Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1821 - 1826)

In januari 1821 treedt een derde deel van de zogenaamde kiesmannen of kiezers af. Met volstrekte meerderheid van stemmen worden de heren G. de Leeuw, M. Slabber, D. Noël, F.N. van der Bilt, L. de Fouw en J. van Winteroy herkozen.

In januari 1822 is burgemeester M. Slabber aftredend. Het Stadsbestuur stelt een nominatie voor Zijne Majesteit de Koning op tot vervulling van de vacerende burgemeestersplaats. Bij het openen van de stembiljetten blijkt de nominatie te bestaan uit de heren Martinus Slabber, Michaël Constantijn van Dorth en Dominicus Noël. Zijne Majesteit de Koning benoemt de heer Slabber opnieuw tot burgemeester.

De eerste vergadering in het nieuwe jaar 1822 wordt door de presiderende burgemeester met een gepaste aanspraak ter gelegenheid van het nieuw ingetreden jaar geopend ‘onder toewensching dat de rijkste Zegeningen des Hemels steeds door de leden dezer vergadering mogen worden ondervonden en dat de eensgezinde en welmenende pogingen van hun edelachtbaren ter bevordering van den bloeij dezer stad en den welvaart der ingezetenen met den besten uitslag mogen worden bekroond’.

In september 1822 worden met volstrekte meerderheid van stemmen de aftredende kiesmannen J. Jenoteau, J.J. Risseeuw, J. Soutendam, J. Nederveen en W. van Citters herkozen en mr. Jozias de Backer als nieuw lid benoemd.

Burgemeester Slabber deelt in juni 1823 per brief vanuit ’s-Gravenpolder mee dat hij door zijn ambtsbediening verplicht is om op één van de plaatsen van zijn ontvang (hij is rijksontvanger ten plattelande) te wonen. Hij is daardoor buiten staat de volgende functies uit te oefenen: de waarneming van de stedelijke politie, de directie over de leenbank, het hoofdcommissarisschap van de stedelijke arbeiders en het presidium van de subcommissie van weldadigheid. Hij verzoekt in de waarneming van deze functies te voorzien. Het Stadsbestuur vindt het een natuurlijk vereiste dat ieder lid van de stedelijke regering zijn woonplaats binnen de stad heeft. Hierover wordt het gevoelen van de heer Slabber gevraagd.

De heer Dominicus Noël verzoekt in juni 1823 ontslag als lid van de raad vanwege zijn klimmende jaren en voortdurende lichaamsongesteldheid.

In juli 1823 benoemt Zijne Majesteit de Koning de heer J.H. Verschoor van Nisse, lid van de gemeenteraad, tot districtscommissaris. Hij wordt met deze benoeming gefeliciteerd.

De president burgemeester G. de Leeuw deelt in augustus 1823 zijn voornemen mee om zich voor enige dagen op reis te begeven. De andere burgemeester, M. Slabber, evenals het dan opvolgende oudste lid van de raad, M.C. van Dorth, kunnen door hun rijksontvangerschap ten plattelande hem niet vervangen. Het dan in rang opvolgende lid Verschoor van Nisse belast zich met de waarneming van het waarnemend voorzittend burgemeesterschap.

Een Koninklijk Besluit bepaalt in september 1823 dat, in afwachting van de op handen zijnde uitvoering van de nieuwe of herziene reglementen voor het stedelijk bestuur, geen verder gevolg zal worden gegeven aan het oproepen en bijeenkomen van kiezersvergaderingen voor het vervullen van raadsplaatsen. Volgens de thans nog geldende reglementen moeten deze worden gehouden. Dit geldt ook voor het opmaken en aanbieden van nominaties of kandidatenlijsten voor burgemeesters- en schepenambten. Ook zal elke aanvulling of gedeeltelijke vernieuwing van kiezerscolleges in afwachting daarvan worden gestaakt.
Het Stadsbestuur informeert hierover de inwoners. De ingekomen stembiljetten voor de benoeming van het afgetreden derde gedeelte van de kiezers worden dan ook ongeopend in het stedelijk archief gedeponeerd.

De Gouverneur schrijft in december 1823 voor dat de gemeentebesturen, in afwachting van de nieuwe Gemeentewet en stedelijke reglementen, voorlopig op dezelfde voet moeten blijven, evenals de (presiderende) burgemeesters.

Op de 6e maart 1824 deelt de president burgemeester mee dat Zijne Majesteit de Koning heeft goedgekeurd en hem, als nieuw benoemde burgemeester, heeft toegezonden een nieuw Reglement voor het bestuur van de stad. Ook heeft Zijne Majesteit op grond van dat reglement de eerste regering van de stad benoemd. Hij is aangewezen om, na het afleggen van de eed, het huidige Stadsbestuur, onder dankbetuiging voor de bewezen diensten, te ontslaan. Hij zal de leden van het Stadsbestuur daarvoor uitnodigen en verzoekt hen ‘om zich alsdan wel ter vergadering te willen laten vinden’.

Op de 10e maart 1824 komt de stedelijke raad in extra-ordinaire vergadering bijeen. De presiderende burgemeester memoreert het besluit van de Gouverneur en gaat over tot ontbinding van de raad. Hij bedankt de leden voor de gewichtige diensten door hen in de functie van raadslid aan de stad bewezen, ‘mitsgaders voor de ijverige medewerking en ondersteuning welke hij zelve steeds heeft mogen ondervinden’. Waarop de vergadering, ‘onder wederkerige dankbetuiging voor de vriendschappelijke betrekkingen, welke altoos onder de leden hebben plaats gehad, en met verzoek aan de heer burgemeester om de notulen van deze dag te resumeren, is gescheiden’.

Op deze zelfde dag komt de nieuwe stedelijke raad in extra-ordinaire zitting bijeen. Aanwezig zijn de heren burgemeester G. de Leeuw, wethouder J. Kakebeeke en de raadsleden F.N. van der Bilt, A.J. Eltzman, J. de Backer, H. Lenshoek van Zwake, A.W. Mirandolle en J. Pijke, alsook secretaris L. de Fouw. Burgemeester De Leeuw leest het Koninklijk Besluit van de 13e februari 1824 voor. Daarbij worden op grond van de nieuwe reglementen van bestuur tot leden van de gemeenteraad benoemd de heren G. de Leeuw, J.H. Verschoor van Nisse, J. Kakebeeke, F.N. van der Bilt, A.J. Eltzman, J. de Backer, H. Lenshoek van Zwake, A.W. Mirandolle en J. Pijke. De nieuwe leden worden beëdigd en geïnstalleerd.

Uit de nieuw benoemde raadsleden verkiest de gemeenteraad tot burgemeester de heer G. de Leeuw, tot wethouders de heren J.H. Verschoor van Nisse en J. Kakebeeke en tot secretaris de huidige secretaris (sinds 1816) L. de Fouw.
Verder bepaalt de gemeenteraad de rang van de leden. Na de burgemeester en de wethouders volgen in rang achtereenvolgens de heren Van der Bilt en Eltzman als leden van het laatst afgetreden raadscollege. De overige leden volgen naar hun leeftijd en hebben de volgende rang 1. J. Pijke; 2. A.W. Mirandolle; 3. H. Lenshoek van Zwake en 4. J. de Backer.
Wethouder Kakebeeke belast zich met de waarneming van de stedelijke politie.
Afgesproken wordt dat de gemeenteraad in elk geval vier maal per jaar zal vergaderen, namelijk in juli (voor de vaststelling van de rekening), september (voor het vaststellen van de begroting), nog eens in september (voor het openen van de stembiljetten voor de kiezers) en in oktober (om kennis te nemen van de benoeming van de nieuwe raadsleden).
In dezelfde vergadering wijst de gemeenteraad de volgende raadsleden in commissies of vertegenwoordigingen aan: wethouder Verschoor van Nisse tot het begeleiden van lotelingen en verlofgangers; wethouder Verschoor van Nisse en De Backer tot leden van de stedelijke subcommissie van weldadigheid; wethouder Kakebeeke tot hoofdcommissaris over de stedelijke arbeiders zoals meters, tonders, wegers, tellers, zakkendragers en bierdragers; wethouder Kakebeeke tot president van de generale brandmeesters; wethouder Kakebeeke en secretaris De Fouw om met de directie van de Wilhelminapolder de schouwerij van de noordelijke havenberm te doen; Eltzman en Mirandolle tot het houden van toezicht op de nakoming van het broodreglement; wethouder Verschoor van Nisse voor de inspectie van de gods- en weeshuizen en andere publieke gestichten en wethouder Kakebeeke voor het oppertoezicht over de stadsleenbank.

Raadslid Jan Pijke verzoekt in juni 1824 ontslag als lid van de stedelijke raad ‘vanwege zijn hoge jaren en zwakke lichaamsgestel gevoegd bij de afgelegenheid van zijn woonstede’. De raad erkent dat zijn motieven alleszins gegrond zijn. In zijn plaats komt, na verkiezing door het

stedelijk kiescollege, de arts Johan Willem Hecking.

In september 1824 worden de stembiljetten voor het benoemen van het stedelijk kiescollege opgehaald in besloten bussen. Na opening worden de stembiljetten nagezien en blijkt dat de volgende achttien personen de meeste stemmen hebben en mitsdien tot kiezers zijn verkoren: J. Boddingius, F.N. van der Bilt, J. de Backer, A.J. Eltzman, L. de Fouw, J.W. Hecking, I.G. de Witt Hamer, H.J. van ’t Hof, J. Kakebeeke, H. Lenshoek van Zwake, G. de Leeuw, A.W. Mirandolle, J. Nederveen, P. Ossewaarde, J. Soutendam, J. Soetebier, J.H. Verschoor van Nisse en J. van Winterooy.
Jan Soetebier bedankt vanwege zwagerschap met de ook benoemde Jan Boddingius. Nicolaas Vervenne komt in zijn plaats.

Er komt in januari 1825 een aanschrijving van de provincie met het verzoek om de heer H. Lenshoek van Zwake, lid van de raad, aan te manen om alsnog aan zijn verplichting tot het opgeven van zijn verhuurde en gehuurde  woningen te voldoen. Volgens het rapport van de arrondissementinspecteur is hij hierin tot nu toe nalatig gebleven.

Op verzoek van de Gouverneur stelt het Stadsbestuur in augustus 1825 de vergaderkamer van de stedelijke raad in het Stadhuis af voor de beëdiging en installatie van de nieuw benoemde burgemeesters ten plattelande.

Op Oudejaarsdag 1825 sluit de burgemeester het vergaderjaar af onder dankbetuiging aan de leden voor hun medewerking gedurende het bijna afgelopen jaar door hen te bedanken voor de bevordering van de belangen van de stad en haar ingezetenen. Hij wenst hen toe dat dezelfde vriendschappelijke eensgezindheid steeds de handelingen van het stedelijk bestuur mogen versieren.  

Het jaar 1826 kenmerkt zich door zeer weinig opzienbarende besluiten. Er gebeurt heel weinig in de stad. Alles wekt een uitgebluste indruk.

Secretarissen, griffiers, stedelijke ontvanger en stadsarchitect

Het Stadsbestuur stelt in februari 1821 een ‘Instructie voor de griffier ter griffie van de stad’ vast.

Ook in deze jaren is het nog steeds een vast gebruik dat op nieuwjaarsdag de griffiers ter stadsgriffie, de stadsboden en een aantal stedelijke bedienden toelating tot de vergadering van het Stadsbestuur verzoeken en de vergadering met de aanvang van het jaar feliciteren.

In maart 1821 overlijdt de stadsfabriek en opzichter over de stadswerken, Pieter Proos. In zijn plaats benoemt het Stadsbestuur tot nieuwe stadsfabriek en opzichter over de stadswerken Marinus Goossen. Hij wordt ook in de plaats van de overleden Proos benoemd tot brandmeester bij de grote brandspuit van de stad.

In juli 1822 is er een tekort in de stadskas geconstateerd van ƒ 8.397,49. De stedelijke ontvanger Willem van Citters verzoekt daarop eervol te worden ontslagen. De secretaris is desgevraagd bereid van de ontvanger over te nemen al zijn boeken, registers, papieren, effecten en gelden die tot zijn administratie behoren en met assistentie van de griffiers de administratie van de stedelijke financiën te voeren. Tot verzekering van wat Van Citters aan de stad zal blijken schuldig te zijn wordt ten kantore van Hypotheken te Goes inschrijving op zijn goederen gevorderd.
Daarop stelt de heer mr. Jan Gerrit Ermerins, namens zijn schoonvader de stedelijke ontvanger Van Citters, in handen van de stadsecretaris een bedrag van ƒ 4.000. Het Stadsbestuur gelast Van Citters zich te onthouden van enig beheer van de stedelijke financiën hangende zijn verzoek om eervol ontslag.
Van Citters en mr. J.G. Ermerins, zijn schoonzoon, sturen in augustus 1822 een overeenkomst in waarbij voorgesteld wordt dat Ermerins voor, namens en bij substitutie van Van Citters, het gemeentelijk ontvangerschap van de stad zal waarnemen. De concept overeenkomst wordt aan de Gouverneur voorgelegd met de vraag om deze goed te keuren. Tevens wordt de Gouverneur meegedeeld dat het geconstateerde tekort volledig in de stadskas is terug gestort.
Gedeputeerde Staten verklaren geen bedenkingen te hebben tegen de substitutie van W. van Citters als stedelijke ontvanger op de heer J.G. Ermerins. Daarop besluit het Stadsbestuur het verzoek van Van Citters om eervol ontslag als niet gedaan te beschouwen.

In januari 1823 deelt de stedelijke ontvanger W. van Citters mee dat het bestaande tekort in de stadskas is vereffend. De administratie van de gemeentelijke ontvang wordt door een gesubstitueerde voor zijn rekening waargenomen. Hij verzoekt van de op zijn goederen, tot verzekering

van de ontvang ten kantore van hypotheken binnen de stad, gevestigde borgstelling te mogen worden ontslagen. Het Stadsbestuur besluit dit verzoek te weigeren. Maar vanwege  de verkoop door Van Citters van zijn woonhuis aan de Grote Markt in wijk C nummer 38 aan de heer Hendrik Lenshoek, toe te staan dat hij van de daarop ten behoeve van de stad gevestigde hypotheek wordt ontslagen.

De controleur van de stedelijke belasting rapporteert in maart 1823 over het onbetamelijke gedrag van de commies bij de stedelijke belasting, Hendrik Barends. Omdat nu bij herhaling klachten over hem zijn ontvangen wordt hij geschorst en later ontslagen. In zijn plaats wordt Jan Koopman als commies benoemd.

In september 1825 verzoekt de stadsfabriek Marinus Goossen verhoging van zijn traktement. Het Stadsbestuur neemt in aanmerking dat de bekrompenheid van de stedelijke financiën een zodanige verhoging thans niet toelaat. De deliberatie hierover wordt aangehouden.

Contacten van het Stadsbestuur met de nieuwe Koning

Op de 20e mei 1823 geeft de heer Verschoor van Nisse in naam van de Gouverneur aan het Stadsbestuur de heugelijke tijding te kennen dat Zijne Majesteit de Koning voornemens is om begin juni de provincie Zeeland en bij die gelegenheid de stad Goes ‘met zijn tegenwoordigheid te begunstigen’. Het voornemen is tussen 10 en 15 juni Middelburg te bezoeken en om van daar via Zierikzee over Goes aan te komen. Het Stadsbestuur besluit de nodige maatregelen te nemen om Zijne Majesteit op een gepaste wijze te ontvangen.
Enige notabele ingezetenen worden uitgenodigd de voorbereidingen te treffen.
Onder de eerste vereisten behoort een logement voor Zijne Majesteit en Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik, indien hij Zijne Majesteit mocht vergezellen.
Raadslid F.N. van der Bilt stelt zijn Huis ter beschikking van Zijne Majesteit en raadslid J. Kakebeeke de nodige kamers in zijn huis ter beschikking van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik. Deze aanbiedingen worden met genoegen aangenomen.

In een extra-ordinaire vergadering beraadslaagt de stedelijke raad op de 21e mei 1823 over het aanstaande bezoek van de Koning aan de stad. Voor de bespreking zijn uitgenodigd enkele notabele inwoners, te weten de heren De Backer, Mirandolle, Soetebier, Ermerins, Lenshoek, Van Citters, Risseeuw, Blaaubeen, Van de Putte en Steendijk. Zij worden vriendelijk uitgenodigd de behulpzame hand te bieden bij het bezoek. Allen accepteren eenparig dit verzoek. De verdeling in commissies gebeurt op de volgende wijze:

  • Van der Bilt, Mirandolle en De Backer zullen zich belasten met al hetgeen de logementen van Zijne Majesteit en zijn gevolg betreft;
  • Verschoor van Nisse, Mirandolle, Soetebier en Steendijk zorgen voor het diner of het dejeuner;
  • Kakebeeke, Lenshoek en Van de Putte zorgen voor de rijtuigen en het voorspan;
  • Eltzman, Ermerins, Van Citters en Blaaubeen zorgen voor het bal en de daarmee verbonden illuminatie;
  • Kakebeeke en Risseeuw zorgen voor de benodigde schepen.

De commissies zullen aanstaande zaterdag na afloop van de raadsvergadering bijeen komen.

Op de 24e mei overweegt het Stadsbestuur dat het ongepast kan zijn om de ingezetenen van de stad niet over de aanstaande komst van Zijne Majesteit te informeren. Er wordt een publicatie afgekondigd. De kapitein van de dienstdoende schutterij krijgt het verzoek om de nodige regelingen te maken, dat bij de komst en het verblijf van Zijne Majesteit in de stad alle nodige diensten worden bewezen.

Tot voorkoming van ongelukken met rijtuigen en paarden en om te voorzien tegen beschadigingen als gevolg van illuminaties en vreugdetekenen besluit het Stadsbestuur op de 31e mei om bij gelegenheid van het verblijf van Zijne Majesteit binnen de stad te verbieden om zwermers of voetzoekers te werpen, vuurwerken af te steken of met geweren, pistolen en dergelijke te schieten.
In deze vergadering deelt de president burgemeester mee dat de heer Blaaubeen hem van de oprichting van een Garde d’honneur (erewacht) voor de dienst van Zijne Majesteit in kennis heeft gesteld. De heer Blaaubeen wordt tot commandant van de garde verkoren. De garde te paard bestaat uit de heren Van de Putte, Dominicus, A. Kakebeeke, Steendijk en Fak. Die te voet bestaat uit de heren Voyer, Van Kerkwijk, Lichtenberg, Dophf, Oversluis en Soetebier.  De burgemeester heeft hem (de heer Blaaubeen) meegedeeld dat de oprichting van een Garde d’honneur niet anders als hoogst aangenaam kan zijn. De Gouverneur wordt hiervan kennis gegeven. Hem wordt verzocht deze erewacht zowel als het door de heer Van der Bilt voor de receptie van Zijne Majesteit aangeboden huis en het diner dat door de stad aan Zijne Majesteit wordt aangeboden, in naam van de vergadering, wel aan Zijne Majesteit aan te willen bieden.

Op de 9e juni 1823 komt bericht dat Zijne Majesteit als gevolg van zijn aanstaande reis naar en in Zeeland waarschijnlijk in de vroege morgen van donderdag de 12e juni in Goes zal arriveren en op dezelfde dag over het Sloe naar Middelburg zal doorreizen. Verzocht wordt voor de nodige rijtuigen en verdere benodigdheden te zorgen.
Het Stadsbestuur vindt dit jammer en besluit de griffier Pilaar naar de Gouverneur te zenden met een brief waarbij het verlangen van het Stadsbestuur te kennen wordt gegeven dat het Zijne Majesteit behagen mocht van het voor hem in gereedheid gebrachte diner of dejeuner gebruik te maken en aan de ingezetenen gelegenheid te geven om hun vreugde over het verblijf van Zijne Majesteit binnen de stad aan de dag te leggen. Verder verzoekt het Stadsbestuur de Gouverneur de problemen aan te geven die zouden kunnen bestaan, indien men vooraf niet bekend kan zijn met de plaats waar Zijne Majesteit aan wal zal komen.

Op de 12e juni 1823 arriveert Zijne Majesteit de Koning in de vroege morgen met een jacht van Zierikzee aan het Sas van de haven van de stad. Ingevolge het programma van de ter ere van Zijne Majesteit voorbereide festiviteiten wordt de Koning aan het Sas door leden van de stedelijke havencommissie en ingenieur Ferrand begroet. Omstreeks kwart over acht uur komt Zijne Majesteit met het jacht, voorafgegaan door een schip van de havencommissie en de muzikanten van de stedelijke schutterij en gevolgd door het jacht van de Gouverneur en andere vaartuigen, ‘onder een aanhoudend vreugdegejuich aan de Grote Kaay voor het huis van de heer De Keijzer aan’. Daar wordt hij door de stedelijke regering gecomplimenteerd. De burgemeester biedt Zijne Majesteit met een gepaste aanspraak de sleutels van de stad aan. Daarna wordt hij door de erewacht begeleid naar het huis van de heer Van der Bilt, ‘tot een Paleis voor Zijne Majesteit in gereedheid gebracht’. Dadelijk na de aankomst ‘aan het Paleis’ heeft Zijne Majesteit aldaar audiëntie verleend aan de stadsregering, de rechtbank van het arrondissement, de vrederechter, de officieren van de schutterij, de regenten van de godshuizen en het armbestuur en andere autoriteiten, colleges en ambtenaren. Daarna bezoekt Zijne Majesteit de kerkgebouwen van de Hervormde gemeente en de Rooms Katholieke gemeente en het weeshuis. En na een toertje door het eiland gemaakt te hebben, bezoekt de Koning ook het gasthuis en inspecteert de stedelijke schutterij.

Verder maakt Zijne Majesteit gebruik van een ‘dejeuner dinatoir’ dat op het Stadhuis in gereedheid is gebracht. Voor het bijwonen van het diner zijn, met toestemming van Zijne Majesteit, de regering, de rechtbank en andere autoriteiten, colleges en ambtenaren uitgenodigd.

Voor zijn vertrek betuigt Zijne Majesteit aan de president burgemeester zijn leedwezen van zelf niet langer binnen de stad zich te kunnen ophouden. Hij geeft zijn genoegen te kennen ‘over de aangedane receptie, met verzekering dat deze stad verder op Zijne Majesteits welwillendheid zal mogen rekenen’. Daarna is de Koning met zijn gevolg om ongeveer half twee uur na de middag over ’s-Gravenpolder, Kwadendamme, Heinkenszand en ’s-Heerenhoek naar het Sloe en vandaar naar Middelburg vertrokken.

Het notulenboek van het Stadsbestuur vermeldt: ‘Gedurende den gantschen dag is de vreugd algemeen geweest en door geen onheil hoegenaamd gestoord geworden.

Des avonds was de stad algemeen geïllumineerd. Het genoegen was op ieders gelaat zichtbaar en ieder was tevreden te hebben mogen ontwaren dat de gemaakte toebereidselen, zowel als de ongekunstelde bewijzen van Liefde en Eerbied, aan Zijne Majesteit welgevallig hadden mogen zijn. En waarvan de ingezetenen bij een Publicatie van de burgemeester, dadelijk na het vertrek van Zijne Majesteit afgekondigd, de nadere verzekering hebben ontvangen’.

Het Stadsbestuur bedankt de heer Van der Bilt voor het welwillend afstaan van zijn huis voor Zijne Majesteit de Koning gedurende zijn verblijf binnen de stad. Ook alle heren die zich voor en bij deze gelegenheid hebben belast met onderscheidene opdrachten worden dank gezegd voor hun genomen moeite en betoonde goedwilligheid.

De kosten van de ontvangst van Zijne Majesteit de Koning bedragen ƒ 2.995,55 en zijn in een generale staat verzameld. Verscheidene voor die gelegenheid nieuw gemaakte goederen worden ten behoeve van de stad verkocht.

Grote aandacht wordt elk jaar gegeven aan de verjaardagen van de Koning en de Koningin. Enkele illustraties volgen hier. Het Stadsbestuur besluit in augustus 1823, ‘aangezien de jaardag van Zijne Majesteit de Koning op zondag de 24e augustus invalt en het betamelijk is deze dag met vreugde te vieren, als dan extra-ordinair te vergaderen en de stedelijke schutterij te doen paraderen’.

En in november 1825 deelt de burgemeester het Stadsbestuur mee ‘dat den heer kapitein van de stedelijke schutterij, tot het houden van een grote parade bij gelegenheid van de jaardag van Hare Majesteit de Koningin aangeschreven zijnde, dezelve op dien dag heeft plaats gehad’.

In augustus 1825 besluit het Stadsbestuur ‘op de 24e augustus bij gelegenheid van de heuglijke verjaardag van Zijne Majesteit door de schutterij grote parade te doen houden en dezelve te doen defileren’. De kerkenraad van de Hervormde gemeente geeft kennis dat in de voormiddag van de 24e augustus de jaardag van Zijne Majesteit met een plechtige godsdienst zal worden gevierd met uitnodiging om daarbij te assisteren.

En in september 1826 komt er een kabinetsaanschrijving van de Gouverneur om bericht of ‘op ’s Konings jaardag in de rooms-katholieke kerk het voorgeschreven Te Deum gezongen is en of de leden van het plaatselijke bestuur en andere ambtenaren van dien godsdienst die plechtigheid hebben bijgewoond’.

Contacten met rijk en provincie

In juni 1821 zijn er verkiezingen voor Provinciale Staten. Namens de stad Goes moet er weer een lid en plaatsvervangend lid worden gekozen in de plaats van de aftredende mr. Francois Nicolaas van der Bilt en Dominicus Noël. Bij besloten biljetten worden met volstrekte meerderheid van stemmen herbenoemd de heren Van der Bilt en Noël. De kiezers van de landelijke stand verkiezen de heer Verschoor van Nisse als lid van provinciale staten en de heer C. van Citters tot plaatsvervangend lid  in de plaats van de heer Zuirinus Dominicus.
In juni 1823 worden tot lid van Provinciale Staten namens de stad met eenparige stemmen benoemd de heer Gerard de Leeuw en tot plaatsvervangend lid de heer Anthonius Jacobus Eltzman. Namens de landelijke stand worden tot leden benoemd de heren Van Dam, Kakebeeke en Dominicus en tot plaatsvervangende leden de heren Van der Bilt van Cloetinge, Clement en De Keijzer.
In juni 1824 worden tot lid van Provinciale Staten namens Goes verkoren mr. Francois Nicolaas van der Bilt en als plaatsvervangend lid de heer Adriaan Willem Mirandelle.
In juni 1826 wordt het Goese lid in Provinciale Staten, burgemeester Gerard de Leeuw, met grote meerderheid van stemmen opnieuw benoemd voor vijf jaar.

In juni 1826 bericht de Gouverneur Van Doorn dat hij op zijn tournee door de provincie de stad Goes wil bezoeken en op de 12e juni tegen de avond denkt te arriveren. Hij wil de kolleges en ambtenaren ontvangen, overnachten, de volgende dag de ochtendgodsdienst bijwonen en dadelijk daarna vertrekken. Het Stadsbestuur besluit de Gouverneur op een alleszins gepaste wijze te ontvangen en in naam van de leden van de vergadering een diner aan te bieden. De burgemeester en de heer Mirandolle zullen al wat tot deze receptie nodig zal zijn regelen. De kapitein van de dienstdoende schutterij wordt verzocht om bij gelegenheid van de komst van de Gouverneur de schutterij in de wapenen te laten komen.

Op de 29e juli 1826 komt bericht van Gouverneur Van Doorn dat het Zijne Majesteit de Koning heeft behaagd hem te roepen tot het gouvernement van de provincie Oost Vlaanderen. Daarom heeft hij het gouverneurschap van Zeeland neergelegd en de waarneming opgedragen aan Jonkheer van Citters, lid van Gedeputeerde Staten. Hij verklaart met leedwezen dit gewest te verlaten. Het Stadsbestuur verneemt ‘deze mededeling met het uiterste leedwezen over het gemis van deze zoo hooggeachte eersten Magistraat dezer provincie, aan wiens belangstelling, ook deze stad, eene dure verplichting heeft’. Op de 12e augustus komt er een aanschrijving van Zijne Majesteit de Koning over de benoeming van Jonkheer van Vredenburgh tot nieuwe Gouverneur. Het Stadsbestuur complimenteert hem en beveelt hem de belangen van de stad aan. Een commissie wordt benoemd om de nieuwe Gouverneur geluk te wensen. Deze bestaat uit burgemeester De Leeuw en de heren Kakebeeke en secretaris De Fouw.
De burgemeester rapporteert enkele weke later over het bezoek van de commissie aan Zijne Excellentie de Gouverneur om hem met zijn aanstelling in die functie geluk te wensen en hem de belangen van de stad aan te bevelen. De commissie is door zijn weledelgetrenge op een alleszins gracieuze wijze ontvangen. Ze kreeg de toezegging dat ook deze stad op zijn welwillendheid en belangstelling tot bevordering van haar welvaart zal mogen rekenen.

In december 1826 komt er een aanschrijving van de Gouverneur waarbij deze enige informaties verlangt over de Goesenaar Johannes Harinck. Deze heeft verzocht ‘om in de Bureaux van Zijne Excellentie geplaatst te worden’.

Bevolking

Per 1 januari 1818, 1820, 1822, 1823, 1824 en 1825 bedraagt de bevolking van de stad respectievelijk 4508, 4479, 4427, 4815, 4615, 4840 en 4853 burgers.
De stad is verdeeld in vier wijken. Per 1 januari 1822 wonen in wijk A wonen 1344, in wijk B 918, in wijk C 799 en in wijk D 1366 burgers.

In november 1826 verzoekt de Gouverneur om op de jaarlijkse staat van de bevolking vanaf 1827 op te geven het aantal zielen van iedere godsdienstige gezindheid waarin de bevolking van de gemeente zich verdeelt. De secretaris krijgt opdracht bij het opmaken van de staten het verzoek in acht te nemen.

Veestapel

In 1823 zijn er 171 trekpaarden en 62 wagenkarren in de gemeente.
Trekpaardhouders met meer dan drie trekpaarden zijn Jacob Zandee (4), Pieter van Fraassen (4), de weduwe van Jan Vadden (4), Jodokus van Hees (4), Jacob Laurusse (5), Hendrik Berkens (4), Jacob Kakebeeke (6), Pieter de Jongh Az (9), Maarten Verdonk (5), Johannes Zandee (4), H.J. van ‘t Hof (4), Cornelis Verduin (6), Hubrecht Schrijver (4), Cornelis Harinck (5), E.M. de Jong (4), Johannes van Harn (6).

Het aantal runderen is in 1824 286, te weten beneden de twee jaar 33 en boven de twee jaar 253. Het aantal schapen is 100.