Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1821 - 1826)

Begraafplaatsen
Het Stadsbestuur beraadslaagt in augustus 1825 over een aanschrijving van de Gouverneur. Daarin worden de gemeentebesturen opgedragen het begraven in kerken en op kerkhoven te verbieden. Besloten wordt de Gouverneur te berichten dat het het beste zou zijn om de plaatselijke besturen aan te bevelen om, ieder voor zich en onder hogere goedkeuring, maatregelen te nemen om de schadelijke uitwerking van het begraven binnen de bewoonde kern van de gemeenten zoveel mogelijk te voorkomen. Verder wordt opgave gedaan van de bepalingen die de vergadering noodzakelijk en nuttig beschouwt in het geval tot een algemeen verbod van het begraven in de bewoonde kern van de gemeente zou worden besloten.

Enige vooraanstaande ingezetenen verenigen zich in mei 1824 en richten een begrafenissociëteit op. Ze sturen een exemplaar van hun Reglement naar het Stadsbestuur ter kennisname. De deelnemers in de opgerichte sociëteit zijn:
C.M. de Jongh, koopman A. Smallegange, wijnhandelaar G. Sterk, wijnhandelaar D. Vervenne, J. van Rentergem de Fouw, A. Clement, T. Snoep, wijnhandelaar P. Vervenne, heel- en vroedmeester T. Pieterse, D. van der Hoek, H.C. Pilaar, A. Remijn, J.A. Nortier, J. Pilaar, M. Does, commies griffier P. van Dalen, ambtenaar S.E. Stokmans, stadsdrukker en boekhandelaar F. Kleeuwens, W. van den Thoorn, S. Hemerijk Tak, J.P. Clement, wijnhandelaar J. de Jongh, T. van Asperen en apotheker H. Le Cointre.

In juli 1825 overlijdt de grafdelver Pieter de Munck. In zijn plaats komt Marinus Gandolf. Hiervan wordt kennis gegeven aan de kerkenraad van de Hervormde gemeente.
Vanaf oktober 1825 fungeert Johannes Magchielse als lijkdienaar in de plaats van de overleden Jan Steutel.

Drinkwatervoorziening
Er is in 1826 een groot gebrek aan drinkwater.
In augustus 1826 komt er een aanschrijving van de Gouverneur over de voorziening in het gebrek aan drinkwater voor het vee. Hij verzoekt om deze, voor zoveel het het buitenterritoir van de stad betreft, ook als aan het Stadsbestuur gericht aan te merken. Geconstateerd wordt dat door de burgemeester afdoende is gezorgd voor de zuivering van de publieke drinkputten in de gemeente, alsook voor het in orde brengen en houden van de stadspompen.

De Gouverneur vraagt in september 1826 informatie of zich gedurende de laatste droogte binnen de stad gebrek aan drinkwater heeft opgedaan. Hij krijgt als antwoord dat dit door tijdige voorzorgen gelukkig geen plaats heeft gehad ‘ofschoon zeker het water voor den Mensch op het laatst zeer schaars begon te worden’.

Kerkgebouwen
Grote kerk
Aan het klokkenspel in de toren van de Grote kerk bestaan aanzienlijke gebreken. Deze zijn onlangs door een van de geassocieerden in de klokgieterij van Petit & Fritzen in Noord-Brabant geëxamineerd. Voor het herstel is een bedrag van ongeveer ƒ 900 nodig. De klokgieter is genegen deze reparatie ten hoogste voor deze som aan te nemen. Voor het behoud van het klokkenspel is het werk volstrekt onvermijdelijk.

Op voorstel van burgemeester en wethouders stelt de gemeenteraad in december 1825 de condities van aanbesteding vast voor het opwinden van de stads uurwerken en het assisteren bij het bespelen van het carillon voor drie jaar met ingang van de 1e januari 1826.
Uit de besteding blijkt dat deze werkzaamheden zijn aangenomen door Marinus Adriaan Heljaan.

In september 1826 blijken er enige dringende en onvermijdelijke reparaties nodig te zijn voor het verzekeren van de kruisbalken onder de stadstoren op de Grote kerk. Het Stadsbestuur keurt de condities voor deze reparaties goed en draagt het werk op aan de aannemer Johannes Goossen voor ƒ 380.

De kerkmeesters van de Hervormde gemeente verzoeken in december 1826 enige veranderingen aan te brengen in de lijst tot bepaling van de zitplaatsen in het eergestoelte onder het orgel, zoals deze op de 2e maart 1816 is vastgesteld. Op voorstel van de burgemeester besluit het Stadsbestuur voorlopig geen verandering in de lijst aan te brengen dan door het aanbieden van plaatsen aan personen die daar nog geen zitting hebben en niettemin daarop aanspraak hebben. Een betere regeling van de zitplaatsen in het gehele voorgestoelte wordt tot een geschikter tijdstip uitgesteld.

Ligplaats voor stoomboot
De ondernemers van de stoomboot tussen Antwerpen en Rotterdam, Van Vollenhoven en consorten, maken in juli 1823 kenbaar dat ze op hun reizen bij ongunstige gelegenheden de steden Goes, Zierikzee en Veere willen aandoen. Het Stadsbestuur heeft hier op zich geen bedenkingen tegen. Maar uit nadere informatie van de ondernemers is hun gebleken dat ze het Sas van de stad niet kunnen aandoen. Door de verandering van de vaarroute zullen ze Zuid-Beveland alleen aandoen te Bath. Het verzoek zal dan ook waarschijnlijk van weinig belang en nut voor de stad zijn.
De Gouverneur stuurt in september 1823 het Koninklijk Besluit toe waarbij aan de heren Van Vollenhoven c.s. te Rotterdam is toegestaan om met hun stoomboot tussen Rotterdam en Antwerpen de steden Goes, Zierikzee en Veere aan te doen.

In augustus 1825 verzoekt de Gouverneur om inzending van een conceptreglement en tarief van vrachtlonen voor goederen die worden verzonden met de stoomboten die vergunning van Zijne Majesteit hebben om op hun vaart van Rotterdam naar Antwerpen Goes aan te doen. De Gouverneur krijgt bericht dat, hoewel ook voor deze stad octrooi is verleend, deze boten niet aan de haven of aan stadsterritoir aanleggen. Het komt het Stadsbestuur daarom voor dat zo’n reglement en tarief voor deze stad niet van toepassing kan zijn.

Oude watermolen aan de Kleine Kade
De administratie van de directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen, geeft in april 1823 haar verlangen te kennen tot het verkrijgen van een woning voor een van de commiezen van die administratie, Gerard Verheule. Ze verzoeken voor deze commies het pand van de oude waterkorenmolen aan de Kleine Kade te verhuren. Aan de commies Verheule wordt het pand verhuurd voor ƒ 1,50 per week. Het Stadsbestuur overweegt bij de verhuur dat het faciliteren van ‘s Rijks administratie een gegronde reden oplevert voor een onderhandse inplaats van de anders gebruikelijke openbare verhuring van stedelijke eigendommen.

Oude sluis en oude haven
In juli 1822 besluit het Stadsbestuur de sluis, liggende in de dijk tussen het kanaal aan de olymolen van de erven Peman en de oude haven bij de voormalige eerste zoutkeet, af te breken en weg te ruimen. Daardoor vervalt de verpachting van de visserij in de oude haven achter de zoutketen.

De aannemer van publieke werken in de stad, Ferdinand Rutsaert, biedt het Stadsbestuur in april 1824 aan om de oude haven van de stad droog en vruchtbaar te maken. Hij wil daarvoor op zijn kosten onder door de daarnaast liggende dijk een stenen uitlozingsheul leggen. Volgens het bestek zal deze heul ‘geen mindere lengte hebben dan zestien ellen wijd, 63 duim hoog en onder het gewelf 80 duim, de zijd en frontmuren 2, het gewelf 1¼ etc., voorzien van een bekwame eikenhouten schuif tot wering en uitlozing van het water in de stads zoete vest’. De droog gemaakte grond wil hij daarna in cultuur brengen ‘door deze rondom te bedelven met een bekwame sloot, wijd van boven 2.75 el, diep 1.25 el en wijd in de bodem 1.10 el, welke met de aan te brengen heul de nodige gemeenschap heeft’. Hij stelt daarvoor als voorwaarde dat hem met ingang van 1 oktober 1824 gedurende vijftien jaar tot september 1839 het vrije gebruik en genot van die grond, door hem te bedelven en droog te maken, wordt afgestaan. Het Stadsbestuur is zeer tevreden met dit alleszins voordelige aanbod en accepteert het volkomen.

In maart 1826 richt Rutsaert, de pachter van de stadsgrond gelegen in de oude haven achter de zoutkeet aan de havendijk, zich tot het Stadsbestuur. Hij geeft te kennen dat hij voor het bedelven, droogmaken en applaneren van die grond, om deze in cultuur te brengen, veel meer kosten heeft moeten maken dan hij daarvoor berekend had. Zijn vrees is daarom dat het genot van zijn gecontracteerde pachtjaren hem daarvoor op verre na niet zal schadeloos stellen. Tot tegemoetkoming daarin verzoekt hij de pacht met tien jaren en dus tot eind september 1849 te verlengen. Het Stadsbestuur overweegt dat Rutsaert vooralsnog geen voldoende reden heeft ervan uit te gaan dat de grond, die hij in pacht heeft tot eind september 1839, geen voldoende opbrengst zal opleveren. Het is daarom thans zeer onzeker welke uitkomst deze onderneming hem zal opleveren. Besloten wordt Rutsaert te kennen te geven dat vooralsnog in zijn verzoek niet kan worden getreden. Het wordt hem vrij gelaten om, wanneer zijn vrees mettertijd uit komt, zich dan opnieuw tot het Stadsbestuur te wenden.

Openbare verlichting
Elk jaar in december wordt weer de jaarlijkse aanbesteding van de verlichting gehouden.

Er blijkt in december 1824 een hogere aanneemsom betaald te moeten worden. Deze moet worden toegeschreven aan de bepaling dat in het vervolg de straatlantaarns in de maanden april en september, gedurende de donkere maan, langs de postroute en rondom de kaai zullen moeten branden tot voorkoming van ongelukken, vooral op de kaai.

In december 1822 bestaat de openbare verlichting uit: 1 réverbère met lampen van vier pitten; 32 réverbères van drie pitten; 14 réverbères van twee pitten; samen 47 réverbères; 66 lantaarns met lampen van een pit; 36 lantaarnpalen; 2 dubbele ladders; 4 enkele ladders; 2 oliekannen en 6 oliemaatjes.

Postkantoor
Er is weinig nieuws vanuit het postkantoor. In maart 1823 deelt de koopman Petrus Nortier mee dat hij vernomen heeft dat voor hem een brief op het postkantoor is aangekomen. Bij de gewone brievenbestelling is deze niet bij hem bezorgd. Desgevraagd verklaarde de directeur van het postkantoor dat er geen brief in het postkantoor is aangekomen. Het Stadsbestuur vraagt informatie bij de directeur, maar dat levert niets op. De zaak wordt daarop voorgelegd aan de Gouverneur. Deze deelt mee dat, zolang Nortier geen bewijs kan overleggen dat de postmeester brieven achter houdt of verliest, hij zich de tegen hem geuite klachten niet kan aantrekken.

De Gouverneur deelt in juni 1824 mee dat de postwagens van de kastelein Johannes van Ham zich in zulke slechte staat bevinden dat daarvan dagelijks ongelukken te duchten zijn. Op de 13e juni heeft er ook werkelijk een ongeval plaats gehad. Hij verzoekt de wagens van Van Ham te doen inspecteren. De Gouverneur vraagt zich af of Van Ham zich zelf enig exclusief recht tot het overbrengen van passagiers aanmatigt en op welke grond. Het is hem namelijk niet bekend dat er in Zuid-Beveland een postveer bestaat.
Uit het rapport van de inspectie door de stadsfabriek, in aanwezigheid van een wagenmakerbaas, een smidsbaas en een zadelmakerbaas, blijkt dat de wagen onbruikbaar is. Een soortgelijke wagen vereist een kleine reparatie. De zeven overige wagens bevinden zich alle in goede staat. Hiervan wordt de Gouverneur bericht gedaan onder mededeling dat het postwagenveer van Goes op het Sloe, in 1811 op autorisatie van de Prefect van het departement van de monden van de Schelde opgericht, bij continuatie door Johannes van Ham wordt bediend.

In januari 1825 stuurt Zijne Majesteit het vastgestelde ‘Reglement op de Postwagen van Goes naar het Sloe’ toe. Dit zal worden bediend door Johannes van Ham te Goes.
De stadsfabriek legt daarop in februari een rapport over van de inspectie van de postwagens, paarden en verder toebehoren van Johannes van Ham en van de daarbij geconstateerde gebreken. Van Ham wordt gelast om voor het herstel van de gebreken te zorgen en daarover nader te rapporteren.

In oktober 1825 komt ter tafel van het Stadsbestuur een rapport van de stadsfabriek van de gehouden examinatie van de postwagens en toebehoren van de ondernemer van de postwagens op het Sloe, Johannes van Ham. De inspectie is gedaan ten overstaan van de stadsfabriek door de hoefsmid Filius, de wagenmaker Meyler en de zadelmaker Riemers.
Naar aanleiding van het onderzoekrapport besluit het Stadsbestuur Van Ham aan te schrijven met de volgende bepalingen:

  1. om de bij de inspectie niet bevonden driebankwagen, gemerkt nummer 1 en in deze dienst in gebruik, binnen de kortst mogelijke tijd aan de inspectie van de stadsfabriek en zijn assistenten te onderwerpen;
  2. voortaan dient de inspectie plaats te vinden binnen de eerste acht dagen van elk kwartaal;
  3. de nummers waaronder de postwagens gemerkt zijn dienen zodanig daarop geplaatst te zijn dat deze niet kunnen worden weggenomen;
  4. elk van de drie assistenten van de stadsfabriek dient voor elke inspectie betaald te worden één gulden.

De Officier van Justitie binnen de stad geeft in januari 1826 kennis dat hij ingelicht is over de ongeoorloofde en voor de ingezetenen schadelijke praktijken van de postmeester Gregorie van Brigdamme binnen de stad. Hij is voornemens al wat hem ten laste kan worden aangevoerd bijeen te verzamelen om daartegen maatregelen te nemen. Hij verzoekt het Stadsbestuur in het belang van de ingezetenen om daaraan mee te werken en hem alle informaties te verstrekken die daarvoor dienstig kunnen zijn. Het Stadsbestuur bericht hem dat de vergadering overtuigd is van de noodzakelijkheid om de handelingen van de directeur van het postkantoor, waarover vele klachten in omloop zijn, te onderzoeken.
Tevens vindt het Stadsbestuur dat aan de wetten en reglementen op de brievenposterij meer publiciteit dient te worden gegeven. De vergadering is bereid om met de Officier mee te werken, ofschoon slechts tot nu toe één klacht officieel bij de stedelijke regering is ingekomen. Deze is dadelijk aan de Gouverneur voorgelegd, doch is zonder gevolg gebleven.
In februari 1826 wordt de directeur geschorst.
De Procureur Generaal bij het Hoog Gerechtshof te ’s-Gravenhage geeft in juni 1826 kennis dat de heer Gregorie, de gewezen directeur van het postkantoor te Goes, in staat van beschuldiging is gesteld en ‘naar de Assises in deze provincie gerenvoyeerd is’.
De Gouverneur deelt eind november 1826 mee dat de heer J.M. Baron van Boecop tot directeur van het postkantoor van de stad is benoemd in de plaats van L.J. Gregorie van Brigdamme, die uit ’s Lands dienst ontslagen is.

In september 1826 legt de burgemeester het Stadsbestuur een proces-verbaal over naar aanleiding van ingekomen klachten over Johannes van Ham, de ondernemer van de postwagen naar het Sloe en vice versa, wegens handelingen strijdig met het Reglement van 12 december 1824. Dit bericht wordt ter afdoening overgelegd aan wethouder Kakebeeke.

Poorten
De boomvakken buiten de Bleekveldse poort worden in december 1821 voor 25 jaar verpacht aan Cornelis Bosdijk voor ƒ 55 per jaar.
In september 1823 wordt aanbesteed het maken van twee nieuwe deuren aan de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort aan Govert Klemkerke voor ƒ 220.

Er ontstaat in 1826 een verfmakerij aan de Oostpoort. Op voorstel van burgemeester en wethouders stelt het Stadsbestuur in juli 1826 de condities vast voor de publieke aanbesteding van ‘het bouwen van een lokaal tot het koken van Verw Oly tegen de muur bij de Oostpoort’. Het werk wordt gegund voor ƒ 220 aan aannemer Jacobus Proos.

De functie van poortier wordt meestal gecombineerd met andere bedieningen. Zo wordt in september 1825 Adriaan Goeman benoemd tot poortier van de Hoofdpoort, de Oostpoort en de Bleekveldse poort en tevens tot assistent houtvamer en turftonder van de korte turf.

Scheepswerf
Slechts een enkel gegeven komen we tegen over de scheepswerf.
Scheepstimmerman Gilles Welle krijgt in augustus 1821 opdracht tot het examineren van het vaartuig van de beurtschipper op Zierikzee, Jacobus Benjaminse. Hij dient het verslag van zijn inspectie bij het Stadsbestuur in. Daaruit blijkt dat alles wat tot de dienst van het vaartuig behoort, in goede orde bevonden is.
In november 1823 wordt Johannes Welle op zijn verzoek de verloting van een plaisierbootje voor een waarde van ƒ 38 toegestaan.

Straten en wegen
In januari 1825 komt er bericht van de Gouverneur dat het gedeelte van de straatweg, lopende van de Ganzepoort tot buiten de Voorstad, zal worden hersteld.

Johan Gerard van Maldegem, pachter van de havendijk en verder daarbij behorende grond, verzoekt in 1826 een vermindering van ƒ 60 op zijn jaarlijkse pacht van ƒ 260. Hij heeft namelijk, evenals in het voorgaande jaar, geen noemenswaardig genot van de graszetting van de havendijk. Dit komt door het veelvuldig vervoer van aardappelen, meekrap en dergelijke uit en naar de Wilhelminapolder, waardoor de havendijk zeer bedorven en beschadigd wordt. Overwogen wordt dat het door Van Maldegem aangevoerde naar waarheid is. Hij krijgt dan ook afslag van de pacht van ƒ 60.

Tolhuis
De tollenaar Janus Maat, inwoner van de gemeente, geeft in april 1825 te kennen dat hij ‘de Tol op de weg nummer 5 in het eiland’ pacht. Zijn wens is om ter plaatse van de opgerichte Tolpaal op de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk, tegenover de herberg ‘het Molentje’, op stadsgrond een woning te bouwen en deze als tolhuis te gebruiken. Hij krijgt 52 ellen stadsgrond op erfpacht bij de tolpaal tegenover de herberg ‘het Molentje’, tegen een jaarlijkse retributie van drie gulden, dit zolang het te bouwen tolhuis op die grond aanwezig zal zijn.

Vesten
Ook deze jaren worden de vesten weer in gedeelten verpacht. Zo worden verpacht de brakke vest aan de westerschans; de zoute vest buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort; de zoete vest van de stenen beer of het zogenaamde muurtje tot aan de Oostpoort; de zoete vest van de Oostpoort tot in de zogenaamde galgenhoek onder de stad; de stads oude haven achter de zoutketen.

Pachter Reijerse krijgt in september 1823 toestemming om de lopende pacht van de visserij in de zoete vest rondom de stad, tussen de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Oostpoort, over te dragen aan de heer Willem Frederik van der Burcht van Lichtenberg. Van der Burcht verbindt zich om geen toestemming te verlenen om langs de kant van de vest te vissen en om niet meer dan één boot in de visserij te zullen houden.

Waag en weeghuis
Er functioneren in de stad zowel een stadsweeghuis aan de Molendijk als een stadswaag aan de Grote Markt. In juni 1826 stelt het Stadsbestuur de condities voor de openbare verhuring van een woonhuis en erve, genaamd ‘het Weeghuis’, staande op de Molendijk of aan de Rozemarijnstraat of op de zogenaamde Havendijk.

In september 1826 komt er een aanschrijving van de Gouverneur. Hij heeft bepaald dat, ingeval in de vaststelling van het gewicht van het vee door de schatters geen genoegen wordt genomen, dat verschil zal moeten worden beslist door middel van weging in de Stadswaag of door beëdigde wegers.

Overige aangelegenheden
In juni 1822 wordt een overeenkomst gesloten tussen de gemeenteraden van Goes en Kloetinge over het verschil van mening over de grensscheiding aan het zogenaamde Galgenschorre. Onder voorzitterschap van de heer Verschoor van Nisse kan deze kwestie in der minne worden afgehandeld.

In november 1823 krijgt Cornelis Beijaard op zijn verzoek toestemming om in het pand in wijk D nummer 303 een koestal en bergplaats voor hooi en stro te laten maken.

Jacob Beenhakker, als eigenaar van een woonhuis op de Grote Markt in wijk D nummer 4, wordt in juli 1824 gelast om de gevel van zijn huis, dat in een bouwvallige staat verkeert, te herstellen omdat daarvan ongelukken te duchten zijn.

De Gouverneur geeft in maart 1825 kennis dat, ‘volgens waarnemingen van geleerde mannen’, de springvloeden van 4 maart, 3 april, 14 augustus, 12 september en 11 oktober van meer dan gewone hoogte kunnen zijn. Zijne Majesteit heeft daarom gelast om geschikte maatregelen tot het afwenden van alle gevaar te nemen. Op verzoek van de burgemeester geeft de stadsfabriek order om de buitensasdeuren aan de haven door het aanbrengen van planken te verhogen en om te zorgen dat in de nabijheid van het sas de nodige materialen tot afwering van het water dadelijk worden bijeengebracht.

De gemeenteraad besluit in juli 1825 de volgende openbare werken goed te keuren: het gronden en opschilderen van de vergaderkamers van de stedelijke raad en van de Rechtbank in het Stadhuis; enige reparaties van metselwerk meest aan de stadspoorten; het maken en plaatsen van vier nieuwe koperen reverbères voor de stadsverlichting.
In augustus 1825 worden de condities voor de aanbesteding van het maken en plaatsen van een houten balie of leuning rond de zogenaamde Karnemelkse put buiten de Voorstad vastgesteld.
In augustus 1826 worden de reparaties aan de twee stadhuistorens aanbesteed aan aannemer Johannes Goossen voor ƒ 270.

Op hun verzoek en gelet op het gunstige advies van de generale brandmeesters en de stadsfabriek besluit het Stadsbestuur in februari 1826 aan Hubertus Le Clercq en aan mejuffrouw de weduwe Voyer toe te staan om hun stookplaatsen te veranderen. De weduwe Voyer krijgt bovendien toestemming om, aan de straat voor haar huis in wijk A nummer 54, stenen palen te plaatsen.