Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinanciën (1821 - 1826)

Financiële toestand van de stad

Allereerst volgt hier een overzicht van de uitgaven, ontvangsten en batige saldi, zoals deze blijken uit de jaarrekeningen van de stad:

Jaar: Ontvangsten: Uitgaven: Batig saldo:
1821 f 64.547,76 f 57.173,52 f   7.374,24
1822 f 70.165,00 f 66.278,00 f   3.887,00
1823 f 67.728,24 f 64.198,90 f   3.529,34
1824 f 68.150,31 f 63.991,57 f   4.158,74
1825 f 60.781,76 f 50.062,95 f 10.718,81
1826 f 67.723,95 f 53.133,59 f 14.590,36

Bij het vaststellen van de begroting voor 1824 overweegt het Stadsbestuur ‘dat in de tegenwoordige ongunstige gesteldheid van de stads ingezetenen, welke door het verval van de landbouw gevoelig lijden, een verhoging van belastingen, welke bereids een zo bezwarende hoogte bereikt hebben, onraadzaam, zo niet onmogelijk is’. Besloten wordt dan ook de plaatselijke belastingen over 1824 niet te verhogen.
De rekening over 1824 wordt vastgesteld met een totaal aan ontvangsten van ƒ 68.150,31, aan uitgaven van ƒ 63.991,57 en een batig slot van ƒ 4.158,74.

In mei 1825 komt er bericht van Gedeputeerde Staten dat de ‘Instructie van de stedelijke ontvanger’ uitgebreid dient te worden met de bepaling dat de stadsgelden op een aangewezen plaats afgezonderd zullen moeten worden bewaard. Het Stadsbestuur besluit daarop de Instructie aan te vullen met het volgende artikel:
‘De ontvanger is gehouden alle de tot stadskas behorende penningen in een afzonderlijke, daartoe bestemde kas of kist, tot opschrift hebbende ‘Stedelijke Kas van Goes’ te bewaren en op een zodanige plaats als door  burgemeester en wethouders zal worden aangewezen. In deze kas zullen zich te allen tijde de gelden, welke volgens zijn boeken in kas behoren te zijn, moeten bevinden’.

Nieuw muntstelsel

Begin december 1823 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van de Gouverneur met toezending van een Koninklijk Besluit over de aanstaande verminderde waarde van de ‘schellingen en zeshalven’ ten koste van het rijk. De stedelijke ontvanger en de ontvangers van de stedelijke belastingen krijgen opdracht kleine hoeveelheden schellingen en zeshalven tegen andere muntsoorten in te wisselen. De godshuizen, armbesturen en diaconieën worden verzocht bij de uitdelingen geen schellingen en zeshalven meer te gebruiken. De burgers krijgen het verzoek tijdig voor inwisseling van deze munten te zorgen.

In januari 1825 verzoekt de Gouverneur er voor te zorgen dat voortaan in alle administratieve stukken van de stad de bedragen in Nederlandse guldens en centen worden uitgedrukt. Geen betaling van rekeningen mogen worden gedaan dan uitsluitend in Nederlandse guldens en centen.

Het Stadsbestuur overweegt in mei 1826 dat het toenemende gebrek aan kleine nieuwe munten en voornamelijk aan centen en halve centen een groot ongerief in de gemeente veroorzaakt. De Gouverneur wordt verzocht om de nodige maatregelen hiervoor te nemen.

De Gouverneur geeft in juli 1826 kennis dat bij Koninklijk Besluit is bepaald dat de oude koperen lands- en provinciale munten gedurende dit jaar alom in het Rijk zullen worden ingetrokken en door nieuwe Nederlandse koperen munten vervangen. Tot bevordering van deze maatregel verzoekt hij de munten bij de stedelijke administratie in te nemen evenals bij de kerkbesturen en besturen van de armenzorg.

Maten en gewichten

Met ingang van 1821 worden nieuwe maten en gewichten ingevoerd.
In januari 1821 verzoekt de arrondissementijkmeester De Kanter om een lokaliteit voor het uitoefenen van zijn werkzaamheden in Goes. Het Stadsbestuur vraagt zich af waarom zij voor een lokaal moet zorgen. Er zijn nauwelijks stadslokalen beschikbaar en als die er zijn, dienen ze voor militaire inlegering. En waarom moet het Stadsbestuur voor de huur van zo’n lokaal zorgen? Waarom is de post van ijkmeester niet aan een inwoner van Goes gegeven? Hierover wordt Gedeputeerde Staten om opheldering gevraagd. Er komt antwoord dat het provinciaal bestuur van oordeel is dat aan de arrondissementsijker een lokaal kosteloos beschikbaar gesteld dient te worden. Daarop wordt een lokaal van de voormalige schutterij beschikbaar gesteld.

In september 1821 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met het verzoek om onderzoek te doen of alle ingezetenen van de stad, die in hun bedrijf zich van lengtematen of gewichten moeten bedienen, inderdaad van nieuwe Nederlandse maten en gewichten zijn voorzien. Als dat niet het geval is, dan dient daar tegen proces-verbaal te worden opgemaakt en melding aan het ministerie plaats te vinden. Het Stadsbestuur besluit, alvorens deze inspectie te verrichten, ten overvloede de ingezetenen daarvan bij Publicatie kennis te geven en voor het overige deze aanschrijving nauwkeurig uit te voeren.
In oktober rapporteert burgemeester M. Slabber, in zijn functie van toezichthouder over de stedelijke politie, dat hij bij zijn gedane visitatie van de winkels niet anders heeft kunnen ontdekken als dat men in het algemeen van de nieuwe maten en gewichten en van geen andere gebruik maakt. Hierover wordt de Gouverneur bericht gezonden.

In maart 1822 wordt voor de herijk van de maten en gewichten opnieuw gebruik gemaakt van het gebouw van de voormalige schutterij.

Gedeputeerde Staten delen in september 1823 mee dat met ingang van 1 oktober 1823 in alle publieke stukken de voorwerpen, die in Nederlands gewicht, lengtemaat, landmaat of oppervlaktemaat worden uitgedrukt, de bij de wet verordende benamingen moeten voeren. Het is niet geoorloofd de oude benamingen daarbij te voegen of deze alleen te bezigen.
Het Stadsbestuur antwoordt dat hiervoor zorg zal worden gedragen.
Besloten wordt tot de aankoop van nieuwe inhoudmaten voor de stad uit het fonds voor onvoorziene uitgaven.
Ook in augustus 1825 verschijnt er een brief van Gedeputeerde Staten over het verplichte gebruik van de nieuwe inhoudsmaten voor granen, zaden, bonen, erwten en dergelijke.

Stedelijke belastingen

Tot zetters van de directe belastingen worden jaarlijks vijf notabelen aangewezen. In 1822 zijn dit de heren Johannes Pilaar, Jan van Winteroy, Jan Soutendam, Jacobus Piepers en Hubert Marinus van der Bilt van Cloetinge; in 1823 wordt Van Winteroy vervangen door de heer Jacobus de Jongh; in 1824 wordt Soutendam vervangen door de heer Jan Boddingius; in 1825 wordt Boddingius vervangen door de heer Henricus Johannes van ’t Hof; in 1826 wordt Piepers vervangen door de heer Jan Soutendam en voor 1827 wordt Van ’t Hof vervangen door de heer Jan Boddingius.

Begin januari 1823 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de heer C.J. van Deum met kennisgeving van zijn benoeming tot inspecteur van de directe belastingen en van de in- en uitgaande rechten en accijnzen in het arrondissement Goes en van ‘zijn arrivement binnen de stad om aldaar als zodanig te resideren’.

De controleur van de stedelijke belastingen doet in oktober 1823 z’n beklag over de onachtzame waarneming van hun functie door de commiezen Vervenne en Thomson.
Beide commiezen worden voor de vergadering van het Stadsbestuur ontboden en het onbehoorlijke van hun gedrag onder ogen gebracht. Vervenne wordt voor acht dagen geschorst.

In januari 1824 keurt het Stadsbestuur op verzoek van de administratie der directe belastingen en in- en uitgaande rechten en accijnzen de onderhandse verhuring van een woonhuis aan de Kleine Kade in wijk D nummer 100 (de voormalige waterkorenmolen) aan de commies Gerard Verheule goed.

In maart 1823 stelt het Stadsbestuur het voorlopige ‘Reglement van belasting op de zeep’  vast. Enige grossiers in wijnen en sterke dranken, handelaars in zeep, tabakkervers en graanmolenaars maken in november 1824 bezwaar tegen de uitvoering van het ‘Reglement op de stedelijke belastingen’. Het Stadsbestuur is van mening dat op grond van artikel 31 van het reglement restitutie kan worden gevraagd van uitgevoerde onverimposte wijn en sterke dranken, waarvan volgens ’s rijks wet, bij verzuim van tijdige verimposting, op de plaats der destinatie de impost alhier met bijbetaling der stedelijke opcenten gevorderd wordt.

De grossiers van wijnen en sterke dranken, handelaars in zeep, tabakkervers en graanmolenaars brengen in augustus 1824 enige bedenkingen in, die hun reeds bij de invoering  van de nieuwe stedelijke belastingen zijn voorgekomen. Deze ‘zijn hun daarna zo zeer gebleken te zijn voor hun handel een wezenlijk bezwaar en nadeel op te leveren’. Bezwaren die zij ieder voor zich vooral ondervinden sinds men ten plattelande zich bijzonder toelegt op de verkoop in het groot van de artikelen, die aan een grote, stedelijke belasting onderworpen zijn en ‘alzo, door goedkoper gelijke waar te kunnen omzetten, grotelijks het debiet uit de stad wordt weggenomen’.
De brief is ondertekend door A, Steendijk, wijnhandelaar, J. de Jongh, wijnhandelaar, J. Piepers, J.B. van Kalmthout, J.P.Clement, P. van Arenthals, Adriaan Remijn, korenmolenaar, P. Nortier, Swartenbroek, Ph. Vervenne, wijnhandelaar, Johannes Harinck, Risseeuw, Cornelis Harinck, K. van de Zwan, wijnhandelaar, Benjamin den Boer, D. Vervenne, wijnhandelaar, Cornelis Harinck en L. den Houter.

Stadsleenbank

In juli 1825 stelt wethouder J. Kakebeeke de noodzaak van het vergroten van de lokalen in de stadsleenbank aan de orde. Deze vergroting dient voor het bergen van de beleende panden, waarvan het aantal sinds enige tijd aanmerkelijk is vermeerderd. Hij legt hiervoor een tekening met een raming van de kosten over. Het Stadsbestuur machtigt hem tot het doen uitvoeren van de beoogde werkzaamheden op de voordeligste wijze.
De stadsfabriek legt in oktober 1825 een berekening van de kosten voor in verband met het maken van tafels en kapstokken op de vergrote zolder in de stadsleenbank. Deze zijn bij de aanbesteding van het werk niet voorzien, maar niettemin onvermijdelijk. De meerkosten bedragen ƒ 76,50.

Voormalige gildefondsen

In april 1823 beraadslaagt het Stadsbestuur over de liquidatie en verdere administratie van de fondsen en bezittingen van de voormalige gilden van de stad. Tot de verdere administratie van deze fondsen wordt als secretaris en ontvanger van de commissie voor de gildefondsen benoemd de tweede griffier H.C. Pilaar met toevoeging van de heren J. Pilaar en M. Goossen, voormalige leden van de bestaan hebbende gilden.

Tollen

In maart 1825 geeft de burgemeester het Stadsbestuur te kennen dat de directeuren van het middel van straten en wegen in het eiland hem hun voornemen kenbaar maakten om aan de ambachtsheren en hoofdingelanden in het eiland voor te dragen het bezwarende dat  voortvloeit uit de plaatsing van de onlangs verpachte tollen buiten de Ganzepoort en de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort. Ze gaven in overweging om te beproeven of deze tollen niet bij wijze van afkoop ten behoeve van de provinciale kas zouden kunnen worden voorkomen. Dit zou volgens hun gedachte, ingeval de stad en de gemeente Wolphaartsdijk daarin naar evenredigheid zouden bijdragen, kunnen geschieden door de heffing van vijf cent van iedere 3924 ellen lands. Daartoe kan dan de nodige toestemming worden gevraagd.

Het Stadsbestuur beraadslaagt hier uitvoerig over en overweegt dat het plaatsen van de verpachte tollen aan de rij- en wandelwegen van de stad voor deze van onberekenbare gevolgen zou kunnen zijn. Het voornaamste bestaan van verreweg de meeste ingezetenen hangt immers af van de buitennering en betrekkingen met de bewoners van het platteland. De landlieden zullen zeker door de gevestigde tolrechten van de stad worden afgetrokken. De nering zal zich verplaatsen, de scheepvaart zal meer en meer kwijnen, de graanhandel zal vervallen en door het een en ander zullen de stedelijke financiën gevoelig lijden.
Het is daarom voor de stad van het hoogste belang om zo mogelijk alles te voorkomen wat aan een gedurige en onafgebroken communicatie met de plattelandbewoners hinder kan toebrengen. Het Stadsbestuur wil de poging van de directeuren van het middel van straten en wegen dan ook alleszins ondersteunen.
Hoe ongunstig de staat van de stedelijke financiën ook is, de bijdrage van een matige som uit de stadskas is te prefereren boven een hoogst waarschijnlijke grotere benadeling in de opbrengst van de stedelijke middelen en het verval van het bestaan van vele inwoners.
Besloten wordt om de directeuren van de straten en wegen aan te bieden om in de afkoop van de tollen buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort bij ‘het Molentje’ en buiten de Ganzepoort aan het zogenaamde Blaaubeenhoefje van stadswege gedurende de eerstkomende drie pachtjaren jaarlijks bij te dragen een bedrag van 500 gulden.

Dit standpunt zal door de burgemeester en raadslid Eltzman in de aanstaande vergadering van de ambachtsheren en hoofdingelanden worden overgebracht.

Op de 2e april 1825 delen de burgemeester en de heer Eltzman mee in de belegde vergadering van ambachtsheren en hoofdingelanden te hebben kennis gegeven van de beraadslaging in de vergadering van het Stadsbestuur. Evenals van het besluit om, tot afkoop van de tollen in de nabijheid van de stad gedurende de drie pachtjaren, van stadswege jaarlijks een bedrag van ƒ 500 bij te dragen. Dit heeft er toe geleid dat in deze  vergadering besloten is om aan de bevoegde autoriteit te beproeven om de bewuste tollen door de verhoging van het straatgeld met vijf cent van iedere 3924 ellen land op te heffen.
De Gouverneur legt het standpunt van het Stadsbestuur voor aan het Departement van Binnenlandse zaken. In afwachting daarvan worden de pachters van de tollen toegestaan om per 1 april met hun werkzaamheden te beginnen.
Op de 14e mei blijkt echter dat Zijne Majesteit de Koning het verzoek van de directie over het middel van straten en wegen heeft afgewezen. Daardoor is het voorstel van het Stadsbestuur tot afkoop komen te vervallen.

Collecten

In oktober 1826 ontvangt het Stadsbestuur een brief van Gedeputeerde Staten met de uitnodiging om, wanneer zich iemand aanbiedt aan wie toestemming tot het doen van een collecte is verleend, deze door een bediende van het Stadsbestuur, zonder enige beloning, vergezeld laten gaan. De bus moet vooraf worden verzegeld en het gecollecteerde geld dient na afloop vastgesteld te worden. Hiervan dient op de akte van autorisatie aantekening te worden gedaan. Het Stadsbestuur besluit deze voorschriften bij voorkomende gelegenheden na te komen.