Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1821 - 1826)

Algemene toestand in de stad

De stad gaat deze jaren zwaar gebukt onder de naweeën van de grote haven-, sas- en inpolderingwerken. De ene tegenslag volgt op de andere. Zo blijkt de paalworm desastreuze gevolgen te hebben voor de nieuwe sluisdeuren en het paalwerk. De buitenhavendammen ondervinden ernstige beschadigingen. De financiële gevolgen van de haven- en saswerken zijn groot en het Stadsbestuur kan de nieuwe tegenslagen nauwelijks aan. De burgers zuchten onder de zware belastingen. De nieuwe haven brengt nog geen opleving van de economische bedrijvigheid. Initiatieven van de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel Maatschappij voor de handel met Indië zijn in Goes nog niet merkbaar. Wel wordt Goes een aanlegplaats toegekend voor de in 1823 gestarte stoombootdienst tussen Rotterdam en Antwerpen.
Niettemin zijn er ook wel nieuwe initiatieven. Het schoolwezen fleurt op door de nieuwe wezen- en armenschool. Op het gebied van de zorg voor armen en behoeftigen voorzien de instelling voor economische spijsuitdeling, het algemeen armbestuur, de diaconie en het armenwerkhuis in een grote behoefte. Helaas mislukt dit laatste initiatief. Op cultureel gebied zijn er verscheidene initiatieven wat betreft toneel en zangkunst. De Goessche Courant verschijnt. Ook is de stad eindelijk verlost van de jarenlange inkwartiering van garnizoen. De oude haven wordt afgedamd en droog gelegd. Ook de zogenaamde stenen beer in de vesten wordt gesloopt.
Maar ondanks dat alles heerst er armoede en neringloosheid in de stad. Op een bevolking van circa 4800 zielen wordt tien tot vijftien procent bedeeld. Er heerst een matte sfeer in de stad. In sommige jaren worden nauwelijks besluiten van betekenis genomen.
Zijne Majesteit Koning Willem I brengt in juni 1823 een bezoek aan de stad.


Bijzondere gebeurtenissen

Er heerst op de 3e, 4e en 5e februari 1825 een verschrikkelijke watervloed door een noordwestelijke storm met springtij in ons land. Vooral de provincies Overijssel, Groningen, Friesland en het gebied rondom de Zuiderzee zijn ernstig getroffen. Bijna vierhonderd mensen komen om.
Op uitnodiging van de Gouverneur besluit het Stadsbestuur een collecte te houden aan de huizen van de ingezetenen op de 23e februari ten behoeve van de ongelukkigen in het Rijk die door de verschrikkelijke watervloed geleden hebben. De collecte brengt het hoge bedrag van ƒ 1.463,53 op.

Initiatieven op economisch gebied

Het Stadsbestuur ontvangt in januari 1824 van de heer J. Fransen van de Putte een kennisgeving van zijn voornemen om als openbaar commissionaris voor de stad en het eiland zich met onderscheidene handelscommissies te belasten. Hij beveelt zich daartoe in de gunst van de vergadering aan.