Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinanciën (1827 - 1832)

Financiële toestand van de stad

De financiële toestand van de stad kan afgeleid worden uit de stadsrekeningen over deze jaren. De ontvangsten, uitgaven en resultaten blijken uit het volgende overzicht:

  Onvangsten: Uitgaven: Resultaten:
1825 ƒ  60.781 ƒ  50.062 ƒ  10.719 +
1826 ƒ  67.724 ƒ  53.134 ƒ  14.590 +
1827 ƒ  73.709 ƒ  64.062 ƒ    9.647 +
1828 ƒ  63.800 ƒ  55.482 ƒ    8.318 +
1829 ƒ  72.935 ƒ  69.029 ƒ    3.906 +
1830 ƒ  66.150 ƒ  64.797 ƒ    1.353 +
1831 ƒ  65.707 ƒ  64.559 ƒ    1.148 +

In augustus 1831 wordt een landelijke vrijwillige lening van 38 miljoen gulden open gesteld. Vanuit Goes wordt hierop ingeschreven voor 6 gehele en 237 tiende aandelen, samen een bedrag van ƒ 29.700.

Gedeputeerde Staten maken in januari 1832 bedenkingen tegen de begroting voor 1832 en verzoeken deze te wijzigen. Het Stadsbestuur  stuurt hierop een uitgebreide reactie die inzicht geeft in de problemen waar de stad mee te kampen heeft, in de volgende zin:

  1. erkend wordt dat de stedelijke belasting op het gemaal van tijd tot tijd aanmerkelijk achteruit gaat en een vergelijking van de opbrengst van vorige jaren met de laatste jaren een verbazend verschil oplevert;
  2. deze omstandigheid is echter bij het Stadsbestuur  niet buiten aanmerking gebleven, maar integendeel, sinds de twee laatste jaren zijn aanhoudende pogingen gedaan om de bron te ontdekken waaruit dit kwaad zijn oorsprong neemt;
  3. ook bij het Stadsbestuur is het denkbeeld opgevat dat door min nauwkeurige en strenge surveillance de ontduiking van de belasting door frauduleuze invoer, gesimuleerde uitvoer, ongeoorloofde praktijken van de molenaars en bakkers als anderszins gemakkelijk wordt gemaakt;
  4. om deze redenen zijn van tijd tot tijd de striktste bevelen gegeven aan de beambten bij de administratie en de controleur en is de ontvanger aangemaand om het gedrag van de commiezen ten stiptste na te gaan en tevens op te sporen de wijze op welke de belasting wordt ontdoken
  5. het is steeds voorgekomen dat de broodverkoperijen buiten de stadspoorten zo op het grondgebied van de stad als op de limieten en in de nabijheid het meeste nadeel toebrachten aan de belasting op het gemaal;
  6. dit gaf aan de ingezetenen van de gemeente buiten de poorten aanleiding om zich daar van brood te voorzien;
  7. daarom is op deze broodneringen speciaal gesurveilleerd, met gevolg dat diverse broodverkopers hun nering hebben gestaakt, maar anderen hebben het weer ter hand genomen, terwijl de menigvuldige toegangen naar de stad het bijna onmogelijk maken om die invoer geheel tegen te gaan;
  8. daar komt nog bij dat een groot aantal ingezetenen die in de Wilhelminapolder arbeiden, daar wordt opgelegd om zich hun verdiensten voor een groot deel in brood, uit de winkel van de bakker in de Polder, te laten voldoen, wat zij bij het terugkeren van hun dagwerk trachten mee te brengen en in te voeren;
  9. Goes is niet te vergelijken met Middelburg en Vlissingen waar de voortdurende doortocht van reizigers en de aanwezigheid van militair garnizoen voorzeker voor de stedelijke middelen zeer voordelig moet zijn en daarentegen het gemis van garnizoen binnen deze stad, de afwezigheid van een groot aantal ingezetenen bij het leger en de schutterijen, afnemende welvaart in de stad zo in fabrieken als neringen en ambachten en, wat het jaar 1831 bijzonder betreft, het niet houden van de gewone jaarmarkt, op dezelve een aanmerkelijke schadelijke invloed moet uitoefenen;
  10. niettemin is het stedelijk bestuur met Gedeputeerde Staten van gevoelen dat de belasting op het gemaal ontdoken wordt en dat de consumptie van een mud per ziel kan worden aangenomen en het daarom bereid is en zich verplicht rekent om alsnog bij voortduring alle gepaste middelen te onderzoeken waarop deze belasting wordt te kort gedaan en om tot versterking van de surveillance alsnog een commies bij de stedelijke administratie aan te stellen.

Het Stadsbestuur neemt maatregelen om de begroting voor 1832 overeenkomstig de wensen van Gedeputeerde Staten bij te stellen.

In maart 1832 bespreekt de gemeenteraad de toestand van de stedelijke financiën en de vereffening van het tekort over het dienstjaar 1831. De inkomsten werden begroot op ƒ 60.084,07. Maar uit een nauwkeurige berekening blijkt dat deze niet meer zullen bedragen dan ƒ 54.774,37. Er is daardoor een tekort te verwachten van ƒ 5.309,70.
De stedelijke uitgaven zijn goedgekeurd tot ƒ 60.079,40. Maar door onverwachtse en buitengewone uitgaven zijn deze geklommen tot ƒ 61.138,38. Daarvan is voldaan ƒ 54.002,18, terwijl tot op heden onbetaald is gebleven ƒ 7.136,19. De hoge uitgaven zijn veroorzaakt door diverse oorzaken. Allereerst vanwege de buitengewone uitgaven voor de inrichting van lokalen voor de  inlegering van militairen. En verder door het onvoorziene instorten van een van de gemetselde hoofdriolen onder door de wal aan de westzijde van de stad, die in de vest uitloost. Ook

moesten enige buitengewone voorzieningen aan de havenwerken en dringende reparaties aan de planchiergoot van het Stadhuis worden gedaan o.a. tot herstel van gebreken waardoor de voormuur van dat gebouw en de daarmee verbonden binnenwerken groot gevaar zouden hebben gelopen.
Het verschil tussen de inkomsten en uitgaven toont een negatief bedrag aan van ƒ 6.464,00.
Met een aanvulling van ƒ 6.000 zullen alle uitgaven over 1831 gedekt kunnen worden. De enorme hoogte van de stadsbelastingen laat geen verhoging toe.
Het Stadsbestuur besluit Zijne Majesteit de Koning te verzoeken om tot dekking van het tekort op de stedelijke inkomsten en de bestrijding van enige buitengewone uitgaven over 1831 een geldlening aan te gaan van ƒ 6.000, verdeeld in zestig aandelen van ƒ 100 tegen 5% rente.

Stedelijke belastingen

De ontvanger van de stedelijke belastingen geeft in januari 1828 de hoeveelheid van de  ingevoerde bieren in 1826 en 1827 op. Hieruit blijkt dat in 1826 583 vaten en 30 kannen en in 1827 515 vaten en 34 kannen bier zijn ingevoerd. In 1827 zijn dus 67 vaten en 96 kannen minder ingevoerd dan in 1826. De invoer gebeurt uit de zuidelijke provincies langs Bergen op Zoom en het haventje van Hoedekenskerke. Enkel de hoeveelheden van Noord-Brabant, Amsterdam en Middelburg worden aangebracht, maar de eerstgenoemde hoeveelheden overtreffen de laatste ver, zonder dat dit specifiek kan worden opgegeven.

In april 1829 wordt de heer Dominicus benoemd tot arrondissementsinspecteur van de directe belastingen.

In december 1829 beraadt het Stadsbestuur zich over de aanschrijving van de Gouverneur over nieuwe stedelijke belastingen. Er is hiervoor in november 1828 een commissie van advies ingesteld om te dienen van bericht en raad over de meest geschikte belastingen tot vervanging van een gedeelte van de opcenten op ’s rijks accijns op de wijn, het gedestilleerde en het bier, waarover aan de Staten-Generaal een verhoging voor het Rijk is voorgedragen. De commissie rapporteert dat volgens haar gevoelen het de voorkeur zou verdienen om, niettegenstaande een verhoging van de rijksaccijns, de actuele stedelijke opcenten op genoemde voorwerpen te behouden.
Maar als het enigszins mogelijk is zou het de voorkeur van de commissie hebben om de verminderende opcenten te vervangen door een belasting op de honden ten bedrage van ƒ 5 voor iedere jachthond en ƒ 3 voor iedere huishond; op de kaas van vijf cent per Nederlandsch pond; een verhoging van 2½ cent per pond op de tabak; van ƒ 1 per honderd pond op de kolen, dit voor bijzonder gebruik buiten de fabrieken; en desnoods van 2½ cent per pond op de zeep. Dit alles zou volgens een opgestelde begroting onzuiver resulteren in ƒ  3.650,00. Deze aangelegenheid wordt onder de leden van de gemeenteraad gedistribueerd voor nadere besluitvorming.

In januari 1832 komt ter tafel van het Stadsbestuur een vergelijkend overzicht van de hoofdcommies bij de administratie van de stedelijke belastingen van de opbrengst van de middelen over 1830 en 1831. Het college deelt de hoofdcommies mee ‘dat het verbazende verschil in deze opbrengst alleszins, niet alleen de aandacht van de administratie verdient, maar het ten hoogste noodzakelijk is om de ware oorzaak van deze vermindering op te sporen en aan te tonen’. Een strikt toezicht en aanhoudende surveillance, vooral ten aanzien van de middelen die een bijna ongelooflijke moeilijkheid opleveren, dienen naar het oordeel van het college krachtdadig mee te werken. Het college wil het gevoelen van de ontvanger en de hoofdcommies vernemen op hoeveel de consumptie jaarlijks per hoofd van het aan de belasting op het gemaal onderhevige kan worden gerekend.

Uit het rapport van de controleur van de stedelijke belastingen blijkt dat in het jaar 1830 opcenten zijn geheven over de volgende middelen:
kannen wijn 24343
kannen inlands gedestilleerd 15991
kannen buitenlands gedestilleerd 1351
kannen bier van buiten de gemeente ingevoerd 62490
mudden tarwe 2643
mudden rogge 979

Van elders ingevoerd:
ponden tarweblom 30926
ponden tarwemeel 7623
tarwegebak 2953
ponden roggegebak 1037
ponden vers vlees 1962
ponden gezouten vlees 4695
ponden boter 11370
wissen vaamhout 92946
dubbele mudden korte turf 20288
dubbele mudden lange turf 12569
ponden kolen 1025260
ponden tabak 24319
ponden zeep 39629

In maart 1831 is de verbetering van het toezicht op de stedelijke belastingen en in het bijzonder voor die op het gemaal opnieuw onderwerp van beraad. Het is het Stadsbestuur voorgekomen dat, tot vermeerdering en verbetering van de surveillance op de stedelijke belastingen en bijzonder op het gemaal, waarvan de opbrengst zo in het oog lopend achter uit gaat, dat een allerstriktst toezicht hoogst dringend is. Het zou dienstig kunnen zijn om de functie van controleur bij de administratie van de stedelijke belastingen op te heffen en in de plaats van die ambtenaar een hoofdcommies aan te stellen. Deze zou, behalve de werkzaamheden van de controle, verplicht moeten zijn om met en naast de commiezen in persoon te surveilleren en tevens de werkzaamheden onder leiding van de ontvanger te regelen. De thans fungerende ambtenaar wordt verzocht of hij genegen is de functie van  hoofdcommies waar te nemen. Na inzage van de instructie voor hoofdcommies verklaart deze die post niet te ambiëren. Later komt hij hier op terug en neemt hij hier alsnog genoegen mee. Maar de gemeenteraad benoemt in april tot hoofdcommies bij de administratie van de stedelijke belastingen Coenraad Valentijn Louer op een traktement van ƒ 500 per jaar.

Voor het verbeteren en uitbreiden van de surveillance bij de administratie van de stedelijke belastingen besluit de gemeenteraad in juli 1832 een commies aan te stellen. Benoemd wordt Pieter Remijn Pieterzoon. In augustus 1832 overlijdt de commies Rijkaard. In deze functie wordt benoemd Cent Molhoek.

Leenbank

In april 1827 stelt de gemeenteraad een ‘Reglement voor de stadsleenbank’ vast. ‘En uit aanmerking dat de leenbank binnen deze stad en het daartoe behorende fonds aan deze stad in eigendom toebehoort, deze altoos voor stadsrekening in stand is gehouden en bestierd wordt door een directie die zonder tussenkomst van enige armen administratie is aangesteld en de verantwoording van de bank onmiddellijk aan het stedelijk bestuur geschiedt’, verzoekt het Stadsbestuur Zijne Majesteit de Koning de benoeming van de leden van de directie bij voortduring zelf te mogen doen.

In juni 1828 sturen Gedeputeerde Staten een Koninklijk Besluit van de 24e mei toe met de bepaling dat de openbare verkopingen van verpande goederen in de banken van lening zullen worden gehouden door de burgemeester of door zijn gedelegeerden, geassisteerd door de secretaris van de gemeente en in bijzijn van het bestuur van de bank. De processen verbaal van deze verkopingen dienen bij voortduring gratis te worden geviseerd en gratis geregistreerd. Het Stadsbestuur besluit deze stukken voor kennisgeving aan te nemen en van de bepalingen kennis te geven aan wethouder Kakebeeke, die belast is met de directie over de leenbank en aan de boekhouders van de bank.

Ook geven Gedeputeerde Staten in juni 1828 in overweging of het in het nieuw vastgestelde ‘Reglement voor de leenbank’ voorgedragen maximum van 1.000 gulden als traktement van de boekhouder niet voor vermindering en de bepaling van de kantooruren voor geen verandering vatbaar zijn. Hierover vraagt het Stadsbestuur informatie aan de directie van de stadsleenbank. Overwogen wordt dat de voorgestelde 1.000 gulden niet alleen dient als traktement van de boekhouder, maar de boekhouder moet daaruit ook bestrijden alle kosten van kantoor- en schrijfbehoeften zonder daarvoor enige vergoeding te genieten. Door de assistentie van zijn schoonzoon is de huidige boekhouder in staat deze bediening zonder assistent of klerk waar te nemen. Als dat niet zo zou zijn, dan zouden voor de administratie van de bank noodgedwongen twee personen vereist zijn; de kosten daarvan zouden dan ook uit deze 1.000 gulden bestreden moeten worden.

Samengevat, de voorgestelde 1.000 gulden dient voor de gehele bekostiging van de administratie van de bank en de eenvoudige inrichting daarvan. Bij andere banken komen bedieningen van conciërge, boekhouder, klerk, priseerder en inbrenger voor. Deze zijn door de geriefelijk bepaalde kantooruren hier niet nodig. Als hierop wordt gelet, dan zal wellicht geen leenbank minder kostbaar dan deze kunnen worden geadministreerd.

Ofschoon het kapitaal van de jaarlijks beleende en geloste panden oppervlakkig gezien niet aanzienlijk moge schijnen, echter het getal van de gewoonlijk beleende en geloste panden maakt het onvermijdelijk om het kantoor de gehele dag door open te houden. Men zal daarvan ten volle overtuigd worden wanneer men nagaat dat in het jaar 1827, dat geen aanmerkelijk verschil met vorige jaren heeft opgeleverd, over de 24.000 panden zijn beleend en gelost geworden. Dit komt neer op bijna 80 voor iedere werkdag. En al zou een vermindering van kantooruren mogelijk zijn, dan zou dit alsnog geen bezuiniging op de administratie teweeg brengen, daar de werkzaamheden van de boekhouder gegrond zijn op een veeljarige ervaring. Een ondervinding die zodanig is dat deze geen werkzaamheden buitenshuis verrichten kan. Het is bovendien noodzakelijk dat de bank behoorlijk wordt gesurveilleerd en de stad en de belanghebbenden zich verzekerd kunnen houden dat de boekhouder door geen ongenoegzaam bestaan wordt uitgelokt om zijn plicht te verzaken.
Op grond van al deze argumenten is de gemeenteraad van oordeel dat de bezoldiging van de boekhouder, evenmin als de bepaalde kantooruren, voor geen vermindering vatbaar. De raad vertrouwt er op dat Gedeputeerde Staten de voorgestelde bepalingen zullen overnemen.

Gedeputeerde Staten keuren in januari 1829 het door de gemeenteraad vastgestelde ‘Reglement voor de leenbank van de stad’ met enkele wijzigingen goed. Voor de introductie van dit nieuwe reglement zullen de nodige maatregelen worden voorbereid.

In juli 1829 worden tot leden van de directie en administratie van de stadsleenbank benoemd de heren J.W. Hecking en L. de Fouw Jzoon.

De directie van de stadsleenbank geeft in augustus 1829 kennis van de beëdiging van de boekhouder en kassier van de leenbank, Pieter Engelse senior. Zijn jaarwedde is bepaald op ƒ 1.000 per jaar, inclusief kantoor- en schrijfbehoeften.
Het is echter niet voor lange tijd. Op de 5e december 1829 overlijdt de boekhouder en kassier Pieter Engelse. De directeuren hebben tijdig, op het bericht van de gevaarlijke toestand waarin de boekhouder zich op het laatst van zijn ziekte bevond, gelast de voorhanden zijnde gelden, die niet voor de dagelijkse administratie nodig waren, in de stadskas te deponeren. Als gevolg daarvan is een bedrag van ƒ 1.700 in de stadskas neergelegd. Ze hebben, na het bericht van het overlijden van Engelse, dadelijk, in overleg met de zoon en schoonzoon en de borgen van de overledene, de vrederechter verzocht om de bank te verzegelen. Deze verzegeling heeft aanstonds plaats gehad. Vervolgens zijn de directeuren overgegaan om, in aanwezigheid van deze personen een pertinente beschrijving te doen van de aanwezige panden, gelden, registers en dergelijke. Alles bleek in de volkomenste orde te zijn. De directeuren koesterden de vrees dat er een niet onaanzienlijk tekort in de bank zou worden gevonden. Maar daar is nog geen zicht op. Ze willen de werkzaamheden met de meest mogelijke spoed afwikkelen. Bij nader inzien blijkt er toch een tekort in de kas te zijn van ƒ  2.659,83.

De schoonzoon van de overleden boekhouder Engelse, Cornelis Levinus Lignian, biedt zich aan voor de functie van boekhouder van de leenbank. De gemeenteraad schuift deze benoeming af naar de directeuren van de stadsleenbank, omdat zij niet bevoegd zijn.
Op de 9e januari 1830 wordt Cornelis Levinus Lignian benoemd voor de voorlopige administratie van de stadsleenbank in de plaats van de overleden boekhouder Pieter Engelse.

Spaarbank

Gedeputeerde Staten nodigen het Stadsbestuur in juni 1828 uit om te overwegen of in Goes een spaarbank zou kunnen worden opgericht en of de afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zich daarmee zou willen belasten. Hiervoor wordt de afdeling van de Maatschappij binnen de stad aangeschreven.

Op voorstel van de burgemeester besluit de gemeenteraad in augustus 1828 het bestuur van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen uit te nodigen om te voldoen aan de aanschrijving van juni betreffende de oprichting van spaarbanken. De Maatschappij schrijft terug ‘overtuigd te zijn van de nuttigheid der oprichting ener spaarbank binnen deze stad, doch zich met de oprichting van dezelve niet te kunnen belasten’.

De gemeenteraad is in november 1828 eenparig van gevoelen dat, daar het Departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, ‘aan hetwelk de oprichting van een instelling, zo blijkbaar ten algemene nutte strekkende, eigenaardig behoort’, zich daaraan onttrekt, het zeer bezwaarlijk zal zijn om zo’n spaarbank op te richten en in stand te houden. De meeste ingezetenen die daarvoor zouden kunnen worden uitgenodigd, zijn bij de in de stad bestaande instellingen van weldadigheid werkzaam en kunnen niet wel meerdere lasten worden opgelegd. Daarom wordt besloten Gedeputeerde Staten met opgave van deze redenen te berichten dat voor het tegenwoordige de instelling van een spaarbank met geen voldoende uitzicht op goed gevolg te beproeven is.

Maten en gewichten

In mei 1828 worden nieuwe inhoudmaten ten dienste van de beëdigde meters binnen de stad voor het meten van aard- en boomvruchten, kalk en kolen aangeschaft voor ƒ 35.

De arrondissementijker maakt het Stadsbestuur er in september 1832 opmerkzaam op dat het, naar aanleiding van gezegden van een van de stadskorenmeters, schijnt dat deze geen gebruik maken van de Nederlandsche maat. Hij wordt daarin versterkt omdat de stads graanmaten in juni 1830 vanwege hun onjuiste inhouden zijn afgekeurd. Tevens geeft hij in overweging inhoudsmaten van gegoten of geslagen ijzer aan te schaffen. De stads korenmeters komen op verzoek in de vergadering op het Stadhuis en worden hierover gehoord. De gemeenteraad besluit de stads korenmaten nader te laten onderzoeken en daarna de nodige maatregelen daarvoor te nemen.

In oktober stuurt de arrondissementijker een lijst van de patentplichtigen binnen de stad, die geacht worden in hun bedrijf maten en gewichten te gebruiken, toe. Hij verzoekt deze lijst te overzien en aan te vullen. Hij voegt daarbij een uitvoerige berekening als bewijs voor de afgekeurde graanmaten die gebrekkig zijn en niet kunnen worden gebruikt. Het Stadsbestuur besluit om voor de stadsmeters nieuwe graanmaten aan te schaffen.

Schadevergoeding Franse overheersing

Op de 28e juni 1828 legt de burgemeester de gemeenteraad een afschrift van Zijne Majesteits Besluit over op het door de raad ingediende verzoek om schadeloosstelling ‘wegens het afwijs van de verevening van een som van ƒ 9.542,36, in het jaar 1812 in de rijkskas van Frankrijk gestort’. Het heeft de Koning behaagd de stad bij wijze van gunst een tegemoetkoming te verlenen van ƒ 4.000. De gemeenteraad neemt dit besluit met een gevoel van dankbaarheid voor dit koninklijke gunstbewijs aan.
Besloten wordt de Gouverneur voor te stellen om de bij het Koninklijk Besluit toegestane som van ƒ 4.000 uit de stadskas te suppleren tot de benodigde ƒ 4.840,38, waarmee de achterstallige lopende stadsschulden kunnen worden afgedaan. Hierin is begrepen het geliquideerde nadelige slot van de rekening over 1814 en het traktement van de stads Fransche schoolonderwijzer Le Clercq.