Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1827 - 1832)

Openbare orde en rust

Justitie
Uit de verslagen van de zittingen van het zogenaamde Hof van Assisen blijken de opgelegde straffen na veroordeling door de rechtbank. Enkele voorbeelden volgen hier.
Zo worden in 1827 de 52-jarige Karel Mange en de 55-jarige Cornelis Thijsebaart, beiden arbeiders en voorheen wonend te Goes, veroordeeld tot geseling, brandmerking met de letter T en een gevangenisstraf van acht jaar. Mange heeft twee diefstallen, beide ’s nachts, gepleegd, de ene op de aanhorige erve en de andere in de aanhorigheid van een bewoond huis. Thijsebaart heeft eveneens twee diefstallen, beide ’s nachts, gepleegd, uit de aanhorigheden van bewoonde huizingen. Hun straf wordt verzwaard omdat ze beiden al eerder wegens misdaden zijn veroordeeld geweest.

In 1828 wordt de 39-jarige dienstmeid Adriana Verhoef, geboren te Goes en laatst wonend te Rotterdam, veroordeeld wegens diefstal door middel van overklimming en uitwendige braak in een bewoond huis en dat na al te voren wegens misdaad veroordeeld te zijn geweest. De opgelegde straf is ‘geseling met de strop om den hals aan de galg vastgemaakt, brandmerking met de letters T.P. en een gevangenisstraf van 15 jaar’. Hierbij wordt aangetekend dat bij besluit van Zijne Majesteit van 28 mei 1828 de opgelegde schavotstraf is verwisseld in een te pronkstelling gedurende een uur aan de stijl van de galg en met de strop om de hals aan de galg vastgemaakt.

Buurtmeesters
In alle wijken van de stad fungeert een wijkmeester. Elke wijk heeft weer de beschikking over enkele buurtmeesters. Zo wordt in juli 1828 op voordracht van de wijkmeester van wijk C besloten in de plaats van de overleden Willem Polderman tot buurtmeester van de 1e buurt van deze wijk te benoemen Gijsbregt Sterk.

Bedelaars
In maart 1828 declareert het Stadsbestuur de transportkosten voor de naar de Ommerschans gedurende het jaar 1826 opgezonden bedelaars. Het betreft Jan Volmer, Cornelia Simonse, Pieter Hendrik Simonse, Jan Lucas Volmer en Johannes Cornelis Volmer.

Speelhuizen
In juli 1828 deelt het Stadsbestuur Gedeputeerde Staten mee dat de gemeenteraad het maken van een ‘Reglement op de zogenaamde publieke huizen en publieke vrouwen binnen Goes’ niet noodzakelijk beschouwt. Er worden in de stad geen zogenaamde speelhuizen gevonden.

Oproerige bewegingen
De burgemeester legt de gemeenteraad op de 3e september 1830 een brief van de Gouverneur over naar aanleiding van de oproerige bewegingen die in sommige provincies plaats hebben. De Gouverneur veronderstelt dat de stadsbesturen in Zeeland deze berichten met verontwaardiging hebben vernomen. Hij acht het onnodig op te wekken om maatregelen te nemen. Hij schrijft: ‘In deze omstandigheden kan men geen beter bewijs van liefde en trouw voor de Koning en voor het Vaderland geven dan door alles te voorkomen wat strekken kan om onenigheid te doen ontstaan. Dat rustige vertrouwen in de maatregelen die door Zijne Majesteit zullen worden genomen behoort ieder weldenkende te bezielen’. Hij wekt op alle gevoelens van welwillendheid en onderlinge verdraagzaamheid op te wekken en, voorzover er enige vrees mocht bestaan voor het verstoren van de rust of goede orde, door het bijeenroepen van de meest gegoede en weldenkende ingezetenen heimelijke maatregelen voor te bereiden om, zo het nodig is, alle gewelddadigheden te keren.
De burgemeester overlegt de gemeenteraad op de 11e september 1830 het door hem aan de Gouverneur ingezonden bericht ‘over de staat van rust waarin deze stad gelukkig verkeert’.

De gemeenteraad besluit op de 30e september 1830 tot de volgende maatregelen voor de handhaving van de rust en veiligheid:

  • de commandant van de stedelijke schutterij dient een wacht op het Stadhuis te doen waarnemen;
  • een delegatie uit de gemeenteraad zal zich beraden over de vraag of er nog verdere maatregelen nodig zijn voor de bewapening van de ingezetenen;
  • een inschrijving tot wapening van de ingezetenen;
  • verdeling van de intekenaars in twee groepen; de eerste zal bevatten een getal van 84 personen bestemd om dadelijk van wapenen voorzien en georganiseerd te worden; de tweede groep zal alle overige intekenaars bevatten, die in reserve worden gehouden en opgeroepen kunnen worden.

Tegelijk stelt de raad een Publicatie voor de burgerij vast. Deze bevat de volgende passage:
‘teneinde in de tegenwoordige omstandigheden, met meer dan gewone waakzaamheid te zorgen voor de bewaring van rust en orde, als uit besef dat de mogelijkheid zou kunnen bestaan dat onruststokers en verdachte personen uit de in oproer zijnde streken van dit Rijk de rust dezer stad zouden trachten te verstoren en eindelijk uit het bekend geworden verlangen van sommige ingezetenen om, wanneer zulks vereist mocht worden, de pogingen van het stedelijke bestuur tot voorkoming of afwering van alle gevaren te ondersteunen’.

De Gouverneur stuurt op de 18e oktober 1830 een kennisgeving van de maatregelen tot beteugeling van bedrijven en woelingen van kwalijkgezinden. Een exemplaar hiervan wordt overlegd aan wethouder Kakebeeke, die belast is met de stedelijke politie. Enkele dagen later blijkt dat het ernst is. Op de 23e oktober geeft de Gouverneur kennis dat de vesting Vlissingen in staat van oorlog is verklaard.

Ook op de 13e november 1830 ontvangt de gemeenteraad een geheime aanschrijving van de Gouverneur met kennisgeving dat verdachte brieven uit en naar de in opstand zijnde provincies worden aangebracht door personen, die deze brieven in hun schoenen of kousen verbergen. Hij nodigt de gemeentebesturen uit daarop nauwkeurig te letten. De wethouder belast met de politie wordt verzocht de stiptste surveillance uit te oefenen. Enkele dagen later, op de 18e november, komt er opnieuw een aanschrijving van de Gouverneur met een dringende opwekking aan de gemeentebesturen om tot het bevorderen van de algemene volkswapening hieraan met al hun vermogen mee te werken.

De gemeenteraad besluit op de 11e december 1830 om, vanwege de woelige tijden en tot voorkoming van ongeregeldheden, tot de volgende maatregelen. In logementen, kroegen, herbergen, tapperijen of drankwinkels zal ‘s avonds of ‘s nachts na de klokslag van half elf niet meer mogen worden getapt, drank verkocht of enig gelag of gezelschap worden toegelaten. De ouders worden voor hun kinderen en ingezetenen voor hun dienstboden verantwoordelijk gesteld. Het college van burgemeester en wethouders stelt, voor de uitvoering van dit raadsbesluit, de volgende instructie vast.

Burgemeester en wethouders;
ter beteugeling van schadelijke woelingen en bedrijven van kwalijkgezinden;
overwegende de verplichting welke op het stedelijke bestuur rust, zowel om aan de uitvoering van de wettelijke bepalingen de hand te houden als om te voorkomen alles wat aanleiding kan geven tot ongeregeldheden, welke veelal aan ontijdige verenigingen en gezelschappen in kroegen, herbergen en drankwinkels hun oorsprong en aanwezen verschuldigd zijn;

bepalen:
Artikel 1
In geen logementen, kroegen, herbergen, dansscholen en dergelijke openbare plaatsen zal des avonds of des nachts na de klokslag van half elf mogen getapt, drank verkocht of enig gelag of gezelschap mogen gezet of toegelaten worden; de logementhouders, herbergiers en kroeghouders zullen verplicht zijn voor die tijd hun huizen en winkels te doen ontruimen, dezelve te sluiten en niemand toe te laten.

Artikel 2
De logementhouders, herbergiers, kroegiers, tappers en dergelijke, aan wie uitnodiging tot het verlaten van hun woningen voor de klokslag van half elf, door een van de aanwezigen niet mocht worden voldaan, zullen daarvan terstond moeten kennis geven aan de ambtenaren van politie.

Quarantaine
In het najaar 1831 komen de geruchten over een besmettelijke ziekte (de Aziatische braakloop of cholera) steeds dichterbij. In oktober blijkt dat ook Hamburg als besmet moet worden beschouwd. Het Stadsbestuur geeft de sas- en buitenhavenmeester de nodige instructies.
Een week later komt er een aanschrijving van de Gouverneur dat alle havens en plaatsen, gelegen aan de Noordzee tussen de rivieren de Elbe en de Eyder, als verdacht moeten worden beschouwd.
Halverwege november deelt de Gouverneur mee dat enige Oostfriese eilanden en alle plaatsen aan deze zijde van het Holsteijnse kanaal en van de rivier de Eyder, alsook alle uit dat kanaal en van die rivier komende schepen als verdacht en voorts Sunderland als besmet moeten worden beschouwd. Aan de sas- en buitenhavenmeester wordt de gewone instructie gegeven.

Eind november komt er een aanschrijving van de Gouverneur dat ook het eiland Rottum als verdacht moet worden beschouwd en de van daar komende schepen aan quarantaine moeten worden onderworpen.
Begin december 1831 schrijft de Gouverneur dat ook Newcastle als besmet moet worden beschouwd. De schepen van Riga, Libau, Archangel en Mittau moeten slechts aan een quarantaine van tien dagen en van Noorwegen benoorden Bergen van drie dagen worden onderworpen.
De Gouverneur bericht halverwege januari 1832 dat kennisgevingen over quarantaine, tot wering van besmetting bij stranding, voortaan door middel van het provinciale blad zullen worden gedaan en dus niet meer bij afzonderlijke circulaire. Toch komt er op de 21e januari nog bericht over de quarantaine van schepen, komende van plaatsen die aan de noordelijke oever van de Fort Frith en aan die rivier bewesten Edinburg gelegen zijn.
Ook in februari 1832 verschijnt er een circulaire van de Gouverneur over de quarantaine voor schepen, komende van Londen en van de havens van de kust van Engeland, van Dover tot en met Harwich. Dit geldt ook voor het eiland Rottum.
Op de 4e maart komt bericht van de Gouverneur over de intrekking en wijziging van quarantainebepalingen voor schepen die uit plaatsen komen waar de Aziatische braakloop heeft opgehouden. In mei worden er maatregelen getroffen voor quarantaine van schepen van Ierland, Schotland en Falmouth in Engeland en Frankrijk.

Dansen in herbergen
De herbergier Antoni de Wagter verzoekt in mei 1831 om gedurende de op handen zijnde Pinksterdagen, ook na half elf uur ’s avonds, te mogen laten dansen. Gelet echter op de Publicatie van het Stadsbestuur van de 8e januari 1831 wordt besloten De Wagter kennis te geven dat op grond van de Publicatie en de daarin vervatte verordeningen in zijn verzoek niet kan worden getreden.

In juni 1831 dient Marinus Koopman, herbergier buiten de Bleekveldse poort, een verzoek in om toestemming om gedurende de zomermaanden om de vier weken op zondagnamiddag na kerktijd in de door hem bewoonde herberg muziek te maken en te laten dansen. Hij krijgt toestemming om dit voorlopig en tot wederopzeggen te doen. Hij is verplicht om daarvan telkens daags te voren schriftelijk kennis te geven aan wethouder Kakebeeke, die belast is met de plaatselijke politie.

Verboden vruchten
Bij publicatie wordt in augustus 1832 bekend gemaakt dat pruimen, kruisbessen en komkommers onder de schadelijke fruiten en vruchten moeten worden gerangschikt. De invoer en verkoop daarvan wordt daarom verboden.

Loterijen
In 1828 draagt het Stadsbestuur op hun verzoek de heren Johannes Fransen van de Putte en Johannes Pilaar voor als debitanten of gedelegeerden van de 2e klasse voor de 138e en 139e Koninklijke Nederlandsche Loterijen voor de stad. Voor de 139e en 140e loterijen worden toegelaten de heren Cornelis Levinus Lignian, Benjamin Steendijk en Martinus Spijk. Voor de 141e, 142e en 143e zijn dit de heren Martinus Spijk, Johannes Pilaar junior en Johannes Fransen van de Putte. Voor de 144e, 145e, 146e en 147e loterijen worden toegelaten de heren Johannes Pilaar junior, Johannes Fransen van de Putte en Willem van Male.
In 1831 worden toegelaten als debitanten van loten voor de 152e, 153e en 154e loterijen de heren J. Fransen van de Putte, Willem van Male en Gerardus van de Velde.
In 1832 worden op voordracht van de gekwalificeerde collecteurs der Koninklijke Nederlandsche Loterijen te Middelburg toegelaten de heren Johannes Fransen van de Putte, Willem van Male en Gerardus van de Velde als debitanten voor de 155e, 156e en 157e loterijen voor de stad.

Hygiëne in de gemeente
Voor de afvoer van de drektonnen fungeren enkele zogenaamde nachtwerkers. Vanwege het overlijden in november 1828 van Aarnout Korstanje, die met Laurus Laurusse gezamenlijk de bediening van nachtwerker heeft waargenomen, besluit het Stadsbestuur het nachtwerk voor het geheel te gunnen aan Laurus Laurusse. In september 1832 brengt de stadsfabriek klachten in tegen de ongeregelde handelwijze van de nachtwerkers. Laurus Laurusse, die van stadswege daarmee is belast, wordt door het Stadsbestuur daarover onderhouden en ernstig vermaand om te zorgen dat dit voortaan niet meer plaats vindt.

De stadsfabriek doet in maart 1831 rapport over een drekgoot die loopt van de oude watermolen op het aangehoogde Oude Molenwater tot bij de stadsgrond, in pacht bij Arnout Loots.

In juni 1832 vaardigt het Stadsbestuur een verordening af voor de hygiëne in de gemeente.
Een ieder die niet mocht verkiezen zijn secreten of verzamelplaatsen van drek door de stads nachtwerkers te laten ruimen, zal dit kunnen verrichten door deze in goede, dichte vaten of potten langs de kortste weg van hun woning, op maandag- en donderdagavonden van half elf tot half twaalf, door de Bleekveldse poort, die dan zal geopend zijn, over te brengen en uit te storten in de privaatputten die daar achter de stadsschuur voorhanden zijn. Deze specie zal niet mogen worden gestort in de stadsaschbakken of elders.

In september 1832 is er een aanbesteding voor het riool ruimen en het onderhoud van de reinheid en zuiverheid van de stad. De condities voor de aanbesteding worden vastgesteld voor de tijd van drie jaar, namelijk van 1 oktober 1832 tot ultimo september 1835. De aanbesteding geldt voor de volgende werkzaamheden in het belang van de hygiëne: het ruimen en zuiveren van de stadsriolen, aschbakken, poorten, bruggen en openbare plaatsen, het afsteken en zuiver houden van de stadswallen, het reinigen van de stadsvest, markten en pleinen, het wieden van de markten uitgezonderd de Grote Markt, het opzuiveren en uitzoeken van de brikstenen op het stort, het uitschoppen van de sneeuw van stadsgebouwen en het bestrooien van de bruggen en afhellende plaatsen in de winter tot wegneming van de gladheid door de vorst, het opdelven van ingevallen stadsriolen en het verzorgen van de zwanen. De aanbesteding van de werkzaamheden voor het onderhouden van de reinheid en zuiverheid van de stad wijst uit dat de laagste inschrijver A. Loots is voor ƒ 580 is.

Schaarste drinkwater
Op de 7e april 1832 overweegt het Stadsbestuur de voortdurende droogte in de gemeente en de meer en meer vermeerderende schaarsheid van het drinkwater. Besloten wordt te verbieden om in de stad en gemeente gedurende de tegenwoordige droogte de straten, stoepen of huizen te schuren of glazen te wassen op verbeurte van een boete van drie gulden ten behoeve van de stadskas en bij onvermogenden door een gevangenisstraf van 24 uur.

Aanwezigheid varkens
In oktober 1828 wordt een ‘Lijst van opneming of beschrijving van de in de gemeente Goes aanwezige varkens’ opgesteld. Daaruit blijkt dat er circa 200 varkens bij 103 onderscheidene burgers aanwezig zijn.

Nachtwacht

In oktober 1827 verzoeken de nachtwakers om gedurende de winter een vermeerdering van licht te mogen genieten. Dit vanwege de verdeling van de wacht aan twee hoofdpoorten. Hun geringe traktement laat niet toe dat ze deze kosten zelf dragen, vooral in het aanstaande winterseizoen. Het verzoek is ondertekend door de acht nachtwachten Leendert de Visser, C. de Munck, Jacob de Meulmeester, A. Burggraaf, H. Baarends, Francois van Hoorn, Frans de Pan (met kruisje) en Pieter de Bruine (met kruisje). Het Stadsbestuur besluit de conciërge opdracht te geven om hen iedere avond twee kaarsen, zogenaamde ‘Achten’, af te geven.

Het Stadsbestuur overweegt in december 1831 dat door het plaatsen van een nachtwacht van klapperlieden aan de Ganzepoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, voorzien van de sleutels van deze poorten, de aanwezigheid van de poortiers ’s nachts voor het in- en uitlaten van personen en rijtuigen, die dit buitentijds mochten verlangen, onnodig en overbodig is. De ontvangst van het verschuldigde poortgeld kan aan de klapperlieden, onder een billijke verdeling tussen hen en de poortiers, worden opgedragen. Besloten wordt de ontvangst van het poortgeld gedurende de tijd van het verblijf van de nachtwacht van klapperlieden aan beide poorten aan de klapperlieden op te dragen. Zij zijn wel verplicht de ontvangsten van poortgeld tussen de nachtwacht en de poortiers gelijkelijk en ieder voor de helft te verdelen.

Isaac Houtop fungeert als majoor van de nachtwacht voor de acht klapperlieden of nachtwakers.

Politie

In september 1827 overlijdt de veldwachter van de gemeente, Albert van de Vendel, op de leeftijd van 64 jaar. Het Stadsbestuur besluit burgemeester en assessoren van de gemeente Kloetinge uit te nodigen tot het houden van een gecombineerde vergadering op het Stadhuis voor het formeren van een voordracht van kandidaten tot vervulling van de vacerende veldwachterplaats. Eenparig wordt overeengekomen aan de Gouverneur als kandidaten op te geven A.C. de Keijser Behage, L. Eversdijk, C. van Fraassen, H. Jansen en M. van Flierenburg. De Gouverneur benoemt tot veldwachter van de gemeente Kloetinge en het buitengebied van de stad Leijn Eversdijk.

Er dienen zich nog meer oud-militairen aan als veldwachter. In december 1827 verzoekt Jan Samuel Gee, wonend binnen de stad, om met een bediening van veldwachter of commies te worden begunstigd. Hij legt bewijzen over van gepresteerde trouwe militaire dienst en goed zedelijk gedrag. Het Stadsbestuur beslist hier gunstig op. Maar ook in februari 1830 verzoekt Adriaan van de Zande, gepasporteerd militair binnen de stad, om met een veldwachterbediening te worden begunstigd. Besloten wordt in voorkomende gelegenheden gunstig acht te slaan op dit verzoek.

In januari 1832 komt er een wijziging in de provinciale organisatie van de veldwachters ten plattelande. De veldwachter van de gemeente Goes en Kloetinge, Leijn Eversdijk, is benoemd tot veldwachter van de gemeente Kloetinge. Zijn betrekking tot de stad is daardoor vervallen. In de veldwachterbediening voor het grondgebied van de stad dient te worden voorzien.

De agent van politie Izaak Houtop is door zijn hoge jaren in september 1832 buiten staat geraakt deze bediening verder nog naar behoren waar te nemen. Door een langdurige en getrouwe dienst verzoekt hij om van stadswege met een redelijk pensioen te worden begunstigd. Het Stadsbestuur besluit Houtop als agent van politie eervol te ontslaan en hem jaarlijks uit de stadskas een pensioen van ƒ 100 te verlenen. Voorlopig wordt Karel Muller, cipiersknecht van de gevangenissen, met de waarneming belast. Verder wordt besloten de sollicitanten naar deze bediening uit te nodigen om hun biljetten voor het einde van de maand in een op de stadsgriffie geplaatste bus over te brengen. Benoemd wordt Karel Mulder, cipiersknecht van het Huis van Arrest binnen de stad.

De agenten van politie J.E. Loobeke en I. Houtop genieten elk een jaartraktement van ƒ 150. Ze worden aangestuurd door wethouder Kakebeeke, belast met het toezicht op de politie. Overigens zou het Stadsbestuur het wenselijker vinden dat de politie op andere wijze geleid zou worden dan door iemand die andere ambtsbezigheden heeft.

Brandweer

In deze jaren zijn er vier brandspuiten in de stad: de zogenaamde ‘groote spuit’, de zogenaamde ‘keetspuit’, de zogenaamde ‘stads nieuwe spuit’ en ‘de Voorstadspuit’.
In januari 1827 zendt het Stadsbestuur een staat van de in de stad aanwezige brandblusmiddelen in. Daaruit blijkt de aanwezigheid van 148 brandemmers, 12 brandhaken, 2 bijlen, 8 ladders, 30 lantaarns, 12 waterzakken en 16 stellingen.

De generale brandmeesters voeren in juni 1828 een inspectie uit op de schoorstenen, lantaarns en brandemmers en ook van de brandspuiten. Volgens hun rapport is alles in orde bevonden.

In december 1828 overlijdt de generale brandmeester Matthijs Gerhardus Mulder. In zijn plaats wordt benoemd Jacobus de Jongh. In februari 1832 verzoekt Jozias Risseeuw vanwege de zwakke toestand van zijn gezondheid ontslag uit zijn functie van generale brandmeester. Hij krijgt eervol ontslag onder betuiging van de erkentenis van het Stadsbestuur voor zijn veeljarige waarneming en betoonde menigvuldige en gewichtige diensten van en in deze betrekking aan de stad betoond. In zijn plaats wordt benoemd Philip Vervenne Nz.

De generale brandmeesters bieden het Stadsbestuur in juni 1832 een rapport aan met een advies voor de verbetering van de stedelijke brandblusmiddelen en de oefening van de tot de spuiten behorende manschappen. Ze adviseren in het bijzonder de aankoop van een zogenaamde aanbrenger, dienstig om het water op te voeren, ‘welk gemis zich bij gelegenheid van de laatste noodlottige brand zo bijzonder heeft doen opmerken en waarvan de kosten op ongeveer ƒ 800 kunnen worden gesteld’. Hiertoe wordt besloten.

Rechtbank

De Gouverneur geeft in juni 1827 kennis van de benoeming van de heer mr. A. Smallegange tot arrondissement notaris in de plaats van de overleden F.H. Wagenaar.
In december 1827 komt er een aanschrijving van de Gouverneur dat de heer F. de Keijser door Zijne Majesteit de Koning is ontzet uit zijn betrekking van procureur bij de Rechtbank van eerste aanleg binnen de stad. In zijn plaats wordt benoemd mr. M.P. Blaaubeen.

Het Stadsbestuur overweegt op de 1e december 1827 dat volgens sommige openbare nieuwspapieren en bijzondere geruchten bij de door Zijne Majesteit de Koning aan de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediende Wet omtrent de verdeling van het Rijk in judiciële arrondissementen wordt voorgesteld om de provincie Zeeland in drie arrondissementen te verdelen. Hiervan zouden dan de steden Middelburg, Zierikzee en Axel de hoofdplaatsen zijn. Als deze geruchten waar zijn, zou de thans in Goes gevestigde arrondissementrechtbank verloren gaan. De gevolgen daarvan zouden voor de stad schadelijk en ruineus zijn. Besloten wordt de bezwaren bij een eerbiedig adres over te brengen aan Zijne Majesteit de Koning.
Er wordt in februari 1828 een commissie benoemd om bij Zijne Majesteit de Koning en andere hoge autoriteiten de belangen tot behoud van de Rechtbank van eerste aanleg binnen Goes te bepleiten. In deze commissie worden benoemd wethouder Kakebeeke en de raadsleden Lenshoek van Zwake en De Backer en de secretaris. De commissie bezoekt ’s- Gravenhage. Na dit bezoek overlegt ze een rapport van het door haar verrichte en de antwoorden die ze van Zijne Majesteit de Koning en van Gedeputeerde Staten, bij de vergadering van de Staten Generaal en van de Minister van Justitie en de Secretaris van Staat, hebben ontvangen. De reis- en verblijfkosten van de commissie hebben ƒ 336 bedragen.
De gemeenteraad besluit op de 3e maart 1828 Zijne Majesteit de bezwaren die tegen verplaatsing van de Rechtbank bestaan voor te leggen ‘en hem te smeken dat de Stad bij haar tegenwoordige rechten moge bewaard blijven’.
Verheugd verneemt de gemeenteraad in de op de 3e november 1828 door de burgemeester dadelijk bijeen geroepen extra vergadering het bericht, zoals uit de openbare nieuwspapieren is gebleken, dat Zijne Majesteit aan de Staten Generaal een nieuwe voordracht heeft voorgelegd tot verdeling van het Rijk in gerechtelijke arrondissementen. Daarbij is Goes voorgedragen als hoofdplaats van het tweede arrondissement van de provincie. De gemeenteraad zendt Zijne Majesteit de Koning en de Minister van Justitie een dankadres toe.

In juli 1830 legt de Vrederechter binnen de stad een verzoek aan de gemeenteraad voor om een lokaal voor de zittingen van het vredegerecht toe te wijzen. De gemeenteraad antwoordt dat het  wenselijker voorkomt om het verzoek aan te houden tot de aanstaande reorganisatie van de rechterlijke macht.
Uiteindelijk stelt de gemeenteraad hiervoor lokalen in het schoolhuis van de stadsschoolmeester van de stadsschool aan de Singelstraat, Van Klooster, beschikbaar. Maar in september 1830 deelt de Vrederechter van het kanton Goes mee geen genoegen te nemen met deze lokalen. Deze zijn volgens hem ongeschikt. Hij verzoekt om meer geschikte lokalen. De Vrederechter krijgt als antwoord ‘dat het de vergadering leed doet dat hij van de aangeboden lokalen, immers provisioneel, geen gebruik kan maken, aangezien voor het tegenwoordige geen meer convenabele lokalen disponibel zijn’.
In november 1831 beraadt de gemeenteraad, mede naar aanleiding van de aanschrijving van de Gouverneur, zich hier nog eens op. Inplaats van de bovenkamers van het schoolhuis van schoolmeester Van Klooster biedt de gemeenteraad nu een benedenkamer aan de zuidzijde van de ingang aan.
De burgemeester overlegt in december hierover met de Vrederechter. Hij overlegt de gemeenteraad daarop een brief van de Vrederechter met het aanbod van zijn griffier, de heer Albert van Renterghem, om de gewone zittingen van het vredegerecht voorlopig in diens woonpand aan de Grote Markt te houden, dit onder het genot van een redelijke schadeloosstelling uit de stadskas van ƒ 60.  Met dit voorstel gaat de gemeenteraad graag akkoord.

Schutterij

Interessant is de zogenaamde Contributie Rol voor de dienstdoende schutterij over het jaar 1827. Daaruit blijkt dat de burgers in vier klassen worden aangeslagen voor een contributie ten behoeve van de schutterij. Deze bedraagt voor de 1e klasse ƒ 6,00; voor de 2e klasse ƒ 4,00; voor de 3e klasse ƒ 2,50 en voor de 4e klasse ƒ 1,20. Voor de (vermogende) 1e klasse zijn er 17 contribuanten; voor de (wat minder gegoede) 2e klasse 38 contribuanten; voor de 3e klasse 60 contribuanten en voor de 4e klasse 114 contribuanten.
Contribuanten voor de 1e klasse zijn bierbrouwer C.M. de Jongh, apotheker J. Nederveen, weduwe J. Vaes, bierbrouwer J.J. van ’t Westeinde, advocaat F.N. van der Bilt, stadsbestuurder H. Lenshoek van Zwake, advocaat I.G. de Witt Hamer, J. van Ham, Duvelaar van Campen, burgemeester J.C. van der Meer Mohr, D. Boddingius, J.H. Verhoeff, stadsdrukker F. Kleeuwens, G.E.M. de Backer, A. Clement, F. de Keijzer en J. Kocken.

In juni 1827 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de Gouverneur over de instandhouding van de bestaande schutterijen. Dit in afwachting van de vervanging daarvan als gevolg van de invoering van de Wet van 11 april 1827. Deze wet behelst dat de stedelijke schutterij tot een aantal van twee man per honderd zielen zal moeten worden verminderd. Van de nieuwe schutterij mogen geen andere wapenoefeningen of dienstverrichtingen worden gevorderd dan die bij de nieuwe wet bepaald zijn.

De Gouverneur informeert in december 1827 of in de stad een geschikte plaats aanwezig is voor het houden van wapenoefeningen van de stedelijke schutterij en of daar zonder gevaar naar de schijf kan worden geschoten. Het Stadsbestuur antwoordt hierop bevestigend.

In mei 1828 wordt de heer P.A. Hochart beëdigd tot kapitein van de stedelijke schutterij.

In de commissie voor de werkzaamheden van de schutterij worden benoemd burgemeester G. de Leeuw en de heer Verschoor van Nisse. Tot voldoening aan de circulaire van Gedeputeerde Staten van Zeeland overleggen beide benoemde raadsleden het Stadsbestuur de loting- en inschrijvingregisters, alsook de alfabetische lijsten betreffende de dit jaar gehouden loting. Aan de loting hebben 325 personen deel genomen.

Ook wordt in juli 1828, ingevolge het Koninklijk Besluit van 28 juni 1828, overgegaan tot benoeming van een commissie tot beoordeling of en in hoever de opgegeven ziekten of gebreken personen voor de schutterlijke dienst ongeschikt maken. Benoemd worden tot leden burgemeester G. de Leeuw en wethouder J.H. Verschoor van Nisse. Tot plaatsvervangende leden worden benoemd de heren Mirandolle en Lenshoek van Zwake. Tot geneesheer om de commissie bij te staan wordt benoemd de medisch doctor Callenfels en tot secretaris de stadsgriffier H.C. Pilaar. Aan de commissie wordt verder nog toegevoegd de heelmeester Th. Pieterse om de opgegeven ziekten en gebreken te helpen beoordelen.

In september 1828 stuurt Zijne Majesteit de Koning een Koninklijk Besluit toe over de samenstelling van de dienstdoende schutterij van de stad; de benoeming van de heren Adriaan Kakebeeke, Charles Petrus Soutendam en Gilles van IJsselsteijn tot luitenants bij de schutterij en het eervol ontslag van de heer Blaaubeen. De drie luitenants worden door het Stadsbestuur beëdigd.

Opnieuw komt er een voorschrift van de Gouverneur in september 1828. Deze bevat een kennisgeving dat de modellen van de schakots van de rok en van de pantalon voor de uniforme kleding van de schutterij in de provinciale bureaus kunnen worden bezichtigd. Verzocht wordt om met de commandant van de schutterij in overleg te treden en het nodige hiervoor voor te bereiden. In een wel zes bladzijden tellende brief geeft de Gouverneur omstandig aan ‘dat de stof voor de uniforme kledingstukken van de schutterij van inlandsche fabykagie behoort te wezen’. Deze opmerking is gegrond op een aanschrijving van het Departement van Binnenlandse Zaken als op de bepalingen van het Besluit van Zijne Majesteit betreffende maatregelen tot opbeuring van de inlandse fabrieken van lakens. Er mogen alleen inlandse wollen stoffen tot de monteringen worden gebruikt.

De commissie voor de loting voor de schutterij geeft in oktober 1828 te kennen dat de algemene rol voor dit jaar gereed is en overgegaan zou kunnen worden tot formatie van de bijzondere rol. Het is voor de commissie echter twijfelachtig of de onderofficieren, korporaals en tamboers begrepen zijn in het getal van 98 schutters, waarop de stedelijke schutterij bepaald is. Of moeten deze boven dit getal in dienst worden gesteld?
Het duurt de Gouverneur allemaal te lang. In november maant hij aan om ten spoedigste in te zenden het rapport betreffende de opmaking van de schuttersrol. Geantwoord wordt dat met de opmaking van deze gewacht is op zijn terechtwijzingen op de bedenkingen van de commissie voor de schutterij.

In november 1828 legt de burgemeester een aanschrijving van de Gouverneur over met daarbij gevoegd het Koninklijk Besluit tot benoeming van de heer L. Lankhorst tot auditeur en de heer W. van den Thoorn tot officier van gezondheid van de 3e klasse bij de dienstdoende schutterij en het eervol ontslag van de heren Boddingius en De Backer als luitenant adjudant en luitenant kwartiermeester alsook van de heer Van den Thoorn als chirurgijn majoor bij het 3e bataljon schutterij.

De commandant van de dienstdoende schutterij P.A. Hochart verzoekt in december 1828 inlichtingen over het afdanken en overnemen van de wapenen van de oude schutterij en de verdere organisatie en wapening van de nieuwe schutterij.

Zijne Majesteit de Koning verleent in december 1828 eervol ontslag aan de heren Blaaubeen als luitenant, De Backer als luitenant kwartiermeester, Boddingius als luitenant adjudant en Van den Thoorn als chirurgijn majoor bij de schutterij. Benoemd zijn tot kapitein de heer P.A.  Hochart, tot luitenants de heren A. Kakebeeke, C.P. Soutendam en G. van IJsselsteijn, tot auditeur de heer L. Lankhorst en tot officier van gezondheid de heer W. van den Thoorn.
De commandant van de dienstdoende schutterij stelt voor de traktementen van de auditeur, de officier van gezondheid, de secretaris van de schuttersraad, de tamboer en de bode van de schuttersraad nader te bepalen. Het college conformeert zich aan het gevoelen van de commandant. De Gouverneur wordt voorgesteld de traktementen voor deze stad op de volgende wijze te bepalen: voor de auditeur ƒ 50, voor de officier van gezondheid ƒ 25, voor de secretaris van de schuttersraad ƒ 50, voor de tamboers ieder ƒ 20 en voor de bode van de schuttersraad ƒ 10.

De Gouverneur deelt in februari 1829 mee dat het verwijl met betrekking tot de instelling van de nieuwe schuttersraden in gemeenten, waar voorheen schutterijen hebben bestaan, niet hinderlijk kan zijn. De oude krijgsraden blijven in werking totdat daarin nader zal zijn voorzien en ook bij bestaande vacatures kunnen deze aangevuld worden. Deze aanschrijving wordt voor kennisgeving aangenomen. De commandant van de stedelijke schutterij wordt uitgenodigd ingeval van bestaande vacatures een voordracht ter aanvulling te doen.
Ook geeft de Gouverneur in maart 1829 kennis dat het oprichten van korpsen muzikanten bij de schutterijen geoorloofd is. Echter, de leden van deze korpsen zullen geen vrijstelling van dienst genieten wanneer zij in de termen vallen om te worden ingelijfd bij de schutterij. De kosten van de muziekkorpsen zullen in geen geval ten laste van de plaatselijke kassen of van de ingezetenen mogen komen.
Opnieuw komt er een aanschrijving van de Gouverneur in maart 1829, nu met de mededeling dat de ingenomen kledingstukken van de oude schutterij, voorzover deze niet voor de uniformen van de nieuwe schutterij kunnen worden gebruikt, zo daar tegen overwegende bedenkingen bestaan, tot kleding van de tot de armenadministratie behorende manspersonen en jongens kunnen worden gebruikt. Dit onverlet de meer doelmatige bestemming die daaraan naar het inzicht van het stedelijke bestuur zou kunnen worden gegeven. Het Stadsbestuur besluit de kleding ter beschikking van het algemeen armbestuur van de stad te stellen tot kleding van haar gealimenteerden.

De gemeenteraad beraadslaagt in maart 1829 over het aanschaffen van de uniforme kleding- en onderscheidingstekenen voor de nieuwe dienstdoende schutterij, voorzover deze ten laste komt van de stadskas. Besloten wordt het college te machtigen om in overleg met de commandant van de stedelijke schutterij de nodige kledingstukken en onderscheidingstekenen aan te schaffen zoals hun dit het meest geschikt en voordelig voorkomt.
De nieuwe kleding is onderhands aan de heer Andries Samllegange, als laagste inschrijver, aanbesteed voor een som van ƒ 2.083,74. Deze kleding bestaat uit 100 schakots en toebehoren voor ƒ 394,50, 86 complete monteringen voor ƒ 1.461,57, 86 stropdassen voor ƒ 42,57, 86 paren slobkousen voor ƒ 154,80, 14 sabelkwasten en 15 chevrons voor ƒ 30,30, samen ƒ 2.083,74.

In maart 1829 benoemt het Stadsbestuur in de vacerende plaatsen in de krijgsraad van de diensdoende schutterij de heren G. van IJsselsteijn, luitenant, J.W. van Kerkwijk, sergeant, C.P. Soetebier, korporaal, en J.H. van de Bree, schutter.

 Bij Koninklijk Besluit van 2 mei 1829 wordt eervol ontslag verleend aan de heer A. Kakebeeke als 1e luitenant bij de dienstdoende schutterij en benoemd de heer J. Soutendam als 1e luitenant en de heer G.J. Callenfels als 2e luitenant bij de schutterij.

 Bij Koninklijk Besluit van 25 mei 1829 wordt bepaald dat overgegaan dient te worden tot benoeming van de schuttersraad en het ontslag van de krijgsraad van de dienstdoende schutterij en de beëdiging van de auditeur. De commandant van de stedelijke schutterij wordt aangeschreven om een voordacht van kandidaten in te zenden om daaruit de benoeming van leden van de schuttersraad te doen. De leden van de nog fungerende krijgsraad van de dienstdoende schutterij worden eervol ontslagen en de krijgsraad wordt ontbonden. Behalve de commandant en eerste luitenant bij de schutterij worden tot leden van de schuttersraad benoemd de heren G. van IJsselsteijn, tweede luitenant, J.W. van Kerkwijk, sergeant, C.P. Soetebier, korporaal, en J.H. van den Bree, schutter.

In juli 1829 rapporteert de commissie tot onderzoek of er mogelijkheden zijn om bij de stedelijke schutterij een korps muzikanten op te richten, dat het personeel voor dat korps op een voldoende wijze kan worden verkregen.

De schuttersraad verzoekt in augustus 1829 om aanwijzing van een ruimte voor het houden van haar vergaderingen. Ze krijgt als antwoord dat het college daarin zal trachten te voorzien wanneer daarvoor een dag of drie voor iedere vergadering een aanvraag wordt gedaan.

De beschikbaar gestelde wapens en wapenstukken worden in augustus 1829 afgeleverd, te weten 112 geweren, 112 bajonetten, 112 bajonetscheden en 92 aftrekkers. Dit alles is behoorlijk verpakt in vijf kisten. Ze zijn afkomstig van de dienstdoende schutterij te Middelburg. De sabels zullen worden nagezonden. De ledige kisten gaan retour. De wapens worden de commandant van de stedelijke schutterij ter hand gesteld onder inwisseling en overneming van de oude schutterswapenen.

In september 1829 worden de heren Jacobus Walraven van Kerkwijk, Cornelis Soetebier en J.H. van den Bree als leden van de schuttersraad van de dienstdoende schutterij eervol ontslagen. In hun plaats worden aangesteld de sergeant Cornelis Levinus Lignian, de korporaal Willem Ross en de schutter Cornelis Pilaar.

De stedelijke schuttersraad stuurt in april 1830 een Reglement van Orde en eveneens een Reglement voor het brandpiket toe. Maar het Stadsbestuur stuurt deze stukken terug. De noodzaak tot het vaststellen van zodanige verordeningen wordt niet gevoeld. Bovendien is er twijfel of de nieuwe wetgeving op het stuk van de schutterijen daarvoor wel de bevoegdheid verleent. De schuttersraad wordt in overweging gegeven deze stukken vooralsnog aan te houden.

In april 1830 krijgt Cornelis Levenus Lignian eervol ontslag als lid van de schuttersraad. In zijn plaats komt de sergeant Willem Ross, die tot nu toe als korporaal in de raad zitting heeft gehad en als zodanig is ontslagen. In zijn plaats wordt aangesteld de korporaal Johannes Cornelis de Buck.

De Gouverneur informeert in juli 1830 of en in hoever al de manschappen bij de stedelijke schutterij naar behoren zijn gekleed. Het Stadsbestuur antwoordt hier direct op met de mededeling dat, met uitzondering van de chirurgijn, alle leden van de schutterij van uniforme kleding zijn voorzien. In oktober daarop komt er een aanschrijving van de Gouverneur dat de kapotjassen, ransels en kwartiermutsen voor de mobiele schutterij van rijkswege zullen worden geleverd en het benodigde getal kan worden opgegeven. Het benodigde getal is dadelijk aangevraagd.

In augustus 1830 deelt de commandant van de stedelijke schutterij mee dat uit het magazijn te Vlissingen 18 sabels voor de schutterij zijn ontvangen. De buiten gebruik gekomen sabels worden overgebracht naar het Stadhuis en in handen gesteld van de griffier Pilaar.

In september 1830 bestaat de schutterij uit 4 officieren, 11 onderofficieren en 66 tamboers en schutters, in totaal derhalve 81 actieve manschappen en 53 reservisten. De totale sterkte is dus 134.

Op de 23e oktober 1830 arriveren 30 geweren met bajonetten en scheden, aftrekkers en schroevendraaiers ten dienste van de stedelijke schutterij.

Mobiele eenheid

Op de 9e oktober 1830 verschijnt er een Proclamatie van Zijne Majesteit de Koning met een oproep aan de bewoners ‘van de aan wet en orde getrouw gebleven gewesten van het Rijk tot een algemene vrijwillige volkswapening’. Deze zelfde dag ontvangt het Stadsbestuur  ook een Koninklijk Besluit over het mobiel maken van een gedeelte van de dienstdoende schutterij om op de eerste nadere oproep buiten de gemeente, hetzij in de vestingen of elders. militaire diensten te leveren alsmede ten aanzien van de versterking van de schutterijen door vrijwillige aanbiedingen.
Onder de burgerij worden gelden ingezameld tot ondersteuning van de gewapende macht en van de achterblijvende betrekkingen. Daarvoor worden aangewezen uit de gemeenteraad de heren Van der Bilt, Eltzman, Lenshoek van Zwake en Hecking en uit de notabele ingezetenen de heren De Witt Hamer, Soetebier, Jansen, Vader, Blaaubeen, Van Kerkwijk, Schiefbaan en Van Deinse. De inzameling brengt ƒ 2369,40 op.
Ook op deze dag overlegt de burgemeester een reçu van de heer Toutenhoofd, kapitein van de onlangs gewapende burgers, voor de voor dat doel afgegeven 78 geweren met bajonetten, 78 patroontassen, 78 bandeliers en bajonetscheden, 3 trommen, 16 sabels en 13 bandelieren.

In november 1830 worden op voordracht van de burgemeester tot officieren van de vrijwillige gewapende burgercompagnie, ter aansluiting aan de stedelijke schutterij, benoemd de heren Toutenhoofd, Blaaubeen, Van de Putte en Van den Thoorn.

De Gouverneur geeft op de 27e november 1830 in overweging om de gewapende burgers, die zich bij het niet mobiele gedeelte van de stedelijke schutterij hebben aangesloten, van een onderscheidingsteken te voorzien in de vorm van een kapotjas en politiemuts. Hierover wordt het gevoelen van de kapitein van de compagnie gevraagd.

Er komt in november 1830 een aanschrijving van de Gouverneur voor het marsvaardig maken van de mobiele schutterij van de stad met de opdracht om, ingeval in een naburige  gemeente de rust mocht wordt gestoord of bedreigd, op de vordering van het militaire of burgerlijke gezag de schutterij in beweging te stellen om de vereiste hulp te verlenen.
Al op de 24e november verzoekt de Gouverneur aan de bevelhebbers van de dienstdoende schutterij bevel te geven om het afgescheiden mobiele gedeelte van de schutterij naar de hoofdplaats van de provincie te dirigeren en te zorgen dat ze daar op de 24e zijn aangekomen. Verder zal van het te organiseren bataljon mobiele dienstdoende schutterij een compagnie in de stad in garnizoen komen. Voor de huisvesting van deze compagnie dient te worden gezorgd. De stedelijke dienst zal gedurende de afwezigheid van de mobiele schutterij door het overige gedeelte en de aangesloten vrijwilligers moeten worden verricht. In geval van nood zal een versterking van honderd militairen uit het fort Bath kunnen worden ingeroepen.

Op de 27e november laat de commandant van de dienstdoende schutterij van de stad weten dat de mobiele schutterij tot de uitmars gereed is. Hij overlegt een nominatieve staat van de mobiele schutterij.
En zo vertrekt deze dag ’s morgens om half negen het mobiele gedeelte van de schutterij uit de stad naar Middelburg, nadat de leden van het Stadsbestuur met een gepaste aanspraak afscheid van hen hebben genomen. Het Stadsbestuur en het overblijvende gedeelte van de stedelijke schutterij doet hen uitgeleide tot op de grens van de gemeente. Daar staan de korpsen jagers onder commando van de heer De Backer en de vrijwillige gewapende burgers onder commando van de heer Toutenhoofd ‘geschaard om de uittrekkende schutterij hun  afscheidsgroet mede toe te voegen. Zijnde alles in de beste en meest geregelde orde afgelopen, onder luide vreugdekreten van Leve de Koning’.

Op de 25e december 1830 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de compagnie vrijwillig gewapende burgers binnen de stad. Verzocht wordt om goedkeuring om de compagnie met twintig manschappen te vermeerderen. Daardoor zou deze, behalve de officieren en tamboers, een sterkte krijgen van 101 manschappen. Verder wordt in de brief te kennen gegeven dat enige personen, die zich eerst van de compagnie hadden afgescheiden, weer zijn toegetreden en anderen hebben zich daar vrijwillig bij gevoegd.
Het Stadsbestuur besluit de kapitein te kennen te geven dat de gemeenteraad de vermeerdering van de compagnie op dit ogenblik niet noodzakelijk acht. De meegedeelde wijze van al gedane aanvulling en ontslag wordt beschouwd als strijdig te zijn met de oprichting van het gewapende korps en met de bestaande wetten en koninklijke besluiten over de volkswapening. Raadslid Verschoor van Nisse verzoekt aantekening tegen te stemmen tegen het besluit tot het niet vermeerderen van de gewapende burgermacht.

De Gouverneur wenst in januari 1831 inzending van een weekstaat over de gesteldheid van de dienstdoende mobiele schutterij. Iedere woensdag zal een weekstaat worden ingezonden.

Op de 15e januari 1831 komt er een verzoek van de commanderende officier van de 2e compagnie mobiele schutterij om een lokaal tot provoost aan te wijzen. Een andere brief bevat een kennisgeving van het vertrek van de compagnie naar Krabbendijke met het verzoek tot overname van de kazernes.

Op de 22e januari 1831 schrijft de Commissie belast met de kleding van de schutterij dat is ontvangen 514 ellen en 6 palmen katoenen baay tot vervaardiging van 207 onderbroeken van de 2e taille. Deze stof wordt aan de aannemer Magchielse ter hand gesteld. De commissie wordt bericht dat morgen zullen worden afgezonden 150 onderbroeken en 200 slaapmutsen.
Twee weken later komt er opnieuw bericht van de Commissie belast met de kleding voor de schutterij in de provincie dat is ontvangen 339 ellen en 55 duimen stoffagie voor het vervaardigen van 170 onderbroeken. Dit wordt aan aannemer Magchielse ter hand gesteld.

In februari 1831 verzoekt de schuttersraad om vijftig ponden buskruit, 10 boek patroonpapier en 300 vuurstenen voor de stedelijke schutterij.

Het lid van de schuttersraad Cornelis Pilaar vertrekt metterwoon naar Middelburg. Op voordracht van de schuttersraad benoemt het Stadsbestuur tot lid de heer Cornelis Oversluijs. Ook wordt in september de heer Jan Doensen Somer tot lid van de schuttersraad van de dienstdoende schutterij benoemd.

Eind augustus 1831 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met het voorschrift om er voor te zorgen dat de manschappen van de dienstdoende schutterijen onverwijld gekleed, gewapend en geoefend worden en tegen de 27e september gereed zijn. De commandant van de stedelijke schutterij verklaart desgevraagd dat er voldoende gelegenheid is om de manschappen in de wapenhandel te oefenen en dat ze op de bepaalde tijd marsvaardig zullen zijn. Het Stadsbestuur neemt hier met genoegen kennis van.

Het departement van de grootmeester van de artillerie stuurt in september 1831 bericht van de op handen zijnde afzending van 50 infanteriegeweren met bajonetten en scheden, aftrekkers en schroefdraaiers en 6 sabels ten dienste van de stedelijke schutterij. Deze worden op de 24e september van de magazijnmeester van de Artillerie te Vlissingen ontvangen en aan de luitenant Callenfels, belast met de zorg over het magazijn van de schutterij, afgegeven.
Op de 29e oktober 1831 ontvangt de stad van de Zeeuwse Mobiele schutterij 22 geweren en bajonetten, 21 patroontassen en bandeliers en 10 bajonetkoppels.

De Gouverneur stuurt op de 10e september 1831 een bekendmaking toe ‘over het loffelijk en voorbeeldig gedrag van de Zeeuwsche Mobiele Schutterij’. Dit bericht wordt in de stadscourant opgenomen.

De manschappen van het 1e bataljon ondernemen op de 8e oktober 1831 de reis naar Breskens. Naar aanleiding van een aanschrijving van de Gouverneur over het voltallig maken van de  reserve van de stedelijke schutterij wordt de Gouverneur de staat van de sterkte van de stedelijke schutterij opgegeven.

In januari 1832 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van de Gouverneur met het verzoek om voortaan geen mobiele schutters ter inlijving op te zenden dan alleen wanneer ze zijn voorzien van alle kledingstukken die tot hun gewone uitrusting behoren zoals rok met wings, pantalon, slobkousen, schakot en halsdas. Dit bericht wordt aan de commandant van de stedelijke schutterij meegedeeld.

De kapitein commandant van de dienstdoende schutterij van de stad geeft het Stadsbestuur op de 17e maart 1832 kennis van zijn voornemen om met de gewone buitenexercities op zondag na de godsdienstoefening een begin te maken. Hij verzoekt bij eventuele verhindering of het niet voortgaan van deze exercities dit door middel van het luiden van de kleine stadhuisklok ter kennis van de schutters te brengen.

Op de 28e juli 1832 stelt de gemeenteraad de condities voor de aanbesteding van de benodigde uniformen voor de stedelijke schutterij van de lichting van dit jaar vast.

Op de 8e september 1832 legt de burgemeester de gemeenteraad een aanschrijving over van de Gouverneur. Deze bevat bepalingen over de indienststelling van de manschappen die tot de 1e Ban uit het schutterijcontingent van het lopende jaar behoren. Voor zoveel dit de dienstdoende schutterijen betreft zal dit zijn op de 17e september in het kantonnement Aardenburg. Hij verzoekt om voor de overbrengst te zorgen. Tevens worden enige instructies over de executie meegedeeld. Hiervan wordt bericht gezonden aan de commandant van de stedelijke schutterij.
Verder komt er deze dag een brief van de commandant van de stedelijke schutterij binnen met een staat van de dienstplichtigen van de 1e Ban die naar Aardenburg moeten worden opgezonden en een staat van degenen die voorlopig bij de 2e Ban zijn overgegaan. Hij deelt mee dat alles tot het vertrek gereed is.
Ook de Gouverneur stuurt deze dag nog een kennisgeving dat de manschappen van de mobiele dienstdoende schutterij bij hun uitmars moeten voorzien zijn van chakots met rode bal en vlam, de uniformrok met de wings, lakensche pantalon, slobkousen, hals- of stropdas met de gesp en complete wapenrusting.
De burgemeester deelt mee dat hij samen met de commandant van de stedelijke schutterij alles heeft voorbereid wat voor de voorgeschreven uitrusting en opzending van de manschappen nodig is. Deze zijn gereed om aanstaande maandag te vertrekken. Het Stadsbestuur besluit daarmee genoegen te nemen en van het verrichte en op handen zijnde vertrek de Gouverneur bericht te doen.

Op de 22e september 1832 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de majoor, commanderende het 1e bataljon van de afdeling Zeeuwsche Mobiele Schutterij. Daarbij zijn gevoegd metalen kruisen, linten en certificaten voor de vrijwillige schutters Jan de Bouvet en Henricus Wertz en voor de dienstplichtige schutters Johannes van der Horst, Hendrik Willemse, Jan Emaar, Maarten Stieger en Arij Hordijk, de fuselier Stoffel Vermerris en de matroos H. de Jong. Ter vergadering worden de onderscheidingen aan deze personen uitgereikt. Op de 22e december 1832 worden ook aan H. Timmermans en F.J. Metzger metalen kruisen uitgereikt.

De kapitein commandant van de dienstdoende schutterij P.A. Hochart vraagt in oktober 1832 Zijne Majesteit de Koning eervol ontslag uit zijn functie. Het Stadsbestuur besluit Hochart te berichten dat zijn opgegeven motieven weliswaar naar waarheid zijn, doch dat het in de tegenwoordige omstandigheden wenselijk zou zijn ‘dat hij continueerde, immers tot kalmer tijden de zaken in ons Vaderland op de gewone voet hebben terug gebracht’.
Deze pogingen hebben resultaat. Hochart ziet af van zijn verzoek om ontslag ‘uit hoofde van de tegenwoordige omstandigheden des Vaderlands’.  Hij schort zijn verzoek op ‘tot rustiger tijden’.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 31e oktober 1832 legt de burgemeester een geheime kabinetaanschrijving van de Staatsraad Gouverneur van de provincie over. Deze behelst de kennisgeving dat uit de aanspraak van Zijne Majesteit bij de opening van de tegenwoordige zitting van de Staten-Generaal kan worden afgeleid, dat, wanneer de belangen van het Vaderland dit onverhoopt mochten vereisen, alle bataljons van de schutterijen in dienst zullen worden gesteld en tot afzonderlijke mobiele korpsen geformeerd. Hij verzoekt om na gehouden vertrouwelijk overleg met de bevelhebber van de dienstdoende stedelijke schutterij een opgave te doen van de aanwezige officieren, die geschikt zijn om in die rangen bij de eventueel op te richten korpsen te worden geplaatst. Eveneens dient dit te gebeuren van zodanige leden van de schutterij die geschikt worden geoordeeld om als onderofficieren, korporaals en tamboers te dienen. Dit wordt besproken met de kapitein commandant van de dienstdoende schutterij van de stad. Besloten wordt de gevraagde staten op te maken, vast te stellen en aan de Gouverneur toe te zenden.

Op de 17e november 1832 ontvangt het Stadsbestuur een ernstig bericht van de kapitein commandant van de dienstdoende schutterij binnen de stad. Hij rapporteert dat de compagnie vrijwillige schutters bij herhaling zich van het bijwonen van de inspectie van de stedelijke schutterij heeft geëxcuseerd. Hij acht zich verplicht daarvan kennis te geven om, in geval van nood, niet tevergeefs op de hulp van die compagnie te moeten rekenen. Het Stadsbestuur overweegt dat het vooral in de tegenwoordige toestand van het Vaderland van het hoogste belang is dat alle gewapende corpsen goed georganiseerd blijven om hun benodigde diensten behoorlijk te kunnen leveren. Besloten wordt de commandant van de stedelijke schutterij aan te schrijven om een opzettelijke inspectie van de compagnie te doen en zijn rapport aan de vergadering toe te zenden.

Twee dagen later legt de burgemeester het Stadsbestuur een brief van de officieren van de vrijwillige compagnie binnen de stad over. Daarin delen ze mee dat het corps officieren van de compagnie om verschillende redenen en speciaal uit hoofde van de vermindering en desorganisatie, die daarin buiten hun toedoen heeft plaats gehad, het daar voor houdt dat de compagnie de facto is ontbonden. Daarom verzoeken ze deze wettelijk te ontbinden.
Verder is er ook een brief van de kapitein commandant van de dienstdoende schutterij met zijn rapportage naar aanleiding van de aanschrijving van het Stadsbestuur. Hij heeft de kapitein van de vrijwillige schutterij uitgenodigd om zijn compagnie voor de inspectie in de wapenen te laten komen en de gevraagde lijst en staten over te leggen, doch deze heeft verklaard daarvan te moeten afzien.
Het Stadsbestuur overweegt dat de officieren bij de vrijwillige schutterij bij Koninklijk Besluit van de 7e december 1830 zijn benoemd en ze deze benoeming hebben aanvaard en zijn beëdigd. Ze zijn daarom gehouden tot nakoming van de verplichtingen die hen bij de wet zijn opgelegd. Besloten wordt de kapitein commandant van de dienstdoende schutterij aan te schrijven om de kapitein van de vrijwillige schutterij andermaal uit te nodigen om zijn compagnie voor de inspectie in de wapenen te doen komen op aanstaande woensdag om 12 uur. De inspectie zal worden gehouden door de commandant van de stedelijke schutterij ten overstaan van burgemeester en wethouders.

In de vergadering van het Stadsbestuur van de 24e november 1832 wordt gesproken over een geheime aanschrijving van de Gouverneur met het verzoek om opgave van de bij het college bekende personen buiten de schutterij die tot de post van officier of de betrekking van onderofficier, korporaal of tamboer bij de op te richten nieuwe mobiele korpsen schutterij geschikt worden geacht. Besloten wordt de heren Bosdijk en Van den Thoorn als officieren op te geven en te berichten dat hun geen geschikte personen voor onderofficier, korporaal of tamboer zijn voorgekomen.

De burgemeester legt in de collegevergadering van de 1e december 1832 een vertrouwelijke kabinetaanschrijving van de Gouverneur over. Deze behelst het verzoek om geïnformeerd te worden over welke indruk de koninklijke besluiten tot mobilisatie van de reserve schutterij en de oproeping van de landstorm in de stad op de ingezetenen hebben gemaakt. De burgemeester zal daarop ‘een voldoend rapport doen’ en krijgt hiervoor fiat van de wethouders.

Buskruit

In maart 1830 overweegt het Stadsbestuur dat van het buskruit, in het jaar 1813 van de Engelsche vloot in de stad aangebracht, nog een aanzienlijke hoeveelheid aanwezig is. De stadsfabriek begroot dit wel op ongeveer 500 ponden. Niettegenstaande dit in een geschikte ruimte was geborgen en tegen alle gevaar voor ongelukken beveiligd was, is bij een inspectie van deze ruimte, om het verwachte buskruit voor de stedelijke schutterij te bergen, gebleken dat dit grotendeels bedorven is. Het is wellicht wenselijk dat de stad van deze voorraad wordt ontlast. De Gouverneur wordt medewerking gevraagd om te bewerkstelligen dat dit naar elders wordt getransporteerd. Er worden orders gegeven om de vereiste scheepsruimte ter beschikking van het Stadsbestuur te stellen om dit te verzenden naar de kruitmolen nummer 9 bij Arnemuiden. Het betreft 60 pond vochtig, 330 pond geheel nat en 10 pond fijn gewreven buskruit. De stadsfabriek krijgt opdracht om het nog bruikbare buskruit te laten wegen.

In juli 1830 komt er een brief van de directeur van de 3e artillerie directie te Gent met het verzoek om inlichtingen over de verrichtingen van de onderofficier, die belast was met de overname en het transport van het buskruit van de stad naar Veere en tevens om toezending van het Munitie Livret van de stedelijke schutterij om daarop in te schrijven.

Garnizoen

Regelmatig arriveert er een detachement militairen in de stad om voor een of enkele dagen nachtverblijf te houden. Zo komt er op de 17e januari 1829 bericht van de provinciale commandant in Zeeland over de aanstaande aankomst van militairen om nachtverblijf te houden. Hiervan wordt aan de commissie van kazernering kennis gegeven om voor de inlegering van deze manschappen zorg te dragen. Ook op de 14e februari 1829 komt er bericht van de generaal majoor, commanderende in de provincie, dat die dag een detachement van de 2e afdeling Infanterie nachtverblijf zal komen houden in de stad. Daarover wordt dadelijk de agent van kazernering geïnformeerd. Hetzelfde gebeurt op de 20e februari 1829, waarbij bericht wordt gegeven dat de volgende nacht een detachement militairen nachtverblijf zal komen houden.

Op de 24e november 1830 adviseert de commissie van kazernering het Stadsbestuur om de Gouverneur te berichten dat er binnen de stad geen kazernes voorhanden zijn. Voor dit doel zouden wel enige lokalen kunnen worden ingericht, die voldoende zijn voor de inlegering van 300 man. Wel moeten voor dat doel dan de benodigde fondsen worden bijeen gebracht.
De gemeenteraad is van oordeel dat de aanschaf van fournituren voor rekening van het Rijk ofwel van de stad moeten gebeuren.

Enkele dagen later, op de 28e november, komt er een aanschrijving van de Gouverneur met de kennisgeving dat Goes als garnizoenplaats is aangewezen. Aanstaande woensdag zal er al een compagnie van het bataljon mobiele dienstdoende schutterij in Zeeland, bestaande uit 150 manschappen, arriveren om voorlopig in de stad garnizoen te houden. Hij verzoekt om voor hun huisvesting te zorgen. De burgerij wordt hiervan kennis gegeven en uitgenodigd hen een goed onthaal te bieden. Getracht wordt om de ingezetenen tot vrijwillige inschrijving voor de inkwartiering te bewegen.

De directeuren van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ hebben het lokaal van de schouwburg aangeboden tot kazernering van het garnizoen. In december 1830 delen ze mee dat er op het door hun gedaan mondeling aanbod geen antwoord is ontvangen. Ze willen graag weten of het gebouw van stadswege gevorderd zal worden ofwel of de gedane aanbieding wordt geaccepteerd. Het Stadsbestuur besluit de directeuren alsnog te verzoeken om het lokaal in gebruik te geven. De gemeenteraad besluit daarop het lokaal van de sociëteit te vorderen en om met de inrichting en het gebruik daarvan als kazerne voort te gaan. Van het voorgevallene wordt rapport gedaan aan de Gouverneur.

Voor het in de stad gelegerde garnizoen worden eind december 1830 aangeschaft 150 houten kribben voor ƒ 1.312,50, 150 strozakken voor ƒ 628,53, 150 paar lakens voor ƒ 730,77, 150 paar wollen dekens voor ƒ 1.572,95 en 150 paar lakens voor ƒ 733,19.

Op de 6e maart 1831 komt een brief binnen van de districtcommissaris. Naar aanleiding van een ontvangen aanschrijving van de generaal-majoor, commanderende in de provincie, wordt kennis gegeven dat op de 1e april het stedelijke garnizoen met een compagnie zal worden vermeerderd. Het Stadsbestuur is van oordeel dat de stad geen geschikte lokalen heeft voor de huisvesting van een extra compagnie. Bovendien zal deze extra huisvesting aanzienlijke kosten veroorzaken. De bezwaren worden aan de Gouverneur kenbaar gemaakt en medewerking wordt verzocht om het huidige garnizoen niet te vermeerderen.
Maar de Gouverneur deelt mee dat de stad de gevraagde vrijstelling voor de vermeerdering van garnizoen niet kan worden toegestaan. Het noodzakelijke voor de ontvangst van een tweede compagnie schutters behoort in gereedheid te worden gebracht. In de verzorging van benodigdheden voor de ligging kan hij wellicht zelf voorzien. Een opgave van het benodigde wordt tegemoet gezien. Besloten wordt in overleg met de commissie van kazernering de zolders in het Manhuis in gereedheid te brengen. De Gouverneur wordt bericht dat voor de tweede compagnie geen fournituren voorhanden en deze in zijn geheel benodigd zijn.

Ook wordt de Gouverneur de volgende opgave gedaan van de aangeschafte en in de stad aanwezige voorwerpen van ligging ten dienste van de rustende schutterij: 160 kribben, 160 strozakken, 160 peluwen, 620 lakens en 32 wollen dekens.
Op de 26e maart 1831 komt bericht van de Gouverneur dat bij de agent van kazernering te Middelburg beschikbaar zijn voor de legering van een compagnie schutters 80 tweepersoons kribben en 80 tweepersoons slaapfournituren.

De kapitein, commanderende de 4e compagnie, geeft op de 2e april 1831 bericht van zijn vertrek uit de stad op de 30e april. Hij verzoekt de kazernefournituren over te nemen. De burgemeester overlegt een concept van de aan de directeuren van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ geschreven brief tot ontruiming van het toneel in de schouwburg om voor de kazernering te kunnen worden gebruikt.

De garnizoenscommandant in de stad, luitenant kolonel van het 1e bataljon Zeeuwse mobiele schutterij, geeft op de 30e april 1831 kennis van de ontvangen order om naar Vlissingen te vertrekken. Hij bedankt het Stadsbestuur  voor de ontvangen vriendschapsbewijzen en ondervonden medewerking en verzoekt om overeenkomstig het gedrag van zijn onderhorigen het bij de reglementen voorgeschreven certificaat te mogen  ontvangen. Besloten wordt hem het certificaat uit te reiken met de vermelding ‘dat het garnizoen zich behoorlijk heeft gedragen met betuiging van het leedwezen der vergadering over derzelver vertrek en gepaste toewenschingen omtrent hunne verdere bestemming’.

De chirurgijn majoor, belast met de geneeskundige dienst in de provincie, stuurt op de 30e april 1831 een kennisgeving dat de officier van gezondheid T. Pieterse inplaats van de heer dokter J.W. Hecking is belast met de behandeling van de zieke militairen en schutters in het Gasthuis. Hij verzoekt deze de toegang tot de ziekenzaal te verlenen.

Op de 2e juli 1831 ontvangt het Stadsbestuur een circulaire van de Gouverneur. Deze bevat bepalingen over het toezicht op personen die uit en over België komen. Een daarop betrekking hebbend Koninklijk Besluit is bijgevoegd. Besloten wordt aan het Koninklijk Besluit, door afkondiging en aanplakking, alle mogelijke publiciteit te geven. Een afschrift wordt toegezonden aan wethouder Kakebeeke belast met de stedelijke politie, met het verzoek om voor de stipte uitvoering en nakoming te zorgen en daarop te doen surveilleren.

In juli 1831 worden de declaraties voor de huisvesting en voeding van het in garnizoen gelegen hebbende korps mobiele schutterij over december 1830 ten bedrage van ƒ 268,45 aan de hoofdadministratie van de afdeling grenadiers te ’s Hage toegezonden.

Het stedelijke bestuur van Middelburg verzoekt in september 1831 teruggave van de aan Goes ter leen verstrekte 80 slaapfournituren met betaling van de bij het Departement van Oorlog gereclameerde schadevergoeding. De fournituren worden kosteloos en onder dankbetuiging teruggezonden. Bericht wordt dat het Departement van Oorlog voor het gebruik van kazernefournituren geen andere vrijwaring verleent dan terugbetaling van de gedane uitschotten.

De commissie van kazernering verzoekt in september 1831 betaling van de aan de directie van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ verschuldigde huur van de schouwburg ten behoeve van de kazernering tot 15 augustus 1831 ten bedrage van ƒ 200.

De Gouverneur verzoekt eind september 1831 onderzoek te doen naar de geneigdheid tot het leveren van trekpaarden voor de dienst van de artillerie. Het Stadsbestuur doet hiervoor een openbare uitnodiging. Van de uitslag wordt rapport gedaan aan de Gouverneur.
In november verzoekt de Gouverneur om door middel van de aannemer van de militaire transporten naar het garnizoen te Neuzen op te zenden 80 kribben met strozakken en peluwen en 160 dekens.

Begin januari 1832 legt de burgemeester het Stadsbestuur een brief voor van de generaal majoor en provinciale commandant van Zeeland, met kennisgeving van de doortocht van een detachement van 34 Belgische deserteurs, die worden geleid door 1 officier, 1 sergeant en 2 korporaals.

Nationale militie en landstorm

In januari 1831 wordt de Gouverneur kennis gegeven dat zich in de gemeente geen vrijwilligers voor de dienst van de Nationale Militie over dit jaar hebben aangegeven en geen aanvragen tot vrijstelling van al dienende miliciens zijn ingekomen.

Ter voldoening aan het verzoek van de Gouverneur zendt het Stadsbestuur op de 15e december 1832 een opgave toe van de ingeschreven vrijwilligers en dienstplichtigen voor de landstorm (dit zijn er 688), een staat van de aanwezige wapenen en wapenrustingen waarover de landstorm zou kunnen beschikken en een naamstaat van geschikte personen binnen de stad om in de landstorm enig bevel als officier te voeren.