Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1833 - 1839)

Nasleep staatkundige verwikkelingen met België

De Gouverneur van Zeeland vraagt in augustus 1839 naamlijsten van de ingezetenen die gedurende de plaats gehad hebbende, doch thans opgeheven staatkundige verwikkelingen met België, vrijwillig voor de handhaving van rust en orde dienst hebben gedaan. Deze naamlijsten worden ingediend door de kapitein van de compagnie vrijwillige jagers in het eiland Zuid-Beveland, door de commandant van de stedelijke schutterij, door de commanderende officier van de compagnie vrijwillige rustbewaarders te Goes en door de sergeant van het korps schutterkanonniers. Deze worden aan de Gouverneur toegestuurd en een exemplaar wordt ter stedelijke secretarie gedeponeerd.  


Rust verstorende beweging in augustus 1833

Op de 10e augustus 1833 doen zich ’s avonds en ’s nachts ongeregeldheden en geweldplegingen voor. De aanleiding blijkt enkele dagen later. Er is een gerucht ontstaan dat het Stadsbestuur de jaarlijkse kermis dit jaar geen doorgang laat vinden.

Het Stadsbestuur beraadt zich de volgende morgen om negen uur over de ernstige ongeregeldheden die de vorige avond en nacht binnen de stad zijn gepleegd. Deze hebben ‘de pogingen van de leden van deze vergadering noch die van de heren commandanten van de schutterij en verdere gewapende macht niet kunnen beletten’. Verder wordt overwogen dat zowel de plicht van het stedelijke bestuur als het gevoel van verontwaardiging en smart over het voorgevallene het noodzakelijk maakt om daarvan een openlijk bewijs te geven en verdere ongeregeldheden te voorkomen. Besloten wordt staande de vergadering een Publicatie vast te stellen en dadelijk af te kondigen. Daarin wordt ‘de hoge ontevredenheid en afkeer van de vergadering opengelegd en de verzekering aan de goede burgerij gegeven dat de gepleegde misdaden gestrengelijk zullen worden onderzocht met vermaning tot een stil en rustig gedrag en vermelding van de nadelige gevolgen welke een zodanige moedwillige en strafbare overtreding van wet en orde na zich moet slepen, terwijl over de toestand dezer gemeente en verdere maatregelen nog nader zal worden beraadslaagd’.

Op deze zelfde dag, ’s middags om half twee, deelt de burgemeester de gemeenteraad mee ‘dat de ongeregeldheden, gevolgd door oproerige bewegingen onder de ingezetenen en de gepleegde geweldenarijen aan de woning van wethouder Mirandolle, welke voorzeker de leden van deze vergadering met verontwaardiging en leedwezen hebben vervuld, het noodzakelijk hebben gemaakt om daarvan in de afgelopen nacht per expresse aan de Gouverneur rapport te doen’. Verder heeft op uitnodiging van de leden van de gemeenteraad, ten huize van wethouder Mirandolle bijeen zijnde, wethouder Kakebeeke zich in persoon naar Middelburg begeven om van het voorgevallene aan Zijne Excellentie de Gouverneur mondeling verslag te doen.

Na terugkeer rapporteert wethouder Kakebeeke aan de vergadering over zijn overleg met de Gouverneur. Hij leest een aanschrijving van de Gouverneur van deze zelfde dag voor, waarbij deze zijn leedwezen betuigt over het voorgevallene en bericht dat als gevolg van het overleg met de luitenant-generaal, opperbevelhebber van de troepen in Zeeland, last is gegeven om met de meeste spoed een detachement troepen uit Bath tot assistentie van het burgerlijke gezag te zenden. Tevens spreekt de Gouverneur de hoop uit dat de invloed van het stedelijke bestuur op de ingezetenen, geruggesteund door de militaire macht en de stedelijke gewapende macht, spoedig aan de ongeregeldheden en rustverstoringen een einde zal maken. Het zal hem aangenaam zijn geregelde rapporten te ontvangen over de stand van zaken in de stad. Hij verzoekt het Stadsbestuur om de bewerkers en aanleggers van de rustverstoringen op te sporen en te arresteren om hun verdiende straf te ontvangen en daadoor verdere ongeregeldheden te voorkomen.

Het Stadsbestuur neemt in overweging ‘dat voor het ogenblik deze stad in rust verkeert en vanwege de justitie het onderzoek naar de schuldigen bereids is aangevangen’. Onder dankbetuiging aan wethouder Kakebeeke voor zijn genomen moeite en met gevoel van erkentelijkheid voor de door de Gouverneur gemanifesteerde deelneming wordt besloten om de vergadering tot hedenavond te verdagen. De leden van het Stadsbestuur worden uitgenodigd om de officier van justitie alle zodanige inlichtingen te geven als tot het doen kennen en opsporen van de schuldigen dienstig kunnen zijn. Ook wordt de commissie van kazernering opgedragen om voor de inkwartiering van de verwacht wordende militairen te zorgen.
 
’s Avonds om half negen vergadert de gemeenteraad opnieuw. Met leedwezen is geconstateerd dat er opnieuw onrustige bewegingen onder de ingezetenen plaats hebben. Besloten wordt bij Publicatie een ieder die het aangaat te waarschuwen om zich stil en rustig te gedragen met vermaning om naar hun woningen te keren en geen verzamelingen te maken. Hiervoor wordt een ieder een kwartier uur tijd vergund, met bedreiging om, bij nalatigheid, door gepaste maatregelen te zorgen dat aan het billijke verlangen van deze vergadering wordt voldaan. Tevens worden de ouders voor de handelingen van hun kinderen verantwoordelijk gesteld en gelast deze onder behoorlijk toezicht te houden. Van het voorgevallene wordt de Gouverneur onmiddellijk rapport gedaan.

Op de 12e augustus bespreekt de gemeenteraad breedvoerig de toestand van onrust waarin de stad verkeert. Ook komt daarbij aan de orde dat tot voorwendsel van de gepleegde ongeregeldheden en geweldenarijen schijnt gediend te hebben het gerucht dat de vergadering zou hebben besloten om de kermis niet te laten plaats hebben. Daaraan is echter tot hiertoe geen officiële publiciteit gegeven.
Besloten wordt de ingezetenen nu bij Publicatie kennis te geven dat de gemeenteraad, hoe geneigd ook om aan wettige bezwaren zoveel mogelijk tegemoet te komen, evenwel aan geen gewelddadige vorderingen kan toegeven en daarom de voorgevallen oproerige bewegingen en het gepleegde geweld de jaarmarkt deze maand geen doorgang zal hebben. Verder wordt overwogen dat, ofschoon het strafbare gedrag van een aantal kwalijk gezinden alle reden geeft om de jaarmarkt in het geheel niet te doen plaats hebben, sommige ingezetenen daardoor nadeel zullen kunnen lijden. Daarom wordt besloten te volharden bij het jongstleden zaterdag voormiddag genomen besluit. Dit behelst om bij het hoger bestuur de vereiste toestemming te vragen om voor dit jaar, indien de omstandigheden van de in Holland nog voortdurende ziekte dit toelaten en vooral wanneer orde en rust onafgebroken voortgaan en verzekerd zijn, de vereiste goedkeuring te vragen om in september of oktober van dit jaar aan de goede burgerij de voordelen van de kermis te doen genieten. Hedenavond zal de Gouverneur nader rapport over de staat van rust en de aankomst van het detachement militairen uit het fort Bath worden toegestuurd.
 

In deze zelfde vergadering deelt de Officier van Justitie mee dat door de justitie dadelijk  onderzoek zal worden gedaan naar de bewerkers en aanleggers van het plaats gehad hebbende oproer. Op verzoek van de agent van de rijkskassier binnen de stad is tot beveiliging van zijn kantoor en ’s rijks kas al sinds gister door het plaatsen van schildwachten aan zijn woning gezorgd.
 
Verder wordt een rekest van Johannes Harinck en een aantal andere ingezetenen voorgelezen. Ze geven kennis dat zij met genoegen de bekendmaking tot het houden van de jaarmarkt hadden vernomen en de nodige voorraad voor hun afzet intussen hebben opgedaan. Ze zijn echter bekend geworden met een besluit van de gemeenteraad om dit jaar de jaarmarkt niet te laten doorgaan. En daarvoor geen reden kunnende vinden, vleiden ze zich dat dit gerucht ongegrond zou zijn. Ze dringen er op aan dat de jaarmarkt zoals in vorige jaren zal worden gehouden.
De gemeenteraad besluit Harinck en de andere ingezetenen mee te delen dat zij niet bekend konden zijn met het besluit van de gemeenteraad tot het niet houden van de jaarmarkt aangezien daaraan volstrekt nog geen publiciteit is gegeven en dat de raad zaterdag jongstleden aanleiding heeft gezien, gelet op de plaats gehad hebbende geweldenarijen, te volharden om de jaarmarkt dit jaar niet op de gewone tijd te houden, maar wellicht in september of oktober.

Op de 17e augustus 1833 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met het verzoek een omstandig verslag in te zenden van de gebeurtenissen, die in de avond en nacht van de 10e augustus de rust hebben verstoord, ‘behelzende een verhaal omtrent de aanvang, voortgang en het einde van de rustverstoring, beschrijving van de gepleegde gewelddadigheid, aanwijzing van de klasse van lieden die zich daaraan hebben schuldig gemaakt en de personen die zich als de voorname aanvoerders en bewerkers hebben kenbaar gemaakt’. Verder wil de Gouverneur geïnformeerd worden over de genomen maatregelen, welke krachtontwikkeling daarbij is aan de dag gelegd en in hoever van de schutterij gebruik is gemaakt en hoe deze zich heeft gedragen. Ook wenst hij inlichtingen over het gedrag van de stedelijke ambtenaren en bedienden, bijzonder die van de politie, van de bevelhebber van de schutterij en zijn onderhorigen en of en in hoever deze het openbaar gezag hebben ondersteund of zich wederstrevig hebben gedragen. Het Stadsbestuur besluit deze aanschrijving voorlopig aan te houden totdat het college in staat zal zijn om door de verwacht wordende rapporten aan het verlangen van de Gouverneur te voldoen.

Het rapport over de gebeurtenissen voor toezending aan de Gouverneur wordt vastgesteld, gezien de memorie van wethouder Mirandolle gedurende de tijd dat hij de functie van burgemeester op die dag heeft waargenomen, het verslag van wethouder Kakebeeke die belast is met de waarneming van de stedelijke politie en het rapport van de kapitein commandant van de stedelijke schutterij.

Op de 4e januari 1834 komt er weer een aanschrijving van de Gouverneur. Hij heeft kennisgenomen van de verzekering van het Stadsbestuur dat geen verdere ongeregeldheden binnen de stad te duchten zijn en dat bij het onverhoopt ontstaan daarvan die met de aanwezige middelen zullen kunnen verijdeld en te keer gegaan worden. Hij wil dan ook in de wens van het Stadsbestuur tegemoet komen en de Minister van Financiën om de intrekking van het militaire detachement verzoeken. Voorwaarde is echter dat de stedelijke schutterij ‘s avonds en ‘s nachts een schildwacht levert tot beveiliging van het kantoor van de agent van de rijkskassier. De Gouverneur wil weten of het college daartoe bereid is. Het Stadsbestuur besluit, na overleg met de kapitein commandant van de dienstdoende schutterij, een voordracht tot het plaatsen van een schutterswacht bij de agent aan de Gouverneur in te zenden.
De Gouverneur keurt daarop de voorlopige bezetting van een wacht door de dienstdoende schutterij tot beveiliging van het kantoor van de agent van de algemene rijkskassier goed. Daaraan kan gevolg worden gegeven zodra het te Goes aanwezige detachement militairen zal zijn vertrokken.
Al spoedig komt er een brief van de generaal-majoor en provinciale commandant van Zeeland met kennisgeving van de gegeven order tot vertrek van het detachement. Op de 18e januari in de morgen verlaat het detachement de stad.
De kapitein commandant van de dienstdoende schutterij rapporteert op de 25e januari 1834 dat de schutterij sinds vrijdag de 18e de wacht betrekt op de wijze zoals door het college is voorgeschreven. Tevens verzoekt hij informatie of de wachtdoende schutters daarvoor, evenals in 1830, zullen worden bezoldigd.
In antwoord op het verzoek van het Stadsbestuur antwoordt de Gouverneur op de 8e februari 1834 van oordeel te zijn dat de stedelijke schutterij geen recht heeft op schadeloosstelling voor de wachten die thans gedaan worden en dat ook het wachtlokaal niet van ‘s rijkswege van vuur en licht behoort te worden voorzien.
Het Stadsbestuur doet daarop nog een poging om de Gouverneur te bewegen te bemiddelen om het vuur en licht van de wacht van ‘s rijkswege bekostigd te krijgen. Maar dit is tevergeefs. De Gouverneur deelt mee dat de kosten van de huidige schutterwacht en in het bijzonder die van verwarming en verlichting van het wachthuis voor rekening van de stad komen en deze daarvan niet ontheven kan worden dan door terugkeer van het militaire detachement.

Openbare orde

Verbod op zwemmen in haven
De zoutzieder Sampon klaagt in juni 1833 over het zwemmen en baden in de nabijheid van zijn zoutkeet in de haven. Het water wordt daardoor troebel en voor het gebruik voor zijn zoutnering ongeschikt. Naar aanleiding van deze klachten van de zoutzieder overweegt het Stadsbestuur dat het gepaster zou zijn de gelegenheid tot zwemmen en baden meer van het bewoonde gedeelte van de haven en de dagelijkse wandeling te verwijderen. Besloten wordt te bepalen dat het verboden is in de stadskaai en haven, vanaf de stadshaven tot aan het einde van de Oostschans of het aansluitingsdijkje strekkende van de haven naar de noorddijk in de nabijheid van het oude havenhoofd, te zwemmen of zich te baden. Dit op verbeurte van een boete van drie gulden. Is men onvermogend tot het betalen van de boete dan geldt een straf van één dag gevangenis.

Loterijen
Tot gedelegeerden voor de 161e tot en met 181e Koninklijke Nederlandsche Loterijen worden deze jaren door de Gouverneur benoemd de heren Johannes Fransen van de Putte, Pieter Engelse, Barend David Cohen, Dignus Cornelis Keetlaar en Jan Karel van Baalen.

Collecte voor getroffenen
In maart 1839 verzoekt de huurkoetsier Johannes Melse om een collecte aan de huizen in de stad en gemeente te mogen doen. Deze dient tot tegemoetkoming in het verlies, door hem in de vroege morgen van de 7e maart geleden door het neerstorten met wagen en paarden in de haven. Daarbij zijn twee paarden verdronken en is zijn wagen onherstelbaar gebroken.
Het Stadsbestuur besluit de collecte onder geleide en met assistentie van een van de stadsboden toe te staan.

As- en vuilnisbakken

Jan Trimpe, de pachter van de stads vuilniskarren en aschbakken, verzoekt in augustus 1839 om aan de westelijke hoek van de doorsnede van de brandoprel bij de Keizersdijk en de zogenaamde ‘Hooge Boomen’ een as- en vuilnisbak te plaatsen. Hiermee wordt akkoord gegaan. In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie tekening van een asbak aan het Keizersdijkje, lang 2.30 ellen binnenwerks. 

 

Nachtwacht

De majoor van de stedelijke nacht- of klapperwacht, Izaak Houtop, overlijdt begin februari 1838. Het Stadsbestuur delibereert over de vervulling van de open gevallen majoorfunctie. Besloten wordt, onder het genot van het gewone traktement van ƒ 100, hiervoor te benoemen de heer Frans Bakker, commissaris van politie binnen de stad. Staande de vergadering wordt hij beëdigd.

Politie

Het Stadsbestuur verzoekt de Gouverneur in november 1833 de stad te voorzien van een commissaris van politie. Voor de waarneming van deze functie wordt Cornelis Levinus Lignian voorgedragen. Lignian was voorheen commies ter griffie van de arrondissementrechtbank in de stad. Thans is hij bij de administratie van de stadsleenbank geplaatst.
De Gouverneur heeft echter bedenkingen tegen de aanstelling van een commissaris van politie voor de stad en het voor die functie door het Stadsbestuur bepaalde traktement van ƒ 600. Dit is aanleiding om de Gouverneur hierover rapport te doen en, ingevolge zijn wens, enige personen en niet één persoon op te geven zoals was gedaan. Naast Cornelis Levinus Lignian worden voorgedragen Frans Bakker en Simon van Zoom. Daarop schrijft de Gouverneur wie van de voorgedragen personen naar het gevoelen van het Stadsbestuur de voorkeur zou verdienen. Het Stadsbestuur besluit als meest geschikt voor deze functie als eerste op de voordracht te plaatsen Frans Bakker. In juli 1834 wordt Frans Bakker als commissaris van politie in functie gesteld. Bij publicatie wordt dit bekend gemaakt aan de ingezetenen. Hij moet wekelijks aan de burgemeester een kort verslag inzenden van wat in de loop van de afgelopen week is voorgevallen. Op zaterdagmiddag moet hij zich tijdens de gewone bijeenkomst van het college van burgemeester en wethouders op het Stadhuis laten vinden.

De politie bestaat vanaf nu uit een commissaris van politie en twee agenten van politie.
In januari 1834 wordt Karel Mulder, die in oktober 1832 is belast met de voorlopige waarneming van de functie van agent van politie, eervol uit deze betrekking ontslagen met ingang van 1 februari 1834. Benoemd wordt in deze functie David Vereeke.
Van de benoeming en beëdiging van de agent van politie, David Vereeke, wordt de Vrederechter binnen de stad kennis gegeven. Maar in september 1836 dient commissaris van politie Bakker klachten in tegen de agent Vereeke wegens ongehoorzaamheid in de uitvoering van de hem gegeven bevelen. Niet duidelijk is wat de reden is van de ‘disobediëntie’. Het Stadsbestuur besluit Vereeke voor een maand te schorsen.

Daarnaast zijn er verscheidene veldwachters. Zo ontvangt het Stadsbestuur in april 1837 een beschikking van de Gouverneur dat het verzoek van M. Waeijenburg om met een veldwachterplaats te worden begunstigd is toegestaan. Hetzelfde gebeurt in mei 1837 ten aanzien van A. Bos. Op diens verzoek wordt ook hij begunstigd met een veldwachterplaats. Ook in juli 1838 wordt J. Molhoek met een veldwachterplaats begunstigd.

Rechtbank

In juli 1833 geeft de Gouverneur kennis van het door Zijne Majesteit de Koning aan de heer mr. J.J. van Deinse verleende eervol ontslag als procureur voor de rechtbank van eerste aanleg binnen de stad. In zijn plaats wordt benoemd de heer mr. Zywert Diederik van der Bilt La Motthe.
De Gouverneur bericht in december 1833 de benoeming van de heer mr. I.G. IJsselsteijn tot rechter van instructie en van de heer mr. M. Verbrugge tot rechter bij de arrondissementsrechtbank in de stad. Mr. A.J. van Deinse wordt in juli 1834 benoemd tot substituut officier bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de stad.

Het Stadsbestuur overweegt in december 1837 dat, na het in orde brengen van de nieuwe raadkamer in het Stadhuis en de daardoor verkregen vermeerdering van de vertrekken voor het stedelijke bestuur, de huur van een lokaal voor het vredegerecht niet langer voor stadsrekening kan worden genomen. De Vrederechter krijgt bericht dat hij vanaf 1 januari 1838 van de lokalen van het stedelijke bestuur gebruik kan maken. Wel moeten de zittingen van de rechtbank, voor zover deze op zaterdag worden gehouden, vóór elf uur zijn afgelopen in verband met de wekelijkse vergadering van het Stadsbestuur.
De heer Vrederechter deelt op de 6e januari 1838 mee: ‘Aangenaam was het mij uit de brief van uw achtbaren van de 30e december te vernemen, dat de zitting van het Vrederecht kanton Goes met de 1e januari 1838 ten Stadhuize van Goes kan worden gehouden, waarvan het 27 jaar verstoken is geweest’. De twee gewone wekelijkse zittingen worden gehouden op dinsdag en zaterdag, ‘s morgens om tien uur, en de buitengewone zittingen als er zich bijzondere zaken voordoen. Daarvan zal aan de conciërge worden kennis gegeven. Getracht zal worden de zaterdagse zitting voor elf uur te doen aflopen.
 
De burgemeester deelt de gemeenteraad in november 1838 mee dat, naar aanleiding van een van terzijde gedaan aanzoek, bij de Gouverneur een verzoek is ingediend om een bijdrage voor het verzorgen van de nodige accommodatie en het aanschaffen van het vereiste ameublement voor de nieuwe arrondissementrechtbank en het kantongerecht binnen de stad. Ten aanzien van de nieuwe ruimte wordt de beschikking van de Hoge Regering nog ingewacht. Ondertussen kunnen de oude lokalen worden gebruikt. Hiervan wordt aan de voorzitter van de arrondissementrechtbank en aan de kantonrechter binnen de stad mededeling gedaan.

Notarissen en procureurs

In 1836 overlijdt notaris J. Soetebier. In zijn plaats wordt in juni 1836 benoemd de heer H.J.K. van den Bussche.

Gevangenhuizen

Al sinds mensenheugenis is de gevangenis van de stad ondergebracht op enkele verdiepingen van de toren van het Stadhuis. Het statistisch rapport over 1836 vermeldt: ‘De gevangenlokalen blijven zeer gebrekkig en het ware te wensen dat daarin door het stichten van een nieuw gevangenhuis worde voorzien’.

In december 1834 verzoekt de Gouverneur om opgave van een geschikt en notabel ingezetene om de heer Mirandolle als lid van het college van regenten over de gevangenissen van de stad te vervangen. Voorgedragen wordt de heer Charles Petrus Soutendam, lid van de stedelijke raad.
 
De Gouverneur verzoekt in september 1839 om opgave te doen ‘of in de stad een afzonderlijk lokaal aanwezig is hetwelk zou kunnen dienen tot huis van bewaring voor het kantongerecht’. Het Stadsbestuur bericht ‘dat zodanig Lokaal niet voorhanden is, maar gevoegelijk zal kunnen bestemd worden ingeval van ontruiming van de tegenwoordige Gevangenkamers door het stichten van een nieuw arrondissement gevangenhuis, waaromtrent gegrond vooruitzicht schijnt te bestaan met verzoek om tot zolang te worden gehouden voor diligent’.

Brandweer

In augustus 1833 besluit het Stadsbestuur de generale brandmeesters aan te schrijven om te zorgen dat, ingeval van alarm, de brandspuiten gereed worden gehouden en behoorlijk door de daartoe behorende manschappen bezet. Ingevolge de gemaakte afspraken met de  commandant van het militaire garnizoen wordt bij publicatie afgekondigd dat, ingeval van alarm, niemand zich op straat zal mogen vertonen die daar niet door zijn ambtsbetrekking of plicht geroepen wordt. Tevens wordt bepaald dat in iedere woning een lantaarn met een brandende kaars voor de ramen geplaatst moet worden.

De generale brandmeesters hebben in augustus 1833 weer een inspectie gehouden op de schoorstenen, vuurplaatsen, brandspuiten en dergelijke. Naar aanleiding van hun rapport besluit het Stadsbestuur de door hen gegeven aanbevelingen op te volgen. Dat houdt in dat de nodige plaatsen aan de stadswal geschikt gemaakt worden ten dienste van de wateraanbrenger. De brandmeesters worden verzocht een voordracht te doen voor het beproeven van het onderhoud van de spuiten en gereedschappen en verder de in het Stadhuis aanwezige brandemmers te laten repareren.

In april 1834 vertrekt de generale brandmeester van de Voorstadspuit, Adriaan van den Berge, metterwoon naar elders. Hij krijgt eervol ontslag met betuiging van de bijzondere tevredenheid van het Stadsbestuur en van de brandmeesters wegens de ijver en belangstelling in de uitoefening van deze functie betoond. In zijn plaats wordt benoemd de onderbrandmeester Pieter Geense en in diens plaats komt de onderbrandmeester Jacob Zandee.
Ook in januari 1836 zijn er mutaties. Op voordracht van de generale brandmeesters worden eervol en onder dankbetuiging voor de bewezen diensten ontslagen als brandmeesters H.D. van Ettinger en L.P. de Lannee en als onderbrandmeesters Jan Loof en Francois Goossen. Benoemd worden tot opzichter van alle stadsbrandspuiten en blusgereedschappen L.P. de L’Annee (ofwel De Lannee), als brandmeesters W. Vertregt en M.A. Brandt en tot onderbrandmeesters H.C. Pilaar, C. Oversluijs, P.J. Somer en J. van Renterghem de Fouw.

In april 1836 arriveert een nieuwe ‘volledige spuit met zuig- en perswerk, door de heer A. Bikker te Rotterdam geleverd en bij examinatie in de volkomenste orde bevonden’.
In de plaats van de overleden Willem Vertregt wordt tot onderbrandmeester bij de nieuwe spuit, ‘de Stads groote brandspuit’,  Govert Klemkerke benoemd en tot onderbrandmeester Jacobus Piepers.

De generale brandmeesters leggen in 1836 een voordracht van 59 personen over om aangewezen te worden voor de dienst van de stedelijke brandspuiten. Er zijn nu vier brandspuiten in de stad aanwezig, waarvan er twee zijn voorzien van aanbrengers met zuig- en perspompen en twee die alleen zijn voorzien van zoogpompen.

In september 1839 bespreekt het Stadsbestuur een rapport van de generale brandmeesters. Ze krijgen een dankbetuiging voor hun voortdurende ijver en belangstelling waarmee ze deze tak van stedelijke administratie waarnemen en behartigen. Naar aanleiding van hun aanbevelingen wordt tot de volgende maatregelen besloten.
Voortaan zal in de beschikkingen van het Stadsbestuur over de inspecties van het brandwezen de assistentie van de stadsfabriek worden voorgeschreven. Het Stadsbestuur oordeelt het niet ondienstig om onder haar oppertoezicht aan de generale brandmeesters over te laten de aanwending en het gebruik van de fondsen die jaarlijks op de stedelijke begroting voor het brandwezen worden toegestaan. Voor het uitvoeren hiervan zullen de stadsfabriek en de onderfabriek worden aangeschreven om aan de brandmeesters de vereiste assistentie te verlenen en met hun ervaring en goede raad bij te staan.

Schutterij

De Gouverneur geeft in februari 1833 kennis van de benoeming van de heer P.A. Hochart tot kapitein en de heer W. van den Thoorn tot officier van gezondheid der 3e klasse bij het 13e bataljon reserve schutterij. Maar in augustus 1833 verzoekt Hochart Zijne Majesteit de Koning al om ontslag als commandant van de dienstdoende schutterij. Het Stadsbestuur bericht de Gouverneur dat zijn opgegeven motieven naar waarheid zijn en het verzoek van Hochart gunstige overweging verdient. Het is echter wenselijk dat hij het commando behoudt tot na terugkeer van het mobiele gedeelte van de schutterij, waardoor ook zijn vervanging geschikter zal kunnen geschieden. Bij Koninklijk Besluit wordt Hochart in maart eervol ontslag verleend als kapitein van de dienstdoende schutterij van de stad.
In de plaats van de heer Hochart wordt als kapitein, commanderende de dienstdoende schutterij van de stad, benoemd de heer Charles Petrus Soutendam, 1e luitenant bij de schutterij en thans als kapitein dienende bij de Zeeuwse Mobiele Schutterij

De kapitein commandant van de stedelijke schutterij adviseert in februari 1833 om de exercitiedagen voor de reserve schutterij te bepalen op maandag en zaterdag. Daarmee wordt akkoord gegaan. De schutterijplichtigen worden bij Publicatie van de 11e mei 1833 voor de inschrijving opgeroepen. In de Commissie voor de loting der schutterij van deze gemeente worden voor 1833 benoemd burgemeester Verschoor van Nisse en wethouder Mirandolle en in de commissie van onderzoek en beslissing over de redenen van vrijstelling wethouder Kakebeeke en raadslid mr. De Backer.

In het voorjaar 1833 ontvangt de stad voor de reserve schutterij 9 geweerriemen, 91 schroefdraaiers, 91 aftrekkers, 5 veerhaken en 215 vuurstenen.
Op de 29e juni 1833 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van de Gouverneur dat de wapenoefeningen van de reserve schutterij tot nader order zijn gestaakt. Op de 27e juli 1833 komt er weer een besluit van de Gouverneur met bepalingen over de tijdelijke opheffing van de reserve schutterij en terugkering van de 2e en 3e ban in hun vroegere positie.

Er is in april 1834 het een en ander te doen over een geschikt exercitieveld voor de  dienstdoende schutterij. De commanderende officier van de dienstdoende schutterij verzoekt het Stadsbestuur een exercitieplaats voor de rekruten van de schutterij aan te wijzen. Het Stadsbestuur besluit te antwoorden dat gedurende het gunstige seizoen van het gewone exercitieveld, de zogenaamde Stoofweide, en ook, indien daar de voorkeur aan wordt gegeven, van het plein van de voormalige schutterij van de Edele Busse in de Wijngaardstraat gebruik kan worden gemaakt.

De commanderende officier van de dienstdoende schutterij, luitenant-kolonel G.F. Callenfels, verzoekt om beschikbaarstelling van een lokaal dat geschikt is om ‘s avonds bij het licht de rekruten van de schutterij te kunnen oefenen. Tevens verzoekt hij reparatie van de huidige bergplaats voor de ammunitie in het gebouw van de voormalige schutterij in de Wijngaardstraat of aanwijzing van een ander lokaal. Het Stadsbestuur antwoordt dat de stad voor de exercities geen zodanig lokaal bezit zoals de commandant schijnt te verlangen. Bovendien kunnen de oefeningen ook, vooral ‘s zomers, wel buiten de gewone werkuren in de open lucht plaats vinden. En wat betreft de bergplaats voor de ammunitie, bij werkelijke ongeschiktheid van het huidige lokaal dat voor bergplaats van de ammunitie gebezigd wordt, kan van de toren van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort gebruik worden gemaakt. Er wordt ook op gewezen dat, om het buskruit goed en bruikbaar te houden, het noodzakelijk is om dit van tijd tot tijd te luchten.

In juni 1834 wordt de staf van de stedelijke schutterij geformeerd uit de volgende officieren: Charles Petrus Soutendam, kapitein-commandant, G.F. Callenfels, eerste luitenant, L.C. de Peval, 1e tweede luitenant, en Kordeliers Pilaar, 2e tweede luitenant.
De Gouverneur maakt hier tegen echter bezwaar. Naar aanleiding daarvan benoemt het Stadsbestuur tot eerste luitenant de heer G. van IJsselsteijn, die ontslagen is bij de mobiele schutterij, en tot tweede luitenant de heer L.C. de Peval.
In september 1834 schrijft de Gouverneur het Stadsbestuur dat de luitenant Van IJsselsteijn, ofschoon van de mobiele schutterij ontslagen gehouden, bij de plaatselijke schutterij zijn betrekking behoudt. Besloten wordt Van IJsselsteijn aan te schrijven om die betrekking te hervatten en om, als ouder in rang zijnde dan de luitenant Callenfels die thans het commando over de stedelijke schutterij voert, het commando over te nemen. Luitenant Callenfels zal voor de overgave van het commando mede worden uitgenodigd.
De Gouverneur stelt begin oktober 1834 in handen van het Stadsbestuur een brief van de heer Van IJsselsteijn. Hij uit bezwaren om als eerste luitenant titulair bij de stedelijke schutterij te dienen en tevens om bij die schutterij te dienen en bij de mobiele schutterij een plaatsvervanger te houden. Eind december 1834 geeft de eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij Van IJsselsteijn kennis dat hij het bevel over de schutterij heeft overgenomen.

In november 1834 bestaat de staf van de mobiele schutterij uit de volgende officieren:
Charles Petrus Soutendam, kapitein, lid van de gemeenteraad; Jacobus Pieter Kakebeeke, kapitein; Johannes Nederveen, eerste luitenant kwartiermeester; Jan de Fouw, tweede luitenant kwartiermeester, ontvangergriffier van de Reigersbergsche polder en commissaris van de veren.

Een andere belangwekkende gebeurtenis in het bestaan van de stedelijke schutterij in 1834 is de terugkeer van de Mobiele Schutterij uit Goes na de zogenaamde Tiendaagse Veldtocht (zie onder het hoofdstuk ‘Algemene toestand’). Naar aanleiding van het rapport en plan, door de heren Mirandolle en Van Kerkwijk ontworpen op uitnodiging van de burgemeester, besluit het Stadsbestuur om, evenals dit in vele steden en gemeenten van het Vaderland heeft plaats gehad, de terugkeer van de Mobiele Schutterij op een gepaste wijze te vieren.
Daarvoor zal op zaterdag de 20e september in het gebouw van de schouwburg het gehele korps stedelijke schutterij op kosten van de stad worden uitgenodigd. Het gebouw van de schouwburg is door de heren van de ‘Sociëteit Van Ongenugten Vrij’ gratis ter beschikking van het Stadsbestuur gesteld. De gehele stedelijke schutterij, dus zowel de ontslagen en met verlof teruggekeerde mobiele schutterij als de stedelijke dienstdoende schutters, worden uitgenodigd per brief van de commanderende officier van de stedelijke schutterij. Ze worden dank betuigd voor hun betoonde vaderlandsliefde en getrouw gepresteerde diensten en ‘op een voegzame wijze op Brood en Kaas, Wijn en Bier, onthaald’. Ook worden op dinsdag de 23e september de officieren van de dienstdoende en rustende schutterij uit de stad, die van de rustbewaarders en het Zuid-Bevelandse Jagerkorps, eveneens voor stadsrekening op een collation uitgenodigd. De heren Mirandolle en Van Kerkwijk worden verzocht zich met de regeling van een en ander te belasten.
Op de 6e oktober doen de beide Stadsbestuurders verslag van de kosten van het onthaal van de stedelijke schutterij en de officieren van de gewapende macht. De kosten zullen ten laste van het fonds voor onvoorziene uitgaven van 1834 worden genomen. Het Stadsbestuur betuigt beide heren, onder goedkeuring van het verrichte, dank voor hun goede directie en genomen moeite.
Uit de memorie van ontvangsten en uitgaven blijken de volgende uitgaven te zijn gedaan voor het feest van de schutters op de 20e september 1834: aan bakker M. van Liere voor 20 witte broden; bakker J.M. van Zoom voor 20 witte broden; bakker M. Snoep voor 20 witte broden; bakker A. Snoep voor 20 witte broden; bakker J. de Jonge voor 20 witte broden; bakker M. Scheele voor 20 witte broden; bakker J.G. Eckhardt voor 20 witte broden en 20 Franse broodjes; J. van der Markt voor kaas; J. Doensen Somer voor tabak en pijpen; J. de Schrijver voor bier; J. de Jonge voor wijn; E. Arents voor het gebruik van bierglazen, roemers, borden en gedane diensten; E. Arents voor boter en saucise de bologne; Z. de Hondt voor de verlichting van de zaal en illuminatie; Z. de Hondt, P. van Paassen en J. Pros voor het oppassen en de bediening.

In december 1834 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met kennisgeving dat voortaan de witte streep op de blauwe schutterspantalons door een witlakense bies zal moeten worden vervangen en dat de officieren voor het grote tenue het zilver galon kunnen behouden.

Ook komt er eind december 1834 een bericht van de commanderende officieren van het 2e en 3e bataljon van de afdeling Zeeuwse Mobiele schutterij dat de inspectie over de mobiele rustende schutterij niet in de maand januari maar in het begin van maart zal worden gehouden.

De majoor, commanderende het 1e bataljon van de afdeling Zeeuwse Mobiele schutterij, geeft eind december 1834 kennis dat de exercities voor de nieuw ingelijfde schutters twee maal per week zullen plaats vinden en gehouden zullen worden op woensdag en zaterdag ‘s morgens om 9 uur op een zodanige geschikte plaats als door het Stadsbestuur zal worden aangewezen.

Bij Koninklijk Besluit worden in januari 1835 als officieren bij de stedelijke schutterij benoemd: tot kapitein Charles Petrus Soutendam, tot eerste luitenant mr. Gillis van IJsselsteijn en tot 2e luitenant Laurens Carel de Peval. Al in mei 1835 nemen twee stafleden ontslag. Soutendam vanwege zijn vertrek naar Delft en Callenfels als tweede luitenant bij de dienstdoende schutterij.

Tot leden van de schuttersraad worden in maart 1836 benoemd de luitenants L.C. de Peval en C. Pilaar, de sergeant J. Temperman en de schutter M.A. Brandt. In april 1838 wordt in de opengevallen plaatsen in de schuttersraad voorzien door benoeming van de sergeant M.A. Brandt en de schutter M.A. Ramondt.

De schuttersraad schrijft het Stadsbestuur in oktober 1837 dat in de begroting van de schutterij voor 1838 de kosten voor onderhoud van wapenen en licht bij de exercities zijn opgenomen, dit in afwachting van de beschikking op het verzoek van de commandant van de stedelijke schutterij van 15 januari 1836 tot aanwijzing van een exercitieplaats als vervanging van de voormalige schutterij van de Edele Busse in de Wijngaardstraat.
Het Stadsbestuur besluit de commandant te kennen te geven dat, indien de gewone exercitieplaatsen op de Stoofweide en de openbare markten niet voldoende zijn en volstrekt een besloten lokaal vereist wordt, hierin niet kan worden voorzien. Wel wil het Stadsbestuur een voorstel tegemoet zien om een particulier lokaal aan te vragen of te huren.
De commandant van de dienstdoende schutterij schrijft daarop terug dat hij, alvorens de gevraagde voordracht te doen, geïnformeerd wil worden of gebruik gemaakt mag worden van ‘de Hoofdwacht onder de oude Beurs van de stad’. Dit lokaal is het enige dat de schuttersraad is voorgekomen voor dat doel geschikt te zijn, mits daaruit weggenomen wordt de zogenaamde brits of legplaats. Dit zou mogelijk wel kunnen geschieden, zodat in geval van nood of bezetting van de stad, daar weer gebruik van kan worden gemaakt.

De schuttersraad dient daarop een voorstel in om voor de oefening van de rekruten van de schutterij gebruik te mogen maken van ‘de oude Hoofdwacht’. De stadsfabriek krijgt opdracht dit lokaal te inspecteren en daarover te rapporteren. Uit het rapport van de stadsfabriek blijkt dat het lokaal van ‘de oude Hoofdwacht’ geheel en al ongeschikt is voor de exercities van de schutterij. Het behoedzaam wegbreken en weer terug plaatsen van de brits zal ruim zestig gulden kosten. De schuttersraad wordt daarop bericht dat haar verzoek niet kan worden ingewilligd.
Daarop verzoekt de schuttersraad weer om met ingang van het voorjaar voor de oefening van de schutters gebruik te mogen maken van het plein van het afgebroken schutterijgebouw van de Edele Busse in de Wijngaardstraat. Het Stadsbestuur neemt in overweging dat dit plein vooralsnog onopgeruimd en in huur uitgegeven is. Daarom wordt het verzoek van de schuttersraad aangehouden.

De schuttersraad schrijft daarop op de 18e november vernomen te hebben dat het Stadsbestuur hun voorgedragen lokaal niet geschikt heeft bevonden. Ze moeten daarin berusten, maar nemen wel de vrijheid er op te wijzen dat het voorgestelde lokaal, hoe smal dit ook is, nochtans groot genoeg is voor het opgegeven doel, omdat er zelden meer dan tien man tegelijk exerceren moeten. En wat het donkere van het lokaal betreft, dit behoeft geen bezwaar te zijn omdat op de begroting van de schutterij een bedrag van ƒ 30 is uitgetrokken om het lokaal te verlichten.
Niettemin zullen ze hier niet meer op terug komen. Wel vraagt de schuttersraad om met ingang van het voorjaar gebruik te mogen maken van de afgebroken schutterij van de Edele Busse in de Wijngaardstraat, ‘welke geheel afgesloten is en de grond enigszins geëffend’. Deze locatie is hun als zeer geschikt voorgekomen.

In september 1838 geeft de eerste luitenant, commanderende de dienstdoende schutterij, Charles Petrus Soutendam, kennis dat hij vanwege zijn verhuizing door benoeming in het provinciale Gerechtshof van Zeeland het bevel over de schutterij aan de tweede luitenant De Peval heeft overgegeven. Hij neemt in februari 1839 ook ontslag als kapitein bij de Zeeuwsche Mobiele schutterij. In juni 1839 wordt de heer Soutendam eervol ontslag verleend als kapitein bij het 1e bataljon der Afdeling Zeeuwsche Mobiele Schutterij en bij de dienstdoende schutterij van de stad.
 
Op de 24e augustus 1839 ontvangt het Stadsbestuur een aanschrijving van het Departement van Oorlog. Daarin wordt bepaald dat alle korpsen van de mobiele schutterijen worden ontbonden, zodat vanaf de 1e september dit bataljon niet meer zal bestaan. Alle vereffeningen dienen vóór die tijd te hebben plaats gevonden. De leden worden ontslagen uit hun dienst.

Kazernes

Er fungeert in de stad een zogenaamde commissie van kazernering. In april 1833 neemt het lid Mirandolle ontslag uit zijn functie en volgt de heer Willem Albert  de Laat de Kanter hem op. Ook het lid Lenshoek van Zwake verzoekt ontslag.

In de plaats van de overleden agent van de commissie, Johannes Pilaar, wordt de commies ter secretarie, Jacobus van de Volkere, benoemd. Hij krijgt in juli 1835 toestemming voor de aankoop van twintig stuks bedlakens ten dienste van de kazernering mits de kosten daarvan niet de som van zestig gulden te boven gaan.
In maart 1838 rapporteert de agent van de commissie van kazernering over de staat waarin de kazernegoederen zich bevinden. Deze zijn opgeslagen in de kelder van het Oude Manhuis. Hij verzoekt hiervoor een andere lokaliteit beschikbaar te stellen bij eventuele verandering van het huidige keldergebouw.

Garnizoen

Eind augustus 1833 worden er steeds meer bezwaren gemaakt door de ingezetenen tegen de langdurige inkwartiering van militairen bij de burgerij. Deze zijn sinds 12 augustus uit het Fort Bath in de stad ingekwartierd. Ook vanwege de voortdurende staat van rust waarin de stad zich bevindt, kan de oorzaak van de aanwezigheid van het garnizoen geacht worden te zijn opgehouden. Het Stadsbestuur besluit de Gouverneur in overweging te geven en te verzoeken om de stad van het verdere verblijf van het militaire detachement te ontheffen. Ofwel, als de stad een vast garnizoen moet behouden, dat dan maatregelen mogen worden genomen om de militairen van rijkswege te kazerneren.
De Gouverneur deelt mee dat van het detachement militairen slechts een officier en 20 à 25 manschappen in de stad aanwezig moeten blijven. Deze kunnen door de stad worden gekazerneerd. De intrekking van de krijgsmacht zal in geen geval in overweging genomen kunnen worden dan alleen op de stellige verzekering dat het Stadsbestuur, op haar verantwoordelijkheid, in staat acht om met de aanwezige middelen de rust te bewaren en personen en eigendommen tegen verdere aanranding te beschermen. Het Stadsbestuur zegt dit toe.

Opnieuw zijn er in december 1833 vele klachten over de inkwartiering van militairen. De commissie van kazernering wijst op de dagelijks en meer en meer toenemende klachten van de ingezetenen over de voortdurende inkwartiering van het zich in de stad bevindende detachement militairen. Ze dringt met ernst aan op de intrekking van het detachement. Anderzijds verlangt de commissie een voordracht te doen tot het wegnemen of verminderen van het erkende bezwaar van de inkwartiering.
De commissie schrijft in haar brief het volgende: ‘De van tijd tot tijd bij ons ingebracht wordende bezwaren door onderscheidene ingezetenen dezer plaats en de ons bekende algemeene misnoegdheid over de op den duur en telkens herhaalde inkwartiering van militairen, ontstaande door het voortdurend verblijf van een deel troepen binnen deze stad, zo zeer bezwarend voor de meeste ingezetenen, inzonderheid bij het tegenwoordige jaarseizoen en vooral bij het weinig vertier in deze gemeente, geeft de ondergetekenden, uitmakende de commissie van kazernering binnen deze gemeente, aanleiding om uw edelachtbaren nogmaals te adiëren, daar zij ook geen vrijheid vinden u van deze hun bevinding onkundig te laten’. Ze zijn van mening dat het verblijf van troepen vanwege meerdere veiligheid, indien de troepen daarom aanwezig zijn, onnodig moet geacht worden en deze overtuiging ook algemeen bij de ingezetenen bestaat.
Het Stadsbestuur is dezelfde mening als de commissie toegedaan. Voor de rust en veiligheid in de stad zijn de militairen geheel onnodig. De militairen zijn van geen nut maar wel tot last. Besloten wordt de Gouverneur nader en dringend te verzoeken om de spoedige terugtrekking van het detachement militairen te bevorderen.

Voormalige gewapende macht

In mei 1838 wordt een staat overgelegd van de wapens van de voormalige gewapende macht in de stad. Deze bestaan uit 233 geweren, 311 bajonetten, 367 bajonetscheden, 129 pieken, 406 patroontassen, 288 bandelieren, 190 koppels en 63 geweerriemen. Deze worden naar Vlissingen overgebracht.

De districtcommissie van het Fonds ter aanmoediging en ondersteuning van de gewapende dienst binnen de stad stelt in oktober 1838 voor een lid te benoemen in de plaats van de heer mr. G. van IJsselsteijn. Deze is vanwege zijn benoeming tot raadsheer in het Provinciaal Gerechtshof van Zeeland metterwoon vertrokken. In zijn plaats wordt benoemd de heer mr. A.A. van Deinse, substituut-officier bij de arrondissementrechtbank te Goes.