Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinanciën (1814 - 1820)

Financiële toestand van de stad

De financiële situatie van de stad is zorgelijk.
Met het oog daarop stelt het Stadsbestuur op de 2e januari 1814 een Commissie van Financiën in. Deze bestaat uit de heren A. van Tilburg, J.J. Risseeuw en C.J. van Balen. De commissie krijgt als opdracht fondsen te vinden voor de bezoldiging van de gewapende macht en alles wat op de inwendige financiële dienst betrekking kan hebben.

Op de 10e februari 1815 beraadt het Stadsbestuur zich ernstig over ‘de schaarsheid van contanten in de stadskas’.
In juli 1815 ontvangt de stad van de heren Van den Broeke en compagnon te Amsterdam bewijzen van de ingeschreven ƒ 22.500 werkelijke schuld en ƒ 45.000 uitgestelde schuld.

De commissie tot onderzoek van de rekening over 1815 treft bij haar onderzoek in juli 1816 vele onvolkomenheden aan. Deze zijn zelfs zodanig dat de commissie adviseert de rekening aan de ontvanger W. van Citters terug te sturen met de opdracht zijn werk over nieuw te doen. Het Stadsbestuur is over de gang van zaken zeer ontstemd.
Halverwege augustus heeft stedelijke ontvanger Van Citters nog steeds niet voldaan aan het dringende verzoek een nieuwe rekening over 1815 in te dienen, dit ondanks het hem opnieuw verleende uitstel van acht dagen. Hij krijgt bericht dat, als hij binnen acht dagen nog geen rekening heeft ingezonden, hij dan zal worden ontslagen.
Eindelijk, op de 14e september, biedt ontvanger Van Citters de rekening aan. Na onderzoek door de commissie stelt het Stadsbestuur deze vast. Het blijkt dat er een batig saldo is van ƒ 7.116.4.4. Besloten wordt dit te verifiëren door de kas van de stedelijke ontvanger te controleren.

Vermeldenswaardig in dit verband is het voorschrift van Gedeputeerde Staten van Zeeland van de 19e december 1816 dat met ingang van 1 januari 1817 alle berekeningen in Nederlandse guldens en centen moeten gebeuren.

Gedeputeerde Staten schrijven het Stadsbestuur in 1817 aan om een overzicht van de gevestigde schuld van de stad en een voordracht tot vereffening daarvan samen te stellen. Het Stadsbestuur betoogt ‘dat het vinden van daarvoor benodigde fondsen mitsgaders die vereist zullen worden voor het herstel van de haven, waarvan deszelfs voortdurend bestaan geheel afhankelijk is, een zodanig bezwaar voor de stedelijke financiën zal opleveren, dat aan geen aflossing van de oude gevestigde schuld te denken is’.
De staat van gevestigde schulden wordt vastgesteld op de som van drie maal honderd zestig duizend en een honderd vijf en twintig guldens. Verder wordt een uitvoerig plan ontwikkeld tot vereffening van de gevestigde schulden van de stad.

De daartoe ingestelde commissie rapporteert in november 1818 welke bezuinigingen in de uitgaven en welke verbeteringen in de inkomsten zouden kunnen worden aangebracht. De financiële administratie van de stad over de jaren 1793 en 1817 is daarvoor vergeleken. Nagegaan is welke belastingen het meest geschikt geoordeeld kunnen worden gelet op het vermogen, het bedrijf, de handel en de levenswijze van de ingezetenen en de lokaliteiten. De gemeenteraad stemt in met dit rapport en stuurt dit toe aan Gedeputeerde Staten.

Stedelijke belastingen

Op de 9e april 1814 wordt een Commissie tot het ontwerpen van stedelijke belastingen ingesteld. Hierin hebben zitting de heren M. Slabber, F. van Kleijnputte en Leonard de Fouw.
In januari 1815 moeten er reglementen voor de stedelijke belastingen worden samengesteld. Deze werkzaamheden worden eveneens opgedragen aan de commissie ‘welke de stedelijke belastingen hebben voorgedragen’.

Op de 30e juni 1815 stelt het Stadsbestuur de nieuwe ordonnantiën voor de stedelijke belastingen vast, waarna ze door de boekdrukker P. Krombouw worden gedrukt. Benoemd worden tot ontvanger van de middelen de heer J.J. van Stapele, tot controleur de heer W. Voorbeitel en tot commiezen ter recherche H. Barends en Louis Bouvet.
Geconstateerd wordt dat de voormalige commies Abraham Rijkaart nu buiten functie is omdat de kosten van bezoldiging van drie commiezen niet kunnen worden gedragen. Besloten wordt Rijkaart de functie van commies voor de stedelijke middelen te verlenen om bij overlijden, vertrek of ontslag van een van de nu benoemde commiezen als zodanig op te treden. Al in oktober 1818 ontvangt de commies van de stedelijke belastingen Louis Bouvet eervol ontslag. Hij krijgt de vrijheid, vanwege zijn hoge jaren en ziekelijke gesteldheid, om zijn overige jaren in het gasthuis te slijten. In zijn plaats wordt benoemd Abraham Rijkaart. In verband met zijn ziekelijke toestand krijgt ook de commies van de stedelijke belasting Van der Hoek in februari 1820 vrijheid om met zijn vrouw in het gasthuis verblijf te nemen. De commies Barends wordt op het vacante declaratiekantoor geplaatst. In april wordt benoemd Philip Vervenne.

Het Stadsbestuur stelt een ‘Instructie voor de commiezen ter wering der sluikerijen en contraventiën ten behoeve van het stedelijke octrooi der stad Goes’ vast.

Elk jaar worden er weer zetters voor de belastingen benoemd. Voor 1816 zijn dit de heren Jan Soutendam, Jan van Winterooy, Johannes Pilaar, Nicolaas Vervenne en Hendrik Johannes op ’t Hof; voor 1817 de heren Pilaar, Vervenne, Van Winterooy, Op ’t Hoff en Johannes Nederveen; voor 1818 de heren Pilaar, Op ’t Hoff, Van Winterooy, Nederveen en Abraham Steendijk; voor 1820 de heren Pilaar, Van Winterooy, Van ’t Hoff, I.J. Burger en H.M. van der Bilt van Cloetinge; voor 1821 zijn het dezelfde personen.

Zijne Majesteit de Koning keurt in december 1818 de gevraagde verhoging van de stedelijke middelen voor dit jaar goed. Het gaat om ƒ 2 per okshoofd binnen- en buitenlands gedestilleerde rum, arak en likeuren; ƒ 1 op de zak gemalen tarwe of rogge en ƒ 2 op de ossen, koeien, stieren en vaarzen per stuk. De goedkeuring geschiedt met de uitdrukkelijke bepaling dat die verhoging per de 1e januari 1819 zal ophouden. Deze verhoging is vooral noodzakelijk vanwege de hogere subsidie die de armeninrichtingen binnen de stad dringend behoeven. Overwogen wordt dat deze vergadering steeds zeer spaarzaam is geweest in het toestaan van de jaarlijks gevraagde onderstand voor de armenadministratie en niet dan na volkomen overtuiging van het strikt benodigde. Uitvoerig geeft het notulenboek de overwegingen weer waarom een blijvende belastingverhoging zeer wenselijk wordt geacht. Besloten wordt Gedeputeerde Staten te verzoeken Zijne Majesteit de Koning de voortdurende vergunning tot heffing van de huidige stedelijke belastingen gunstig voor te dragen.

Ingevolge het verzoek van het Stadsbestuur gaan Gedeputeerde Staten begin 1819 akkoord met voortzetting van de verhoging van de stedelijke belastingen voor zes maanden. Ook in juni 1819 blijkt dat de verhoging van de belasting op het gemaal, bestiaal en gedestilleerd bij voortduring mag worden geheven.
Er wordt een commissie ingesteld om nu, daar het te voorzien is dat de stedelijke middelen op de actuele voet zullen blijven bestaan, te onderzoeken welke verbeteringen er in de wijze van surveillance kunnen worden ingevoerd. Ook gaat het er over welke maatregelen er behoren te worden genomen, zowel voor de introductie van deze verbeteringen als om aan het huidige stelsel die vastheid te geven die nodig is om de dagelijks vermeerderende fraude en contraventiën te weren en te voorkomen. In de commissie worden benoemd burgemeester De Leeuw en de secretaris.

De Gouverneur geeft in maart 1819 kennis dat de heer Jan Hemerijk Tak door Zijne Majesteit de Koning is benoemd tot ontvanger van de directe belastingen over Wolphaartsdijk, welke perceptie alzo met Goes verenigd is.

Het Stadsbestuur moet in juni 1820 constateren dat uit de omstandigheden en vooral uit de verminderde opbrengst van de stedelijke belasting op het gemaal blijkt, dat de stedelijke financiën door kwade en ongeoorloofde praktijken, voornamelijk door heimelijke, ontijdige en frauduleuze invoer, aanmerkelijk worden benadeeld. Het is daarom van het grootste belang om daar tegen door een meer dan gewone recherche te voorzien. Besloten wordt de stedelijke nachtwerkers aan te schrijven en te gelasten om voortaan elke dag, dat zij de daarop volgende nacht moeten werken, aan de controleurs van de stedelijke belastingen schriftelijke opgave te doen van de tijd die ze denken nodig te hebben om die nacht te werken. Van deze kennisgeving zal hun door de controleurs schriftelijk bewijs ter hand worden gesteld. Dit zullen ze altijd bij zich moeten hebben om desverlangd aan de stedelijke ambtenaren te vertonen.

Verder worden de controleurs van de stedelijke belastingen aangeschreven om voor de stipte nakoming daarvan te waken en om gedurende de tijd dat de poort voor de nachtwerkers zal ontsloten zijn, door de commiezen bij de stedelijke middelen of door de klapperlieden nauwkeurig te doen toezien dat van deze gelegenheid geen gebruik tot frauduleuze invoer wordt gemaakt of dat de fraudeurs worden aangehouden.

De controleurs van de stedelijke belastingen stellen in oktober 1820 voor de commiezen bij die administratie een zekere toelage te verstrekken voor het aanschaffen van vuur en licht bij gelegenheid dat ze ‘s nachts moeten surveilleren gedurende de tijd dat voor de nachtwerkers de Bleekveldse poort ontsloten blijft. Het Stadsbestuur besluit de commiezen een toelage te verstrekken van ƒ 20 per jaar.

In december 1820 zijn er klachten over de commies bij de stedelijke belastingen Barends. Hij geeft zich telkens over aan het onmatige gebruik van sterke drank. Dit is de reden dat hij voor veertien dagen wordt geschorst.

Leenbank

Er komt in januari 1815 een aanschrijving van de districtscommissaris om ‘het product van de Bank van Lening van de stad in het vervolg aan de administratie van de Godshuizen, waarbij het door het Fransch bestuur gevoegd was, te ontzeggen en zoals voorheen tot die van de Stad terug te brengen, van welkers inkomsten derzelver opbrengst een gedeelte zal uitmaken’. Het Stadsbestuur geeft hiervan onmiddellijk kennis aan de administratie van de Godshuizen en aan de boekhouder van de Bank van Lening. De boekhouder krijgt opdracht vanaf nu uitsluitend verantwoording van zijn administratie te doen aan het Stadsbestuur.

Het Stadsbestuur besluit de Bank van Lening, ‘onder het Fransch bestuur zoo wetteloos en onrechtvaardig ontnomen en bij de Bienfaisance gevoegd, dadelijk van dezelve terug te nemen en de inkomsten daarvan ten voordele van de stad te doen verantwoorden’.
Er wordt een commissie uit de gemeenteraad gevormd ‘om de administratie van de bank behoorlijk te surveilleren en te zorgen dat het provenu maandelijks bij de stedelijke ontvanger W. van Citters wordt gestort’. In de commissie nemen zitting als ‘directeuren van de stadsleenbank’ de heren M. Slabber, C. van Kleinputte en L. de Fouw.

De kassier, ook wel genoemd de bankier, van de Stadsleenbank of de Stadslombaard, Pieter Engelse, legt een overzicht van de Bank van Lening bij het sluiten van de administratie over het jaar 1814 over. Daaruit blijkt dat het kapitaal ƒ 12.000 bedroeg en de jaarlijkse revenuen gerekend kunnen worden op ƒ 1.200 netto.

Het Stadsbestuur benoemt in januari 1816 opnieuw tot directeuren van de Leenbank de heren Slabber, Van Kleinputte en De Fouw. Dit vanwege de noodzaak dat daarin ten spoedigste wordt voorzien ‘teneinde deze belangrijke administratie weder onder behoorlijke directie worde gebracht’. In september 1816 verzoekt Van Kleijnputte ontslag als directeur van de Leenbank. In zijn plaats komt raadslid M.C. van Dorth.

Pieter Engelse, de boekhouder van de Stadsleenbank, verzoekt in april 1820 hem, evenals zijn voorgangers genoten, boven zijn gewone traktement toe te staan het genot van een last turf. Op advies van de directeuren van de leenbank besluit het Stadsbestuur dit ten laste van de leenbank toe te staan.

Fonds voor gekwetsten en weduwen en wezen krijgslieden veldtocht

In juli 1815 ontvangt het Stadsbestuur een schrijven van de Gouverneur om liefdadigheid te betonen tot ondersteuning van de gekwetsten en de weduwen en wezen van gesneuvelde krijgslieden tijdens de veldtocht tegen Napoleon. De predikanten van de godsdienstige gezindten wordt verzocht vanaf de preekstoel de gemeenten op te wekken tot liefdadigheid. Er wordt een fonds gevormd voor weduwen en wezen van gesneuvelde militairen. Uit de leden van de gemeenteraad worden de waarnemend burgemeester G. de Leeuw, G.J. van den Bosch, G. Blaauwbeen, A.F. Lammens, F. Stook, J.W. Hecking, W. van Citters, E.C.J. Engelbronner, P. Ossewaarde en J. de Kanter aangewezen om met een collectezak langs de huizen van de ingezetenen te gaan. De collecte brengt de aanzienlijke som op van ƒ 592.13. Daarnaast is ontvangen 30 pond pluksel, 350 pond scheurlinnen, 51 slaaplakens, 46 bruikbare en veelal nieuwe hemden, 2 hemdrokken, 3 slaapmutsen, een zak met windsels, 2 broekspelden, 2 zakjes gort en dergelijke.

In januari 1816 wordt er een Commissie voor het fonds voor verminkten en gesneuvelden tijdens de laatste veldtocht ingesteld. De leden van de commissie zijn G. Blaaubeen, president, E.C. d’ Engelbronner, W. van Citters en J.W. Hecking, leden, en J. de Kanter, secretaris. De commissie krijgt als taak het inzamelen van gelden voor en het bestuur van de fondsen ten behoeve van de verminkte en gesneuvelde krijgslieden. De gehouden collectie onder de ingezetenen brengt ƒ 33.12.- op.

Stads turfton

In april 1819 delibereert het Stadsbestuur over het begeven van de verhuur van stads turfton. Tot nu toe genoten J. Pilaar en wijlen J.C. Crucque deze verhuur. Besloten wordt het profijt van deze verhuur, waarvoor bij continuatie op de oude voet zal worden betaald, toe te voegen aan de stadsgriffie en deze door de griffiers te laten administreren en genieten. Al wat daarvoor nodig is zal voor 50% uit de boedel van de heer Crucque aan de heer Pilaar worden vergoed. Niet volledig, maar voor de helft, dit uit meedogen met de ongelukkige toestand waarin de weduwe Crucque zich bevindt door het overlijden van haar man.

De Gouverneur verzoekt in maart 1819 opgave van de kwantiteit verbruikte turf en steenkolen binnen de stad gedurende de jaren 1816, 1817 en 1818.

Inning poortgeld

In december 1820 overweegt het Stadsbestuur de noodzaak van het nemen van maatregelen om te zorgen dat de poorten, waardoor de invoer van aan impost onderhevige waren geschiedt, altijd bezet of gesloten zijn. Besloten wordt enkele bepalingen vast te stellen waarnaar de poortiers, de commiezen bij de stedelijke belastingen en de klapperlieden zich dienen te gedragen, op straffe van schorsing of ontslag. Deze bepalingen behelzen het volgende.

Artikel 1
De poortiers, des morgens de poorten openende, zullen deze niet mogen verlaten dan nadat de commies die tot de poort behoort, aldaar zal zijn aangekomen en zijn kantoor zal hebben betrokken. Daartoe zullen de commiezen moeten zorgen om op het uur, voor het openen der poorten bij het stedelijke reglement bepaald, ieder aan de poort, tot welke zijn bureau behoort, aanwezig te zijn.

Artikel 2
Daarentegen zullen de commiezen des avonds de poorten niet mogen verlaten, dan nadat deze door de poortiers zullen zijn gesloten en de poortier zijn huisje zal betrokken hebben.

Artikel 3
De poortiers zullen nauwkeurig toezien dat geen impost subjecte waren, zonder aangifte, worden ingevoerd en van hun bevinding rapport doen aan de controleur der stedelijke belasting.

Artikel 4
Iedere poortier zal de poort of poorten waarvoor hij aangesteld is, in persoon moeten openen en sluiten en de sleutels ieder voor zijn poort aan het huis van de voorzittende burgemeester afhalen en aldaar terugbrengen, zonder zulks voor elkander te mogen doen of door een ander te laten doen.
Ook zullen zij gedurende de tijd dat de poorten niet voor goed gesloten zijn, aldaar altoos in persoon moeten tegenwoordig zijn.

Artikel 5
De klapperlieden zullen, wanneer aan hun gedurende de tijd dat de poorten voor goed gesloten zijn, de sleutels der poorten worden toevertrouwd, niet vermogen enige aan de stedelijke belastingen onderhevige goederen te laten inbrengen of daarin enigszins behulpzaam te zijn. Overigens zullen ze verplicht zijn om iedere morgen na het eindigen der nachtwacht aan de majoor van de klapperwacht schriftelijk opgaaf te doen van de personen die zij hebben binnengelaten en hetgeen verder aan de poorten of binnen de stad is voorgevallen, welk rapport dagelijks door de majoor aan de president burgemeester zal worden overlegd. Na het eindigen van de nachtwacht zullen ze de sleutels van de poorten aan iedere poortier aan wie zij behoren in persoon moeten ter hand stellen.

Nieuwe maten en gewichten

Op de 30e december 1820 komt er bericht van Gedeputeerde Staten dat de arrondissementsijker L.M. de Kanter op de 3e januari zijn functie zal aanvaarden. Het Stadsbestuur wordt uitgenodigd een geschikt lokaal voor de uitoefening van zijn functie beschikbaar te stellen.
Bij de brief is tevens een Publicatie gevoegd over de introductie van de nieuwe gewichten en lengtematen met ingang van het jaar 1821. De Goessche Courant vermeldt hierover: ‘Heden wordt bij de uitgever dezes F. Kleeuwens uitgegeven en is ook bij de overige boekhandelaren alhier te bekomen: TABEL der PRIJZEN van het Nederlandsche gewigt naar evenredigheid van het Goessche pond en omgekeerd door de heer L.M. de Kanter, arrondissementijker. De prijs is drie stuivers’.