Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1814 - 1820)

Stadsbestuur

Het Stadsbestuur bestaat begin 1814 uit de heren L.J. van de Spiegel, burgemeester, G. de Leeuw, vice-burgemeester, M. Slabber, D. Noël, J.W. Hecking, P. van Kleinputte, J. Nederveen, J. Dominicus, N. Vervenne, J.J. Risseeuw, M.C. van Dorth, J. Dyserink Dekker, L. de Fouw, C. Beijaard en J. Hemerijk Tak.

Op de 1e januari 1814 maken de leden van het Stadsbestuur hun opwachting bij de burgemeester om hem met de aanvang van het nieuwe jaar te feliciteren. Hij betuigt de leden zijn erkentenis voor deze blijk van toegenegenheid en hoopt ‘dit altoos waardig te mogen blijven, terwijl hij van zijn kant niets onbeproefd zal laten om, door hun medewerking ondersteund, ten nutte van de stad werkzaam te mogen zijn, zich verheugende en hen gelukwensende met het blijde vooruitzicht waarmede deze jaarkring zijn aanvang had genomen. Daar wij ons dankbaar mochten verblijden van onder het bestuur van een Vorst te zijn teruggebracht, aan welker doorluchtige Voorouders het land onzer inwoning zijn bloei en welvaart te danken had’.

Het Stadsbestuur besluit de volgende dag een commissie naar ’s-Gravenhage af te vaardigen om Zijne Koninklijke Hoogheid de belangen van de stad voor te dragen. In de commissie worden benoemd burgemeester L.J. van de Spiegel en raadslid J. Hemerijk Tak. De commissie zal Zijne Majesteit vooral onder het oog brengen de financiële toestand van de stad, de ongunstige gesteldheid van het sas en de haven en de betaling en verzorging van levensmiddelen voor de troepen.
Tijdens de afwezigheid van de burgemeester zal vice-burgemeester G. de Leeuw hem vervangen. Op zijn verzoek zal hij geassisteerd worden door de raadsleden M. Slabber, P. van Kleinputte en L. de Fouw, die als secretaris zal fungeren.

Burgemeester Van de Spiegel stuurt op de 10e januari vanuit ’s-Hage een kennisgeving van zijn aankomst aldaar met de commissie uit de raad. Hij rept hierin ‘over de gracieuze receptie bij Zijne Koninklijke Hoogheid in een afzonderlijke audiëntie’.

Op de 8e april 1814 geven de commissarissen kennis van de terugkeer van burgemeester Van de Spiegel, vermoedelijk na een periode van ziekte. Het Stadsbestuur geeft hiervan kennis aan de burgerij. De vice-burgemeester G. de Leeuw bedankt de commissarissen voor hun medewerking en betoonde assistentie gedurende de afwezigheid van de burgemeester.

De districtscommissaris verzoekt op de 5e april 1814 ‘of, tijdens dat de burgemeester met de waarneming van het districtscommissariaat was gechargeerd, de landgemeenten wel behoorlijke aanschrijving is gedaan over de aanneming van de soevereiniteit van deze landen door Zijne Koninklijke Hoogheid de Prince van Oranje en Nassau en welke opdrachten deswegens ingekomen zijn’. De secretaris krijgt opdracht hierover de heer commissaris te berichten.

Op 16 december 1814 overlijdt burgemeester mr. Laurens Jan van de Spiegel in de leeftijd van 50 jaar. Uit het notulenboek blijkt dat Van de Spiegel bijna het gehele jaar 1814 afwezig was. G. de Leeuw trad al die tijd op als loco-burgemeester en vice-president van de raad.
Laurens Jan van de Spiegel werd geboren in 1764 als zoon van de vroegere burgemeester van Goes en raadpensionaris van Zeeland en de Nederlanden, mr. L.P. van de Spiegel. Hij bekleedde van 1803 tot 1811 de functie van rentmeester van het Consignatiekantoor te Goes, van 1811 tot 1814 de functie van Maire en van 1 januari tot 16 december 1814 de functie van burgemeester van de stad.

In de raadsvergadering van de 24e december 1814 wordt voorgelezen een brief van de directeuren van de Publieke Gestichten en de Kamer van Weldadigheid. Deze bevat de kennisgeving dat door het overlijden van burgemeester Van de Spiegel de afvaardiging van de eerste magistraatpersoon als hun president in overweging moet worden genomen. Ze zijn voornemens in hun maandelijkse vergadering, op morgen te houden, hierover te handelen en nodigen het Stadsbestuur uit met een delegatie hierbij aanwezig te zijn. De wet bepaalt dat bij absentie van de eerste magistraatspersoon, de tweede hem opvolgt. Overwogen wordt dat de heren, desalniettemin, de waarnemend burgemeester gedurende de absentie van burgemeester Van de Spiegel hem nooit als President van enige zaken hebben kennis gegeven. Daarom wordt besloten de brief te beschouwen als overbodig en aan te nemen voor kennisgeving, ‘terwijl wij ons met hunne deliberaties niet zullen inlaten voordat de heer Gouverneur van deze provincie over de post van burgemeester van deze stad heeft beslist’.

Van de Gouverneur van Zeeland komt op de 26e december 1814 bericht dat de heer Gerard de Leeuw, vice-burgemeester van de stad, voorlopig en tot de definitieve organisatie van de stedelijke regering wordt benoemd tot de waarneming van het burgemeesterschap van de stad. Dit vanwege het overlijden van burgemeester L.J. van de Spiegel.

Op de 1e januari 1815 ontvangt de burgemeester ‘de zegenwenschen van de Heeren Raden dezer Stad, dewelke door hem dankbaar zijn beantwoord’. Op zijn voorstel besluit het Stadsbestuur met een commissie uit de Raad, bestaande uit de heren A. van Tilburgh, M. Slabber, J. Dyserink Dekker (tevens commissaris van politie) en de secretaris J. Hemerijk Tak (tevens ontvanger van de stad), naast hem als burgemeester de commissaris van het district Goes, J.H. Verschoor van Nisse, met de aanvang van het nieuwe jaar te feliciteren en de belangen van de ingezetenen aan te bevelen. De commissie wordt op ‘eene gracieuze en erkentelijke wijze door de Heer district commissaris ontvangen’.

Het Stadsbestuur ontvangt op de 9e februari een inventaris van de erfgenamen van de overleden burgemeester Van de Spiegel. Deze vermeldt de goederen en middelen die tot het Kantoor van Consignatie van de stad behoren en onder zijn papieren zijn gevonden. Door hem is in de Amortisatie Kas te Parijs (dit fonds werd in 1815 opgericht en was belast met het delgen van de staatsschuld door aflossing van staatsleningen) gestort het bij deze administratie gebleven goede slot van 778 francs ofwel ƒ 383.9.8. De inventaris wordt toegezonden aan de heer Dassevael te ’s-Gravenhage, belast met het inzenden van de reclames op de Fransche kas. Hij wordt verzocht om deze som voor ‘de zoo veel ondersteuning behoevende stads kas’ aan te wenden.

Het Stadsbestuur bestaat gedurende het jaar 1815 uit de leden G. de Leeuw, vice-burgemeester, A. van Tilburgh, M. Slabber, P. van Kleinputte, D. Noël, M.C. van Dorth, J. Nederveen, J.J. Risseeuw, N. Vervenne, J. Dominicus, J. Boddingius, L. de Fouw, C. Mispelblom, C. Beijaard en J.W. Hecking. Secretaris is J. Hemerijk Tak. Griffier is J. Pilaar.

Op de 1e maart 1815 komt een brief binnen van de districtscommissaris met het verzoek om vóór de 15e maart een opgave in te sturen van de oorsprong en verkrijging van het Stedelijke Wapen met de wens tot het behouden daarvan. De Hoge Raad van Adel te ’s-Gravenhage zendt in augustus 1817 de bekrachtiging van het Stadswapen toe.

De Gouverneur stuurt op de 28e december 1815 het Koninklijk Besluit toe tot benoeming van de volgende leden van het Stadsbestuur: G. de Leeuw, A. van Tilburgh, J.H.Verschoor, M. Slabber, M.C. van Dorth, J. Dominicus, F. van der Bilt, D. Noël en P. van Kleinputte.
Uit hen worden tot burgemeesters benoemd G. de Leeuw en A. van Tilburgh. Van Tilburgh zal per 2 januari 1818 en De Leeuw per 2 januari 1819 als burgemeester aftreden. Hoewel Van Tilburgh over 1817 met het presidium belast zou zijn, wordt niettemin bepaald dat De Leeuw als voorzittende burgemeester onder het genot van alle de daaraan verbonden voordelen zal blijven fungeren.

Tevens wordt besloten dat de vergaderingen van de burgemeesters zullen plaatsvinden op maandag, donderdag en zaterdag van elke week voormiddags om elf uur.

Op de 1e januari 1816 ontvangt de burgemeester ‘de zegenwenschen met den aanvang des jaars’ van de heren Officieren van het 1e bataljon van de Landstorm in Zuid-Beveland en van de leden van de stedelijke regering en de ambtenaren. Deze worden door hem ‘in gepaste termen beantwoord’.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 5e januari 1816 verschijnen de raden A. van Tilburgh, M. Slabber, P. van Kleinputte, C. Mispelblom, M.C. van Dorth, N. Vervenne, J. Boddingius, J. Nederveen, J. Risseeuw, D. Noël, J. Dominicus, L. de Fouw, J.D. Dekker en J. Hemerijk Tak. Burgemeester De Leeuw geeft kennis van de door hem ontvangen circulaire van de Gouverneur met het Koninklijk Besluit waarbij de negen leden van de gemeenteraad zijn benoemd. Hij dankt de tot heden gefungeerd hebbende heren raden voor hun bewezen diensten. Daarop beëdigt burgemeester De Leeuw de nieuw gekozen leden van de gemeenteraad.
Van Kleinputte bedankt voor zijn benoeming. In zijn plaats komt J. Dyserink Dekker.
Geen zitting in de nieuwe raad verkrijgen dus de heren C. Mispelblom, N. Vervenne. J. Nederveen, J.D. Dekker, L. de Fouw en J. Hemerijk Tak.
De rang tussen de leden van de raad wordt volgens de ouderdom van jaren als volgt vastgesteld: M. Slabber, D. Noël, J. Dominicus, M.C. van Dorth, J.H. Verschoor, F.N. van der Bilt. Tevens besluit de nieuw gevormde gemeenteraad voortaan om de veertien dagen te vergaderen op zaterdag om elf uur.

In september 1816 wordt al het nodige gedaan tot het doen van de voorgeschreven stemming voor de kiezersplaatsen van de stad. Nadat de rondgebrachte biljetten zijn opgehaald wordt het resultaat van de stemmen bepaald. Er zijn 277 ingevulde stembiljetten ingekomen. Het blijkt dat met de grootste meerderheid van stemmen zijn benoemd om het kiescollege van de stad uit te maken de heren Cornelis Beijaard, Cornelis Jacobus Klugten van Baalen, Willem van Citters, Jan Dyserink Dekker, Jan Dominicus senior, Jaques Jenoteau, Jacob Kakebeeke, Pieter van Kleijnputte, Gerard de Leeuw, Dominicus Noël, Johannes Nederveen, Pieter Ossewaarde, Jozias Risseeuw, Jan Soutendam, Martinus Slabber, Arnoldus van Tilborgh, Jan Hendrik Verschoor en Jan van Winterooy.
Het derde deel van het kiescollege is in 1817 aan de beurt om af te treden. Dit betreft de heren Jenoteau, Risseeuw, Nederveen, Soutendam, Dominicus en Van Citters. Zij allen worden in oktober 1817 met een volstrekte meerderheid van stemmen tot kiezers verkoren.
In oktober 1818 wordt in een extra-ordinaire vergadering van het Stadsbestuur overgegaan tot het openen van de stembiljetten voor de benoeming van de door aftreden vacerende functies van kiezers voor het kiezen van leden van de gemeenteraad. Met grote en volstrekte meerderheid van stemmen zijn tot kiezers benoemd Gerard de Leeuw, Martinus Slabber, Dominicus Noël, Jan van Wintroy, mr. Francois Nicolaas van der Bilt en Leonard de Fouw.
In oktober 1819 wordt voorzien in het dit jaar afgetreden derde deel van de kiezers. In de plaats van de afgetreden kiezers zijn met grote en volstrekte meerderheid van stemmen gekozen de heren Jacob Kakebeeke, Pieter Ossewaarde, Jan Hendrik Verschoor, Cornelis Beijaard, Cornelis Jacobus Klugten van Balen en Anthony Jacobus Eltzman.
In september 1820 is weer een derde deel van de kiezers periodiek aftredend. Uit de stemming blijkt dat met volstrekte meerderheid van stemmen de afgetreden heren kiezers Jenoteau, Risseeuw, Nederveen, Soutendam, Van Citters en Van Kleijnputte zijn gekozen.

Op de 1e januari 1817 wordt de vergadering door de president burgemeester ‘met een gepaste aanspraak, toepasselijk op de gelegenheid van het ingetreden Nieuwe Jaar en met dankzegging aan de raadsleden voor de bewezen hulp aan de heren burgemeesters en de eensgezinde medewerking ten beste van deze stad en deszelfs goede ingezetenen, geopend, met toewensching dat ’s Hemels beste zegeningen in ruime mate op hen en derzelver dierbare betrekkingen moge nederdalen en dezelfde eensgezindheid en ondersteuning ook in het nieuwe jaar er zal zijn’. Het oudste lid, de heer Slabber, beantwoordt de toespraak.

In april 1817 lijkt er sprake van een impasse in het stedelijk bestuur.
Het notulenboek vermeldt onder de 12e april: ‘Heeren burgemeesters benevens de Raden Slabber en Dominicus op het bepaalde uur voor de gewone veertiendaagsche vergadering van den Raad in de raadszaal verschenen, doch na een geruime tijd gewagt te hebben geene meerdere heeren leden van de Raad gecompareerd zijnde, heeft de heer President burgemeester verklaard, dat, aangezien artikel 13 van het Reglement bepaalt dat geene vergaderingen van de Raad zullen kunnen worden gehouden tenzij de meerderheid van de leden tegenwoordig is en dat getal thans niet aanwezig zijnde, er tot geen deliberatie kan worden overgegaan’.
Ook in de vergadering van de 26e april is een minimale bezetting aanwezig, namelijk de burgemeesters De Leeuw en Van Tilburgh en de raadsleden Noël, Dominicus en Van Dorth.
Besloten wordt dat, in het geval op de gewone of buitengewone vergaderingen van de Raad een ongenoegzaam aantal leden aanwezig is om te kunnen delibereren, niettemin alsdan door de aanwezige leden presentiegeld zal worden genoten, even alsof de vergadering had plaats gehad.
Op de 30e april wordt een extra-ordinaire vergadering van de Raad gehouden. Thans zijn aanwezig de burgemeesters De Leeuw en Van Tilburgh en de raden Noël, Dominicus, Van Dorth, Verschoor en Dekker.

Ingevolge het Regeringsreglement dient het Stadsbestuur in november 1817 een nominatie van drie personen in te dienen voor het vervullen van de door het aftreden per 1818 openvallende plaats van burgemeester. De aftredende burgemeester Arnoldus van Tilburgh verzoekt ‘geen acht op hem te slaan aangezien zijn hoge jaren en vooral de zwakke en verachterde staat van zijn gezicht de behandeling van zaken moeilijk en ondoenelijk maakt’, niettegenstaande hij zich vereerd voelt met het vertrouwen van de vergadering en van Zijne Majesteit de Koning. De vergadering betoogt eenparig gewenst te hebben hem als nummer 1 op de voordracht te zetten. Evenwel wil men zich node en met groot leedwezen neerleggen bij de wens van Van Tilburgh. Na stemming blijkt met volstrekte meerderheid van stemmen als eerste op de voordracht te zijn geplaatst Jan Hendrik Verschoor van Nisse, als tweede Martinus Slabber en als derde Jan Dominicus. Korte tijd hierna, begin juni 1818, overlijdt oud-burgemeester Arnoldus van Tilburgh.

De eerste vergadering van het nieuwe jaar 1818 wordt door de president burgemeester met een toepasselijke aanspraak ter gelegenheid van het ingetreden Nieuwe jaar en met dankzegging aan de raadsleden voor de ijverige medewerking en ondersteuning van de werkzaamheden geopend. Het Stadsbestuur neemt afscheid van burgemeester Van Tilburgh in verband met zijn hoge jaren en zwakke lichaamsgesteldheid.
Kennis wordt genomen van het besluit van Zijne Majesteit tot benoeming van de heer Martinus Slabber, het oudste lid van de raad, als burgemeester. Hij wordt staande de vergadering geïnstalleerd. Ook de administratie van de stedelijke politie valt onder hem. Raadslid Dyserink Dekker, die het toezicht op de politie namens burgemeesters tot nu toe uitoefende, wordt dank gezegd.

Per 1 januari 1818 is burgemeester Gerard de Leeuw aftredend. Hij wordt, na unanieme voordracht door de raad, opnieuw benoemd tot president burgemeester. Het Stadsbestuur betuigt hierover zijn volste tevredenheid en genoegen.

Ook in september 1818 overlijdt een oudgediende in het Stadsbestuur, Jan Dominicus. De vergadering, ‘met een smartelijk gevoel van leedwezen gedachtig zijnde aan het zoo subiet als treffend overlijden van derzelver waardig medelid, de heer Jan Dominicus, geeft hiervan kennis aan de Gouverneur’. De overledene was tevens president van het college van regenten van het armbestuur. Het armbestuur wordt verzocht een van haar leden in die plaats voor te dragen. Voorgedragen wordt de heer J. de Kanter.
In de opengevallen plaatsen van lid van het Stadsbestuur door het overlijden van de heren Van Tilburgh en Dominicus worden gekozen Jacob Kakebeeke en Jaques Jenoteau.

Op de 26e december 1818 overlijdt ook het lid van de raad, Jan Dyserink Dekker. Het Stadsbestuur betuigt zijn leedwezen over ‘dit treurig afsterven’. In de opengevallen vacante raadsplaats benoemt het college van kiezers de heer Anhony Jacobus Eltzman. 

De president burgemeester G. de Leeuw legt op de 2e januari 1819 het presidium van de vergaderingen van het Stadsbestuur neer. Dit wordt overgedragen aan burgemeester M. Slabber. De Leeuw wordt voor zijn ‘onvermoeide werkzaamheden en betoonde belangstelling in de welvaart van de stad oprechtelijk dank gezegd’.

Het Stadsbestuur ontvangt in januari 1819 een bepaling van Zijne Majesteit de Koning dat in alle gevallen, wanneer volgens het Reglement het oudste lid van de raad van een stad moet worden opgeroepen, hetzij om als intermediair of als burgemeester te fungeren of wanneer de stemmen staken om in de vergadering van burgemeesters te assisteren, er altijd moet opgeroepen worden het lid van de raad dat direct zitting heeft achter de in functie zijnde burgemeesters, om het even of deze wel of geen afgetreden burgemeester is.

Op de 4e november 1819 geeft de president burgemeester Slabber kennis van de voortduring van zijn ongesteldheid en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om de deliberaties van deze dag tot het formeren van een nominatie tot vervulling van de burgemeestersplaats bij te wonen. Bij een nieuwe benoeming zou hij graag zien dat burgemeester G. de Leeuw met het presidium wordt belast. De nominatie wordt vastgesteld met de volgende voordracht: 1. Martinus Slabber; 2. Jan Hendrik Verschoor van Nisse en 3. Dominicus Noël, en toegezonden aan Zijne Majesteit de Koning.

Op de 30e december 1820 komt er bericht van de Gouverneur met toezending van het Koninklijk Besluit waarbij de heer G. de Leeuw bij voortduur is benoemd tot burgemeester ter vervulling van de op 2 januari a.s. door de gewone aftreding invallende vacature. Burgemeester Slabber geeft de vergadering kennis van de vernieuwde benoeming van de heer De Leeuw. Hij heeft hem verzocht om, vanwege zijn hoge jaren, ook bij voortduring het presidium van deze vergadering en van die van de burgemeesters te blijven waarnemen. Volgens het regeringsreglement zou dit op hem moeten overgaan. De raad stemt met volkomen genoegen met zijn voorstel in.

Ter gelegenheid van de intrede van het nieuwe jaar komt het Stadsbestuur op de 3e januari 1820 in extra-ordinaire zitting bijeen. Aanwezig zijn de burgemeesters De Leeuw en Slabber en de raden Noël, Van Dorth, Van der Bilt, Jenoteau en Eltzman. Afwezig is raadslid Kakebeeke.

Secretarissen en griffiers

In januari 1814 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van de districtscommissaris over het onder toezicht stellen van de Fransen, die als gevolg van de vereniging van deze gewesten met Frankrijk herwaarts zijn gekomen. Onder deze aanschrijving valt ook Jan Bataille, de bediende van het stedelijke octrooi. Bataille krijgt ontslag uit zijn functie. Op de eerste vordering moet hij alle boeken, papieren en documenten die onder hem berusten overdragen. In zijn plaats komt Louis Bouvet.

 In juni 1815 wordt H.C. Pilaar tot commies griffier benoemd, ‘zodat er bij overlijden of vertrek een bekwaam persoon met de werkzaamheden volkomen bekend is’.

Naar de functie van stadssecretaris solliciteren in januari 1816 Jan Hemerijk Tak, Leonard de Fouw Janzoon en Willem de Laat de Kanter. De heer Leonard de Fouw wordt benoemd.

De ontvanger van de stedelijke belastingen Van Stapele overlijdt in april 1816. In zijn plaats wordt voorlopig aangesteld Pieter Engelse, commies van de ontvanger. Op 11 mei 1816 voorziet het Stadsbestuur definitief in de vacature door benoeming van de heer Jozias Risseeuw.

De stad is verdeeld in vier wijken. In augustus 1816 wordt voor elke wijk een wijkmeester aangesteld: voor wijk A Abraham Johannis Jaspers, voor wijk B Willem Sampon, voor wijk C David Koning en voor wijk D Cornelis Beijaard. Er wordt een Reglement voor de wijkmeesters vastgesteld.
Elke wijk wordt weer verdeeld in een aantal buurten, waarover een buurtmeester wordt aangesteld. Dit zijn: in wijk A Jacobus de Jongh, Pieter Engelse, Cornelis Dominicus, Matthijs Gerhardus Mulder en David Magnus; in wijk B Jacobus van Rentergem de Fouw, Cornelis van de Velde, Jan van Winterooy, Adriaan Remijn, Jacobus de Kok en Henricus Johannis van ´t Hoff; in wijk C Willem Polderman, Marcus Boddingius en Simon van Zoom; in wijk D Francois Kleeuwens, Adriaan de Jonghe, Marinus Harinck, Francois Walraven, Rosier Udemans en Izak de Broekert.

Begin december 1819 overlijdt de stadsbode Pieter den Boer. In zijn plaats wordt aangesteld Kornelis van de Volkere Azoon.

Bevolking

Op de 7e januari 1814 wordt een aanvang gemaakt met het opmaken van de alfabetische lijst van de ingezetenen van 17 tot 45 jaar. De wijk- en buurtmeesters worden staande de vergadering opgeroepen en aangemaand om lijsten voor hun wijken te maken.

De Gouverneur van Zeeland stuurt begin januari 1815 bepalingen toe over de invoering van de toegezonden Registers van de Burgerlijke Stand en het ontvangen en verantwoorden van de daarvoor in te vorderen expeditiegelden van tien stuivers.

Uit een opgave van de wijkmeesters van februari 1815 blijkt dat de bevolking van de stad bestaat uit 4415 zielen, te weten van het mannelijke geslacht 1972 en van het vrouwelijke geslacht 2443 zielen. Wat betreft de mannelijke bevolking zijn er 858 beneden de 18 jaar, 775 tussen de 18 en 50 jaar en 339 boven de 50 jaar.
Onder de bevolking zijn er 1224 gehuwden, 87 weduwnaars en 221 weduwen.
Naar godsdienstige richting zijn er 3466 gereformeerden, 898 rooms-katholieken, 29 lutheranen, 19 doopsgezinden, 1 remonstrant en 2 joden.
Er zijn circa 100 personen die zich in ‘s lands dienst bevinden.
Het aantal gealimenteerden is circa 200, waarvan in het weeshuis 91, in het gasthuis 31 en daar buiten 78.

In december 1818 vragen Gedeputeerde Staten om informatie over de mogelijke redenen dat het zielental ten opzichte van 1815 met 93 is vermeerderd, alsook hoe het komt dat er zoveel sterfgevallen zijn geweest.

Er worden vanaf januari 1818 consenten afgegeven aan personen of gezinnen die zich in de stad willen vestigen. Zo onder meer aan (de gezinnen van) Hendrik Kunst uit Zierikzee, Jacobus Polfliet uit Stoppeldijk, Pieter van der Schraaf uit Terneuzen, Jan Jozias Meesen uit Axel, Pieter de Kunder uit Ovezande, Jacobus Tolhoek uit Wolphaartsdijk, Marinus Jacobus Provoost uit Middelburg, Abraham de Jonge uit Terneuzen.

Bid- en dankstonden voor het vaderland

Op de 9e januari 1814 schrijft Zijne Majesteit een biddagbrief uit voor de 13e januari. Deze wordt gezonden aan de predikanten van de Hervormde en de pastoor van de Rooms-katholieke gemeenten. De ingezetenen worden bij Publicatie hiervan in kennis gesteld met de opdracht dat alle neringen, handwerken, openbare bedrijven en vermakelijkheden op die dag zullen moeten stil staan.

Ook op deze 19e januari komt er een kennisgeving van Zijne Koninklijke Hoogheid dat op iedere eerste woensdag van elke maand ‘s avonds van 6 tot 7 uur een plechtig dank- en biduur, geschikt naar de omstandigheden van tijden en zaken, zal worden gehouden. Hiervan wordt kennis gegeven aan de predikanten en pastoor. Verder bepaalt het Stadsbestuur: ‘En teneinde deze godsdienstoefeningen met meerder stilte en eerbied te kunnen houden en te beter aan het oogmerk van derzelver instelling te voldoen, zullen gedurende die tijd alle bedrijven, neringen en openbare vermakelijkheden moeten ophouden’.

Ter voldoening aan het oogmerk van Zijne Majesteit besluit het Stadsbestuur op de 19e januari eveneens aan de ingezetenen gelegenheid te geven om vrijwillige giften te doen tot voorziening in de behoeften tot redding van het vaderland. Gedurende de loop van deze maand zal een kist op de griffie van het Stadhuis worden geplaatst waarin deze giften kunnen worden gestort.

Op de 29e juni 1815 neemt het Stadsbestuur kennis van een brief van de Gouverneur van Zeeland ten geleide van de Biddagbrief ter verzending aan de leraren van de onderscheidene godsdienstige gezindheden om deze plechtigheid te doen vieren op de 5e juli en vervolgens maandelijks bedestonden te doen plaats hebben op de eerste woensdag van elke maand ‘s middags om twaalf uur. Gedurende deze bidstonden moeten alle neringen, handwerken, openbare bedrijven en vermakelijkheden stil staan.

De Gouverneur van Zeeland stuurt op de 14e december 1815 een besluit van Zijne Majesteit de Koning toe over het houden van een plechtig dankuur wegens de gesloten Vrede van Parijs op 20 november 1815. Het Stadsbestuur besluit op de 20e december om 12 uur dit plechtige dankuur te houden. De leraars van de hervormde gemeente en de pastoor van de rooms-katholieke gemeente worden verzocht het dankuur op een godsdienstige wijze in het kerkgebouw van hun gemeente te vieren. De burgerij wordt bij bekendmaking aangemaand ‘om deze godsdienstige plechtigheid met gepaste ernst en voegzame stilte te celebreren’.

Op de 18e juni 1816 wordt ter gelegenheid van ‘de eerste verjaring van de beslissende overwinning bij Waterloo op dinsdag de 18e dezer’ een plechtige dankstond gehouden. De hervormde en de rooms-katholieke gemeenten worden verzocht om op deze dag ‘s middags om 12 uur ter viering van deze gelukkige gebeurtenis een plechtige dankstond te houden.
Van drie tot vijf uur wordt de ingezetenen de gelegenheid geboden om op het Stadhuis een gift tot ondersteuning van het fonds voor de in die Slag verminkten en nagelaten betrekkingen van gesneuvelden te doen. De collecte brengt ƒ 161 op.

Er komt op de 14e juni 1817 een aanschrijving van de Gouverneur binnen met toezending van het Koninklijk Besluit van de 21e mei ‘bepalende het vieren van een plegtige dank- en bededag op woensdag de 18e dezer maand met uitnodiging om te zorgen dat deze dag met eerbied en door stilstand van alle neringen, bedrijven, ambachten en openbare vermaken en op een gepaste wijze worde doorgebragt’.

Ook in juni 1820 komt er een Koninklijk Besluit tot uitschrijving van een algemene dank- en bededag voor nu en komende jaren op de 18e juni. Hiervan wordt kennis gegeven aan de hervormde predikanten en de rooms-katholieke pastoor.

Contacten van het Stadsbestuur met de nieuwe Koning

In september 1814 ontvangt het Stadsbestuur een kennisgeving van de overkomst in het eiland Walcheren van Zijne Koninklijke Hoogheid op zondag de 11e september. Verzocht wordt een commissie af te vaardigen om de Soevereine Vorst van onze hulde en verknochtheid in de hoofdplaats van de provincie te verzekeren.

Dan komt er op de 18e maart 1815 het bericht dat Zijne Koninklijke Hoogheid de Prince van Orange en Nassau de waardigheid van Koning der Nederlanden op de 16e maart plechtig heeft aanvaard. De Proclamatie wordt eerstdaags toegezonden met de vermelding van de dag van de feestviering. Dit zal plaatsvinden op donderdag de 23e maart. Er zal dan een algemene dank- en bedestond worden gehouden.

Het Stadsbestuur besluit op de 20e maart 1815 de ingezetenen van de stad hiervan kennis te geven. Ze worden uitgenodigd ‘om die heugelijke dag naar de stemming van hun harten met alle betamelijke vreugdebetoningen te vieren, voorts de vlaggen van alle publieke torens en gebouwen te doen uitsteken, de klokken te luiden en te spelen, mitsgaders de colonel van de Landstorm te verzoeken de burgerij in de wapens te doen roepen, dezelve voor het Stadhuis te scharen teneinde alsdan de Publicatie dier voor Nederland gelukkige gebeurtenis in het bijwonen van alle leden van de Raad en van de Rechtbank deze gedenkwaardige dag met zodanige gepaste vreugdebedrijven door te brengen als naar de lokale omstandigheden een ieder zal conveniëren’.


In het notulenboek is op de 23e maart 1815 een uitvoerig verslag opgenomen van het feest. De globale inhoud daarvan is samengevat als volgt.
‘s Morgens is de vlag op de stadhuistoren geplaatst. De burgemeester houdt een plechtige rede voor de Raad en de Rechtbank. Om 12 uur spelen de klokken. Er wordt een speciaal vervaardigd Oranjevaandel uit een van de ramen van het Stadhuis uitgestoken met het opschrift ‘Ter eere van den Koning der Nederlanden’, terwijl het bataljon van de Landstorm voor het Stadhuis in de wapenen geschaard staat. De luitenant-kolonel doet een gepaste aanspraak uit naam van zijn wapenbroeders, die door de burgemeester wordt beantwoord. Daarna paraderen en defileren de gewapende burgerij voor het Stadhuis. De genoemde colleges worden door drie adjudanten van het Stadhuis naar het exercitieveld geleid om het doen van de drie salvo’s bij te wonen. Daarna worden deze onder het spelen van het muziek op de audiëntiezaal terug gebracht, terwijl de aanwezende regeringsleden en die van de rechterlijke macht door de burgemeester bedankt worden voor hun deelneming ‘met toewensching dat deze heugelijke gebeurtenis altoos in dankbaar aandenken bij onze stad genoten moge blijven’.

Voortaan worden de verjaardagen van de Koning en de Koningin op luisterrijke wijze gevierd. De eerste keer is dat op de 17e november 1815. Het is opnieuw een feestdag als de verjaardag van de Koningin wordt gevierd. Een commissie uit het corps officieren van de gewapende burgermacht komt ter vergadering van het Stadsbestuur. Ze brengt namens de wapenbroeders, bij monde van de luitenant kolonel Beijaard, de felicitatie wegens de verjaardag van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden over. De burgemeester ‘beantwoordt deze felicitatie in gepaste termen, waarna de gewapende Burgerij voor dezen Raad, welks Leden zich aan de ramen der Zaal ten Stadhuize hadden geplaatst, defileerden’.

Ook op de 24e augustus 1815 is het een feestdag ter gelegenheid van de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning. De Gouverneur stuurt bericht over een Koninklijk Besluit betreffende het vieren van de geboortedagen van de leden van de koninklijke familie en de belangrijkste staatsgebeurtenissen, ‘houdende dat op die dag grote Parade moet wezen’. Het bataljon gewapende schutters krijgt toestemming om op deze dag, ‘de verjaardag van onzen geliefden Koning, de burgerij te laten vuren’. De luitenant kolonel van de schutterij krijgt hiervoor het benodigde kruit. Het maken van de patronen zal voor stadsrekening geschieden.
Het notulenboek van het Stadsbestuur vermeldt van deze dag: ‘Heden de plechtige dag van de heugelijke verjaring van Z.M. de Koning der Nederlanden, vergaderde de raad buitengewoon en wenschte zich onderling geluk met deze blijde gebeurtenis welke tot een grondslag van den bloei en welvaart onzes vaderlands verstrekt. Wordende de gewapende burgerij door den heer fungerende burgemeester dezer Stad G. de Leeuw aan het hoofd der regering geïnspecteerd’.

De verjaardag van Zijne Koninklijke Majesteit is op zaterdag de 24e augustus 1816. Het Stadsbestuur oordeelt het betamelijk deze dag met gepaste luister te vieren. Besloten wordt de kapitein van de stedelijke schutterij uit te nodigen om zijn compagnie op die dag om half twaalf uur in de voormiddag in de wapenen te laten komen voor het houden van een grote parade. De ingezetenen worden uitgenodigd deze dag met het uitsteken van de vlaggen, algemene illuminatiën en andere gepaste vreugdebedrijven te vieren, ´doch tevens, aangezien het gevaarlijke uit hoofde van de opgeslagen houten loges en kramen op de markten bij gelegenheid van de jaarmarkt, te verbieden het schieten met geweer of ander wapentuig mitsgaders het werpen met en afsteken van zwermers, voetzoekers en vuurwerken´.

De raad komt op de 6e december 1816 in een buitengewone zitting bijeen ter gelegenheid van het feest ter viering van de verjaardag van Zijne Koninklijke Hoogheid de Kroonprijs, ‘in wien ieder regtschapen Nederlander den moedigen Held ter verlossing van het aangevallen vaderland steeds zal eerbiedigen’. Na elkaar geluk gewenst te hebben komen de luitenant-kolonel van het bataljon schutterij van dit district en de heren officieren van de stedelijke compagnie en de commandant van het militaire detachement ter vergadering om hun gelukwensen over te brengen. Daarna defileert de compagnie stedelijke schutterij samen met het detachement militairen binnen de stad voorbij het Stadhuis, waarna de heren officieren gedurende het spelen van de muziek van de schutterij op uitnodiging van het Stadsbestuur nog enige tijd ten stadhuize vertoeven. Terwijl het Stadsbestuur, ‘teneinde aan de ingezetenen gelegenheid te geven om hun vreugde door gepaste bedrijven aan de dag te leggen, hebben toegestaan om heden avond tot middernacht op de markten en kaaijen voetzoekers, vuurwerken en diergelijke af te steken, zonder echter met snaphanen, pistolen of andere schietgeweren te mogen vuren’.

Via een koerier komt op de 26e juli 1817 bericht van de Gouverneur ‘dat Zijne Majesteit de Koning voornemens is aanstaande maandag de 28e met hoogst deszelfs jagten van Antwerpen te vertrekken en zich enige dagen in Walcheren op te houden, doch dat het de intentie van Zijne Majesteit niet schijnt te zijn om voor ditmaal deze stad met een bezoek te vereren en het dus onnodig schijnt te zijn tot hoogst deszelfs receptie enige toebereidselen te maken’. Het Stadsbestuur besluit dat ‘een commissie uit de raad, aan welks hoofd de voorzittende burgemeester zich zal stellen, zich naar Middelburg zal begeven teneinde Zijne Majesteit aldaar te complimenteren en de belangen van deze stad aan Zijne Majesteit aan te bevelen’.


Op de 14e augustus 1817 brengt de voorzittende burgemeester namens de commissie verslag uit van het bezoek aan Zijne Majesteit de Koning te Middelburg. Ze heeft de belangen van de stad met betrekking tot de havenwerken waargenomen en bepleit. De commissie heeft het genoegen gehad om bij Zijne Majesteit ter audiëntie te worden toegelaten. ‘Het heeft Zijne Majesteit behaagd de voordracht van de stadsbelangen goedgunstig aan te horen en het aangeboden adres van deze vergadering minzaam aan te nemen met de toezegging dat Zijne Majesteit op de behoefte dezer stad zoude bedagt zijn’.
Vervolgens heeft de commissie zowel bij Zijne Hoogheid Prins Frederik als bij de Minister van Waterstaat haar opwachting gemaakt, alsook een conferentie gehad met de Gouverneur van de provincie. Deze conferentie is op uitdrukkelijk verzoek van de Gouverneur gister hervat. De commissie is te kennen gegeven dat na de herhaalde gesprekken met Zijne Majesteit over de Goese haven ‘Zijne Majesteit gunstig had gelieven toe te zeggen dat hoogstdezelve kragtdadig tot de redding dezer stad zal werkzaam zijn, dat een voorschot uit ‘s lands kas onmogelijk was, dat echter Zijne Majesteit, om de stad Goes van zijn genegen hulpbetoning te verzekeren, tot herstel van de haven uit zijn eigen kas zal voorschieten een som van ƒ 30.000 op een interest van 5%, welke eerst na de aflossing van de particuliere negotiatie zal behoren gerembourseerd te worden. Dat Zijne Majesteit geneigd was om de nodige autorisatie te verlenen teneinde de stad door verkoop van hare werkelijke schuld ten laste van het Rijk en van een kwantiteit bomen en andere middelen mitsgaders door de vervroegde heffing der bij Besluit van mei 1816 toegestane belasting over Zuid-Beveland een convenabele som zoude kunnen bijeen brengen. Alsmede om een negotiatie van het dan nog calculatief benodigde van ongeveer ƒ 90.000 toe te staan’. Uit naam van de regering bedankt de Gouverneur Zijne Majesteit voor dit aanzienlijk gunstbewijs, ‘niet twijfelend of de zaak zoude op deze voet wel te vinden zijn’.

Tevens verneemt het Stadsbestuur het verslag van een andere commissie, bestaande uit de heren Dyserink Dekker, Dominicus en Van Dorth. Op verzoek van de vergadering hebben ze zich beijverd om Zijne Majesteit, bij gelegenheid van zijn overvaart naar Walcheren, langs het Sas aan zijn jacht te complimenteren. Ze hebben het genoegen gehad daarin volkomen te slagen en zijn door Zijne Majesteit op de minzaamste wijze toegelaten en kregen de toezegging dat de zaak van de haven van de stad te Middelburg zou worden behandeld.

De Gouverneur geeft eind juli 1820 kennis van een besluit van de Synode van de Hervormde kerk om jaarlijks op de 24e augustus, zijnde de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning, een godsdienstoefening te houden ‘teneinde het Opperwezen te danken voor de verlenging van het leven van Zijne Majesteit en daarvoor te bidden’. Voortaan zal op deze zondag om half elf een dank- en bedestond worden gehouden. Ook in de rooms-katholieke kerk zal dan een Te Deum worden gezongen.

Contacten met rijk en provincie

Op de 31e mei 1817 wordt met volstrekte meerderheid van stemmen tot lid van Provinciale Staten namens de stad Goes benoemd de heer (burgemeester) Gerard de Leeuw en tot plaatsvervangend lid de heer (raadslid) Jan Dominicus.
Namens de landelijke stand kunnen drie leden en drie plaatsvervangende leden in Provinciale Staten zitting hebben. Gekozen worden tot leden de heren Van Dam, Kakebeeke en C. van Citters en tot plaatsvervangende leden de heren Van der Bilt van Cloetinge, Clement en Abraham Swemer.
In juni 1818 wordt tot lid van Provinciale Staten namens de stad Goes benoemd de heer mr. Francois Nicolaas van der Bilt en tot plaatsvervangend lid de heer Dominicus Noël.
In juni 1820 zijn het lid G. de Leeuw en het plaatsvervangend lid J. Dominicus aftredend. Bij volstrekte meerderheid van stemmen worden gekozen G. de Leeuw, de president burgemeester, als lid en A.J. Eltzman als plaatsvervangend lid.
Voor de landelijke stand worden dan tot leden van Provinciale Staten benoemd de heren Van Dam, Kakebeeke en Dominicus en tot plaatsvervangende leden de heren Van der Bilt van Cloetinge, Clement en De Keizer.

De Gouverneur van Zeeland, Jonkheer Jacob Hendrik Schorer, geeft op de 4e oktober 1817 kennis dat het Zijne Majesteit heeft behaagd hem op zijn verzoek ontslag te verlenen. Hij betuigt zijn dank voor de medewerking die hij in zijn betrekking van het Goese Stadsbestuur heeft ondervonden.
Het Stadsbestuur besluit ‘de afgetreden Gouverneur het leedwezen te betuigen hetwelk deze vergadering gevoelt bij het ontvangen van deze kennisgeving, met verzekering dat deze vergadering steeds met oprechte dankbaarheid zal erkennen en zich herinneren alle de weldaden welke hij in een ruime mate aan deze provincie in het algemeen en aan deze stad in het bijzonder gedurende zijn bestuur wel heeft gelieven te bewijzen. Vurig wenschende dat hij in de verlangde rust na eene zoo moeijelijke als belangrijke last gedragen te hebben en in de voortdurende hoogachting en liefde zijner medeburgeren onder genot van ’s Hemels beste zegeningen een ongestoord genoegen en een zoete beloning zal mogen ondervinden’.

Het Stadsbestuur ontvangt op de 23e mei 1818 een aanschrijving van de nieuwe Gouverneur, de 31-jarige mr. H.J. baron van Doorn van Westcapelle, over de aanvaarding van zijn functie. Hij verklaart dat hij steeds bereid zal zijn om de algemene belangen en ook die van deze stad te behartigen. Een delegatie uit het Stadsbestuur gaat op audiëntie om hem te complimenteren met zijn benoeming.
De nieuwe Gouverneur Van Doorn bezoekt op de 4e september 1818 de stad. Hij arriveert per schip aan de Goese haven. Zijn bedoeling is vooral om de nieuwe havenwerken en het gevangenhuis te bezichtigen. Het Stadsbestuur treft, na aankondiging van het bezoek daags tevoren, dadelijk de nodige maatregelen om Zijne Excellentie op een gepaste wijze te recipiëren.