Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1827 - 1832)

Hervormde gemeente

Predikanten

De Hervormde gemeente wordt deze jaren gediend door drie predikanten. In 1827 zijn dit ds. C. Colmschate, ds. G. Blaaubeen en ds. W.F. van Oosterzee.
In november 1831 dient ds. Colmschate een verzoek in om, wegens voortdurende ongesteldheid, een getuigschrift om bij het hoogste kerkbestuur ontslag van zijn dienstwerk in de gemeente te verzoeken. De kerkenraad gedenkt met veel leedwezen en deelneming aan de steeds voortdurende ongesteldheid van de predikant en meent hierin te moeten berusten. Besloten wordt ‘den Eerwaardigen man een volkomen getuigschrift te moeten afgeven’. De redactie van dit getuigschrift wordt opgedragen aan ds. Blaaubeen.
Maar enkele weken later vermeldt het notulenboek onder de 30e november 1831: ‘Daar deze door eene zoo onverwachte als gunstige herstelling zich in staat bevond om zijn dienstwerk provisioneel te hervatten, is zijn voornemen voor alsnog zonder gevolg gebleven’.

In mei 1832 ontvangt de kerkenraad een brief waarin kennis wordt gegeven dat de voormalige predikant van de Hervormde gemeente ds. H. Cats op de 1e mei te Leiden is overleden. Op de zondag daarna is door de predikanten aan de gemeente van dit treurig afsterven van haar vorige leraar op een gepaste wijze bericht gegeven.

Kerkenraad
De kerkenraad bestaat uit acht ouderlingen en acht diakenen. Elk jaar treedt de helft van de ouderlingen en diakenen af.

In januari 1827 wordt er een vergadering van het collegium qualificatum gehouden. Op uitnodiging van de kerkenraad wonen de wethouders Verschoor van Nisse en Kakebeeke de vergadering namens het Stadsbestuur bij. Het gaat om het benoemen van nieuwe leden van de kerkenraad. Verkoren worden tot ouderlingen de heren L. Lankhorst, J.A.H. Voyer, M.G. Mulder en J. de Jongh. Het college van ouderlingen bestaat dan uit de heren dokter A.H. Eltzman, H. Lenshoek van Zwake, B.H. Jansen, heel- en vroedmeester T. Pieterse, L. Lankhorst, M.G. Mulder, J.A.H. Voyer en J. de Jongh. Met eenparigheid worden tot diakenen verkoren de heren C.P. Soetebier, A. Clement, J. Verhoef, P. van Dalen en Th. Prumers. Van Dalen en Prumers nemen de verkiezing aan; de anderen bedanken. Daarop worden verkoren de heren notaris A. Kakebeeke en K. Soutendam.

In januari 1828 zijn vier ouderlingen aftredend. In deze vacatures worden met algemene stemmen verkoren de heren J. Pilaar, H. Le Cointre, W. Voorbeijtel, D. van der Hoek.
In de vacatures van de vier aftredende diakenen worden verkoren de heren J.P. Piepers, H. Harinck, D. Vervenne en P.J. Somer. Met genoegen verneemt de kerkenraad dat allen hun verkiezing hebben aangenomen.

Diaken A. Kakebeeke geeft in november 1828 kennis dat hij vanwege zijn benoeming tot notaris te Krabbendijke metterwoon gaat vertrekken en daardoor als diaken moet bedanken. De kerkenraad betuigt ‘zich enerzijds te verblijden in de bevordering van de heer Kakebeeke, maar dat het aan de andere kant leed doet zulk een waarde en ijverige broeder te moeten missen’.

In januari 1829 wordt, in aanwezigheid van de gedeputeerden van het Stadsbestuur  Verschoor van Nisse en Eltzman, collegium qualificatum gehouden voor het vermaken van de kerkenraad. Aftredend zijn de ouderlingen L. Lankhorst, J. de Jongh en J.A.H. Voyer, terwijl ouderling M.G. Mulder in november 1828 is overleden. Van de diakenen zijn aftredend de broeders P. van Dalen, T. Prumers en K. Soutendam, terwijl diaken A. Kakebeeke metterwoon is vertrokken. Verkoren worden tot ouderlingen de heren A. Bosdijk, M. Boddingius, P. Vervenne en J. Swemer en tot diakenen de heren J.P. Clement, J. Snoep, J.R. de Fouw en P.A. Hochart. Alle gekozen ouderlingen nemen hun verkiezing aan, maar ‘alle verkoren diakenen hebben kunnen goedvinden de beroeping van de hand te wijzen, behalve de heren Rembges en Snoep’.
Opnieuw wordt een nominatie voor diakenen opgesteld. Ook voor een derde vacature vanwege ‘het treurig afsterven van broeder Harinck’. Genomineerd worden J.W. van Kerkwijk, H.C. Pilaar, J.W. de Jong, J. Verhoef, C. Oversluis, G. Buijze, Z. Kakebeeke en J.C. van Balen. De heren Clement (uit de vorige nominatie) en Verhoef laten zich de verkiezing welgevallen, terwijl de heer Oversluis zich verbond het opengevallen dienstjaar van wijlen broeder Harinck te vervullen. Het notulenboek vermeldt: ‘En alzo geraakte het Collegie van Diakenen, na veel moeite, eindelijk voltallig’.

In januari 1830 wordt in tegenwoordigheid van de deputaten van het Stadsbestuur Verschoor van Nisse en Van der Bilt collegium qualificatum gehouden tot het vermaken van de kerkenraad. Uit een dubbeltal worden verkoren tot ouderlingen de heren mr. J.J. van Deinse, mr. J. de Backer, W.A. de Laat de Kanter en J. Harinck en tot diakenen W. Geluk, B. Steendijk, C.C. van den Bosch en J.H. van Baalen. De verkoren ouderlingen nemen hun beroeping ‘volvaardig’ aan en van de diakenen alleen de heren Geluk, Van den Bosch en Steendijk. Een van de aftredende diakenen wordt aangeboden langer te dienen ‘daar zoo vele onwilligen zich onttrokken, waarop Vervenne zich, tot groot genoegen van de vergadering, gedienstig verbond om nog voor een jaar als diaken te dienen en Swemer zich even volvaardig uit zucht voor het belang der zaak aanbood om na zijn geëindigde dienst als ouderling in het volgende jaar als diaken voor broeder Vervenne in zijn tweede dienstjaar op te treden’.

Op de 30e november 1830 vindt voor het eerst de vermaking van de kerkenraad volgens het nieuwe Reglement plaats. Als dubbeltallen voor ouderling wordt het volgende zestal geplaatst: Joh. Harinck, L. Lankhorst van Wemeldinge, J.P. Piepers, B.H. Janssen, J. de Jongh Jzn en G.T. Callenfels. Als dubbeltallen voor diaken wordt het volgende zestal gesteld: J.C. de Buck, M.A. Brand, G. van de Velde, P.J. Somer, C. Oversluis en J.P. Burger. Verkoren worden als ouderlingen de heren Harinck, Lankhorst en Piepers en als diakenen De Buck, Brand en Van de Velde. De verkoren ouderlingen nemen het alle aan en van de diakenen De Buck en Brand. ‘De overige heren waren daartoe niet te bewegen, zodat nog een diaken ontbrak’. De diakenen stellen daarna als dubbeltal W. Ross en J. le Cointre. Met algemene stemmen wordt W. Ross gekozen.
In de vergadering van de nieuw aantredende ouderlingen, samen met de afgetredenen, wordt de orde van stemming en zitting bij loting bepaald. Deze valt als volgt uit: De Backer, Van Deinse, De Kanter, Harinck, Piepers en Lankhorst.

De wijken worden op de volgende wijze toebedeeld: wijk 1: ds. Colmschate met de ouderlingen Van Deinse en Lankhorst; wijk 2: ds. Blaaubeen met de ouderlingen De Backer en Piepers; wijk 3: ds. Van Oosterzee met de ouderlingen De Kanter en Harinck.

Bij de vermaking van de kerkenraad in november 1831 worden als dubbeltallen voor ouderling gesteld de advocaat mr. F.N. van der Bilt, de burgemeester mr. J.C. van der Meer Mohr, D. van der Hoek, de apotheker H. le Cointre, de bankier J.G. Ermerins en de apotehker J.W. van Kerkwijk. Verkoren worden tot nieuwe ouderlingen de heren Van der Bilt, Van der Meer Mohr en Van der Hoek. Allen nemen hun verkiezing aan. Op dubbeltallen voor diakenen worden geplaatst C.L. Lignian, T. Snoep, P.J. Somer, C. Oversluis, J.P. Burger, J.H. van den Bree, D. Vervenne, J.V. Clement, A. Magnin en A. Boddingius. Het notulenboek vermeldt : ‘Daar evenwel bijna alle deze genomineerden, bij voorafgaand onderzoek, zich weigerachtig verklaarden, hebben de nog in dienst zijnde broederen zich wel eene nieuwe verkiezing willen laten welgevallen’. Dit zijn C.C. van den Bosch, W. Geluk en B. Steendijk.
Daarnaast worden nog beroepen als diakenen de heren Lignian en Burger, beide voor twee jaren, ‘terwijl broeder Brandt zich nog gedienstig verbond om in het volgend jaar ter vervulling van de dan bestaande vacature nog een jaar te dienen’. Tot leden van de brede kerkenraad worden aangewezen de diakenen Steendijk, Van den Bosch, Geluk, Brand, Ross en Lignian.
De orde van stemmen en zitting van de ouderlingen wordt bij loting als volgt bepaald: Piepers, Harinck, Lankhorst, Van de Bilt, Van der Hoek en Van der Meer Mohr. De wijken worden op de volgende wijze ingedeeld: wijk 1: ds. Colmschate met de ouderlingen Lankhorst en Van der Meer Mohr; wijk 2: ds. Blaaubeen met de ouderlingen Piepers en Van der Bilt; wijk 3: ds. Van Oosterzee met de ouderlingen Harinck en Van de Hoek.

In juni 1832 overlijdt diaken Geluk. In zijn plaats wordt verkoren Johannes Cornelis Kakebeeke.

Bij de vermaking van de kerkenraad in december 1832 worden voor de vervulling van de drie plaatsen van ouderlingen de volgende dubbeltallen gesteld: P. Vervenne, J. Swemer, mr. J.G. Ermerins, M. Boddingius, A. Steendijk en J. Renterghem de Fouw. Verkoren worden Vervenne, Swemer en Ermerins. Voor diakenen worden de volgende dubbeltallen gesteld: A.W. Rembges, J. Risseeuw, J.P. Clement, J.K. van Baalen, P.J. Somer, A. Boddingius, A. Magnin en L.C. de Peval. Verkoren worden Van Baalen, Boddingius en De Peval. ‘Daar de overige gekozenen weigerachtig bleven heeft broeder Brandt op vriendelijke aandrang van de vergadering zich welwillend verbonden om nog weer voor een jaar in dienst te treden’.

Handelingen van de kerkenraad
Opvallend is dat deze jaren tal van kerkenraadsvergaderingen geen doorgang hebben omdat er, volgens het notulenboek, geen bijzonderheden zijn. In andere gevallen bestaat de notulering van een vergadering slechts uit enkele regels.

Aan het begin van elk jaar worden de censuurgevallen besproken.
Zo blijven begin 1828 onder censuur staan Jannetje Zweedijk, Cornelia Zoutewelle, Suzanna Elenbaas, Tanna Hubrechts, Willemina Dekker, Dingena Meertense, Pieternella Goeman, Catharina van der Wacht, Catharina Gingnagel, Tannetje van de Visse, Elisabeth de Haan en Adriana Spijk. Het valt op dat zelden mannelijke lidmaten onder censuur staan. Ook begin 1832 zijn er nog steeds negen censuurgevallen, alle vrouwelijke lidmaten.
Ze worden door de scriba schriftelijk vermaand ‘om door een Christelijke wandel voortaan de gegeven ergernis uit te wissen teneinde op hun belijdenis van berouw wederom tot het voorrecht van het gebruik van het Heilig Avondmaal te kunnen worden toegelaten’.
De kerkenraad neemt op de 12e januari 1828 kennis van het besluit van Zijne Majesteit de Koning waarbij een Algemene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt ingesteld.

In april 1828 verzoekt het Stadsbestuur de kerkenraad dat de openbare collecten, die ten behoeve van de verscheidene armeninstellingen worden gedaan, voortaan van de preekstoel aan de gemeente worden aanbevolen. De kerkenraad besluit aan dit verzoek te voldoen.

In november 1828 beraadt de kerkenraad zich over de godsdienstoefening op de woensdagavonden. In overweging wordt genomen ‘of men, daar er een niet noemenswaardig getal van de gemeente sedert een geruime tijd van dezelve gebruik maakt, dezelve voortaan zoude sluiten tot zich een andere geest in de gemeente daaromtrent openbaarde’. De kerkenraad wil hierover nog niets bepalen, maar besluit deze zaak aan te houden en over acht dagen daarover een nader besluit te nemen. De volgende dag zal het volgende aan de gemeente worden bekend gemaakt:
‘De kerkenraad, gedurende enige tijd om bijzondere redenen de weekgodsdienst hebbende doen sluiten, heeft reeds sinds lange en vooral laatstleden woensdagavond met veel smart ontdekt dat de voortzetting van die beurt door een niet noemenswaardige opkomst der gemeente weinig op prijs wordt gesteld en, indien al niet tot ergernis, immers tot zielsdroefheid der leraren en van den gehele kerkenraad verstrekt, en geeft bij deze aan de gemeente kennis dat hangende de maatregelen deswegens, aanstaande woensdagavond niet zal gepredikt worden’.

De volgende week, op de 15e november, besluit de kerkenraad na lang beraad de gemeente het volgende bekend te maken:
‘De kerkenraad, nader beraadslaagd hebbende over het al of niet in stand houden van de predikbeurt des woensdagsavonds, heeft na rijpe deliberatie besloten om dezelve, onverminderd de gewone sluiting bij sommige gelegenheden, provisioneel nog te laten voortgaan, in verwachting dat de gemeente ook daarvan beter gebruik zal maken dan tot nog toe sedert een geruime tijd is geschied. Zullende zij anders het aan zich zelve te wijten hebben indien in volgende tijd daarin andere maatregelen worden genomen’.
In september 1829 krijgt de kerkenraad bericht dat de Gouverneur van Zeeland op de 24e september Goes zal bezoeken en audiëntie verlenen. De drie predikanten met de president ouderling en diaken zullen bij de Gouverneur in naam van de kerkenraad hun opwachting maken.

De kerkenraad besluit in april 1830 ‘om, tot voorkoming van ongeregeldheden en wanorde die soms veroorzaakt wordt door het grote aantal dat op de gezette doopdagen wordt aangebracht, dewijl dan het doophek te klein is om de daartoe behorende personen te kunnen bevatten’, voortaan de bediening van de Doop elke zondag plaats te laten hebben. De belanghebbenden zijn verplicht zaterdags voor de middag aangifte te doen van de kinderen die zij ten Doop wensen aan te bieden ten huize van de koster P. Engelse. Deze zal vervolgens des middags de doopbriefjes tot onderzoek vertonen aan de predikant die de Heilige Doop zal bedienen.

In mei 1830 neemt de grote kerkenraad een besluit over de diaconie. De rekening van de diaconie moet voortaan geschieden ten overstaan van de grote kerkenraad als administrerend het fonds van de diaconie armen. Dit moet gebeuren in dezelfde trant waarin dit nu geschiedt. Over een verhoging van het traktement van de ontvanger van de diaconie zal nader worden gehandeld bij het opnemen van de jaarrekening.
In mei wordt er ook een bijzonder boek voor de grote kerkenraad in gebruik genomen. De notulen van de 26e mei vermelden: ‘Na het houden van deze vergadering is voor de handelingen van de grote of brede kerkenraad een bijzonder boek aangelegd’.

Burgemeester en wethouders sturen de kerkenraad in juli 1830 een kennisgeving dat Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje, vergezeld van zijn beide jongste zonen, de stad op de 16e juli met een bezoek zal vereren. De kerkenraad besluit de Koning namens de kerkenraad te gaan begroeten. Hiervoor worden aangewezen de predikanten ds. Blaaubeen en ds. Van Oosterzee en de kerkenraadsleden Phil. Vervenne en D. Vervenne. De commissie rapporteert ‘dat ze op audiëntie is geweest bij de Prins van Oranje en aldaar de hulde van de vergadering heeft gebracht, welke door Zijne Koninklijke Hoogheid minzaam was beantwoord’.

Op de 5e juli 1830 brengt de preses het ‘Reglement op de kerkenraden in de provincie Zeeland’ ter sprake. Dit zal aan de leden worden rondgezonden ter bestudering en komt later nader aan de orde. Op de 24e september 1830 wordt het Huishoudelijk reglement vastgesteld. Dit gaat in op 1 januari 1831. Voortaan zal bij de vermaking van de kerkenraad geen vertegenwoordiging van het Stadsbestuur meer worden betrokken. Bepaald wordt dat het aantal ouderlingen voortaan op zes en dat van de diakenen ook op zes zal worden gesteld. De ouderlingen en diakenen zullen zitting hebben voor twee jaar. Elk jaar zullen drie ouderlingen en drie diakenen aftreden en nieuwe worden beroepen. De vermaking van de kerkenraad zal voortaan plaats vinden na de derde zondag in november. De bevestiging zal dan zijn op de laatste zondag van december.

In maart 1831 beraadt de kerkenraad zich opnieuw over voortzetting van de godsdienstoefeningen op de woensdagavonden. De kerkenraad overweegt ‘of men wederom zou aanvangen om des woensdagsavonds te prediken’. Besloten wordt, zowel vanwege de aanhoudende ziekelijke toestand van de oudste predikant Colmschate als van de weinige verwachting van de opkomst van de gemeente, deze beurt vooralsnog te laten stil staan. In de volgende driemaandelijkse vergadering zal hierover opnieuw worden gehandeld.
Dit gebeurt op de 25e juni. Van de negen kerkenraadsleden zijn er slechts vier aanwezig, namelijk ds. Blaaubeen, preses, ds. Van Oosterzee, scriba, ouderling mr. J.J. van Deinse, assessor, en ouderling Piepers. De overige leden zijn afwezig. De vergadering, overwegende dat de redenen tot beëindiging van de woensdagavond predikbeurt nog steeds dezelfde blijven, bepaalt dat deze sluiting voorlopig zal blijven voortduren. De godsdienstoefening zal daarom ook gedurende de eerstvolgende drie maanden geen plaats hebben. In de vergadering van de 23e september wordt hetzelfde besluit genomen.

In de kerkenraadsvergadering van de 23e september 1831 ligt er een brief van het college van diakenen op tafel. Ze geven hun verlangen te kennen om hun college weer zoals voorheen op acht leden te brengen. De kerkenraad neemt dit verzoek in overweging en vindt de redenen gegrond. Deze vermeerdering van het aantal diakenen heeft geen invloed op de werkzaamheden van de brede kerkenraad vanwege de daarbij gevoegde bepaling dat de twee jongste of twee van de vier nieuw aangekomen leden daarin geen zitting zullen hebben. Besloten wordt het verzoek voor te leggen aan het klassikale bestuur en op inwilliging daarvan aan te dringen. Het klassikale bestuur deelt in november 1831 mee dat het college van diakenen voortaan weer uit acht leden mag bestaan inplaats van zes.

Op verzoek van de diakenen Van den Bosch en Lignian wordt in oktober 1832 een vergadering van de grote kerkenraad belegd. Ze doen verslag van een gehouden conferentie met een commissie uit het Stadsbestuur  met de strekking om gemeenschappelijk en in der minne te overleggen of en in hoever op het beheer van het armbestuur zou kunnen worden  bezuinigd. Ook of kan worden vereenvoudigd met het oogmerk om langs die weg het genot van subsidie uit de stadskas te voorkomen. De stedelijke commissie deed verscheidene voorstellen. De commissie uit de diaconie heeft getracht het onmogelijke en bezwaarlijke daarvan aan te wijzen. Er kwam ook een voorstel of het niet in het belang van zowel het diaconale armbestuur als van de stedelijke kas zou zijn, wanneer de diaconie kan worden verenigd met het algemeen armbestuur. Hun inkomsten zouden dan gevoegd worden bij die van het armbestuur, waaruit dan gemeenschappelijk de behoeften van alle armen zonder onderscheid bestreden zouden kunnen worden. Ook hier tegen hebben de diakenen hun bedenkingen geuit. Ze hebben te kennen gegeven dit aan de brede kerkenraad te willen voorleggen.
De brede kerkenraad toont zich zeer voldaan over hun zo wel bestierde handelingen in deze en betuigt de diakenen dank voor hun moeite. Besloten wordt dat in de voorstellen van het Stadsbestuur niet kan noch mag worden bewilligd, ‘als lijnrecht strijdig met de uitdrukkelijke uiterste wil van de legatarissen die begeerd hebben dat hun erfmaking uitsluitelijk ten behoeve van de hervormde diaconie armen zal worden besteed’. De commissie zal in een volgende conferentie voorstellen om de achterstallige schuld van de diaconie bij het Gasthuis kwijt gescholden te krijgen en tevens dat voortaan uiterlijk een aantal van tien personen van de diaconie armen gratis in het Gasthuis mag worden opgenomen.

Bij Koninklijk Besluit wordt op zondag de 2e december 1832 een algemene bededag uitgeschreven met de voor de plechtige viering van die dag te nemen maatregelen. Het Stadsbestuur geeft hiervan kennis aan de leraren van de Hervormde gemeente en de rooms-katholieke gemeente, mitsgaders aan de Israëlitische gemeente binnen de stad, met de uitnodiging om zich overeenkomstig Zijne Majesteits begeerte te gedragen. Het Stadsbestuur bepaalt dat op die gedenkwaardige dag alle bedrijven en neringen zullen stil staan en alle sociëteiten en herbergen gesloten zullen blijven.

Kerkvisitatie
In april 1829 wordt er kerkvisitatie gehouden. Uit het verslag blijkt dat alles bij de predikanten, ouderlingen en diakenen in behoorlijke orde is en zij hun plichten met de meeste getrouwheid vervullen. Het nadelige slot van de diaconie over 1828 was ƒ 1.812,22. Het aantal zielen van de kerkelijke gemeente is 4000, waarvan 1283 lidmaten. Het aantal gedoopten sinds de laatste visitatie is 110. Het aantal aangenomen lidmaten is 49.
Bij de in mei 1830 gehouden kerkvisitatie door de predikanten Colmschate en Poppe namens het klassikale bestuur blijkt dat alles in orde wordt bevonden. Het aantal zielen van de Hervormde gemeente is 4000, waarvan 1300 lidmaten. Er zijn dit jaar veertig nieuwe lidmaten aangenomen.
Bij de kerkvisitatie in april 1831 blijkt het goede slot van de diaconie over 1830 ƒ 1.216,34 te zijn. Het zielental bedraagt 3700, waarvan 1200 lidmaten. Er zijn 28 nieuwe lidmaten aangenomen, terwijl er 26 lidmaten met attestatie zijn vertrokken.
Bij de kerkvisitatie in april 1832 blijkt dat het zielental 3587 bedraagt, waarvan 1395 lidmaten. Er zijn 58 nieuwe lidmaten aangenomen.

Voorlezers en voorzangers
In november 1827 besluit de kerkenraad dat, als schoolmeester Van Zoom als voorlezer en voorzanger zou bedanken, in dat geval de vervulling van die vacature bij voorkeur gegund zal worden aan de stadsschoolmeester die in zijn plaats zal worden aangesteld. Het Stadsbestuur toont zich hiertoe niet ongenegen, vooropgesteld dat Van Zoom zijn functie neerlegt en de aan te stellen schoolmeester voldoet bij zijn examen voor de kerkelijke dienst. In maart 1828 deelt Van Zoom mee dat Zijne Majesteit de Koning hem heeft begunstigd als onderwijzer met ’s rijks en stedelijk pensioen. Hij verzoekt ontslag als voorlezer onder dankbetuiging voor de genoten toegevendheid en het geduld.
Er is ook een brief van het Stadsbestuur, dat benoemd is tot schoolmeester aan de stadsschool de heer Jacobus van der Pijl, thans onderwijzer aan de wezen- en armenschool. Van der Pijl verzoekt daarop te mogen worden begunstigd met de functie van voorlezer en voorzanger. De kerkenraad besluit aan het verzoek van Van der Pijl te voldoen en hem te benoemen tot voorlezer en voorzanger. Maar in augustus 1829 ontvangt de kerkenraad bericht van het Stadsbestuur dat de schoolmeester Van der Pijl wegens wangedrag voor zes weken is geschorst. De kerkenraad treft eenzelfde maatregel omdat hij door zijn wangedrag ergernis bij de gemeente heeft gegeven.

Diaconie
Deze jaren kampt de diaconie met grote financiële zorgen.
Dit kan blijken uit het volgende overzicht van ontvangsten, uitgaven en saldi uit de jaarrekeningen van de diaconie over deze jaren:

Jaar: Ontvangsten: Uitgaven: Batig saldo: Nadelig saldo:
1826 ƒ 3.542,10 ƒ 3.542,10 ƒ -,-  
1827 ƒ 2.148,19 ƒ 2.148,19 ƒ -,-  
1828 ƒ ƒ ƒ  
1829 ƒ ƒ ƒ 1.216,34  
1830 ƒ 5.321,31 ƒ 4.466,85 ƒ 854,46  
1831 ƒ 4.870,17 ƒ 4.870,17 ƒ -,-  
1832 ƒ 4.305,56 ƒ 4.297,74 ƒ 7,82  

De rekening van de diaconie over het jaar 1826 sluit met een gelijk bedrag aan ontvangsten en uitgaven. Maar aan het Gasthuis moet dan nog ƒ 616,63 worden betaald; dit bedrag wordt uit de memorieposten gedekt. Ook de rekening over het jaar 1827 sluit zonder saldo, maar er moet nog wel een schuld aan het Gasthuis worden betaald van ƒ 1.102,85.

In januari 1827 geven de diakenen de grote kerkenraad hun verlangen te kennen dat er een permanente scriba bij het college van diakenen wordt benoemd. Dit om de vele werkzaamheden van de diakenen te verlichten en dat temeer ‘dewijl zij overal tegenstand vindt’. Anders vreest het college van diakenen niet in staat te zijn om bij de aanstaande aftreding de vier vacante diakenplaatsen te vervullen of een nominatie met enige gegronde hoop aan de vergadering aan te kunnen bieden. Er wordt een commissie, bestaande uit ds. Blaaubeen, de ouderlingen Boddingius en Janssen en de diakenen Lignian en Steendijk, ingesteld om hierover een advies op te stellen.

Er rijst in juli 1827 kennelijk ongenoegen over de boekhouder van de diaconie Boddingius. De diakenen stellen de grote kerkenraad voor om de functie van boekhouder te verenigen met de functie van vaste scriba op een traktement van ƒ 150. Dit bedrag kan worden voldaan voor de helft uit de diaconale middelen en voor de andere helft uit het fonds van de eredienst.
De kerkenraad gaat in augustus akkoord met een vaste scriba van de diaconie op een traktement van ƒ 100 uit de diaconiekas. Daarin is dan ƒ 49 begrepen die de boekhouder tot nu toe genoot. Na lang beraad wordt het voorstel in een besluit veranderd. Er zal een instructie voor de vaste scriba worden opgesteld.
De diakenen dragen als vaste scriba en boekhouder voor de heer C.L. Lignian. Maar de kerkenraad maakt aanvankelijk bezwaar tegen deze voordracht met als gevolg dat de zaak onbeslist blijft. Uiteindelijk wordt de heer Lignian in augustus met algemene stemmen benoemd voor een periode van vier jaar.

Vanwege de aanstelling van de vaste scriba in combinatie met de functie van boekhouder doet boekhouder Boddingius in september 1827 afrekening van de eerste zes maanden van dit jaar. Daaruit blijkt dat de ontvangsten ƒ 1.876,46 en de uitgaven ƒ 1.597,42 zijn, waardoor er een goed slot is van ƒ 279,42. De preses bedankt boekhouder Boddingius ‘vriendbroederlijk voor de uitgebreide en getrouwe diensten, een reeks van jaren ten behoeve der armen en der diaconiemiddelen overvloedig door hem bewezen’. Boddingius draagt alle bescheiden van de diaconale boekhouding over aan de nieuwe boekhouder Lignian.

Na afloop van het jaar 1827 blijken uit de jaarrekening de ontvangsten en uitgaven ƒ 2.148,19 te zijn. Aan het Gasthuis is nog te betalen ƒ 1.102,85. Voor het tekort wordt vermindering gevraagd bij het Stadsbestuur voor betaling aan de administratie van het Gasthuis ‘met zoveel mogelijke aanwijzing van redenen dat deze som van tekort zulk een aanmerkelijke hoogte heeft bereikt’. Uit onderzoek door een commissie blijkt dat dit tekort veroorzaakt is ‘door het grote aantal bedeelden en de noodzakelijke vervulling van meerdere behoeften, waardoor meer aanzienlijke sommen, zo voor de bestede personen in het Gasthuis als die buiten het zelve zijn gealimenteerd, vereist worden, terwijl al verder de ontvang der landpachten een aanzienlijke vermindering van tussen de ƒ 200 en ƒ 300 heeft ondergaan’.

In januari 1828 leggen de diakenen een project voor de armenzorg voor. De kerkenraad antwoordt dat het toegezonden project hen voorkomt alleszins geschikt te zijn. Wel dient, om aanspraak op alimentatie te maken, men bovendien vier jaar in de gemeente te hebben gewoond en in de lusten moet hebben helpen bijdragen, zonder van elders gedurende die tijd alimentatie te hebben genoten. Overigens krijgen de diakenen toestemming voor het doen van een buitengewone collecte aan de huizen van de ingezetenen.

Het Stadsbestuur deelt de kerkenraad in maart 1828 mee dat het onmogelijk is om de gevraagde vermindering van het gehele bedrag, dat de diaconie nog aan het Gasthuis schuldig is, te verlenen. Wel is het mogelijk dit voor een derde gedeelte te doen. De gemeenteraad wil echter eerst geïnformeerd worden hoe het overige gedeelte dan gevonden kan worden en verzoekt in het vervolg wel over een waarschijnlijk tekort vroeger te worden geïnformeerd.
Na rijp beraad besluit de kerkenraad om, onder dankbetuiging, de vermindering te accepteren. Voor het overige tekort verzoekt ze toestemming voor de verkoop van effecten. Mocht het Stadsbestuur hier niet toe kunnen besluiten, dan verlangt de kerkenraad een bespreking voordat definitieve bepalingen worden gemaakt.

In mei 1828 rapporteert de ingestelde commissie van kerkenraad en Stadsbestuur  over het nadelige slot van de laatste diaconale rekening aan de grote kerkenraad. De commissie is ten volle overtuigd van de goede intentie van de gecommitteerden uit de gemeenteraad ten opzichte van het belang van de diaconie. Ze verwacht alle hoop te mogen voeden dat de gevraagde vermindering wel voor de helft door het Gasthuis kan worden verleend, dit onder de bepaling dat de diaconie dan door verkoop van effecten voor het overige bedrag dient te zorgen. De kerkenraad kan zich met dit voorstel wel verenigen en besluit de diakenen toestemming te geven om uit de effecten van de diaconie te verkopen een kapitaal van ƒ 3.400 nominale waarde, ingeschreven op het Grootboek der Nationale schuld.
De regenten van de godshuizen krijgen in mei 1828 toestemming om aan de diaconie terug te storten de helft van de over 1827 verschuldigde alimentatiegelden ten bedrage van ƒ 541,56 voor het onderhoud van hun gealimenteerden in het Gasthuis.

De diakenen van de Hervormde gemeente dienen in mei 1828 een verzoek aan Zijne Majesteit de Koning in om voor de verkoop van ƒ 3.400 kapitaal werkelijke schuld ten laste van het Rijk te worden gemachtigd. Dit dient zowel tot kwijting van het nadelige slot van de diaconale rekening over 1827 als tot het gaande houden van de administratie over 1828.
Het Stadsbestuur overweegt dat zonder een buitengewone maatregel de administratie van de diaconie op geen effen voet kan worden gebracht en dat de prompte en geregelde aanbetaling van de verschuldigde alimentatiegelden aan het Gasthuis voor die administratie allernoodzakelijkst is. Besloten wordt dan ook aan het verzoek van diakenen te voldoen en haar rekest, vergezeld van het positieve advies van het Stadsbestuur, in te zenden aan Gedeputeerde Staten met het verzoek dit aan Zijne Majesteit toe te zenden. Het Stadsbestuur voegt een advies toe om de diakenen de verlangde autorisatie tot verkoop van een kapitaal van ƒ 3.400 werkelijke schuld, ingeschreven op ’s Rijks grootboek ten name van de administratie van de diaconie, gunstig te accorderen.

Maar Gedeputeerde Staten maken bezwaar tegen het standpunt van de gemeenteraad. Er mag naar hun mening geen vervreemding van eigendom van de armbesturen tot het bestrijden van lopende uitgaven worden toegestaan. Zo’n armbestuur dient de toevlucht te nemen tot het plaatselijke bestuur om subsidie tot voorziening in haar behoeften te verzoeken. Ze voelen er niet voor het verzoek van het Stadsbestuur aan Zijne Majesteit voor te dragen. Mocht het Stadsbestuur dit rechtstreeks aan Zijne Majesteit voorleggen, dan is hier geen gunstig gevolg van te verwachten, zo waarschuwen Gedeputeerde Staten op voorhand. De gemeenteraad besluit de stukken in handen te stellen van de secretaris om daarover met de diakenen te overleggen en daarover te rapporteren.

Voor het jaar 1829 verleent het Stadsbestuur de diaconie een subsidie van ƒ 1.900. De kerkenraad neemt hier met genoegen kennis van. Wel dient het Stadsbestuur de diaconie in mei 1829 mee dat ze zelf dient te voorzien in het vereffenen van het nadelige slot. Ze geeft de diakenen in overweging, voor en aleer tot andere middelen de toevlucht wordt genomen, te beproeven om een zodanige schikking te treffen met het Gasthuis dat van de aan het Gasthuis lopende schuld jaarlijks wordt uitgekeerd een som van ƒ 300 zonder interest.

In november 1831 brengt de kerkenraad haar verwondering en leedwezen aan het Stadsbestuur te kennen dat niet is ingestemd met het bedrag dat door de diaconie was voorgedragen. Inplaats van de geraamde subsidie van ƒ 1.800 is slechts ƒ 1.300 toegekend. Uit de brief van de kerkenraad aan het Stadsbestuur blijkt het volgende: ‘Er zal ongeveer ƒ 700 minder kunnen worden ontvangen dan wij bij het zuinigste overleg menen te zullen behoeven. Wij zijn er van overtuigd dat u tot die verminderde beraming van toegestane subsidie alleenlijk besloten hebt wegens de ongunstige staat, waarin zich de stadsfinanciën thans bevinden. Maar wij menen echter te moeten verklaren dat ook bij de meeste bezuiniging die diakenen in hun administratie altijd in acht nemen, een zodanige vermindering van uitgaven niet alleen tot grote moeilijkheden zal aanleiding geven, maar dat het ook onmogelijk zal zijn om de bestedingskosten alzo te verminderen of de bedeling der armen in die verhouding te brengen. Wij verzoeken u de staat der begroting nog eenmaal te willen overzien. Als u hiertoe niet bereid bent, wilt u dan aangeven hoe wij hebben te handelen wanneer onze onvermijdelijke uitgaven bij alle spaarzaamheid tot aan het maximum van de ontvangsten zullen zijn gebracht. En wij voor onze armen niets meer zullen te bedelen hebben’.

De diakenen krijgen in januari 1832 toestemming om op maandag de 23e januari een buitengewone collecte te doen.
In augustus verzoekt de diaconie om een extra subsidie voor 1831 en vraagt advies van het Stadsbestuur over de door deze vermeende veranderingen in de wijze van administratie van de diaconie. Het Stadsbestuur stelt een commissie in tot onderzoek van de door de diaconie voorgestelde maatregelen en tot het doen van aanbevelingen die aan de diaconie zouden kunnen worden gedaan tot introductie van meer regelmatigheid en bezuiniging en daardoor tot vermindering van de aanzienlijke onderstand die jaarlijks van stadswege wordt vereist.

Op de 27e oktober 1832 wordt een vergadering van de grote kerkenraad belegd op verzoek van de diakenen Van den Bosch en Lignian. Beide diakenen doen verslag van een gehouden conferentie met een commissie uit het Stadsbestuur . Dit overleg diende ervoor om gemeenschappelijk en in der minne te overleggen of en in hoever op het beheer van het armbestuur zou kunnen bezuinigd en vereenvoudigd worden, voornamelijk om langs die weg het genot van subsidie uit de stadskas te voorkomen.
De stedelijke commissie deed verscheidene voorstellen, waarvan de commissie uit de diaconie het onmogelijke en bezwaarlijke trachtte aan te wijzen. Er kwam ook een voorstel of het niet in het belang van het diaconie armbestuur zowel als van de stedelijke kas zou zijn, wanneer het diaconale armbestuur verenigd zou worden met het algemeen armbestuur en daardoor de diaconale inkomsten gevoegd zouden worden bij die van het algemeen armbestuur. Daaruit zouden dan gemeenschappelijk de behoeften van alle armen zonder onderscheid bestreden kunnen worden. Ook hier tegen hebben de diakenen hun bedenkingen geuit. Ze gaven te kennen dit aan de brede kerkenraad te willen voorleggen.
De kerkenraad betoont zich zeer voldaan ‘over hun zo wel bestierde handelingen in dezen en betuigt dank voor hun moeite’. Besloten wordt ‘dat in de voorstellen van het Stadsbestuur noch kan noch mag worden bewilligd, als lijnrecht strijdig met de uitdrukkelijke uiterste wil van de legatarissen die begeerd hebben dat hun erfmaking uitsluitelijk ten behoeve van de hervormde diaconie armen zal besteed worden’.
De commissie uit de kerenraad zal in een volgende conferentie met vertegenwoordigers van het Stadsbestuur voorstellen om de achterstallige schuld van de diaconie bij het Gasthuis kwijtgescholden te krijgen en tevens dat voortaan een aantal van maximaal tien personen van de diaconie armen gratis in het Gasthuis zal worden opgenomen.

De brede kerkenraad van de Hervormde gemeente stuurt in november 1832 de begroting in voor de diaconale administratie voor 1833. De gemeenteraad bespreekt deze samen met het door de ingestelde commissie opgestelde rapport tot onderzoek van de mogelijke verbeteringen en bezuinigingen in de administratie van de diaconie. Deze commissie is tevens verzocht de begroting van de diaconie te examineren.
Overeenkomstig de voordracht van de commissie besluit de gemeenteraad om vooralsnog geen veranderingen in de wijze van administratie van de diaconiefondsen aanhangig te maken. De begroting voor 1833 wordt goedgekeurd met aan ontvangsten ƒ 4.637,87 en uitgaven ƒ 4.607,10 en een goed slot ƒ 30,77.
De brede kerkenraad en de diakenen wordt te kennen gegeven dat de voortdurende ongunstige staat van de stedelijke financiën het noodzakelijk maken om zowel bij de stad zelf als bij de gesubsidieerde armenadministratie en soortgelijke instellingen alle mogelijke bezuinigingen, spaarzaamheid en overleg in te voeren of dit alsnog uit te breiden. Met het oog daarop is de gemeenteraad van oordeel dat bij de diaconie nog wel enige vermindering van uitgaven zou kunnen worden verkregen door niet dan bij uiterste noodzaak personen in het Gasthuis uit te besteden en dus het personeel aldaar zoveel mogelijk beneden het voorgedragen aantal te brengen of te houden. Ook kan bezuinigd worden door het inkorten van buitengewone bedelingen, het niet dan zelden bedelen van kledingstoffen, het intrekken of verminderen van huishuren die aan particulieren betaald worden en het minder kostbaar begraven van de overledenen. Verder wordt nog een groot aantal aanpassingen in de begroting doorgevoerd.

In december 1832 krijgt de diaconie toestemming voor de verkoop van een tot de diaconie behorend woonhuis in de Korte Vorststraat in wijk C nummer 89. De kosten van dit huis blijken meer te zijn dan de baten. De waarde wordt geschat op ƒ 150.

Waalse gemeente

In mei 1828 komt er een aanschrijving van de Minister van Staat voor het Departement der Hervormde kerk. Daarbij is gevoegd het Koninklijk Besluit, ‘waarbij de Waalsche Hervormde gemeente te Goes verklaard wordt geheel en al te zijn opgeheven alsmede verenigd met de Nederduitse Hervormde gemeente te Goes en dat omtrent de fondsen van die gemeente nadere schikkingen zullen bepaald worden’.

Rooms-katholieke gemeente

Deze jaren wordt de rooms-katholieke gemeente gediend door pastoor Simon van der Heijden. Hij is op 22 november 1811 benoemd op een landstraktement van ƒ 300.

Het kerkbestuur van de rooms-katholieke gemeente schrijft in mei 1828 het Stadsbestuur over een door de (vermogende) heer Johannes de Keijzer aan de kerk bij testament vermaakte nalatenschap. Na rijpe overweging heeft men de vrijheid genomen om deze zaak aan de Minister van Binnenlandse zaken te richten in het eerbiedig vertrouwen dat deze informatie voldoende is om tot een positief rapport aan Zijne Majesteit te besluiten. De brief is ondertekend door S. van der Heijden, J. van Winterooy, F. Briels en M. van den Broeke.

In juni 1829 worden bij Koninklijk Besluit de kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente gemachtigd tot het aanvaarden van de nalatenschap van Johannes de Keijser.
De gemeenteraad verleent toestemming voor de openbare verkoop van de in de nalatenschap aanwezige onroerende goederen. Deze bestaan uit: een derde part in een woonhuis, stal en erve op de Beestenmarkt in wijk B nummer 48; een woonhuis en erve aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk in wijk B nummer 245, zijnde de herberg ‘het Molentje’; een dubbel woonhuis en erve in de Voorstad in wijk A nummer 213; een woonhuis, smidswinkel en erve aldaar in wijk A nummer 247; een woonhuis en erve op de Kleine Kade in wijk D nummer 105; een buitenplaats genaamd ‘den Berg’ met 1 bunder en 45 ellen bos en moestuin; 2406 ellen boomgaard in het Noord Ambacht van Kloetinge en 1 bunder en 2009 ellen zaailand in Kerkhoek gemeente ’s-Heer Hendrikskinderen.