Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1821 - 1826)

Schadeloosstelling aannemers sluiswerken
In 1820 dienden de aannemers van de sluiswerken Van ’t Hoff en Brandenburg een verzoek om schadeloosstelling voor de door hen geleden verliezen bij de sluiswerken in.
Gedeputeerde Staten nodigen het Stadsbestuur in januari 1821 uit om met spoed een voordracht te doen tot schadeloosstelling van de aannemers van de sluiswerken, nu het aan Zijne Majesteit gedaan verzoek om daarvan ontheven te worden is geweigerd. Besloten wordt de secretaris op te dragen om de correspondentie en beschikkingen in deze zaak bijeen te zamelen, om daarover met de president burgemeester en de raadsleden Verschoor van Nisse en Kakebeeke te overleggen.
Deze commissie komt tot het oordeel dat de stad buiten staat en ook niet verplicht is om de verlangde schadeloosstelling te verlenen. De door de commissie opgestelde argumenten worden aan Gedeputeerde Staten toegezonden.
Maar deze wijzen dit af. Uiteindelijk besluit het Stadsbestuur op de 7e april het advies van de secretaris te volgen en de aannemers over drie jaren ƒ 300 per jaar te betalen. Maar dit is niet voldoende!

In mei 1821 manen Gedeputeerde Staten het Stadsbestuur aan om ingevolge het besluit van Zijne Majesteit de Koning van de 20e mei en de 15e december 1820 een voordracht te doen tot schadeloosstelling van de aannemers Van ’t Hoff en Brandenburg voor de opgegeven verliezen die ze hebben geleden bij de aanneming van de sluiswerken.
Het Stadsbestuur overweegt dat het bij herhaling en op goede gronden de ongehoudendheid van de stad tot betaling heeft aangetoond. De toestand van de aannemers ‘als aan gebrek aan levensonderhoud grenzende is met te sterke kleuren getekend’. Geconstateerd wordt echter dat uit de besluiten van de Koning en van Gedeputeerde Staten ‘alleszins blijkbaar is dat zodanige voordracht van deze vergadering met ernst wordt verlangd’.
De stad heeft een voorname reden om zich een nieuwe opoffering te getroosten, ‘aangezien Zijne Majesteit op een zo uitstekende wijze weldaden bewezen en ondersteuning geschonken heeft ter bekoming van een geschikte haven’. Besloten wordt dan ook, ‘uit eerbied voor de persoon en besluiten van Zijne Majesteit en om te voldoen aan het verlangen van Gedeputeerde Staten, geen verdere reclames tegen de opvolging van de terzake genomen resoluties te doen’. Aan Gedeputeerde Staten wordt voorgesteld om aan de aannemers Van ’t Hoff en Brandenburg tot schadeloosstelling voor hun opgegeven verlies op de aanneming van de sluiswerken en tot vernietiging van alle aanspraak hoegenaamd gedurende het jaar 1821 en negen volgende jaren jaarlijks van stadswege uit te betalen een bedrag van ƒ 330. Dit maakt in die tien jaar ƒ 3.300. Dit bedrag zal jaarlijks worden gedekt door 2% van de begroting van de stad ter beschikking van het algemeen bestuur te brengen.

Ernstige aantasting sluisdeuren door paalworm
In februari 1821 doet zich een ernstige aantasting door de paalworm in het houtwerk van de sluis voor. De president burgemeester deelt mee ‘dat de paalworm zich in een aanmerkelijke mate aan het houtwerk van de sluis heeft geopenbaard’. Direct daarop heeft de havencommissie een inspectie van de sluiswerken uitgevoerd. ‘En ofschoon men de waarheid van dit bericht ongelukkig had moeten ondervinden’ zijn de havencommissie en de ingenieur Ferrand niettemin van oordeel dat het, tot het doen van behoorlijk onderzoek, onvermijdelijk is om de binnenhaven af te tappen en de sluis zoveel mogelijk droog te maken. Dit zou het beste kunnen gebeuren van 3 tot 6 maart. Hiertoe wordt besloten.

Maar de Hoofdingenieur van de Waterstaat vindt het niet verantwoord om in dit seizoen het water af te laten. Het Stadsbestuur vindt de ernst van de paalwormaantasting echter zodanig, dat men het werk wil voortzetten. De vraag rijst daarbij waarvan het meest te duchten is: van het tot april uitstellen van de inspectie of van het voorzichtig aflaten van de haven na de volle maan van de 18e maart. Er wordt een stuk door de paalworm beschadigd hout van de binnensluis meegezonden. Het Stadsbestuur pleit voor het aflopen van het water uit de sluis naar buiten en een kunstmatige drooglegging van de vloer.
De Gouverneur ontraadt naar aanleiding van de bezwaren van de Hoofdingenieur het aflaten van de haven. Hij beveelt een provisorische inspectie aan van het zoute einde van de binnensluis.

Bij de eind februari 1821 gehouden inspectie van de sluiswerken zijn ook de buitenhavendammen geïnspecteerd. Daarbij is ontdekt dat deze nieuwe werken aanmerkelijk zijn gedegradeerd, zodanig dat het van groot belang is dat daaraan een spoedige herstelling wordt gedaan. Dit wordt aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.

Begin maart 1821 deelt de Gouverneur mee dat het onderhoud van de buitenhaven is en blijft ten laste van de stad Goes en het alzo aan hem noodzakelijk is voorgekomen dat de veroorzaakte degradaties ten spoedigste worden hersteld. Het Stadsbestuur verzoekt de burgemeesters om de nodige orders tot het onverwijlde herstel van de degradaties aan de buitenhaven te geven. De stadsarchitect krijgt opdracht een plan te maken van wat nodig is om de noordelijke havendam in een solider en voldoende staat van defensie te brengen. Dit plan zal aan de Gouverneur worden toegezonden met het verzoek bij Zijne Majesteit de Koning te bepleiten dat het minder bestede geld van de rijkssubsidie voor de buitendammen aan het herstelwerk mag worden uitgegeven.

Op de 18e maart 1821 inspecteert de president burgemeester met de hoofdingenieur Schraver en ingenieur Ferrand de sluiswerken om zoveel mogelijk te onderzoeken in hoever het houtwerk door de paalworm is aangetast. Het blijkt dat de deuren van de binnensluis in een hoge mate en wel zodanig beschadigd zijn dat het onvermijdelijk is om deze met de vereiste spoed te herstellen. Ook de palen aan weerszijden van de sluishoek zijn eveneens aanmerkelijk geïnfecteerd, terwijl ook de deuren van de voorsluis niet geheel vrij bevonden zijn. De Hoofdingenieur biedt aan om al dadelijk een plan te ontwerpen en aan de vergadering in te zenden over de wijze van restauratie van de bestaande gebreken. Het Stadsbestuur besluit het plan van de Hoofdingenieur af te wachten en de Gouverneur van een en ander kennis te geven.
Eind april deelt ingenieur Ferrand mee dat de benodigde gelden voor het herstel van de paalwormschade aan het sas berekend zijn op ƒ 8.500 à ƒ 9.500. De havencommissie heeft voorkeur voor een algehele vernieuwing van de binnenvloeddeuren in plaats van het herstel van de oude deuren. In kosten zal dit weinig verschil uitmaken. Het zou het stil staan van de scheepvaart gedurende de reparatie verkorten. Tegelijk zou dan het herstel en de verzwaring van de noordelijke buitenhavendam kunnen worden meegenomen. Hierdoor bedragen de totale kosten ƒ 12.000. Het Stadsbestuur stelt een commissie in om een onderhoud aan te vragen met de Gouverneur om de plannen toe te lichten.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 5e mei 1821 rapporteren burgemeester De Leeuw en raadslid Kakebeeke over hun conferentie met de Gouverneur over 1. de reparaties aan de sluiswerken als gevolg van de paalwormschade; 2. de verzwaring van de noordelijke buitenhavendam en 3. het vinden van fondsen tot het bestrijden van de daarvoor vereiste kosten. De Gouverneur heeft een en ander met het college van Gedeputeerde Staten besproken. Het Goese lid van dit college, de heer Verschoor van Nisse, komt in de vergadering van het Stadsbestuur om hiervan verslag te doen. Het blijkt dat Gedeputeerde Staten zich wel met het plan van het Stadsbestuur kunnen verenigen wat betreft het bijeen brengen van de nodige fondsen. Ze geven wel in overweging de rente van de lening te verminderen en de restitutie aan de gildefondsen in zes jaar in plaats van twaalf jaar te doen.

Besluit Stadsbestuur over schade door paalworm
Het Stadsbestuur neemt vervolgens een uitvoerig besluit. Hieruit wordt het volgende geciteerd:

De raad,

delibererende over de noodzakelijke en onvermijdelijke herstelling van de schade door de paalworm, aan de sluiswerken van de haven veroorzaakt, waarover volgens advies van de havencommissie en de Hoofdingenieur spoedige voorziening behoort te geschieden;

gezien de berekening van de kosten voor het gedeeltelijk afdammen en droogmaken van de sassluizen, het opbreken en repareren van de fundering, het vernieuwen van de zoete vloed-  en ebdeuren, mitsgaders het voorzien der sluiswerken tegen de verdere voortgang van de paalworm, ten bedrage van ongeveer ƒ 11.000;

overwegende dat het werk ten spoedigste behoort aan te vangen en de scheepvaart zo kort mogelijk te doen stilleggen en uiterlijk vóór augustus dient gereed te zijn, aangezien met die tijd, zo door de graanhandel als anderszins, de voornaamste drukte der scheepvaart gedurende het gehele jaar plaats heeft;

overwegende dat het onmogelijk is die kosten uit de begroting van het lopende jaar goed te maken is, alzo een zo aanmerkelijke reparatie aan pas vernieuwde sluiswerken niet te berekenen is geweest en dat daarin mitsdien op een andere wijze zal moeten worden voorzien;

overwegende dat de stad alle zijn kapitalen bij de vernieuwing van de sluis- en havenwerken in 1819 daarvoor heeft besteed en dus in zich zelve geen fondsen meer bezit om tot dat einde te doen verstrekken;
dat het enige middel om de gelden wat betreft ƒ 7.000 bijeen te krijgen is dat van negotiatie
(geldlening) op een zo kort mogelijk te bepalen termijn van weder aflossing en dat een gedeelte van het benodigde geld (ƒ 4.000) uit de goederen van de voormalige gezamenlijke gilden, welke sedert het jaar 1813 onder toezicht van de stedelijke regering zijn geadministreerd geweest, kunnen worden voorgeschoten.

Wat betreft de mede noodzakelijk geoordeelde verzwaring van de noordelijke buitenhavendam besluit het Stadsbestuur een eerbiedig adres aan Zijne Majesteit de Koning aan te bieden, waarin gepleit wordt om deze kosten ten laste van het Rijk te brengen.

In september 1821 komt bericht dat Zijne Majesteit geen termen aanwezig acht om in dit verzoek te treden. De havencommissie wordt nu verzocht in overleg met de ingenieur van de Waterstaat te bezien welke reparaties aan deze dam noodzakelijk zijn en hoedanig deze behoren daargesteld te worden.

Ondertussen heeft een zekere I.G. Roentgen uit Rotterdam in mei 1821 een middel tot het voorkomen van schade door de paalworm, door gebruik te maken van koolteer en pek, aan de hand gedaan. Hij beveelt zich aan tot leverantie van het benodigde. Het Stadsbestuur is hierin wel geïnteresseerd en vraagt informatie of er al in het rijk proeven van dien aard zijn genomen.

Uitvoering vernieuwing sluisdeuren
In september 1821 keurt het Stadsbestuur de aanbesteding van het inheien van vier beschoeiingpalen aan het sas aan de aannemer Johannes Goossen voor ƒ 240 goed.

De vernieuwing van de sluiswerken als gevolg van de aantasting door de paalworm is begroot op ƒ 10.000. In september 1821 vindt de aanbesteding plaats. Er zijn twee inschrijvingen, namelijk van J. van ’t Hoff voor ƒ 21.000 en van H. Brandenburg voor ƒ 18.500. Volgens de ingenieur ligt het verschil tussen begroting en besteding aan het ver gevorderde seizoen. Het Stadsbestuur besluit de aanbesteding niet goed te keuren vanwege de zo ver boven de begroting uitgaande kosten en omdat slechts voor ƒ 11.000 door Zijne Majesteit de Koning goedkeuring voor een geldlening is gegeven. De havencommissie krijgt machtiging om in overleg met ingenieur Ferrand een afzonderlijke besteding te doen van de reparatie en vernieuwing van de sasdeuren.
Maar tevergeefs probeert de havencommissie om de reparatie van de sasdeuren afzonderlijk te besteden. Ze heeft daarna met ingenieur Ferrand een nadere inspectie van de bestaande degradaties aan de sluiswerken gedaan. Dit heeft het gunstige gevolg gehad dat het hun gezamenlijk is toegeschenen dat de voorgenomen kapitale restauratie onder een intermediaire voorziening van de sluisdeuren tot na de winter zal kunnen worden uitgesteld. Het Stadsbestuur gaat daarmee akkoord.

 In een extra vergadering op de 4e mei 1822 keurt de gemeenteraad de door de ingenieur, in overleg met de havencommissie, opgestelde bestekken en condities van aanbesteding voor de reparatie van de sluiswerken goed. Het betreft 1. het leveren, betimmeren en inhangen van twee paar sluisdeuren aan het sas, alsook het afdammen en droogmalen van de binnensluis met het repareren van de fundering; 2. het onder een geregeld beloop brengen en bezoden van de sterk gehavende binnenhavenboorden en 3. het leveren en verwerken van 350 lasten Vilvoordse steen voor de buitenhaven.
De aanbesteding vindt plaats aan de volgende aannemers: voor het onder 1 vermelde aan Adrianus Feber voor ƒ 9.250; voor het onder 2 vermelde aan Teunis van Asperen voor ƒ 3.500; voor het onder 3 vermelde aan Cornelis Peeters voor ƒ 2.380.
Gedurende het herstel van de haven en sluis is de fundering door de havencommissie en de ingenieur geïnspecteerd. Er zijn slechts geringe defecten ontdekt. Vanwege deze gunstige omstandigheid wil de havencommissie beproeven om door de aannemers de stoot- of beschoeiingpalen in de kolk, die onvermijdelijke reparatie vereisen, op tarief te doen herstellen. Overigens worden alle aanbestede werken met ijver volbracht en is er uitzicht dat de haven op de bepaalde tijd kan worden geopend.

Uitvoering reparaties aan buitenhaven
In oktober 1821 acht de havencommissie het, na een nadere nauwkeurige examinatie van de staat van de buitenhavens, onvermijdelijk noodzakelijk om de geslagen bressen in de grote en kleine dam van de buitenhaven te doen aanvullen, de buitenglooiing van de grote dam te doen

vervlakken, bekrammen en met rijsbeslag te voorzien en de gederangeerde en weggeslagen brikken te doen bezetten. Dit mede omdat de districtsingenieur van hetzelfde gevoelen is. De werkzaamheden zijn dadelijk vanwege de bestaande pressance van de aannemer Hansum aanbesteed voor ƒ 2.388,85. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In de raadsvergadering van de 17e november 1821 deelt de president burgemeester mee dat de aannemer Hansum zijn aangenomen werk tot herstel en verzwaring van de noordelijke buitenhavendam heeft voltooid. Dit is door de havencommissie met de ingenieur opgenomen en goedgekeurd.

Oplevering werkzaamheden aan haven en sas
In de raadsvergadering van de 5e oktober 1822 kan worden geconstateerd dat alle op 25 mei aanbestede sluis- en havenwerken zijn voltooid. De secretaris heeft aan ingenieur Ferrand verzocht om geïnformeerd te worden hoeveel de stad hem voor zijn gehouden mede directie verschuldigd is. Ferrand verklaarde ‘hiervoor niets te vorderen en dat hij met genoegen met de havencommissie de directie had gevoerd, daar hij belang stelde in de sluis waarvoor hij reeds zoveel gedaan had’.

Het Stadsbestuur besluit de leden van de havencommissie voor hun moeite te bedanken.
Uit de post onvoorziene uitgaven wordt een bedrag van ƒ 150 ter beschikking gesteld om aan ingenieur Ferrand ‘voor zijn veelvuldige moeiten en werkzaamheden in deze van stadswege een convenabel geschenk aan te bieden’. Begin december 1822 krijgt hij als geschenk van de stad Goes twee zilveren dessertdoosjes door de secretaris uitgereikt.

Stroeve contacten met Maatschap Wilhelminapolder
Burgemeester De Leeuw legt in januari 1823 een exploot, door de deurwaarder Spijk betekend ten verzoeke van de heer Rembges, ontvanger-griffier van de Wilhelminapolder, over. Het betreft een sommatie over de jaren 1812 tot en met 1819 tot voldoening van het zogenaamd geschot ten bedrage van ƒ 974,13 ten behoeve van de Wilhelminapolder voor de landen die de stad aankomen en door de bedijking van de polder beverst worden. Het Stadsbestuur besluit de burgemeester en de secretaris te machtigen om zodanige maatregelen tot juridisch verweer te nemen als ze raadzaam oordelen, dit ingevolge het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde raadsbesluit van 24 juli 1822.

In april 1823 krijgt de gemeenteraad een toelichting van de president burgemeester dat de havencommissie en de dijkgraaf van de Wilhelminapolder, namens de eigenaren van de polder, een overeenkomst hebben bereikt over de afstand van 114 vierkante ellen grond  voor het plaatsen van het magazijn of de bergplaats voor gereedschappen aan het sas.

Op de 23e oktober 1823 neemt het Stadsbestuur kennis van het Koninklijk Besluit van de 15e september 1823 waarbij op verzoek van het dijkbestuur van de Wilhelminapolder wordt verklaard dat de stad Goes verplicht is tot het bijdragen in de kosten tot verbetering van de suatiekanalen van de polder. Onder leiding van de Gouverneur zal een schikking tot stand gebracht moeten worden over welk aandeel in de gemaakte kosten door de stad en de Wilhelminapolder zal worden gedragen. Het Stadsbestuur richt zich daarop tot Zijne Majesteit de Koning: ‘Altoos is volgehouden dat deze stad geen verplichting heeft om iets in deze kosten te dragen’. De redenen waarom de stad dit meent, worden aan de Koning voorgelegd.
Maar in januari 1824 deelt Zijne Majesteit de Koning op het verzoek van het Stadsbestuur om vrijstelling van het bijdragen in de kosten van de vergroting van de suatiekanalen van de Wilhelminapolder mee te persisteren bij deze beslissing zoals vermeld in het Koninklijk Besluit van 15 september 1823.

Het Stadsbestuur beraadslaagt over het verzoek van Gedeputeerde Staten tot het instellen van een commissie om met die van de Wilhelminapolder de nodige schikkingen te treffen over het aandeel dat de stad zal moeten dragen.
De vergadering is eenparig van gevoelen dat de stad niet verplicht is om enig aandeel in de kosten tot vergroten van de suatiekanalen van de Wilhelminapolder te dragen. Het valt haar ‘daarom in gemoede hoogst bezwaarlijk hun zwaar belaste ingezetenen daarmede te drukken’. Maar ‘uit eerbied en gehoorzaamheid aan Zijne Majesteits bevelen en de besluiten van de provinciale autoriteit’ wil het Stadsbestuur zich opnieuw een opoffering getroosten. Deze zal ‘de bereids voor de havenwerken van de stad gespendeerde schatten weder aanmerkelijk vermeerderen en een totaal opleveren van hetwelk verbazend is en bij de eerste opgave van kosten nimmer is te voorzien geweest’.
Het Stadsbestuur stelt een commissie in, bestaande uit de president burgemeester en de secretaris, om onder leiding van de Gouverneur tot een schikking te komen. Overigens wordt de Gouverneur voorgesteld om hierover alleen schriftelijk te corresponderen ‘omdat van een commissievergadering enkel maar verwijdering verwacht wordt, gelet op vorige ervaringen’. Het Stadsbestuur doet het aanbod de helft van de kosten ten bedrage van ƒ 2.468 te betalen.

Gedeputeerde Staten schrijven in september 1824 dat hun uit de correspondentie gebleken is dat er geen hoop is dat het Stadsbestuur en de directie van de Wilhelminapolder tot overeenstemming schijnen te komen over de bekostiging van de suatie van de polder. Ofwel welk gedeelte van de gemaakte kosten kunnen beschouwd worden als een noodzakelijk gevolg van de in de polder verlegde uitwateringssluizen. Beide partijen worden in de vergaderzaal van Gedeputeerde Staten uitgenodigd om tot een overeenkomst te komen.
Na uitvoerige afweging besluit het Stadsbestuur te persisteren bij de resolutie van de 24e januari 1824, het daarbij gedane aanbod en de gedane benoeming van een commissie van stadswege. Hierop is kennelijk nimmer uitsluitsel van GS gekomen.

Het overleg met de commissie uit Gedeputeerde Staten leidt er toe dat van de zijde van Goes het aanbod voor de Goese bijdrage wordt verhoogd tot ƒ 3.748, ‘dit uit eerbied voor Zijne Majesteit en Gedeputeerde Staten, maar ook tevens dat met een zoo grote opoffering deze verdrietelijke zaak eindelijk zal mogen worden afgedaan’.

Maar het Stadsbestuur is er nòg niet!
In de raadsvergadering van de 24e september 1825 wordt uitvoerig gesproken over het Koninklijk Besluit dat bepaalt dat de stad Goes in de kosten van verbetering van de suatie van de Wilhelminapolder ƒ 4.000 moet bijdragen.
Het Stadsbestuur vindt dat ‘deze aan de stad opgelegde contributie in de verbetering van de suatie van de Wilhelminapolder niet anders kan worden beschouwd als, in allen gevalle te behoren tot de kosten van restauratie van de haven en daarmee verbonden uitwatering van de polder en gevolgelijk ook niet wel anders kan worden betaald dan uit het havenfonds’.

Van belang is de volgende overweging:
‘Dat ook de stedelijke financiën, welke door vermindering van inkomsten, de aanzienlijke stadsschulden, mitsgaders het jaarlijks benodigde tot onderhoud van de zo kostbare sluis en havenwerken, in een deplorabele staat zijn, volstrekt niet toelaten om daarvan enige fondsen voor dat einde af te zonderen’. En ‘dat de belastingen tot een zodanige hoogte geheven worden dat, vooral in deze neringloze tijd, aan geen verhoging te denken is’. ‘En dat bij aldien men van den beginne af aan had geweest bekend met de som die de stad in deze kosten moet dragen, alsdan zekerlijk een daarmede gelijk staande vermeerdering der negotiatie zoude zijn verzocht geworden’.
Uiteindelijk besluit het Stadsbestuur het college van Gedeputeerde Staten te verzoeken de bijdrage van ƒ 4.000 te voldoen uit het havenfonds, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 10 november 1817. Ondertussen wordt de betaling van ƒ 4.000 gedaan.