Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1827 - 1832)

Kerkgebouwen

Grote kerk
In 1827 wordt de toren van de Grote kerk gerestaureerd.
Op de 14e januari 1827 woedt er een grote storm, waardoor de toren van de Grote Kerk, naar het schijnt, behoorlijk heeft geleden. Om ongelukken te voorkomen is de kerk dadelijk gesloten. De middag- en avondgodsdienst op zondag vinden geen doorgang. De stadsfabriek krijgt opdracht met de meeste spoed de gesteldheid van de toren nauwkeurig te inspecteren. Op de 27e januari rapporteren de stadsfabriek en enkele ambachtslieden (de leidekkers L. Verheule en H.D. van Ettinger en de timmerman J. Goossen). Ze schrijven onder meer het volgende:
‘Het heen en weder zwepen van den toren kon door geen rotheid ontstaan, maar er moet een ijzeren bout of spanning, waarmede den toren aan elkanderen verbonden is, zijn los geraakt en daardoor moet den toren zijne kragt verloren hebben. Wat de reparatie aangaat, deze kan op geen andere en betere manier worden uitgedagt dan deze met ijzeren spanningen te verzekeren. Wat de gaten in het koper en het verteerd zijn van het planken buitenbekleedsel aangaat, ben ik ooggetuige geweest en kan tot herstelling van dit niets anders uitgedacht worden dan den toren bij vakken van het koper te ontbloten en daar waar onder de bewerking zulks nodig bevonden wordt het planken buitenbekleedsel te vernieuwen, de koperen bladen naar beneden te brengen, de overtollige gaten digt te solderen en daarna weder te gebruiken, als ook den koperen bal af te nemen en te repareren. Met de ambagtslieden moet ik toestemmen dat het tegenwoordig saizoen van het jaar de vereischte werkzaamheden als geheel ondoenlijk maakt’.
Naar hun oordeel is er geen direct gevaar aanwezig. Toch komt het hen noodzakelijk voor ‘om bij een gunstig seizoen de toren tegen verdere defecten te verzekeren en het bekleedsel op een voldoende wijze te herstellen en waar het nodig is te vernieuwen’. De stadsfabriek begroot de kosten op ƒ 2.500 à ƒ 3.000. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord, mits de stadsfabriek dagelijks toezicht houdt.

Er komt een aanschrijving van de Gouverneur met de vraag of het niet wenselijker is de stadstoren met zink inplaats van met koper te bekleden. Het Stadsbestuur antwoordt dat het huidige koperen bekleedsel nog zeer bruikbaar is en meent aan het behoud daarvan onder behoorlijke reparatie de voorkeur te moeten geven.

Op de 15e september 1827 legt de burgemeester de gemeenteraad een opgave van de verdiende daggelden en de geleverde materialen voor de restauratie van de toren van de Grote kerk over. De uitgaven bedragen tot nu toe ƒ 2.249,74. De verdere werkzaamheden tot aan de voltooiing van het werk worden geraamd op ƒ 158, zodat de totale kosten ƒ 2.407,74 zullen bedragen. Op deze wijze blijft er een niet besteed bedrag over van circa ƒ 600.
Het Stadsbestuur overweegt dat dit bedrag op een zeer geschikte wijze zou kunnen worden aangewend voor de verbetering van de wijzerborden aan de toren. Deze vereisen enige reparaties. Ze zullen een aanmerkelijke verbetering ondergaan door het bekleden van de buitenranden, waarin de uurgetallen zijn aangebracht, met koperen bladen. Samen met het opnieuw schilderen en vergulden van de wijzerborden kan met dit bedrag worden volstaan.
De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.
Uiteindelijk blijken de kosten van het herstel van de stadstoren en de wijzerborden ƒ 2.912,43 te bedragen. Het Stadsbestuur besluit het resterende bedrag van ƒ 87,57 aan de stadsfabriek als buitengewone beloning voor zijn betoonde ijver en overleg te schenken.

In juni 1830 rapporteert de stadsfabriek over noodzakelijke reparaties aan het grote stadsuurwerk in de kerktoren. Hierdoor zal het uurwerk gedurende de volgende week moeten stilstaan. De inwoners worden daarvan bij advertentie kennis gegeven. Bekend wordt gemaakt ‘dat het kaaiklokje niettemin zal worden aan den gang gehouden en het morgenuur van acht, het middaguur van twaalf en het avonduur van zeven, door het luiden der Stadhuisklok, als gewonelijk zal worden aangekondigd’.

Opnieuw is er herstelwerk nodig aan de toren van de Grote kerk in november 1831. De stadsfabriek legt een rapport en een berekening van kosten over voor het aanbrengen van vier korbelen of schuine schoren onder de kruisbalken van de ondertafel in de toren. Na inspectie van de toren en de bestaande defecten besluit het Stadsbestuur een van de korbelen te laten plaatsen en de overige werkzaamheden volgend jaar uit te laten voeren.

In december 1832 blijkt er in de regeling van de zitting in de zogenaamde regeringsbanken onder het orgel in de Grote kerk, buiten medeweten van en overleg met het Stadsbestuur, veranderingen te zijn gemaakt die in strijd zijn met de bestaande overeenkomst met de kerkmeesters. Er kunnen alleen veranderingen worden aangebracht met wederzijds overleg. De kerkmeesters krijgen een brief met de vraag waarom door hen van de bestaande bepaling is afgeweken.

Kleine kerk
Het gebouw van de Kleine of Gasthuiskerk is sinds 1809 in eigendom van de rooms-katholieke gemeente. Het gebouw wordt thans gebruikt door de commissie van kazernering.
In 1827 dienen de regenten van de godshuizen een verzoek in om maatregelen vanwege de bouwvallige toestand van de Kleine kerk. Het blijkt dat door de bouwvallige staat van de kerk aan de daar tegen gebouwde woningen van het Gasthuis veel schade wordt veroorzaakt, zowel door het afvallen van dakleien als door gebreken aan de waterloop. Men ziet zich gedurig genoodzaakt tot reparaties, terwijl deze woningen bij iedere regenvlaag als het ware onderlopen. Het Stadsbestuur besluit hiervan kennis te geven aan de Commissie van kazernering, die het gebouw thans in gebruik heeft, met het verzoek daarin te voorzien of een voorstel aan het Stadsbestuur te doen.

De burgemeester legt de gemeenteraad in september 1827 een brief over van de Commissie van kazernering van de 7e augustus. De commissie verzoekt van het beheer van de Kleine of Gasthuiskerk te worden ontslagen. Het gebouw vereist zodanige reparaties die het vermogen van het fonds van de commissie overstijgt. Bovendien is het gebouw thans van geen nut meer voor het logeren van troepen. Tevens overlegt de burgemeester de overeenkomst van de 12e augustus 1820 die door de stad met de kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente is gesloten en waarbij het aan hen toebehorende gebouw aan de stad in gebruik is afgestaan.
Hij geeft in overweging om het gebouw van de Kleine kerk met het Gasthuis samen te voegen. Het is ook de wens van de regenten van de godshuizen om het gebouw van de Kleine kerk met het Gasthuis te verenigen. Daardoor kan worden tegemoet gekomen aan de bekrompenheid van het Gasthuis. Deze vergroting en een doelmatiger inrichting is van het hoogste belang voor het verplegen van zieken, gebrekkigen en hulpbehoevenden. De regenten van de godshuizen verzoeken op de 8e september 1827 om de nodige maatregelen te nemen tot voorziening in de bouwvallige staat van de Kleine kerk, welke zeer tot nadeel van de belendende gebouwen van het Gasthuis verstrekt. Ze zijn op het denkbeeld gekomen of ‘er geene mogelijkheid zoude zijn dat lokaal met het Gasthuis te verenigen, teneinde daardoor tegemoet te komen aan de bekrompenheid van dat Gesticht, welks uitbreiding en meer regelmatige inrichting bijzonder tot het verplegen van zieken, gebrekkigen en lijdenden, voor behoeftigen en hulpbehoevenden van het hoogste belang is’. Ze verzoeken om te worden gemachtigd ‘om de Kleine kerk, voor zover af te breken en met het Gasthuis te verenigen’.
Wel moeten de kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente daarmee instemmen.
De gemeenteraad vindt het voorstel van de burgemeester ‘zeer aannemelijk en hoogst nuttig’. Besloten wordt de kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente met dit denkbeeld bekend te maken en hen te verzoeken om de vergadering te informeren of bij hen daar tegen bedenkingen bestaan en, als dat niet het geval is, of zij dan bereid zijn om het gebouw aan de godshuizen kosteloos in eigendom af te staan om met het Gasthuis verenigd te worden.

De kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente berichten het armbestuur dat de door hen beoogde bestemming van de Kleine kerk geheel en al hun goedkeuring wegdraagt. Ze verheugen zich dat de gelegenheid zich opdoet ‘tot welzijn der lijdende menschheid te kunnen medewerken’. Ze verklaren zich bereid om het kerkje aan het bestuur van de godshuizen gratis af te staan ‘teneinde het strekken moge tot een verblijf der armen’.
Het Stadsbestuur overweegt daarop dat, ‘vermits de opbouw van een nieuwe Roomsche kerk binnen de stad, die gemeente het ter afstand aangeboden gebouw voor de uitoefening van haar eredienst niet benodigd heeft, alsmede dat dit thans voor geen stedelijk gebruik van dienst kan zijn en ook om daartoe te worden ingericht importante kosten van reparatie zouden vereisen’.
Besloten wordt Gedeputeerde Staten toestemming te vragen dat door het kerkbestuur van de rooms-katholieke gemeente het gebouw van de voormalige Kleine kerk gratis wordt afgestaan en in eigendom overgedragen aan het bestuur van de godshuizen om te verenigen met het Gasthuis.

In februari 1828 gaat Zijne Majesteit de Koning akkoord met de afstand van het gebouw van de voormalige Kleine kerk aan het bestuur van de godshuizen. Het Stadsbestuur besluit de overgang van het gebouw naar de administratie van de godshuizen te doen plaats hebben.
Uit een tekening in het gemeentearchief blijkt dat de Kleine kerk 7,72 ellen breed en 28,00 ellen lang is; het spits toelopende voorstuk is 7,56 ellen uitlopend op 3,86 ellen breed en 3,55 ellen lang.
In mei 1829 is de afbraak van de Kleine kerk ‘genoegzaam volbracht’. Het blijkt dan echter noodzakelijk om een met het Gasthuis gemeen geweest zijnde scheidsmuur, die aan het kerkje tot zijgevel heeft gediend, af te werken. Op dit werk is bij de aanbesteding van het afbreken van de kerk niet gerekend. Hiervoor is een bedrag van ƒ 65 nodig. Dit wordt gedekt uit de post onvoorzien van de begroting voor 1829.

Wandelkerk
In juni 1830 dient een aantal ingezetenen, wonend in de omtrek van de Grote kerk, een klacht in bij het Stadsbestuur. ‘Met leedwezen hebben ze ontwaard dat de publieke passage door de wandelkerk, welke sedert onheugelijke tijden heeft bestaan, is afgesloten’. Behalve het algemeen ongerief, dat het sluiten van de wandelkerk veroorzaakt, en het ongenoegen dat de afwijking van een zo oude gewoonte te weeg brengt, is dit zeer nadelig voor hun winkelnering en andere belangen. Ze verzoeken maatregelen te nemen dat de passage weer als vanouds wordt geopend.
Betoogd wordt dat de kerkmeesters van de Hervormde gemeente in 1818 het Stadsbestuur verzochten om de wandelkerk gesloten te houden. Evenals nu is toen door verscheidene omwonenden daar tegen gereclameerd. Dat had tot gevolg dat de kerkmeesters op verzoek van het Stadsbestuur de passage weer open stelden en in gebruik gaven als doorgang.
Het Stadsbestuur vindt het wenselijk dat aan de wens van de ingezetenen wordt voldaan.
De kerkmeesters van de Hervormde gemeente krijgen het verzoek om de wandelkerk weer als vanouds tot een vrije passage open te stellen.

De kerkmeesters geven daarop de redenen weer waarom ze de gewone doorgang door de wandelkerk hebben afgesloten. Ze zijn niettemin bereid deze weer open te stellen wanneer van stadswege door de politie de nodige maatregelen worden genomen tegen de ontsiering en verontreiniging van het gebouw.
Het Stadsbestuur geeft de kerkmeesters te kennen dat gepersisteerd wordt bij haar besluit van de 5e juni tot het weer openstellen van de passage door de wandelkerk. Als de kerkmeesters hun wens tot meer bijzonder toezicht door de stedelijke politie gelijk hadden kenbaar gemaakt, dan zou daarin zijn voorzien geworden. Maar de onlangs aangebrachte afsluiting is tegen de gewoonte, zonder enige kennisgeving aan of overleg met het Stadsbestuur, geschied. Het Stadsbestuur blijft daarom bij haar gevoelen. De belangstelling van het stedelijk bestuur voor de godsdienst en zedelijkheid moeten genoegzame waarborg voor de kerkmeesters zijn om aan de uitnodiging van het Stadsbestuur te voldoen.

De kerkenraad van de Hervormde gemeente zet op de 25e juni 1830 de redenen uiteen van het gesloten houden van de passage door de wandelkerk. Er bestonden in de ogen van de kerkenraad gewichtiger redenen die sluiting gebiedend vorderden. ‘Het aanstootelijke en ergerlijke voor velen der gemeente dat hetzelve, als het ware, tot eene verzamelplaats van straatkinderen diende, die daar, in het gebouw, aan de openbare eeredienst toegewijd en op de graven onzer overledenen, ongestoord allerhande spelen uitoefenden, niet zelden gepaard met vechterijen en andere onvoegelijke woorden en daden, maar ook vooral, nu men een en andermaal zich niet ontzien heeft, om de wanden van het Huis des Heiligen Gebeds en ter aankweeking van godsdienst en zedelijkheid, met zoodanige onzedelijke inscripties te bevlekken, dat men met een onaangename indruk de kerk moest binnentreden. Ja, zich schamen, zijne vrouw of zonen en dochteren binnen te brengen, waarover meermalen, ook bij den achtbare raad dezer stad, vertoogen zijn gedaan, zonder dat men, zoo min hier als elders op andere publieke plaatsen, van de zijde der Policie, dit kwaad heeft kunnen beletten’.

Op de 17e juli 1830 komt er een brief van de kerkenraad van de Hervormde gemeente bij het Stadsbestuur dat de doorgang door de zogenaamde wandelkerk weer, tot ‘s avonds de poortklok luidt, zal worden open gesteld. Ze vertrouwt erop dat het Stadsbestuur er voor zal zorgen dat geen nieuwe ongeregeldheden de sluiting andermaal noodzakelijk maken. Het Stadsbestuur besluit de agenten van politie te gelasten om nauwkeurig te waken tegen het plegen van ongeregeldheden in de wandelkerk.

Opnieuw komt het probleem van de passage door de wandelkerk aan de orde in oktober 1831. Er wordt een oplossing gevonden om aan de wens van de kerkmeesters van de Hervormde gemeente tot het gesloten houden van de wandelkerk te voldoen. Dit zonder benadeling van de belangen van de inwoners die in de nabijheid van de kerk wonen en die bij herhaling hun bezwaren tegen sluiting van de wandelkerk bij het Stadsbestuur hebben kenbaar gemaakt. Het Stadsbestuur besluit om voor stadsrekening, op de grond van het oude kerkhof, langs de kerk een stenen voetpad aan te leggen. De kosten hiervan zijn begroot op ƒ 159.

Klokkenspel in toren Grote kerk

De stadsklokkenist Spernay is in juli 1827 overleden. In zijn plaats wordt benoemd de heer J.C. Labrant op een traktement van ƒ 150.
Van deze gelegenheid maakt het Stadsbestuur gebruik om een nieuwe ‘Instructie voor den Stads Klokkenist te Goes’ vast te stellen. Deze bevat de volgende bepalingen:

Artikel 1
De Stads Klokkenist zal gehouden zijn deze bediening getrouwelijk waar te nemen en op te volgen alle de bevelen welke hem door de Stedelijke regering omtrent het behandelen van het Klokkenspel zullen worden gegeven.

Artikel 2
Hij zal genieten een jaarwedde van honderd en vijftig gulden, jaarlijks bij de stedelijke begroting voor deze bediening voor te dragen; en voor buitengewone diensten, naar redelijkheid, en ter bepaling van de Stedelijke Regering worden beloond.

Artikel 3
Hij zal bepaaldelijk des Dinsdags en Zaterdags van iedere week, des middags van 12 tot 1 uur, de klokken moeten bespelen, en voorts bij openbare Feesten of andere buitengewone gelegenheden, op zodanige uren, als hem van wegens de Stedelijke Regering zullen worden opgegeven.

Artikel 4
Hij zal, jaarlijks of zoo dikwerf als de Stedelijke Regeling zal goedvinden tot het daarstellen van de nodige varatiën in het spel voor het hele, half en kwart uur den trom moeten versteken, waartoe hij jaarlijks in de maand Maart een opgave van muzijkstukken zal moeten doen, teneinde daaruit door de Stedelijke Regering een keuze zoude kunnen geschieden.

Artikel 5
Hij zal het Klokkenspel met alle nodige voorzichtigheid moeten behandelen en van alle gebreken, welke hij aan hetzelve mogt ontdekken, dadelijk aan den Stads Fabriek kennis geven.

Artikel 6
Hij zal den vrijen Toegang tot het Klokkenspel en tot dat einde eene sleutel onder zich hebben van de deur in de wandelkerk, welke naar den toren geleidt, doch deze deur altoos zorgvuldig moeten sluiten en den sleutel zelve bewaren, zonder die aan iemand te mogen toevertrouwen, op pene van verantwoordelijk te zijn voor alle gevolgen welke daaruit zouden kunnen voorspruiten.

In maart 1832 dient de klokkenist en organist van de stad, Labrant, een verzoek in om bij de Zeeuwsche Mobiele schutterij, waarbij hij dienst doet als instructeur hoornblazer bij het jagerkorps, onder bevel van de Officier van Justitie De Backer binnen de stad of anders tot remplacering te worden toegelaten. Hierop wordt gunstig beslist.

Voor het opwinden van de stadsuurwerken, het assisteren bij het bespelen van het carillon en het gewone onderhoud daarvan wordt periodiek een aanbesteding gehouden. Vanaf 1 januari 1833 is P.M. Smolders de laagste inschrijver voor drie jaren op een traktement van ƒ 240 per jaar.

Stadhuis

De laatste jaren wordt de hal van het Stadhuis door het armbestuur gebruikt als bergplaats voor aardappelen die aan de armen worden uitgedeeld.
In september 1827 overweegt het Stadsbestuur, ter gelegenheid van de vaststelling van de begroting voor 1828, dat door het armbestuur voor het gebruik van de hal van het Stadhuis jaarlijks aan de stadsboden wordt betaald ƒ 26. Regelmatig is aan de orde geweest om dit gebruik van de hal te beëindigen en de jaarwedden van de stadsboden te verhogen. Besloten wordt dat de hal van het Stadhuis vanaf 1 januari 1828 door het armbestuur zonder enige betaling kan worden gebruikt en de jaarwedden van de stadsboden elk met ƒ 25 te verhogen.

In april 1829 krijgt de functie van de eeuwenoude vleeshal, onder de gewelven op de begane grond van het Stadhuis, weer de aandacht. Het Stadsbestuur ‘neemt in aanmerking dat het wenselijk ware om binnen de stad weer een Vleeschhal op te richten’. Besloten wordt de raadsleden Eltzman en Hecking op te dragen ‘een inspectie te doen van het lokaal onder het Stadhuis, genaamd de Hal, thans tot gebruik van het Algemeen Armbestuur dienende, speciaal om te beoordelen of deze tot het genoemde doel kan worden geacht geschikt en dienstig te zijn’.

De zogenaamde Burgerkamer van het Stadhuis wordt in juni 1829 opnieuw behangen. Het werk wordt onderhands aanbesteed.

De stadsfabriek De Lannée wijst in maart 1830 op de gevaarlijke toestand van de stadhuistoren boven de zogenaamde ‘gevangenkamers’. Deze behoeft dringend herstel. Hij schrijft: ‘Bij gelegenheid van het repareren van de lekkagiën aan de Stadhuistoren boven de gevangenkamers heeft men ontdekt dat deze toorn in een zeer slegte situatie op onderscheidene punten is. Een der metselaren op het oostelijke gewelfkussen trappende, heeft bijna het ongeluk gehad er door te vallen in de horlogiekamer boven het gevang, welke kamer circa 18 voeten hoog is, ofschoon men aan het uiterlijke dat gewelf niet zodanig zwak zou kunnen geoordeeld hebben, daar de rug er van maar weinig plat geworden was. De fabriek dat gezien hebbende, heeft dadelijk onderscheidene punten van de terrassen der toorn onderzogt en heeft gezien dat geheel de koepel op Balken in de regtstands muren rust en dat deze balken op onderscheidene plaatsen maar 10 à 12 duimen levendig hout meer behouden, hetgeen niet genoeg is om niet zonder bedenking deze staat van zaken voorbij te laten gaan, des te meer dat de hoofdankers verteerd zijn, zoals men buitenwaarts zeer wel onderscheiden kan. De koepel zelfs heeft zich vol lekkagiën voorgedaan en daardoor is waarschijnlijk sedert menige jaren het doordringen van het water de oorzaak geweest van het bederf der onderbalken van het gebouw en vooral omdat in het Orlogievertrek geene lugtgaten tot het drogen der timmerwerken gemaakt zijn, waardoor het hout (zelfs van geen water aangedaan) verstikt is geworden’.
Hij beveelt aan om provisorische voorzieningen te treffen om ongelukken te voorkomen. Zo zal de borstwering van de toren niet langer kunnen blijven staan en zal moeten worden afgenomen, terwijl de muragie tot 1.80 meter beneden de terrassen onderstopt, gevoegd en met sterke tras bewerkt moeten worden.

Het Stadsbestuur besluit het rapport met een berekening van de kosten in handen van wethouder Kakebeeke en raadslid Lenshoek van Zwake te stellen met de opdracht om daarover met de stadsfabriek het nodige onderzoek te doen. Het blijkt daaruit dat het herstelwerk onvermijdelijk en zeer noodzakelijk is. De begrote kosten ten bedrage van ƒ 2.000 worden voorgeschoten uit de fondsen van de voormalige gilden, ‘welke geen dadelijke bestemming hebben, daar nimmer iemand der oude gildebroeders daaruit enige onderstand heeft gereclameerd’.

Gedeputeerde Staten maken in mei 1830 echter bezwaar tegen de kosten van het herstel van de stadhuistoren. Deze dienen uit de gewone dienst te worden betaald. De indruk wordt nu gewekt dat er onvoldoende onderhoud aan de stadhuistoren is gepleegd.
Het Stadsbestuur overweegt dat de bouwvallige staat van de toren evenwel daaraan niet kan worden toegeschreven. Jaarlijks en ook nog in 1829 zijn daaraan reparaties gedaan. Echter als gevolg van een onvoorziene verzakking is meer opzettelijk onderzoek gedaan. Daarbij is ontdekt dat het verteren van de einden van de zware houten, door metselwerk bedekte balken, waarop de koepel van de toren rust, daartoe aanleiding heeft gegeven en de zijmuren daardoor zijn ontzet. Ook de zware vorst van de afgelopen winter heeft aanzienlijke schade aan het metselwerk veroorzaakt en de noodzaak tot herstel bespoedigd. Daarom dienen de reparaties naar het oordeel van het Stadsbestuur onder ‘buitengewone kosten’ te worden gerekend.

In juli 1830 wordt de reparatie van de stadhuistoren aanbesteed aan aannemer P.L. van Pottelberghe voor ƒ 1.394. De gemeenteraad besluit ƒ 2.000 renteloos op te nemen uit de fondsen van de voormalige gilden tot het bestrijden van de buitengewone en dringende herstellingen aan de toren van het stadhuis.
Een half jaar later, in september, legt de burgemeester de gemeenteraad een rapport van de stadsfabriek over. Daaruit blijkt dat er hoogstnoodzakelijke reparaties aan de balustrade en de achterliggende goot tussen de twee stadhuistorens moeten plaatsvinden. Deze werkzaamheden kunnen gedekt worden uit de geldlening van ƒ 2.000 voor het herstel van de stadhuistoren. De nieuwe reparaties kunnen worden beschouwd als hiermee in verband te staan. Het Stadsbestuur besluit deze herstelwerkzaamheden nog voor de winter uit te laten voeren.
En nog is er geen einde aan het onderhoud van het Stadhuis. In juli 1831 legt de stadsfabriek een rapport over van de bestaande slijtages aan de planchiergoot van het Stadhuis. De kosten daarvan zijn begroot op ƒ 643,18. Besloten wordt deze reparatie, die geen uitstel kan lijden, onderhands uit te laten voeren.

Voormalige schuttershoven

Het gebouw van het voormalige schuttershof van de Handboog is in gebruik genomen door de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij. De pacht staat op naam van A. Smallegange als ontvanger van de dienstdoende schutterij. Het gebouw is nu gevorderd voor de kazernering van een gedeelte van het garnizoen. De directeuren van de sociëteit hebben hierover een aanklacht ingediend bij de Officier van Justitie.
In maart 1831 besluit de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders te machtigen om, nadat de sociëteit de aanklacht heeft ingetrokken, met de directeuren in overleg te treden over het wegnemen van de bestaande en tot het voorkomen van verdere onenigheden. Voor het gebruik van het gebouw als kazerne van 6 december 1830 tot de Goessche kermis zal van stadswege worden betaald een bedrag van ƒ 2.300 bovenop het herstel van de vooraf voor dit gebruik gemaakte veranderingen of aangebrachte degradaties.
De Officier van Justitie deelt op 11 maart mee dat de directeuren van de sociëteit hun klachten hebben ingetrokken. De directeuren gaan vervolgens het huurcontract tot gebruik van de schouwburg tot kazerne aan. De Officier van Justitie, die als lid van de gemeenteraad tegenwoordig is, wordt bedankt voor zijn bemoeiingen tot vereffening van de bestaande geschillen over het in gebruik nemen van het gebouw van de schouwburg.

Stadspoorten en schansen

Stadspoorten algemeen
In 1830 wordt aan de Oostpoort, de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, de Donkere poort en de Ganzepoort voegwerk en ander herstelwerk aan de muren verricht voor in totaal ƒ 624,03.

Toch beraadt de gemeenteraad zich in zijn vergadering van de 21e mei 1831 ernstig over de toestand van de stadspoorten. Dit gebeurt naar aanleiding van het voorstel over de condities tot aanbesteding van de reparaties aan de Hoofdpoort. De vraag wordt in het midden gebracht ‘of er aanmerkelijke en overwegende bedenkingen zouden bestaan tegen de afbraak van bouwvallige poorten dezer stad’. De leden Kakebeeke, Lenshoek van Zwake en De Backer worden verzocht dit in commissieverband te overwegen en daarover aan de gemeenteraad rapport te doen. De commissie brengt hierover een rapport uit in augustus 1831. Dit leidt tot het gaandeweg slopen van alle stadspoorten in de volgende jaren. De commissie wordt voor haar werkzaamheden bedankt.

Koepoort
De gemeenteraad besluit in augustus 1831, op grond van het door de in mei ingestelde commissie uitgebrachte rapport, tot de gedeeltelijke afbraak van de Koepoort. De afbraak zal overeenkomstig het door de stadsfabriek overgelegde plan worden uitgevoerd en over drie weken publiek worden aanbesteed. Aannemer voor de afbraak van een gedeelte van de Koepoort en de reparatie van het buitenfront van de poort is Ferdinand Rutsaard voor ƒ 200.

In juni 1832 besluit de gemeenteraad tot het verleggen van de stadsmestput buiten de Koepoort. De reden hiervan is de in het land heersende cholera en om van stadswege de reinheid binnen de stad zoveel mogelijk te bevorderen. De stadsmestput wordt verlegd naar het zogenaamde paardenkerkhof. De kosten van deze verlegging worden gedekt uit de ƒ 600 die aan de commissie tot wering van de cholera beschikbaar is gesteld.


Ganzepoort
Vanouds is er in de vest bij de Ganzepoort een zwanenhok. In oktober 1827 besluit de gemeenteraad de condities voor de aanbesteding van de vernieuwing van de houten rasterwerken van het zwanenhok goed te keuren.

Voorheen werd de toren van de Ganzepoort verhuurd. De jaarlijkse huur bedroeg ƒ 6.
Tevergeefs probeert het Stadsbestuur in maart 1831 de toren opnieuw te verhuren. Er wordt niet meer voor geboden dan ƒ 3, terwijl er ook geen vooruitzicht is om meer te bedingen. Besloten wordt dan ook om de toren voor het geboden bedrag tot wederopzegging te verhuren.

In april 1831 wordt er herstelwerk verricht aan de Ganzepoort voor ƒ 347. Volgens de stadsrekening worden er 18.000 nieuwe stenen geleverd en wordt het poortgebouw gezuiverd, gevoegd en gewit. In mei wordt bij Publicatie kennis gegeven van het sluiten van de Ganzepoort vanwege de noodzakelijke reparaties, alsook van het gedurende die tijd verplaatsen van het declaratiekantoor van de Ganzepoort naar de Koepoort.

Oostpoort en Bleekveldse poort
In juli 1830 constateert het Stadsbestuur dat de privaatputten buiten de Bleekveldse poort aanleiding kunnen geven tot ongelukken omdat deze op generlei wijze zijn omheind of afgesloten. De regenten van de godshuizen wordt gevraagd te onderzoeken of er gewichtige bedenkingen bestaan tegen het dempen van deze privaatputten. Als er geen bezwaren zijn wordt hen gevraagd de demping te bewerkstelligen. Mochten er wel bezwaren zijn, dan dienen ze er voor te zorgen dat om de putten een doelmatige omheining of afsluiting wordt geplaatst. De regenten berichten daarop dat de nodige maatregelen zijn genomen om een van de privaatputten te omheinen en de andere put te dempen. Ze stellen tevens voor om de demping te doen met het puin dat doorgaans op het zogenaamde ‘stort’ aan de Oostpoort wordt geworpen. Hier tegen is geen bezwaar.

De functie van poortier van de Havenpoort, de Oostpoort en de Bleekveldse poort ligt in één hand. In januari 1831 wordt tot poortier van deze drie poorten, in de plaats van de overleden Pieter Ramond, aangesteld Pieter van Waarde.

In augustus 1831 overlegt de stadsfabriek een rapport aan het Stadsbestuur over wat door de pachter van de boomvakken buiten de Bleekveldse poort behoort te worden in acht genomen bij het leggen van de boomstammen in de boomvakken. Dit tot voorkoming van beschadigingen aan de kaai en beschoeiing. De pachter Cornelis Bosdijk verbindt zich om zich daarnaar te zullen gedragen.

De heer Willem Frederik van der Burcht van Lichtenbergh uit Sint Maartensdijk verzoekt in augustus 1832 tot de afbraak van het aan hem toebehorende ‘Roode pakhuis’ buiten de Bleekveldse poort. Hij is eigenaar van de oliemolen buiten de Bleekveldse poort. Zijn verzoek wordt toegestaan.

’s-Heer Hendrikskinderenpoort
In september 1832 wordt de wal of dijk bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort van de noordzijde tot aan de oprel in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat voor vijf jaar verpacht.

Schansen
In 1929 pacht Pieter de Jongh de westerschans aan het oude havenhoofd voor ƒ 30 per jaar. Dit bestaat uit het plein voor de schans, een einde zeedijk, het zogenaamde eilandje, een weitje, het boschje en de kanten van de brakke vest.

Adrianus de Jongh Pzoon deelt het Stadsbestuur in februari 1832 mee dat hij eigenaar is geworden van een woonhuis en erve, uitmakende een gedeelte van wijk D nummer 312 en staande op de westerschans aan het oude havenhoofd. Dit perceel is belast met drie cijnzen ten behoeve van de stad, samen ten bedrage van ƒ 9, die daarop zijn gevestigd op verzoek van de vorige eigenaar Jan Rottier. Hij is tevens eigenaar geworden van een woonhuis, wagenhuis, schuur en gevolgen, uitmakende het overige gedeelte van wijk D nummer 312, staande in de westerschans. Zijn verzoek behelst het eerstgenoemde gebouw voor afbraak te verkopen en de daarop gevestigde cijns van ƒ 9 over te brengen op de laatstgenoemde gebouwen. Hij verzoekt ingeval van verkoop van het gebouw, staande op de westerschans, de daarop gevestigde cijns van ƒ 9 over te brengen op de gebouwen in de schans. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Gevangenis

Tot nu toe worden de ruimten in de stadhuistoren als gevangenissen gebruikt. Het Stadsbestuur komt steeds meer tot de overtuiging dat deze ruimten voor gevangenis voor verbetering vatbaar zijn. Voor de gezondheid van de gevangenen  verdienen ze allernoodzakelijkst enige veranderingen en wel in het bijzonder om in de twee bovenkamers de circulatie van verse lucht te bevorderen. Omdat deze slechts een opening naar buiten hebben, is hieraan een groot gebrek.

Het verloop van de bevolking van de gevangenis over het jaar 1828 blijkt uit het volgende overzicht:

  m. v. t.
Op 31 december 1827 6 1 7
Ingekomen gedurende 1827 105 18 123
Veroordeelden naar andere gevangenissen overgebracht 15 10 25
Vrijgesproken en ontslagen 10 2 12
Bij afloop van straftijd 44 3 47
Doortrekkende 31 - 31
Totaal 100 15 115
Bevolking op 31 december 1828 11 4 15

De Gouverneur van Zeeland deelt het Stadsbestuur in juli 1832 mee dat, volgens een door hem ontvangen mededeling van de Minister van Binnenlandse zaken, de tegenwoordige omstandigheden verbieden om te denken aan de vroeger voorgestelde inrichting van het gebouw van de schutterij van de edele Busse (aan de Wijngaardstraat tegenover de Sint Adriaanstraat) tot een huis van arrest. Van de doelmatigheid van een verbetering van de gevangenisruimten in de stadhuistoren is hij evenwel overtuigd. Hij verlangt dat door het doen van de nodige herstellingen van stadswege het gebouw van de Busse voor verval tot een staat van onbruikbaarheid wordt behoed. Ook verzoekt hij om een opgave van wat nodig zou zijn om met weinig kosten de huidige gevangenisruimten in de stadhuistoren in meer bruikbare staat te brengen.
Het Stadsbestuur bericht de Gouverneur daarop dat de voornaamste behoefte om de huidige ruimten in gebruik te kunnen houden bestaat in het aanbrengen van luchtgaten in de bovenkamers. Dit op de wijze zoals dat sinds 1825 is voorgesteld en waarop is aangedrongen. De werkzaamheden zijn beschreven en begroot door de Ingenieur bij de Waterstaat Toutenhoofd op ƒ 240. Dit nog afgezien van het aanschaffen ten dienste van de gevangenisruimten van een ventilator, geschikt ‘om van tijd tot tijd de schadelijkste lucht er uit te malen’. Over het gebouw van de schutterij van de edele Busse zal nader rapport worden gedaan.

De Gouverneur wordt nader bericht dat de stedelijke raad al op de 19e december 1818  heeft verklaard dat ze, om mee te werken aan de bevordering van het algemeen welzijn, volgaarne heeft willen afzien van alle schadevergoeding indien men van rijkswege zou kunnen besluiten om het gebouw van de schutterij van de edele Busse tot een arrondissementgevangenhuis in te richten. In verband met dit aanbod en wetend dat dit gebouw voor dat doel niet ongeschikt is voorgekomen, is er van stadswege aan dit gebouw geen andere bestemming gegeven en heeft men van dag tot dag de verwezenlijking daarvan tegemoet gezien. Dit is dan ook de reden dat aan dit gebouw geen kosten van herstel zijn besteed. Volgens berekening van de stadsfabriek zijn de onvermijdelijke kosten, nodig om het gebouw in stand te houden, begroot op ƒ 900. De stedelijke financiën laten deze uitgave niet toe. Besloten wordt de Gouverneur te verzoeken de Minister van Binnenlandse zaken voor te stellen dat de nodige voorzieningen aan dit gebouw van ‘s rijkswege worden getroffen. De gemeenteraad blijft bij voortduring bereid om het gebouw van de Busse, wanneer de omstandigheden dit zullen toelaten, voor het inrichten tot arrondissementgevangenhuis af te staan.

In december 1830 verzoekt de commissaris over dit district informatie of er binnen de stad gelegenheid is om bij besloten water de zieke militairen uit het Fort Bath op te nemen en te verplegen. Het Stadsbestuur antwoordt daarop dat voor een klein aantal wel gelegenheid zal zijn in het Gasthuis. Anders zal voor een afzonderlijk lokaal moeten worden gezorgd.

Begraafplaatsen

In deze jaren wordt het begraven in kerkgebouwen definitief verboden. Dit leidt er toe dat buiten de stadswallen een nieuwe begraafplaats wordt aangelegd.

In september 1827 legt de burgemeester het provinciale blad nummer 100 aan de gemeenteraad voor. Daarin is het besluit van Gedeputeerde Staten van de 6e september 1827 opgenomen met de mededeling van het door Zijne Majesteit de Koning uitgevaardigde verbod voor het begraven in kerken en op kerkhoven binnen de bebouwde kom. Besloten wordt de administratie van de kerkelijke goederen van de Hervormde gemeente met de inhoud van dit besluit bekend te maken. Met ingang van 1 januari 1829 zal het begraven in de kerken verboden zijn en het zal Zijne Majesteit welgevallig zal zijn als bij het aanleggen van een nieuwe begraafplaats aan de eigenaren van graven in de kerk enige tegemoetkoming verleend zal worden.

Pas in april 1828 worden daadwerkelijk maatregelen genomen om tot een nieuwe begraafplaats te komen. De gemeenteraad besluit een commissie te benoemen tot het doen van een voorstel aan de vergadering ‘over de ter dezer zake te nemen maatregelen en om voor zoveel nodig daarover met de kerkmeesters te confereren’. In de commissie krijgen zitting de raadsleden Kakebeeke, Mirandolle en Van der Bilt en de secretaris.
De commissie brengt in juni 1828 een voorlopig rapport uit. Ze geeft de gemeenteraad te kennen dat geen van de gronden, die de gemeente in eigendom bezit, geschikt is bevonden om tot begraafplaats te dienen. Daarom heeft ze naar een ander meer geschikt terrein uitgezien. De commissie meent daarin volkomen geslaagd te zijn: ‘Het terrein bestaat uit een, aan het tegenwoordige kerkhof of begraafplaats onmiddellijk aansluitende moeshof, eigendom van de weduwe en kinderen van Antoni Boere, groot 43 roeden en 94 ellen. Dit kan zeer gevoegelijk met de tegenwoordige begraafplaats worden verenigd en bezit alle geschiktheid om tot het bedoelde einde dienstbaar te worden gesteld’.
Uit overleg met de eigenaren en de pachter is gebleken dat dit perceel buiten pacht of huur is en door de stad kan worden verkregen tegen betaling van ƒ 1.650.

De gemeenteraad overweegt aan de hand ‘van de figuratieve kaart van de actuele begraafplaats en de grond welke zou kunnen worden aangekocht’ dat de huidige begraafplaats, die in het jaar 1806 op last van de toenmalige stedelijke regering is aangelegd en nog steeds wordt gebruikt, op meer dan voldoende afstand buiten de stadspoorten ligt en voor een gedeelte nog ruimte overlaat tot het begraven. Een vergroting of uitbreiding van dit kerkhof, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt, is het geschiktste en onkostbaarste middel om aan de bestaande behoefte te voldoen.
Besloten wordt de nodige goedkeuring te verzoeken voor de aankoop ten behoeve van de stad van 43 roeden en 94 ellen grond met het daarop staande gebouw voor een bedrag van ƒ 1.650. Hiervoor wordt uit de fondsen van de voormalige gilden ƒ 2.000 geleend.

Gedeputeerde Staten verlenen het Stadsbestuur in juli 1828 goedkeuring voor de aankoop van het benodigde stuk grond voor ƒ 1.650 om daarmee de huidige begraafplaats te vergroten. Het benodigde bedrag kan worden gedekt door de 2% die ter dispositie van het algemeen bestuur voor 1828 is uitgetrokken, te regelen bij de begroting van 1830. Tevens geven ze ontheffing van de verplichting om de nieuw aangelegde begraafplaats te omringen met een stenen muur op voorwaarde dat deze met rasterwerk of palissaden wordt afgesloten. Maar in augustus 1829 is er een Koninklijk  Besluit dat gemeenten, voor wie ook het omringen van de begraafplaats met palissaden of rasterwerk te bezwaarlijk mocht zijn, kunnen volstaan met een sloot of gracht om de begraafplaats te graven en deze van een heg te voorzien die van behoorlijke vastheid en hoogte zal moeten zijn.

In september 1828 stuurt de Gouverneur een aanbeveling om te zorgen dat de nieuwe begraafplaats uiterlijk op 30 november in gereedheid is. Hij wenst dat hem voor of op dat tijdstip de verzekering wordt gegeven dat deze met de aanvang van volgend jaar in gebruik kan worden genomen.
De gemeenteraad besluit de begrote kosten vast te stellen op ƒ 2.500, te dekken uit de beschikbare fondsen van de begroting 1829. Er wordt een ‘Reglement op het begraven met een tarief van rechten en retributies’ vastgesteld. Verder wordt een uitvoerige regeling gemaakt voor diegenen die graven in de Grote kerk hebben gekocht of bezitten. Deze zijn onderscheiden in graven van de 1e klasse in de preekkerk en graven van de 2e klasse in de zogenaamde wandelkerk of het koor. Hen wordt compenserende grafruimte op de nieuwe begraafplaats aangeboden. Zie hiervoor de uitvoerige bepalingen in het notulenboek.

Het stuk grond, de hoveniering van de weduwe en erven van Antonie Boere, nodig voor de nieuwe begraafplaats, wordt op de 18e oktober 1828 aangekocht. Burgemeester en wethouders krijgen machtiging om met spoed over te gaan tot de aanbesteding van het effenen en in orde brengen van de nieuwe begraafplaats en de nodige bestekken en voorwaarden daarvoor op te stellen.
Het effenen van de grond, de aanleg van wegen en dergelijke wordt besteed aan Aarnout Loos voor ƒ 700 en derhalve beneden de begroting. Wat betreft het timmerwerk blijkt dat er zwarigheden bestaan over de leverantie van de in het bestek gevorderde palissaden. Besloten wordt het werk aan te besteden zonder palissaden. Het timmerwerk wordt aangenomen door Govert Klemkerke als laagste inschrijver voor ƒ 480.
De Gouverneur krijgt bericht dat de nieuwe begraafplaats op de 10e januari 1829 bruikbaar zal zijn, doch ‘dat naar het oordeel van de gemeenteraad vooraf het aan de Gouverneur toegezonden Reglement op het begraven en het tarief zal behoren ingevoerd te worden’.
Eind december 1828 deelt de Gouverneur mee verheugd te zijn dat de nieuwe begraafplaats per 1 januari 1829 in gebruik genomen kan worden. Hij merkt echter op ‘dat ’s Konings bevelen stellig meebrengen dat na 31 december in gemeenten boven de duizend zielen geen begravingen in de binnen de bebouwde kring  gelegen kerken of op kerkhoven mogen geschieden’. De nieuwe begraafplaats dient dan ook per 1 januari daadwerkelijk in gebruik te worden genomen, ongeacht dat het tarief en het Reglement nog niet vastgesteld zijn.
Het Stadsbestuur besluit:

  • per 1 januari 1829 het beheer en de uitoefening van de politie over de begraafplaats en het begraven te brengen onder de directie en administratie van het stedelijk bestuur en mitsdien vanaf dat tijdstip de begraafrechten ten behoeve van de stad te ontvangen;
  • tot de ontvangst van de begrafenisrechten en verdere inkomsten van de begraafplaats en het doen van uitgaven te benoemen de stedelijke ontvanger Jacobus van Rentergem de Fouw;
  • kennis te geven aan de ingezetenen dat vanaf 1 januari 1829 geen begravingen in de Grote kerk en op het kerkhof meer mogen plaats vinden;
  • de kerkenraad van de Hervormde gemeente kennis te geven dat op hun verzoek om een tegemoetkoming wegens verlies van de kerkelijke inkomsten zal worden geattendeerd;
  • met de huidige eigenaren van de graven in de kerk schikkingen te treffen.

In december 1828 verzoekt de directie van de Goessche Polder dat, ingeval van afsluiting van de weg lopende over de ringdijk van de polder vanaf de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort tot de Geldeloozeweg, zoals bij geruchte is vernomen, dan langs de berm van de dijk een geschikte zand- en zomerweg wordt gemaakt en het benodigde zand tot hun beschikking kan worden gesteld. Dit ook omdat het wellicht wenselijk is om de huidige bovenweg uitsluitend te laten dienen als toegang naar de nieuwe begraafplaats. De dijkgraaf van de polder H.J. van ’t Hoff schrijft: ‘Wij zijn zo vrij ons te willen informeren of bij het vervoeren van veldgewassen de eigenaren of baanders der landerijen gelegen in onze polder daarbij ook enige hindernissen zouden kunnen ontmoeten, daar sommigen susteneren deze passagie door een hek of boom zoude worden afgesloten en wij daardoor zouden verliezen een rijweg die sedert onheugelijke tijden in gebruik is geweest en compleet als onmisbaar kan worden beschouwd. Indien wij van dit genot mogten worden verstoken, zouden wij u eerbiedig willen verzoeken dat er dan aan den voet van den dijk zodanig eene behoorlijke zomer- en zandweg mogt worden gemaakt dat twee beladene wagens met veldvruchten elkander ongehinderd zouden kunnen passeren’.

Het Stadsbestuur besluit deze brief in handen te stellen van de commissie, benoemd tot het dirigeren van de inrichting van de nieuwe begraafplaats, met het verzoek hierover te rapporteren aan de gemeenteraad.

Op voorstel van de commissie voor de nieuwe begraafplaats besluit het Stadsbestuur in januari 1829 aan de eigenaren van graven in de Grote kerk, die nog niet gereageerd hebben op de hun aangeboden schadeloosstelling, gedurende deze maand nog de gelegenheid te geven zich te melden bij het kantoor van de ontvanger van de begrafenisrechten. Hiervoor wordt een Publicatie vastgesteld.

In januari 1829 besluit de gemeenteraad Gedeputeerde Staten voor te stellen om het bij de stedelijke begroting van 1829 uitgetrokken bedrag van de 2% van 1827 te mogen gebruiken voor de kosten van de aanleg en inrichting van de nieuwe begraafplaats. Anders zou hiervoor hoogstwaarschijnlijk een geldlening moeten worden aangegaan.

Voorlopig zullen bij het begraven op de nieuwe begraafplaats, en zo lang de vereiste reglementen en tarieven nog niet zijn vastgesteld en goedgekeurd, de rechten en retributies voor en bij het begraven op dezelfde als tot nu toe geldende tarieven bepaald zijn. Hiervan worden de ingezetenen bij Publicatie kennis gegeven.

Gedeputeerde Staten geven het Stadsbestuur in februari 1829 in overweging om de nieuwe begraafplaats met een stenen muur te omringen. Indien de financiën dat niet toelaten, dan wenst de provincie geïnformeerd te worden op welke wijze de begraafplaats dan kan worden afgesloten. De stadsfabriek krijgt opdracht de grootte van de begraafplaats te berekenen en een kostenraming voor een muur rondom de begraafplaats te maken.
Daaruit blijkt dat de omtrek van de begraafplaats 534 strekkende ellen groot is en dat de kosten voor een omringende muur neer komen op ƒ 12.173,42.
De gemeenteraad komt tot het oordeel dat de drukkende financiën en de aflossing van geldleningen gedurende nog een aantal jaren zo’n grote investering niet toelaten. Gelet op het vochtige klimaat vindt de raad het beter de begraafplaats met stevige heggen of houten rasterwerk te omringen. Dat is beter geschikt voor het doorlaten van de lucht en vermindering van de vochtigheid. Rondom de begraafplaats kunnen dan behoorlijke sloten tot afleiding van het overtollige water worden aangebracht.
In juli 1829 geven Gedeputeerde Staten dispensatie van de verplichting om de nieuw aangelegde begraafplaats te omringen met een stenen muur. Wel stellen ze als voorwaarde dat deze met rasterwerk of palissaden moet worden afgesloten. De paalwerken worden gegund aan Marinus Dekker voor ƒ 670.

Uit de stadsrekening van 1829 blijken de volgende uitgaven voor de aanleg en inrichting van de nieuwe begraafplaats: aan Pieternella van Kleijnenbeytel weduwe van Antony Boere voor de aankoop van 43 roeden en 94 ellen hoeveniering voor de aanleg van de begraafplaats ƒ 1.650; aan notaris L. de Fouw wegens salaris en verschotten voor de verkoop van de hoeveniering ƒ 219,46; aan aannemer Aarnout Loos voor het in orde brengen van de wegen en toegangen tot de nieuwe begraafplaats ƒ 749,82; aan M. Dekker voor het repareren, vergroten en schilderen van een woonhuis aan de nieuwe begraafplaats ƒ 296,14; aan M. Dekker voor het maken en plaatsen van afsluitingen op de nieuwe begraafplaats ƒ 106,50; aan Govert Klemkerke voor timmerwerk op de nieuwe begraafplaats ƒ 480; aan W. van Steensel voor het maken en leveren van een lijkkoets ƒ 720; aan J. van ’t Westeinde voor het meten van de begraafplaats, het maken van plannen en tekeningen ƒ 24,04.
Ontvangen wordt bij wijze van geldlening van de heer H.C. Pilaar, belast met de ontvangst en uitgaven voor het fonds van de voormalige gilden, een bedrag van ƒ 2.000.

De gemeenteraad besluit op de 22e augustus 1829, op voorstel van de heer Kakebeeke, president van de commissie over de begraafplaats, ten behoeve van Wouter van Steensel een ordonnantie van ƒ 720 af te geven voor de levering van een rouwkoets.

De commissie over de nieuwe begraafplaats stelt in december 1831 voor, nu de nieuwe begraafplaats in gebruik is genomen, een regeling te treffen voor de aanstelling van lijkdragers. Het gebruik van lijkdragers moet geacht worden gelijk te staan met de in gebruik gestelde lijkkoets. Dit is voor het Stadsbestuur aanleiding om tot lijkdragers van de stad te benoemen en aan te stellen de volgende twaalf personen: Jacobus Johannes den Boer, Pieter Bos, Gijsbregt van den Ende, Johannes Finjé, Francois Goosen, Johannes Groeneweg, Zeger de Hond, Adriaan de Haas, C.A. Koopman, Adriaan Nonnekes, J. Smolders en Hendrik Visser.

In augustus 1832 verzoekt de Gouverneur informatie of van de aangekochte grond voor de nieuwe begraafplaats een geregistreerde titel aanwezig is, of de registers op zegel worden gehouden en of de akten van uitgifte van graven aan zegel-, registratie- en hypotheekrechten worden onderworpen. Geantwoord wordt dat van de grond een geregistreerde titel bestaat, dat de akten van uitgifte van graven op zegel worden afgegeven doch niet geregistreerd en dat nog geen registers zijn aangelegd in afwachting van de goedkeuring van het al in 1828 bij Gedeputeerde Staten ingediende stedelijke reglement op het begraven.

Plantsoenen

In januari 1827 krijgt de stadsfabriek toestemming om ten overstaan van notaris De Fouw bij kleine partijtjes te verkopen al het kaphout rond de stadswallen, bestaande uit 90 opgaande bomen, 45 tronkbomen en de toppen van 51 opgaande bomen.
Het gevoelen van de gemeenteraad wordt gevraagd over de veiling van de bomen op de dijk bij de Oostpoort en aan de tweede schans, die in grote percelen behoren geveild te worden. Besloten wordt de veiling in dit winterseizoen te doen en wel ten stadhuize. De geveilde 172 bomen aan de dijk bij de Oostpoort en aan de tweede schans worden verkocht voor ƒ 1.600 en derhalve ƒ 50 boven de taxatie.

In februari 1829 geeft Philip Vervenne kennis dat onlangs door de stadsfabriek bedenkingen zijn gemaakt tegen het snoeien van enige bomen, staande in een boomgaard aan de zogenaamde Karnemelkseput die hij uit de boedel van Jacob Allemekinders heeft gekocht. De overleden stadsfabriek Marinus Goossen veronderstelde dat deze bomen aan de stad toebehoren. Hij meent echter dat de bomen zijn eigendom zijn. Ze zijn door de vorige eigenaar geplant en onderhouden. Hij verzoekt hem het recht op deze bomen toe te kennen. Er wordt een commissie ingesteld, bestaande uit de raadsleden Kakebeeke, Lenshoek van Zwake en De Backer, om te onderzoeken van wie de eigendom van deze bomen is.

In het najaar 1830 worden enige dode bomen aan het paardenkerkhof en op de ’s Heer Hendrikskinderendijk voor stadsrekening geveld.
In het najaar 1831 worden weer bomen van de stadssingels geveild. De condities voor de verkoop van de bomen aan de buitensingel en op het plein buiten de tekenschool worden vastgesteld. De veiling van 148 opgaande olmenbomen, staande van de Oostpoort tot aan de Ganzepoort op de stadssingel en op het plein voor de tekenschool, heeft een opbrengst van ƒ 3.850. Ze worden verkocht aan de heer Arnoldus de Groot te Dordrecht.

Straten en wegen

Straten en wegen
In mei 1827 vindt de aanbesteding van de volgende openbare werken plaats:

  • het vernieuwen van de houten beschoeiing buiten de Bleekveldse Poort aan L. de Graaf voor ƒ 694;
  • het leveren van een paar nieuwe eikenhouten vloeddeuren aan de havensluis aan L. de Graaf voor ƒ 1.800;
  • het vernieuwen van de rijspakwerken aan het sas aan weerszijden van de kolk aan M.J. Bosdijk voor ƒ 2.580, voor de buitensluis aan de noordzijde voor ƒ 420 en aan de binnenzijde van de binnensluis aan weerszijden voor ƒ 1.090.

In juni 1827 legt de burgemeester de gemeenteraad de noodzakelijkheid voor van het verbeteren en opzanden van de weg naar het oude Hoofd langs de haven van de stad. De geïnteresseerden in de meestoof ‘de Liefde’ hebben het aanbod gedaan om de verbetering van die weg van de stad tot aan de meestoof voor hun rekening te nemen. Ook heeft directeur Van den Bosch van de Wilhelminapolder zich bereid verklaard om het benodigde zand voor het opzanden van de weg om niet te leveren en om in de verdere kosten een vierde gedeelte bij te dragen. Volgens berekening zijn de kosten ƒ 980. De gemeenteraad besluit akkoord te gaan met het aanbod van de geïnteresseerden in de meestoof ‘de Liefde’. De heer Van den Bosch wordt te kennen gegeven dat de stad een verdeling van de helft billijker vindt.

In april 1828 brengt de gemeenteraad op de begroting een bedrag van ƒ 325 om de wandelwegen rondom de stad in een behoorlijke staat te brengen door deze te herstellen en te bezanden.

De Gouverneur geeft in september 1828 kennis dat het Zijne Majesteit de Koning heeft behaagd, naar aanleiding van het verzoek van de bewoners van de Voorstad, het Departement van Binnenlandse Zaken te machtigen om het bezanden van de Voorstad achterwege te laten. Met de aannemer van het onderhoud van de Voorstad wordt gesproken over de hem toekomende vergoeding. Het blijkt dat de aannemer geen vergoeding verlangt. Hij meent namelijk dat de, door het nalaten van de bezanding veroorzaakte meerdere reparatie niet te boven zal gaan wat hij door het niet bezanden zal uitwinnen.

In januari 1829 beraadt het Stadsbestuur zich over de verbetering van de weg van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort naar de Geldelozeweg, mede naar aanleiding van het rapport van de commissie belast met de directie over de nieuwe begraafplaats op het haar voor advies in handen gestelde schrijven van de directie van de Goese Polder van de 6e december 1828. Dit behelsde een verzoek om, ingeval van afsluiting van de weg lopende over de ringdijk van de polder van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort naar de Geldeloozeweg, dan langs de berm van de dijk een doelmatige zand- en zomerweg aan te leggen. Gebleken is dat de dijkdirectie voorlopig van de aanleg van een zandweg af ziet. Ze wil zich vergenoegen om te beproeven om de huidige onderweg door het invoeren van puin in een voldoende staat te brengen. Onder dankzegging aan de commissie voor de ondernomen moeite en het gedane rapport besluit het Stadsbestuur in de gemaakte schikking te berusten.

In mei 1829 worden de tegen heden aangekondigde stadswerken aanbesteed. Dit levert de volgende uitkomst op: het verleggen van 1600 vierkante ellen straatwerk inplaats van 1000 vierkante ellen, doch daarentegen zal de aannemer geen nieuwe steen hoeven te leveren, is aanbesteed aan Jan Douw voor ƒ 280.

De eigenaren en gebruikers van weilanden in de zogenaamde Poel in de nabijheid van de stad dienen in augustus 1829 een rekest in voor het herstel van de Poelweg, van de zogenaamde ‘Witte Hoeftjes  naar de Groeweg’. Het Stadsbestuur stuurt dit verzoek door naar de Dijkdirectie van de Brede Watering bewesten Yerseke met het verzoek de nodige herstellingen aan deze weg ten laste van de Watering uit te voeren. Door de toenemende slechte staat van de uitwatering van de Brede Watering bewesten Yerseke en de grote toevloed van water door de overtollige regen is deze weg grotendeels onbruikbaar geworden. De Directie van de Brede Watering wijst dit verzoek echter van de hand. Ze voelt zich hiertoe niet verplicht omdat door het Goese Stadsbestuur de schouwing van de wegen onder het gebied van de gemeente wordt uitgeoefend. Ook de schouwing en het onderhoud van de Poelweg valt hier onder.
Het verzoek wordt in handen gesteld van een commissie van advies, bestaande uit de burgemeester en de raadsleden Lenshoek van Zwake, De Backer en de secretaris.
De commissie rapporteert over het verzoek dat de stedelijke regering wel sinds het jaar 1671 onafgebroken de schouwing heeft uitgeoefend over de wegen onder de stadsjurisdictie, doch dat van stadswege aan die wegen geen buitengewone voorzieningen gedaan of kosten daarvoor gemaakt zijn. De gewone reparaties zijn steeds door de aanliggende eigenaren en op hun kosten gedaan. In soortgelijke gevallen heeft de Directie van de Brede Watering bewesten Yerseke buitengewone herstellingen gedaan en bekostigd. Bovendien worden de huidige degradaties veroorzaakt door de meer en meer toenemende slechte staat van de suatie van de watering bewesten Yerseke. De gemeenteraad vindt dan ook dat de reparaties niet door de stad dienen te worden gedragen. De Directie van de Watering zal worden uitgenodigd om de bezwaren van de landlieden in overweging te nemen en daarin op kosten van de Brede Watering bewesten Yerseke te voorzien.

De buurtwegen en voetpaden zijn door de menigvuldige regenval in 1829 gedurende het grootste gedeelte van het jaar onbruikbaar geworden en gebleven. Hierin is verbetering te verwachten door de nieuwe waterlozing van de brede watering bewesten Yerseke.

Vesten en kanaal

In februari 1828 zijn er geruchten dat het gouvernement overweegt om een kanaal door het eiland Zuid-Beveland te graven naar de Westerschelde. Het Stadsbestuur overweegt dat ‘bij zo verre er mogelijkheid mocht bestaan om dat kanaal langs of in de nabijheid van de stad te brengen, dit voor dezelve van het allergrootste belang zoude kunnen zijn en wellicht als een middel zoude kunnen aangemerkt worden om de verachterde staat van desselfs handel, nering en fabrieken op te beuren en desselfs welvaart te doen herleven, terwijl het tevens voor de uitwatering van het westelijke gedeelte van het eiland van het hoogste nut zoude kunnen zijn en als een gewenst redmiddel tot herstel van de op vele plaatsen belemmerde suatie aangemerkt worden’. De Gouverneur wordt gevraagd zijn invloed hiertoe aan te wenden.

Jaarlijks worden de vesten in drie gedeelten verpacht. Zo wordt in 1829 de brakke vest verpacht aan P. de Jongh voor ƒ 30, de zoete vest aan de heer Lichtenberg van de Burg, eigenaar van de gortmolen op het Ravelijn de Grenadier, voor ƒ 32 en aan Adriaan Schrijver voor ƒ 22 en de zoute vest buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort aan Marinus Harinck voor ƒ 7.
De 116 roeden grond van ‘de oude haven, gelegen achter de zoutkeet aan de havendijk,’  worden verpacht voor ƒ 34 per jaar en de grond ‘gelegen op de zogenaamde achterhaven tussen de voormalige waterkorenmolen en de molendijk’ voor ƒ 16 per jaar.

Hygiëne en reinheid

Deze jaren worden de stads vuilnis- en asbakken telkens voor drie jaar verpacht aan Klaas Zegers.
De stadsfabriek rapporteert over ‘een drekgoot lopende van de oude watermolen op het aangehoogde Oude Molenwater tot bij de stadsgrond, in pacht bij Arnout Loots’.
Ook wordt dit jaar achter de herberg ‘de Prins van Oranje’ aan de Nieuwstraat een stenen heul gemaakt in de wal bezijden het Ravelijn door Andries Visser voor ƒ 430.

Verlichting

De stadsverlichting bestaat deze jaren uit 77 réverbères, 1 met vier pitten, 44 met drie pitten en 31 met twee pitten. Verder zijn er 14 lantaarns met één pit en 31 lantaarnpalen.
De verlichting wordt ingaande 1830 weer voor vijf jaar verpacht aan Andries Smallegange als lantaarnopsteker. Er worden in september 1829 vier nieuwe réverbères bij koperslager Johannes Dekker aangeschaft voor ƒ 80.

Posterij

De Gouverneur maant het Stadsbestuur in maart 1827 om te zorgen dat de brievenpost, die ’s nachts de stad moet passeren, niet wordt opgehouden aan de stadspoorten. Bij aankomst van de postillon moeten de poorten direct worden geopend.
Het Stadsbestuur bepaalt daarop dat de nachtwachten of klapperlieden, die tot nu toe gezamenlijk in het lokaal van de Hoofdwacht hun verblijf houden, vanaf 1 april verdeeld zullen worden. Twee klapperlieden zullen hun verblijf moeten houden in het huisje boven de Ganzepoort en twee in het huisje bij de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort.
Aan ieder van deze poorten zal gedurende de gehele nacht, te rekenen vanaf het tijdstip dat de poortier de poort verlaat en de sleutels aan de klapperlieden overhandigt, tot ‘s morgens wanneer de poortiers voor het openen van de poort de sleutels bij de klapperlieden komen afhalen, onafgebroken één van de klapperlieden moeten verblijven. Hij zal op zijn verantwoordelijkheid moeten zorgen dat de postillon met de brievenpost bij zijn aankomst aan de poort dadelijk en zonder enige vertraging wordt doorgelaten. Hiervoor zal een bel geplaatst worden die van buiten aan de poort tot waarschuwing van de klapperlieden zal kunnen worden aangetrokken.

In februari 1828 blijkt in het algemeen dat sommige ondernemers van diligences of postwagens zich veroorloven gebruik te maken van cachetten met ’s Konings wapen voorzien. Ingevolge de concessie, verleend bij Koninklijk Besluit van 16 december 1821, is het hun alleen toegestaan om dat wapen op de portieren van hun rijtuigen aan te brengen met het opschrift ‘Sauvegarde’. Het Stadsbestuur brengt dit ter kennis van Johannes van Ham, ondernemer van de postwagen van de stad op het Sloe en vice versa. Hij krijgt een ernstig verbod om ’s Konings wapen anders dan op de portieren van zijn rijtuigen en met het opschrift ‘Sauvegarde’  te gebruiken.

De ondernemer van de postillon of postwagen, Johannes van Ham, schrijft het Stadsbestuur in maart 1828 dat hij van de hem verleende concessie afstand doet. Hij ondervindt teveel schade door de nu weer verhoogde tolrechten en de vaart van de stoomboten.
In 1830 is het vervallen postwagenveer nog steeds niet hersteld, Het zal, vanwege de vaart van de stoomboten en als gevolg daarvan de verminderde passage over het eiland, waarschijnlijk niet weer hersteld worden.

De directeur van het postkantoor in de stad stuurt het Stadsbestuur in mei 1828 een kennisgeving dat zijn kantoor verplaatst wordt naar de hoek van de Beestenmarkt in wijk B nummer 41.
In november 1829 deelt de Gouverneur mee dat de heer A.H. Mekelenkamp tot directeur van het postkantoor binnen de stad is benoemd. Hij komt in de plaats van de heer J.M. Baron van Boecop, die tot een andere functie geroepen is. Maar in september 1831 overlijdt de heer Mekelenkamp. In zijn plaats benoemt de Gouverneur de heer J. Bos.

Overige openbare voorzieningen

Kaaiklokje of klokstelling op kaai
In maart 1828 wordt aanbesteed het maken en plaatsen van een klokstelling op de kaai, het zogenaamde kaaiklokje.
Dat dit ook daadwerkelijk gebruikt wordt blijkt op 26 juni 1830 als het grote stadsuurwerk op de kerktoren gedurende de volgende week zal moeten stilstaan. In de Goessche Courant wordt bekend gemaakt ‘dat het kaaiklokje niettemin zal worden aan den gang gehouden en het morgenuur van acht, het middaguur van twaalf en het avonduur van zeven, door het luiden der Stadhuisklok, als gewonelijk zal worden aangekondigd’.

Depot voor gemalen tarwe en rogge
De Gouverneur nodigt het Stadsbestuur in december 1829 uit om te overwegen in hoever het nodig kan zijn om tot voorkoming van alle ongeregeldheden, die uit de verwachte afschaffing van de accijns op het gemaal per 1 januari 1830 en een daardoor onverwijlde veraccijnzing van granen kan voortspruiten, een depot van gemalen tarwe en rogge aan te leggen. Het Stadsbestuur overweegt dat dergelijke maatregelen alleszins gewenst en voordelig moeten worden beschouwd. Besloten wordt tot de aanleg van zo’n depot over te gaan en daarvoor in gebruik te stellen de ruimte van de vroegere stadswaag onder het Stadhuis. Hiervoor worden de volgende bepalingen vastgesteld:

  • het depot zal geopend en beschikbaar zijn op de 29e, 30e en 31e december;
  • het opzicht over het depot wordt opgedragen aan de controleur van de stedelijke belastingen Voorbeijtel; deze wordt aanbevolen om onder kennisgeving aan de stadsconciërge schikkingen te maken tot beveiliging van de aan te brengen gemalen tarwe en rogge, alsook om in de beste verstandhouding met de ambtenaren van de directe belastingen in- en uitgaande rechten en accijnzen te handelen om de aan zijn zorg toevertrouwde belangen naar behoren te behartigen;
  • de bepalingen zoals vermeld in het Koninklijk Besluit van 1 oktober 1816 zullen stipt moeten worden nagekomen;
  • van de aanleg van het depot zal aan de ingezetenen bij Publicatie worden kennis gegeven, alsook aan de ontvanger belast met de heffing van de rijksaccijns op het gemaal binnen de stad.

Boomvakken
De zogenaamde vier boomvakken buiten de Bleekveldse poort worden in 1829 verpacht aan Marinus Goossen voor ƒ 45. In augustus 1831 legt de stadsfabriek een rapport over van wat de pachter van de boomvakken buiten de Bleekveldse poort naar zijn oordeel in acht dient te nemen bij het opslaan van de boomstammen. Dit tot voorkoming van beschadigingen aan de kaai en de beschoeiing. De pachter Cornelis Bosdijk verbindt zich om zich daarnaar te gedragen.

Stadspomp in de Lange Kerkstraat
In juli 1830 dient Servaas van Gemert een verzoek in om toestemming om de stadspomp, staande tegen zijn woonhuis in de Lange Kerkstraat in wijk A nummer 190, weg te breken en de daar aanwezige waterbak of put met een doelmatige steen te sluiten. Deze pomp is buiten gebruik en kan niet meer bruikbaar gemaakt worden zonder daardoor aan zijn huis grote schade toe te brengen. De reden van zijn verzoek is gegrond ‘op het misbruik dat de gaande en komende man van deze hoeken maakt’. De gehele muur is daardoor verrot, watert in en veroorzaakt in warme dagen een misselijke stank, wat zelfs de buren zoals dokter Eltzman en apotheker Le Cointre verscheidene malen hebben opgemerkt en hem daarover hebben aangesproken. Hij zou zijn gevel kunnen opzuiveren en repareren en de put of waterbak zou geheel en ongeroerd kunnen blijven liggen om er een steen op te plaatsen. In geval van brand of anderszins zou die steen maar af te nemen zijn. Hij neemt aan voor zijn rekening de afbraak te doen. Het Stadsbestuur  gaat daarmee akkoord op voorwaarde echter dat het Stadsbestuur  altijd het recht zal hebben daar weer een pomp te plaatsen.

Overige openbare werken
Uit de stadsrekeningen van deze jaren blijkt dat de volgende percelen verpacht zijn aan J.G. van Maldegem: de havendijk, het ‘weitje met de Halve Maan achter de meestoof de Liefde’, een einde dijk aan de westzijde van een stuk zaailand gelegen tussen de twee havendijken, de oude trekkerswoning en annexe gebouwen, het weitje aan de noordzijde van de brakke vest, een stuk zaailand tussen de twee havendijken en een einde dijk aan de westzijde van het genoemde zaailand voor ƒ 200.

In april 1827 wordt een gedeelte van de houten beschoeiing aan de oostzijde van de haven buiten de Bleekveldse Poort en het leveren, betimmeren en inhangen van een paar nieuwe eikenhouten vloeddeuren in de buitenhavensluis aanbesteed. Het werk wordt gegund aan Libori de Graaf, aannemer van publieke werken te Neuzen voor ƒ 694.

De directie van de Brede watering bewesten Yerseke verzoekt in januari 1832 toestemming voor het overbrengen van enige houtwaren van een pakhuis buiten de Bleekveldse poort naar een pakhuis in het Ossenhoofdstraatje in wijk B nummer 121. Hiermee gaat het Stadsbestuur akkoord, mits het transport gebeurt onder surveillance van de administratie van de stedelijke belastingen.

In augustus 1832 dreigt er een muur van een pand aan de Grote Markt in te vallen. De eigenaar van het pand Grote Markt D nummer 3, H. Wolff, geeft kennis dat hij indertijd aan de stadsarchitect heeft verzocht de schade op te maken aan zijn huis aan de noordzijde. Dit is veroorzaakt door inwatering alsook door het wegvallen van een gedeelte muur van het aan de noordzijde tegen het zijne palende huis, in eigendom van notaris Soetebier. De schade is ongeveer ƒ 100. Het Stadsbestuur wil hier niet in treden en beveelt aan deze kwestie aan de rechter voor te leggen.

Ligplaats stoomboten

Gedeputeerde Staten delen het Stadsbestuur  in mei 1832 mee dat aan de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij vergunning is verleend om met haar schepen ook op Goes, Terneuzen, Zierikzee, Tholen en Bergen op Zoom te varen. Maar in november 1832 komt er bericht van de directeur van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij, de heer J. van Vollenhoven. Hij deelt mee dat de voorgenomen dienst van een stoomboot van Rotterdam op Goes, waarvoor voorlopig mondelinge schikkingen werden gemaakt, voor het tegenwoordige moet worden gestaakt. De Maatschappij is namelijk van de zijde van het gouvernement uitgenodigd om alle stoomboten tot hun beschikking te stellen. Niettemin verklaart hij zich bereid om, zodra de omstandigheden dit gedogen, deze dienst te hervatten.

Haven en sas

In april 1827 beraadt de havencommissie zich met de Ingenieur van de Waterstaat over de meest verkieselijke wijze van herstel van de wanden van de schutkolk. Ze stelt  voor in de stedelijke begroting een bedrag op te nemen van ƒ 4.200 voor een houten beschoeiing.
Gedeputeerde Staten hebben echter bedenkingen tegen een houten beschoeiing vanwege de aanhoudende vernieling van het houtwerk van de sluis door de paalworm. Ze geven in overweging of het niet beter is de kolk door stenen muren aan weerszijden te omvatten. Vooraf dient dan onderzocht te worden of de grondslag voor een stenen muur geschikt en de uitvoering mogelijk is. Maar, om dit uit te voeren, zal de scheepvaart bijna het gehele jaar moeten stil liggen.
Uit de inspectie blijkt dat de watersloof en keerpalen in de kolk waarschijnlijk nog in staat zijn om gedurende bepaalde tijd van rijspakwerk te voorzien. Het voordeligst is om nogmaals een pakwerk aan te leggen en na het uitbreken van het oude, de ondergrond en de mogelijkheid om een muur te bouwen te onderzoeken. Bij een volgende vernieuwing kan dan bezien worden of het raadzaam is het pakwerk door een muur te verwisselen.
De gemeenteraad gaat eenparig akkoord met dit voorstel en stelt de bestekken en condities voor de aanbesteding vast en wel voor het pakwerk aan de binnenzijde voor ƒ 1.068; het pakwerk aan de buitenzijde tegen het noordelijke buitenhavenfront voor ƒ 441 en het rijspakwerk voor ƒ 3.036.

Gedeputeerde Staten keuren in mei de begrote ƒ 4.200 voor een nieuwe beschoeiing aan de kolk van de schutsluis goed. Opnieuw delen ze mee van oordeel te zijn dat het optrekken van de wanden van de sluiskolk in metselsteen, hoezeer dit bij de eerste aanleg kostbaarder zal zijn, op den duur voor de stad voordeliger is. Ze geven in overweging vanaf nu daarop bedacht te zijn om een reservefonds daarvoor aan te leggen.
Het Stadsbestuur besluit de Ingenieur van de Waterstaat, met assistentie van de stadsfabriek, zoveel mogelijk het toezicht over de aanbestede sluiswerken te laten houden. De stadsfabriek dient naar een geschikte onderopzichter uit te zien. In deze functie wordt aangesteld Ferdinand Ferdinandusse.
Het water in het binnenkanaal zal van 27 mei tot 23 juni of zoveel korter worden afgelaten.
In oktober 1827 wordt aan aannemer L. de Graaf een betaling verricht voor het maken van sasdeuren voor ƒ 1.700 en het repareren van de beschoeiing aan de kaai voor ƒ 694.

In februari 1828 geeft de nieuwe haven opnieuw zorgen. De burgemeester legt de gemeenteraad een rapport van de stadsfabriek voor van de afschuiving van de kop van de noordelijke buitenhavendam op de 17e februari. Besloten wordt vooralsnog geen reparaties aan de havendam te doen, maar de stadsfabriek te gelasten om een nauwkeurig toezicht te houden, dagelijks peilingen te laten verrichten en van zijn bevindingen rapport te doen, zodat naar aanleiding daarvan nader over de meest geschikte maatregelen kan worden beraadslaagd.
Het leidt er toe dat de gemeenteraad in september 1828 de condities voor de aanbesteding van het buitengewone herstelwerk aan de kop van de noordelijke buitenhavendam goedkeurt. Het is noodzakelijk dat deze reparatie voor het aanstaande winterseizoen plaats vindt. Maar de stedelijke begroting biedt hiervoor geen ruimte. Gedeputeerde Staten worden daarop voorgesteld de kosten te dekken uit de beschikbare fondsen. Uit de aanbesteding blijkt dat aannemer Leendert Fokker het herstelwerk kan verrichten voor ƒ 1.235.

In september 1829 besluit het Stadsbestuur  de vernieuwing van 2000 vierkante ellen wintermat en 50 vierkante ellen rijsbeslag aan de buitenhaven met de levering van de daarvoor nodige vletgrond aan te besteden aan aannemer Teunis van Asperen voor ƒ 260.

Opnieuw komt een onheilstijding over de havendammen in de vergadering van de gemeenteraad van de 5e december 1829. Het door de stadsfabriek uitgebrachte rapport komt ter tafel. Er is flinke schade ontdekt aan de havendammen, veroorzaakt door de storm in de nacht van de 25e op de 26e november 1829. De schade is voor een gedeelte te wijten aan de nalatigheid om het werk op tijd te voltooien door de aannemer van de kramwerken T. van Asperen. Deze degradaties zijn zo ernstig dat de aan de noordelijke dam vernielde 181 vierkante ellen rijsbeslag buiten de aanbestede werken een dadelijke voorziening vereisen.
Burgemeester en wethouders hebben het allernoodzakelijkst geoordeeld om onmiddellijk voorzieningen te treffen en dit voor rekening van aannemer Van Asperen, dit na overleg met zijn borgen wegens absentie van de aannemer zelf. Aan aannemer Leendert Tukker is de voortzetting van het werk van Van Asperen opgedragen. Tevens is onderhands voor ƒ 225 aanbesteed het vernieuwen van 221 vierkante ellen rijsbeslag aan de noordelijke en zuidelijke havendammen. De gemeenteraad keurt het verrichte alsnog goed.
Door de buitengewone schade aan de buitenhaven, veroorzaakt door de najaarsstormen, ontstaat een tekort op de stedelijke begroting van 1829 van ƒ 580,12. Het herstel van de kop van de noordelijke buitenhavendammen kost ƒ 1.235.

Maar eind november 1829 is er opnieuw averij aan het sas van de haven. De burgemeester deelt mee dat de stormdeur aan het sas van de haven zeer is beschadigd en hersteld moet worden. De stadsfabriek stelt hiervoor een bestek en tekening op. Hij is van oordeel dat aan de stormdeur enige veranderingen kunnen worden gemaakt. Omdat de stormdeur van de schutsluis een belangrijk onderdeel van de zeewering uitmaakt, vindt de gemeenteraad het wenselijk om daarover het oordeel van Ingenieur Toutenhoofd van de Waterstaat te vragen.
Het slopen van de oude sasdeuren wordt in september 1830 onderhands aanbesteed aan Hendrik Orgest Mulder voor ƒ 36. In maart 1831 wordt een openbare aankondiging gedaan van de besteding van een paar nieuwe ebdeuren voor het sas en enige sluis- en havenwerken.

In juli 1831 komt er bericht van de administrateur van de Waterstaat en de thesaurier van het Koninklijk Huis over de bedoeling van het Koninklijk Besluit van 28 januari waarbij de stad voor ƒ 5.000 van de per 1 januari 1831 verschuldigde ƒ 15.000 uitstel is verleend tot 1 januari 1839. De thesaurier van het Huis des Konings verzoekt in januari 1832 om in de loop van januari de ƒ 15.000 te ontvangen uit de havennegotiatie ten behoeve van Zijne Majesteit, die de 1e januari is verstreken, vermeerderd met ƒ 250 voor een jaar rente van de tot 1 januari 1839 uitgestelde ƒ 5.000. Het Stadsbestuur antwoordt dat voor de voldoening van de ƒ 15.000 met alle mogelijke spoed zal worden gezorgd, maar de ƒ 250 is niet bij de stedelijke begroting geautoriseerd en Zijne Majesteit heeft bij het verleende uitstel geen beding van rente gevoegd. Over dit laatste wordt het oordeel van Zijne Majesteit gevraagd.

Eind augustus 1832 komt er een brief van Gedeputeerde Staten over het verleende uitstel van de zogenaamde havennegotiatie. Zijne Majesteit de Koning heeft beschikt op het verzoek van de gemeenteraad om autorisatie tot het sluiten van een geldlening van ƒ 6.000 tot dekking van het tekort op de stedelijke dienst van 1831. Het heeft de Koning behaagd voor vervallen te houden en aan de stad tot dekking van het tekort een nieuw uitstel van een jaar te verlenen voor de aflossing van het uit Zijne Majesteits bijzondere fondsen ten behoeve van de havenwerken verstrekte voorschot. Het Stadsbestuur wordt gemachtigd om van de eerste aan Zijne Majesteit te verrichten betalingen een bedrag van ƒ 6.000 in te houden en het zo te ruim betaalde in 1840 te voldoen.
De gemeenteraad besluit Gedeputeerde Staten, onder dankbetuiging voor hun aan Zijne Majesteit gedane voorstel voor het verleende uitstel en het daardoor vervallen van de voorgenomen geldlening ten laste van de stad, te verzoeken ‘Zijne Majesteit wel te willen kenbaar maken de gevoelens van bijzondere erkentelijkheid wegens dit vernieuwde gunstbewijs welke deze vergadering bezielen, waardoor deze stad is ontheven van de last tot het beproeven van een negotiatie, welke, zo dezelve al had mogen gelukken, voor haar gewis nadeliger zoude zijn geweest’.
In het notulenboek van de gemeenteraad is een uitvoerige tabel opgenomen van de aflossing van het kapitaal van ƒ 65.000 met de lopende interesten.
In november 1832 komt er een schrijven van het Huis des Konings met bericht van de ontvangst van de gekwiteerde obligatie wegens door Zijne Majesteit in de eerste havennegotiatie aan de stad ter leen opgeschoten som van ƒ 30.000 op 9 mei 1818, welk kapitaal cum intreste alsnu geheel is afgelost.