Aanvulling? Meld het hier.
<<

Sociale zorg en gezondheid (1827 - 1832)

Geneeskundige commissie

De Plaatselijke Commissie van Geneeskundig toevoorzicht deelt het Stadsbestuur in oktober 1827 mee dat ‘er alhier in deze stad zeer vele zieken zijn, maar dat de thans heersende ziekte evenwel niet anders dan de gewone najaarskoortsen zijn, met dat onderscheid dat hun character catharaal schijnt te zijn’.

In augustus 1828 is er overleg met de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig toevoorzicht om, zoals van tijd tot tijd plaats heeft, opnieuw aan de minvermogenden gelegenheid te geven om zich en hun kinderen gratis te laten vaccineren. Dit resulteert in een aanschrijving van de regenten van de godshuizen, het algemeen armbestuur, de diakenen van de Hervormde gemeente en de plaatselijke schoolcommissie met de uitnodiging om binnen veertien dagen rapport uit te brengen van hun bevindingen en verder regelmatig tweemaal per jaar een verslag in te zenden van de staat der vaccine bij hun gealimenteerden.

In april 1832 verzoekt de heer A.J. Eltzman, medisch doctor, om ontslag als lid van de commissie van geneeskundig toevoorzicht vanwege zijn verhuizing naar Utrecht. Hij krijgt eervol ontslag onder dankbetuiging voor de in die betrekking bewezen diensten. In zijn plaats wordt de heer G.T. Callenfels, medisch doctor, lid van de commissie.

De gemeenteraad stelt in april 1832 een ‘Reglement voor de plaatselijke commissie voor geneeskundig toevoorzicht binnen de stad Goes’ vast. Dit wordt gedrukt, geïntroduceerd en gepubliceerd. Artikel 1 luidt: ‘Iemand zich binnen deze stad of desselfs jurisdictie als Medicine Doctor, Heelmeester, Vroedmeester, Apotheker, Drogist of Kruidenverkoper, Vroedvrouw, Oog- of Tandmeester, ter uitoefening van zijn of haar Praktijk of beroep willende nederzetten, zal alvorens zijn bedrijf uit te oefenen zich bij de Plaatselijke kommissie van Geneeskundig toevoorzigt, alhier gevestigd, moeten vervoegen en aan dezelve vertoonen het door de Provinciale kommissie van geneeskundig toevoorzigt, gevestigd in Zeeland, afgegeven of geviseerd Diploma ten einde daarop admissie te bekomen’.

De Gouverneur verzoekt in juli 1832 om, tot uitvoering van het Koninklijk Besluit over de toewijzing van medailles aan personen die zich verdienstelijk hebben gemaakt binnen de stad, daaraan de meeste bekendheid te geven en dit te brengen ter kennis van de aanwezige geneeskunstoefenaars en leraars bij de verschillende godsdienstige gemeenten.
Het Stadsbestuur besluit een exemplaar hiervan toe te zenden aan de Plaatselijke Commissie van geneeskundig toevoorzicht alsook aan de predikanten van de Hervormde gemeente en de pastoor van de rooms-katholieke gemeente. Dit met de uitnodiging om de koepokinenting bij alle gepaste gelegenheden aan te bevelen en te helpen bevorderen.

Naar aanleiding van een brief van de plaatselijke geneeskundige commissie wordt de Gouverneur in juli 1832 toegezonden de staat van de vaccine over het 2e kwartaal 1832. Verder wordt besloten de geneesheren en heelmeesters te herinneren aan hun verplichting tot het doen van nauwkeurige driemaandelijkse opgaven van de door hun gevaccineerden of aan de kinderziekte behandelde personen.

Dreigende cholera

Halverwege het jaar 1831 is er een toenemende dreiging van besmetting door de gevreesde cholera. In augustus komen er met regelmaat berichten over besmette gebieden zoals Rusland, Noorwegen, de steden Koningsbergen, Pilau, het Holsteinse kanaal, Denemarken en de Oostzeelanden, het groothertogdom Finland, Koningsbergen en Pilau. Er worden strenge quarantainemaatregelen getroffen tegen binnenkomende schepen die in Zweden, Denemarken en Noorwegen in quarantaine hebben gelegen en die afkomstig zijn uit de havens van Dantzig tot aan de rivier Kymmene in Finland en van de Yder.
De Gouverneur kondigt eind september aan dat er maatregelen in voorbereiding zijn om deze bij het onverhoopt doordringen van de Aziatische braakloop of cholera in werking te brengen. Het Stadsbestuur houdt hierover met de stedelijke geneeskundige commissie een conferentie.

Ondertussen komt er in september 1831 informatie dat zich bij een vreemde leurder met grof aardewerk de kinderziekte heeft geopenbaard. Dadelijk worden maatregelen getroffen tot zijn afzondering en het plaatsen van het voorgeschreven teken aan het huis waarin hij zich bevindt. Ook in mei 1832 doet de kinderziekte zich voor in het huis van H. Walraven. Dadelijk worden maatregelen bevolen tot aanwijzing van het besmette huis.

Halverwege oktober 1831 bericht de plaatselijke Commissie van geneeskundig toevoorzicht het Stadsbestuur over het beramen van maatregelen tegen de cholera. Deze bevatten onder meer het opgave doen van gebouwen tot eventuele opneming van minvermogende zieken en personen voor ziekenoppassers en lijkbezorgers, mitsgaders beraad over de benodigde geneesmiddelen en andere voorwerpen ten dienste van de zieken en verdeling van de stad in wijken onder genees- en heelkundigen tot het behandelen van minvermogenden.
Het Stadsbestuur besluit zich grotendeels met het gevoelen van de commissie te verenigen en de Gouverneur rapport te zenden met bijvoeging van de aanbevelingen van de geneeskundige commissie. Met de Commissie wordt nader overlegd over de voorraad geneesmiddelen, het aanschaffen van badkuipen en andere benodigdheden. Wel wordt de Gouverneur er met nadrukt op gewezen dat naar het oordeel van het Stadsbestuur ‘de ingezetenen zo weinig mogelijk behoren verontrust te worden aangezien het meer en meer blijkt van welke schadelijke uitwerking hetzelve is, tot het voortbrengen of verspreiden der ziekte’.

De Gouverneur stuurt op de 24e december 1831 een vertrouwelijke aanschrijving om te zorgen dat binnen de stad een voldoende hoeveelheid ongebluste kalk voorhanden is om bij het onverhoopt uitbreken van de cholera te kunnen dienen voor het vervaardigen van chloride. De burgemeester krijgt opdracht om in overleg met de voorzitter van de plaatselijke geneeskundige commissie hierover met de apotheker J.W. van Kerkwijk in onderhandeling te treden en na te gaan of dit door de apothekers, desnoods onder stedelijke garantie voor de schade, kan worden aangeschaft.

In mei 1832 legt de burgemeester het Stadsbestuur het provinciale blad van de 19e mei met nadere voorschriften over te nemen maatregelen tegen de cholera over. Daarin dringt het provinciaal bestuur aan om nadere voorschriften aan de geneesheren uit te reiken, te zorgen voor de reinheid en zuiverheid van de stad, toe te zien op de deugdzaamheid van levensmiddelen en het drinkwater en te voorzien in de noden van de behoeftigen. Verder wordt de gemeentebesturen verzocht over te gaan tot het benoemen van een stedelijke commissie van vijf leden onder presidium van de burgemeester of een lid van het Stadsbestuur . Besloten wordt om in de stedelijke commissie te benoemen de heren J.W. Hecking, president van de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht, J.W. van Kerkwijk, mr. J.J. van Deinse, W.A. de Laat de Kanter en H.C. Pilaar. De regenten van de godshuizen en het algemeen armbestuur worden uitgenodigd om met de meeste ernst bedacht te zijn op de bevordering van de staat der gezondheid van de in de godshuizen en het armhuis opgenomen personen en om speciaal met de geneeskundigen in die gestichten in overleg te treden over het bewaren van de zuiverheid van de lucht daarin of de bevordering daarvan door periodieke berokingen of andere zuiveringsmiddelen en het gebruik van baden door de lijders. De stedelijke commissie wordt ƒ 600 ter hand gesteld voor de aankoop van benodigdheden. Voor dit bedrag zal een hospitaal worden ingericht en zal de stadsmestput worden verplaatst.

Eind mei 1832 besluit de gemeenteraad tot het treffen van maatregelen tot preventie tegen de cholera. De commissie tot wering van de cholera wordt te kennen gegeven dat de door haar geadviseerde maatregelen zoveel mogelijk zullen worden genomen. De commissie krijgt machtiging om voor stadsrekening het benodigde personeel voor het hospitaal aan te nemen. Het gebouw van de stadstekenschool wordt tot hospitaal voor de minvermogende cholerazieken bestemd en ingericht.

De Gouverneur stuurt in juli 1832 bericht over inkomende personen uit de provincies Brabant, Oost en West Vlaanderen, Antwerpen en Henegouwen waar de cholera heerst.
Ook komt een circulaire binnen over de quarantaine van schepen komende uit de Elbe, Hamburg, van de kust tussen de Eider en de Elbe en Tonningen. Hiervan wordt kennis gegeven aan de sas- en buitenhavenmeesters.

In de loop van juli 1832 wordt het bittere ernst!
Er komt een aanmaning tot het spoedig realiseren van de beraamde maatregelen tegen de cholera. Dit bericht wordt ter kennis gebracht van de stedelijke commissie voor de zaken van de cholera. De gemeenteraad besluit op de 28e juli 1832 tot de volgende maatregelen tegen de cholera: 1e. de aanstaande jaarmarkt of kermis zal niet worden gehouden gelet op de te verwachten volksverzamelingen; 2e. de sas- of buitenhavenmeester wordt gelast om van nu af aan van alle schepen die in de buitenhaven in de stad zullen aankomen dagelijks schriftelijke opgave te doen aan de burgemeester; 3e. het gebruik van onrijp fruit of onrijpe groenten zoals komkommers, pruimen, appels en dergelijke wordt verboden.

Op de 18e augustus 1832 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de directeur van het postkantoor en tevens een beschikking van de Minister van Binnenlandse zaken om de correspondentie van besmette plaatsen aan zuivering te onderwerpen. Zijne Excellentie betuigt echter dat zodanige zuivering van geen nut wordt geoordeeld. Deze beschikking wordt aan de directeur, onder dankbetuiging voor de gedane mededeling, geretourneerd.
Deze zelfde dag legt de burgemeester zijn aan de Gouverneur op de 12e augustus ingezonden rapport over betreffende het door de Rotterdamse beurtman aanbrengen van een zieke vrouw van Rotterdam en het aantasten door de cholera van zijn knecht. Deze wordt in een onbewoonde tent op het Goese sas verpleegd.

Begin september 1832 geven Gedeputeerde Staten kennis dat de 2 procent van de gemeentelijke inkomsten van 1832, bij ongenoegzaamheid van de post voor onvoorziene uitgaven, kunnen worden aangewend tot voorziening in de kosten voor het afweren of bestrijden van de Aziatische braakloop of cholera. Het Stadsbestuur overweegt dat een bedrag van ƒ 600 is uitgereikt aan de commissie tot wering van de cholera. Het wordt echter wenselijker geacht om ook van de machtiging van Gedeputeerde Staten gebruik te maken.

Medische dokters, heelmeesters en vroedmeesters

Deze jaren is de geneeskundige zorg, volgens het statistische rapport van het Stadsbestuur, voortreffelijk geregeld en wordt uitmuntend waargenomen. Dit gebeurt door drie geneesheren (de heren Callenfels, Hecking en Eltzman; in de plaats van laatstgenoemde komt L.C. de Peval), twee (vanaf 1831 drie, als de heer J.A. du Moulin zich als heel- en vroedmeester in de gemeente vestigt) heel- en vroedmeesters (F. Pieterse en W. van den Thoorn), een stadsvroedvrouw (Maria Arentz weduwe Plankeel) en zeven apothekers. Daarnaast is er een drogist en een gebrevetteerd veearts.
Dit is voor de behoefte ‘overvloedig voldoende’. De minvermogenden en gealimenteerden worden door de stadsdoctor, de stadschirurgijn en de stadsvroedvrouw op een behoorlijke wijze bediend.

Dokter A.J. Eltzman geeft het Stadsbestuur in maart 1831 kennis dat hij de stad metterwoon zal gaan verlaten om zich te vestigen in de stad Utrecht. Hij schrijft: ‘Met hartelijk gevoel voor alle de genoegens sedert een aantal jaren in deze stad en in uw edelachtbaren midden genoten en met welmenende dankbetuiging voor de menigvuldige blijken van uw vertrouwen en hooggeschatte vriendschap en met verzekering dat de herinnering daaraan mij steeds aangenaam zal zijn, neem ik de vrijheid u te verzoeken om mij ontslag te verlenen’.
In de vacant gekomen plaats van medisch dokter vestigt zich dokter L.C. de Peval in de stad. Dokter De Peval wordt geneesheer voor het Hervormd diaconaal armbestuur.

Apothekers

Er zijn deze jaren zeven apothekers in de stad gevestigd (w.o. H. Le Cointre, D. Steendijk, T. de Broekert, P.A. Hochart, T. Pruimers en J.W. van Kerkwijk).

In februari 1828 draagt de provinciale geneeskundige commissie in Zeeland voor om de apotheker F. de Broekert te schorsen totdat hij zijn apotheek zal hebben ingericht volgens de geneeskundige voorschriften van het Rijk. Dit heeft weinig effect, want op voorstel van de plaatselijke geneeskundige commissie wordt apotheker De Broekert in augustus 1828 de artsenijmengkunde verboden. Hij wordt gelast zijn winkel te sluiten en alle uiterlijke kentekenen weg te nemen.

Godshuizen

Onder het bestuur van de godshuizen ressorteren het Weeshuis en het Gasthuis.

De jaarrekeningen sluiten verscheidene jaren met een nadelig slot. Dat blijkt uit de volgende saldi:

  uitgaven: inkomsten: resultaat:
1826 ƒ 22.712,92 ƒ 13.047,39 ƒ  9.665,33 -
1827 ƒ 24.097,34 ƒ 28.197,99 ƒ  4.100,65 +
1828 ƒ 30.888,22 ƒ 20.297,10 ƒ 10.591,12 -
1829 ƒ 30.872,23 ƒ 30.504,20 ƒ     368,03 -

De regenten van de godshuizen stellen in augustus 1828 voor hen toe te staan om het bedrag van honderd gulden van de post onvoorziene uitgaven op de begroting van 1828 te besteden voor het laten maken van eettafels in het Weeshuis en het Gasthuis.

Gedeputeerde Staten verzoeken in november 1828 om overeenkomstig het ‘Reglement van bestuur van de steden’ de daarbij voorgeschreven inspecties van de gestichten van weldadigheid te doen. Bij de aanvang van elk jaar dient de gemeente een rapport daarover in te zenden.

In mei 1830 rapporteren de presidenten van het algemeen armbestuur en de godshuizen in de vergadering van het Stadsbestuur over de uitslag van het onderzoek naar de bestemming en de wijze van administratie van de goederen van die instellingen, dit naar aanleiding van vragen van de Gouverneur. In de raadsvergadering van 29 mei wordt ingestemd met het door de secretaris opgestelde concept. De inhoud daarvan wordt niet vermeld.

In augustus 1831 dringen Gedeputeerde Staten aan op een scheiding van de administraties van de godshuizen en het algemeen armbestuur. Hiervoor wordt een commissie van advies ingesteld. Deze commissie adviseert om, uit hoofde van de publieke omstandigheden en de ongunstige stand van zaken bij het armwezen, de situatie voor 1832 vooralsnog op de huidige voet te laten. Het Stadsbestuur besluit overeenkomstig het door de commissie opgestelde advies.
Maar in juni 1832 wordt Zijne Majesteit de Koning eerbiedig verzocht de godshuizen, bestaande uit het Weeshuis en het Gasthuis, alsook de algemene armen van de stad, te rekenen vanaf 1 januari 1833 te laten bestaan uit drie verschillende administraties, elk onder toezicht van een college van regenten. Maar ook om een algemeen armbestuur, belast met de alimentatie van de behoeftige personen en niet onderwezen of verlaten kinderen, in te mogen stellen. De regenten van de godshuizen en het armbestuur en de opzieners van de rooms-katholieke gemeente verenigen zich met het voorstel tot scheiding en toekomstige bestemming van deze administraties.

In december 1832 besluit de gemeenteraad na een zeer uitvoerige deliberatie de volgende verordeningen te maken over de definitieve scheiding van de nog verenigde armeninrichtingen binnen de stad en over de toekomstige organisatie, de bestemming en het beheer per 1 januari 1833. Besloten wordt tot de volgende maatregelen:

  1. de godshuizen, bestaande uit het Weeshuis, het Gasthuis en de algemene armen van de stad, zullen vanaf 1 januari 1833 bestaan uit drie afzonderlijke administraties die ieder hun eigen begroting, beheer en boekhouding zullen hebben;
  2. de rooms-katholieke armen, die thans met de administratie van de godshuizen wat betreft hun wezen en met het algemeen armbestuur wat betreft de thuiszittende armen zijn verenigd, zullen daarvan worden afgescheiden en aan een afzonderlijk armbestuur worden opgedragen;
  3. de benoeming van colleges van regenten over de godshuizen, het algemeen armbestuur en het rooms-katholieke armbestuur zal geschieden door de stedelijke raad;
  4. de regenten over de algemene armen zullen een afzonderlijk college onder de titel van ‘College van regenten over de algemene armen’ uitmaken;
  5. het Gasthuis en het Weeshuis zullen een college van regenten hebben;
  6. het Gasthuis zal strekken 1e tot verpleging van proveniers voor eigen rekening; 2e van bejaarden of gebrekkigen voor rekening van het algemeen en het Hervormde diaconaal armbestuur mitsgaders, bij het weer invoeren daarvan, van een rooms-katholiek armbestuur; 3e van militairen en gedetineerden voor rekening van het rijk of de stad.

Aan de organisatie van de afzonderlijke administraties worden wel vijftien pagina’s in het notulenboek van de gemeenteraad gewijd.

Gasthuis

In het Gasthuis worden doorgaans circa 60 tot 80 bedeelde personen opgenomen, waaronder gemiddeld 5 zieken, 40 tot 50 oude lieden en 20 tot 25 gebrekkigen.

In de plaats van mevrouw de weduwe Stokmans wordt in oktober 1828 tot regentes van het Gasthuis benoemd mevrouw Anna Risseeuw-de Leeuw, echtgenote van de heer Jozias Risseeuw.

In januari 1831 geeft het Stadsbestuur de Gouverneur kennis dat in het Gasthuis een ruimte tot ziekenzaal voor de militairen en schutters in het eiland is ingeruimd. De directie van het Gasthuis kan echter niet voorzien in de fournituren voor hun ligging. Geïnformeerd wordt hoe deze kunnen worden aangeschaft en voor wiens rekening en ook hoeveel voor verpleging en geneeskundige hulp zal kunnen worden genoten.
De Gouverneur antwoordt dat voortaan geen zieke militairen of schutters in het Gasthuis zullen worden geëvacueerd dan in de hoogste noodzakelijkheid. Voor de verpleegden zal in het geheel niet meer dan 50 cent per mandag kunnen worden gedeclareerd.

De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht binnen de stad geeft het Stadsbestuur in juni 1831 kennis dat een dienstmeid uit Kattendijke in het Gasthuis is opgenomen vanwege aantasting door de kinderziekte. Het Stadsbestuur rapporteert hierover aan de Gouverneur onder toezending van de weekstaat. Ook worden de regenten van het Gasthuis en de stadsgeneesheer, belast met de behandeling van de zieken in het Gasthuis, aangeschreven om de bestaande verordeningen van voorzorg strikt na te komen. Dat houdt onder meer in het vermijden van communicatie met de bewoners buiten het Gasthuis en het stipt aanwenden van berokingen en zuiverheidmiddelen. De regenten moeten zorgen voor het plaatsen van een opschrift op de deur van het Gasthuis met het woord ‘KINDERZIEKTE’ in letters van tenminste drie Nederlandse duimen groot. De geneesheer moet wekelijks rapport doen over de toestand van de zieke.

Weeshuis

Deze jaren zijn in het Weeshuis gemiddeld 85 bedeelde kinderen opgenomen, terwijl 12 kinderen buiten het Weeshuis zijn besteed.

Bij de inspectie van de godshuizen in januari 1829 komt de wenselijkheid naar voren om, zowel voor het zedelijke als tot bevordering van de gezondheid, de tweepersoons houten slaapkribben voor de jongens te vervangen door zogenaamde hangmatten of nachtlegers voor één persoon.

In maart 1830 geven de regenten van de godshuizen het Stadsbestuur bericht dat in de plaats van mevrouw de weduwe Van Baalen tot regentesse van het Weeshuis is benoemd en zitting heeft genomen mevrouw C.W. van Rentergem-Verberkmoes, echtgenote van de heer A. van Renterghem.

Algemeen Armbestuur

De jaarrekening van het algemeen armbestuur over 1827 wordt vastgesteld met aan ontvangsten ƒ 8.940,48, aan uitgaven ƒ 8.918,81 en een goed slot van ƒ 21,66.
De jaarrekening over 1828 wordt vastgesteld met aan ontvangsten ƒ 9.911,24 en aan uitgaven ƒ 9.742,33 en een goed slot van ƒ 168,91.
De begroting voor 1829 wordt vastgesteld met aan ontvangsten ƒ 9.924,46, aan uitgaven ƒ 9.924,20 en een goed slot van ƒ 0,26.

In het Algemeen Armbestuur zijn er deze jaren enkele mutaties. In 1830 bedankt de heer W. van Citters als lid. In zijn plaats wordt benoemd de heer Jac. de Jongh. In 1831 volgt de heer P.A. Hochart de heer M. Does als lid op.

Uit een opgave blijkt dat het algemeen armbestuur in november 1827 circa 500 personen bedeelt, waarvan 110 kinderen die lager onderwijs genieten. Hiervan zijn er 450 die voor meer dan de helft in hun onderhoud kunnen voorzien en 50 die dit voor minder dan de helft kunnen.
Ter vergelijking: de diaconie van de Hervormde gemeente bedeelt in deze periode in totaal 124 personen, waarvan 109 die voor meer dan de helft in eigen onderhoud kunnen voorzien en 15 die dit voor meer dan de helft niet kunnen.

In mei 1828 verzoekt het algemeen armbestuur het Stadsbestuur om, tot vereffening van wat bij de begroting over 1827 voor geneesmiddelen is toegestaan, het tekort gekomen bedrag van ƒ 345,13 met een buitengewone subsidie uit de stedelijke kas te subsidiëren. Daardoor kan over dat jaar aan het Gasthuis wegens alimentatie van de bestede personen een wekelijks kostgeld van ƒ 1,44 worden uitbetaald. Dit verzoek wordt toegestaan en het bedrag wordt als buitengewone subsidie aan het armbestuur verstrekt.
Ook keuren Gedeputeerde Staten in februari 1829 goed dat de gemeente het algemeen armbestuur een buitengewone subsidie verlenen van ƒ 439 voor de aanvulling van het tekort  op de medicijnen over 1828.
In maart 1830 verzoekt het algemeen armbestuur om een buitengewone subsidie uit de stadskas van ƒ 500 tot dekking van de meer dan gewone uitgaven die door de strenge en langdurige winter noodzakelijk zijn geweest. Dit wordt toegestaan.
In november 1832 deelt het algemeen armbestuur mee ‘dat door toenemende bedeling en ongewone duurte van de aardappelen over 1831 meer voor bedelingen is nodig geweest dan bij de begroting was toegestaan de som van ƒ 678,35’. Dit zou met een buitengewone toelage uit de stedelijke kas van ƒ 50 kunnen worden gedekt. Dit bedrag kan verkregen worden door het gewone marktgeld van de jaarmarkt. Daarop was gerekend doch deze is niet gehouden. Ze verzoekt het genoemde bedrag in buitengewone uitgaaf te mogen verantwoorden. Uit diverse meevallers wordt hierin voorzien.

Commissie van Weldadigheid

Gedeputeerde Staten dringen in september 1828 bij het Stadsbestuur aan op de oprichting van een Maatschappij van moederlijke liefdadigheid. Het Stadsbestuur overweegt dat in de behoefte van hulpvereisende kraamvrouwen door de armbesturen op een voldoende wijze wordt voorzien. De stadsvroedmeester en de vroedvrouw hebben de verplichting om behoeftige kraamvrouwen bij te staan en de nodige hulp te verlenen. Het ontbreekt in deze stad ook niet aan ‘deelnemende Menschenvrienden welke zodanige behoeftigen of minvermogenden met verkwikkingen en versterkende spijzen bijstaan’. Het Stadsbestuur is daarom van oordeel dat de oprichting van zo’n maatschappij, ook uit hoofde van haar kleine omvang en de meerdere bekendheid van de ingezetenen met de in haar midden aanwezige behoeftigen, van minder noodzakelijkheid moet worden geacht.

Op zijn verzoek wordt de Gouverneur in mei 1829 bericht over de uitslag van de aangewende pogingen tot de oprichting van een afdeling van de Maatschappij van moederlijke liefdadigheid. De aanzienlijkste vrouwen uit de stad zijn hiervoor uitgenodigd deel te nemen. Maar ‘om redenen daarbij vermeld’ heeft men hierin niet kunnen slagen.

Zorg voor de armen en behoeftigen

In het gemeentearchief bevindt zich van oktober 1828 een Staat van het aantal personen, uitmakende de klasse van de ingezetenen waartoe de bedeelden in het algemeen behoren. Daaruit blijkt het volgende:

  Mannen: Vrouwen: Kinderen: Totaal:
Ambachtslieden en werklieden, uitgezonderd de meesters 161 81 156 398
Dienst- en werkboden 46 320 149 515
Dagloners en arbeiders 281 367 381 1029
Pakkers, sjouwers, vaarlieden en schippersknechts 127 90 139 356
Oppassers en dergelijken 12 33 20 65
Rondventers 23 32 43 98
        2461

Gedeputeerde Staten dringen er meermalen op aan kinderen van gealimenteerden op te zenden naar opvoedingskolonies. In januari 1829 wordt het provinciaal bestuur bericht dat het algemeen armbestuur en de diaconie van de Hervormde gemeente geen kinderen kunnen aanwijzen die in de termen van de opzending vallen. Bovendien verlangen de regenten van de godshuizen bij voortduur van deze opzending verschoond te blijven.

De Gouverneur stuurt in november 1829 een vertrouwelijke brief naar de burgemeester. Hij verzoekt daarin ‘om met de meeste omzichtigheid na te gaan of er vrees bestaat dat de minvermogenden en behoeftigen gedurende de aanstaande winter gebrek aan aardappelen zullen hebben en of er geen noodzakelijkheid bestaat om daarin alsdan, door tijdige aankoop van peulvruchten en dergelijke, te voorzien’. Het Stadsbestuur raadpleegt hierover het algemeen armbestuur en de diakenen van de Hervormde gemeente. Deze zijn eenparig van gevoelen dat er voor het ogenblik geen buitengewone maatregelen noodzakelijk zijn. Er is immers een voorraad aardappelen ingeslagen voor de bedeling en er is voldoende vooruitzicht om bij eventuele noodzakelijkheid ten allen tijde peulvruchten en dergelijke aan te kunnen kopen. Het Stadsbestuur besluit zich met het gevoelen van de armbesturen te verenigen en in die geest de Gouverneur te antwoorden.
De gemeenteraad besluit in oktober 1830 voor alle zekerheid om voor stadsrekening ongeveer 300 mudden aardappelen en 34 wissen vaamhout aan te kopen om in de aanstaande winter voor buitengewone bedelingen aan de armen te kunnen aanwenden.

Het aantal bedeelden door de instellingen van weldadigheid over 1831 is als volgt.
De Hervormde diaconie bedeelt in totaal 143 personen, waarvan 128 die voor meer dan de helft in hun onderhoud voorzien en 15 die voor minder dan de helft in hun onderhoud voorzien.
Het algemeen armbestuur bedeelt in totaal circa 500 personen, waarvan 460 voor meer dan de helft in hun onderhoud voorzien en 40 die voor minder dan de helft daarin voorzien. Van deze 500 personen zijn er 74 boven de 60 jaar.
Van de 143 thuis zittende armen in de stad zijn er 128 die voor meer dan de helft in hun onderhoud voorzien en 15 die voor minder dan de helft dit doen.

Commissie voor economische spijsuitdeling

Elk jaar in oktober geeft de Commissie tot de economische spijsuitdeling het Stadsbestuur  bericht over hun voornemen tot het aanvangen van de gewone werkzaamheden en het distribueren van biljetten voor de inschrijving voor het aanstaande winterseizoen. Ze verzoekt de ingezetenen tot ruime giften aan te sporen. Het Stadsbestuur besluit daarvoor de gewone publicatie uit te vaardigen.

In oktober 1831 worden de leden van de commissie Does en Voorbeytel vervangen door de heren Van Kerkwijk en Oversluijs.

De Gouverneur verzoekt in november 1831 nadere inlichtingen over het aantal in de vorige winter uitgedeelde porties soep aan behoeftigen. Geantwoord wordt dat dit 36.000 porties zijn geweest.

In september 1832 verzoekt de commissie om een buitengewone subsidie uit de stadskas tot dekking van het tekort op haar administratie over 1831. ‘Overtuigd van de nuttigheid en doelmatige aanwending der gedane uitdelingen van spijs gedurende de afgelopen winter aan de behoeftige klasse’ verzoekt het Stadsbestuur  Gedeputeerde Staten toestemming om aan de commissie, tot vereffening van het tekort op het afgelopen seizoen, uit de stadskas een buitengewone subsidie te verlenen van ƒ 140.

De commissie verzoekt het Stadsbestuur in november 1832 een subsidie van ƒ 500 voor de spijsuitdeling voor het jaar 1833. Ze krijgt slechts ƒ 300, maar wel een extra bijdrage van ƒ 200 voor de vernieuwing van de soepketel. De commissie wordt met klem verzocht de uiterste zuinigheid te betrachten vanwege de bekrompen toestand van de stadsfinanciën. Er mogen onder geen beding meer kosten worden gemaakt.

Uit de elk jaar opgestelde verslagen blijkt dat het aantal contribuerende leden circa 270 is. Het aantal huisgezinnen dat van de uitdeling gebruik maakt is 260 en het aantal ondersteunde personen circa 780.