Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1821 - 1826)

Hervormde gemeente

Algemeen
Uit een opgave aan het classicale bestuur blijkt dat het aantal tot de Hervormde gemeente behorende inwoners circa 3900 bedraagt en het aantal lidmaten circa 1200 is.
De gemeente wordt deze jaren (1821-1826) gediend door drie predikanten, te weten ds. C. Colmschate, ds. G. Blaaubeen en ds. W.F. van Oosterzee.
De kerkenraad bestaat uit acht ouderlingen en acht diakenen. Elk jaar is de helft aftredend.
Hierna zijn bij het uitbrengen van een beroep in een predikantsvacature alle op de groslijst vermelde predikanten vermeld. Hetzelfde is gedaan bij de op de nominaties geplaatste kandidaten voor ouderlingen en diakenen. Hieruit kunnen bepaalde bijzonderheden worden afgeleid zoals de ligging van de gemeente en de kring van notabelen waarin ambtsdragers gezocht werden.

Predikanten
Op de 17e maart 1821 wordt ds. Van Voorst ‘met leedwezen’ losgemaakt van de kerkelijke gemeente van Goes wegens het aannemen van een beroep naar Zutphen.
Al in april wordt een beroep uitgebracht. Uit een twaalftal predikanten (Abr. Verweij te Leidschendam, M. van Meeteren te Hillegom, J. Radermacher Schorer te ’s-Gravenpolder, Smijtegelt van der Hoek te Sleeuwijk, D.A. Buijt te Nisse, J. ab Utrecht Dresselhuis te Wolphaartsdijk, Biemont te Bleskensgraaf, A. van Vloten te Voorburg, H.J. Royaarts te Meerkerk, H. Bouvin te Beusichem, J.J. van Deinse te Hulst en J.F. van Oordt te Nederlangbroek) wordt een zestal verkoren (Verweij, Royaards, Schorer, Van Meeteren, Van Deinse en Utrecht Dresselhuis). Daaruit wordt weer een drietal gekozen, namelijk Van Meeteren, Van Deinse en ab Utrecht Dresselhuis. Beroepen wordt ds. M. van Meeteren te Hilegom. Ook hij bedankt echter voor het beroep.

Het Stadsbestuur voelt zich in april 1821 gepasseerd door de kerkenraad van de Hervormde gemeente omdat men niet betrokken schijnt te worden bij het beroepen van een nieuwe predikant in de vacature van ds. Van Voorst. Op de in mei 1818 verzonden brief aan de Gouverneur met de vraag of de stedelijke regering, als het ambachtsheerlijke recht uitoefenend, al dan niet gerechtigd is om mee te dingen bij het beroepen van predikanten en het aanstellen van kerkenraadsleden is tot nu toe geen antwoord gekomen. De Gouverneur wordt andermaal uitsluitsel gevraagd.

In mei 1821 wordt opnieuw getracht de vacature van ds. Van Voorst te vervullen. Op drietal worden geplaatst de predikanten W. van der Leeuw te Limmen, J.F. van Oort te Neerlangbroek en A. Verweij te Leidschendam. Hieruit wordt beroepen ds. J.F. van Oort. Ook hij bedankt voor het beroep.
In juli wordt opnieuw een beroep uitgebracht. Op drietal worden geplaatst de predikanten W.S. van Oosterzee te Zonnemaire, M. Jorissen te IJsselsteijn en S. van der Hoek te Sleeuwijk. Beroepen wordt ds. M. Jorissen te IJsselsteijn. Maar ook hij bedankt voor het beroep.
Daarna wordt in augustus opnieuw een beroep uitgebracht. Op drietal worden geplaatst de predikanten A.L. van der Boom te Heino, W.S. van Oosterzee te Zonnemaire en M. van Meeteren te Hillegom. Beroepen wordt ds. W.S. van Oosterzee.
In september ontvangt de kerkenraad een brief van ds. Van Oosterzee waarin hij verklaart de beroeping aan te nemen. In november 1821 bericht de Gouverneur dat Zijne Majesteit de beroeping van ds. Van Oosterzee heeft goedgekeurd.
De bevestiging van de nieuwe predikant is op de 2e december 1821 ’s morgens door zijn jongste ambtgenoot met de tekst 1 Thessalonicensen 2 vers 4. In de avonddienst doet hij zijn intrede met de tekst Lukas 24 vers 47.

Op de 26e april 1826 ontvangt de kerkenraad een kennisgeving van het overlijden van ds. Jacob Hendrik van den Doorslag, voormalig predikant te Goes en laatstelijk emeritus predikant te Dordrecht. Hiervan wordt de gemeente kennis gegeven.

Kerkenraad
1821
In februari 1821 wordt een vergadering van het collegium qualificatum gehouden voor het ‘vermaken’ van de kerkenraad, in aanwezigheid van de Stadsbestuurders M.C. van Dorth en A.J. Eltzman.
Op dubbeltal voor de vier vacatures van ouderlingen worden geplaatst J. de Kanter, J.J. van Deinse, W. van Citters, A. Bosdijk, M. Does, P. Magielse, J. Soutendam en F. van Deinse en op dubbeltal voor de vier vacatures van diakenen Th. Snoep, Ph. Vervenne, P.A. Hochart, A. Clement, Jac. de Jongh, W. van den Thoorn, D. Steendijk en G. Buijze.
Verkoren worden tot ouderlingen de heren De Kanter, Van Deinse, Van Citters en Bosdijk en tot diakenen Snoep, Vervenne, Hochart en Clement. Tevens wordt bepaald dat de heer J. van Rentergem de Fouw nog het overige jaar van de heer Van den Bosch zal vervullen wegens diens vertrek naar een andere gemeente.

1822
De periodieke verkiezing van ouderlingen en diakenen in januari 1822 vindt niet zonder strubbelingen plaats. Op dubbeltal voor de vier plaatsen van ouderlingen worden geplaatst M. Slabber, H. van ’t Hof, J. Soutendam, J. Risseeuw, H. Vervenne, J. Nederveen, L. Lankhorst en A.J. Eltzman en voor de vier plaatsen van diakenen M.G. Mulder, J. Le Cointre, Jacob de Jongh, Joh. de Leeuw, W. van den Thoorn, F. van Deinse, D. Steendijk en mr. J.G. Ermerins.
Tot ouderlingen worden verkoren de heren Slabber, Van ’t Hof, Soutendam en Risseeuw en tot diakenen de heren Mulder, Le Cointre, de Jongh en De Leeuw. Soutendam bedankt. Ook de daarna gekozenen, Vervenne, Nederveen, Eltzman en Lankhorst bedanken. Daarna wordt diaken Pieterse tot ouderling verkoren, die dit aanneemt.

In mei 1822 brengt de preses een bericht van de Staatsraad Directeur-generaal voor de zaken der Hervormde kerk in de kerkenraad. Op het door de kerkenraad bij Zijne Majesteit ingediend verzoek voor verhoging van de predikantstraktementen verklaart de Staatsraad ‘dat hij niet ongenegen zoude zijn om op dat verzoek favorabel te adviseren, indien de Gemeente zou kunnen besluiten om zich volledig te onderwerpen aan het Reglement op de kerkelijke administratie in Zeeland’. Het antwoord van de kerkenraad wacht hij in.

De kerkenraad beschouwt deze zaak van zeer veel belang en wil hier niet dan na ernstige overweging over besluiten. Uiteindelijk wordt besloten een commissie uit haar midden te benoemen, bestaande uit de heren De Kanter, Van Deinse, Van Citters en Risseeuw, om de vergadering van advies te dienen.

In 1822 doen zich weinig bijzonderheden voor in de kerkenraad. Het notulenboek vermeldt onder een aantal kerkenraadvergaderingen: ‘Geen bijzonderheden’. De vergadering van de 8e december wordt slechts in vijf regels genotuleerd op de volgende wijze:

  1. De vergadering met het gebed geopend zijnde, werden de vorige notulen opgelezen en goedgekeurd.
  2. Hierover (over de staat der wijken) was niets te berichten en daar er verder geene zaken te behandelen waren.
  3. Is de vergadering met dankzegging gescheiden.

Er wordt kerkvisitatie gehouden door de predikanten Colmschate en Dresselhuis. Alles wordt daarbij in orde gevonden.
In juni notuleert de nieuwe predikant, ds. W.L. van Oosterzee, voor het eerst als scriba. Hij doet dat in een duidelijk handschrift, evenals trouwens zijn ambtgenoot ds. C. Colmschate.
Er staan dit jaar een zestal lidmaten onder censuur.

Ouderling J. de Kanter stelt in juni voor de vier vragen, die bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal plegen te geschieden, van nu voortaan naar het voorbeeld van andere plaatsen bij de bediening van het Heilig Avondmaal zelf te doen. De kerkenraad ‘heeft aan het voorstel zelve alle hulde gedaan, als wel overtuigd, dat dit hoogst plechtig, stichtelijk en zelfs meer doelmatig zoude zijn, maar echter om redenen, die haar voldoende toeschenen, besloten vooralsnog bij de eerste instelling te blijven’.

 

1823

Ook van het jaar 1823 zijn er weinig bijzonderheden te vermelden. Onder zes maandelijkse vergaderingen van de kerkenraad vermeldt het notulenboek: ‘Geen bijzonderheden’.
De predikanten ds. Landsknecht en ds. Utrecht Dresselhuis houden kerkvisitatie; alles wordt in orde bevonden.

 

In januari 1823 vindt de vermaking van de kerkenraad in aanwezigheid van de leden van het Stadsbestuur, Verschoor van Nisse en Eltzman, in het collegium qualificatum plaats.
Aftredend zijn dan de ouderlingen De Kanter, Van Deinse, Van Citters en Bosdijk en de diakenen Snoep, Vervenne, Hochart en Clement.
Op dubbeltal voor ouderlingen worden geplaatst M. Does, mr. F.N. van der Bilt, L. Lankhorst, J. Soutendam, J. Soetebier, P. Magchielse,  mr. J.G. Ermerins en M. Zandee.
Op dubbeltal voor diakenen worden geplaatst D. Vervenne, D. Steendijk, J. Walraven van Kerkwijk, A. Kakebeeke, A. Remijn, J.A. Nortier, W. van den Thoorn en mr. J.A.H. Voijer.
Met algemene stemmen worden tot ouderlingen gekozen de heren Does, Van der Bilt, Lankhorst en Soutendam en tot diakenen de heren Vervenne, Steendijk, Walraven van Kerkwijk en Kakebeeke. De kerkenraad verneemt met blijdschap dat de verkoren diakenen alle ‘hun opgedragen post volgaarne hadden aangenomen’. Maar met leedwezen verneemt de vergadering dat uit de genomineerde ouderlingen alleen de heren Does en Lankhorst zich de beroeping laten welgevallen.
De preses stelt nu voor, om het beroepingswerk door geen verdere vruchteloze pogingen te vertragen, de afgaande broeders te verzoeken zich een nieuwe beroeping te laten welgevallen en dan door het lot te doen beslissen wie van hen de beide openstaande plaatsen zal vervullen. De vergadering vindt dit goed. De broeders worden door de vriendelijke verzoeken van de vergadering overgehaald om met het voorstel genoegen te nemen. Ouderling Van Deinse bedankt hiervoor vanwege zijn veelvuldige werkzaamheden.

Uit de loting blijken tot ouderlingen te zijn verkoren de broeders J. de Kanter en W. van Citters.
In juni 1823 bedankt ouderling M. Slabber wegens zijn verhuizing naar ’s-Gravenpolder. Hij bedankt de kerkenraad ‘voor het broederlijke verkeer met de leden van de vergadering’.

In januari 1823 wordt afgerekend met een aloud gebruik dat de verkoren ouderlingen en diakenen door de koster in kennis worden gesteld van hun verkiezing en dat de koster daarna staande de vergadering rapport uitbrengt. De kerkenraad besluit dat de verkozenen voortaan door een commissie uit het collegium qualificatum van hun beroeping zullen worden verwittigd en wel door de preses en een ouderling bij de beroepen ouderlingen en door de scriba met een diaken bij de benoemde diakenen, ‘teneinde alzo op de beroepenen meer invloed te maken en ook het werk der beroeping meer aanzien bij te zetten’.


1824
Bij de jaarlijkse vermaking van de kerkenraad in januari 1824 zijn aftredend de ouderlingen J.J. Risseeuw, H. van ’t Hof en T. Pieterse en de diaken Joh. de Leeuw, H. Le Cointre, M.G. Mulder en J. de Jongh. In aanwezigheid van de leden van het Stadsbestuur Verschoor van Nisse en Eltzman stelt het collegium qualificatum als dubbeltallen voor ouderlingen J. Kakebeeke, J. Soetebier, A. Nortier, H. Beijaart, H. le Cointre, A. Bosdijk, J.J. van Deinse en J.B.  Janssen en voor diakenen D. van der Hoek, J. Piepers, F. van Asperen, S.E. Stokmans, A. Remijn, A. Clement, W. van den Thoorn en F. Pluimers.
Tot ouderlingen worden verkoren J. Kakebeeke, J. Soetebier, A. Nortier en H. Beijaart en tot diakenen D. van der Hoek, J. Piepers, F. van Asperen en S.E. Stokmans.
De commissie, bestaande uit de preses ds. Colmschate en ouderling Pieterse, bezoekt de verkoren ouderlingen en rapporteert dat Soetebier heeft bewilligd, Kakebeeke zich verplicht voelt vanwege menigvuldige bezigheden te bedanken en Nortier en Beijaart mede bedanken. De verkoren diakenen nemen het alle aan.
Op dubbeltal voor ouderlingen worden nu geplaatst de heren Le Cointre, Mulder, Janssen, Voorbeitel, Van Deinse en Joh. Pilaar. Verkoren worden H. le Cointre, J.B. Janssen en Joh. Pilaar. De commissie rapporteert enkele dagen later dat Le Cointre en Pilaar hebben bewilligd en dat Janssen bedankt. In de ontstane vacature wordt verkoren de heer Voorbeitel.

In juni 1824 rapporteert de commissie, door de grote kerkenraad benoemd ‘tot het complimenteren van de Gouverneur van de provincie bij gelegenheid van desselfs tournee door dit eiland en de audiëntie in deze stad’, dat ze bij Zijne Excellentie zeer gracieus is  ontvangen. Dit wordt door de vergadering met dankbetuiging aan de commissie en met genoegen vernomen.
De predikanten Dresselhuis en Van Oosterzee houden dit jaar kerkvisitatie.
Elk jaar staan er circa zes lidmaten onder censuur. Opmerkelijk is dat dit alle vrouwen zijn.

In juli 1824 neemt de kerkenraad een besluit waarbij afgerekend wordt met een praktijk sinds mensenheugenis. Over het voorstel om de vergadering tot het zogenaamde openen van de wijken voortaan niet meer te houden, nader gedelibereerd zijnde, wordt, ‘uit aanmerking van de geringe noodzakelijkheid en nuttigheid’, conform besloten. Bij het vaststellen van de notulen wordt hieraan toegevoegd: ‘ten ware Moderatoren die bijeenkomst nodig oordelen’.

In haar vergadering van de 23e augustus, als de leden als kerkmeesters bijeen zijn, bepaalt de kerkenraad ‘dat van nu voortaan de weekbeurt in de tweede kermisweek zal gesloten worden, opdat die godsdienstoefening niet langer door het rumoer der kermis gehinderd worde’.

1825
Er doen zich dit jaar weinig bijzonderheden voor.
In januari 1825 wordt collegium qualificatum gehouden in aanwezigheid van de Stadsbestuurders J.H. Verschoor van Nisse en A.J. Eltzman.
Op dubbeltallen voor ouderlingen worden geplaatst A. Bosdijk, J. Boddingius, M. Boddingius, Ph. Vervenne, C. Harinck, B.H. Janssen, J. Risseeuw en T. Pieterse. Verkoren worden A. Bosdijk, J. Boddingius, M. Boddingius en N. Vervenne.
Op dubbeltallen voor diakenen worden geplaatst J. van Rentergem de Fouw, A.W. van Kerkwijk, G. Sterk, J.P. Clement, P. Somer, P. van Dalen, J.W. de Jongh en G.H. Kakebeeke.
Verkoren worden Van Rentergem, Van Kerkwijk, Sterk en Clement. Verder wordt D. Vervenne verkoren in de plaats van S.E. Stokmans, die uit de stad vertrokken is.
In september komt er een aanschrijving van de Algemene Synode van de Hervormde kerk met het verzoek jaarlijks in de maand maart of april bij een openbare godsdienstoefening in al de Hervormde kerken een collecte te houden om, onder toezicht van de Synode, deze te besteden voor de noodlijdende kerken en personen. De kerkenraad besluit hieraan te voldoen.

1826
In januari 1826 zijn aftredend de ouderlingen Soetebier, Pilaar, Le Cointre en Voorbeytel en de diakenen Van der Hoek, Piepers, Van Asperen en Vervenne. Op de nominatie voor ouderlingen worden geplaatst T. Pieterse, B.H. Janssen, A.H. Eltzman, H. Lenshoek van Zwake, W.F. van der Burcht van Lichtenberg, J. Soutendam, L. de Fouw en M. Mulder.
Verkoren worden tot ouderlingen de heren Pieterse, Jansen, Eltzman en Lenshoek van Zwake.
Op de nominatie voor diakenen worden geplaatst L.A. de Man, B. Steendijk, C. Pilaar, G. Buijze, W. van den Thoorn, J.A.H. Voyer, P. van Dalen en G.T. Callenfels. Verkoren worden tot diakenen de heren De Man, Steendijk, Pilaar en W. Geluk.
Door het vertrek van diaken dr. De Man ontstaat in juni 1826 een vacature. Met algemene stemmen wordt beroepen C. Oversluis, die dit aanneemt.
Ook diaken C. Pilaar vertrekt in juni 1826 metterwoon. Hierin wordt voorzien door verkiezing van C.L. Lignian, die dit aanneemt.
Er staan dit jaar negen lidmaten, alle vrouwen, onder censuur, sommige al een aantal jaren.
32 personen worden als lidmaten aangenomen. Gedoopt worden 156 kinderen. De huwelijken van twee echtparen worden ingezegend.

Voorlezers en voorzangers
In februari 1822 ontvangt de kerkenraad bericht dat de heer Cornelis van Klooster, schoolmeester in het weeshuis te Delft, naar de vacante plaats van schoolmeester aan de tweede stadsschool heeft gesolliciteerd en daar benoemd is. Hij is ook genegen de functie van voorlezer en voorzanger in de Hervormde gemeente op zich te nemen. Aanstaande woensdagavond zal hij in de stad zijn. Besloten wordt hem tijdens de godsdienstoefening op woensdagavond de dienst te laten waarnemen met het oogmerk hem ook als voorlezer en voorzanger aan te stellen. Van Klooster geeft proeven van zijn geschiktheid in het lezen en zingen, waarmee de kerkenraad genoegen neemt. Hij wordt tot tweede voorlezer en voorzanger aangesteld.

Diaconie
In januari 1821 legt de grote kerkenraad de ongunstige staat van het diaconiefonds aan het Stadsbestuur voor. Op de administratie over 1820 is een tekort van 400 à 500 gulden ontstaan. De kerkenraad verzoekt dat tot dekking van dat tekort de regenten van de godshuizen mogen worden gemachtigd om aan de diaconie over 1820 terug te geven datgene wat zal blijken niet te kunnen worden voldaan wegens verschuldigde alimentatiekosten voor de gealimenteerden van de diaconie in het gasthuis. Een ander verzoek is om de diaconie te vergunnen om vijf of zes personen om niet in het gasthuis te plaatsen. Ook is een mogelijkheid de diaconie toe te staan om jaarlijks met de regenten van de godshuizen te onderhandelen tot vermindering van wat ze buiten staat mocht zijn om aan alimentatiekosten te betalen.
Het Stadsbestuur besluit om, indien de financiële staat van de godshuizen en het algemeen armbestuur dit zonder een tekort te veroorzaken toestaat, de diaconie over 1820 vrijstelling te verlenen van een gedeelte van de aan de godshuizen verschuldigde onderhoudskosten van gealimenteerden in het gasthuis. Welk gedeelte dit betreft zal bij een door diakenen op te stellen en door de grote kerkenraad te certificeren staat van de administratie over 1820, waaruit het tekort over dat jaar blijkt, bepaald moeten worden.

Uit de jaarrekeningen van de diaconie over deze jaren blijkt het volgende:

Jaar: Ontvangsten: Uitgaven: Batig saldo: Nadeling saldo:
1820 ƒ 5925.18.14 ƒ 4734.14.12 ƒ 1191.04.02  
1821 ƒ 3908.13.12 ƒ 2721.16.04 ƒ 1186.17.08  
1822 ƒ 3643.19.10 ƒ 2220.02.12 ƒ 1423.16.14  
1823 ƒ 3950.16.12 ƒ 3436.02.08 ƒ   514.14.04  
1824 ƒ 3085,20 ƒ 3163,23   ƒ   78,03
1825 ƒ 6249,52 ƒ 6553,01   ƒ   303,49

Bij de vaststelling van de rekening over 1820 blijkt dat aan het gasthuis nog ƒ 1650.12.- betaald moet worden, zodat er in feite een tekort is van ƒ 459.7.14.

Uitvoerig bespreekt de kerkenraad de al zo lang opgemerkte teruggang van het diaconie fonds en hoe dit is te herstellen. De teruggang blijkt voornamelijk te komen door het aanzienlijke bedrag dat jaarlijks aan het gasthuis moet betaald worden. Het Stadsbestuur wordt gevraagd een vermindering van deze kosten te bewerkstelligen.

Ook bij de vaststelling van de rekening over 1821 staat er nog een bijdrage voor de gealimenteerden in het gasthuis open van ƒ 1924.4.-, zodat er over 1821 uiteindelijk nog een kwaad slot overblijft van ƒ 737.6.8.

Bij de vaststelling van de rekening over 1823 blijkt dat voor gealimenteerden in het gasthuis nog betaald moet worden ƒ 1489,16, zodat er een nadelig saldo resteert van ƒ 65.19.2.

De Gouverneur verzoekt in mei 1824 via het Stadsbestuur om uitgestelde schuld- en kansbiljetten van de diaconie te verwisselen tegen schuldbekentenissen van het Amortisatie Syndicaat. De kerkenraad meent met die verwisseling voor het diaconiefonds geen voordeel te kunnen doen en besluit daarom eenparig van deze uitnodiging geen gebruik te maken.

In oktober 1824 gaat de grote kerkenraad akkoord met een plan om de diaconie rekening voortaan een meer regelmatige orde te laten plaats hebben.
In deze jaren fungeert de heer J. Boddingius als boekhouder van de diaconie.

Waalse gemeente

In februari 1822 besluit de kerkenraad van de Hervormde gemeente dat van nu voortaan niet meer op het kerkbriefje zal worden geplaatst ‘Waalsche Kerk gesloten’. Er bestaat immers geen Waalse gemeente meer te Goes. Het wordt echter vrij gelaten om, wanneer er in de Franse taal te eniger tijd mocht gepreekt worden, daarvan op het kerkbriefje bericht te doen. Ouderling Van Citters kan zich niet met dit bericht verenigen, maar verzoekt zijn protest daartegen aan te tekenen.

Het Provinciaal college van toezicht over de administratie der kerkelijke fondsen verzoekt in maart 1825 om informatie over hoeveel de revenuen van de fondsen van de opgeheven Waalse gemeente in de stad bedragen, voor welk doel deze zijn bestemd en gebezigd en op welke wijze deze worden geadministreerd. De beantwoording wordt opgedragen aan een commissie ad hoc.

Rooms-katholieke gemeente

Op de 26e januari 1822 deelt de president burgemeester het Stadsbestuur mee dat de metselaar Pottelberg, uit naam van pastoor Simon van der Heijden van de rooms katholieke gemeente, hem toestemming is komen vragen voor het maken van een graf in de rooms-katholieke kerk voor het lijk van Cornelis van Eijkeren. De burgemeester heeft Pottelberg geantwoord dat hij hier niet in kan treden; als de pastoor enig verzoek heeft, behoort deze zich tot hem te wenden.
Daarna is hij door pastoor Van der Heijden per brief meegedeeld ‘dat hij niet twijfelde of de burgemeester zou er niets tegen hebben dat de lijken in hun kerk werden begraven’. Deze brief is door een persoonlijk bezoek van de pastoor, vergezeld door de heer Jan van Wintroy, gevolgd. De pastoor meende dat de gemeente het volste recht heeft om in hun kerkgebouw te laten begraven en dat hij zich bij weigering tot de Koning zou richten. De burgemeester heeft daarop geantwoord het verzoek niet in te willigen en ook niet te weigeren. Als dit volgens de bestaande wetten geoorloofd is, zal hij daarin moeten berusten. En als het niet geoorloofd is, dan kan hij geen toestemming strijdig met de wet geven. Verder heeft hij laten weten ‘dat hij zich moest verwonderen; de heren moeten toch overtuigd zijn van de goede gezindheid van de stedelijke regering ten opzichte van de rooms-katholieke gemeente, waarvan bij elke bekwame gelegenheid blijken zijn gegeven’. Waarom voegen ze dan zoveel overhaasting bij dit verzoek? Het zou voorzeker doelmatiger geweest zijn om een schriftelijk, gemotiveerd verzoek in te dienen. De overleden Van Eijkeren had in zijn leven een legaat aan de rooms-katholieke kerk vermaakt van ƒ 3.600. Een familielid, Jan Janse van Eijkeren, verzoekt Zijne Majesteit de Koning toestemming voor de aanvaarding van dit legaat. Het Stadsbestuur adviseert de Koning hier negatief over.

Pastoor S. van der Heijden verzoekt het Stadsbestuur in november 1822 te bevorderen dat hem een jaarlijkse toelage van ƒ 500 uit ’s rijks kas wordt verleend. Het Stadsbestuur zegt toe zich hiervoor in te zullen zetten. De Gouverneur geeft het Stadsbestuur in juli 1823 kennis dat aan pastoor Van der Heijden door Zijne Majesteit een jaarlijkse toelage van ƒ 300 is verleend.
Merkwaardig is overigens de vraag van de Gouverneur in december 1822 om informatie over het gedrag van de rooms-katholieke pastoor en welke gevoelens hij over het gouvernement aan de dag legt.

In oktober 1823 verzoekt de Gouverneur het Stadsbestuur opgave ‘op welke wijze het kerkbestuur van de rooms-katholieke gemeente is samengesteld en welke verordeningen daaromtrent gevolgd worden, mitsgaders consideraties omtrent de invoering van het reglement op de administratie der kerkgoederen’. Hieraan wordt voldaan.
Gedeputeerde Staten nodigen het Stadsbestuur in augustus 1824 uit om het bestuur van de rooms-katholieke kerk te herinneren aan de bepalingen van Zijne Majesteits besluit van de 1e juli 1816. Op grond daarvan mogen door kerken en armbesturen geen wederbeleggingen van gelden gedaan worden zonder hun autorisatie.

Israëlitische gemeente

Op zijn verzoek wordt Zijne Majesteit de Koning via de Gouverneur in augustus 1824 meegedeeld dat in Goes geen Israëlitische gemeente bestaat.