Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1833 - 1839)

Algemeen

De jaarverslagen geven een globale indruk van de handel, zeevaart en fabrieken in de stad.
Over 1834 vermeldt het jaarverslag dat in de loop van het jaar in de stad zijn gesticht een broodbakkerij (van J.E. de Joode), een koekbakkerij (van Johannes de Graag) en een azijnmakerij (van C.L. Lignian).
Over 1835 vermeldt het verslag dat handel, zeevaart en fabrieken geen bijzonderheden hebben opgeleverd. ‘De fabrieken zijn van geen groot belang en slagen ook niet bijzonder’. Een nieuwe kunstazijnfabriek is nog door een andere gevolgd, maar het is twijfelachtig of deze voldoende aan de verwachting zal beantwoorden. Ook is nog een zoutziederij in aanbouw en deze zal waarschijnlijk spoedig in werking worden gebracht. Binnen de stad zijn ook gesticht een koperslagerij, een zoutziederij en een azijnmakerij. Daar tegenover staat het teniet gaan van een koekbakkerij en een broodbakkerij.
Over 1836 maakt het jaarverslag melding dat handel en fabrieken geen bijzonderheden opleverden. De fabrieken zijn van geen groot belang en slagen ook niet bijzonder. Het getal is met een, namelijk een van de twee onlangs opgerichte azijnfabrieken, verminderd. 8De zoutziederij, die voorleden jaar in aanbouw was, is in werking en de zeepziederij is ook weer aan het werk, na enige jaren te hebben stil gestaan. De landbouw, waarvan de meeste ingezetenen en kleine handel en nering voornamelijk moeten bestaan, heeft tot hiertoe geen grote opbeuring ondervonden van de genomen maatregelen. In de loop van het jaar is binnen de gemeente een tabakfabriek en een vleeshouwerij gesticht. Wel is een vleeshouwerij teniet gegaan. De bestaande zeepziederij is weer in werking gebracht. Over 1837 vermeldt het jaarverslag dat handel, zeevaart en fabrieken geen bijzonderheden hebben opgeleverd. De fabrieken zijn van geen groot belang. De landbouw, die voorname bron van bestaan voor de ingezetenen, heeft nog weinig opbeuring laten zien.
Over 1838 meldt het jaarverslag dat de fabrieken van weinig belang zijn en ook niet bijzonder slagen. De landbouw heeft enige opbeuring ondervonden en is minder kwijnend dan over enige jaren. In de loop van 1838 zijn gesticht een broodbakkerij (van Nic. Vertregt), een zilversmederij en een grofsmederij. Daar staat tegenover dat drie grofsmederijen zijn te niet gegaan, terwijl drie horlogemakers zich in de stad hebben gevestigd.

Azijnmakerij

In 1834 komt het tot de oprichting van een azijnmakerij in de stad.
In september dient Cornelis Levinus Lignian, inwoner van de stad, een verzoek bij de Gouverneur in voor de oprichting van een kunstazijnmakerij. Burgemeester en wethouders geven hiervoor een gunstig advies aan de Gouverneur. Gedeputeerde Staten sturen daarop op de 10e oktober een extract verbaal toe waarbij aan de heer C.L. Lignian een vergunning wordt verleend om in zijn woonhuis in wijk A nummer 79 op de Kreukelmarkt een kunstazijnmakerij op te richten.

Een jaar later, in april 1835, stelt de Gouverneur het gemeentebestuur voor advies in handen een verzoek van de heer Marinus Johannes Bosdijk voor de firma Bosdijk en Pilaar tot het verkrijgen van vergunning voor de oprichting van een kunstazijnfabriek in het koetshuis van Bosdijk in wijk B nummer 95 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat. De buurlieden worden uitgenodigd voor een overleg hierover. Er zijn geen bedenkingen tegen deze fabriek.
Er wordt dan ook een vergunning voor de oprichting verleend.
Enige tijd later verzoeken de kunstazijnmakers, de heren Bosdijk en Pilaar, vrijdom van de stedelijke impost op het gedestilleerde dat voor het maken van azijn nodig is.

In oktober 1835 komt er nog een verzoek om een azijnfabriek op te richten. Het is van Teunis van der Leede, azijnfabrikant binnen de stad, wonende op de Kreukelmarkt in wijk A nummer 79. Dit is de voormalige azijnfabriek van Lignian). Hij deelt mee dat hij enige maanden geleden van mejuffrouw de weduwe Lignian heeft overgenomen een fabriek van wijn en bierazijn, slechts kort tevoren door wijlen haar echtgenoot in de stad gevestigd. Als gevolg daarvan heeft hij zich metterwoon naar Goes begeven om de fabriek in werking te doen blijven. De onderneming heeft niet beantwoord aan de verwachtingen die hij had. Hij heeft er zelfs enorme schade van geleden. Na veel kosten gemaakt te hebben heeft hij zich nu in staat gesteld ‘tot de vervaardiging van zodanige azijn als waarvan zich door de deugdelijkheid en zuiverheid der bestanddelen een ruim gebruik laat beloven en welke bekend is onder de naam van ‘rozijn-wijn-azijn’, waarvan zijn fabriek tot heden is de enige te dezer stede’. Hij verzoekt om, zoals hij meent dat in andere steden waar azijnfabrieken bestaan plaats heeft, de van buiten de stad ingevoerd wordende wijn en bierazijnen aan een stedelijke belasting te onderwerpen. Hij bedoelt hiermee een zodanige belasting dat daardoor de mededinging van deze azijnen met de door hem vervaardigde wordt tegengegaan. En wel zodanig dat hij door de aflevering tegen billijke prijzen in staat wordt gesteld om aan zijn fabriek een gewenst vertier en uitbreiding te geven. Het Stadsbestuur geeft hem echter te kennen dat aan zijn verzoek, zoals het er nu ligt, als strijdig met de bestaande verordeningen niet kan worden voldaan.
 
In juli 1836 geven de azijnmakers Bosdijk & Pilaar te kennen dat hun bij besluit van de Minister van Financiën vrijdom van de accijns is verleend voor het ten behoeve van hun azijnmakerij gebezigd binnenlands gedestilleerd. Hierbij geldt wel de bepaling dat elk vat gedestilleerd, dadelijk bij de inslag en in tegenwoordigheid van beambten, wordt vermengd met twintig kannen moerazijn. Ze verzoeken hen onder gelijke bepalingen vrijdom te verlenen van stedelijke belasting van het voor hun azijnmakerij gebezigde binnenlands gedestilleerd.
Besloten wordt dit verzoek in de eerste vergadering van de gemeenteraad in bespreking te brengen. Ondertussen zal de ontvanger van de stedelijke belastingen machtiging worden verleend om hen consent te verlenen om het gedestilleerde dat zij voor hun azijnmakerij  onder het genot van vrijdom van rijksbelasting zullen ontvangen, op krediet en dus zonder dadelijke betaling van stedelijke impost te mogen inslaan.
Eind januari 1836 wordt de heren Bosdijk en Pilaar over 1835 voor hun azijnfabriek vrijdom verleend van stedelijke belasting op de brandstoffen voor 9/10 gedeelte.

In december 1837 komt er opnieuw een verzoekschrift van de azijnmakers Bosdijk & Pilaar binnen voor het verkrijgen van vrijdom van stedelijke belasting voor het ten dienste van hun azijnmakerij verbruikt wordende binnenlands gedestilleerd. Besloten wordt hen, onder dezelfde bepalingen wat betreft het vermengen van elk vat gedestilleerd met 20 kannen moerazijn als van rijkswege bepaald, over 1837 en vervolgens tot wederopzegging vrijdom van stedelijke belasting van het voor hun azijnmakerij gebezigd wordende binnenlands gedestilleerd te verlenen.
 
Ook in maart van het jaar 1839 komen er verzoekschriften bij het Stadsbestuur van de azijnmakers binnen. In maart bespreekt de gemeenteraad verzoeken van de heren Marinus Johannes Bosdijk, bier- en azijnmaker, en Cornelis Marinus de Jongh, bierbrouwer onder de firma van J. de Jongh & Zoon, om te rekenen van 1 januari het abonnement ten behoeve van de stad voor de stedelijke belasting op de bieren voor wat betreft Bosdijk mag worden ingetrokken en buiten effect gesteld zonder bezwaar van de tweede verzoeker, bierbrouwer De Jongh. Besloten wordt de stedelijke ontvanger te machtigen om het abonnement van Bosdijk, zolang hij geen bieren uitslaat, tot op een derde van het tegenwoordige bedrag, gerekend sinds de 1e januari van dit jaar, te verminderen.

Bakkers

In deze jaren zijn er circa 18 brood- en koekbakkers binnen de stad.
Genoemd kunnen worden Jacobus Barbier, M. Breker, F. Briels, G. Eckhardt, Johannes de Graag (koekbakker), H. Harinck, Johannes Harinck, P. de Jonge en zoon, Johan Eberhart de Joode, M. van Liere, de weduwe De Plaa, J. Scheele, Cornelis Schot, Andries Snoep, H. Snoep, Nicolaas Vertregt, Willem Verburg en J.M. van Zoom.

In maart 1833 verzoekt de broodbakker Johan Eberhart de Joode om vergunning om in het door hem gekochte woonhuis in wijk D nummer 258 aan de Opril van de
Grote Markt een broodbakkerij op te richten. De generale brandmeesters hebben daar geen bezwaar tegen. De bewoners van de belendende panden hebben wel enkele bezwaren, maar deze worden van geen doorslaggevend belang geacht. Hij krijgt vergunning mits bij de aanleg van de stookplaats en de oven de bepalingen van het stedelijke brandreglement in acht worden genomen en de gehele inrichting plaats vindt onder toezicht van de stadsfabriek.

Ook de buurman van bakker De Joode, de koekbakker Johannes de Graag, vraagt in april 1834 vergunning om in het woonhuis in wijk D nummer 259 aan de Oprel van de Grote Markt een aanwezige, doch sinds jaren niet gebruikte bakoven weer in gebruik te mogen stellen en daar een koekbakkerij te stichten en een aanwezige oven daarvoor geschikt te laten maken. De buurlieden broodbakker De Joode en Barbara van de Velde weduwe van Leendert van der Does, hebben geen bezwaren. Het verzoek wordt toegestaan.

In januari 1838 dient Nicolaas Vertregt, eigenaar van een huis in wijk A nummer 111, een verzoek in om toestemming voor het stichten van een broodbakkerij aan zijn woonhuis. Hij is voornemens om in het achterste en geheel op zich zelf staande gedeelte van dat huis (met a op de plattegrondtekening aangegeven bij de huizen tussen de Korte Kerkstraat en het Klokhuistraatje) een bakkerij te stichten. De bakkerij staat west aan de straat, oost aan de open plaats en noord en zuid tussen goed bemuurde gebouwen.

De broodbakkers Jacobus Barbier, Cornelis Schot, Willem Verburg en de weduwe van Hendrik de Jonge hebben in december 1838 een bekeuring ontvangen wegens overtreding van de Verordening op de broodzetting. Het Stadsbestuur deelt hen op hun klacht mee dat het college op grond van het Koninklijk Besluit onbevoegd is om de tegen hen opgemaakte processen verbaal buiten rechterlijke vervolging te laten.
Ook in augustus 1839 wordt bakker Jacobus Barbier door de kantonrechter veroordeeld tot een boete van ƒ 25 voor het bakken en te koop leggen van grof tarwe brood. Dit is niet toegestaan op grond van de bepalingen van het provinciale reglement op de broodzetting.

Beurtveren


Beurtveren algemeen

In deze jaren zijn er vaste beurtveren op Amsterdam, Bergen op Zoom, Dordrecht, Gouda, Middelburg, Rotterdam en Zierikzee.

Gedeputeerde Staten van Zeeland vragen in januari 1834 om informatie of het Stadsbestuur het al dan niet wenselijk vindt om veranderingen te maken in de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 21 augustus 1818 met betrekking tot de beurt- en veerschepen in het rijk. Besloten wordt te rapporteren dat nauwkeurig is nagegaan welke invloed dit Koninklijk Besluit heeft op de in de stad bestaande beurtveren, de behoeften van de handel en de belangen van de ingezetenen. Het is het Stadsbestuur voorgekomen dat geen veranderingen noch wijzigingen wenselijk zijn, maar veeleer de volkomen handhaving van dit Besluit in het belang van de stad is.  

In februari 1836 schrijven Gedeputeerde Staten het Stadsbestuur aan voor het jaarlijks doen kloppen en onderzoeken van de beurt- en veerschepen. Het Stadsbestuur overweegt dat de commissaris van politie is gelast om elk jaar de schepen van de beurtschippers te inspecteren. Besloten wordt de commissaris van politie ten overvloede aan zijn verplichting te herinneren. De inspectie van de schepen dient jaarlijks op een zodanig tijdstip te gebeuren dat zijn rapport in de maand mei ter tafel van het Stadsbestuur kan komen.

Beurtveer op Amsterdam

Op Amsterdam vaart één beurtschip. Het meet 65 tonnen en wordt bevaren door een schipper en twee knechts. Om de veertien dagen vaart het op donderdag de ene week vanuit Goes en de andere week vanuit Amsterdam.

In 1834 krijgt beurtschipper Bartholomeus Velding uit Amsterdam toestemming op de 1e maart met zijn schip te vertrekken naar Amsterdam voor groot onderhoud. Het gemeentebestuur verwijt hem nalatigheid in de bediening van het veer en in het doen van onvermijdelijke reparaties aan zijn schip. Hij krijgt de aanzegging dat hij moet zorgen om zijn schip uiterlijk met de 1e mei in voldoende staat te brengen voor een behoorlijke bediening van het beurtveer op straffe van ontslag. Ondertussen zal het veer door een ander worden waargenomen.
Maar op de 17e mei blijkt dat de Amsterdamse beurtschipper Velding niet heeft voldaan aan de herhaalde aanmaningen van het gemeentebestuur voor het regulier bedienen van zijn beurtveer alsook voor de reparatie van zijn beurtschip. Deze handelwijze zal het gehele verval van het veer na zich slepen indien daar niet tegen wordt voorzien. Besloten wordt het Stadsbestuur van Amsterdam voor te stellen om beurtschipper Velding van zijn bediening vervallen te verklaren met de aanbeveling om schipper Jacobus Reijnhout hem te laten opvolgen.
Het Amsterdamse Stadsbestuur geeft te kennen akkoord te gaan met de aanstelling van Jacobus Reijnhout tot beurtschipper op het veer tussen beide steden in de plaats van schipper Velding.

In september 1834 stelt de gemeenteraad een nieuw Reglement voor het beurtveer op Amsterdam vast.

De commissaris van de veren uit in mei 1835 klachten tegen de Amsterdammer beurtman  Adriaan de Beste. Besloten wordt deze opnieuw tot zijn plicht te vermanen en de commissaris van politie te gelasten om jaarlijks de schepen van de beurtschippers te visiteren en daarvan rapport te doen. De Beste verklaart door financiële omstandigheden en vanwege zijn geringe verdiensten uit dit veer buiten staat te zijn om het veer geregeld volgens het bestaande reglement waar te nemen. De commissaris van de veren wordt advies gevraagd. Weldra ziet beurtschipper De Beste af van de waarneming van zijn bediening als beurtschipper. Het Stadsbestuur van Amsterdam wordt voorgesteld om dit veer voorlopig alleen door beurtschipper Reijnhout te laten bedienen. Hij krijgt wel de verplichting om geregeld iedere veertien dagen op donderdag beurtelings van een van beide steden af te varen.

Beurtveer Bergen op zoom
Op Bergen op Zoom vaart één beurtschip van 39 tonnen, bevaren door een schipper en een knecht. Vanuit Goes vertrekt de beurtman elke woensdag en vanuit Bergen op Zoom elke maandag en ’s winters op zondag.

Beurtveer op Dordrecht
Op Dordrecht vaart één beurtschip van 54 tonnen, bevaren door een schipper en twee knechts. Het schip vertrekt elke woensdag vanuit Goes en elke zaterdag vanuit Dordrecht.

In maart 1834 stelt de gemeenteraad een nieuw Reglement en een tarief voor het beurtveer op Dordrecht vast. Dit wordt voor onderzoek toegezonden aan het Stadsbestuur van Dordrecht. In januari 1837 sturen Gedeputeerde Staten het goedgekeurde Reglement voor het beurtveer op Dordrecht toe. Enkele artikelen uit het Reglement zijn de volgende:


Artikel 1

Het beurtveer van Goes op Dordrecht en vice versa zal worden bediend door een beurtschipper, die beurtelings door de besturen der beide steden zal worden aangesteld en zal moeten varen iedere week, des woensdags van Goes en des zaterdags van Dordrecht indien er genoegzame vrachtgoederen ter beoordeling van de commissaris van de veren voorhanden zijn.

Artikel 2
De beurtschipper zal dit veer in persoon moeten waarnemen of, ingeval van wettige verhindering, iemand in zijn plaats stellen ten genoegen van Burgemeesters en Wethouders en ter zijner verantwoordelijkheid.

Artikel 3
De beurtschipper zal tot de bediening van dit veer een bekwaam en geschikt schip ten genoegen van het bestuur der stad, door hetwelk hij wordt aangesteld, moeten gebruiken en gedogen dat hetzelve tenminste eenmaal ’s jaars ten zijnen kost wordt geviseerd en geklopt.
 

Beurtveer op Gouda en Delft

Het beurtveer op Gouda en Delft wordt door één beurtschip van 23 tonnen onderhouden en wordt bevaren door een schipper en een knecht. De ene week vaart het beurtschip uit Goes af op vrijdag en de andere week uit Gouda op donderdag.

Op hun verzoek stuurt het Stadsbestuur van Goes dat van Gouda een Reglement en tarief voor het beurtveer tussen beide schepen toe. In september 1834 keuren Gedeputeerde Staten het toegezonden Reglement en het tarief voor de vrachtlonen voor het veer tussen Goes en Gouda goed. Na goedkeuring door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland kan dit in werking worden gebracht.
 
In december 1835 krijgt beurtschipper Jan Dronkers ontslag wegens zijn ontrouwe dienst in zijn beurtveer op Gouda. In zijn plaats wordt aangesteld Adriaan Benjaminse.

Beurtveer op Middelburg
Op Middelburg vaart een beurtschip van 39 tonnen, bevaren door een schipper en een knecht. Elke week vaart er op woensdag een schip vanuit Goes en op zaterdag vanuit Middelburg.

In juli 1833 verzoekt Adriaan Biersteker uit Goes om in de plaats van zijn zwager, Willem van der Straaten die daarin toestemt, te worden benoemd tot beurtschipper en koopmansbode op Middelburg. Als het gemeentebestuur hiervoor geen toestemming geeft, dan verzoekt hij akkoord te gaan met de door zijn zwager op hem te verstrekken commissie om dit veer als zetschipper te bedienen. Kennelijk gaat dit niet door, want in mei 1938 komt er een verzoek bij het Stadsbestuur van Willem van der Straaten en Adriaan Touw met het verzoek van Van der Straaten om eervol ontslagen te worden en van Touw om benoemd te worden tot beurtschipper en koopmansbode tussen beide steden. Hiermee wordt akkoord gegaan.


Beurtveer op Rotterdam

Het beurtveer op Rotterdam wordt door een beurtschip uit iedere stad onderhouden, van Goes van 55 ton en van Rotterdam van 51 ton. Beide schepen worden bevaren ieder met een schipper en twee knechts. Iedere vrijdag vertrekt een beurtschip van Goes en iedere woensdag van Rotterdam.

Er ontstaan meningsverschillen tussen de stadsbesturen van Rotterdam en Goes over het beurtveer. In april 1833 wordt geprobeerd met de stad Rotterdam te komen tot een nieuw Reglement voor het beurtveer. De ondervinding leert dat particuliere schippers inbreuk maken op de rechten van de beurtschippers. Deze rechten kunnen zonder een door het provinciaal bestuur geaccordeerd reglement niet worden gehandhaafd. De gemeenteraad machtigt het college om nadere pogingen in het werk te stellen tot het ontwerpen van een zodanig reglement.
Maar er kan met de stad Rotterdam niet tot overeenstemming worden gekomen over een nieuw reglement. De gemeenteraad stelt daarop eenzijdig een Reglement vast. Gedeputeerde Staten wijzen er echter op dat een dergelijk Reglement de instemming moet hebben van beide stadsbesturen. Indien men het daarover niet eens kan worden, zal de opheffing van het veer daarvan het gevolg zijn. De punten waarover verschil van mening is,  zijn de verdeling van de voordelen van de commissarissen en de betaling van extra  schutgelden gedurende de tijd dat geen derde beurtman in het veer zal worden aangesteld.
Vanwege het belang van het beurtveer wordt Rotterdam aangeboden om van de verdeling van de voordelen van de commissarissen af te zien en ieder het genot te laten van zijn eigen inkomsten. En verder dat Goes niet ongenegen is om over het bezwaar van de schutgelden nader te onderhandelen.
Er komt echter in november bericht van Rotterdam dat ze niet akkoord kunnen gaan met het voorstel van Goes over het genot van de verdiensten door de commissarissen over het beurtveer tussen beide steden. Rotterdam wil de verdeling van deze verdiensten behouden op de voet van het Reglement van 23 oktober 1819.
Het Stadsbestuur van Goes geeft zich gewonnen en besluit alle vorige resoluties in te trekken en overeenkomstig het voorstel van Rotterdam vast te stellen een Reglement en een tarief van vrachtlonen voor het beurtveer tussen beide steden.

In februari 1834 komt er een brief van het gemeentebestuur van Rotterdam met bereidverklaring tot het vaststellen van het Reglement voor het beurtveer indien de bepaling in artikel 1 zo kan worden verstaan dat vooralsnog het veer door twee schippers zal worden bediend en in de verhoging van het aantekengeld te berusten. Hiermee wordt akkoord gegaan.

De burgemeester van Rotterdam verzoekt in januari 1837 informatie waarom de beurtschippers van Goes niet afvaren op de dagen die bij het nieuw ingevoerde Reglement zijn bepaald, maar in opdracht van de commissaris van de veren alsnog op dezelfde tijd als voorheen afvaren. Verder verzoekt hij de overwegingen van het Goese Stadsbestuur voor de aanstelling van een derde beurtschipper. Het Stadsbestuur van Goes gelast daarop de commissaris van de veren om de beurtschipper te laten afvaren op de dagen die in het nieuwe Reglement zijn voorgeschreven.

De beurtschipper op Rotterdam, Pieter Boer, verzoekt in april 1837 dat het beurtveer tussen beide steden voortdurend door twee beurtschippers mag worden bediend en daarom de aanstelling van een derde beurtman, waartoe het Reglement voor dit veer aanleiding geeft, niet te doen.

Beurtveer op Zierikzee
Het beurtveer op Zierikzee wordt bediend door één schip van 17 tonnen, bevaren door een schipper en een knecht. De beurtman vaart vanuit Goes op maandag en donderdag, maar ’s winters alleen op donderdag. Vanuit Zierikzee vertrekt hij de dag daarop.

In juli 1836 ontvangt het Stadsbestuur het rapport over de visitatie van het beurtschip van de beurtschipper op Zierikzee, Jan Dalebout. Daaruit blijkt de onvoldoende staat van dat vaartuig. Het wordt noodzakelijk geacht een nauwkeurige visitatie van het schip op een scheepstimmerwerf of helling door een deskundige te bewerkstelligen, ‘hetgeen bij gemis van zodanige gelegenheid alhier niet kan geschieden’. Het Stadsbestuur van Zierikzee wordt aangeschreven met het verzoek om het beurtschip daar op de werf of op een scheepshelling te doen visiteren. In oktober wordt het beurtschip alsnog goedgekeurd.

Brouwerijen

Er zijn deze jaren van de vanouds in de stad bestaande vier bierbrouwerijen nog twee over.
De ene is van Jacobus de Jongh en zoon en de andere van Van de Putte en Zoon, later Marinus Johannes Bosdijk.
 
De bierbrouwers J. de Jongh & zoon verzoeken in oktober 1833 om restitutie voor hun bierbrouwerij van de stedelijke impost op de kolen, voorzover die voor het brouwen van hun bier worden gebruikt. Het Stadsbestuur staat hen voor 1834 restitutie toe van de stedelijke impost op de kolen van vierduizend Nederlandse ponden, voor elke een honderd vaten inhoud van de roerkuip, van die bieren die in hun brouwerij gedurende dit jaar gebrouwen zullen worden. Een afschrift zal worden uitgereikt aan de bierbrouwers Van de Putte en zoon met de informatie dat zij op gelijke wijze restitutie van de stedelijke impost op de kolen voor hun bierbrouwerij kunnen verkrijgen.

In januari 1835 delen de bierbrouwers Jacobus de Jongh en zoon en Marinus Johannes Bosdijk het Stadsbestuur mee dat ze van rijkswege gedeeltelijke vrijdom van accijns genieten voor de in hun fabrieken verbruikte brandstoffen. Ze verzoeken ook het Stadsbestuur hun vrijdom van stedelijke belasting voor deze brandstoffen te verlenen.
Bierbrouwer Bosdijk verzoekt in maart 1835 ook om een verminderd abonnement wegens de stedelijke belasting op het bier. Deze verzoeken hebben resultaat. In januari 1836 verleent het Stadsbestuur de beide bierbrouwers over 1835 vrijdom van stedelijke belasting op de steenkolen van 4000 Nederlandse ponden, voor elk 100 vat inhoud van de roerkuip, van de bieren in dat jaar in hun fabrieken gebrouwen.

Graanhandel

In augustus 1834 vraagt de arrondissementijker te Middelburg enige inlichtingen over de maten die door de stedelijke graanmeters worden gebruikt. Het Stadsbestuur antwoordt dat de afgekeurde maten buiten gebruik zijn en nieuwe maten voor de graanmeters zullen worden aangekocht. Het is ook de vergadering niet bekend en ze kan dat ook niet geloven, dat er met oude maten gemeten zou worden.

Tot leden van de Commissie tot opneming en bepaling van de middelprijs van de granen benoemt het Stadsbestuur in december 1835 de heren Charles Petrus Soutendam (29 jaar, lid van de gemeenteraad en wonend op de hofstede ‘het Valckeslot’), Gerhardus Hendrikus Kakebeeke (34 jaar, ontvanger-griffier van de Brede Watering bewesten Yerseke en fabrikant), Abraham Steendijk (47 jaar, wijnkoper), Cornelis Pilaar (32 jaar, controleur, bewaarder van het kadaster), Johannes de Leeuw (46 jaar, zilversmid) en P.J. Somer. Te beginnen met de eerstkomende marktdag zullen de commissieleden de wettelijk bedoelde opgave van de prijzen van de in de wet genoemde graansoorten opmaken en aan het Stadsbestuur na afloop van de markt overhandigen.

Herbergen, kroegen, koffiehuizen en logementen

De Gouverneur stelt in augustus 1834 voor advies in handen van het Stadsbestuur een verzoek van Hendrik Wolff, logementhouder binnen de stad. Daarin verzoekt Wolff Zijne Majesteit de Koning toestemming voor het doen verloten van zijn logement ‘de Stad Rotterdam’, staande op de Grote Markt. Besloten wordt daarop gunstig te adviseren. Wel wordt in overweging gegeven om aan de te verlenen toestemming de bepaling te verbinden dat geen volgende verloting van de gebouwen zal mogen plaats hebben en deze ook niet door de nieuwe eigenaar mogen worden afgebroken of voor afbraak verkocht.

In oktober 1836 verzoekt de commies bij de administratie van de stedelijke belastingen, J. Koopman, om de tapperaffaire te mogen uitoefenen in de uitspanning ‘Pas Buiten’. Dit wordt afgewezen. Wel geeft het Stadsbestuur toestemming dat de vrouw van Koopman deze affaire gaat uitoefenen.

Er doet zich in 1838 een eigenaardige kwestie voor met betrekking tot de herbergier en tapper in de herberg op het Sas, Hendricus de Groot. De Groot deelt het Stadsbestuur in maart 1838 mee dat hij in het jaar 1830 van de weduwe Dronkers haar keet of woning op het Sas heeft gekocht. Daarin is destijds door haar het tappers- en herbergierbedrijf uitgeoefend. Voor de overname heeft De Groot betaald de niet geringe koopprijs betaald van ƒ 950 met het oogmerk om het bedrijf daar voort te zetten. Dit doet hij nog steeds, voornamelijk op de stellige belofte van de heer Van den Bosch van de Wilhelminapolder dat aan niemand zal worden vergund om daar te bouwen dan onder de voorwaarde dat het herbergiers- of tapperbedrijf of iets wat daarop betrekking heeft, niet zal mogen worden uitgeoefend. Hij heeft dit zo opgevat dat alleen hij met uitsluiting van alle anderen daartoe bevoegd zal zijn en daarmee begunstigd is. Hij heeft ook werkelijk tot en met begin 1834 het bedrijf daar geheel alleen en tot zijn genoegen met succes uitgeoefend. Nimmer heeft hij kunnen bemerken dat hem door iemand zijn bestaan werd misgund, veel minder dat getracht werd hem dit bedrijf geheel of ten dele te benemen.
Echter ter gelegenheid van de oprichting van de stoombootvaart van Rotterdam op Goes schijnt een zekere Jan van Blitterswijk, ambtenaar bij het stedelijke bestuur van Goes, ‘een man die niet de minste last bezit en wiens jaarlijkse inkomen tenminste op 700 gulden mag worden begroot, door hebzucht gedreven, de lust te hebben bekropen hem in zijn bestaan te ondermijnen’. Daarom neemt hij de vrijheid zich te wenden tot het Stadsbestuur. Dit met het verzoek om, uit aanmerking van een en ander en vooral ook van de mindere lasten en het briljante bestaan van de sasmeester in vergelijking met de meerdere last die hij heeft, de aan de sasmeester verleende toestemming voor het uitoefenen van het tappersbedrijf in te trekken. En verder hem het gebruik van het stadsmagazijn voor de stalling van paarden en hoornvee tot berging van koopmansgoederen te beletten.

Hoedenmakerijen

Pieter Magielse, de hoedenfabrikant binnen de stad, verzoekt in september 1834 vrijdom of restitutie van de jaarlijkse stedelijke impost voor 125 mudden grove maatkolen die hij voor zijn fabriek nodig heeft. Het Stadsbestuur geeft hem te kennen dat in zijn verzoek, zoals dat er nu ligt, niet kan worden getreden. Het wordt hem echter vrij gelaten om jaarlijks voor een zodanige hoeveelheid steenkolen, waarvoor hij ingevolge de wet vrijdom heeft verkregen van de rijksaccijns op de steenkolen, een verzoek te doen voor het verkrijgen van restitutie van de stedelijke impost in gelijke evenredigheid als de vrijdom die van ’s rijkswege is verleend. Magielse dient dan ook in mei 1835 een verzoek in om restitutie van 9/10 gedeelte van de stedelijke impost van 90 mudden kolen die hij in 1834 voor zijn hoedenfabriek heeft ingeslagen. Het Stadsbestuur verleent hem over 1834 en 1835 vrijdom van de stedelijke belasting op de brandstoffen voor 9/10 gedeelte.

Ook in januari 1837 schrijft hoedenfabrikant Pieter Magielse dat hij jaarlijks en uitsluitend voor zijn hoedenfabriek nodig heeft een hoeveelheid van ongeveer 125 mudden grove steenkool. Hiervoor is hem van rijkswege jaarlijks 9/10 gedeelte vrijdom van accijns ten behoeve van zijn fabriek toegestaan. Het is hem bekend dat het Stadsbestuur bij Publicatie van 25 oktober 1834 bepaald heeft dat ook aan fabrieken en trafieken vrijdom van stedelijke belastingen op de brandstoffen kan worden verleend. Hij verzoekt dan ook over 1836 restitutie te verlenen voor 9/10 gedeelte van de stedelijke belastingen voor 175 mudden grove steenkolen die van de heren de Jongh en Pilaar zijn ingeslagen.

Kaarsenmakerijen

In juli 1839 ontvangt het Stadsbestuur twee verzoeken van inwoners van de stad voor het stichten van een kaarsenmakerij.
W.J. van de Ven wil in een lokaal van de zeepziederij ‘de Weereld’ naast de Koepoort in wijk A nummer 169 een kaarsenmakerij beginnen. En J.K. van Baalen wil een kaarsenmakerij stichten in zijn pakhuis in het Ossenhoofdstraatje in wijk D nummer 110. Hij gebruikt dit pakhuis ook als tabakkerverij.
Beide verzoeken worden voor advies in handen gesteld van de generale brandmeesters. Na ontvangst van een positief advies worden beide verzoeken ingewilligd.

 

Looierij

In deze jaren is er een looierij gevestigd aan het einde van de Voorstad.
In mei 1833 worden door de eigenaren van de looierij klachten ingebracht over het bederven en onbruikbaar maken van de putten van de fabriek door het daarin storten van drek en mest, alsook ten aanzien van een ingevallen waterloop met verzoek om daarvoor een voorziening te treffen. Wethouder Kakebeeke, belast met de politie, wordt verzocht om de agenten van politie een strikte surveillance aan te bevelen en wat betreft het tweede punt het nodige onderzoek te doen.

In augustus 1833 ontvangt het Stadsbestuur een verzoek van de heren mr. J.A.H. Voijer en F. Kleeuwens, mede eigenaren van de looierij in de Voorstad. Verzocht wordt om deze fabriek voor de daarin werkende personen, evenals een huishouden in de Voorstad en hun privé huishouden in de stad, ook aan te merken voor vrijstelling van poortgeld en mitsdien de poortier van de Ganzepoort te gelasten met hen daarover en dus voor drie huisgezinnen, evenals met de bewoners van de Voorstad, een overeenkomst voor het ordinaire en extra ordinaire poortgeld aan te gaan. Het Stadsbestuur besluit hen mee te delen dat in hun verzoek niet kan worden getreden. Niettemin zal de poortier van de Ganzepoort het aangaan van een redelijk akkoord met hen worden aanbevolen.

Markten

Beestenmarkt
In november 1834 bepaalt het Stadsbestuur dat de touwspanner van de Beestenmarkt zal mogen vorderen voor ieder koebeest dat aan de markt wordt gebracht voor elke dag tien cent. Voor ieder varkenshok dat op de markt wordt geplaatst, mag hij innen vijftien cent en voor ieder vet varken dat aan de markt wordt gebracht vijf cent.

Overigens hebben 133 inwoners van de stad varkens. Dit blijkt uit de door de politiedienaren E. Loobeek en K. Mulder in november 1833 overgelegde lijst van de aanwezige varkens in de gemeente met vermelding van de eigenaar, het geschatte gewicht en het soort varken. Meestal heeft men één varken, soms twee en in een enkel geval vier of vijf.

Vismarkt
De vismarkt is ook deze jaren nog volop in bedrijf in het visperk aan de Turfkade.
Vanwege wangedrag wordt Johannes van Baalen in september 1834 ontslagen uit zijn functie van stadsomroeper en keurmeester van de vis. Voor de waarneming wordt voorlopig benoemd Nicolaas Katsman.

Beestenmarkt
In april 1836 wordt de Beestenmarkt voorzien van een nieuwe pomp. De stadsfabriek overlegt een kostenberekening voor het bouwen van een nieuwe pomp. Een hek is onnodig omdat de pomp de gehele dag dient open te staan. Het wordt niet verwacht dat kinderen ’s nachts aan de pomp kwaad zullen doen. Bovendien zou door een hek de gehele pomp worden ontsierd. De pomp wordt opgebouwd op het voetstuk van de te slopen oude pomp. De kosten bedragen ƒ 159,84.

Jaarmarkt
In verband met de weer heersende ziekte te Rotterdam en andere plaatsen in Holland mitsgaders het dezer dagen ontstane geval van cholera binnen de stad vragen burgemeester en wethouders in juli 1833 het gevoelen van de gemeenteraad over het al dan niet houden van de jaarmarkt op de gewone tijd van dit jaar, zijnde van 17 tot 31 augustus. De meerderheid van de gemeenteraad wil de jaarmarkt gewoon doorgang laten vinden. Deze zal daarom op de gewone tijd plaats hebben.
Maar op de 10e augustus komt de gemeenteraad tot een ander oordeel. De omstandigheden vanwege de cholera laten zich ernstiger aanzien. De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht heeft opnieuw de voorbehoedmiddelen van vorig jaar aangeraden. Besloten wordt dan ook de jaarmarkt in 1833 niet op de vastgestelde tijd in augustus te houden maar in oktober of november.
De Minister van Binnenlandse zaken staat het Stadsbestuur toe om, indien de omstandigheden dat toelaten, alsnog in deze maand of zoveel later de jaarmarkt te laten plaats hebben. Bepaald wordt dat de jaarmarkt gehouden zal worden van 26 oktober tot 9 november. Overigens leidt dit tot ernstige ongeregeldheden (zie onder het hoofdstuk ‘Openbare orde en veiligheid’).

De jaarmarkt in 1836 wordt gehouden van 20 augustus tot en met 3 september. Op de laatste dag van de jaarmarkt besluit het Stadsbestuur op een verzoek van de kramers en ondernemers van kermisvertoningen toe te staan om aanstaande maandag en dinsdag nog te continueren, mits ze daarvoor betalen aan de kramers 10 cent extra per el van de lengte van hun kramen en de spellen een daarmee gelijk staande verhoging van hun verschuldigde belasting.

De marktmeester doet in oktober 1837 verantwoording van de ontvangen marktgelden op de gehouden jaarmarkt in augustus. Daaruit kan een beeld worden gevormd van de bedrijvigheid op een Goese jaarmarkt. Er staan bijna honderd kramen met een totale lengte van circa 400 ellen. Marktgeld is geheven voor de volgende kramen. Het aantal overdekte kramen was 55 en het aantal open kramen 28, samen met een totale lengte van 397 ellen.
Buiten de kermiskramen en tafeltjes: 26 gedurende 31 dagen; 34 gedurende 30 dagen; 13 gedurende 22 dagen; 22 gedurende 20 dagen; 12 gedurende 16 dagen; 16 gedurende 15 dagen; 14 gedurende 14 dagen; 6 gedurende 10 dagen; 16 gedurende 2 dagen; 8 gedurende 1 dag.

Ook in deze periode wordt jaarlijks, zoals het al vanaf de 17e eeuw gebruikelijk is, via een Publicatie van het Stadsbestuur afgekondigd dat ‘op dezelve geen kwakzalvers, horoscooptrekkers en dergelijke toegelaten en alle draaiborden, dobbelspelen, rijfelaars en bedelaars geweerd zullen worden’.

Grote of korenmarkt
In oktober 1833 besluit het Stadsbestuur tot verbetering van het steenpad op het midden van de Grote Markt. Dit gebeurt door middel van het beschulpen (met schelpen beleggen) van het plein. Uit de opmeting blijkt dat de Grote Markt 2915 vierkante ellen omvat en bestraat moet worden met veertig straatstenen per el, samen 116.600 stenen.
In september 1834 wordt verboden om over het beschulpte binnenvak van de Grote Markt met wagens, paarden of enig voer- of sleeptuig te rijden of op enige andere wijze de beschulping te beschadigen. Hierop wordt een boete van drie gulden ten behoeve van de stadskas gezet.
 
De ingezetenen A.H. Blis, J. Doornbos, M. Stieger, weduwe De Buck en C. Hunsch maken in november 1833 bezwaar tegen de onlangs verleende vergunning om op de dinsdagmarkt de stallen of kramen aan de westzijde van de Grote Markt te plaatsen. Ze verzoeken deze stallen of kramen weer naar de oostzijde van de markt ofwel bij afwisseling aan beide zijden van de markt of voor het Stadhuis te plaatsen. Het Stadsbestuur besluit hen te kennen te geven dat in hun verzoek niet kan worden getreden. De door hen opgegeven redenen zijn van geen genoegzaam gewicht voorgekomen om in de gemaakte schikking verandering te brengen.

Het opbreken en beschulpen van het binnenvak van de Grote Markt, dit met behoud van de keistenen voor de stad, wordt in juni 1834 gemijnd door Servaas Lanse voor ƒ 680. Voor de uitkomende keistenen (behalve 30.000 die aan de stad blijven) is koper de koopman en aannemer Machiel Wolf te Bergen op Zoom, die hiervoor ƒ 100 aanbiedt.  

In november 1834 richt een aantal neringdoende ingezetenen zich opnieuw tot het Stadsbestuur. De brief is ondertekend door de weduwe H. de Jonge, M. Ramondt, I. Prumers, C. van Aart, A. Roelandt, G. Sterk, de weduwe Crucque, W. Braam, de weduwe Hubertus Harinck, W. van der Straaten, J.W. Somer, J. de Jonge, C.M. de Jonge, A. van Delft, C. van de Mark, de weduwe Polderman, P.R. Roelofsen en J. Stuk.
Ze geven omstandig hun bezwaren te kennen. Door de geordonneerde verandering aan het binnenplein van de Grote Markt hebben ze met genoegen en tot aanmerkelijk voordeel mogen ondervinden dat de kramers hun marktstallen op dinsdag bij de gewone weekmarkt aan de oostzijde van de markt plaatsen. Sinds die tijd hebben ze in hun winkels een niet geringe verbetering in hun vertier mogen ondervinden. Door een meerdere passage van de landlieden langs de oostzijde van de Grote Markt vleiden ze zich dat hun debiet bij de gewone marktdagen zou vermeerderen en toenemen en daardoor hun al zo zeer achteruitgaande nering bij de marktdagen aanmerkelijk zou verbeteren. Maar tot hun niet geringe verwondering hebben ze afgelopen dinsdag moeten ondervinden dat de kramers hun standplaatsen van de oostzijde naar de westzijde van de Grote markt hebben moeten overbrengen en wel om een, zo het hun toeschijnt, geringe reden, namelijk om beveiligd te zijn tegen westelijke regen- en stormvlagen die op de gebouwen aan de oostzijde zouden terugslaan in de opening van hun kramen. Deze ongemakken zullen door de verplaatsing van de kramen, zo menen de winkeliers, niet worden weggenomen omdat deze regen- en windvlagen uit het oosten of noordoosten op de gebouwen aan de westzijde van de Grote Markt dezelfde uitwerking zullen teweeg brengen. Daarom verzoeken ze in het belang van hun nering de verplaatsing van de kramen naar de oostzijde van de Grote Markt te bewerkstelligen. Een mogelijkheid zou ook zijn dit bij afwisseling te doen, de ene week aan de westzijde en de daarop volgende week aan de oostzijde ofwel voor het Stadhuis ofwel op een zodanige andere wijze als vroeger en nu al sinds jaren op het middenplein van de Grote Markt heeft plaats gehad.

In januari 1835 bespreekt de gemeenteraad het al of niet beplanten van de Grote Markt. Dit leidt tot het besluit om de Grote Markt te beplanten met bomen. De uitvoering wordt opgedragen aan een commissie uit de raad, bestaande uit de heren wethouder Kakebeeke, Van der Bilt en Van Kerkwijk.

De plaatsing van de marktkramen is een jaarlijks terugkerend probleem.
In december 1835 komen er verzoeken binnen van Jacobus Reijnhout, Laurus Glerum, Wilhelmus Herpes, Martin Stieger, Johan Hendrik Stieger, Jacobus Oostdijk, Philippus Behiels, Nicolaas de Waard en Jan Doornbos, gepatenteerde winkeliers en tevens waarnemende de weekmarkten binnen de stad. Ze ondervinden steeds het grootste ongerief van de bepaling dat, onaangezien het jaargetijde, geen kramen op de Grote Markt mogen worden opgeslagen dan op de marktdag zelf. Deze bepaling is voor de wintermaanden, wanneer het daglicht zeer laat aanbreekt, gedurende die tijd niet zelden maar altijd oorzaak dat zij, die verlangen de marktdagen met enig voordeel te bezoeken, daartoe volstrekt buiten staat zijn. De marktdag is immers voor een groot deel afgelopen voor en aleer de kramers hun kramen hebben opgeslagen, de daarin ter verkoop aangeboden waren of goederen van hun woningen derwaarts hebben vervoerd, ontpakt en op de daartoe bestemde boorden regelmatig en ordentelijk hebben geschikt. Ze verzoeken om gedurende de maanden november, december en januari, mitsgaders de eerste dinsdag of marktdag in de maand mei, hun kramen in de loop van de namiddag van de voorafgaande dag te mogen opslaan om zodoende op de marktdag tijdig met het uitstallen van hun koopwaren gereed te kunnen zijn. Het Stadsbestuur besluit hun indringend verzoek toe te staan maar wel tot wederopzeggen.

Ook in juli 1836 komt er een verzoekschrift bij het Stadsbestuur binnen over de plaatsing van de marktkramen. De brief is ondertekend door de volgende neringdoende ingezetenen: G. Sterk, de weduwe Crucque, de weduwe De Jonge, J. Reinhout, J.A. Le Cointre, A. Roelandt en G.F. Arends. Ze verzoeken dat de kramen op de marktdagen beurtelings ook aan die zijde waar hun woningen en winkels zich bevinden geplaatst mogen worden. Het is altijd gebruikelijk geweest de kramen dan eens aan de ene zijde van de Grote Markt en dan eens aan de andere zijde te plaatsen. Maar sinds enige tijd is dit nagelaten, wat tot nadeel van de neringdoenden is.

Meekrapnering

Van de in de 18e eeuw bestaande vijf meekrapstoven zijn er deze jaren nog twee in bedrijf, namelijk de meestoof ‘de Zon’ en de meestoof ‘de Liefde’. 

Tot keurmeesters van de meekrap worden in 1833 benoemd Henricus Johannes van ’t Hoff, Johannes Cornelis Kakebeeke en Johan Willem Hecking en tot plaatsvervangers/assistenten  J.F. Schiefbaan en C. Verduijn.
In 1839 zijn dit Johan Willem Hecking, Johannes Cornelis Kakebeeke en Jacobus Walraven van Kerkwijk en tot plaatsvervangers/assistenten Johannes Fransen van de Putte, Jacobus Pieter Kakebeeke en Marinus Johannes Soutendam.

De Gouverneur wijst met nadruk op de Instructies voor de plaatselijke besturen voor de keurmeesters van de meekrappen en mullen en voor de drogers, stampers, ondermans, drijvers en andere werklieden in de meestoven, die met ingang van 1 juli 1837 moeten worden ingevoerd. Beëdigd worden dan ook Hendrik Berkus, droger, David Goedegebuure, stamper, Reinier Burgs, ondermen, en Johan Gerard van Maldegem, drijver, in de meestoof ‘de Liefde’ en Leendert Douw, droger, Krijn Labeur, stamper, Arnoldus van de Klooster, onderman, en Marinus van Oosten, drijver, in de meestoof ‘de Zon’.

Elk jaar ontvangt het Stadsbestuur een opgave van de teelt over het afgelopen seizoen.
De teelt over de jaren 1833 tot en met 1838 blijkt uit het volgende overzicht van het aantal gekeurde vaten. Opmerkelijk is dat de oogst zich van jaar tot jaar in stijgende lijn bevindt.

  1833 1834 1835 1836 1837 1838
'de Zon' 186 228 273 327 356 442
‘de Liefde’ 161 245 247 275 301 286
Totale oogst 347 473 520 602 657 728

Naast de vaten meekrap wordt ook nog zogenaamde racin bereid uit de meekrapwortels.
Voor meestoof ‘de Zon’ is de oogst over de jaren 1833 tot en met 1838 in ponden uitgedrukt respectievelijk 3446, geen, 9157, 901, geen en 6362.
Voor meestoof ‘de Liefde’ is de oogst over deze jaren in ponden uitgedrukt respectievelijk 4032, 1611, geen, 958, geen en geen.  

In oktober 1834 ontvangt het Stadsbestuur een circulaire van de Gouverneur met de  aanbeveling tot een stipte naleving van de bepalingen over de meeteelt met nadere toezending van afdrukken van Zijne Majesteits ‘Besluit van 28 februari 1834’ ter uitreiking aan de keurmeesters der meekrappen mitsgaders aan de drogers en stampers in de meestoven in deze gemeente. Deze circulaire om de nakoming van de daarin aangehaalde bepalingen te helpen verzekeren wordt voor kennisgeving aangenomen. Afschriften worden gezonden aan de keurmeesters van de meekrappen met aanbeveling om deze bepalingen na te volgen, te onderhouden en te handhaven en met de uitnodiging om gelijke exemplaren onder dezelfde aanbeveling aan de drogers en stampers in de meestoven uit te reiken.

De boekhouders van beide meestoven, de heren Charles Petrus Soutendam en Cornelis Christiaan van den Bosch, verzoeken het Stadsbestuur in 1834 om voor deze meestoven vrijstelling van de stedelijke impost op de brandstoffen te verlenen. Dit wordt afgewezen.
Ook in januari 1837 dienen de boekhouders eenzelfde verzoek in. Ze geven te kennen dat ze van ‘s rijkswege vergunning hebben verkregen voor de inslag van turf van de 2e soort 3e klasse onder het genot van 19/20e vrijdom van ’s rijksaccijns. De raadsleden Verschoor,
Kakebeeke, Hecking en Soutendam, als bij deze meestoven belanghebbende, onttrekken zich aan de deliberaties. Besloten wordt opnieuw in het verzoek om vrijdom van stedelijke impost op de brandstoffen van de meestoven afwijzend te beschikken.
Maar de beide boekhouders proberen het opnieuw, nu bij de Gouverneur om door zijn tussenkomst vrijdom van stedelijke impost op de brandstoffen te verkrijgen.
Het Stadsbestuur besluit daarover het advies in te winnen van de raadsleden Van der Bilt, Van Kerkwijk en De Jongh, die geen belang hebben bij deze meestoven.
In augustus 1837 adviseren ze op het aan de Gouverneur gerichte verzoekschrift van de boekhouders van de meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’ over het verkrijgen van vrijdom van stedelijke belasting op de brandstoffen. Het Stadsbestuur stuurt het verzoekschrift met het advies van de commissie van drie aan de Gouverneur en vraagt zijn medewerking voor de goede afloop van deze zaak.

Molens

Boekweit- en grutmolens
Er zijn deze jaren op verscheidene plekken in de stad boekweitmolens.

Een van de boekweit- en grutmolens staat tussen ‘de Twee Poorten’ in wijk D nummer 137 en is in exploitatie bij de koopman, winkelier en boekweit- en grutmolenaar Jan Karel van Baalen.
In april 1835 schrijft Van Baalen het Stadsbestuur dat hij in zijn molen ‘het malen van grutten en meel voor het tegenwoordige continueert en voornemens is dit te blijven voortzetten’. De lokaliteit van deze trafiek, zo betoogt hij, laat overvloedige ruimte om deze voor ander gebruik in te richten. Bovendien is deze veel te groot en te kostbaar in het jaarlijks onderhoud alsook in grond-, personele en andere belastingen om deze alleen en uitsluitend voor een grutterij te blijven gebruiken. Hij is voornemens een nieuwe zoutziederij te stichten
en vraagt het Stadsbestuur vergunning voor het oprichten van een zoutziederij in de aanhorige gebouwen van zijn boekweitmolen tussen de twee waterpoorten.

In september 1835 dienen Jan Karel van Baalen en de arbeider Aarnout Loos een verzoek in voor het verkrijgen van enige stadsgrond beneden de stadswal bij de windkorenmolen aan de Molendijk op erfpacht. Het Stadsbestuur ziet echter geen aanleiding om tot de uitgifte van deze grond te besluiten.
Maar ingaande 1836 worden voor vijftien jaar 14 roeden en 5 ellen stadsgrond, gelegen in de stadsvest achter de boekweitmolen van de heer Van Baalen, en 9 roeden en 50 ellen stadsgrond, gelegen in dezelfde vest aan de noordzijde van de opril naar de molen ‘de Vijf Gebroeders’, noordwestelijk van deze molen, in erfpacht uitgegeven.
In het gemeentearchief bevindt zich een mooie situatietekening na opmeting van een stuk grond gelegen aan de noordzijde van de stad, palende zuid de dijk naar de molendijk, noord de zoute vest, oost dezelve en west de dijk.

Houtzaagmolen
Als sinds 1702 is er een houtzaagmolen in de stad, al die tijd in eigendom en gebruik bij de familie Harinck.

In februari 1836 verzoekt de houtzaagmolenaar Marinus Harinck vergunning om houtwaren, uit vreemde havens met schepen aangebracht, na inklaring te Zierikzee, aan de haven van de stad te mogen lossen. Het Stadsbestuur zendt zijn verzoek met een positief advies aan de Gouverneur. Gouverneur Van Vredenburch wijst het verzoek echter af.

 

Het blijkt in 1838 dat de oude scheepstimmerwerf eigendom is geworden van de houtzaagmolenaar en houtkoper Marinus Harinck. Het Stadsbestuur vindt dit echter niet de plaats om bomen ter inscheping neer te leggen. Alleen de zogenaamde Boomkaai is van oudsher daartoe bestemd. Zijn handelwijs is daarom in strijd met de  stadsrechten.
Harinck beklaagt zich over de mishandeling aan zijn bomen door de pachter van de Boomkaai. Daarom meent hij er maar goed aan te doen, ‘als vijand van twist’, zijn inlands hout op zijn eigen grond en werf te laten brengen. Hij verzoekt in april 1838 hem toe te staan om de thans op de oude werf liggende boomstammen in te laden en met scheepsgelegenheid te vervoeren of vandaar te vlotten naar zijn houtzaagmolen. Graag wil hij in het aanstaande jaar een los- en laadplaats innemen die het Stadsbestuur hem zal aanwijzen. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Uit bijliggende archiefstukken blijkt dat in 1798 een rijweg aan de scheepstimmerwerf is toegestaan vanaf de ophaalbrug naar de werf voor wagens en paarden voor de aanvoer van bomen. Deze weg werd steeds door de eigenaar van de werf onderhouden. Aangetekend wordt: ‘De oude Bosdijk en Katsman zeggen zeer wel te weten dat altijd bomen aldaar met wagens en paarden zijn gebracht’.

Korenmolens  
Deze jaren zijn er in de stad twee korenmolens. De ene is de in 1829 nieuw gebouwde stenen korenmolen ‘de Koornbloem’ bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort van molenaar Francois Jan van Schaverbeeke en de andere is ‘de Vijf Gebroeders’ op het Bastion op de noordwal van molenaar Johannes Nederhand. Vanaf 1836 komt de eigendom van deze molen in handen van Adriaan de Bruijne.

In augustus 1833 legt de Gouverneur een bij hem ingediend verzoek van de korenmolenaars Van Schaverbeeke van ‘de Koornbloem’ en Nederhand van ‘de Vijf Gebroeders’ voor advies voor aan het Stadsbestuur. Het betreft een verzoek om verhoging van maalloon voor tarwe en rogge tot 70 cent de honderd Nederlandse ponden. In oktober 1836 sturen Gedeputeerde Staten de beschikking voor de beide molenaars om vermeerdering van maalloon toe.

De korenmolenaar van ‘de Vijf Gebroeders’, Adriaan de Bruijne, dient in januari 1837 een verzoek in om toestemming voor de aanleg van een rijweg van twee ellen breed vanaf de oprel van de molendijk onder langs de stadswal naar de achterzijde van zijn woning aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 68 om daarvan met zijn ledige wagen en paard gebruik te maken. De gemeenteraad gaat akkoord met het aangaan van een contract tegen elf gulden vijftig per jaar onder de bepaling dat de rijweg op kosten van molenaar De Bruijne wordt aangelegd.
In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie plattegrondtekening van de situatie.
Op deze situatietekening staan de molens ‘de Koornbloem’ van Van Schaverbeeke, ‘de Vijf Gebroeders’ van De Bruijne en de houtzaagmolen ‘de Eendracht’ van Harinck aangegeven.
De negen roeden en vijftig ellen stadsgrond tegen de stadswal bij de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ pacht F. Rutsaard voor veertien jaren, ingaande 1836, voor ƒ 12 per jaar.
Maar kennelijk gaat er iets mis met deze ‘rijdweg’, Want in augustus 1838 besluit de gemeenteraad op een verzoekschrift van de korenmolenaar Adriaan de Bruijne, aan wie de aanleg van een rijweg in pacht is gegeven een streep grond onder langs de stadswal naar de erve achter zijn woning, hem te kennen te geven dat in zijn verzoek niet kan worden getreden. Hij wordt zelfs aangeschreven om er voor te zorgen dat de hem toegestane rijweg uiterlijk vóór 1 januari 1839 in de vorige, geheel onbelemmerde staat wordt terug gebracht en alle daar aangebrachte omtuiningen en gebouwen worden weggeruimd.

In november 1837 dient de korenmolenaar van ‘de Koornbloem’, Francois Jan van Schaverbeke, een rekest in bij de gemeenteraad. Hij betoogt daarin dat bij resolutie van het Stadsbestuur aan Pieter Remijn is toegestaan om, annex zijn windkorenmolen ‘de Koornbloem’, staande bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, een roskorenmolen te bouwen.
Deze is daar gesticht en nog steeds aanwezig en behoort thans aan hem toe. Zolang deze in gebruik zou zijn, hoefde hij geen cijns te betalen. De betaling van de recognitie is nu opgehouden, maar de rosmolen is in stand gebleven zonder dat er enig gebruik van gemaakt is kunnen worden, omdat deze tot voorkoming van misbruik van rijkswege steeds verzegeld is geweest. Hierdoor is de rosmolen zo defect geraakt dat het onmogelijk is er enig gebruik van te maken. Dit gebruik is al die jaren onnodig geweest en zal ook onnodig blijven, aangezien de bouw van een tweede windkorenmolen overvloedig gelegenheid geeft om bij de minste wind de stad van meel te voorzien. Het onderhouden van dit nutteloos geworden gebouw, waarin de rosmolen is geplaatst, betekent een last voor hem als molenaar. Hij wenst hiervan verlost te worden ‘als wordende daarvan nimmer enig revenu genoten’. Om al deze redenen vindt Van Schaverbeeke het wenselijk over te gaan tot het amoveren en geheel wegnemen van de bijna vervallen rosmolen. Uit zijn brief blijkt dat, als de rosmolen niet wordt afgebroken, ‘deze wellicht binnen korte tijd in elkander zal vallen en in zichzelven vernietigd worden’.
Het Stadsbestuur geeft toestemming voor de amovering van de rosmolen. Hij moet het gebouw waarin de molen is geplaatst dan ook gelijk volledig wegbreken en opruimen.
Op 13 december 1837 schrijft molenaar Van Schaverbeeke dat hij de rosmolen heeft geamoveerd. Hij vindt het echter bezwaarlijk om ook het gebouw waarin de molen stond af te breken. Hij zou deze heel goed kunnen gebruiken als bergplaats voor hout. Pas op 24 maart en 12 mei 1838 neemt de gemeenteraad hierover een beslissing, Hij mag het gebouw van de rosmolen in stand houden en gebruiken als houtschuur.

Korenmolenaar Adriaan de Bruijne van ‘de Vijf Gebroeders’ verzoekt het Stadsbestuur in maart 1839 de passage met wagen en paard van en naar zijn molen over de zogenaamde Molendijk weer als voorheen open te stellen en toe te laten. Maar dit wordt afgewezen in het belang van de gebouwen die op de Molendijk staan en uit vrees voor ongelukken door het berijden van die straat. Wel wordt het hem vrijgelaten om in buitengewone gevallen of bij ontstane gladheid in de winter een verzoek in te dienen om tijdelijk van de passage over de Molendijk gebruik te maken.
De Bruijne laat het daar niet bij zitten. In augustus 1839 probeert hij het opnieuw en verzoekt nogmaals om toestemming om niet alleen tijdelijk, maar bestendig met paard en molenwagen naar en van zijn molen over het bebouwde gedeelte van de Molendijk te rijden, niet alleen bij noodgevallen maar permanent. Hiervoor ziet het Stadsbestuur geen termen aanwezig.

In 1839 gaat de eigendom van de korenmolen ‘de Koornbloem’ kennelijk over van Francois Jan van Schaverbeeke op Pieter van Wasbeek. In november 1839 dienen Van Schaverbeeke, korenmolenaar te Zierikzee, en Van Wasbeek, eigenaar en korenmolenaar op de windkorenmolen ‘de Koornbloem’, een verzoek in. Hierop besluit het Stadsbestuur in te stemmen met de overdracht van de lopende pacht, die pas eindigt in december 1849. De pacht geldt voor de dijk van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort tot noordop tegen het scheidingslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest in wijk D nummer 946 van Van Schaverbeeke, zoals deze is aangegaan bij contract van 12 mei 1838, op de nieuwe molenaar Pieter van Wasbeek.

Oliemolens
In 1832 is de oliemolen van de erven Peman, ‘de Dubbele Arend’, staande buiten de Bleekveldse poort, in wijk D nummer 299 en 300, afgebrand. De erven Peman verzoeken in juni 1833 om vanaf 1833 voor de gebouwen van hun oliemolen niet meer te worden aangeslagen in de 10% stedelijke belasting voor brandspuiten, klapperwachten en dergelijke. Dit verzoek wordt toegestaan.

Gerardus Hendrikus Kakebeeke, de eigenaar van de oliemolen ‘de Hoop’ op de Westwal in wijk B nummer 161, verzoekt om over 1833, evenals in 1832, te mogen volstaan met betaling van ƒ 20,80 in de stedelijke belasting  op de huurwaarde van gebouwde eigendommen voor zijn molen en het er naastliggende woonhuis. Dit inplaats van de aanslag van ƒ 60,48 die berekend is naar de kadastrale huurwaarde van die panden. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In maart 1836 verzoekt de eigenaar van de oliemolen ‘de Hoop’ over 1835, evenals voorgaande jaren, om vermindering van een gedeelte van de aanslag in de stedelijke belasting van 9% op de huurwaarde van die gebouwen. Het Stadsbestuur besluit hem te berichten dat hij over 1835 kan volstaan met betaling van 9% stedelijke belasting naar rato van de huurwaarde van dit perceel dat voor berekening van de grondbelasting is aangenomen.

Smeden

Smeden
Smidsbaas Roeland Saaman verzoekt in november 1834 om een gedeelte van de straat voor zijn woning in de Lange Vorststraat in wijk A nummer 165 ten dienste van zijn smederij voor het beslaan van wagenwielen te mogen gebruiken. Hij wil dat gedeelte gebruiken ‘voor een kuil in de straat tot toelating der busschen of dommen van de wielen en het maken van een cirkel’. Tot sluiting van de kuil zal hij een steen met een ijzeren ring laten maken voor het voorkomen van ongelukken. Het Stadsbestuur weigert zijn verzoek in te willigen.

In juli 1837 komt er een verzoek bij het Stadsbestuur binnen van Heertje de Graaf, kachelmaker, pompenmaker en koperslager te Bergen op Zoom. Hij wil in het woonhuis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 88 een ijzersmederij en kachelmakerij oprichten. Het Stadsbestuur overweegt dat een dergelijk bedrijf niet zonder hinder, nadeel en gevaar kan worden toegestaan. Zijn verzoek wordt dan ook afgeslagen.

Wel krijgt Pieter Steijns in juni 1838 vergunning van het Stadsbestuur om in zijn woonhuis in wijk C nummer 172 in de Ganzepoortstraat een smidse te stichten.
Maar de smidsbaas Martinus Robijn krijgt in juli 1839 weer geen vergunning om in zijn woonhuis in wijk D nummer 100 op het breedje in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat een ijzersmederij te stichten. Uit het rapport van de brandweer en na overleg met de buren blijkt namelijk dat de aangewezen ruimte voor de smederij ongeschikt is. Het zou zelfs groot gevaar van brand kunnen veroorzaken.

Koper- en blikslagers

Johannes Dekker Jzn, de koper- en blikslager in de stad, verzoekt in februari 1835 toestemming om in zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk A nummer 160 een smidse  voor het uitoefenen van zijn beroep aan te leggen. Hiermee wordt akkoord gegaan, nu de buren, de kleermaker Henricus van Sprang, de timmerman Johan Adam Engelblik, de negociant Jacobus Wulfaart, de winkelier Pieter Goossen, de horlogemaker Pieter Faberij de Jonge, en de koetsier Hubrecht de Jonge hebben verklaard geen bezwaren te hebben.

Goud- en zilversmeden
De zilversmid Gregorius Godefridus van der Ven, eigenaar van het woonhuis ‘de Gouden Leeuw’ op de Grote Markt in wijk D nummer 1, (Grote Markt nummer 21) verzoekt in april 1836 om vrijdom van de 9% stedelijke belasting over 1836, ‘immers voor zolang dit huis zal ledig staan’.

In november 1838 vestigt zich een goud- en zilversmid in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 42. Het is Johannes Gijsbert Roelofse. Aan de controleur van de waarborg van de gouden en zilveren werken te Middelburg stuurt het Stadsbestuur een rapport van de vestiging van Roelofse als werkman in goud en zilver binnen de stad.

Tabaknering

Deze jaren zijn er circa negen tabakmakerijen of -kerverijen in de stad gevestigd. Het betreft Ph. Vervenne Nzn, J.B. van Kalmthout, D. Vervenne, J. Pijpers, G. Sterk, J.D. Somer, J.P. Clement, A. Nortier en J. de Jonge.

De tabakkerver Adriaan Nortier verzoekt in maart 1836 in zijn huis op de kaai in wijk D nummer 44 een tabakeest te mogen plaatsen. Hij krijgt daarvoor toestemming. Ook de tabakkerver Jan Karel van Baalen verzoekt in november 1837 in zijn pakhuis aan het Ossenhoofdstraatje in wijk D nummers 110 en 111 een tabakeest op te stellen. Aangezien de omwonenden zich niet verzetten tegen zijn verzoek krijgt Van Baalen vergunning.

In april 1837 richt een aantal tabakkervers zich tot het Stadsbestuur. Ze betogen dat in artikel 5 van het Reglement op de invordering van de stedelijke belastingen onder meer is bepaald dat er van tabak geheven zal worden 2½ cent per Nederlands pond. In vroeger tijd, toen er een provinciale belasting op de tabak werd geheven, werd er een billijke korting voor de refactie toegestaan nadat dit bepaald was door de daartoe beëdigde refactiemeesters. Deze korting was alleszins redelijk en rechtvaardig. Het is voor hen bezwarend dat er nu geen dergelijke bepaling in het reglement is opgenomen, aangezien er een vrij beduidend gedeelte van de ongekorven tabak bij het bewerken wordt weggeworpen en zand en steen daaruit valt. Ze verzoeken de tabakkervers bij de invoer van tabak en bladeren een korting voor de refactie toe te staan van 25 Nederlandse ponden per vat of een bepaald percentage van het bruto gewicht. Dit dient dan als tegemoetkoming voor de schade die ze daarbij lijden. Het Stadsbestuur besluit de tabakkervers tot wederopzegging een korting toe te staan op de ingevoerde tabak en bladeren voor de refactie van 25 Nederlandse ponden per vat van vijfhonderd ponden bruto gewicht en daarenboven van vijf procent van het bruto gewicht op vaten van mindere zwaarte.

Tabakkerver Cornelis Pieter Soetebier verzoekt in mei 1839 vergunning voor het plaatsen van een tabakeest met schoorsteen in zijn pakhuis en werkplaats in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 126. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Touwslagerij

In augustus 1837 krijgt de touwslager Nicolaas de Lange, wonende binnen de stad, toestemming voor de tijd van één jaar voor de aanleg en het gebruik van een touwslagers  lijnbaan aan de zijde van de brakke vest van de herberg ‘Pas Buiten’, noordop ter lengte van negentig ellen, volgens de aanwijzing van de stadsfabriek en tegen betaling van drie gulden ten behoeve van de stad. De lijnbaan wordt aangelegd op een gedeelte dijk buiten de Bleekveldse poort, vanaf het pakhuis in wijk E nummer 13 tot aan de schuur van ‘Pas Buiten’ aan de zijde van de vest. In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie tekening van stadsfabriek De Lannee bij ingekomen stuk nummer 544.
De touwslager De Lange krijgt in september 1838 toestemming om bij voortduring voor de tijd van vier jaar de touwslagerlijnbaan aan de zijde van de brakke vest van de herberg ‘Pas Buiten’. noordop ter lengte van 90 ellen op de tegenwoordige voet tegen een jaarlijkse betaling van drie gulden.

Vleeshouwers

De vleeshouwers en spekslagers richten zich in mei 1834 tot het Stadsbestuur. De brief is ondertekend door H.C. Mackay, Hendrik Zwieter, Joseph Bannet, Willem Temperman, Jacobus en Engel Sloover. Ze beklagen zich dat personen, die tevens andere beroepen uitoefenen, vlees beneden de gewone prijs verkopen en dit door de stadsomroeper laten omroepen en dit hier en daar bij verloting te gelde maken. Ze verzoeken de nodige orders uit te vaardigen dat geen vlees door de stadsomroeper te koop mag worden aangeboden en geen verlotingen van vlees meer plaats hebben zonder vergunning. Het Stadsbestuur besluit de slagers mee te delen dat in hun verzoek, zoals dat er nu ligt, niet kan worden getreden. Wel wil de vergadering, naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1828, in overweging nemen of er termen zijn om tegen het misbruik van verlotingen maatregelen te nemen.

In juli 1837 vraagt vleeshouwer Willem Temperman schadevergoeding wegens het verlies van een gedeelte van zijn woonhuis door de storm op de 29e november 1836. De Gouverneur wordt kennis gegeven dat de schade werkelijk bestaat, doch dat de beschadigingen niet vallen in de termen van de circulaire van de provincie, waarin dit alleen is aanbevolen voor het verkrijgen van enige onderstand bij wijze van gunst.

Cornelis Frederik van Ettinger krijgt in november 1838 vergunning voor het stichten van een slachterij in het huis in wijk A nummer 188.

De vleeshouwers Joseph Bannet, Jacobus Sloover en Willem Temperman verzoeken in februari 1839 om vermindering van de stedelijke belasting op het geslachte. Dit wordt afgewezen.

Ook het volgende heeft te maken met de vleeshouwers in de stad. In februari 1839 delibereert het Stadsbestuur over het verzoek van Okke Houwinck, schipper van het kofschip ‘Anna Katharina’ dat in de stadshaven ligt. Houwinck krijgt toestemming om de voor zijn reis naar Noorwegen benodigde hoeveelheid vlees, spek en vet, berekend op vierhonderd ponden, in de stad in te slaan, het gewicht in de stadswaag door de waagmeester te laten opnemen, om daarna onder toezicht van de ambtenaren bij de administratie van de stedelijke belastingen in vaten gekuipt en door de ambtenaren verzegeld te worden. Nadat bij het vertrek van het schip de zegels door de administratie gaaf en ongeschonden bevonden zullen zijn, zullen deze onder genot van restitutie van de betaalde stedelijke impost à vier cent per pond worden uitgevoerd.

Wagenmakers

In de stad zijn twee wagenmakers werkzaam: Jacobus Bal en Pieter Meijler.
De wagenmaker Jacobus Bal verzoekt het Stadsbestuur in mei 1833 om in die betrekking mede het genot te mogen hebben van restitutie van de stedelijke belasting op de bouwmaterialen voor het hout dat door hem verwerkt naar buiten de gemeente wordt uitgevoerd. Dit op dezelfde wijze waarop dit aan de wagenmaker Pieter Meijler is toegestaan. Besloten wordt hetzelfde toe te staan als aan wagenmaker Pieter Meijler.

In februari 1836 uiten de beide wagenmakers, Jacobus Bal en Pieter Meijler, en de schrijnwerker H. Le Clercq bezwaren tegen het verbod ‘om met onbesloten licht te werken’.
Uit hun brief blijkt dat ze vergunning vragen om hun werkzaamheden ‘bij den avond op den ouden voet, zijnde met open kaarslicht, te mogen continueren, daar het hun onmogelijk is om volgens de bekendmaking van het gemeentebestuur met gesloten kaarslicht te werken om reden dat de werkzaamheden van dien aard zijn dat het licht op de hand moet gebezigd worden’. Ze zijn door omroeping van de stadsomroeper geïnformeerd dat het geen ambachtslieden, die met brandbare materialen werken, veroorloofd is om bij lamp- of kaarslicht hun beroep uit te oefenen.
Het Stadsbestuur besluit om een kopie van het advies van de generale brandmeesters te zenden aan de commissaris van politie met machtiging om in de geest van dat advies te handelen.

Wagenmaker en houtkoper Pieter Meijler verzoekt in mei 1838 restitutie van stedelijke belasting voor enige verimposte boomstammen, nadien gezaagd, en die hij nu verlangt aan een plattelands wagenmaker te verkopen. Het gaat om 34 olmenstammen. Meijler krijgt toestemming voor de uitvoer van het gezaagde hout.

Zeepziederij
De zeepziederij, in eigendom van de heer W. van der Burcht van Lichtenberg, gelegen naast de Koepoort (voorheen was hier de brouwerij ‘de Weereld’ gevestigd), wordt gehuurd door Benjamin Steendijk. In het gemeentearchief bevindt zich een tekening van de te maken nieuwe welle voor de zeepziederij bij de Koepoort, gemaakt door de stadsfabriek De Lannée de Betrancourt.

Zeepzieder Steendijk verzoekt in mei 1833 restitutie van ƒ 115,50 wegens verimposte en daarna uitgeslagen 4620 ponden zeep. Door het niet voortzetten van de zeepziederij kan deze stedelijke impost niet verrekend worden. Zijn rekest wordt voor advies in handen gesteld van de ontvanger van de stedelijke belastingen. Gelet op diens advies besluit het Stadsbestuur het verzoek van Steendijk in te willigen.

In 1836 neemt Adriaan Paulus van de Ven de zeepziederij over van Benjamin Steendijk. Hij verzoekt het Stadsbestuur in juni 1836 vrijdom van stedelijke impost op de kalk op dezelfde voet als dit aan Steendijk was toegestaan. Gelet op het advies van de stedelijke ontvanger verleent het Stadsbestuur hem vrijdom van de stedelijke impost op de kalk voor het vervaardigen van zeep in zijn fabriek op de voorwaarde dat dit niet te boven gaat een halve mudde kalk voor elke ton zeep van 120 Nederlandse ponden.

In augustus 1838 geeft de zeepzieder in de zeepziederij ‘de Weereld’, Henricus Johannes van de Ven, te kennen dat hem van rijkswege vrijdom van accijns is verleend voor 19/20e gedeelte voor een hoeveelheid van duizend tonnen turf van de 2e soort 3e klasse per jaar. Dit is ingegaan op de dag van het in werking brengen van zijn zeepziederij. Het Stadsbestuur besluit zijn verzoek toe te staan. Hij krijgt ook vrijdom van de stedelijke impost op de kalk ‘ten advenante van een mud kalk voor elke ton zeep van honderd en twintig ponden Nederlandsch’.

Zoutziederij

Van de eertijds zo zeer bloeiende zoutnering, er stonden ooit omstreeks honderd zoutketen langs de haventoegang, is nog steeds een restant over.
Ook deze jaren zijn er nog twee zoutziederijen in de stad. De ene, van de heer Jan van den Thoorn, is gevestigd in wijk D nummer 291 aan de Oosthavendijk. De andere, van de heer Jan Karel van Baalen, is gevestigd tussen de twee poorten in wijk D nummer 137.

In oktober 1834 verzoekt de zoutzieder Jan van den Thoorn om voor de tijd van veertien jaar te mogen pachten 320 ellen stadsgrond, gelegen tegen zijn zoutkeet. Hij biedt hiervoor een jaarlijkse pacht van drie gulden. Bezuiden en tegen zijn zoutziederij wil hij dit stukje grond, dat thans onbebouwd ligt, met een doorn- of andere haag afheinen en daar een moestuintje aanleggen. Het Stadsbestuur besluit zijn verzoek toe te staan en hem 320 ellen stadsgrond tegen zijn zoutkeet buiten de Bleekveldsche Poort in pacht te geven.

In 1835 wil ook Jan Karel van Baalen, inwoner van de stad, een zoutziederij oprichten in zijn gebouwen in wijk D nummer 137. Van Baalen is koopman en winkelier en eigenaar van een grutmolen, staande tussen de twee waterpoorten, in wijk D nummer 137. Hij wil de zoutziederij oprichten in een gedeelte van de gebouwen die hij voor z’n grut- en boekweitmolen niet nodig heeft.
De Gouverneur vraagt hierover in mei 1835 advies van het gemeentebestuur. Hierover worden de bewoners van de aan het pand belendende huizen op het Stadhuis gehoord. Er komen bezwaren tegen het plan en Van Baalen krijgt gelegenheid zijn plan toe te lichten. Hij levert een tekening voor zijn te stichten zoutziederij met een proces-verbaal van inlichtingen. Dit is voor het gemeentebestuur aanleiding de Gouverneur te berichten dat de ingediende bezwaren niet van voldoende gewicht zijn voorgekomen om de heer Van Baalen de uitbreiding van zijn onderneming te beletten en vandaar wordt tot het verlenen van het gevraagde consent geadviseerd.

Zoutzieder Jan van den Thoorn verzoekt in mei 1835 hem voor de inslag van 4000 tonnen turf 2e soort 3e klasse jaarlijks vrijdom van stedelijke belasting toe te staan. Voor zijn fabriek heeft hij ongeveer 4000 tonnen turf nodig. Ook de Minister van Financiën heeft hem vrijdom van accijns verleend voor 19/20 gedeelte. In verband met de resolutie van 25 oktober 1834 verzoekt hij restitutie voor 19/20 gedeelte van de stedelijke belasting voor 3600 tonnen turf. Het Stadsbestuur besluit Van den Thoorn over 1835 voor zijn zoutziederij vrijdom van stedelijke belasting op de brandstoffen voor 19/20 gedeelte toe te staan.

De andere zoutzieder Jan Karel van Baalen verzoekt in januari 1836 om voor zijn zoutkeet tussen de twee poorten de pijp van een zogenaamde branderspomp onder de straat te leggen tot in de kant van de haven tot bekoming van zeewater uit de haven. Hij wil daardoor het zeewater uit de haven in zijn nieuw aangelegde zoutkeet omtrent twee ellen op kunnen pompen. Het Stadsbestuur besluit zijn verzoek toe te staan op de voorwaarde dat de werkzaamheden onder toezicht van de stadsfabriek worden gedaan en zodanig moeten aangelegd en ingericht worden als door de stadsfabriek zal worden voorgeschreven. De gehele lengte van de op te graven en weer aan te vullen grond, ter breedte van 1 el 50 of zoveel breder als blijken zal nodig te zijn, zal te allen tijde door Van Baalen tot genoegen van het Stadsbestuur moeten worden onderhouden.

Tegen de plannen van J.K. van Baalen rijst verzet. In februari 1836 maken Marinus Harinck, Pieter de Munck en Cornelis Beijaard bezwaar tegen het aan de heer Jan Karel van Baalen verleende consent voor het stichten van een zoutziederij binnen de stad. Ze vrezen voor het gevaar van brand en verzoeken alsnog voorzieningen daar tegen te treffen. Hun bezwaren worden voorgelegd aan de generale brandmeesters. Dit leidt tot een nadere deliberatie over de wenselijkheid om de schoorsteen in de zoutziederij, die niet aan de verwachtingen voldoet, te verplaatsen. Dit vooral gelet op de bezwaren van de heren Harinck, De Munck en Beijaard, eigenaren van gebouwen in de nabijheid van de zoutziederij, en op het rapport van de generale brandmeesters.
Het Stadsbestuur besluit dat de eerstgebouwde schoorsteen zal moeten worden afgebroken en daarvan generlei gebruik mag worden gemaakt. Het bouwen van een andere schoorsteen wordt toegestaan onder de volgende bepalingen:
de schoorsteen zal recht op en neer, binnen het gebouw, geheel vrij van de zijmuren of gevels, moeten worden geplaatst en opgetrokken, met een pijp buitenwerks van vier op drie stenen;
alle benodigde schuiven en ramen moeten van ijzer worden geplaatst, met de ankers, beugels met knopen en bekwame schieters;
de pijp moet zo hoog worden opgetrokken dat deze iets boven de kruin van de bomen, staande tussen de twee waterpoorten, immers niet minder dan een el boven de nok van het gebouw, verheven is.

In juli 1837 krijgt het Stadsbestuur ter goedkeuring voorgelegd een tekening van de aannemer Hermanus Boet van een voorgevel aan het huis van zoutzieder J.K. van Baalen in wijk D nummer 24 op de Kaai. Hij heeft dit aangenomen om te bouwen. Het Stadsbestuur heeft geen bedenkingen tegen het plan.

De omwonenden blijven klagen over de overlast van de zoutziederij van J.K. van Baalen. In april 1837 dienen de heren Marinus Harinck, Pieter de Munck en Cornelis Zuidweg, wonende in de nabijheid van de zoutziederij, een rekest bij het Stadsbestuur in. Ze beklagen zich over het ongerief en de schadelijke uitwerkselen die ze te lijden hebben door de aanhoudende roetachtige uitwerpselen uit de schoorsteen van de zoutziederij. Ze verzoeken maatregelen tot voorziening daartegen te nemen. De stadsfabriek wordt gevraagd te onderzoeken of er middelen kunnen worden aangewend om het ongerief te voorkomen of te verminderen.
In juli komt het advies van de stadsfabriek ter tafel van het Stadsbestuur. Het probleem kan volgens de stadsfabriek worden voorkomen of aanmerkelijk verminderd door het ruim vier ellen hoger optrekken van de schoorsteenpijp van de zoutziederij. Besloten wordt de stadsfabriek aan te schrijven om van zijn observaties en bevindingen de heer Van Baalen mededeling te doen en hem uit te nodigen tot het verhogen van de schoorsteenpijp als middel tot vermindering of voorkoming van de inconveniënten die aan zijn buren worden toegebracht.

Overige bedrijvigheid

Bezemmaker
De bezemmaker in de stad, Laurens Opperman, verzoekt in februari 1837 om gebruik te mogen maken van een klein gedeelte van de stadsvest ‘aan de zijde van de wal achter het zwanenhok’ om daarin de wissen te weken die hij voor de uitoefening van z’n bedrijf als bezemmaker nodig heeft en verbruikt. Het Stadsbestuur staat hem dit toe tot wederopzegging.

Handel in beenderen
Met een merkwaardige bezigheid houdt de Joodse koopman Levi Emanuel zich bezig. Hij deelt het Stadsbestuur in september 1839 mee dat hij in het bezit is van een aanzienlijke partij beenderen. Deze zijn alle aangekocht vóór de uitvaardiging van het Koninklijk Besluit van 16 juli 1839 en bevatten geen smetstof. Hij verzoekt toestemming om van de gelegenheid tot verkoop daarvan in Holland gebruik te mogen maken en deze te vervoeren. De partij beenderen maakt het voornaamste van zijn handel uit. Het Stadsbestuur overweegt dat de opgegeven voorraad beenderen in de bewaarplaats van Emanuel aanwezig was vóór de uitvaardiging van het Koninklijk Besluit. Besloten wordt de commissaris van politie opdracht te geven de voorraad beenderen nauwkeurig te examineren. Na de verkregen verzekering dat deze voorraad na het uitvaardigen van het Koninklijk Besluit niet is vermeerderd en de beenderen vóór die tijd zijn verzameld en de voorraad alleen uit droge beenderen bestaat, zal onder toezicht van de politiebedienden het vervoer van de beenderen in massa kunnen geschieden.

Horlogemakers
Er zijn deze jaren drie horlogemakers binnen de stad: Bernardus Boulboulle, Cornelis Dekker en C.B. Simons.
In oktober 1834 verzoekt de controleur bij het kantoor van waarborg in Zeeland hem het bewijs van inschrijving van de horlogemaker Cornelis Dekker binnen de stad uit te reiken. En in augustus 1835 vraagt de Gouverneur het advies van het Stadsbestuur over het verzoek van de horlogemaker Bernardus Boulboulle om met een veldwachterplaats te worden begunstigd. Hij krijgt een gunstige aanbeveling. De controleur van de waarborg der gouden en zilveren werken te Middelburg wordt in mei 1838 kennis gegeven dat C.B. Simons, goud- en zilverwerker en horlogemaker, zich in de stad heeft neergezet. En in november 1838 komt bericht van de controleur van de waarborg over de vestiging van Johannes Jacobus Massot als horlogemaker in de stad in het pand in wijk C nummer 96.

Klompenmakers
De klompenmaker Johannes Petrus de Wijs verzoekt het Stadsbestuur in maart 1834 vrijdom van stedelijke belasting op de bouwmaterialen voor het hout dat hij voor het vervaardigen van klompen invoert. Als reden noemt hij: ‘Uit overweging er geen belasting op de van elders binnen gevoerd wordende klompen bestaat en mitsdien de door hem gefabriceerd wordende klompen, waarvoor hij belasting op het daarvoor benodigde hout betaald heeft, kan hij de klompen niet zo goedkoop leveren als anderen’. Besloten wordt De Wijs de verlangde vrijdom te verlenen.

Kooplieden en winkeliers
De Gouverneur geeft in april 1834 kennis dat aan Ludovicus Varewijk, koopman in het Vlaamse Sint Niklaas, is toegestaan om zich in deze stad te vestigen.

De koopman en commissionair Johannes Fransen van de Putte verzoekt in februari 1835 voor eigen rekening de stadsgrond voor zijn nieuw gebouwde pakhuis in ‘de Hooge Boomen’, ter breedte van ongeveer drie ellen, te mogen bestraten en met paaltjes te bezetten. Hij krijgt hiervoor toestemming mits de grond westwaarts naar de Kreukelmarkt wordt verbeterd. In het gemeentearchief bevindt zich een tekening van de situatie in ‘de Hooge Boomen’. Hij krijgt echter in januari 1836 een aanschrijving van het Stadsbestuur om dadelijk de twee eerste van de gestelde paaltjes, te rekenen vanaf de Kreukelmarkt, weg te ruimen zonder de grond daar verder te bezetten.

In augustus 1835 geeft Michiel Wolf, koopman te Bergen op Zoom, te kennen dat hij zich als koopman genoodzaakt ziet, zo voor de verkoop als tot eigen gebruik, aan zijn onlangs gekochte bouwvallige huis ‘de Gouden Zwaan’ aan te varen enige afbraak van oude schepen of zogenaamd scheepshout. Hij is op 1 juni 1835 door aankoop eigenaar geworden van het oude en bouwvallige huis ‘de Gouden Zwaan’ in wijk B nummer 39. Hij is genoodzaakt geweest dit huis voor het grootste gedeelte af te breken en weer op te bouwen. Het inwendige van die bouwval moest hij geheel en al vernieuwen omdat het zich in een volmaakt onbruikbare staat bevond. Hij verzoekt vrijgesteld te worden van stedelijk octrooi op de bouwmaterialen die hij wil aanvoeren, zowel tot verkoop als tot herstelling van het onlangs door hem gekochte huis, bestaande uit afbraak van oude schepen of zogenaamd scheepshout. Het Stadsbestuur wijst zijn verzoek af. .  
Ook in september dient hij een verzoek in om vanwege de aanmerkelijke kosten voor de renovatie van het zeer bouwvallige woonhuis om vrijstelling van belasting op de gebouwde eigendommen gedurende tien jaar. Opnieuw dient hij een verzoek in in mei 1836 om als eigenaar van het woonhuis ‘de Gouden Zwaan’ vanwege de aanmerkelijke kosten voor de renovatie van dit voorheen zeer bouwvallige huis vrijdom van stedelijke belastingen op de gebouwde eigendommen te verlenen. Hij krijgt dit gedurende vijf jaar.

Op het verzoek van de grutters Philippus Verhagen en zoon in augustus 1839 om aan de hoek van hun pakhuis aan de stadswal in wijk C nummer 260 een planken beschoeiing te plaatsen met een staketsel, besluit het Stadsbestuur daarmee akkoord te gaan. Wel moeten deze kosten voor zijn rekening komen en dient er een leuning te worden geplaatst over de volle lengte van de afschutting. Bij een inspectie is gebleken dat de plaatsing van een beschoeiing op deze hoek niets dan voordelig kan zijn voor het in stand houden van de grond aldaar. Maar door het steil afschutten aan de muurzijde zal een doelmatige leuning tot voorkoming van ongelukken op deze schutting nodig zijn.
 
In december 1839 dient de winkelier in maljenierswaren Jacobus Reijnhout Hzn een verzoek in voor het plaatsen of hangen van een houten met doek bespannen raam of scherm voor zijn woning op de hoek van de Papegaaystraat. Dit kan als luifel dienen voor de beveiliging van zijn uit te stallen koopwaren op de kermis en marktdagen. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Manufacturiers
In mei 1834 krijgt de winkelier Boudewijn Allemekinders op zijn verzoek toestemming om op grond van het Reglement op het houden van openbare verkopingen van manufacturen voor de openbare verkoop van de manufacturen en goederen, vermeld in de bij zijn brief gevoegde notitie.
Ook komt er in september 1834 een verzoek van de herbergier Hermannus Werri om als gemachtigde van de erfgenamen van wijlen Louis Strik, die alhier is overleden, om vergunning voor de publieke verkoop van enige door de overledene nagelaten manufacturen. Besloten wordt dit verzoek als in strijd met het Reglement te weigeren.

Stoeldraaiers
In juni 1834 dient de stoeldraaier binnen de stad A. Buijk een verzoek in om restitutie van de stedelijke belastingen op de bouwmaterialen voor het hout dat door hem bewerkt naar buiten de gemeente wordt uitgevoerd. Het Stadsbestuur besluit om het verzoek zoals het er nu ligt af te wijzen. Er zal met hem een bepaalde regeling worden getroffen. Hij moet na ieder half jaar een schriftelijke opgave inzenden van het door hem als bouwmateriaal bewerkte en naar buiten de stad uitgevoerde hout.

Verhuur van paarden en wagens
De huurkoetsier Laurus Laurusse verzoekt in september 1836 voor zich en zijn knechts vrijstelling van de dienst bij de stadsbrandspuiten. Het gaat hem met name om vrijstelling van de boeten die ze bij verzuim van de aanwezigheid bij de oefeningen, veroorzaakt door werkzaamheden in zijn bedrijf, moeten incasseren. Het Stadsbestuur wijst dit verzoek af. Dit zou dan voor alle huurkoetsiers van toepassing zijn. De dienst van de brandweer moet gehandhaafd worden.