Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1821 - 1826)

Bakkers
In februari 1825 krijgt Willem Geluk vergunning om in zijn woonhuis in wijk A nummer 103 een koekbakkersoven te plaatsen en een andere oven af te breken.

In april 1826 komt er een richtlijn van Gedeputeerde Staten over de broodzetting. Het Stadsbestuur besluit dat de broodsoorten die tot het voornaamste en dagelijkse voedsel van de ingezetenen dienen, en daarom aan de zetting behoren onderworpen te blijven, bestaan uit gebuild tarwebrood; ongebuild tarwebrood; roggebrood en masteluin brood half tarwe en half rogge. Het masteluin brood wordt echter niet zo algemeen binnen de stad gebruikt en is wel zodanig bij de bakkers verkrijgbaar dat men dit als gewoon dagelijks voedsel kan beschouwen.

Gedeputeerde Staten verzoeken in juni 1826 om informatie in hoever het als gewoon voedsel gebruikte tarwebrood gebakken wordt uit zuiver tarwemeel zoals dat van de molen komt en of daarvan de grofste zemelen worden afgezonderd. Het Stadsbestuur geeft daarop de volgende informatie. Het tarwebrood dat als gewoon dagelijks voedsel voor de ingezetenen wordt gebakken bestaat uit zuiver tarwemeel zoals het van de molen komt zonder dat daarvan de grofste zemelen worden afgezonderd. En, als deze of gene bakker tarwebrood van betere of fijnere kwaliteit bakt, wordt dat niet van zodanig belang geacht om aan de broodzetting te onderwerpen.

Beurtveren
Beurtveren algemeen
Het Stadsbestuur besluit in februari 1826 de binnenhavenmeester aan te schrijven om de legplaatsen van de beurtschippers op te geven en te zorgen dat deze op hun veer- of legplaatsen lossen en laden zonder voor hun lossing of na hun inlading op een andere plaats aan te leggen.

Beurtveer op Amsterdam, Haarlem en Zaandam
In februari 1825 neemt Adriaan de Beste ontslag als beurtschipper op Amsterdam, Haarlem en Zaandam. In zijn plaats wordt zijn zoon Adriaan aangesteld. Hij wordt ook toegelaten als beurtschipper op Gouda. Het is namelijk gebleken dat indertijd aan de beide Amsterdamse beurtschippers (De Beste en Catsman) ook toelating als beurtschipper op Gouda verleend is geworden.

Beurtveer op Bergen op Zoom
Het Stadsbestuur van Bergen op Zoom geeft in oktober 1824 kennis dat de beurtschipper Marinus Fouw wegens slecht gedrag is ontslagen. Tot nieuwe beurtschipper is aangesteld Pieter Fouw. Tevens geeft Bergen op Zoom in overweging een tweede beurtschipper aan te stellen. Goes besluit echter het veer slechts door één beurtschipper te laten bedienen. Deze zal beurtelings door de wederzijdse steden worden benoemd. Een tweede schipper is geheel onnodig en zou strekken ‘tot bederf van het veer’.

Beurtveer op Dordrecht
In januari 1826 verzoekt de beurtschipper van Dordrecht op Goes vice versa, Pieter Schouman, om vermindering van het schutgeld door de havensluis ‘op grond van het verval van dat veer’. Tevens verzoekt hij de derde veerbeurt op Rotterdam te mogen waarnemen.
Het Stadsbestuur overweegt dat de schutgelden bij een vast reglement zijn vastgesteld en dat door de besturen van Rotterdam en deze stad indertijd is besloten om voorlopig de derde veerbeurt op Rotterdam niet te vervullen. Besloten wordt dan ook dit verzoek af te wijzen.

Beurtveer op Rotterdam
In oktober 1821 overlijdt de beurtschipper op Rotterdam Abraham Biersteker. Volgens het Reglement op het beurtveer tussen Rotterdam en Goes moet de vervulling van de vacature door het Stadsbestuur van Rotterdam geschieden. Rotterdam stelt in deze functie aan Matthijs Hendrik de Heer, die het veer vice versa zal bedienen.
De nieuwe Rotterdamse beurtschipper De Heer vertoont zijn akte van aanstelling. Het schijnt echter dat zijn beurtschip zeer ongeschikt is om de Zeeuwse stromen te bevaren. Het Stadsbestuur verzoekt Rotterdam het schip grondig te laten inspecteren. Deze inspectie leidt tot enige veranderingen aan het schip, waarna het volkomen geschikt wordt beoordeeld.

In juni 1822 overlijdt ook de beurtschipper op Rotterdam Janus Reijnhout. Voorlopig zal het veer door de knecht van de weduwe worden waargenomen. De weduwe Reijnhout verzoekt dit te laten duren totdat haar schip verkocht is ofwel bepalingen te maken dat de nieuwe beurtschipper haar schip overneemt. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek af en stelt Pieter Boer aan als nieuwe beurtman.

De controleur van de stedelijke belastingen rapporteert in maart 1823 dat daags tevoren uit het Rotterdammer beurtschip een hoeveelheid van tachtig stuks hammen zonder betaling van belasting zijn vervoerd door de stedelijke arbeiders Caduy, Kramer, Meijbergen en Kronenburg en geborgen in het huis van de rijksontvanger Tak. Dit is in strijd met de Ordonnantie op de stedelijke belastingen. Het Stadsbestuur besluit ’s rijks commiezen te verzoeken niet te handelen in strijd met de bepalingen van de stedelijke reglementen van belastingen.

In oktober 1823 verzoeken de beurtschippers van Rotterdam en Goes de stadsbesturen van beide steden om de vrachtlonen te verhogen. Beide steden besluiten echter dat in dit verzoek niet kan worden getreden ‘ofschoon het lot der beurtschippers zeer ter harte nemende’.
Op de 16e oktober echter wordt de Rotterdamse beurtschipper Van den Acker gevangen genomen op verdenking van dieverij en het misbruiken van het in hem in deze functie gestelde vertrouwen. De commissaris van de veren wordt gelast om het Rotterdamse beurtveer door de twee overige beurtschippers te laten bedienen hangende het onderzoek in deze zaak. Deurwaarder Courlois legt beslag op het schip van beurtman Van den Acker op verzoek van de Goese winkelier J.J. Neteson.

Burgemeester en wethouders van Rotterdam geven het Stadsbestuur in november 1824 kennis van het volgende. De beide in het beurtveer tussen Rotterdam en Goes varende beurtschippers, De Heer en Boer, hebben verzocht, in verband met het criminele vonnis tegen de derde beurtman Van den Akker en omdat het veer voor drie schippers geen voldoende bestaan oplevert, het veer met hun beiden te mogen bedienen. Beide beurtschippers doen het Stadsbestuur van Goes eenzelfde verzoek. Ze bieden aan jaarlijks aan sasgeld te zullen betalen zestig gulden. Ook is er een verzoek van de vrouw van Van den Akker of een van haar zoons in de plaats van haar man het veer mag bedienen.
Het Stadsbestuur gaat akkoord met de vermindering van het veer tot twee beurtschippers, de ene te benoemen door Rotterdam en de andere door Goes.

In januari 1825 komt er bericht van het Stadsbestuur van Rotterdam dat het veer tussen beide steden voorlopig zal worden bediend door de twee thans daarin varende schippers De Heer en Boer. Dit voor zolang de belangen van de handel en het gerief van de ingezetenen dit zullen gedogen. Maar wanneer de dienst van een derde beurtman zal worden vereist zal in gemeenschappelijk overleg ingevolge het Reglement op het veer worden overgegaan tot de aanstelling van een derde beurtschipper. Maar vooralsnog vinden ze het niet noodzakelijk om ingevolge het voorstel van Goes over te gaan tot het vaststellen van een nieuw reglement en tarief voor het veer. Het Stadsbestuur stemt in met het besluit van Rotterdam.

Beurtveer op Zierikzee
In mei 1824 overlijdt de beurtschipper op Zierikzee Jacobus Benjaminse. Tot nieuwe beurtman wordt aangesteld Jan Dalebout. Deze verzoekt in het genot te mogen worden gesteld van de bepaling van het Stadsbestuur van de 9e september 1820 waarbij aan de beurtschipper op en van Zierikzee is toegestaan om tegen betaling van vijf gulden per maand de vrije doorvaart te hebben door de schutsluis aan de mond van de haven van de stad. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.
Bepaald wordt dat Dalebout tegen een maandelijkse betaling van tien gulden de havensluis van Goes vrijelijk zal kunnen doorvaren.

Het Stadsbestuur van Zierikzee laat weten dat ze akkoord gaat met de aanstelling van Jan Dalebout als beurtschipper van Goes op Zierikzee vice versa, dit behoudens het wederkerig recht tot het benoemen van een beurtschipper. In aanmerking nemend dat dit beurtveer van te weinig belang is om aan twee beurtschippers een bestaan te verschaffen, besluit het Stadsbestuur aan Zierikzee het veer door één beurtman te laten bedienen en de aanstelling om de beurt te doen. Door de aanstelling van Dalebout is de eerste beurt door Goes vervuld.

Graanhandel

In november 1823 overweegt het Stadsbestuur de noodzaak om, bij het gebruik van de nieuwe inhoudsmaten, het loon van de beëdigde stadskorenmeters alsook het werkloon van de stedelijke arbeiders bij het verwerken van granen daarmee in verband te brengen. Bepaald wordt dat de beëdigde stadskorenmeters hun metingen van de granen voortaan zullen doen met ‘de halve Nederlandse Mudde’ en voor meetloon zullen genieten één cent per Nederlandse Mudde.
Het loon van de stedelijke arbeiders voor het verwerken van granen zal voortaan eveneens bij de Nederlandse Mudde worden berekend en zal bedragen:

  • voor het verwerken van een mudde graan uit de schepen op de wagen 2 cent;
  • voor een mudde van huizen of pakhuizen naar het beurtschip of uit het schip naar huizen of pakhuizen gebracht wordende, binnen de brug gelijkvloers en van of op de eerste zolder 4½ cent, op de tweede zolder 5½ cent, op de derde zolder 6 cent, tussen de twee poorten 6 cent;
  • voor een mudde van de wagen gelijkvloers of op de eerste zolder te werken 1½ cent, op de tweede zolder 2 cent, op de derde zolder 3 cent;
  • voor een mudde van de Markt te huis brengende 6 cent.

Kaarsenmakerijen
In deze jaren vinden we slechts een enkele vermelding van de eertijds bloeiende kaarsenmakerijen in de stad. In oktober 1822 krijgt Govert Buijze vergunning om aan zijn woonhuis in de Nieuwstraat in wijk B nummer 186 een kaarsenmakerij en een daarmee verbonden vetsmelterij op te richten.

Koffiehuizen, herbergen en kroegen
De enige vermelding over koffiehuizen, herbergen en kroegen in deze periode is van de 23e november 1822. Dan krijgt de koffiehuishoudster, de weduwe Scheele, vergunning om ‘de helft van een vette koe te laten verloten’.

Kolenhandel
Jacobus Wulfaert, Jacobus Reijnhout, J. Fansen van de Putte, A. Smallegange en De Jongh & Pilaar, kooplieden binnen de stad aan wie patent is verleend, dienen in januari 1823 een verzoek in om bij een eventuele vernieuwing van de Ordonnantie van de belasting op de kolen te bepalen dat de kooplieden in kolen afschrijving zal worden verleend van de uitvoer naar buiten of van de uitslag aan alle zodanige administraties als van deze belasting zijn of mochten worden vrijgesteld. Dit verzoek wordt aangehouden om bij een eventuele herziening van de Ordonnantie nader in overweging te nemen. Maar ondertussen wordt aan deze kooplieden  afschrijving van stedelijke belastingen verleend voor alle kolen die door hen aan en voor gebruik van de godshuizen en het armbestuur worden geleverd. Ook geldt dit voor alle hoeveelheden van vijfhonderd Nederlandse ponden en daar boven, die door hen naar buiten Goes worden uitgeslagen.

De Ontvanger van de stedelijke belastingen stelt in september 1825 voor om maatregelen te nemen om de koopman in kolen, J. Fransen van de Putte, te verplichten tot een meer geregelde afrekening van zijn verschuldigde belasting. Het Stadsbestuur besluit echter thans geen bijzondere maatregelen te nemen, aangezien de bezwaren van de Ontvanger voorkomen kunnen worden.

Markten
Botermarkt
In oktober 1821 blijkt het noodzakelijk om bepalingen te maken voor de verkoop van boter op de marktdagen. Met geen ander dan Nederlands gewicht mag de boter te koop worden aangeboden en verkocht. Bepaald wordt dat de stukjes boter, die op de botermarkt of elders binnen de stad te koop worden aangeboden, geveild of verkocht, het gewicht ‘van een Nederlandsch Pond, vijf Nederlandsche Oncen of 25 Nederlandsche Looden’ moeten houden. Ook mogen geen stukken van een ander dan het opgegeven gewicht worden aangeboden, geveild of verkocht. Dit op straffe van verbeurte van de boter ten behoeve van de godshuizen binnen de stad.

Grote Markt
De marktmeester overlegt in januari 1825 een staat van het ontvangen recht voor de tafeltjes, die van september tot en met december 1824 op de Grote Markt zijn geplaatst. Het hiervoor ontvangen bedrag ad ƒ 97,26 wordt bij de stedelijke ontvanger overgestort.

Jaarmarkt

Met het oog op de te houden jaarmarkt in augustus 1821 besluit het Stadsbestuur dat deze zal beginnen op zaterdag 18 augustus en eindigen op 2 september. Mejuffrouw A.C. Ottingh, toneeldirectrice te Amsterdam, verzoekt om gedurende de jaarmarkt binnen de stad enige toneeluitvoeringen te mogen geven. Naar aanleiding van het gunstige advies van de directeuren van de Sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ besluit het Stadsbestuur positief op het verzoek.

Ook gedurende de jaarmarkten in augustus 1823, 1824 en 1826 krijgt toneeldirectrice Ottingh toestemming om gedurende de kermis enige toneeluitvoeringen te geven. Voorwaarde is wel dat ze zich naar de bepalingen van ’s rijkswetten op het patent en de stedelijke reglementen op het geven van toneelvertoningen dient te houden. Ook een zekere P. Verplanke krijgt in augustus 1826 verlof om gedurende de aanstaande kermis enige vertoningen en uitvoeringen met marionetten te geven.

Op de jaarmarkt worden circa 125 bedekte kramen en 46 open kramen verhuurd.

Meekrapnering
In deze jaren zijn er nog twee meekrapstoven in Goes, namelijk ‘de Zon’ en ‘de Liefde’, terwijl de meestoof ‘Zeeland’ in de Wilhelminapolder in werking is.

In juli 1821 legt het Stadsbestuur Gedeputeerde Staten een voordracht van zes personen voor, die bekwaam zijn en de nodige vereisten bezitten om als keurmeesters van de meekrap werkzaam te zijn. Benoemd worden de heren H.J. van ’t Hof, K. Rembges en W. de Fouw. Ook in volgende jaren fungeren ze als keurmeesters, zij het dat voor de teelt van 1826/1827 G. Klap de plaats inneemt van W. de Fouw.

De geïnteresseerden in de meestoven ‘de Liefde’ en ‘de Zon’ doen in augustus 1821 opgave aan het Stadsbestuur van de door hen aangestelde werklieden. Deze worden staande de raadsvergadering beëdigd. In de meestoof ‘de Liefde’ zijn aangesteld tot droger Cornelis Goudswaard, tot stamper David Goedegebuure, tot onderman Leendert Breda en tot drijver Hubrecht Schrijver. In de meestoof ‘de Zon’  zijn aangesteld tot droger Johannes van den Boogaard, tot stamper Leendert Douw, tot onderman Pieter Verhagen en tot drijver Marinus van Oosten.
In 1825 worden beëdigd als drogers Hendrik Berkus en Johannes van den Boomgaard, als stampers Leendert Douw en David Goedegebuure, als ondermannen Cornelis Moeleker en Jan van den Boomgaard en als drijvers Hubrecht Schrijver en Abraham Tavenier.

In september 1822 wordt voor drie jaren ‘het verstampen van mullen’ toegestaan. De inhoud wordt gebracht ter kennis van de keurmeesters van de meekrap.

Uit de opgave van de meekrapteelt blijkt dat in de meestoof ‘de Zon’ in 1819 76 vaten, in 1820 63 vaten en in 1821 92 vaten meekrap zijn bereid. In de meestoof ‘de Liefde’ zijn in 1819 92 vaten, in 1820 73 vaten en in 1821 100 vaten bereid.
In mei 1823 verzoekt de heer I.G.J. van den Bosch om in het vervolg de turfschepen, bestemd voor de meestoof ‘Zeeland’ in de Wilhelminapolder, te mogen laten lossen voor deze stoof. Hij verbindt zich om alle schade, die daardoor mocht worden veroorzaakt, te herstellen en geen belemmering hoegenaamd aan de scheepvaart toe te brengen. Het verzoek wordt ingewilligd.

Gedeputeerde Staten verzoeken in september 1824 op te geven hoe het komt dat de gewichten uit de meestoven niet aan de herijk zijn onderworpen. Het Stadsbestuur deelt hen mee dat de eigenaren van de meestoven van oordeel zijn dat ze tot deze herijk niet verplicht zijn ‘omdat hun gewichten niet in de handel gebezigd worden’.

In maart 1825 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van de Gouverneur met kennisgeving van ingekomen klachten tegen de keurmeesters van de meede in onderscheidene provincies van het rijk wegens nalatigheid in de waarneming van hun bedrijf. Deze nalatigheid is zelfs zodanig dat ze de ijzers voor het branden van de vaten, in plaats van die onder zeil te houden, in de meestoven laten liggen. De Gouverneur wordt meegedeeld dat de keurmeesters van de Goese meestoven tot nu toe hun functies met de meeste zorg en oplettendheid hebben uitgeoefend en de brandijzers in een besloten kist bewaard worden.

Er komt in oktober 1825 een aanschrijving van de Gouverneur met verzoek publiciteit te geven aan Zijne Majesteits besluit van de 12e september over het verstampen van mullen en in het bijzonder de keurmeesters van de meekrap daarvan te onderrichten.
Van oktober 1826 is er een brief van de districtscommissaris met het verzoek om een daarbij gevoegd extractverbaal van Gedeputeerde Staten over de vrijdom van het tolrecht van de groene meede aan de pachter van de tolpaal nummer 5 uit te reiken.

Molens
Algemeen
Het Stadsbestuur besluit in mei 1821 dat geen korenmolenaar binnen de gemeente zal mogen malen vóór de opgang en nà de ondergang van de zon dan na het bekomen van een schriftelijk consent van de controleur van de stedelijke belastingen.

Henderik Orgest Muller, molenmaker binnen Goes, geeft in december 1821 te kennen dat hij binnen de stad heeft aangevoerd drie stukken rondhout. Deze zijn bestemd om te worden gebruikt tot herstel van de korenmolen van Veere. De reparatie van deze molen heeft hij aangenomen. Hij verlangt dit hout in de stad te mogen bewerken en daarna naar Veere te laten transporteren zonder aan enige stedelijke belasting op de bouwmaterialen onderworpen te zijn. Dit wordt hem voor deze keer toegestaan zonder consequenties voor volgende keren.

Windkorenmolens
In september 1822 verzoekt de korenmolenaar Pieter Remijn hem in eigendom of op erfpacht af te staan ‘den ouden Molenberg, gelegen aan de noordzijde van de stadswal, waarop voorheen een windkorenmolen heeft gestaan’. Hij wil daarop een nieuwe stenen windkorenmolen laten bouwen. Deze wil hij gaan gebruiken in de plaats van de daartoe mede ingerichte pelmolen ‘de Grenadier’ op het Ravelijn de Grenadier. Deze pelmolen heeft hij verkocht aan de heer Van der Burcht van Lichtenberg. Dit onder voorbehoud dat de koper het molenwerk voor het malen en breken van tarwe, rogge en beestenvoeder in de pelmolen nimmer voor dat doel zal mogen gebruiken. Remijn verklaart zich bereid om over de koopsom of erfpacht met het Stadsbestuur in overleg te treden.
Het Stadsbestuur beraadslaagt bij herhaling over het verzoek van Pieter Remijn. Uiteindelijk wordt besloten hem op erfpacht uit te geven een lapje grond aan de noordzijde van de stadswal, tussen de Kaai en de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, genaamd ‘den Ouden Molenberg’. Remijn krijgt in oktober 1822 toestemming voor het stichten van een nieuwe stenen windkorenmolen op ‘den ouden Molenberg’.

Ook is er in september 1822 een verzoek van Adriaan Remijn, eveneens korenmolenaar binnen de stad, en eigenaar van de korenmolen ‘de Koornbloem’ en de daarnaast gelegen roskorenmolen. Hij verzoekt toestemming voor het afbreken van de rosmolen met het ongedaan maken van de daarop staande erfpacht van ƒ 78 per jaar. Maar enkele weken later vraagt Remijn de burgemeester dit verzoek als niet ingediend te beschouwen.
Zijne Majesteit de Koning keurt in februari 1823 het raadsbesluit tot uitgifte van deze grond tegen een erfpacht van dertig gulden per jaar goed.

De Gouverneur schrijft in februari 1824 het Stadsbestuur aan met het verzoek de vereiste maatregelen te nemen dat de korenmolenaars in de gemeente, onverminderd het aanhouden van de ingevolge artikel 20 van de Wet van 21 augustus 1822 vereiste schalen en gewichten, tevens aanschaffen en op hun molens voorhanden houden de nieuwe maten, in elk geval één Schepel en één Kop. Het Stadsbestuur besluit de korenmolenaars aan te schrijven met de kennisgeving dat binnen veertien dagen namens het Stadsbestuur zal worden onderzocht of aan deze aanschrijving is voldaan.

Op zijn verzoek in februari 1825 krijgt de Gouverneur bericht dat, om de molenaars een redelijk bestaan te verschaffen, het maalloon behoort te worden bepaald op 50 cent voor de tarwe, op 40 cent voor de rogge en gerst en op 40 cent voor het beestenvoer de mudde.

De korenmolenaars binnen de stad, Pieter van Arenthals en de weduwe Remijn, verzoeken de Gouverneur in juli 1825 dat het maalloon in Goes met dat van de steden Sluis, Axel en dergelijke gelijk wordt gesteld. Desgevraagd om advies geeft het Stadsbestuur de Gouverneur in overweging om het maalloon per mudde voor de stad Goes te stellen op 50 cent voor de tarwe, op 40 cent voor de rogge en gerst en op 30 cent voor mesting of beestenvoer. In maart 1826 verklaren Gedeputeerde Staten dat er geen aanleiding is om ten behoeve van de beide korenmolenaars enige verhoging van maalloon toe te staan.

In december 1825 verzoekt de weduwe van Adriaan Remijn, Catharina Remijn, moederlijke voogdes van zijn nagelaten minderjarige kinderen, eigenaren van de roskorenmolen staande naast hun windkorenmolen ‘de Korenbloem’, om vernietiging van de cijns waarmee de roskorenmolen is belast voor ƒ 78 per jaar en voor het afbreken van de roskorenmolen. Deze is sinds het jaar 1817 volstrekt niet meer in gebruik. Niettemin is deze voor de instandhouding aan gedurig onderhoud onderworpen. Wanneer het Stadsbestuur de roskorenmolen echter wil behouden, dan verzoeken ze de daarop staande belasting aanzienlijk te verminderen. In dat geval zullen zij verder voor de instandhouding zorgen.
Het Stadsbestuur overweegt ‘dat door de aanbouw van een tweede windkorenmolen de roskorenmolen wel minder noodzakelijk kan geacht worden, doch desselfs instandhouding daarentegen, vooral bij aanhoudende stilte, van groot nut kan zijn, zonder dat, volgens de offerte van de verzoekster, de stad daartoe behoeft bij te dragen’.
Besloten wordt de weduwe Remijn en verdere eigenaren van de roskorenmolen met ingang van 1826 en vervolgens zo lang die molen niet opnieuw in gedurige werking zal worden gesteld, te ontheffen van de stedelijke belasting van ƒ 78 ten behoeve van de stad. Voorwaarde is dat de roskorenmolen in stand wordt gelaten tot genoegen van het Stadsbestuur om daarvan ten allen tijde gebruik te kunnen maken.

Gedeputeerde Staten zijn het niet met dit besluit eens. Ze geven in overweging of deze molen niet wellicht als een middel tot fraude nu of in de tijd kan worden gebezigd en het daarom van belang kan zijn deze af te breken.
Het Stadsbestuur overweegt dat deze rosmolen voornamelijk is opgericht om het gemis van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade, die door de afsluiting van de haven is vervallen, te vergoeden en de ingezetenen bij een aanhoudend gebrek aan wind te gerieven. Het schijnt het Stadsbestuur dan ook toe om deze molen te behouden.
Gedeputeerde Staten wordt het verlangen van het Stadsbestuur te kennen gegeven om de rosmolen te behouden en vermindering van stedelijke belasting te verlenen, onder voorwaarde dat de molen gedurende de tijd dat deze niet zal worden gebruikt van stadswege zodanig te verzegelen als nodig zal worden geoordeeld om het gebruik van die molen te beletten. Gedeputeerde Staten geven daarop goedkeuring onder de speciale voorwaarde dat de molen met het stadswapen wordt verzegeld en daardoor het ongeoorloofd gebruik van de molen wordt belet.

In december 1826 verzoekt de Ontvanger der registratie binnen de stad om enige inlichtingen over de huurwaarde van de nieuwe korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ op het bastion van de noordwal van Dingenis Remijn. Het Stadsbestuur antwoordt dat deze molen voor de grondbelasting op een huurwaarde van honderd gulden is aangeslagen.

Boekweit- of grutmolens
Boudewijn Allemekinders verzoekt in januari 1823 om in zijn gebouw in wijk B nummer 110 een grutmolen te mogen stichten. Het Stadsbestuur betrekt hierbij het rapport van de brandmeesters. Ook neemt men in overweging het ingediende bezwaarschrift van de omwonenden Adrianus en Pieter de Jongh en de weduwe Hubrechtse tegen het stichten van deze grutterij in dat gebouw. Ze vrezen namelijk gevaar voor hun woningen en belendende gebouwen.
Gedeputeerde Staten wordt advies gevraagd of het Stadsbestuur het verzoek wel kan beletten vanwege de aangedragen bezwaren.
Daarop antwoordt de Gouverneur dat, als Allemekinders verlangt binnen de stad een grut- of boekweitmolen op te richten, hij als grut- en boekweitmaalder is toegelaten en de vuurplaats in zijn molen volgens de stedelijke brandordonnantie is goedgekeurd, er dan tegen de voorgenomen oprichting geen bezwaar kan worden gemaakt.
Het Stadsbestuur besluit daarop in februari 1823 Allemekinderen het maken van de aangewezen vuurplaatsen voor zijn in het gebouw te stichten grut- of boekweitmolen toe te staan. De heren A. en P. de Jongh c.s. maken bezwaar tegen de stichting van de molen. Hen wordt te kennen gegeven dat het stichten van deze molen, gelet op de beschikking van de Gouverneur, niet kan worden belet.

In oktober 1824 verzoeken Cornelis Harinck en Willem Felix Verberkmoes vergunning voor het oprichten van een handboekweitmolen en het doen plaatsen van een droogeest in het woonhuis wijk B nummer 210. De bewoners van de huizen naast dit pand, mr. Van der Bilt en de weduwe Cornelis van Kogelenberg, zijn hierover gehoord en verklaarden geen bezwaar te hebben. Ook de brandmeesters zien, na inspectie, geen aanleiding om het plaatsen van het vuurwerk niet toe te staan. Het Stadsbestuur besluit dan ook het verzoek  toe te staan, mits het plaatsen van de eest geschiedt onder toezicht van de stadsfabriek.

Jacob van der Moelen, arbeider en wonend te Goes, verzoekt in december 1824 om de nog lopende pacht voor de op 21 september 1821 gepachte 1405 ellen stadsgrond, gelegen achter de boekweitmolen van de heer Nortier, te mogen overgeven aan Aarnout Loots, eveneens arbeider te Goes. Hiermee wordt akkoord gegaan.
In april 1826 krijgt J. Clement op zijn verzoek toestemming voor het veranderen van een stookplaats in zijn boekweitmolen.

Chocolademolen
In oktober 1822 ontvangt het Stadsbestuur een verzoekschrift van molenaar Pieter Remijn en de heer Willem Frederik van der Burcht van Lichtenberg. Ze geven te kennen dat Van Lichtenberg van Remijn heeft gekocht diens pel- en chocolademolen ‘de Grenadier’ op het Ravelijn de Grenadier. Dit onder de bepaling dat het daarin aanwezige molenwerk voor het malen en breken van tarwe, rogge en beestenvoer aan Remijn zal toevallen en door hem zal moeten worden weggenomen en dat Van Lichtenberg nimmer in de verkochte molen of op enige van de verkochte gebouwen of erven enig molenwerk zal mogen maken of stichten.
Ze verzoeken dat, indien het verzoek van Remijn voor het stichten van een nieuwe korenmolen op de door hem aangewezen plaats (op de oude Moolberg) mocht worden ingewilligd, alsdan de op de chocolade-, pel- en daarmee verbonden korenmolen ‘de Grenadier’ ten behoeve van de stad gevestigde cijns of erfpacht wordt verdeeld. De verdeling dient zodanig te zijn dat op de pel- en chocolademolen een bedrag van ƒ 80 blijft gevestigd en de overige ƒ 150 op de door Pieter Remijn nieuw te stichten windkorenmolen wordt overgebracht.
Het Stadsbestuur besluit Pieter Remijn het stichten van een nieuwe stenen korenmolen op ‘de oude molenberg’ toe te staan. Verder wordt bepaald dat vanaf de dag dat de nieuw te stichten molen zal beginnen te malen en koren te breken, de thans op de molen ‘de Grenadier’ staande cijns of erfpacht zal worden verdeeld zoals hiervoor aangegeven.

In januari 1824 krijgt de heer Willem Frederik van der Burcht van Lichtenberg vergunning om ten behoeve van zijn chocoladefabriek een stookplaats te laten bouwen. Van der Burcht van Lichtenberg is eigenaar van een woonhuisje aan de Oprel van de wal bij de Koepoort in wijk A nummer 60. Op zijn verzoek krijgt hij toestemming om dat gebouw vanwege de bouwvalligheid af te breken. Maar kort daarop verzoekt hij dit besluit in te trekken. Door veranderde plannen voelt hij zich verplicht dat gebouw te behouden en te renoveren.

Houtzaagmolen
De houtzaagmolenaar Marinus Harinck krijgt in mei 1822 op zijn verzoek toestemming voor het erfpachten van een stukje land van de stad van ongeveer 41 roeden en 90 ellen, beginnende aan de westzijde van het sluisje buiten de hoofdpoort en strekkende westop langs de dijk binnen welke de houtzaagmolen is bepaald, tot tegen de stadsgrond achter de erve van de boekweitmolen van de heer Nortier.

Oliemolens
In februari 1822 dient de heer J. Kakebeeke namens de erven van wijlen de heer Gerardus Peman een verzoek in. Hij betoogt dat aan de erven toekomt een oliemolen, staande aan de oostzijde van de stadshaven, genaamd ‘de Dubbelde Olymolen den Arend’. Op 9 december 1780 is bepaald dat enige aan deze molen hinderende bomen van de stad zouden worden gerooid tegen betaling van ƒ 24,90 per jaar. Hoewel dit bedrag per 1794 expireerde, zijn de eigenaren ongedacht voortgegaan met betaling daarvan. De eigenaren willen van terugvordering afzien, mits elke beplanting van opgaande bomen binnen een bepaalde afstand wordt nagelaten.
Het Stadsbestuur besluit de eigenaren vrij te stellen van betaling ingaande 1822 en de molen hetzelfde voorrecht te geven als andere molens. Alle nieuwe beplantingen van opgaande bomen zullen van stadswege worden nagelaten binnen een afstand van de molen tot aan de singel buiten de Oostpoort en noord op tot aan het Noordeinde van de tuin van de heren Tilburgh en Slabber & comp.

Scheepswerf
De wagenmakers Adam en Pieter Meijler en de scheepstimmerman Johannes Welle verzoeken in februari 1823 dat, indien het door hen aan wagens, vaartuigen en dergelijke verwerkte hout niet geheel van de stedelijke belasting op de bouwmaterialen kan worden vrijgesteld, hen dan afschrijving te verlenen voor wat naar buiten wordt uitgevoerd.

Smeden
Van de in de stad gevestigde smeden zijn over deze jaren weinig bijzonderheden te vermelden.
Het Stadsbestuur verleent in oktober 1823 aan de horlogemaker Ferdinand Marty de verloting van een doos met speelwerk ter waarde van ƒ 45. In november wordt de horlogemaker het verloten van een gouden horloge ter waarde van ƒ 60 toegestaan.
In maart 1825 geeft G. van de Velde kennis van zijn voornemen om zich als werkman in zilver in de Papegaaystraat in wijk C nummer 81 te vestigen.

Stijfselmakerijen
In september 1823 nodigen Gedeputeerde Staten de gemeentebesturen uit om een reglement op te stellen voor de stijfselfabrieken. Uit de reacties van het Stadsbestuur blijkt dat er thans geen stijfselmakerijen in de stad bestaan.

Tabaknering
Er is deze jaren een niet onaanzienlijke tabaknering in de stad.
In januari 1823 maken de tabakhandelaren bezwaar tegen de onlangs ingevoerde belasting op de tabak. Het Stadsbestuur stelt Gedeputeerde Staten voor de belasting op de tabak door enkele maatregelen te verzachten ‘teneinde de niet onaanzienlijke tabaknering binnen de stad niet te sterk te benadelen en om de frauduleuze invoer meer te kunnen beletten’.

De ‘lijst van aanpeil van de tabak’ wordt in maart 1823 gecompleteerd en verzonden aan de Ontvanger der stedelijke belastingen om de invordering van de belasting overeenkomstig deze lijst te doen. De controleur krijgt instructie hoe te handelen als de uitvoer niet overeenkomstig de instructie plaats vindt.

De voormalige ‘entreposeur’ (de beheerder van het douane-entrepot) van de tabak, de heer W. van Citters, biedt in mei 1823 aan om enige gewichten, die in de stadswaag in gebruik zijn maar hem toebehoren, over te doen voor ƒ 63. Het Stadsbestuur is van oordeel dat deze gewichten in de waag zeer noodzakelijk zijn en niet gemist kunnen worden. Gedeputeerde Staten wordt gevraagd akkoord te gaan met de betaling van het gevraagde bedrag uit de post voor onvoorziene uitgaven van 1823.

In november 1824 verzoekt Cornelis Pieter Soetebier om binnen de stad een tabakfabriek en tabakwinkel te mogen oprichten in het huis van zijn vader aan de Grote Markt in wijk D nummer 269 en de aanbelendende huisjes in wijk D nummers 216 en 217. De bewoners van de naastliggende huizen verklaren zich daar tegen niet te verzetten. Hij krijgt hiervoor vergunning. Soetebier vraagt daarop als gepatenteerd winkelier en tabakfabrikant toestemming voor het plaatsen van een voor de fabriek benodigde eest. Hij krijgt ook hiervoor toestemming.

De burgemeester legt in januari 1826 een transactie over, aangegaan met Jan Oudeman,  wegens invoer van tabak zonder biljet, alsook een nota van de deurwaarder Courlois van de opbrengst van deze aangeslagen tabak en van zijn kosten.

Vleeshouwers

De controleur van de stedelijke belastingen moet deze jaren nogal eens optreden wegens gepleegde fraude tegen vleeshouwers in de stad. Zo wordt er in november 1821 een proces-verbaal opgemaakt tegen de vleeshouwer Pieter Zegers wegens fraude van vijf kalveren. In december betreft het frauduleuze invoer van vlees door Ary Bruggeman, Jacobus Pals en Adrianus en Cornelis Schrijver.
In juni 1822 meldt hij ongerechtigheden of onvolkomenheden bij de vleeshouwers J. Bakker en Engel Slover en in oktober 1823 fraude met vlees door Marinus Vermeulen.
De commiezen te voet bij de administratie van de directe belastingen te Kruiningen sturen in juli 1824 een proces-verbaal tegen de slachter Marinus Schrijver. Ook wordt proces-verbaal opgemaakt tegen frauduleuze aangifte van vlees door J. Slabber en verderop in dat jaar ook tegen Pieter van Arenthals en tegen Cornelis Brouwer wegens frauduleuze invoer van vlees.

In deze jaren zijn Laurus van Hoorn en Jozias Sloover beëdigde keurmeesters van het slachtvee.

Wijnnering
In juli 1826 zijn er de volgende wijnhandelaren in de stad. Dit blijkt uit de ‘Staat van restitutie wegens uitvoer van dranken waarvan de stedelijke belastingen zijn betaald over de eerste zes maanden van 1826’. Het betreft A. Steendijk, M.J. van den Thoorn, P.J. Somer, P. Vervenne, K. van der Zwan, D. Vervenne, J. de Jongh en G. Sterk.

De slijter en koopman in wijnen Pieter Izaak Somer verzoekt in april 1823 te mogen genieten krediet voor de verschuldigde stedelijke belasting op de wijn en sterke dranken zoals ook door andere wijnkopers genoten wordt. Het Stadsbestuur staat dit wat betreft de wijn toe, maar niet voor de sterke dranken.
Ook vraagt de slijtster Tamara Hubrechtse in mei 1823 om onder borgtocht te mogen genieten krediet voor de stedelijke impost op de wijn en sterke drank.
In januari 1826 verzoekt de Ontvanger van de stedelijke belastingen machtiging tot restitutie van ƒ 1.006,10 wegens door verscheidene kooplieden betaalde stedelijke impost van uitgevoerde wijn en gedestilleerde wateren. Hij krijgt toestemming om in de maandstaat van december deze restitutie te verantwoorden.
Op verzoek van ‘de handelaren in ’t groot’ van wijn van sterke dranken binnen de stad, de heren Jac. de Jongh, A. Steendijk en de erven Hubrechtse, besluit het Stadsbestuur akten van solvabiliteit van hun borgen M.G. Mulder, J. Steendijk en J.W. de Jongh te verlenen voor aan het rijk verschuldigde rechten en accijnzen.

Winkeliers
De negotiant binnen de stad, J. Finjé, verzoekt in maart 1822 om opnieuw aan de voorgevel van zijn pand in de Ganzepoortstraat in wijk A nummer 111 aan weerszijden van de ingang een uitstekende toonkas te mogen maken. De burgemeesters wezen dit verzoek aanvankelijk af. Hij beroept zich op de gemeenteraad. Na inspectie ter plaatse door de leden Van der Bilt en Kakebeeke besluit de raad positief op het verzoek.