Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1827 - 1832)

Plaatselijke schoolcommissie

De plaatselijke schoolcommissie rapporteert in mei 1827 over de toestand van het onderwijs in de stad. Met leedwezen heeft de commissie gezien dat de kinderen van de bedeelde armen minder naar school komen dan voorheen. En daar de inrichting van de wezen- en armenschool té kostbaar is om daarvan niet alle mogelijke nut te trekken, adviseert ze het Stadsbestuur hier aandacht aan te geven. Dit geeft het Stadsbestuur aanleiding om het algemeen armbestuur te verzoeken maatregelen te nemen om de door haar gealimenteerden zoveel mogelijk te verplichten hun kinderen in de wezen- en armen school te laten onderwijzen.
Ook wordt de schoolcommissie uitgenodigd enige maatregelen in het werk te stellen tot instandhouding of bevordering van de bestaande ‘Jonge Juffrouwen school’ en daarvoor een gemotiveerd voorstel te doen.

Uit de jaarlijkse algemene verslagen van de schoolcommissie over de staat van de scholen binnen de stad blijken interessante gegevens.
Er zijn twee Nederduitse scholen, bediend door de schoolmeesters C. van Klooster en J. van der Pijl, een Franse kostschool, bediend door schoolmeester J.H. van de Bree, een wezen- en armenschool, bediend door schoolmeester J. Kruijsse en een meisjesschool, bediend door de onderwijzeres E.A. Petit.

In januari 1829 stelt de plaatselijke schoolcommissie enkele veranderingen in het stedelijke schoolreglement voor. Deze hebben vooral betrekking op het schoolgeld en de bepaling van de schooltijden. Alvorens hierover te besluiten vraagt het Stadsbestuur de schoolcommissie aan te geven of haar oogmerk is om de voorgestelde schooltijden op alle openbare scholen binnen de stad toe te passen. Als dat niet zo is, dan wordt de commissie in overweging gegeven om soortgelijke bepalingen voor alle scholen te ontwerpen.
Het Stadsbestuur stelt de schooltijden in mei 1829 op de volgende wijze vast:
in beide Nederduitse stadsscholen van 9.00 tot 11.30 uur; van 14.00 tot 16.00 uur en van 17.00 tot 19.00 uur;
in de Franse school van 9.00 tot 12.00 uur; van 15.00 tot 17.00 uur en van 17.30 tot 19.30 uur;
in de meisjesschool van 9.00 tot 12.30 uur; van 15.00 tot 18.00 uur in de zomer en van 14.30 tot 17.00 uur in de winter, ‘s namiddags alleen voor vrouwelijke handwerken;
in de wezen- en armenschool van 9.00 tot 11.30 uur en van 13.30 tot 16.00 uur. Gedurende de zes wintermaanden wordt voor de grote weeskinderen een herinneringsschool gehouden van 19.00 tot 21.00 uur;
voor de kinderschooltjes van 9.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 17.00 uur.

In september 1829 stelt de commissie het Stadsbestuur voor een bedrag van ƒ 100 uit te reiken voor een geschenk of gratificatie aan diegene van de onderwijzers en onderwijzeressen binnen de stad die zich bijzonder verdienstelijk maken in de uitoefening van hun functie. Het Stadsbestuur besluit echter vanwege de bekrompen staat van de stedelijke financiën niet te treden in dit voorstel. Maar bij nader inzien, bij de vaststelling van de begroting voor 1830, besluit de gemeenteraad op aandrang van enkele leden de post in de begroting voor schoolprijzen voor de tekenschool te verhogen van ƒ 100 tot ƒ 200.

In april 1832 verzoekt de heer Anthonis Jacobus Eltzman eervol ontslag als lid van de plaatselijke schoolcommissie vanwege zijn verhuizing naar Utrecht. Zijn plaats in de commissie namens het algemeen armbestuur wordt ingenomen door de apotheker J. W. van Kerkwijk.

Nederduitse scholen

De beide Nederduitse stadsscholen worden bezocht door respectievelijk 103 en 144 leerlingen.

In 1827 komt er een einde aan de loopbaan van Kornelis van Zoom als stadsschoolmeester aan de stadsschool, gelegen naast Slot Oostende en tegenover de Grote kerk. Hij is bijna zeventig jaar oud en heeft 48 jaar als schoolmeester aan de Goese stadsschool gefunctioneerd. Al deze jaren heeft hij zich ijverig en getrouw van zijn plicht gekweten. Hij wordt in het onderwijs terzijde gestaan door zijn zoon M. van Zoom. Het aantal leerlingen van zijn school bedraagt 91.
In januari verzoekt Van Zoom Zijne Majesteit de Koning om met een landspensioen te worden begunstigd. Het Stadsbestuur is van gevoelen ‘dat er over het gedrag en de verdiensten van Van Zoom een alleszins loffelijk getuigenis kan worden gegeven. Zijn hoge jaren en langdurige dienst zijn alle consideratie waardig. En hoe zeer de stedelijke financiën het toekennen van pensioen bezwaarlijk toelaten en daarvan tot hier toe geen voorbeeld bestaat, evenwel deze bijzondere omstandigheden van de onderwijzer gevoegd bij de algemeen gevoelde noodzakelijkheid om het lager onderwijs binnen de stad op een hoger trap te brengen, waartoe een in de nieuwe leerwijze volkomen ervaren onderwijzer onmisbaar is, billijkt een zodanige uitzonderling’. De gemeenteraad verklaart zich bereid om de toelage van Van Zoom die Zijne Majesteit van ‘s landswege wil verlenen uit de stedelijke middelen te vermeerderen met ƒ 200 of ten hoogste ƒ 250.
Bij Koninklijk Besluit wordt de stadsschoolonderwijzer Van Zoom met ingang van 1728 een rijkspensioen van ƒ 128 per jaar toegekend. Uit de stadskas krijgt hij bovendien een jaarlijkse toelage van ƒ 250.

Door de pensionering van Van Zoom wordt de vacature van stadsschoolmeester opengesteld. Zolang er geen opvolger is zal Van Zoom met het onderwijs voortgaan.
Aanvankelijk verzoekt de onderwijzer Van Klooster (de schoolmeester van de andere Nederduitse school) in de vacature te worden benoemd, doch enige tijd later trekt hij z’n sollicitatie in.
In februari 1828 benoemt de gemeenteraad Jacobus van der Pijl, oud 29 jaar. Hij bezit de tweede rang en is thans onderwijzer aan de wezen- en armenschool binnen de stad.
Weliswaar staken de stemmen in de gemeenteraad. De stem van de burgemeester beslist ten gunste van Van der Pijl. Raadslid Mirandolle protesteert tegen dit besluit.
Op 15 april 1828 aanvaardt Van der Pijl de functie van stadsschoolmeester. Hij betuigt ‘zijn dankbaarheid voor de op hem verstrekte benoeming als openbare stads schoolonderwijzer met verzekering van nauwkeurige plichtsbetrachting’.

Er worden in november 1827 noodzakelijke herstellingen en verbeteringen aan het schoolgebouw van de stadsschool en het schoolhuis aan de Singelstraat tegenover de Grote kerk gedaan. Op de begroting van 1828 is een bedrag van ƒ 900 opgenomen voor het doen van buitengewone reparaties aan en in de stadsschool en het schoolmeestershuis. De aannemers Marinus Dekker en Johannes Goossen verrichten de werkzaamheden in 1829 voor ƒ 850. De werkzaamheden bestaan globaal uit het leggen van een nieuwe planken vloer, het leggen van een nieuwe zolder in het achterkeukentje, reparaties aan de zolder en de slaapkamer, het maken van een nieuwe pui, het vernieuwen van het secreet, het maken van 12 schrijftafels en 6 kleine leertafels en het maken van 8 nieuwe ramen en 4 kozijnen aan de voorzijde van de school.
Het jaarverslag over 1830 vermeldt dat de stadsschool achter de Grote kerk ‘alsnu insgelijks in een goede staat is gebracht, doch uit hoofde van de grote toeloop naar die school te bekrompen is voor het aanmerkelijk getal scholieren’.

In mei 1828 ontvangt het Stadsbestuur een verzoek van de ‘stads Nederduitse schoolonderwijzer’, de 39-jarige Kornelis van Klooster om vermindering van huur voor het stads schoolhuis op de Beestenmarkt met ƒ 50. In het gebouw van de voormalige Latijnse school op de Beestenmarkt nummer 1 is sinds juni 1826 de tweede Nederduitse stadsschool gevestigd. Voor het erbij staande schoolhuis moet Van Klooster een jaarlijkse huur van ƒ 150 betalen. De geldelijke opbrengsten van zijn school zijn niet voldoende om, naast een geschikt bestaan, daaruit deze huur te betalen. Hij schrijft: ‘Hoeveel redenen er ook zijn om zich te beroemen op een niet onaanzienlijke toeloop van leerlingen, hij maar al te zeer ondervindt dat, bij de noodzaak om de kosten van onderhoud en beloning van twee ondermeesters te bekostigen, de huurprijs al te drukkend is’.
De stadsrekening van 1829 vermeldt een uitgaaf van ƒ 150 voor een jaar huur van een woonhuis en erve, zijnde de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt, aan Cornelis van Klooster in zijn functie van stadsschoolonderwijzer.
Overigens wordt de bekwaamheid van Van Klooster als matig omschreven. Volgens het verslag van de Plaatselijke Schoolcommissie is ‘hij overladen met schulden en daardoor lusteloos en slordig in zijn werk’.

Er ontstaan in augustus 1828 grote problemen met de nieuwe schoolmeester van de eerste stadsschool Van der Pijl. Uit een informatie van de Gouverneur blijkt dat Van der Pijl bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Goes voor de mishandeling van een leerling, Adriaan van Paassen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en een geldboete van acht gulden. Van der Pijl verzoekt toestemming om gedurende zijn gevangenisstraf de school voor zijn rekening te mogen laten waarnemen. Enige ingezetenen van de stad schrijven het gemeentebestuur een brief waarin ze de belangen van de onderwijzer Van der Pijl bepleiten.
Het Stadsbestuur neemt het hoog op dat Van der Pijl een leerling mishandeld heeft. Door deze handelwijze toont hij weinig acht te hebben geslagen op de ernstige vermaningen die hem bij zijn aanstelling zijn gedaan. Besloten wordt het verzoek van Van der Pijl voor zijn waarneming te weigeren en hem, na het uitzitten van zijn gevangenisstraf, voor zes weken te schorsen. De schoolcommissie krijgt toestemming om in de waarneming door een bevoegde persoon te voorzien. Wel moet daarbij het belang van het huisgezin van Van der Pijl in acht worden genomen. Zie kopie ingekomen stuk 344.

Van der Pijl wordt waargenomen door P. de Graag totdat deze vanaf de tweede helft van het 4e kwartaal weer in functie is. De Graag wordt bij de kerkenraad van de Hervormde gemeente voor de waarneming van de kerkedienst als voorzanger aanbevolen. Bij gebleken geschiktheid zal hij daarmee worden begunstigd.

Maar ook over de schoolmeester van de tweede stadsschool Van Klooster heerst ongenoegen. In oktober 1828 zijn er ernstige klachten over z’n gedrag, het heersende gebrek aan schoolbehoeften, z’n wanbetaling in het algemeen, z’n opstelling ten opzichte van de ondermeesters waardoor deze hem gedurig verlaten en daardoor het schoolonderwijs wordt benadeeld. Hij krijgt van burgemeester en wethouders een ernstige vermaning. Van Klooster belooft beterschap en geen verdere aanleiding tot ongenoegen te geven.

In juli 1829 constateert de schoolopziener dat, niettegenstaande de veranderingen en verbeteringen in het personeel en materieel van de openbare scholen in de stad, het aantal schoolplichtige kinderen dermate afwijkt van het aantal werkelijk schoolgaande kinderen, dat men in 1827 bijna en in 1828 eens zo veel kinderen in de scholen had moeten tellen. In 1827 telde de bevolking 4897 zielen, waarvan een zesde gedeelte, dus ongeveer 816 kinderen, schoolplichtig was. Het aantal schoolgaande kinderen bedroeg echter slechts 469.
In 1828 telde de bevolking 4908 zielen, waarvan een zesde gedeelte, dus ongeveer 818 kinderen, schoolplichtig was. Het aantal schoolgaande kinderen bedroeg slechts 400, een verschil derhalve van 418.

In 1829 wordt aanbesteed het afbreken en weer opmetselen van een muur en schoorsteen aan de woning van de schoolmeester van de Nederduitse stadsschool achter de Grote kerk. Dit wordt aangenomen door Adriaan de Munck voor ƒ 320. Het schilderen van de ramen en deuren van de Nederduitse stadsschool op de Beestenmarkt wordt aangenomen door Pieter Reijnders voor ƒ 40. Enige timmer-, metsel- en behangselwerken aan en in de Nederduitse stadsscholen en de Franse school worden aangenomen door de aannemer Johannes Goossen voor ƒ 260.

Op de 17e juli 1830 ontvangt het Stadsbestuur  bericht van het overlijden van de gepensioneerde schoolonderwijzer Kornelis van Zoom in de ouderdom van 73 jaar als gevolg van een slijmberoerte. De familie betuigt het Stadsbestuur haar oprechte dank ‘voor de blijken van toegenegenheid welke de overledene gedurende een tijdvak van 40 jaren onder uw achtbaren regering als stadsonderwijzer zo onderscheiden heeft mogen ondervinden’.

In oktober 1829 komt er bericht dat de nieuwe stellen maten en gewichten voor de scholen binnen de stad aan het districtscommissariaat kunnen worden afgehaald. Deze worden aan de schoolonderwijzers Van den Bree, Van der Pijl, Van Klooster en Kruijsse met een gepaste opwekking door de stadssecretaris uitgereikt.
Ook sturen Gedeputeerde Staten in september 1830 hun besluit toe over de aanschaf van tinnen vochtmaten ten dienste van de scholen. Het Stadsbestuur besluit hiervan vier stel af te nemen. In juli 1831 worden de stellen tinnen vochtmaten aan de vier stadsschoolonderwijzers afgegeven.

In juli 1831 geeft de plaatselijke schoolcommissie het Stadsbestuur kennis dat aan schoolmeester Van der Pijl van de eerste stadsschool aan de Singelstraat (naast Slot Oostende en tegenover de Grote kerk) op zijn verzoek toestemming is verleend om buiten zijn schoolgebouw te wonen. Dit kan dan geheel ten dienste van het onderwijs worden bestemd en gebruikt. De gemeenteraad berust hierin.

Maar in juli 1832 wijst de plaatselijke schoolcommissie op de noodzaak om aan de stads Nederduitse schoolonderwijzer Van der Pijl voor het huisvesten van zijn talrijke scholieren meer ruimte beschikbaar te stellen. De thans in gebruik zijnde lokalen zijn voor het aantal schoolgaande kinderen te bekrompen. Het onderwijs kan daardoor niet doelmatig worden gegeven. De noodzaak hiervan is door een lokale inspectie met de schoolcommissie overduidelijk gebleken. Schoolmeester Van der Pijl verklaart bereid te zijn om het gehele schoolgebouw, dat nu voor school en voor woning is bestemd en wordt gebruikt, geheel voor het onderwijs in te ruimen. Wel stelt hij als voorwaarde dat hem dan van stadswege kosteloos een geschikte woning wordt toegewezen. Voorlopig is er voor hem een mogelijkheid tot mei 1833 een gedeelte van het aan het schoolgebouw grenzende pand, dat thans is bewoond door de heer De Kanter, tot inwoning te bekomen tegen een huur van ƒ 75 per jaar.
Uit het advies van de plaatselijke schoolcommissie blijkt dat de schoolvertrekken te bekrompen zijn om alle leerlingen behoorlijk te plaatsen en te onderwijzen. Van der Pijl heeft al de beste van zijn twee woonkamers ten dienste van zijn leerlingen afgestaan. Hij heeft thans 140 leerlingen en verzoekt dit aantal te verminderen tot 100. Mocht dit bezwaar opleveren, zo schrijft de schoolcommissie, dan zou hem een woning ter beschikking gesteld kunnen worden, zodat ook zijn woonvertrekken voor school kunnen gaan dienen.
Het Stadsbestuur overweegt nog een ruiling van de beide stadsscholen. Het schoolvertrek van Van der Pijl is volkomen voldoende voor de ruim 100 leerlingen van Van Klooster en wederkerig is het schoolgebouw van Van Klooster meer dan ruim genoeg is voor de 140 à 150 leerlingen van Van der Pijl.
Besloten wordt het gehele gebouw, thans bij schoolmeester Van der Pijl in gebruik, voor het geven van onderwijs in te ruimen. Akkoord wordt gegaan dat schoolonderwijzer Van der Pijl tot mei 1833 van het huis, in gebruik bij de heer De Kanter, profiteert.

Huisonderwijs

Een aantal gezinshoofden verzoekt in oktober 1829 in een uitvoerige brief een of meer huisonderwijzers aan te stellen, speciaal voor onderwijs in de Nederlandse taal, het schrijven en het rekenen, ‘als een nuttig en onmisbaar middel van opvoeding en opleiding van hun kinderen en bovenal voor de zodanigen welke het openbaar onderwijs in de scholen niet kunnen of mogen bijwonen’. De ondertekenaars behoren tot de notabelen van de stad. Het zijn M.P. Blaaubeen, A. Steendijk, P. Nortier, J. de Jongh, weduwe J.J. Burger, J.W. van Kerkwijk, J. Risseeuw, A. Kakebeeke, J.W. van Deinse en J. de Leeuw.
De Gouverneur verklaart desgevraagd dat aan de aanvraag voor de aanstelling van vier huisonderwijzers geen gevolg gegeven kan worden. Maar de gemeenteraad erkent de noodzaak van huisonderwijs en oordeelt het van belang om gelegenheid te geven tot het verkrijgen daarvan. Het beste is, teneinde het openbaar schoolonderwijs zo weinig mogelijk te benadelen, de vier schoolonderwijzers van de openbare scholen binnen de stad de bevoegdheid te verlenen voor het geven van huisonderwijs buiten de vastgestelde schooluren. Ze krijgen dan de vrijheid om daarvoor ook hun secondanten of ondermeesters in te zetten.

Na het afleggen van een gunstig examen voor het geven van huisonderwijs worden de heren Jacobus Hermanus van den Bree, oud 31 jaar, waarnemend Frans kostschoolhouder; Jacobus van der Pijl, oud 31 jaar, Nederduits schoolonderwijzer; Cornelis van Klooster, oud 42 jaar, Nederduits schoolonderwijzer, en Jacobus Kruijsse, oud 23 jaar, onderwijzer in de wezen- en armenschool, allen in het bezit van de bevoegdheid in de 2e rang, toegelaten.
Er rijzen echter bedenkingen van de plaatselijke schoolcommissie. Is het raadsbesluit van toepassing op de schoolonderwijzers om buiten de schooluren huisonderwijs te geven of geldt dit enkel voor personen die daarvoor afzonderlijk worden aangesteld? Over deze vraag wordt het oordeel van de Minister van Onderwijs gevraagd. Ook wordt de regenten van de godshuizen en het algemeen armbestuur gevraagd of zij bedenkingen hebben tegen het verlenen van toestemming aan de onderwijzer van de wezen- en armenschool. Allen verklaren hiermee geen problemen te hebben.
De gemeenteraad besluit in april 1830 om de in de stad gevestigde schoolonderwijzers Jacobus Hermanus van den Bree, Jacobus van der Pijl, Cornelis van Klooster en Jacobus Kruijsse aan te stellen tot het geven van huisonderwijs buiten de schooltijden en wel in die vakken, waartoe zij als schoolonderwijzers zijn aangesteld. Ook Jacobus de Hond, ondermeester van de wezen- en armenschool, dient zo’n verzoek in, evenals Bernardus Johannes Eltzman.

De Gouverneur schrijft in juli 1831 naar aanleiding van de brief van het Stadsbestuur van 5 juni 1830, dat de gehele strekking van Zijne Majesteits besluit van 24 mei 1830 meebrengt, dat wat daarin is bepaald over de aanstelling van schoolonderwijzers, ook behoort te worden toegepast op huisonderwijzers en schoolhouderijen. Daarom is het nodig dat voor de speciale aanstelling als huisonderwijzers van Eltzman en De Hond aan Zijne Majesteit wordt toegezonden het proces-verbaal van het examen en de voordracht met bijvoeging van de nota’s van de gerechtigden en de plaatselijke schoolcommissie. Beiden verklaren met het geven van huisonderwijs te willen voortgaan. Ze worden uitgenodigd binnen veertien dagen examen te doen voor de stedelijke schoolcommissie, omdat zo’n onderzoek voor hun speciale aanstelling verplicht is.

Franse school

De Franse kostschool wordt deze jaren bediend door de 51-jarige schoolmeester en kostschoolhouder J.D. le Clercq op een traktement van ƒ 250. Het aantal leerlingen is 37.
De gezondheid van Le Clercq is slecht en hij geeft te kennen dat hij binnenkort pensioen kan gaan genieten.

De plaatselijke schoolcommissie overlegt het Stadsbestuur op de 1e december 1827 een overeenkomst tussen de Franse kostschoolhouder en schoolmeester Le Clercq en zijn secondant J.H. van den Bree, onderwijzer van de tweede rang. Verzocht wordt om Le Clercq toestemming te geven om voor het herstel van zijn gezondheid afwezig te zijn en gedurende die tijd voor de algehele waarneming van de school zijn secondant Van den Bree te belasten. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In april 1829 legt de plaatselijke schoolcommissie het Stadsbestuur een verzoek voor om in de noodzakelijke reparaties aan het gebouw van de Franse stadskostschool.

In juli 1830 komt er van Gedeputeerde Staten een brief waarbij goedkeuring wordt verleend om uit het fonds voor onvoorziene uitgaven aan de Franse kostschoolhouder J.H. van den Bree een gratificatie toe te kennen van ƒ 40. Ook in september 1832 krijgt de Franse kostschoolhouder Van den Bree, evenals in de twee voorgaande jaren, een gratificatie van ƒ 40 als beloning voor zijn voortdurende ijver tot bevordering van het onderwijs alsook om hem in staat te stellen tot de aankoop van een aardglobe ten dienste van zijn school.

Jonge jufferschool

De zogenaamde jonge jufferschool of stadsmeisjesschool wordt bediend door de schoolhouderesse mejuffrouw Elisabeth Antoinette Petit. Het aantal jonge juffrouwen dat de school bezoekt is twintig, verdeeld.
Het Stadsbestuur verzoekt de plaatselijke schoolcommissie in mei 1827 een gemotiveerd voorstel te doen voor de instandhouding of bevordering van de ‘Jonge Juffrouwen school’.

De Provinciale Commissie voor het onderwijs in Zeeland geeft in juni 1827 haar genoegen te kennen over de schoolonderwijzeres van de jonge juffrouwen Fransche school, mejuffrouw Petit, vanwege haar ijver en het richtig en oordeelkundig onderwijzen van haar leerlingen. Deze leggen, hoewel in klassen afgedeeld, de blijken aan de dag zowel van de goede orde die in haar school heerst als van de loffelijke beoefening van de vakken van het onderwijs tot deze school en de opvoeding van meisjes behorende. Het zal de commissie altijd aangenaam zijn om van de verdere goede voortgang en de vruchten van haar onderwijs de berichten te mogen ontvangen.
Op voorstel van de plaatselijke schoolcommissie besluit het Stadsbestuur in september 1828 de jaarwedde van de schoolonderwijzeres Petit met ƒ 50 per jaar te verhogen. Hetzelfde gebeurt in 1829.

In september 1831 vraagt de schoolonderwijzeres Petit om verhoging van de toelage voor haar functie. Ook in april 1832 verzoekt mejuffrouw Petit haar stedelijke jaarwedde gedurende de twee eerstkomende jaren te verhogen naar ƒ 300. Het Stadsbestuur houdt een besluit op dit verzoek vanwege de bekrompen staat van de stedelijke financiën aan.

Wezen- en armenschool

De wezen- en armenschool wordt doorgaans bezocht door circa 150 leerlingen, waarvan ongeveer een derde gedeelte door kinderen van bedeelde ouders, een derde gedeelte door kinderen van niet bedeelde doch behoeftige ouders en een derde gedeelte wezen.

Door de benoeming van de 28-jarige schoolmeester J. van der Pijl tot stadsschoolmeester aan de eerste stadsschool komt de functie van schoolonderwijzer aan de wezen- en armenschool vacant. Met de tijdelijke waarneming worden belast J. Eckhardt en M. van Zoom, beiden van de derde rang. Uitgenodigd worden de sollicitanten Julius en Brandsteder van de eerste ronde voor de vacature aan de Nederduitse stadsschool waarbij Van der Pijl is benoemd. Als tegemoetkoming in hun reis- en verblijfkosten krijgt Julius ‘uit hoofde van zijne kostbare en gevaarlijke reis’ twintig gulden en Brandsteder zes gulden.

Sollicitatiebrieven komen binnen van Johannes Eckhardt, Marinus van Zoom, Pieter Marinus Louis, Jacobus Kruijsse, Pieter Jacobus Cornelis Thomson en Jan Zachariasse. De schoolopziener en vertegenwoordigers van de regenten van de godshuizen en het algemeen armbestuur en de plaatselijke schoolcommissie wonen het vergelijkend examen bij. In december 1828 wordt benoemd de 22-jarige Jacobus Kruijsse, ondermeester te Zierikzee, in het bezit van de 3e rang als schoolonderwijzer.
De Minister van Binnenlandse zaken keurt in januari 1829 de aanstelling van Kruijsse goed. Het Stadsbestuur geeft daarvan aan de regenten van de godshuizen en het armbestuur kennis en nodigt hen uit om van hun zijde eveneens de heer Kruijsse aan te stellen. Kruijsse legt de belofte af dat hij geen ongevaccineerde kinderen in de school zal toelaten. De regenten van de godshuizen en het armbestuur benoemen hem, evenals het Stadsbestuur, tot onderwijzer in de wezen- en armenschool. Per 1 maart 1829 aanvaardt hij zijn betrekking.

In juli 1831 verzoeken de regenten van de godshuizen het Stadsbestuur om het thans tot kazerne ingerichte gebouw van de wezen- en armenschool weer ten dienste van het onderwijs beschikbaar te stellen en dit van de daarin aanwezige kazernegoederen te ontruimen. Besloten wordt dit verzoek toe te staan. De commissie van kazernering wordt verzocht het lokaal te ontruimen. De kerkmeesters van de Hervormde gemeente worden verzocht om in het koor van de Grote kerk ruimte beschikbaar te stellen voor de berging van enige kribben en andere voorwerpen van kazernering.
De kerkmeesters gaan daarmee akkoord. Wel maken ze van deze gelegenheid gebruik om te verzoeken om overleg over het voor passage openlaten van de wandelkerk. De burgemeester zal hierover met de kerkmeesters een bespreking voeren.

Tekenschool

In januari 1827 is het aantal leerlingen van de school 37, waarvan 6 in de pleisterklasse, 25 in de handtekening en 6 in de bouwkunde. Docenten zijn A. Brandt, W. Braam en M. Dekker. Assistent docent in de handtekening is M. Brandt, terwijl W. Vertregt de plaats inneemt van de overleden C. Dekker.

De directie van de stadstekenschool deelt het Stadsbestuur in oktober 1827 mee dat het Departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen heeft besloten om vanwege de ongunstige en ontoereikende financiële toestand van het Departement in het vervolg geen subsidie meer aan

de door haar opgerichte tekenschool toe te kennen. Ze wil zich van alle zorg omtrent deze instelling ontslaan. Het Departement verzoekt de directie van de school om maatregelen te beproeven om de school, afgescheiden van het Departement, in stand te houden. De directie verzoekt het Stadsbestuur de tekenschool van het Departement over te nemen en onder het bestuur van de stedelijke regering te brengen als ‘Stadstekenschool’ en voor stadsrekening in stand te houden.
Hierover wordt nog geen finaal besluit genomen. Een commissie wordt benoemd, bestaande uit de raadsleden Lenshoek van Zwake en De Backer en de secretaris, om, na het inwinnen van de nodige informatie, te dienen van bericht en advies. Deze commissie wordt tevens verzocht om, indien met de voor dit seizoen geaccordeerde stedelijke subsidie van ƒ 150 de tekenschool onder toezicht van de huidige directie deze winter aan de gang kan worden gehouden, zich daaromtrent met de directie te verstaan.
Wel wordt opgemerkt dat het een en ander niet wil zeggen dat er vooralsnog enig uitzicht op de overname van de school voor stadsrekening is gegeven, veel min dat daaruit enige verplichting hoegenaamd zo’n overname zal kunnen worden afgeleid.

Per 1 december 1827 begint de tekenschool weer. Het aantal leerlingen is 43. De heer A. Brandt is op zijn verzoek als lid van de directie en als leerkracht ontslagen.

In juli 1828 verzoekt de Gouverneur van Zeeland ervoor te zorgen dat nog dit jaar in de tekenschool een voorbereidingsklas voor lijntekenen en de beginselen van de meetkunde wordt ingesteld. De directie van de tekenschool krijgt opdracht hieraan gevolg te geven.

Het Stadsbestuur neemt op de 28e september 1828 het besluit de tekenschool van het Departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen binnen de stad over te nemen. Voortaan heet deze de Stads Tekenschool en zal functioneren onder het bestuur van een directie die door het Stadsbestuur wordt benoemd.
De overname van de school door de stad wordt geregeld door de raadsleden Mirandolle en Lenshoek van Zwake. Ze moeten de staat van het gebouw inspecteren en de nodige verbeteringen en reparaties in beeld brengen. Tot leden van de directie over de school worden benoemd de heren Mirandolle als president, Lenshoek van Zwake, mr. Blaaubeen en Van Kerkwijk als leden en A. Kakebeeke als secretaris.
Al na enkele weken neemt de heer Kakebeeke ontslag wegens zijn vertrek naar elders. In zijn plaats komt als secretaris van de directie de heer J.M. Baron van Boecop.

De overname van de tekenschool vindt plaats op de 3e oktober 1828. Na door de president te zijn geïnstalleerd heeft de directie zich geconstitueerd. Het Reglement voor de stadstekenschool wordt vastgesteld. Tot leerkrachten worden voorgedragen de heren D. Koning Bzn. en W. Braam voor handtekenen, M. Dekker voor bouwkunde en L.P. de Lannee de Betrancourt voor extra ordinaire taken. Zeger de Hond zal fungeren als conciërge. Het Stadsbestuur keurt de begroting van de stadstekenschool goed.
Enkele weken later dient leerkracht W. Braam, schilder en stads tekenmeester, een verzoek in om het gunstige advies van de gemeenteraad op een door zijn oudste zoon ingediend verzoek om onderstand gedurende een jaar van het onderwijs bij de Academie van Beeldende Kunsten te Antwerpen. Daarop wordt gunstig beslist.

In februari 1829 neemt de gemeenteraad met genoegen en tevredenheid kennis van het  verslag van de stadstekenschool over 1828. De raad betuigt zijn goedkeuring en tevredenheid voor de aangewende ijver om de school nu al in een zodanige doelmatige en voordelige staat te brengen zoals uit het verslag blijkt. Een verzoek wordt ingediend om van ‘s rijks wege twee zilveren medailles beschikbaar te stellen tot uitreiking aan de meest verdienstelijke leerlingen van de school.

Na de overname van de tekenschool door het Stadsbestuur ondergaat het gebouw van de stadstekenschool, naar aanleiding van de gehouden inspectie van gebouw en inrichting, in 1829 een renovatie en herinrichting.
De directie van de school wijst in juli 1829 op de zeer noodzakelijke reparaties en verbeteringen aan het gebouw van de stadstekenschool. De stad heeft geen ander gebouw voor de school. Het huidige gebouw is zonder de gevraagde verbeteringen ongeschikt en zelfs niet zonder gevaar en kan verder niet worden gebruikt. Het is ook dringend wenselijk dat er een gebouw is dat bij het onverhoopt ontstaan van besmettelijke ziekten als hospitaal kan dienen, ‘welke afzondering van zieken in vroegere jaren zoo duidelijk gebleken is nuttig en noodzakelijk te zijn’. Door aan het gebouw van de tekenschool de voorgestelde inrichting te geven zal een dubbel doel bereikt kunnen worden en zal dit als een aanwinst voor de stad kunnen worden gebruikt.
Het Stadsbestuur besluit in te stemmen met de voorgestelde reparaties en verbeteringen aan het gebouw van de stadstekenschool. Hiervoor kan beschikt worden over een bedrag van maximaal ƒ 4.400 uit het fonds van de voormalige gilden binnen de stad, af te lossen in 44 jaar met ƒ 100 per jaar. Bij Koninklijk Besluit wordt in oktober 1829 goedkeuring verleend aan het raadsbesluit om tot verbetering van het gebouw van de stadstekenschool ƒ 4.400 renteloos te lenen uit de fondsen van de voormalige gilden.

In november 1829 vindt de aanbesteding plaats. De directie van de tekenschool krijgt toestemming om over de uitvoering van de werkzaamheden het oppertoezicht uit te oefenen en om het nieuwe meubilair aan te kopen. De aanbesteding van de verandering van de stadstekenschool blijkt veel hoger uit te vallen. De kosten zijn begroot op ƒ 3.807,67, terwijl de laagste inschrijving ƒ 6.095,27 is. De stadsfabriek krijgt opdracht zijn berekening van kosten nader en nauwkeurig te herzien, enige door hem opgegeven kosten te veranderen, de condities te maken, de tijd tot voltooiing van het werk te verlengen tot 1 augustus en het werk opnieuw aan te besteden. Hij moet hiervan ook advertenties zetten in de Middelburgsche en Bergen op Zoomse couranten.
In januari 1830 wordt de renovatie van het schoolgebouw aanbesteed. Aannemer Marinus Dekker is bereid deze voor ƒ 3.896 uit te voeren. Omdat dit bedrag te hoog wordt geacht, wordt het werk opnieuw ‘opgehangen’. ‘Niemand gemijnd hebbende’, vindt de gunning plaats aan Marinus Dekker voor ƒ 3.896. Voor de aankoop van nieuw meubilair wordt in april 1830 een bedrag van ƒ 367 uitgetrokken.
Het jaarverslag over 1830 vermeldt dat de stadstekenschool geheel is vernieuwd. Echter het gebouw wordt thans gebruikt voor de inlegering van het garnizoen. Om deze reden is voor de tekenschool een bijzonder huis gehuurd.

De Gouverneur van Zeeland stuurt in juli 1829 ten behoeve van de stadstekenschool twee zilveren medailles. De directie van de school wordt verzocht deze aan de meest verdienstelijke leerlingen uit te reiken.
De directie van de school geeft met groot genoegen kennis van het buitengewoon groot aantal leerlingen dat gedurende het seizoen 1828/1829 de school heeft bezocht.

In september 1829 stuurt de directie van de stadstekenschool het Stadsbestuur een afschrift van het diploma waarbij de heer L.P. de Lannee de Betrancourt door de Koninklijke Academie der Beeldende Kunsten te Antwerpen tot Professor in het vak der Tekenkunde is benoemd. Daarbij wordt verzocht de heer De Lannee tot lesgevend onderwijzer bij de stadstekenschool aan te stellen. Het Stadsbestuur besluit de heer De Lannee te benoemen tot Theoretisch en Praktisch Onderwijzer van de Stads Tekenschool op een zodanig traktement als jaarlijks bij de begroting zal worden vastgesteld.
Opmerkelijk is dat kort hierna, in oktober 1829, een van de leerkrachten van de stadstekenschool, de heer D. Koning, ontslag neemt. Omdat het overig onderwijzend personeel voldoende is betekent dit voor de begroting van de tekenschool en de gemeentebegroting een vermindering van uitgaven van ƒ 75.

Uit de staat van de stadstekenschool per 1 januari 1830 blijkt dat de leerkracht L.P. de Lannee is aangesteld in de theoretische en praktische vakken. 74 leerlingen bezoeken de school, waarvan 12 voor het vak bouwkunde en 62 voor handtekenen. De Lannee geeft alle leerlingen theoretisch onderwijs en les in de bijzondere vakken. Verder zijn de leerkrachten M. Dekker en W. Braam en de assistent-onderwijzer M. Brand aan de school verbonden. Aan dertig jonge leerlingen wordt gratis onderwijs gegeven.

In januari 1831 richt de voormalige leerkracht aan de stadstekenschool, de heer D. Koning, een bijzondere tekenschool op. Daardoor vermindert het aantal leerlingen op de stadstekenschool. Niettemin hebben toch 68 leerlingen zich aangegeven voor het bijwonen van de lessen, waaronder 30 het onderwijs gratis genieten. Het gebouw van de stadstekenschool is in de afgelopen zomer vernieuwd en voor alle vakken van onderwijs ingericht.

Het lid van de directie van de school, de heer Lenshoek van Zwake, wordt op zijn verzoek in februari 1832 eervol en onder dankzegging voor zijn bewezen diensten ontslag verleend. In zijn plaats komt de heer J. Walraven van Kerkwijk. In zijn plaats als lid van de directie van buiten de gemeenteraad wordt benoemd de heer Jacobus de Jongh en als secretaris in de plaats van de heer J.M. Baron van Boecop, die metterwoon is vertrokken, de heer Jacobus van Rentergem de Fouw.

Uit het verslag over de staat van de stads tekenschool over 1831, ondertekend door voorzitter Mirandolle en secretaris Van Rentergem de Fouw, blijkt het volgende: ‘Hoe zeer onderscheidene leerlingen of vrijwillig de wapenen ten dienste van het vaderland hebben aangegord of door de wet daartoe zijn opgeroepen, zich echter 68 tot het bijwonen van de lessen in 1831 en 1832 hebben aangegeven, waaronder 28 welke het onderwijs gratis genieten. Het lokaal der tekenschool wederom gebruikt zijnde kunnen worden, heeft het onderwijs ook weder op een meer ordelijke en doelmatige wijze kunnen plaats hebben, terwijl de vorderingen der meeste leerlingen daarvan, en van de ijver, werkzaamheid en bekwaamheid der onderwijzers getuigen. De Directie vleit zich door hare onvermoeide pogingen het voorgestelde doel dezer zoo nuttige inrigting mettertijd te zullen bereiken’.

In augustus 1832 komt er van de Gouverneur een brief met bijvoeging van een gewone zilveren medaille voor de stadstekenschool ‘met betuiging van de tevredenheid van de Minister van Binnenlandse zaken over de pogingen van de directie om die school voornamelijk voor de opleiding van de nijvere volksklasse en voor de handwerkman nuttig te maken’. De directie van de school nodigt de stedelijke raad uit om te assisteren bij de prijsuitdeling in het gebouw van de Doopsgezinde kerk op de 30e augustus 1832.

Matressen- en breischooltjes

Er zijn in deze jaren de volgende zogenaamde matressenschooltjes in de stad: van Geertje van Witteloostuin, echtgenote van Adriaan de Wolff, met 18 kinderen; Anthonetta van Huizen met 30 leerlingen; Maria de Munck met 26 kinderen; Pieternella van Bregt weduwe van J.R. Boeger met in de zomer 30 kinderen; de gezusters Josina en Cornelia Breekpot met 22 kinderen; Cornelia van Bregt weduwe van Jan Steutel. Sommige matressenschooltjes laten veel te wensen over. Hierop maken de schooltjes van de gezusters Breekpot en van Geertje de Wolff een opmerkelijke uitzondering.

In januari 1832 verzoekt Jacomina Jacoba Thomson, inwoneres van de stad, vergunning voor het houden van een breischool in de Voorstad. De plaatselijke schoolcommissie oordeelt dat zij alleszins geschikt voorkomt voor het uitoefenen van dit beroep en het houden van breischool in de Voorstad, waar thans geen zodanige school bestaat. Ze adviseert tot haar toelating, temeer omdat door het overlijden van de schoolmatres Pieternella van Bregt een vacature is ontstaan. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord, op voorwaarde dat geen ongevaccineerde kinderen in de school worden toegelaten.

Cultuur

Bibliotheken
Het Departement der Maatschappij tot Nut van het algemeen geeft in juni 1829 kennis dat met toestemming van de stedelijke commissie van kazernering de bibliotheek van de Maatschappij uit het gebouw van de stadstekenschool is overgebracht naar het gebouw van de voormalige schutterij van de Busse in de Wijngaardstraat, dit onder dankbetuiging voor het gebruik van het genoemde lokaal.
De gemeenteraad overweegt echter dat de vergunning voor het plaatsen van de boekerij in de oude schutterij slechts voorlopig is totdat de Maatschappij een geschikt gebouw heeft kunnen vinden.

Archieven stad Goes
In juni 1827 verzoekt de Gouverneur enige vragen te beantwoorden betreffende de oude stedelijke archieven die voor de Nederlandse geschiedenis van enig belang zouden kunnen zijn. In het gemeentearchief bevindt zich van de 28e juli 1827 een rapportage over de staat van het oud archief van de stad. Hieruit blijkt onder meer het volgende:

  1. De verzamelingen van archieven binnen de stad aanwezig bepalen zich tot het navolgende: het archief van de Sous Prefectuur gedurende het Fransch Bestuur, nadien vervangen door het thans nog bestaande District Commissariaat; het archief van de rechterlijke colleges; het archief van het Stedelijk Bestuur; het archief van de voormalige Weeskamer, aan de Vrederechter overgegaan.
  2. De verzamelingen, behalve van het District Commissariaat, zijn geplaatst op het Stadhuis en onder bewaring van de beambten ter Griffie van de Rechtbank, de Vrederechter en de beambten van de stedelijke secretarie.
  3. De daartoe gebezigde lokalen behoren in eigendom van de stad en zijn vrij wel tot het voorschreven oogmerk geschikt; ze worden met de nodige zorgvuldigheid en voorzorg, tot voorkoming van brand en andere schade, bewaard.
  4. Het stadsarchief bevindt zich in vrij ordelijke staat. Men tracht daarbij steeds meerdere regelmatigheid betrekkelijk het oud archief te bevorderen.
  5. Er is geen beredeneerde Inventaris of aanwijzing wat in ieder register of pakket gevonden wordt, doch wel een lijst van de aanwezige registers, boeken, pakketten en andere bescheiden.
  6. In het stedelijk archief berusten: de stadsnotulen van 1594 en volgende jaren tot heden; secrete notulen van 1707 tot 1794; notulen betrekkelijk de opbouw van de kerk in 1618 en de rekening van dit werk; correspondentie en brievenboeken van 1811 en vervolgens; voorboden en ordonnanties van 1568 en vervolgens; kaart van stadsvestingwerken, ondertekend door Prins Maurits in 1589; stadsrekeningen van 1629 en vervolgens; register van de graven en gravinnen van Holland, Zeeland c.a., heren en vrouwen van Zuid-Beveland, welke aan de stad privileges of keuren gegeven hebben, met derzelver korte inhoud van 1266 – 1708; tableau van de schade door storm en watervloed in Zuid-Beveland, veroorzaakt in 1808; stukken betrekkelijk de gebeurtenissen van 1787.
  7. De oudste stukken zijn van het laatst van de jaren 1500.

Op voorstel van de burgemeester besluit het Stadsbestuur op de 10e oktober 1829 om, tot uitvoering van de resolutie van de Minister van Binnenlandse zaken van de 4e augustus, bij openbare bekendmaking kennis te geven aan degenen die toegang tot het plaatselijke archief verlangen, dat daarvoor op de Stads Griffie gelegenheid zal worden geboden op iedere woensdag en vrijdag ’s morgens van 10 tot 12 uur.

Archieven godshuizen en gestichten van weldadigheid
De Gouverneur verzoekt het Stadsbestuur in augustus 1829 om tot bevordering van de kennis van de algemene geschiedenis te onderzoeken of er bij de administratie van de godshuizen en gestichten van weldadigheid archieven van het jaar 1600 of vroeger voorhanden zijn. Het Stadsbestuur schrijft daarop de regenten van de godshuizen aan om in hun archief na te gaan of zich daarin stukken van de 16e eeuw of vroeger bevinden. Er komt bericht van de regenten van de godshuizen dat er zich in hun archief geen schrifturen van vóór het jaar 1600 bevinden.

Archieven voormalige gilden
In augustus 1829 komt van de Gouverneur een aanschrijving met het verzoek om nasporingen te doen naar het archief van de voormalige gilden en daarvan, als dat mogelijk is, een staat te formeren en een afschrift daarvan aan hem toe te zenden. Het Stadsbestuur besluit de commissie, belast met de administratie van de voormalige gildegoederen, aan te schrijven om te overleggen een staat van de onder haar berustende archieven van de gilden.
De commissie legt de Inventaris van het archief van de gilden over. Een afschrift daarvan wordt toegezonden aan de Gouverneur.
Het gaat om de archiefstukken van het kramersgilde, het bakkersgilde, het brandewijnverkopersgilde, het schippersgilde, het beenhouwersgilde, het panneluidengilde, het schoen- en gareelmakergilde, het smedengilde, het timmerluidengilde, het kleermakersgilde en het wevers- en hoedenmakergilde.

De inventaris bevat onder meer van:

  • het kramersgilde het notulenboek van 1544 tot 1798, rekeningboeken van 1546 tot 1809, naamlijsten van de gildebroeders en zusters van 1761 tot 1808;
  • het bakkersgilde de gildeboeken met rekeningen van 1614 tot 1811, het akteboek van 1804 tot oktober 1811 en de resoluties van 1669 tot 1809;
  • het brandewijnverkopersgilde het naamregister van overdeken en dekenen van 1761 tot 1804, naamlijsten van de gildebroeders van 1760 tot 1779 en rekeningboeken van 1760 tot 1810;
  • het schippersgilde het rekeningenboek van 1779 tot 1809 en resoluties van 1590 tot 1797;
  • het beenhouwersgilde het rekeningenboek van 1730 tot 1812 en resoluties van 1676 tot 1803;
  • het panneluidengilde het rekeningenboek van 1743 tot 1798, lijsten van personen die zout hebben geraffineerd van 1743 tot 1791 en resoluties van 1523 tot 1799;
  • het schoen- en gareelmakersgilde rekeningenboeken van 1546 tot 1806 en resoluties van 1676 tot 1773;
  • het smedengilde drie naamlijsten van leden van 1736 tot 1779;
  • het timmerliedengilde een boek met ordonnanties rakende de timmerlieden, kuipers, stoeldraaiers, wannemakes, mandenmakers, wagenmakers en metselaars, rekeningboeken van 1547 tot 1798, het notulenboek van 1754 tot 1795 en resoluties van 1586 tot 1798;
  • het kleermakersgilde vijf rekeningboeken van 1555 tot 1808, ordonnantieboeken van 1611 tot 1786 en resoluties van 1587 tot 1809;
  • het wevers- en hoedenmakersgilde vier rekeningboeken van 1547 tot 1798 en resoluties van 1746 tot 1798;

Slot Oostende
Van de 18e september 1830 dateert een archiefstuk betreffende ‘Overblijfselen van het Slot Oostende en de daar nog aanwezige Moerbezienboom van Vrouwe Jacoba van Beijeren’.

Schouwburg
In oktober 1828 verzoekt mejuffrouw Ottingh toestemming om gedurende de aanstaande winter binnen de stad enige toneeluitvoeringen te geven. Het Stadsbestuur keurt dit goed.

De directeuren van de schouwburg in de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ verzoeken om het eind december 1830 gehuurde lokaal van hun gebouw voor de kazernering tegen de tijd van het einde van de huur te ontruimen en in de vorige staat over te geven en de verschuldigde huur te betalen. De burgemeester krijgt opdracht om voor de ontruiming en overgave van het lokaal aan de stad wel te willen zorgen. De commissie van kazernering wordt uitgenodigd om tot voldoening van de huurpenningen ad ƒ 267,50 te zorgen.

In januari 1832 blijkt dat de huur van het lokaal van de schouwburg voor de kazernering van troepen over 1831 nog steeds niet is voldaan. De directie van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ dringt hier op aan. Het Stadsbestuur stuurt nogmaals een aanmaning aan de commissie van kazernering. Deze is echter van oordeel dat deze betaling ten laste van de stedelijke financiën en niet voor rekening van het fonds van kazernering behoort te komen. Besloten wordt zich met dit gevoelen te verenigen en de verschuldigde betaling uit de stadskas te gelasten. Het gaat om een bedrag van ƒ 267,50 voor de huur van de schouwburg van december 1830 tot eind december 1831.

In januari 1832 legt de burgemeester het proces-verbaal van de overgifte van het lokaal van de Sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’, dat voor de inkwartiering van militairen door de stad is gehuurd en gebruikt, over. Daaruit blijkt dat het gebouw, voorzover het tot kazerne gediend heeft, in zijn vorige toestand is hersteld en in een goede staat van overgave is bevonden. Namens de directeuren van de sociëteit verklaart de heer L. Lankhorst het lokaal overgenomen te hebben.

Oudheidkunde
De Gouverneur informeert in augustus 1829 bij de regenten van de godshuizen of er in hun archief zich stukken bevinden van de 16e eeuw en vroeger. Geantwoord wordt dat in het archief van hun administratie geen stukken van de 16e eeuw en vroeger gevonden worden, ‘hetgeen voor zoveel het Weeshuis betreft niet wel mogelijk zoude zijn, als hebbende wij bij deze gelegenheid ontdekt dat dat gesticht in den jare 1628 is opgericht’.

In april 1829 komt er een aanbeveling van de Gouverneur voor de intekening op twaalf platen, die de plechtige inhuldiging van Zijne Majesteit de Koning te Brussel afbeelden. Het Stadsbestuur brengt deze onder de aandacht van de aanzienlijkste ingezetenen van de stad. Op de prospectus komt echter geen enkele intekening.

Naerebout
In september 1830 verzoekt de vice-admiraal en directeur van de Marine te Vlissingen om inlichtingen over de weduwe van Mattheus Naerebout, woonachtig te Goes. Ze heeft aan Zijne Majesteit de Koning om enige onderstand verzocht om haar zonen in de eerste wetenschappen voor de zeevaart te kunnen laten onderwijzen.
Kennelijk zijn dit familieleden van de vermaarde loods en mensenredder Frans Naerebout (1748-1818). Hij vervulde de laatste jaren van zijn leven de bediening van lichtbakenmeester aan het Goese Sas en werd in 1818 in de Grote kerk begraven.