ontstaat om de stenen beer, ‘die thans van geen nut meer is’, af te breken. De daarvan afkomende steen kan dan voor andere reparaties gebruikt worden. Tevens wordt besloten om de bouwvallige muur in het opgeslikte kanaal langs de oliemolen van de erven Peman (tussen de oude haven en de noordoostelijke vest) uit te breken, de aarden borstwering schuins af te steken en de uitgebroken steen voor dat doel te gebruiken.

Op de 5e december 1818 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de directie van de Goesche Polder. Daarin worden bezwaren kenbaar gemaakt tegen de voorgenomen afbraak van de stenen beer tussen de beide poorten. De directie wijst er op dat de stenen beer, voor het weren van het zeewater ingeval van inundatie, voor de polder van het grootste belang is. Ze verzoeken de voortgang van de afbraak van de stenen beer te staken of maatregelen te nemen waardoor de polder buiten gevaar gesteld en verzekerd wordt. Een delegatie uit het Stadsbestuur, bestaande uit de heren De Leeuw, Verschoor van Nisse en Kakebeeke, krijgt de opdracht van advies en raad te dienen.

Het Stadsbestuur besluit naar aanleiding van het advies van de commissie de directie van de Goesche Polder te antwoorden dat ‘de stenen beer uit hoofde van deszelfs bouwvalligheid niet kan behouden en er dus met de afbraak zal voortgegaan worden’. Tevens wordt de directie er op gewezen dat het havenkanaal, door welks overstroming volgens het gevoelen van de directie, de Goesche Polder in gevaar zou worden gebracht, beschermd zal worden door een nieuw gebouwde en in evenredigheid van de berekende vloeden hoog opgetrokken dubbele zeesluis. De Polder zal daarvoor zelfs op een zekerder wijze dan tevoren beveiligd worden voor onheilen die het menselijke doorzicht kan voorzien. Daarom is het Stadsbestuur van oordeel dat er geen tweede waarborg nodig is. Het wordt evenwel aan de Directie vrijgelaten een voorstel te doen om, buiten kosten van de stad, aan en onder de brug over het dwarskanaal buiten de Hoofdpoort zodanige voorzorgen voor een eventuele afsluiting te maken als zij zal nodig oordelen. Daarover kan dan naar bevind van zaken worden besloten.

Maar op de 16e januari 1819 ontvangt het Stadsbestuur opnieuw een schrijven van de directie van de Goesche Polder. Daarin wordt opnieuw geprotesteerd tegen de afbraak van de stenen beer buiten de havenpoort. Tevens wordt daarin ‘toepassing gevraagd van het beginsel dat de Polder niet behoort te worden ontzet van het wettige bezit van het recht om het schoft in de dam of beer te surveilleren’.
Een delegatie uit het Stadsbestuur, bestaande uit de heren De Leeuw, Verschoor van Nisse en Kakebeeke, houdt een conferentie met de directie van de Goesche Polder. Tijdens deze bespreking raakt de directie van de Polder overtuigd en verklaart ‘zich met de sluiswerken aan de mond der haven tot waterkering te zullen vergenoegen’. Wel verlangt ze ‘dat bij onverhoopte calamiteit aan de sluis, ten koste van de stad, door een binnenwaartse waterkering gezorgd wordt dat de Polder dezelfde beveiliging terug verkrijge welke men alsnu vermeent door het wegruimen van de stenen beer te worden ontnomen’.
Op de 6e februari 1819 besluit het Stadsbestuur dan ook onverwijld tot sloop van de stenen beer met de toezegging aan de Directie van de Goese Polder dat bij een onverhoopte calamiteit aan de havensluis, waardoor de polder in gevaar mocht worden gebracht, op kosten van de stad voor een binnenwaartse waterkering zal worden gezorgd dat de polder dezelfde beveiliging terugkrijgt die men meent nu door het wegruimen van de stenen beer te verliezen.

Vesten

Het Stadsbestuur oordeelt het nodig de stedelijke politie te gelasten om ten strengste te waken dat in de grachten van de stad niet wordt gevist. De reden is dat ‘deze visserije zoodanig zoude mogen verbeteren dat dezelve in het vervolg ten voordele van de stadsinkomsten zoude kunnen verpacht worden’.
Maar in juni 1815 zijn er opnieuw klachten over het vissen in de stadsgrachten met netten. Het Stadsbestuur besluit, tot behoud van de daar in gebrachte vis, ten aller strengste het vissen met een net te verbieden op verbeurte van netten of ander vistuig.

De visserij in de vesten wordt per zeven jaren verpacht. Zo is de verpachting in augustus 1815 op de volgende wijze geregeld: de zogenaamde brakke vest aan de westschans aan Hendrik Berkus; de zoute vest aan molenaar Pieter Remijn; de zoete vest van het muurtje tot de Oostpoort aan Dirk van de Visse; de zoete vest van de Oostpoort tot de Galghoek aan Anthonie Boeree; de oude haven achter de keten en de tegenwoordige kaai en haven aan Jan Verdonk.

Het blijkt in maart 1816 noodzakelijk om de stadsvesten of grachten te zuiveren en het menigvuldige riet en andere vuiligheid dat daarin gevonden wordt, geheel weg te ruimen. De ondervinding heeft geleerd dat deze onzuiverheden vooral ‘s zomers een verpestende lucht verspreiden. Het Stadsbestuur is er stellig van overtuigd dat dit niet alleen ten uiterste nadelig voor de gezondheid is, maar ook schadelijke en gevaarlijke gevolgen voor de stad kan veroorzaken. Er wordt een aanbesteding gehouden voor de zuivering van de vesten. De kosten van de zuivering bedragen van de Oostpoort tot de Ganzepoort ƒ 175; van de Ganzepoort tot aan de zogenaamde Struikelblok ƒ 186; van de Struikelblok tot aan de stenen beer bij de ‘s Heer Hendrikskinderendijk ƒ 225; samen dus ƒ 586. Het werk wordt aanbesteed aan Marcus Welle en Cornelis de Lange.

In augustus 1818 vindt de aanbesteding van enig baggerwerk in de stadsvesten plaats aan Jacobus Heijboer voor ƒ 418.