Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1833 - 1839)

Plaatselijke schoolcommissie

De Gouverneur van Zeeland geeft in juli 1835 kennis van de benoeming van de heer J. ab Utrecht Dresselhuis, predikant te Wolphaartsdijk, tot districtschoolopziener. Tot zijn plaatsvervanger wordt benoemd de heer Van der Meer Mohr.

De gemeenteraad stelt op de 17e juni 1837, op voorstel van de plaatselijke schoolcommissie,  ‘de Schoolorde voor de Lagere scholen, instructie voor de onderwijzers en tarief van schoolgelden, in de stad Goes’, vast. Het door de stadsdrukkers F. Kleeuwens en Zoon gedrukte kleine boekje is in het gemeentearchief.

In deze jaren zijn er vijf scholen in de stad, te weten twee Nederduitse lagere scholen voor jongens en meisjes; de Franse dag- en kostschool voor jongens; een dag- en kostschool voor meisjes en een bijzondere school voor wezen- en armenkinderen voor jongens en meisjes.

Nederduitse scholen

Ook deze jaren zijn in de stad twee Nederduitse scholen gevestigd. De ene school, gevestigd tegenover de Grote Kerk naast het Slot Oostende, wordt gediend door de stadsschoolmeester Jacobus van der Pijl. De andere school, gevestigd aan de Beestenmarkt, wordt gediend door de stadsschoolmeester Cornelis van Klooster.

In april 1833 dient de stadsschoolonderwijzer Van der Pijl een verzoek in om een schadeloosstelling van 70 gulden per jaar uit de stadskas voor het gemis van zijn voormalige woning in het schoolgebouw aan de Singelstraat. Hij merkt hierbij op dat dan tegen het einde van het jaar het schoolgebouw zodanig kan worden ingericht dat de school nog meer kan worden uitgebreid. Hij vleit zich ermee dan in staat te worden gesteld voor het eerst af te zien van het voorrecht van vrije woning, dat hem bij zijn beroeping verzekerd is. Ook wijst hij op de mogelijkheid dat tegen die tijd het aantal leerlingen zodanig kan worden verminderd dat het gewone schoollokaal deze kan bevatten en de overige ruimte weer tot zijn inwoning dienstbaar gemaakt kan worden.
Het Stadsbestuur besluit, gelet op het advies van de plaatselijke schoolcommissie, de stadsschoolonderwijzer Van der Pijl als gratificatie voor dit jaar en zonder consequentie voor het vervolg een bedrag toe te kennen van 35 gulden. De beraadslaging over verlenging van de bestemming van zijn voormalige woning tot school wordt voorlopig aangehouden. Raadslid Lenshoek van Zwake protesteert tegen dit besluit, omdat Van der Pijl destijds zelf heeft verzocht om voor eigen rekening een andere woning te zoeken.

Schoolmeester Van der Pijl verzoekt in januari 1834 de plaatselijke schoolcommissie om hem weer in het bezit van zijn voormalige woning in de stadsschool te stellen. De commissie stelt voor om aan het verlangen van de onderwijzer te voldoen in die zin dat hij voor de keuze wordt gesteld: òf om het lokaal dat tot zijn woning is bestemd de nodige reparaties te laten ondergaan òf met hem een schikking te maken over een voortdurende schadeloosstelling wegens de huishuur. Zolang hierover nog niet is beslist ware hem een toelage van ƒ 50 als tegemoetkoming te verstrekken. De schoolcommissie stelt hiervoor een nadere berekening op.
Het Stadsbestuur besluit het stads schoolgebouw van de onderwijzer Van der Pijl voortaan volledig voor het onderwijs te laten dienen. Het huidige schoollokaal zal enige verbeteringen ondergaan. De onderwijzer krijgt een tegemoetkoming van zestig gulden per jaar, mits hij zich op zijn eigen kosten voortdurend van woonruimte voorziet.

In februari 1838 dienen de stadsschoolonderwijzeres Van Klooster en Van der Pijl een verzoek in om een vergoeding uit de stadskas voor de in de afgelopen winter geleden schade vanwege de vermindering van het aantal leerlingen in hun scholen door de heersende roodvonk en mazelen onder de kinderen.

Franse school

De plaatselijke schoolcommissie wijst het Stadsbestuur in oktober 1833 op de voortdurende ongeschiktheid van de Franse kostschoolhouder Johan David Le Clercq om de Franse school zelf te besturen. Menigmaal is de wens bij de commissie geopperd dat er maatregelen worden beraamd om in zijn vervanging te voorzien. Temeer daar de al in 1827 aangegane overeenkomst tussen Le Clercq en zijn vervangend onderwijzer J.H. van den Bree bepalingen bevat waarvan de naleving voor Van den Bree zeer bezwarend is en die het onderwijs benadelen. De goede trouw verbiedt evenwel om deze overeenkomst te verbreken. Dit zou ook tot gevolg hebben dat Le Clercq de school weer onder zijn hoede krijgt. Hierdoor zou de Franse school ongetwijfeld in verval geraken. De commissie ziet geen andere mogelijkheid dan om Le Clercq onder het genot van een pensioen ten laste van de stadskas van ƒ 200 uit die betrekking eervol te ontslaan. Het Stadsbestuur besluit hiertoe.

In mei 1834 verzoekt Le Clercq Zijne Majesteit de Koning om met een rijkspensioen te worden begunstigd. Dit verzoek wordt voor advies aan het Stadsbestuur voorgelegd.
In oktober 1834 schrijft de Gouverneur dat Zijne Majesteit de Koning op het verzoek van Johan David Le Clercq de Courcelles, de Franse kostschoolhouder binnen de stad, heeft goedgevonden hem een pensioen te verlenen van ƒ 100 per jaar. De gemeenteraad verleent hem daarnaast ƒ 200. Het pensioen gaat in op 1 juli 1834. Le Clercq de Courcelles heeft ruim 44 jaar als onderwijzer gefungeerd. Hij werd in 1811 als Frans kostschoolhouder uit Ossendrecht naar Goes beroepen. Steeds heeft hij zich tot genoegen van de plaatselijke schoolcommissie gedragen en met ijver gearbeid aan de vorming van de jeugd. Maar de laatste tijd hebben lichaamskwalen hem daartoe de lust doen verliezen en hem genoodzaakt zijn werkkring geheel te verlaten. De plaatselijke schoolcommissie wordt verzocht te adviseren over de vervulling van de vacature.

Op de 22e november 1834 besluit de gemeenteraad te voorzien in de vervulling van de vacature, ontstaan door de pensionering van de onderwijzer Le Clercq van Courcelles. Overwogen wordt dat de school gedurende de tijd van zeven jaren is waargenomen door de onderwijzer Jacobus Hermanus van den Bree. Deze bezit de tweede rang en is bevoegd voor de Nederduitse, Fransche en Hoogduitsche talen. De waarneming heeft tot volkomen genoegen van het Stadsbestuur en de plaatselijke schoolcommissie plaats gevonden. Hij heeft alleszins blijken van bekwaamheid en geschiktheid gegeven en zich door een ijverig en loffelijk gedag waardig gemaakt om in die functie definitief te worden benoemd. De raad is dan ook eenparig van gevoelen om hem zonder voorafgaande oproeping van sollicitanten of een vergelijkend examen aan te stellen. Wel moet hij aan de gepensioneerde onderwijzer Le Clercq elk kwartaal een uitkering van ƒ 100 betalen. Helaas, op de 13e december 1834 komt een bericht binnen van Gedeputeerde Staten dat Van den Bree niet kan worden benoemd zonder een voorafgaand vergelijkend examen na een gedane oproeping van sollicitanten.
 
De Gouverneur verzoekt in mei 1835 advies over het ingediende rekest van de Franse kostschoolhouder Van den Bree om hem in het genot te stellen van een landstraktement zodra de definitieve vervulling van deze functie zal hebben plaats gehad.
In augustus 1835 worden de ingekomen sollicitaties naar de vacerende functie van onderwijzer aan de Franse kostschool ter beoordeling aan de plaatselijke schoolcommissie toegezonden met verzoek om daarover van advies en raad te dienen. Het blijkt dan dat alleen de huidige waarnemend onderwijzer Van den Bree heeft gesolliciteerd. Deze functie is nu al sinds ruim zeven jaar door hem bij vervanging en tijdelijk op een alleszins voldoende wijze waargenomen. Het ligt dan ook voor de hand dat de gemeenteraad in de vacature van onderwijzer aan de stads Fransche kostschool definitief voorziet door benoeming van Van den Bree.

Jonge juffer- of meisjesschool

In juni 1833 vraagt de burgemeester van Schoonhoven het Stadsbestuur informatie over de bekwaamheden en het gedrag van de onderwijzeres van de meisjesschool E.A. Petit. Daarover wordt een gunstig bericht gegeven. Mejuffrouw Petit stuurt in september een kennisgeving van haar benoeming als instructrice te Schoonhoven. Ze is voornemens om naar die stad te vertrekken. Ze verzoekt, vanwege het kostbare van haar verhuizing en de weinige inkomsten die ze de laatste tijd heeft genoten, tot en met december 1833 haar gewone jaarwedde te behouden. Het Stadsbestuur besluit dat in haar verzoek niet kan worden getreden.

Er worden sollicitanten opgeroepen voor het onderwijs aan de meisjesschool. Een commissie beraadt zich erover of het noodzakelijk is de jaarwedde van de onderwijzeres aan de meisjesschool te verhogen, dit om een geschikte vervulling van de vacature te kunnen verwachten. Besloten wordt de jaarwedde te verhogen van ƒ 150 tot ƒ 350.

De plaatselijke schoolcommissie schrijft het Stadsbestuur in januari 1834 dat zich drie sollicitanten hebben aangediend. Onder hen is mevrouw Jeanne Christine de Kanter geboren Groeneijk, wonend te Middelburg. Ze heeft een acte van algemene toelating voor de Nederduitse, Franse en Engelse talen, aardrijkskunde en geschiedkunde, overgelegd. Ook is er een sollicitante uit Brummen met een acte voor de Franse taal en een sollicitante uit ’s Hertogenbosch zonder overlegging van stukken.
De commissie vindt het te bezwaarlijk in dit seizoen de beide sollicitanten uit Brabant te laten overkomen. Daarentegen zijn alle gegevens over mevrouw De Kanter in orde en is de overtuiging dat de keuze op haar volkomen aan het doel zal beantwoorden. Besloten wordt dan ook mevrouw J.C. de Kanter-Groeneijk te benoemen op een jaarwedde van ƒ 350.  
 
De plaatselijke schoolcommissie stelt in mei 1834 voor om de stadsmeisjesschool voor stadsrekening van schoolmeubilair voor stadsrekening te voorzien. Het Stadsbestuur besluit daaraan te voldoen in zover deze meubels te vervaardigen zijn uit de buiten gebruik zijnde kazernevoorwerpen. De vorige onderwijzeres, mejuffrouw Petit, had wat tafels in eigendom, waarmee ze zich, hoewel gebrekkig, steeds heeft beholpen, maar de nieuw benoemde onderwijzers bezit niets van dat alles en kan naar het oordeel van de schoolcommissie niet verplicht worden dit zelf aan te schaffen.

Het gemeenteverslag over 1835 tekent het volgende aan: ‘Van de stads meisjesschool onder juffrouw De Kanter wordt een zodanig meer gebruik gemaakt als ooit te voren. De onderwijzeres voldoet zeer wel aan de verwachting. Ze wordt bijgestaan door haar zuster’.

Wezen- en armenschool

Het algemeen armbestuur geeft het Stadsbestuur in januari 1834 kennis van een met de regenten van de godshuizen gemaakte schikking voor het verhogen van de jaarwedde van de onderwijzer aan de wezen- en armenschool, Jacobus Kruijsse, met ƒ 100. Daardoor komt zijn jaarwedde op ƒ 500. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In september 1834 dient Jacobus de Hond, ondermeester van de wezen- en armenschool en in het bezit van de derde onderwijzersrang, een verzoek in om tot het geven van huisonderwijs binnen de stad te worden toegelaten. Hij is in de tijd van de Belgische onlusten vrijwillig bij de Mobiele Schutterij aangesloten geweest en daarmee op de 27e november 1830 uitgetrokken. Van zijn eerder verkregen toelating heeft hij geen gebruik gemaakt. Op 20 augustus 1834 is hij ‘met onbepaald verlof tot zijn haardstede wedergekeerd’. Het verzoek wordt voor advies voorgelegd aan de plaatselijke schoolcommissie. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

De wezen- en armenschool wordt vooral ‘s winters zo talrijk bezocht dat de onderwijzer en zijn secondant het bijna niet aan kunnen. Het gemeenteverslag over 1835 vermeldt ‘dat, hoewel beiden in alle opzichten zich van hun taak wel kwijten, ze dikwijls bovenmatig moeten werkzaam zijn om het onderwijs gelijkmatig toe te delen’.
In 1834 wordt de school bezocht door 150 leerlingen, waarvan 100 van bedeelde ouders en 50 van niet bedeelde doch behoeftige ouders. Over 1835 bezoeken 238 leerlingen de school, waarvan 138 van bedeelde en 100 van niet bedeelde doch behoeftige ouders. In 1837 bezoeken 215 leerlingen de school, waarvan 115 van bedeelde ouders en 100 van niet bedeelde doch behoeftige ouders. In 1839 is het aantal leerlingen 216, waarvan 158 van bedeelde ouders en 58 van niet bedeelde doch behoeftige ouders.

Latijnse school

In de vergadering van de gemeenteraad van de 17e oktober 1833 komt de vraag aan de orde of er een mogelijkheid is om binnen de stad weer een Latijnse school op te richten. De raadsleden Van der Bilt en De Kanter krijgen als commissarissen het verzoek om te overwegen of hiervoor een mogelijkheid bestaat en zo ja, waarop de kosten kunnen worden berekend die nodig zijn zowel voor de oprichting als voor de jaarlijkse instandhouding. Overwogen wordt dat het Stadsbestuur al eerder aanleiding zag om de aloude Latijnse school binnen de stad her op te richten. Maar de daarvoor aangewende pogingen hadden geen resultaat. De gunstiger staat van de stedelijke financiën zou heroprichting nu mogelijk maken. De nuttigheid daarvan behoeft, naar het oordeel van de gemeenteraad, geen betoog. Besloten wordt de Gouverneur te verzoeken om toestemming te verlenen voor het herstel van de Latijnse school alsook voor de benoeming van een rector op een jaarwedde uit de stadskas van ƒ 700.
Het provinciaal bestuur maakt echter bezwaar tegen dit voornemen. Het betwijfelt of dit wel aan te raden is, daar de kosten die de inrichting van een Latijnse school voor de stadskas betekenen het nut ver zullen overtreffen. De stad zal steeds moeten voorzien in de inrichting en het onderhoud van lokalen en voor de woning van de rector moeten zorgen. Voor ƒ 700 zal bezwaarlijk een geschikte rector verkregen kunnen worden. De Gouverneur voegt hieraan toe: ‘Ook ontwaar ik weinig nut in de wederoprichting van de bedoelde school omdat in vergelijking met andere plaatsen het getal leerlingen gering zal zijn en gemiddeld nauwelijks zes tot acht zal kunnen bedragen’. Het provinciaal bestuur adviseert met heroprichting te wachten tot de geldlening voor de havenwerken (de havennegotiatie) is afgelost en tot gunstiger tijden. De gemeenteraad weerlegt de argumenten van Gedeputeerde Staten in zijn vergadering van de 21e december 1833 met klem en blijft bij zijn besluit tot wederoprichting.

In februari 1834 komt een brief van de Gouverneur naar aanleiding van de door hem gevoerde correspondentie met de Minister van Binnenlandse zaken over de wederoprichting van de Latijnse school binnen de stad. Hij deelt mee daarvoor geen voordracht te zullen doen tenzij uit een gedetailleerde voordracht van de gemeenteraad zal zijn gebleken dat van stadswege afdoende is voorzien in al wat tot de oprichting en instandhouding van een Latijnse school wordt vereist. De gemeenteraad is kennelijk ontstemd over de opstelling van de Gouverneur.

De raadsleden Van der Bilt en De Kanter stellen een preadvies op over hoe te handelen met de aanschrijving van de Gouverneur. De gemeenteraad verenigt zich, onder dankbetuiging aan beide leden, met hun advies en persisteert bij de gedane voordracht tot herstel van de Latijnse school binnen de stad. De Gouverneur wordt te kennen gegeven dat de gemeenteraad meent dat op de voorgestelde wijze, desnoods met een geringe verhoging van de voorgestelde bijdrage uit stadskas, in al het benodigde en gevorderde zal kunnen worden voorzien ‘en men alzo ook vertrouwt dat er geen verdere zwarigheden zullen bestaan om, ingevolge het uitgedrukte verlangen van de vergadering, Zijne Majesteits autorisatie aan te vragen’.

In oktober 1834 stuurt de Gouverneur het Koninklijk Besluit toe, waarbij het Stadsbestuur wordt gemachtigd ‘tot de wederoprichting van de vroeger aldaar bestaan hebbende Latijnse school’. Tevens deelt de Gouverneur enige informaties mee over de tot de inrichting van de school te verrichten benoemingen als anderszins. De heren Van der Bilt en Van Kerkwijk zullen zich hierover beraden.

De gemeenteraad benoemt in november 1834 tot curatoren voor het bestuur van de Latijnse school de heren mr. Francois Nicolaas van der Bilt, president van de rechtbank, Johan Willem Hecking, medisch doctor, W.L. van Oosterzee, predikant bij de Hervormde gemeente, mr. Jozias de Backer, officier van justitie, en mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr, advocaat. De installatie van het curatorium is op donderdag 27 november ‘s middags om half twee op het Stadhuis door de burgemeester. De curatoren benoemen tot president van het college de heer mr. F.N. van der Bilt en tot secretaris de heer ds. W.L. van Oosterzee.

De gemeenteraad besluit in januari 1835 het minerval dat voor iedere scholier jaarlijks moet worden voldaan te bepalen op ƒ 52, te betalen met ƒ 13 per kwartaal. Om beter te kunnen slagen in het aantrekken van een kundig rector stelt de raad zich garant voor een minerval voor zes leerlingen en derhalve tot een bedrag van ƒ 312 per jaar. Het daarop te kort komende zal van stadswege worden bijgepast. Besloten wordt gedurende vijf jaar, bij een onverhoopt minder bedrag van het minerval, de kosten van de rector uit de stadskas jaarlijks bij te passen.

De curatoren van de Latijnse school krijgen in maart 1835 bericht dat de gemeenteraad bereid is om de door hen voorgedragen eerste kandidaat, de heer doctor G.E.J. Everts, als rector te benoemen. Hij is kandidaat in de letteren aan de Hogeschool te Leiden. De andere kandidaat op de voordracht is de heer Kruseman, preceptor van de Latijnse school te Middelburg. Dit leidt tot de benoeming op de 18e juli 1835 van de heer Gerhardus Everhardus Janus Everts, oud 26 jaar, op een jaarwedde van 700 gulden. Hij is aan ‘s Lands Hogeschool te Leiden gepromoveerd en heeft de graad van Philos. Theoretica et litterarum humaniorum doctor. De installatie van de rector vindt plaats op de 8e augustus 1835. De opening van de lessen is bepaald op maandag de 7e september 1835. Degenen die wensen van de school gebruik te maken kunnen zich aanmelden bij de secretaris van de plaatselijke schoolcommissie vóór de 19e augustus.

De curatoren van de Latijnse school nodigen de gemeenteraad op de 15e oktober 1836 uit om op eerstkomende woensdag te assisteren bij de publieke promotie van de leerlingen op de school en de dan te houden prijsuitdeling. Ook op de 30e september 1837 komt er een kennisgeving van de curatoren van de Latijnse school met kennisgeving van de jaarlijkse promotie op woensdag de 4e oktober met de uitnodiging om daarbij te assisteren. Ze maken melding van de bloei van de school en het uitzicht dat er geen aanvulling uit de stadskas op het minverval (schoolgeld) van de leerlingen nodig zal zijn.

Tekenschool

De directie van de stadstekenschool stuurt in februari 1833 het jaarlijks verslag van de school over 1832 toe. Het Stadsbestuur stuurt dit ter kennisname naar de Gouverneur met het verzoek tot het bekomen van een zilveren medaille. De gemeenteraad zal op de eerstkomende dinsdagavond de school een bezoek brengen.

De heer Mirandolle schrijft in september 1833 ‘om redenen’ zijn functie van president van de directie van de stadstekenschool neer te leggen. De gemeenteraad dringt er bij hem op aan om dit verzoek in te trekken. Mirandolle verklaart aan dit verlangen, ofschoon met leedwezen, niet te kunnen voldoen. De gemeenteraad verleent hem eervol ontslag uit deze functie. De heer Van Kerkwijk, lid van de gemeenteraad, verkrijgt de functie van voorzitter. Tot nieuw lid van de directie van de stadstekenschool wordt benoemd de heer Jac. de Jongh. In november 1834 wordt de heer L.C. de Peval benoemd tot lid van de directie van de school.

De directie van de stadstekenschool nodigt het Stadsbestuur op de 6e oktober 1834 uit voor het bijwonen van de uitdeling van de prijzen aan de leerlingen van de school op heden namiddag te vier uur in het gebouw van de doopsgezinde kerk. Besloten wordt daaraan zoveel mogelijk te voldoen.

Het blijkt dat de stadstekenschool zeer in bloei toeneemt. In 1836 worden de lessen door 80 leerlingen bijgewoond, waarvan er 41 gratis onderwijs genieten. In 1837 is het aantal leerlingen toegenomen tot 95.

Huisonderwijs

In september 1834 dient Jacobus de Hond, ondermeester van de wezen- en armenschool en in het bezit van de derde onderwijzersrang, een verzoek in om tot het geven van huisonderwijs binnen de stad te worden toegelaten. Ook Bernardus Johannes Eltzman dient eenzelfde verzoek in. Na afgelegd examen voor de plaatselijke schoolcommissie worden beiden toegelaten.
In september 1837 verzoekt Marinus van Zoom, inwoner van de stad, om als huisonderwijzer te worden toegelaten. Hij krijgt toestemming, maar trekt zich terug omdat hij als ondermeester bij de schoolonderwijzer te Kruiningen is geplaatst.

Kinderbreischool
In november 1834 verzoekt Catharina Coenraads weduwe van Cornelis Marinus Potvliet toestemming om een kinderbreischool in de stad te mogen oprichten. Gelet op het gunstige advies van de plaatselijke schoolcommissie besluit het Stadsbestuur haar vergunning te verlenen voor het oprichten daarvan in haar huis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 12. Een overweging die hier mee speelt is het teniet gaan van het maîtresseschooltje of de kinderbreischool van Anthonetta van Huizen en het overlijden van Cornelia van Bregt weduwe Steutel en dat in deze vacature nog niet is voorzien.

Zondagsschool
De directie van de afdeling van het Nederlandsche Bijbelgenootschap te Goes verzoekt in februari 1836 vergunning voor het oprichten van een zondagschool, uitsluitend bestemd om onkundigen, armen of dienstboden in het lezen, vooral van de Bijbel, en het schrijven te oefenen. Gelet op het advies van de plaatselijke schoolcommissie besluit het Stadsbestuur tot het oprichten van een zondagsschool binnen de stad. Dit gebeurt onder de volgende bepalingen: de plaatselijke schoolcommissie moet steeds in de gelegenheid zijn de staat en inrichting van de zondagsschool te kennen; in het bestuur moet steeds een lid van de plaatselijke schoolcommissie zitting hebben; het onderwijs in de school zal als regel worden opgedragen aan een van de hoofdonderwijzers binnen de stad; op de zondagschool worden geen personen tot het genieten van onderwijs toegelaten dan degenen die de leeftijd van twintig jaar en daar boven hebben bereikt; jaarlijks zal in januari een kort verslag aan het Stadsbestuur worden aangeboden.
Op de 2e maart 1836 wordt de zondagschool officieel geopend. De directie van de zondagschool stuurt het Stadsbestuur op de 10e maart een kennisgeving van de opening van de school en het aanvankelijke resultaat met een verdere aanbeveling.

Cultuur

Liefhebberij Comedie
In oktober 1838 ontvangt het Stadsbestuur een verzoek van M.A. Brandt, S. Wolff, B.D. Cohen en W.A. Anemaet, inwoners van de stad, om een ‘Liefhebberij Comedie’  te mogen oprichten en gedurende de aanstaande winter in het lokaal van de schouwburg enige uitvoeringen te mogen geven. Dit verzoek wordt toegestaan.

De directie over de ‘Liefhebberij Comedie’ krijgt in augustus 1839 toestemming om gedurende de eerstvolgende winter weer enige uitvoeringen te geven. De eerste ‘representatie’ die wordt opgevoerd is ‘Verlegenheid en List’, een blijspel in drie bedrijven. Dan volgt ‘de Reizende’, een blijspel in één bedrijf. De tweede representatie gaat over ‘de Jong gehuurde Franschman’, een blijspel in drie bedrijven, en daarna ‘de Deserteur’, een kluchtig blijspel in één bedrijf.  In december wordt als eerste representatie opgevoerd ‘de Wonderdoctor’, een blijspel in drie bedrijven, en daarna ‘de Weduwe en het rijdpaard’, een blijspel in één bedrijf.

In januari 1840 wordt voor de tweede maal ‘de Wonderdoctor’ en daarna ‘de Deserteur’ opgevoerd. In de toekomst wil men opvoeren ‘de Breinaalden’, een beroemd toneelspel in vier bedrijven, en daarna ‘de Bloedzuigers of de nieuwe handel in den Apotheek’, een blijspel met zang in één bedrijf.

Geschiedenis van Goes
Het Stadsbestuur ontvangt in maart 1833 het eerste deel van het school- en voorleesboek van de auteur dr. J. ab Utrecht Dresselhuis, getiteld ‘Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland’, gedrukt en uitgegeven door de drukker en boekhandelaar F. Kleeuwens te Goes. Aan het Ministerie van Binnenlandse zaken worden drie exemplaren van het boekwerk toegezonden. In oktober 1837 verschijnt er van dr. Dresselhuis het derde deel van de ‘Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland’. Ook hiervan worden drie exemplaren aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken toegezonden.

Stads bibliotheek
Het bestuur van het departement Goes van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen deelt het Stadsbestuur in januari 1835 het volgende mee. De in de stad bestaande boekerij is in 1816 opgericht door het departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Deze staat onder het oppertoezicht van een commissie van zes leden van het departement. Een zelfde aantal van zes leden is als eigenlijke bibliothecarissen werkzaam zonder enige beloning. De, meestal aan minvermogenden, ter lezing uitgeleende boekwerken belopen per week ongeveer veertig exemplaren. De kosten voor de instandhouding van deze bibliotheek bedragen per jaar ongeveer vijftig gulden. De aankoop van boeken moet zich regelen naar de stand van de kas van de bibliotheek. Deze kosten worden gedragen door de kas van het departement. Het aantal voorhanden zijnde boekwerken bedraagt 425. Er is een gedrukte catalogus tot 1825. Een exemplaar hiervan wordt meegezonden. De commissie van toezicht bestaat uit de heren ds. G. Blaaubeen, predikant, F. Kleeuwens, boekdrukker en boekhandelaar, F. Pieterse, heelmeester, P.A. Hochart, L. Lankhorst, en H.C. Pilaar. Bibliothecarissen zijn de heren P.I. Somer, F. Snoep, M.H. Telchuys, J. Kleeuwens, J.C. Kakebeeke en G. Buijze.

Gemeentearchief
In oktober 1835 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van Gedeputeerde Staten voor het opmaken van een Inventaris van het archief in gemeenten ten plattelande en het bijwerken daarvan. Dit besluit is voor de stad niet van toepassing.
De heer C.A. Bekker, dansmeester te Middelburg, ontvangt in december 1837 in bruikleen enige muziekinstrumenten die eigendom zijn van de stad Goes volgens een reçu en inventaris die in het archief zijn gedeponeerd.

Zangschool
Het bestuur van de afdeling Goes van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst deelt het Stadsbestuur in augustus 1839 mee dat de uren voor het onderwijs van de zangschool zijn bepaald op maandag, woensdag en vrijdag ’s middags van 12 tot 2 uur en op donderdag en zaterdag ’s middags van 1 tot 2 uur. De zangschool mag gebruik maken van de zaal boven de Koopmansbeurs. Op de aangegeven dagen en uren mag deze tot wederopzeggen gebruikt worden. De opening van de lessen is bepaald op maandag de 16e september 1839.
Het programma bevindt zich onder nummer 606 in het gemeentearchief. Het bestuur van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst stuurt een dankbetuiging voor de toezegging van het gebruik van de zaal boven de koopmansbeurs. Wel verzoekt het de zaal van een stookkachel te voorzien.

Klapbank
Vanouds is er in de stad naast de Sint Maartenspoort bij de ophaalbrug over de stadshaven een zogenaamde klapbank. In augustus 1838 doet Antoni van de Velde een aanbod als minste inschrijver voor de reparaties aan de klapbank. Deze werkzaamheden worden hem gegund voor ƒ 224.

Naamwijzer
Op de 28e december 1839 worden aan het Departement van Binnenlandse zaken toegezonden drie exemplaren van de ‘Naamwijzer der stad Goes en de eilanden Zuid- en Noord-Beveland van 1840’, gedrukt en uitgegeven bij de stadsdrukkers F. Kleeuwens en Zoon.

Frans Naerebout
De befaamde Vlissingse visser, loods en mensenredder Frans Naerebout werd in 1807 lichtwachter van de nieuwe vuurbaak in de Oost Bevelandpolder bij Wilhelminadorp. Later werd hij haven- en sasmeester van het Goese Sas. Hij overleed in 1818 op 70-jarige leeftijd. Op 3 september 1818 werd hij begraven in de Grote of Maria Magdalenakerk te Goes. De begrafenis werd als eerbetoon verzorgd door het Goese departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Na zijn overlijden ontving zijn weduwe een pensioen. In februari 1837 ontvangt het Stadsbestuur van de controleur bij de administratie van ’s rijks uitgaven de pensioenakte van de weduwe Naerebout retour. Daarop is de tweejarige continuatie van haar pensioen aangetekend. Hiervan wordt kennis gegeven aan de administrateur van ‘s Rijks schatkist.