Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1821 - 1826)

Openbare orde

Enkele aspecten op het gebied van de openbare orde trekken de aandacht en volgen hier.

Sluikerijen
In februari 1824 overweegt het Stadsbestuur dat de nodige surveillance op de aan belasting onderhevige voorwerpen op onvoldoende wijze kan worden uitgeoefend. Dit is zowel van belang voor de handhaving van de belangen van de stad als tot voorkoming van sluikerij. Dit kan alleen door het voorschrijven van duidelijke regels en formaliteiten die als leidraad kunnen dienen voor de ontvangers en hun beambten. Het is tevens van belang dat de heffing van plaatselijke belastingen en van opcenten op de accijnzen van de dranken en van het geslachte, die de voornaamste inkomsten van de stad uitmaken, door een bijzondere controle worden omringd.
Met het oog daarop wordt een zevental artikelen vastgesteld. Artikel 1 luidt:
‘Bij elk bureau van declaratie in deze gemeente zal een register worden aangelegd, waarop al de in- en uitgevoerd wordende dranken zullen worden aangetekend. De verv van dat register zal den invoer en de recto (het voorblad) de uitvoer aanwijzen’.

Springstieren
In januari 1822 deelt Gerard Kooman het Stadsbestuur mee dat hij voornemens is ‘een springstier tot het bespringen van eens anderen koeien te houden’. Besloten wordt Kooman de verlangde vergunning te verlenen. Tot keurmeesters van de springstieren in de gemeente worden benoemd Joos Filius en Laurus van Hoorn. De goedgekeurde springstieren zullen met het stadswapen, zijnde ‘een Gans’, worden gebrand op de wijze zoals in artikel 5 van het Reglement op het houden van springstieren voorgeschreven.
Jan Kriekaart krijgt in april 1825 toestemming om in de plaats van Gerard Kooman, die daarvan heeft afgezien, een springstier te houden. De stier is goedgekeurd door de keurmeesters.

Loterijen
In 1821 deelt de Gouverneur mee dat Petrus Nortier ontslag is verleend en zijn zoon Adriaan is benoemd tot splitser voor de 125e en 126e Koninklijke Nederlandsche Loterijen. Ook worden in 1821 als debitanten voor de stad voor de 126e en 127e loterij bij Gedeputeerde Staten voorgedragen A. Smallegange, J.H. Priesterbach, J. Pilaar en J. van Zoom.
In 1822 worden Adriaan Nortier en Johannes Fransen van de Putte voorgedragen als splitsers van loten voor de 127e en 128e Loterijen. Voor de 128e en 129e Loterijen zijn debitanten J. Pilaar, A. Priesterbach, A. Smallegange en S. van Zoom.
In 1824 zijn dat voor de 130e en 131e Loterijen A. Smallegange, J.H. Priesterbach, J. Pilaar en S. van Zoom. J. Fransen van de Putte en C. Pilaar worden toegelaten als debitanten van loten voor de 131e en 132e Koninklijke Nederlandsche Loterijen.
In 1825 krijgen C. Pilaar, J.H. Priesterbach en A. Smallegange toelating als debitanten van loten voor de 132e en 133e Koninklijke Nederlandsche Loterijen.
J. Fransen van de Putte, S. van Zoom en C. Pilaar worden voor de 133e en 134e Koninklijke Nederlandsche Loterijen toegelaten.
In 1826 zijn dit Jochem Nathan Spies en Cornelis Pilaar als debutanten voor de 134e en 135e Koninklijke Nederlandsche Loterijen voor deze stad.

Bedelaars
In 1825 zijn er vijf bedelaars in de stad die gedurende bepaalde tijd ondersteuning genieten, namelijk Willem Barbier, Pieter de Kunder, David Vreeke, Philip Jacobus Olvers en Maria de Waard. In 1826 zijn dit Philippus Martijn, David Vreeke, Jozias Sandee, Cornelia Sandee en Maria de Waard. Adriana de Waard is overleden in 1826. Er is ook een aantal bedelaars opgenomen in de Ommerschans.

Premie op vangen zeehonden en bruinvissen
De Gouverneur stuurt in mei 1826 een aanschrijving over het verlenen van premies voor het vangen van zeehonden en bruinvissen. Inderdaad blijkt soms uit de stadsrekeningen dat er regelmatig zeehonden worden opgebracht.

Nachtwacht

De stedelijke nachtwacht krijgt op hun verzoek in november 1821 gedurende de aanstaande winter de benodigde brandstoffen op stadskosten.

In 1823 worden in de plaats van de overleden klapperlieden Antony Noorthoeve en Jacobus Sanderse benoemd de assistent-klapperlieden Jan Loof en Jacob Hollestelle. Tot nieuwe assistenten worden aangesteld David Steijns en Willem van Loo.
Jan Loof krijgt op zijn verzoek in 1825 eervol ontslag als stedelijke kapperman of nachtwaker. In zijn plaats komt de assistent-klapperman Antony Burggraaf. Tot nieuwe assistent-klapperman wordt dan Dirk Nonnekes benoemd.

Brandweer
Deze jaren zijn er vier grote brandspuiten in de stad met pers- en zoogpompen, te weten de grote spuit, de keetspuit, de kleine draagbare spuit in de Grote kerk en de Voorstadspuit. Bij de spuiten zijn er 35 brandemmers en in de verscheidene gestichten 104, samen dus 149. Er zijn 7 ladders, maar deze zijn door ouderdom vergaan en dus niet meer bruikbaar. Verder zijn er 6 haken, 12 waterzakken en 27 lantaarns.

In 1821 zijn er enkele vacatures van brandmeester. In maart overlijdt de brandmeester bij de grote spuit, Pieter Proos, in leven stadsfabriek van de stad. In zijn plaats komt aannemer Marinus Goossen.
In juni verzoekt de generale brandmeester bij de keetspuit, Johannes Walraven, vanwege zijn vergevorderde ouderdom eervol ontslag. Hij krijgt dit onder dankzegging voor zijn langdurige, in die functie bewezen diensten. In zijn plaats komt Jacob Kakebeeke, lid van de stedelijke raad. In oktober overlijdt de generale brandmeester Pieter van Kleijnputte. In zijn plaats komt Jan Soutendam.
De generale brandmeesters wordt meegedeeld dat het de intentie van het Stadsbestuur is dat door de benoeming van hun medelid Jacob Kakebeeke tot generale brandmeester het presidium aan hem wordt opgedragen met het verzoek om deze bepaling op het oog te houden.

Op verzoek van de kerkmeesters van de Hervormde kerk besluit het Stadsbestuur in augustus 1822 de generale brandmeesters aan te schrijven om de kleine brandspuit, die geplaatst is in het kerkgebouw van de Grote kerk, evenals de stadsspuiten, onder hun directie te nemen en voor de aan de spuiten noodzakelijke reparaties te zorgen. De kosten worden voor de helft door de stad en voor de helft door de kerk gedragen.

In 1823 zijn er weer enkele vacatures van brandmeester. In maart 1823 overlijdt de brandmeester Izak de Broekert. In zijn plaats komt de timmermansbaas Jan Ross. In december overlijdt de brandmeester bij de Voorstadspuit J.I. Burger. In zijn plaats komt Joos Filius, wonend in de Voorstad.
In november 1826 overlijdt de generale brandmeester Jan Soutendam. In zijn plaats komt Matthijs Gerhardus Mulder, tot nu toe onderbrandmeester bij de Voorstadspuit. In diens plaats wordt tot brandmeester bij de Voorstadspuit benoemd Adriaan van den Berge, tot nu toe onderbrandmeester.

In maart 1824 wordt een lijst met zestig spuitgasten, die bevoegd zijn te assisteren bij de brandweer, opgesteld.

Er woedt in de nacht tussen de 7e en 8e maart 1825 brand in het huis van de bezemmaker Laurens Opperman aan de Ganzepoortstraat. De schade wordt berekend op ƒ 275.

De brandmeesters geven het Stadsbestuur in juli 1825 kennis dat de brandspuiten en blusgereedschappen een buitengewone vernieuwing en reparatie vereisen. De kosten daarvan worden begroot op ƒ 200 à ƒ 250. Gedeputeerde Staten keuren goed dat deze onvoorziene uitgaven ten laste van de post onvoorziene uitgaven wordt gebracht.

Rechtbank
De nieuw benoemde President van de Rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdt in de stad, wordt in april 1822 geïnstalleerd.

De Gouverneur geeft de Rechtbank in september 1824 toestemming om voor het bewaren van haar archief op de kamer van het Stadhuis, die bestemd is voor de bewaring van het plaatselijke en rechterlijke archief, goede sluitende kasten te laten maken.

In april 1825 deelt de heer Lenshoek mee dat hij benoemd is tot vrederechter in het kanton Goes in de plaats van de overleden P. Ossewaarde.

Uit de uitspraken van het Hof van Assises van de provincie Zeeland krijgen we een indruk van de gerechtelijke uitspraken in geval van misdrijven. Enkele voorbeelden volgen hier:

1824:
Dina Driesprong, oud 21 jaar, geboren te Prinsland, laatst woonachtig te Goes, dienstmeid, wegens gepleegde diefstal ten huize van haar meester tijdens zij bij hem voor loon in dienst was. De straf is een half uur te pronkstelling op een schavot en een hechtenis van vijf jaar.
Leyn Brouwer, oud 23 jaar, geboren te ‘s-Heer Arendskerke, laatst zonder vaste woonplaats, arbeider, wegens diefstal door middel van binnenbraak in een bewoond huis. De straf is een uur te pronk stelling op een schavot en een hechtenis van zeven jaar.
Jan Hendricus van den Akker, oud 40 jaar, laatst wonend te Rotterdam, beurtschipper van Rotterdam op Goes vice versa, wegens als schipper op onderscheidene tijden gelden, die hem als zodanig ter bezorging waren toebetrouwd, te hebben achter gehouden en alzo gestolen. De straf is een half uur te pronkstelling op een schavot en een hechtenis van vijf jaar.

1826:
Leendert van Loo, 32 jaar, geboren te Goes, laatst wonend te Antwerpen, varensgezel, wegens diefstal bij nacht in het bewoond wordende schip van en jegens zijn meester, tijdens hij bij hem als knecht voor loon, kost en inwoning in dienst was. De straf is een uur te pronkstelling en een gevangenisstraf van vijf jaar.

Compagnie stedelijke schutterij
In mei 1822 besluit het Stadsbestuur enige verandering te brengen in de montering van de schutters. Inplaats van de tot nu toe gedragen blauwe pantalon en zwarte slobkousen zullen voortaan gedragen worden een wijd witlinnen broek en witte slobkousen. Met deze verandering kan de Krijgsraad zich volkomen verenigen.
De navolgende leverantie wordt in juni 1824 ten dienste van de schutterij gedaan: 10 complete monteringen, bestaande in een blauw lakensche rok, wit linnen broeken en slobkousen en witte pompons en stropdassen.
Een specificatie van de kledingstukken van de uniformen is in het gemeentearchief opgenomen.
Op voorstel van de burgemeesters besluit de gemeenteraad in maart 1823 de aanbesteding goed te keuren van de leverantie van 87 stuks schakots en 15 monteringen ten dienste van de stedelijke schutterij aan Hendrik Cornelis Pilaar.

Ter illustratie volgt hierna een overzicht van de samenstelling van de compagnie dienstdoende schutterij in 1822. Deze bestaat uit kapitein Jan van den Thoorn, 48 jaar, zilversmid; 1e luitenant Wilhelm van Citters, 48 jaar, particulier; 2e luitenant Pieter Andries Hochart, 29 jaar, apotheker; sous luitenant Gerbrand Sandijk, 30 jaar, aannemer; sergeant majoor Andries Smallegange, 27 jaar, klerk; sergeant Johannis Koopman, particulier; sergeant Samuel Elzevier Stokmans, 25 jaar, klerk; sergeant Gerhard Hendrik Kakebeeke, 20 jaar, koopman; sergeant Pieter van Dalen, commies griffier; fourier Abraham Magnin, 23 jaar, klerk; tamboer Johannes Delnij, 33 jaar, kleermaker; tamboer Johannes Engelbert, 29 jaar, kleermaker; pijper Jan Pieter de Wijs, 23 jaar, lootgieter; pijper Thomas de Wijs, 22 jaar, schilder; rappelmeester Gerhardus van Kalmthout, 32 jaar, winkelier; muzikanten Adriaan Sampon, 22 jaar, pruikmaker; Anthonie Gilde, kleermaker; Pieter Somers, klerk; Alex Breker, bakker; Jan de Fouw, klerk; Willem den Boer, timmerman; Willem Verburg, bakker; Johannes Harinck, klerk; Hubrecht de Jonge, arbeider; Johannis Mellinck, timmerman; Hendrik van Boxtel, particulier; Gerard Goossen, schilder; Marinus de Broekert, barbier; Jacobus Scheffer, kleermaker; Willem de Wolf, schilder; Willem den Boer, timmerman, en verder nog honderd schutters o.a. Abraham van Kerkwijk, klerk; Herman Verhoeff, koopman; Kors Buitendijk, aannemer; Govert Buize, winkelier; Gerrit de Joode, logementhouder; Johannes Vertregt, bakker; Marinus Frederiks, bakker; J.P. Pottelenberg, metselaar; Govert Klemkerke, timmerman; Gijsbregt Proos, timmerman; Maarten van der Heijt, schoenmaker; Willem Dirkse, looier; Thomas Briels, bakker; Hendrik Visser, schoenmaker; David Vervenne, winkelier; Teunis van Asperen, aannemer; Gerard van de Velde, zilversmid; Jacobus Bal, wagenmaker; Frans Schaverbeeke, molenaar; Dirk Nonnekes, schoenmaker; Antonie Bruchetto, schilder; Benjamin Steendijk, klerk; Jan Barbier, bakker; Pieter Steijn, smid; Dignus Remijn, molenaar; Jan de Witte, zadelmaker; Abraham Buijk, stoeldraaier; Johannes Nederveen, apotheker; Johannes Luteijn, apotheker; Gerard de Jonge, koperslager; P.M. Smolders, horlogemaker; Johannes Clement, grutter; Andries Snoep, bakker; Huibrecht Zwieter, timmerman; Matthijs Blondel, schoenmaker; Johannes van Loo, koperslager; Marinus Haljaan, smid; Jan Voois, koopman; Jacobus van de Volkere, klerk; Pieter de Vreugd, koopman; Abraham van de Volkere, zilversmid; Willem van Hoorn, smid; Adraan van Delft, kleermaker; Pieter Pruimers, oud 34 jaar, apotheker; Bernard Boulboulle, horlogemaker; P. Magielse, hoedenmaker; David Lancester, 24 jaar, koekebakker; Johan Hutchinson, kleermaker; Nicolaas Duivewaarde, kleermaker; Pieter Minders, kleermaker; de overige schutters zijn vrijwel alle arbeiders.

In juni 1822 vraagt Willem Sampon ontslag als 2e luitenant bij de schutterij. Zijn zevenjarige dienst zit er op. In zijn plaats komt P.A. Hochart.
Ook de 2e luitenant bij de schutterij G. Zandijk heeft zeven jaar gediend en recht op ontslag. Door beroepsbezigheden is hij buiten staat deze functie naar behoren waar te nemen. Het blijkt moeilijk geschikte opvolgers te vinden. In zijn plaats komt J.J. van de Putte.
In oktober 1823 verzoeken G. Zandijk en W. van Citters ontslag als officieren bij de dienstdoende schutterij. In hun plaats worden benoemd P.A. Hochart als 1e luitenant en A. Kakebeeke en M.P. Blaaubeen als 2e luitenants van de stedelijke schutterij.

In 1824 bestaat de schutterij uit 132 manschappen. De staf wordt gevormd door J. van den Thoorn, kapitein, zilversmid; P.A. Hochart, 1e luitenant, apotheker; A. Kakebeeke, 2e luitenant, particulier; M.P. Blaaubeen, 2e luitenant, advocaat; A. Smallegange, sergeant majoor, klerk; J.E. Stokmans, sergeant, klerk; P. van Dalen, sergeant, commies griffier; C. Pilaar, sergeant, klerk; M.A. Haliaan, sergeant, smid; A. Magnin, fourier, klerk, en G. van Kalmthout, kapelmeester, organist. Er zijn twaalf muzikanten, terwijl de overige manschappen schutters zijn.

In mei 1825 legt de burgemeester een nominatieve staat over van 31 leden van de stedelijke schutterij, die vanwege hun verrichte zevenjarige dienst of uit hoofde van lichaamsgebreken en verandering van woonplaats ontslag hebben verzocht. Ook legt hij ter tafel over een lijst van door de Commissie van designatie voor de stedelijke schutterij aangewezen schutters, van wie de 31 eerstgenoemden dadelijk in dienst moeten worden gesteld om de ontslagenen te vervangen. De overigen blijven in reserve voor het vervullen van eventuele vacatures. Tevens meldt hij dat deze 31 schutters de schutterlijke eed hebben afgelegd. De Commissie van designatie heeft haar werkzaamheden daarmee voor dit jaar voltooid.
De Krijgsraad van de dienstdoende schutterij van de stad doet daarna opgave van de onlangs aangewezen schutters die zich op eigen kosten geheel of gedeeltelijk zullen kunnen kleden en van degenen die ze daartoe buiten staat oordelen. Het Stadsbestuur berust in het oordeel van de Krijgsraad. In juli worden de condities van aanbesteding van kledingstukken voor de dienstdoende schutterij vastgesteld.

Het Stadsbestuur schrijft in juli 1825 de kapitein van de stedelijke schutterij aan over de wekelijkse wapenoefening van de schutterij. Hiervan worden vrijgesteld degenen ‘welke in de oogst op de akker onmisbaar zijn’. Ook wordt de kapitein verzocht de bewijzen van ontslag van de schutters die zeven jaren hebben gediend uit te reiken en de nieuw aangewezen schutters in dienst te stellen en te wapenen.

In april 1826 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Krijgsraad van de schutterij met de verantwoording van de voor de exercities benodigde munitie. Het blijkt dat er geen aanvraag om munitie wordt gedaan omdat de meeste van de bij de schutterij in gebruik zijnde geweren in een zodanige slechte staat zijn, dat daarmee ‘geen exercities in het vuur zonder gevaar kunnen worden gedaan’.

In juli 1826 krijgt de kapitein van de schutterij, Jan van den Thoorn, op zijn verzoek eervol ontslag. In zijn plaats wordt bij Koninklijk Besluit benoemd de heer Pieter Andries Hochart, tot nu toe eerste luitenant van de schutterij.
De kapitein stuurt een nominatieve lijst van zijn compagnie zoals die thans is samengesteld in. Ook is er een brief van de Krijgsraad van de schutterij met een rapportage over de installatie van de nieuw benoemde leden in hun raad.

Uit de ingediende lijst blijkt dat de compagnie schutterij in 1826 bestaat uit kapitein J. van den Thoorn, zilversmid; eerste luitenant P.A. Hochart, apotheker; tweede luitenant A. Kakebeeke, tweede luitenant M.P. Blaaubeen, advocaat; sergeant majoor A. Smallegange, koopman; sergeant C. Pilaar, klerk; sergeant C.P. Soutendam, klerk; sergeant H. Visser, schoenmaker; sergeant H. van Deinse, klerk; fourier M.J. van den Thoorn, wijnkoper; tamboer Johannes Delnij, kleermaker; tamboer Johannes Engelberts, loodgieter; pijper D. Lammens, loodgieter; pijper Jan Jansen, loodgieter; pijper C. Kopmels, loodgieter; pijper Bastiaan Hoek, loodgieter; kapelmeester G. van Kalmthout, organist; muzikant A. Sampon, pruikmaker; muzikant W. den Boer, timmerman; muzikant D. Steendijk, klerk; muzikant Willem Verburg, bakker; muzikant C. Bollersdorf, kleermaker, en verder 113 schutters, waaronder J. de Fouw, klerk; L.A. de Rochefort, boekdrukker; J. Leeuwe, schoolmeester; P. de Lepelaar, apotheker; D. Krekelenburg, bakker; Arie van de Visse, mandenmaker; Van Pijke, landbouwer; M. van der Heijt, schoenmaker; D.D. Haliaan, smid; G. van Riet, timmerman; P. Reijnders, schilder; G. de Joode, logementhouder; J.B. Eltzman, schoolmeester; Jan Temperman, smid; Jan de Graag, koekbakker; P.M. Smolders, horlogemaker; W. Oudkerk, grutter; G. van de Velde, zilversmid; Jacobus Bal, wagenmaker; P. Tavenier, schilder; H. Tegelbakker, schilder; Carel Schogg, kuiper; G. Verheule, schilder; A. Heijblom, organist; P. Steutel, schoenmaker; D.J.J. Marinissen, apotheker; P.M. Barends, apotheker; M. van Hese, koetsier; J. Cornelisse, koekbakker; W. Ross, boekdrukker; J. Risseeuw, klerk; Jacobus Vermaas, bakker; A. Kooman, koetsier; Jacob Ockstee, kuiper; Johannes Geluk, bakker; P. Schot, bakker; C. Robeijn, smid; P. Magielse, hoedenmaker; A. van Delft, schoenmaker; Johannes Sterk, barbier; B. Boelboelle, horlogemaker; J.W. Petit, apotheker; C.C. van den Bosch, klerk; F. Clemens, barbier.

Overigens ontvangt het Stadsbestuur in januari 1826 nog een bewijs van verevening door de Algemene Rekenkamer te ’s-Gravenhage van de gedane verantwoording door de burgemeesters van Goes voor een bedrag van ƒ 6.817,60. Deze is verstrekt in het jaar 1816 tot betaling van de manschappen van de Landstorm in het eiland die in 1813 militiediensten hebben verricht. Deze verantwoording wordt volledig goedgekeurd.

Krijgsraad
In oktober 1822 worden de aftredende leden van de Krijgsraad van de schutterij, W. van Citters, P.A. Hochart, A. Zitters en G. Sterk, eervol ontslag verleend. In hun plaats worden benoemd de luitenant Pieter Andries Hochart, de sergeant Samuel Elzevier Stokmans, de korporaal Gerrit de Joode en de schutter Theunis van Asperen.

De Krijgsraad van de dienstdoende schutterij dient in augustus 1825 een voordracht in voor de benoeming van een lid in de Krijgsraad in de plaats van de aftredende sergeant Stokmans. Cornelis Pilaar, de zoon van de griffier Pilaar, wordt in zijn plaats benoemd.

In november 1826 worden tot leden van de Krijgsraad benoemd in de plaats van de tot kapitein bevorderde eerste luitenant Hochart de luitenant mr. M.P. Blaaubeen; in de plaats van de metterwoon vertrokken C. Pilaar de sergeant A.W. van Kerkwijk en in de plaats van Van Kerkwijk, die als schutter in de Krijgsraad zitting had, de schutter Jan de Fouw.

Garnizoen

Het Stadsbestuur machtigt de burgemeesters in mei 1821 tot de verkoop van een partij meubelen die gediend hebben voor het garnizoen. Indertijd zijn deze ten dienste van de militaire commandanten aangekocht. Het meubilair is nog steeds in het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt voor handen, doch hiervoor is thans geen gebruik meer. Bij een publieke veiling wordt tot verkoop overgegaan.

De Gouverneur stuurt in oktober 1821 een kennisgeving dat de heer Verschoor van Nisse voorlopig belast is met de waarneming van de functie van militiecommissaris van de provincie.

In oktober 1824 verzoekt de Gouverneur om te zorgen voor de huisvesting en voeding van twee militaire detachementen, die op de 19e oktober nachtkwartier zullen houden in de stad. Aan deze aanschrijving is voldaan.

Van de luitenant kolonel, commanderende het algemene Depot der Landmacht, en van de generaal-majoor provinciale commandant van Zeeland komt in januari 1826 bericht dat op de 1e februari een detachement militairen binnen de stad zal aankomen om te overnachten, tenzij er gelegenheid is om van Bergen op Zoom met een schip naar Veere te vertrekken. De commissie van kazernering wordt opgedragen voor de inkwartiering te zorgen.

Kazernes
De commissie, die bij besluit van de 24e maart 1821 benoemd is tot het maken van een plan voor de vermindering van de kosten voor de kazernering, doet in september verslag van haar bevindingen. Ze is tot de conclusie gekomen dat de commissie van de voornaamste kosten van inlegering van militairen behoort te worden ontheven. Er dienen geen detachementen boven de vijftien man sterk ten laste van het fonds logies te worden verstrekt, maar deze dienen bij de ingezetenen te worden ingekwartierd. De gebouwen die dienst doen als kazernes dienen weer ter beschikking van het Stadsbestuur te komen om voor stadsrekening onderhouden te worden.
Om de steeds onvermijdelijke kosten van logies voor kleine detachementen te kunnen betalen zal een gedeelte van de huur van de lokaliteiten voor kazernes aan de administratie van het fonds kunnen blijven. De inkomsten van het op deze wijze gereorganiseerde fonds worden op de volgende wijze bepaald:

  • uit de huur van het Manhuis tevens passantenhuis ƒ 450 en de huur van de Kleine of Gasthuiskerk en de woning in de voormalige schutterij van de Busse in de Wijngaardstraat ƒ 110, samen ƒ 560;
  • dit bedrag zal gebruikt worden voor de betaling van het traktement van de agent van de commissie van kazernering ten bedrage van ƒ 300 en de kosten van logies voor detachementen en militairen van vijftien man en daar beneden ƒ 260, samen ƒ 560.

Samengevat besluit het Stadsbestuur het volgende:

  • de ondersteuning aan de administratie van de kazernering zal voortaan niet meer op de begroting van de stad worden opgenomen;
  • de commissie van kazernering wordt verzocht de voor handen zijnde fournituren voor het meeste voordeel te verkopen en de opbrengst ten gunste van de gemeenterekening van 1821 te verantwoorden;
  • de gebouwen die tot kazernes dienden vanaf 1822 weer te brengen onder dezelfde administratie als de overige stadsgebouwen en de commissie van kazernering van verdere directie en onderhoud daarvan te ontslaan;
  • de tussen de commissie en het algemeen armbestuur bestaande overeenkomst over het gebruik van het Manhuis tevens passantenhuis per 1822 te beëindigen;
  • aan de commissie van kazernering bij de voortduur op te dragen de directie en inkwartiering en het verzorgen van passerende militairen en detachementen;
  • de verdere opzet van de commissie te volgen.

Het Stadsbestuur overweegt in maart 1824 dat aan de gemeenteraad is opgedragen de zorg voor de geregelde kazernering en huisvesting van militairen en voor de behoorlijke evenredigheid ingeval van inkwartiering van troepen. Het is wenselijk hiervoor commissarissen in of buiten het stedelijke bestuur te belasten. Besloten wordt tot leden van de commissie van kazernering te benoemen de leden van de raad, de heren Van der Bilt, Mirandolle en Lenshoek van Zwake, onder toevoeging van de tegenwoordige agent J. Pilaar.