Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1833 - 1839)

Grote kerk

Herstel kerktoren
In mei 1835 machtigt het Stadsbestuur de heren Van der Bilt en Van Kerkwijk om met het kerkbestuur van de Hervormde kerk te overleggen om de nodige schikkingen te maken om te voldoen aan de wens van Gedeputeerde Staten (?). Op grond van het bestek wordt aanbesteed de gehele afneming van het koperen bekleedsel van de kerktoren, het met eikenhout vernieuwen van de gehele bebording en het herplaatsen van het koperwerk.

In juli 1835 worden de reparaties aan de kerktoren aanbesteed en gegund aan Johannes Goossen voor ƒ 2.800. Overgelegd wordt de overeenkomst die het Stadsbestuur met de kerkvoogden van de Hervormde gemeente over het onderhoud van de kerktoren hebben getroffen. In augustus komt er goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de overeenkomst tussen de gemeenteraad en het college van kerkvoogden over het onderhoud van de kerktoren. Van nu af aan zal ten laste van de stadskas worden onderhouden het uurwerk en klokkenspel in de toren, evenals wat het gebouw van de toren betreft het kruis waar de toren op staat, de stijlen, korbelen of schrankstukken buitenwaarts, de gehele betimmering van de kamer waarin de trommel van het carillon is geplaatst, de gehele rok van de speelkamer recht op en neer staande, de gehele klokruimte, de spits of naald, de trappen en het bordes. Het onderhoud van het kerkgebouw blijft voor rekening van de kerk.

De kerkvoogden van de Hervormde gemeente vragen in augustus 1835 toestemming voor het aangaan van een geldlening voor een bedrag van ƒ 10.000 ten laste van de kerk voor het herstel van het kerkgebouw. De werkzaamheden bestaan onder meer uit de gehele bevloering van de wandelkerk, het verbeteren van de bevloering van het koor, het herstel van de verzakking van de grond onder de regeringsbank en het geheel herstellen van de vloer van de preekkerk.

In maart 1836 legt de Gouverneur het Stadsbestuur een verzoek van de kerkvoogden van de Hervormde gemeente voor met een voorstel tot het aangaan van een geldlening van ƒ 7.000 voor het herstel van het kerkgebouw van de Grote kerk. Het Stadsbestuur besluit de Gouverneur te berichten dat, hoe bezwarend het ook vooralsnog voor de Hervormde gemeente is, echter het wegvallen van de voornaamste, bij vorige gelegenheid door de vergadering gemaakte aanmerkingen en de verbeterde en veel bezuinigde nadere berekening, de vergadering noopt om zich met deze nadere voordracht te verenigen en gunstig te adviseren.

Pomp bij Grote kerk
De kerkvoogden van de Hervormde gemeente verzoeken het Stadsbestuur in november 1836 of men verlangt de pomp aan de Grote kerk voor stadsrekening te herstellen of te onderhouden. Mocht dat niet zo zijn dan zal deze worden afgebroken. Uit de ingekomen brief van de kerkvoogden blijkt het volgende. De herstelwerken aan de Grote kerk lopen ten einde. Enige voorzieningen aan de zuidzijde van de wandelkerkingang moeten nog plaatsvinden. De kerkvoogden zijn van oordeel dat de daar staande pomp op de regenbak van de kerk òf hersteld òf weggeruimd dient te worden. Bij herstel hebben ze geen enkel belang. Er zou al tot het wegruimen besloten zijn indien niet de bedenking gerezen was of de pomp ten algemenen nutte voor de stad dienstig zou kunnen zijn. Daarom vernemen ze graag van het Stadsbestuur of het in stand blijven van de pomp voor het algemene nut wenselijk geacht wordt. Mocht dat zo zijn, of dan het Stadsbestuur de kosten van herstel en onderhoud op zich wil nemen.
Verder verzoeken de kerkvoogden of de in het koor van de kerk staande schilderhuizen kunnen worden weggeruimd. De stadsfabriek krijgt opdracht tot het laten verwijderen van de schilderhuizen en een kostenbegroting voor het herstel van de pomp te maken.

De stadsfabriek maakt een rapport hierover op. Hij heeft onderzoek gedaan naar de pomp met twee staanders achter de Grote kerk en naar de pomp in de tuin achter de stadsschuur.
Wat betreft de pomp achter de Grote kerk is hem gebleken dat deze het water al ruim vijftien jaar betrekt uit twee afzonderlijke putten. De ene put is de kerkebak en de andere een wel of regenbak staande in het huis van de apotheker Steendijk in de Lange Kerkstraat.
Hij heeft een berekening opgesteld voor een nieuwe eikenhouten pomp met twee staanders en een dubbele slinger tegen de muur van de Grote kerk. De kosten bedragen per saldo ƒ 150.

Nieuwe haan en kruis op de toren

Op de 29e november 1836 woedt er ’s morgens een grote storm. Deze is om 11 uur uit het zuidwesten opgetrokken en is blijven aangroeien tot ongeveer 3 uur ’s middags. Oude mensen getuigen ‘weinig hardere stormen geweten te hebben’. De toren van de Grote kerk is onbeschadigd gebleven. Ook is het onbegrijpelijk dat de wijzerborden niet beschadigd zijn. Wel moet er een nieuwe haan op de toren worden geplaatst. De kosten van herstel zijn niettemin ƒ 305. In december 1837 stelt het Stadsbestuur de condities vast voor het leveren en plaatsen van een nieuw ijzeren kruis en een koperen haan op de toren van de Grote kerk. Van het ‘Project nieuw kruis op de Grote kerktoren ’ is in het gemeentearchief een fraaie tekening bewaard gebleven.

Uit het rapport van de stadsfabriek De Lannee over de situatie van het kruis van de kerktoren blijkt het volgende: ‘Op de spits van de toren is niets dan de noordelijke arm van het kruis blijven staan, schoon enigszins noordwaarts omgebogen. Het is te bejammeren dat dat oudheidstuk, hetwelk van 1620 dateert en de spits versierde, bezweken is, benevens de daarop gestaan hebbende haan, alzo de gehele kerk, den toren, de spits en zelfs de geringste deeltjes in verband met elkander staan en alle tezamen een schoon gotisch bouw- en vercierkundig stuk uitmaken. Schoon het tegenstrijdig is met het systema van behoud van kunststukken, gebouwen en oudheden en jammer is constructies of cieraden daarbij te voegen die niet in de trant en in evenredigheid van de hoofddelen zijn, heeft de stadsfabriek ter vermindering van kosten en om dat zulks meer met de intentie van u stemt, de eer hier over een voordracht tot herstel van het kruis te doen: bestaande uit a. het afzagen van de arm; b. het aanbrengen van een nieuw doch veel minder kruis, hoog boven de bol; c. het daarop plaatsen van een haantje van 0,75 lengte en naar portie hoog te plaatsen en d. het uitslaan van de deuk uit de bol’.

Uit de aanbesteding van het herplaatsen van het kruis en de haan op de kerktoren blijkt, dat het werk niet kan worden gegund omdat het te hoog boven het berekende bedrag is. Maar in oktober 1839 krijgt de kerkvoogdij van Zijne Majesteit de Koning een subsidie van duizend gulden toegekend voor de herstelkosten van de schade aan de toren van de Grote Kerk.

Klokkenspel
De stadsklokkenist Johan Coenraad Labrant verzoekt in september 1838 om, in de plaats van de onbepaalde beloning die hij thans ontvangt voor het versteken van het carillon en het bespelen daarvan op feestdagen, een vaste bezoldiging van ƒ 100 per jaar. Het Stadsbestuur reageert hierop met de mededeling dat hiervoor geen termen aanwezig zijn. Maar in maart 1839 dient klokkenist Labrant opnieuw een verzoek in om zijn bezoldiging te verhogen. Het Stadsbestuur ziet echter ook nu geen redenen om zijn bezoldiging voor het versteken van het carillon, het bespelen van het carillon op feestdagen en bij bijzondere gelegenheden en het verrichten van kleine diensten aan het klok-, uur- en speelwerk te verhogen. Maar uit aanmerking van het treffende verlies dat Labrant geleden heeft in het overlijden van zijn echtgenote besluit ze hem als blijk van goedkeuring en tevredenheid over zijn onderwijs in de muzijk- en zangschool binnen de stad een gratificatie van vijftig gulden toe te kennen.

Aannemer P.M. Smolders ontvangt vanaf 1839 voor het opwinden van de stadsuurwerken en het assisteren bij het bespelen van het klokkenspel voor onbepaalde tijd een vergoeding van ƒ 250 per jaar.

Regeringsbanken
Er doet zich in januari 1833 een merkwaardige kwestie voor tussen het Stadsbestuur en de kerkmeesters van de Hervormde gemeente over het recht tot toewijzen van zitplaatsen in de regeringsbanken van de Grote kerk. Het Stadsbestuur onderhoudt de kerkmeesters over de, in strijd met de bestaande overeenkomst, zonder hun voorkennis gemaakte verandering in de zitplaatsen in de regeringsbanken onder het orgel. De kerkmeesters geven te kennen dat ze veronderstelden dat het Stadsbestuur daar geen acht op zou slaan. In de huidige omstandigheden wilden ze het liefst het Stadsbestuur darmee niet lastig vallen.
Het Stadsbestuur neemt dit echter wel hoog op en besluit de kerkmeesters te schrijven dat ze in de gemaakte verandering om meer dan een reden niet kan berusten, maar zich het recht tot het wijzigen van de zitting in de regeringsbanken aan zich wil houden.
De kerkmeesters antwoorden dat ze bedenkingen hebben tegen het vermeende recht van het Stadsbestuur wat betreft de zitting in de regeringsbanken onder het orgel. Ze zijn echter bereid hierover mondeling in overleg te treden. Namens de kerkmeesters nemen de heren Blaaubeen en Van der Meer Mohr aan deze bespreking deel. Ze verklaren genegen te zijn om de kerkmeesters voor te stellen het daarvoor te houden dat de laatste verandering in de zitting in de regeringsbanken in overleg met het Stadsbestuur heeft plaats gehad en dat dit in het vervolg weer gemeenschappelijk zal geschieden.
Het Stadsbestuur deelt de kerkmeesters mee niet ongenegen te zijn om dit voorstel aan te nemen, mits in de tweede bank van boven vier plaatsen blijven gereserveerd voor hen die zitting hebben in de bovenste bank en daarvan geen gebruik kunnen maken.

Kleine kerk
In de vergadering van de gemeenteraad van de 12e januari 1839 komt een schriftelijke verklaring van de regenten van de godshuizen in bespreking. Ze schrijven ‘dat ze wel mogen lijden dat het ruim van de Kleine Kerk voor het voorschreven einde (een weeffabriek voor de armen) ingericht en tot dat of ander einde ter beschikking van het stedelijk bestuur onbepaald genomen worde’. Ze verbinden daaraan weliswaar de voorwaarde ‘dat de lokalen van de administratie over de spijsuitdeling en het gasthuis te allen tijde, des begeerd, aan de  regenten van het gasthuis worden ingeruimd en voor stadsrekening ingericht tot woningen of ander nodig gebruik’. De gemeenteraad besluit de verklaring van de regenten te accepteren en onder het daaraan verbonden beding goed te keuren. De aanbesteding van de noodzakelijke werkzaamheden voor de inrichting van de Kleine kerk tot weeffabriek zal zo spoedig mogelijk plaats hebben.

Stadhuis

In juni 1834 wordt een nieuwe ‘Raadkamer ten Stadhuize’ gemaakt. De zogenaamde Geweerkamer wordt tot Raadkamer ingericht (dit is de ruimte aan de westzijde tegenover de trapopgang). De werkzaamheden bestaan uit het stukadoren op het latwerk van de zoldering; het stukadoren op de muur van de zuid- en noordzijde; het betimmeren van kasten aan de oostzijde van de kamer met een ingangsdeur door de stadsgriffie uitkomende; het betimmeren van de westzijde voor de penanten; het passen en vasten van de blinden; het vernieuwen van drie glazen vensters; het bijwerken van de vloer aan de stenen stookvloer; het plaatsen van een gestukadoorde nis; het witten en schilderen van het gehele werk; het maken van 6 stuks looden voor de ramen en het ameublement. Voor het werk worden drie inschrijvingen gedaan. De laagste inschrijving bedraagt ƒ 1.095. Omdat dit bedrag ver boven de begroting ligt besluit het Stadsbestuur het werk niet te gunnen. Maar in december 1834 wordt het timmerwerk voor het opmaken van de nieuwe ‘Raadkamer ten Stadhuize’ publiek aanbesteed aan Marinus Dekker voor ƒ 579 en onderhands het stukadoorwerk voor ƒ 300 en het schilderwerk voor ƒ 216.

Dit jaar wordt ook het herstel van de stadhuistoren ter hand genomen. In juli 1834 wordt een verzoek aan het provinciale bestuur gedaan voor het herstel van de toren waarin de gevangeniskamers zich bevinden. Dit werk is berekend op ƒ 534:807 (?). Het provinciaal bestuur wijst het verzoek om de kosten ten laste van het Rijk te nemen af en vindt dat deze ten laste van de stad moeten komen. Er worden geen herstellingen aan de gevangenkamers toegestaan dan nadat eerst de stadhuistoren tot het voorkomen van verdere lekkages zal zijn gerepareerd. De stadsfabriek krijgt opdracht om de hoogst nodige reparaties tot het voorkomen van lekkages te bewerkstelligen. Zie verder onder de paragraaf “Gevangenhuizen’ van het hoofdstuk ‘Openbare orde en veiligheid’.

In het gemeentearchief bevindt zich van 1835 een Inventaris van meubelen in de vertrekken van het Stadhuis. Hieruit blijkt de volgende inrichting.

Op de Raadkamer:
3 papieren glasgordijnen, 3 witte statie gordijnen, 3 dito rabatten, 3 vergulde stokken, 10 rozetten, 1 Bruijne tafel met daarop een groen lakens kleed, 2 lessenaartjes, 12 fauteuils met zwarte zittingen, 2 Bruijne schermen met groene lakense panelen, 1 vloerkleed, 2 zand tobbetjes, 1 kachel en 1 plaat onder de kachel.
Op de Stads Griffie:
2 witte katoenen glasgordijnen, 6 Bruijne stoelen met groene trijpen zittingen, 2 kantoorstoelen, 1 driestapje, 1 lessenaar met twee loden inktpotten, 1 Bruijne kist met koperen beslag, 1 spiegel met Bruijne lijst, 2 blekken bussen, 2 ladders, 1 lessenaar voor de deur, 1 kaart van de stad Goes, 2 houten bakken, 1 lengtemaat voor de lotelingen, 1 ijzer schouwtje met zinken plaat daarvoor, 1 koolemmer, 1 pook, schop en tang, 1 loden inktpot in een vaste lessenaar.
Op de Burgerkamer:
1 tafel, 3 gemene banken, 1 kas, 1 kachel met een stuk lood eronder, 1 koolemmer, schop en pook, 1 Bruijne kast en 1 zandbakje.
Op de burgemeesterkamer:
2 tafels met groen lakense kleden, 1 kadastertafel, 13 Bruijne stoelen met groen laken, 3 Bruijne fauteuils met groen laken, 2 tinnen inktpotten, 1 rood koperen zandbak, 1 kaart in een gesloten kas, 1 schilderij van de aankomst van Zijne Majesteit, 1 dito stadswapen, 1 dito opschrift op een houwitser, 1 schilderij papier met adellijke wapens, 1 armbus, etc.
Op de Vierschaar:
5 fauteuils met rode trijpen zittingen, 1 dito met blauwe trijpen zitting, 9 stoelen met trijpen zittingen, 3 rood lakense kussens met stadswapen en op en met rode taarlingen overtreksels, 2 tafels met paars lakense kleden, 2 lessenaars, 2 tinnen inktpotten, 2 geel koperen zandbakken, 1 gemene bank, 2 Bruijne banken uitmakende een half ovaal, 1 kachel, 1 koolemmer, schop en pook.

De Inventaris vermeldt ook de inrichting van de bovenkamer, de Griffie van de Rechtbank, het Parket, de Verhoor kamer, de Stadsbibliotheek, de droogzolder, de oude geweerkamer en de hal. Deze zijn niet overgenomen.

Ook in 1839 wordt er groot onderhoudswerk verricht aan het Stadhuis. De pui van het Stadhuis wordt hersteld voor ƒ 145. Er vindt schilderwerk plaats. De leien daken van de koepels van het Stadhuis en het keeldak worden gerepareerd voor ƒ 370.

Voormalige schutterij van de Edele Busse

Eeuwenlang stond aan de Wijngaardstraat, aan het eind van de Sint Adriaanstraat, het fraaie gebouw van de schutterij van de Edele Busse. Het gold als het fraaiste van de drie schuttershoven in de stad. De andere twee, van de Voetboog en de Handboog, stonden aan de verlengde Kreukelmarkt.
 
In 1835 legt het Stadsbestuur de afbraak van de voormalige schutterij van de Edele Busse voor aan Gedeputeerde Staten. Het provinciaal bestuur schrijft in december terug dat er geen bedenkingen bestaan tegen de afbraak. Ze verzoeken het Stadsbestuur van de opbrengst een opgave te doen. Het Stadsbestuur besluit daarop de stadsfabriek op te dragen een conditie voor de afbraak te ontwerpen op een zodanige wijze, dat de bruikbare onderdelen van de afbraak voor de opbouw van een koopmansbeurs op de Grote Markt kunnen worden gebruikt.

Vanwege de voorgenomen afbraak van het schuttersgebouw aan de Wijngaardstraat verzoekt de commandant van de stedelijke schutterij in januari 1836 een lokaal aan te wijzen voor de berging van munitie, alsook voor exercitie. Hij verzoekt informatie of aan de stadsbode dertig cent voor de vracht van sabels kan worden voldaan.
Het Stadsbestuur besluit als bergplaats voor de munitie aan te wijzen de toren van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. Over een geschikte exercitieplaats zal nader beraad plaatsvinden. De stadsbode krijgt dertig cent voor vracht van sabels tot betaling aan de schipper van Ellewoutsdijk op Neuzen.

Op de aankondiging voor de afbraak van het voormalige schuttersgebouw van de Edele Busse wordt het gebouw in januari 1836 publiek voor afbraak verkocht aan G.L. Warrens voor ƒ 350. Warrens krijgt in januari 1837 toestemming om het plein van de schutterij voor het bergen van de afbraak en dergelijke te gebruiken tot drie maanden na de eerste aanmaning van stadswege.
In het gemeentearchief bevindt zich een plattegrondtekening van de situatie van het schuttershof van de Edele Busse en de ernaast gelegen brouwerij ‘de Gans’
Uit een opmeting blijkt dat het plein voor de schutterij van de Edele Busse een oppervlakte had van 14,70 x 14,00 is 205,80 ellen. De ondergrond van het gebouw is 6,20 x 14,00 ellen is 86,80 ellen. De grond waarop het hoofdgebouw gestaan heeft is 9,00 x 14.70 is 132,30 ellen.
De tuingrond achter het hoofdgebouw is 29,00 x 14,70 is 426,30 ellen. Alles samen een oppervlakte van 851,20 ellen.

De koper van de oude schutterij van de Edele Busse maant het Stadsbestuur aan tot het herstellen van de straat voor het gedeelte dat door het gebouw in lengte beslagen is  geweest. Hij meent dat het Stadsbestuur genoodzaakt kan worden om het gehele plein op te zuiveren, geheel te effenen en rein op te leveren. Hij is bereid het plein te huren. De afschutting dient met een heg tussen het plein en de bakkerij van R. Scheele plaats te vinden.

Slot Oostende

Over het Slot Oostende zijn over deze jaren geen nadere bijzonderheden te vermelden.
Een van de laatste vermeldingen over het Slot dateert van de 17e juli 1830, toen Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje (de latere Koning Willem II) met z’n beide zonen de stad bezocht. Volgens het verslag in de Goessche Courant bezichtigde het koninklijke gezelschap de kerken en het weeshuis, ‘mitsgaders de plaats van het in de geschiedenis van Zeeland zeer vermaarde Slot Ostende en wel bijzonder den veeljarigen en bekende Moerbezienboom van Vrouw Jacoba van Beijeren, van welke de beide jonge Prinsen eenige takken met derzelver bladen en vruchten beladen, tot een aandenken hebben medegenomen’.

Oude Manhuis

De regenten van de algemene armen wijzen het Stadsbestuur in november 1837 op de bouwvallige en gevaarlijke staat waarin een gedeelte van het Oude Manhuis zich bevindt. Het betreft het gedeelte wat eigenlijk geheel op zichzelf staat tussen het oude Manhuis en de gebouwen van het weesthuis, eertijds de kloosterkapel van het klooster van de Zwarte Zusters en later dienend als kerkgebouw van de Waalse gemeente in de stad. De regenten hebben de stadsfabriek gevraagd dit gebouw te inspecteren en van de renovatiekosten een berekening te maken. De kosten blijken geraamd te kunnen worden op ƒ 1.500. Dit is veel te hoog in verhouding tot de waarde van het behoud van dat gebouw. Ze leggen het rapport van de stadsfabriek met een schetstekening en berekening van de kosten van een eventuele renovatie over. Ze stellen voor het bouwvallige gedeelte tussen het Oude Manhuis en het weeshuis voor stadsrekening af te doen breken. Dit onder toekenning van een evenredige vermindering van de huurprijs. Het Stadsbestuur stelt het voorstel voor advies in handen van de leden Hecking, Van Kerkwijk en Saaymans Vader.

Op de 4e augustus 1838 stelt de gemeenteraad de condities voor de openbare aanbesteding van het afbreken en weer opbouwen van de oostelijke vleugel van het Oude Manhuis vast.
De werkzaamheden aan het Oude Manhuis worden opgedragen aan aannemer G. Klemkerke voor ƒ 855.

Poorten

Poortiers
Het Stadsbestuur geeft de poortiers van de stadspoorten in augustus 1834 opdracht om de rijksambtenaren bij de Waterstaat en bij de administratie van ’s Lands belastingen, te weten ingenieur Schraver, hoofdinspecteur Dominicus, controleur Liebert en de rijkscommiezen, alsook de stadsfabriek, ten allen tijde zonder enige betaling te laten passeren.

De poortwachters wisselen elkaar gedurig af. In 1833 overlijdt de poortier van de Ganzepoort Hubrecht Vroonland. Deze plaats wordt ingenomen door Adriaan de Wolf, poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. Hij neemt op zich om gedurende het leven van de weduwe van zijn voorganger Vroonland jaarlijks aan de directie van het gasthuis uit te keren een bedrag van vijftig gulden voor het onderhoud van de weduwe als ze in dat gesticht wordt opgenomen. In de plaats van Adriaan de Wolf wordt tot poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort benoemd Abraham Simpelaar. Maar Simpelaar overlijdt nog dit zelfde jaar 1833. Zijn weduwe, Jacoba Reijnhout, verzoekt met de waarneming belast te worden. Hiermee wordt voorlopig akkoord gegaan. Uiteindelijk wordt Adriaan de Wolf weer verplaatst naar de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. De commies van de stedelijke belastingen Johannes Thomson wordt eervol uit zijn betrekking ontslagen en aangesteld tot poortier van de Ganzepoort. Maar ook dat geeft problemen. In september 1834 zijn er herhaalde klachten tegen de poortier van de Ganzepoort Thomson.

Het Stadsbestuur besluit in 1834 voorlopig en tot dat daarin anders zal zijn voorzien te bepalen dat de stadspoorten voortaan het gehele jaar door ‘s avonds definitief zullen gesloten worden om elf uur. De generale brandmeesters zullen delen in de vrijstelling. De poortiers zijn verplicht om ook de commiesgriffier bij de arrondissementrechtbank, de heer Van Dalen, binnen de stad te beschouwen als ‘Minister van dat college en alzo mede te vallen in de termen van vrijstelling’. Afschriften van dit besluit worden ter kennisname toegezonden aan de poortiers, de majoor van de klapperwacht, de generale brandmeesters en de commissaris van politie binnen de stad tot informatie.

Het zogenaamde Stort bij de Oostpoort

In juni 1833 verzoekt Leendert Korstanje om voor vijftig jaar op een jaarlijkse erfpacht van ƒ 30 te mogen bekomen het zogenaamde stort buiten de Oostpoort. Dit heeft een oppervlakte van ongeveer 26 roeden en 25 ellen. Hij vraagt toestemming om daarop gebouwen en plantages aan te leggen die hij nodig mocht hebben. Besloten wordt dit verzoek af te wijzen en deze grond voor de stad zelf te behouden.

Afbraak stadspoorten
Het Stadsbestuur wijzigt in juli 1833 het besluit van de 21e mei 1831 ten aanzien van de stadspoorten.. Daarmee wordt afgezien van de afbraak van de buiten hoofdpoort. Besloten wordt aan deze poort de hoogst nodige reparaties te doen volgens de vastgestelde condities. De reparaties worden aanbesteed aan Gillis Warrens voor ƒ 140.
 
In september 1835 wordt begonnen met de geleidelijke afbraak van de stadspoorten. Er wordt een bestek vastgesteld voor het afbreken van de stenen beer in de vest bij de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort; het graven van een kil door de zoute vest met de aanvulling van de opening onder de stenen burg aan deze poort; het afbreken van de bestaande houten Slik- of Bleekveldse poort; het bouwen van twee gemetselde vleken met een poortruimte aan de Boomkaai; het aanbrengen van kavaljes aan de binnen havenpoort en stenen gewelven over de zes dwarsgoten en het aanbrengen van een weg naar het oude hoofd.

De stadsfabriek rapporteert in april 1836 over de ontdekte gebreken aan het van de heren  Nederburg, Nering, Bogel & comp. te Deventer uit hun fabriek ontvangen ijzeren hek voor de Bleekveldse Poort. Na overleg met de firma wordt het hekwerk teruggezonden. Er wordt opgave gedaan van de nodige verbeteringen hiervoor. Verzocht wordt het Stadsbestuur te informeren tot welke vermeerdering van kosten dit aanleiding zal geven.
In september arriveert het nieuwe ijzeren hek voor de Bleekveldse poort. De aannemer van het uitdiepen van het Slabbergat en het opmaken van de zogenaamde Bleekveldse of Slikpoort, Judocus Heijermans, krijgt opdracht om dadelijk zijn aangenomen werk aan de poort weer op te pakken en af te maken. Aannemer Heijermans dient in augustus 1837 een verzoek in om voor het volledig afmaken en in orde brengen van het werk hem een toelage uit de stadskas te verstrekken van honderd gulden vanwege geleden onvoorzien verlies op de aanneming. Maar het Stadsbestuur besluit dit verzoek, zoals het er nu ligt, af te wijzen. Wel krijgt hij een schadevergoeding van vijftig gulden.

Voor het stuk stadsgrond buiten de Bleekveldse poort wordt in juni 1837 een erfpachtovereenkomst aangegaan met de timmermansbaas Johannes Dekker. Hij krijgt toestemming om voor zijn woonhuizen buiten de Bleekveldse poort in wijk E de nummers 16 en 17 zeven of acht paaltjes en in het vervolg nog zes of zeven lindebomen te plaatsen, mits deze op uiterlijk een el van zijn panden worden geplaatst.

Vanouds staat er n aast de Oostpoort de schuur van de broodbakker in ‘de Neptunus’ op de hoek van de Grote Kade. De stadsfabriek dient in juli 1837 een klacht in tegen bakker Marinus van Liere. Hij pleegt onvoldoende onderhoud aan de zijmuur van zijn schuur naast de Oostpoort, waardoor de poort nadeel lijdt. Het onderhoud aan de zijmuur is aan de voormalige bakker Mattheus Corbeel namelijk in maart 1760 als voorwaarde opgelegd bij de vergunning om de schuur te vergroten. De stadsfabriek krijgt opdracht de eigenaar van de schuur zijn verplichting onder het oog te brengen.

Stormschade aan openbare voorzieningen

Door de grote storm op de 29e november 1836 is er heel wat schade ontstaan aan openbare voorzieningen. Onder de paragraaf ‘Kerkgebouwen’ is al melding gemaakt van de schade aan de kerktoren. Ook het zogenaamde kaaikloktorentje is zijn grootste sieraad verloren door het afwaaien van de vergulde peer en het vergulde scheepje. Dit scheepje is het afbeeldsel van het schip ‘Ter Goes’, dat in 1610 driemaal slaags is geweest met de Portugezen, samen met de schepen ‘Oranje’, ‘de Witte Leeuw’, ‘Vlissingen’, ‘Ceylon’, ‘Erasmus’ en het jacht ‘de Brak’ onder admiraal Pieter Bolk van Amersfoort.
Door de storm zijn er ook beschadigingen aan het Stadhuis. Boven de nieuwe raadkamer zijn twaalf ellen leien dak gebroken en verder zijn er heel wat ruiten stuk gewaaid. Van het torentje van de Ganzepoort zijn veel leien gewaaid en ook aan de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort zijn beschadigingen.
Het herstel van de stormschade aan de stadsgebouwen wordt aanbesteed aan H.D. van Ettinger voor ƒ 350 en G. Klemkerke voor ƒ 108. Het gaat om onder meer het herstel van het  gebroken en afgewaaide kruis op de toren van de Grote kerk, de peer van de toren van het schippers- of kaaiklokje, schaliedakwerk aan de stadhuistorens, de toren van de Ganzepoort, de Hoofdpoort, het gebouw van de waterkorenmolen, de sasmeesterwoning en de lokalen van de Franse school. De kosten van herstelwerk aan alle stadsgebouwen bedragen ƒ 823,96.

Op de 29e november 1836 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de commissie tot regeling van de schadevergoeding met verzoek om opgave van personen die boven de 25 gulden schade geleden hebben en buiten staat zijn dit verlies te herstellen. De ingezetenen die daaronder vallen worden bij advertentie opgeroepen tot het doen van aangifte binnen acht dagen.
Ook de Gouverneur vraagt in december 1836 een opgave van de verliezen door de storm, met name of hierdoor mensen tot armoede zijn gekomen. Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen, aangezien, voorzover bekend, geen personen tot armoede zijn vervallen.
Gedeputeerde Staten schrijven in januari 1837 een algemene collecte uit voor de schade die  door de storm van de 29e november is veroorzaakt. De collecte is op woensdag de 25e januari. Een Publicatie wordt gedaan en de leraren van de godsdienstige gezindheden binnen de stad worden uitgenodigd om de collecte door aansporing van de leden van hun gemeenten tot ruime deelneming te bevorderen. De collecte brengt ƒ 114,40 op.
Het herstel van de stormschade aan de buitenhavendammen, de klokkentoren en verscheidene gemeentelijke gebouwen vergt ƒ 2.847,00.

Oude haven en achterhaven

In september 1833 stelt het Stadsbestuur de condities vast voor de verpachting voor zeven jaar van de grond op de zogenaamde achterhaven, liggend tussen de voormalige waterkorenmolen aan de Kleine kade en de Molendijk.
 
Ferdinand Rutsaard verzoekt in september 1837 een gedeelte van de grond van de zoute vest of de achterhaven voor een periode van vijftien jaren in pacht te verkrijgen. Als tegenprestatie wil hij enige daarbij omschreven werkzaamheden doen aan de dijk die grenst aan de te pachten grond. Besloten wordt niet in dit verzoek te treden en mitsdien zijn aanbod niet te accepteren. In het gemeentearchief bevindt zich een mooie tekening van stadsfabriek De Lannee bij ingekomen stuk 591.

In maart 1839 bespreekt het Stadsbestuur het door Ferdinand Rutsaard, aannemer van publieke werken, gedane verzoek om opnieuw voor veertien jaar tegen een billijke pachtprijs in pacht te mogen behouden de stadsgrond in de zogenaamde ‘Oude Haven’ achter de zoutkeet. Hij schrijft dat hij in pacht heeft de stadsgrond, gelegen in de Oude Haven achter de zoutkeet aan de Havendijk, tot september van dit jaar. Voor het bedelven, droogmaken en applaneren van die grond, om deze in staat van cultuur te brengen, heeft hij veel meer moeite en kosten moeten besteden dan hij daarvoor heeft kunnen berekenen. Bovendien heeft ‘de schelpachtige natuur’ van die grond een zeer nadelige invloed op de vruchten uitgeoefend, vooral op de daarin geplante meekrap, terwijl hij deze juist heeft gedolven, gereed en moeten verkopen toen de prijzen daarvan zeer gedrukt waren.
De staat waarin deze grond nu is gebracht geeft hoop op meer opbrengst. Het Stadsbestuur besluit in mei de grond van de Oude Haven, gelegen achter de zoutkeet aan de havendijk, vanaf oktober 1839 opnieuw aan Rutsaard te verpachten voor veertien jaar.
 

De gemeenteraad stelt in augustus 1839 het bestek en de condities vast voor het uitgraven van ‘de oude Escarpe (borstwering) langs de oprel van de Molendijk’, alsook voor het bewerken van een aarden beloop en het vervoeren van het overschietende puin. In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie tekening van de overblijfselen van de voormalige natte gracht, in 1553 aan de oostelijke zijde van de stad gebouwd, voorgedragen om te worden ontgraven en door een aarden beloop (a,b) langs de sloot (b,c,d,e,f) te worden vervangen. De tekening betreft de situatie van de gedempte natte gracht die in de haven loosde. In september 1839 wordt publiek voor zeven jaar verpacht ‘de grond van de Oude Haven achter de Zoutkeet aan de Havendijk’. Pieter Mange pacht deze voor ƒ 130 per jaar.

Koopmansbeurs en graanbeurs

Deze jaren komt het tot de oprichting van een koopmansbeurs op de Grote Markt. Op de 9e mei 1835 bespreekt de gemeenteraad een verzoek van een aantal winkeliers, commissionairs en kooplieden binnen de stad. Ze leggen een plan voor om tot gerief van de handel in de stad een zogenaamde koopmansbeurs te stichten. Dit gebouw kan op bepaalde dagen en uren voor de handel worden open gesteld. Tot dekking van de kosten willen ze jaarlijks een vrijwillige bijdrage doen, die volgens een gehouden intekening ƒ 120 bedraagt.
Het uitvoerige verzoekschrift is ondertekend door de heren J. Fransen van de Putte, A. Steendijk, J.F.H. Schiefbaan, C.P. Soutendam, E. de Munck, J.W. Bussing, L. Lauwrink, N. Katsman, P. Nortier, L. Pieterse, A. van de Velde, L. Breker, Pieter de Munck, Job Goeman en Adriaan Goeman als commissionairs, G. Kakebeeke, Cornelis Verduijn, H.C. Pilaar, F. Bakker, G. Zandijk, J. Barbier, N. Bosdijk, C. Pilaar, J.P. Burger en S. van Zoom als kooplieden en H.J. van ‘t Hof, P. Vervenne, M. Harinck, J.K. van Balen en P.J. Somer als winkeliers. Verder prijken onder het verzoek de namen van L. Laurusse, bakker J. de Graag, bakker P. de Jonge, bakker H. Snoep, G. de Lange, bakker Andries Snoep, bakker J.M. van Zoom, bakker W. Verburg, bakker J.G. Eckhardt, bakker Jan Barbier, bakker A. van Liere, bakker F. Briels, bakker J. Scheele, bakker weduwe De Plaa, bakker M. van Liere, bakker N. Vertregt, E. Sloover, bakker H. Harinck, bakker Joh. Harinck en bakker M. Breker.  

De gemeenteraad overweegt dat ‘het daarstellen van een koopmansbeurs binnen de stad vooral ten gerieve van de niet onaanzienlijke graanhandel, welke aldaar gedreven wordt, alleszins wenselijk is’. Hiervoor zou kunnen dienen en daarvoor is alleszins geschikt de open ruimte aan de westzijde van de Grote Markt in wijk D nummer 390 die door de afbraak van het huis van J. Beenhakker (nu Grote Markt nummer 15) verkregen wordt en wel tussen het logement ‘de Korenbeurs’ en het huis van de advocaat mr. J.J. van Deinse. Dit perceel kan worden aangekocht voor ongeveer ƒ 440. Aangevoerd wordt: ‘Het stichten van zo’n beurs op dit nu onbebouwde perceel in het beste gedeelte van de stad zou het onaanzienlijke van deze afbraak wegnemen en tevens tot sieraad van de binnenstad alsook tot nut en voordeel strekken’. Tot vermindering van de kosten van de opbouw van de korenbeurs zouden kunnen dienen de nog bruikbare materialen van de voormalige schutterij ‘de edele Busse’ aan de Wijngaardstraat aan het einde van de Sint Adriaanstraat. Het schutterijgebouw verkeert namelijk in een zodanige vervallen en gevaarvolle staat, dat de afbraak daarvan dringend noodzakelijk is. Om instorting van ‘de Edele Busse’ en daarvan te duchten onheilen te voorkomen kan dit niet te spoedig worden ondernomen.

Ooit is wel eens overwogen om het gebouw van ‘de Edele Busse’ voor een arrondissementgevangenhuis in te richten. Maar door de bouwvalligheid is het daarvoor geheel ongeschikt bevonden. Het zou dan vooraf moeten worden afgebroken om door een geheel nieuw gebouw vervangen te worden. Voor de bouw van een koopmansbeurs met een verdieping, bestaande in een doorlopende zaal, zal ongeveer ƒ 4.000 nodig zijn.
De gemeenteraad besluit na uitvoerig beraad tot aankoop van het perceel van het afgebroken woonhuis op de Grote Markt ter grootte van drie roeden en tien ellen en op die plaats met de bruikbare materialen van het af te breken schutterijgebouw van ‘de Edele Busse’ een KOOPMANSBEURS te stichten voor het gebruik van zodanige handelsoperaties als waarvoor het zal kunnen dienstig zijn. Hiervoor zal beschikt worden over ƒ 4.000 uit de beschikbare fondsen. In het gemeentearchief bevindt zich een schetstekening voor de te stichten koopmansbeurs.

De Minister van Binnenlandse Zaken keurt in augustus 1836 de aankoop voor stadsrekening van de erve van het afgebroken woonhuis op de Grote Markt sectie D nummer 390 ter grootte van 3 roeden en 10 ellen voor een bedrag van ƒ 440 goed. In oktober overlegt de burgemeester het met Jacob Beenhakker gesloten contract tot afstand van de erve van zijn afgebroken woonhuis op de Grote Markt.
De aanbesteding van het bouwen van een korenbeurs wordt beproefd, maar tot gunning komt het niet omdat de laagste inschrijfsom ver boven de begroting ligt. Maar bij de op de 24e september gehouden aanbesteding voor de bouw van de koopmansbeurs wordt het werk gegund aan de laagste inschrijver H.O. Muller voor ƒ 4.060.

De buurman van de nieuwe koopmansbeurs, de heer mr. J.J. van Deinse, eigenaar en bewoner van het huis in wijk A nummer 5, verzoekt het Stadsbestuur om tegen een onderling te bepalen prijs voor een tijdvak van veertien jaar in huur af te staan de onbebouwde grond die naast zijn woonhuis ligt, thans behorende bij of liggende achter het gebouw van de nieuw gestichte korenbeurs in wijk A nummer 4. Mocht zijn verzoek worden afgewezen, dan vraagt hij in te stemmen met het plaatsen van een schutsel of muur. Het eerste verzoek wordt afgewezen, maar wel is het Stadsbestuur bereid om voor gezamenlijke rekening een afschutsel te plaatsen.
Ook Christiaan van Putte, wonend in wijk A nummer 36, verzoekt de grond achter de nieuwe korenbeurs te mogen pachten om daarop te tuinieren. De stadsfabriek adviseert afwijzend. Het verzoek kan niet worden ingewilligd, omdat het stadsbestuur het gedeelte grond achter het beursgebouw wil laten dienen als een wandelplaats voor de beursbezoekers.  

Op de 4e augustus 1838 is de nieuwe graanbeurs zover voltooid dat daarvan gebruik kan worden gemaakt. Er wordt een commissie ingesteld voor het vaststellen van enige reglementaire bepalingen. In deze commissie nemen zitting de heren J. Fransen van de Putte, A. Steendijk en G.H. Kakebeeke namens de handelsstand en de heren Verschoor van Nisse, De Jongh en de secretaris namens het Stadsbestuur.

De gemeenteraad besluit op de 17e november 1838 dat de van stadswege nieuw gestichte koopmansbeurs van nu af aan en zo lang het Stadsbestuur dit doelmatig zal achten, ten dienste van de koophandel en voornamelijk van de graan- en meekraphandel, op de gewone marktdag wordt beschikbaar gesteld en tot dat einde op de marktdagen zal geopend zijn van ‘s middags twaalf tot ‘s namiddags drie uur. Het openen en sluiten van de beurs zal door het kleppen van een klok worden bekend gemaakt. De beurs mag door het publiek vóór de tijd van openstelling niet mogen worden bezocht en na de aankondiging van het sluiten dadelijk moeten worden verlaten. Op de marktdag zullen binnen de stad op geen andere openbare plaatsen granen, zaden, meekrap en andere voorwerpen, welke op de koopmansbeurs verhandeld worden, openlijk te koop mogen worden gesteld of monsters van zodanige voorwerpen in het openbaar uitgestald. De directie over de beurszaken wordt opgedragen aan drie, daartoe de gemeenteraad te benoemen commissarissen voor de eerste maal worden benoemd de heren Johannes Fransen van de Putte, Gerhardus Hendrikus Kakebeeke en Abraham Steendijk. De commissarissen zullen, bij zich voordoende vacatures, op gelijke wijze worden aangevuld en wel na voordracht van een dubbeltal personen, door de directie te doen. De directie dient een Reglement voor haar werkzaamheden tot vaststelling aan de gemeenteraad voor te leggen. Daarin dient de verplichting te worden opgenomen om na afloop van iedere beurstijd de stedelijke secretarie opgave van de respectieve graanprijzen te doen. Door het Stadsbestuur zal worden aangesteld en van stadswege bezoldigd een conciërge over het gebouw, belast met het sluiten en ontsluiten van de beurs, het schoonhouden van de lokalen en dergelijke. Deze conciërge zal aan de directie of de commissarissen over de beurs als bode worden toegevoegd en gedurende de beurstijd tot hun beschikking staan. De commissarissen zullen jaarlijks voor half januari aan het Stadsbestuur een kort verslag over het afgelopen jaar doen met voorstellen over wat tot opbeuring of vermeerdering van de handel in het werk gesteld kan worden.

Tot conciërge voor de koopmansbeurs wordt benoemd de stadsomroeper Adriaan de Beste op een bezoldiging van vijftig gulden per jaar. Het Reglement van orde voor de werkzaamheden van de commissarissen over de koopmansbeurs wordt vastgesteld. De commissarissen over de koopmansbeurs verzoeken in februari 1839 om toezending van staten voor het invullen van de marktprijzen en vrijheid om zich van enige schrijfbehoeften te voorzien. Dat is akkoord.
De opening van de koopmansbeurs wordt bepaald op dinsdag de 5e maart 1839.

Stadswaag

De Gouverneur schrijft in januari 1837 voor dat, in het belang van de accijns op het geslachte, levend vee voortaan in de stadswaag in het Stadhuis gewogen dient te worden. Het Stadsbestuur

antwoordt ‘dat er in de stadswaag bij gemis van de vereiste Machine geen gelegenheid bestaat om levend slachtvee te wegen’.  In juni 1837 stuurt de Gouverneur een tekening toe van een werktuig om het vee levend te wegen, met opgave van een zelfde, minder kostbaar toestel dat te Vlissingen in gebruik is. Hij verzoekt na te gaan of een dergelijk werktuig te Goes zou kunnen dienen en gemaakt worden. Hierover wordt het oordeel van de stadsfabriek De Lannée gevraagd. Uit zijn onderzoek blijkt dat de stadswaag geen geschikte gelegenheid biedt voor het plaatsen van een werktuig om levend vee ten dienste van de rijksaccijns te wegen ‘als zijnde van te lage verdieping’. De Lannée doet een voorstel met daarbij gevoegd een plan en tekening voor het maken van een schaal voor het wegen van levend slachtvee. De kosten begroot hij op ƒ 506,74. In het gemeentearchief bevindt zich hiervan een tekening bij ingekomen stuk nummer 376. De stadswaag bevindt zich in de voorhal van het Stadhuis; daarachter is de vleeshal.

Slachthuis

In juni 1836 verzoekt Mozes Joseph Cohen, een van de vooraanstaande Hoogduitse Joodse inwoners van de stad, om het pakhuis in wijk B nummer 111 in het Ossenhoofdstraatje tot een slachthuis in te richten. Het Stadsbestuur willigt dit verzoek in. Dit pakhuis was voorheen wat het voorste gedeelte betreft het gebouw van de grutterij van de heer Allemekinders.

Straten, plantsoenen en overige openbare voorzieningen

Begraafplaats en rouwkoets
De stedelijke ontvanger legt in april 1835 een staat van ontvangsten en uitgaven over 1834 van de begraafplaats over. Het blijkt dat het batig saldo over dat jaar ƒ 387,44 bedraagt. Het Stadsbestuur machtigt de ontvanger om dit bedrag aan de Hervormde gemeente uit te betalen als schadeloosstelling voor het verlies van de begraafrechten voor het begraven in de Grote kerk.

De huurkoetsiers Marinus van Hese en Willem Pieterse verzoeken in december 1836 om met de bediening van de rouwkoets en met het zogenaamde nachtwerk begunstigd te worden. Het Stadsbestuur besluit het nachtwerk te verpachten. Hun eerste verzoek wordt aan de gemeenteraad voorgelegd.

Plantsoenen en wandelpaden

In november 1833 worden 195 zware opgaande olmenbomen in de plantsoenen van de stad verkocht. Uit de publicatie van de openbare verkoop blijkt dat het gaat om 32 bomen staande tussen de Ganzepoort langs de vest tot aan de zogenaamde Schotteput; 26 bomen staande van de Schotteput langs de vest tot aan de Koepoort; 29 bomen staande langs de slootkant van de Schotteput tot aan het Plein tegenover de Ganzepoort en brug en 60 bomen staande op het Plein voor de Ganzepoort. De opbrengst hiervan is ƒ 1.560,95.
In februari 1836 is er weer een openbare verkoop van bomen van de stadssingels. Het gaat dan om 88 bomen op de singel van de zogenaamde stenen beer tot aan het sluisje bij de Koepoort. De opbrengst van de gegunde verkoop aan Adriaan Schrijver is ƒ 125.

In oktober 1836 wordt door aannemer J. Lansu voor ƒ 440 een wandelpad aangelegd langs de westsingel in twee gedeelten, het eerste tussen de Koepoort en de oprel die dient tot drinkput in de stadswal aan de Struikelblok en het tweede tussen deze drinkput en de hoek van de oprel bij de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. In december daarna besluit het Stadsbestuur het wandelpad langs de singel door te trekken tot aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk en de daarvoor benodigde ƒ 170 uit het fonds voor onvoorziene uitgaven te dekken.

Kaden

In het najaar 1835 wordt de houten beschoeiing langs de Boomkade buiten de Bleekveldse poort vernieuwd. Over een groot gedeelte van de beschoeiing wordt een eiken scheepshouten deksloof aangebracht. Na de publieke aanbesteding gaat de opdracht naar Machiel Wolff voor ƒ 585 en het heiwerk naar timmermansbaas Johannes Goossen voor ƒ 108.
In maart 1837 is er opnieuw herstelwerk noodzakelijk aan de Boomkaai. Dit wordt publiek aanbesteed aan aannemer Hendrik Orgest Mulder voor ƒ 795. Het gaat nu ‘om een gedeeltelijke vernieuwing van de bebording en het inleggen van vijftien nieuwe landvesten en een kielsponding in de straat bij de Bleekveldse poort’.

Enkele bewoners van de Kleine Kade, de vooraanstaande families Van Renterghem, J. Risseeuw, J. de Fouw en C.C. van den Bosch, verzoeken in mei 1837 het rijden langs de Kleine Kaay weer open te stellen. Maar het Stadsbestuur overweegt dat in het algemeen de straat langs de Kleine Kade te smal en daardoor te gevaarlijk is om onbepaald bereden te worden. Door de openstelling van deze passage zijn daardoor ongelukken te verwachten. Bovendien is in vroegere jaren, op verzoek van alle eigenaren van huizen langs de Kleine Kade, deze passage voor rijtuigen afgesloten om de reden dat de trilling van de grond zodanig op hun woonpanden werkte, dat de gevels hier en daar rondom de ankers afscheurden. Terwijl ook nog in 1830, bij de reparatie van de ophaalbrug, tegen het rijden van lichte vrachten langs de Kleine kaay door sommige bewoners bezwaar is gemaakt. Ook is het bij herhaling gebleken dat het aanhoudend rijden over de Kleine Kade een nadelige invloed uitoefent op de kaaimuren. Uit een eertijds gedane inspectie is gebleken dat de brug van de oude waterkorenmolen ongeschikt is om de beweging van het rijden op den duur te doorstaan. Om al deze redenen besluit het Stadsbestuur dat het verzoek niet kan worden toegestaan.

In juli 1837 wordt de kaaimuur van de Kleine Kade hersteld. Uit de openbare aanbesteding blijkt dat het werk aan metselaarsbaas Hermanus Boet is gegund voor ƒ 700. Het gaat om veertig ellen van de kademuur, ongeveer tussen de brug en het huis in wijk B nummer 178. In het gemeentearchief bevindt zich een tekening van de stadsfabriek De Lannee onder nummer 413. Ook in augustus 1838 is er een reparatie aan de muur van de Kleine kade verricht door aannemer P.L. van Pottelberge voor ƒ 555.

De Houtkade en de zogenaamde boomvakken worden met ingang van 1839 voor vijf jaar verpacht aan Gerbrand Zandijk voor ƒ 82 per jaar.

‘De Hooge Boomen’ tussen Kreukelmarkt en stadswal

Tussen de stadswal en de Kreukelmarkt ligt een perceel grond dat in de volksmond ‘de Hooge Boomen’ wordt genoemd. In juni 1834 dient de commissionair Johannes Fransen van de Putte een verzoek in om tegen betaling van vijf gulden per jaar in erfpacht van de stad te verkrijgen het lapje grond in ‘de Hooge Boomen’.  Dit perceel, groot tachtig vierkante ellen en deel uitmakend van sectie D nummer 808, grenst aan de noord- en westzijde aan zijn erf. De uitgifte van deze grond kan zonder enig bezwaar voor de stad geschieden. Het aanbod is alleszins voordelig voor de stedelijke financiën. Het Stadsbestuur gaat akkoord met zijn aanbod.

Overige stadswerken
In juni 1833 stelt de gemeenteraad de condities vast voor de aanbesteding van het afnemen van de oude en het plaatsen van nieuwe greinen zwemmers of armen aan de wip van de ophaalbrug, alsook verscheidene reparaties aan de stadspoorten.
In november 1834 gebeurt dit wat betreft de condities voor de openbare aanbesteding van reparaties aan de riolen, de trekkers- en brugophaalderswoning en het klinkerpad aan de westzijde van de Grote Markt. Het herstel van de sasmuren wordt opgedragen aan aannemer P.L. van Pottelberghe voor ƒ 890 en het schilderen van de ophaalbrug en ‘het Arbeiders Klokhuis’ aan Zeger de Hond voor ƒ 74.
In mei 1835 doet de gemeenteraad dat voor de aanbesteding van enige reparaties aan de schaliedaken van de stadstekenschool, het stadhuis, het kaaiklokje, de klapbank, het vischhuisje, de kruittoren, de oude koopmansbeurs en de havenpoort, timmerwerk aan het lokaal voor de berging van de lijkkoets en het metselen van een wel onder de pomp in de Wijngaardstraat.
Ook in augustus 1835 vindt er een publieke aanbesteding van stadswerken plaats. De uitslag is dat het uitbreken van ‘de stenen beer’, het graven van een kil door de zoute vest met de aanvulling van de opening onder de stenen brug van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en het gedeeltelijk herstellen van de Bleekveldse poort is aangenomen voor ƒ 375.

In september 1835 wordt besloten tot het uitvoeren van diverse stadswerken zoals het herstel van de cavalier aan de waterpoort, het wegruimen van de stenen beer buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort en het afsluiten van de dam voor die poort, het vernieuwen van de Slikpoort, het verbeteren van de weg bij het oude hoofd en de singel tussen de Koepoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.
In mei 1836 wordt een nieuwe pomp op de Beestenmarkt gemaakt door aannemer H.D. van Ettinger voor ƒ 185. Van Ettinger mag ook metselwerk aan de stadspoorten en aan de Franse school uitvoeren voor ƒ 380.
In juni 1836 krijgt peperkoekbakker Johannes Harinck op zijn verzoek toestemming voor het verleggen en vernieuwen van de stoepen voor zijn woonhuizen B nummer 210 aan de Vlasmarkt en A nummer 190 aan de Lange Kerkstraat, alsook voor het doen metselen van een keel buiten tegen het woonhuis aan de Vlasmarkt voor het opbrengen van water uit een daarin aanwezige kelder.
In oktober 1836 worden reparaties en schilderwerk verricht aan de stadsscholen voor ƒ 400 en aan de pomp in de Bocht van Guinea door H.D. van Ettinger voor ƒ 104.
In juni 1839 stelt de gemeenteraad de condities vast voor een aantal stadswerken, te weten het metselen van twee moddervangbakken in de stadsvest; het vernieuwen van de pomp op het breedje in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat; het bevestigen van de Puy voor het Stadhuis; het doen van enig schilderwerk en timmerwerk aan de stadsscholen; reparaties aan de leien daken en koepels van het Stadhuis; het plaatsen van een windwijzer op de grote koepel van het Stadhuis en het maken en verleggen van straatwerk.

Hermanus Werri, pachter van een einde dijk buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, krijgt in maart 1837 toestemming om de grond langs die dijk in het Slabbergat te effenen, deze met hooi en klaverblad te bezaaien en tegelijk met deze dijk te gebruiken.
In december 1837 wordt de zogenaamde ‘grote stoofweide’, liggend in wijk A nummers 233 en 234 en met een oppervlakte van 1 bunder, 76 roeden en 60 ellen, voor vijf jaar verpacht aan J. Scheffer voor ƒ 125 per jaar.

Verlichting
Voor de jaren 1835 tot en met 1839 wordt de verlichting van de stad aanbesteed aan de heer Gerardus Hendrikus Kakebeeke voor ƒ 1.950 per jaar. Het aantal lantaarns in de stad is 83, waarvan 1 met vier pitten, 45 met drie pitten en 37 met twee pitten.
De stadsfabriek overlegt in februari 1835 een lijst van de stedelijke lantaarns, palen en gereedschappen die tot de stedelijke verlichting behoren, opgemaakt volgens de condities van aanbesteding en door de aannemer van de verlichting ondertekend.
Ook voor de jaren 1840 tot en met 1844 wordt de stedelijke verlichting, bestaande uit het aansteken van de lantaarns en de leverantie van de benodigde oly, katoen, etc., publiek aanbesteed aan de heer G.H. Kakebeeke.

Bliksemafleiders
Deze jaren komen de bliksemafleiders in zwang.
De Gouverneur van Zeeland wekt de gemeentebesturen in juni 1836 op om het voorbeeld van de gemeenten Doesburg, Arnhem, Haarlem, ‘s-Gravenhage, Amersfoort en andere te volgen en de torens en hoge gebouwen door bliksemafleiders te beschermen tegen rampen die onlangs de torens van Groningen, Groenlo en Huissen hebben getroffen.
In december 1836 delibereert het Stadsbestuur over het al dan niet aanbrengen van bliksemafleiders op de Grote Kerk en op het Stadhuis. Hierover wordt ook overlegd met de kerkvoogden van de Hervormde gemeente. Overleg met de kerkvoogdij in augustus 1837 leidt niet tot resultaat. De Gouverneur wordt bericht dat tot nu toe met de kerkvoogden geen bepaling is kunnen gemaakt worden voor het plaatsen van een bliksemafleider op de klokkentoren en het daarmee verbonden kerkgebouw, voornamelijk wegens gebrek aan fondsen bij de kerk. Uiteindelijk wordt er op de toren van de Grote kerk een bliksemafleider geplaatst. De kosten hiervan zijn ƒ 753,76.

Huizen
Wat betreft de huizen in de stad zouden tal van mutaties te vermelden zijn. Ter illustratie volgt hierna een aantal mutaties.
In februari 1833 is er sprake van een dreigende instorting van huizen. Op het rapport van de stadsfabriek besluit het Stadsbestuur de eigenaren van huizen in wijk D nummer 4 op de Grote Markt en in wijk B nummer 39 in de Sint Magdalenastraat door een deurwaarder te laten sommeren tot het renoveren van deze panden. Er dreigt instorting en maatregelen zijn noodzakelijk om ongelukken te voorkomen.
Ook Elisabeth Limbertus weduwe van Joseph Vaes heeft in maart 1833 niet voldaan aan de sommatie van het Stadsbestuur om over te gaan tot reparatie van haar bouwvallige woning. Besloten wordt wethouder Kakebeeke als waarnemend de plaatselijke politie te machtigen ingevolge het Wetboek van Straffen tegen haar op te treden.

De landbouwer Cornelis Verduijn geeft in maart 1835 kennis van zijn voornemen om een bouwvallige schuur op de Molendijk in wijk D nummer 73 af te breken en het perceel met een haag of planken schutsel af te heinen. Hij krijgt toestemming om aan die afschutting een andere en meer geregelde richting te geven.
In augustus 1836 is er een verzoek van Hermanus Werri om een gedeelte van het woonhuis in wijk B nummer 37 aan de Magdalenastraat tot een stalling en hooizolder in te richten. Dit wordt toegestaan.

In juni 1837 geeft de stadsfabriek te kennen dat door hem bijna dagelijks waarschuwingen aan de metselaars en timmerlieden worden gedaan om geen nieuwe gevels, puien of ramen, op de stadsstraten uitziende, te bouwen zonder toestemming van het Stadsbestuur. Ze storen zich in het geheel niet aan de aanzeggingen van de stadsfabriek. Afzichtelijke en willekeurige fronten en puien zijn hiervan het gevolg.

Vergunning verleent het Stadsbestuur in september 1837 op verzoek van metselaarsbaas H. Boet namens de heer Lippens tot verandering van de gevel van zijn woonhuis in wijk A nummer 71. Ook A.J. Susijn mag een verandering maken aan de gevel van zijn winkelhuis in wijk C nummer 168.

In september 1838 legt de heer F.S.A. Knitel als eigenaar van het woonhuis ‘de Oranjeboom’ in wijk A nummer 78 een tekening over volgens welke hij voornemens is dit huis te herbouwen, ‘zijnde daardoor dit gebouw in verbeterde staat gebragt tot voordeel en cieraad der stad’.
Thomas Snoep, eigenaar en bewoner van het huis in wijk B nummer 35 aan de Oprel van de Grote Markt verzoekt in maart 1839 toestemming tot het geheel vernieuwen van de pui of voorgevel van het huis volgens een overgelegde tekening. Hier tegen zijn geen bedenkingen.   
Een door de heer P.H. Saaymans Vader in april 1839 gedaan verzoek om verandering van de voorgevel van zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 17 wordt voor advies in handen gesteld van de stadsfabriek De Lannee de Betrancourt. Deze vindt het ‘een voorbeeld van wansmaak’. De ramen en deuren zijn echter al geheel afgetimmerd en de kozijnen geplaatst. Er bestaat nu geen middel meer om een doelmatiger en bouwkundiger vorm te geven zonder vernietiging van het gemaakte te weeg te brengen. Daar komt nog bij dat de timmerman J. de Beste ‘bij obstinatie zich permitteert te zeggen dat hij overal mag bouwen zoals hij wil, al zou hij een liggend huis bouwen (zoals hij zich uitdrukt)’. Dit geeft des te meer reden om te wensen dat een politiereglement wordt vastgesteld.

In april 1839 dient de heer Pieter Johannes van Voorst Vader, lid van de arrondissementsrechtbank binnen de stad, een verzoek in om een gedeelte van zijn woonhuis aan de Marktstraat (dit is de latere Lombardstraat) in wijk B nummer 59 af te laten breken en te veranderen volgens een overgelegde schets. Het Stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Bij het verzoek zit een fraaie tekening van stadsfabriek De Lannee. Uit de tekening blijkt dat het gaat om een woonhuis met aan de voorzijde de Marktstraat, aan de achterzijde de Vuilstraat, aan de linkerzijde het huis van de heer Verschoor van Nisse en aan de rechterzijde het hoekhuis Marktstraat/Armenhoek.
 
De kashouder Marcus Boddingius verzoekt in mei 1839 om het onderste gedeelte van de voorgevel van zijn woonhuis aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 142 te verbouwen. Hier tegen zijn geen bezwaren. Ook de winkelier Adriaan Biersteker krijgt in juli 1839 toestemming voor het maken van een nieuwe stoep voor zijn woonhuis in wijk D nummer 3 aan de zuidzijde van de Kaai.
Metselaarsbaas Hermanus Boet krijgt in juni 1839 vergunning voor enige veranderingen aan de pui aan het pakhuis tevens werkhuis van de heer Jan Karel van Baalen in wijk D nummer 10. In oktober 1839 mag Jacobus Reijnhout in zijn woonhuis in wijk C nummer 60 aan de Voorstad en in het woonhuis in wijk C nummer 82 in het Wittepaardstraatje nieuwe schoorstenen laten maken. Servaas van Gemert mag in het woonhuis in wijk A nummer 48 op de Vlasmarkt en in het woonhuis in wijk A nummer 49 in de Wijngaardstraat de bestaande schoorstenen vervangen.
Ook David Vereeke mag aan de schoorsteen in het woonhuis in wijk D nummer 61 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat enige verandering maken. Hetzelfde mag de logementhouder Cornelis de Jonge in zijn woonhuis in wijk A nummer 10. Apotheker J.A. Le Cointre krijgt vergunning om in het woonhuis in wijk C nummer 47 enige veranderingen aan te brengen. Bakker Johannes Eberhardt de Joode krijgt vergunning om in zijn woonhuis in wijk B nummer 6 in de Sint Magdalenastraat een daar bestaande oven met de daartoe behorende schoorsteen af te breken en op te laten ruimen.
In mei 1838 krijgt timmermansbaas Francois Walraven toestemming voor het vernieuwen van de voorgevel van het woonhuis van Pieter Steijn in wijk C nummer 172 aan de Ganzepoortstraat. Er zo zijn er deze jaren nog allerlei verzoeken tot het verbouwen van de gevels van woningen en het aanbrengen van nieuwe of het veranderen van bestaande schoorstenen.

Posterij

De directeur van het postkantoor in de stad, de heer J. Bos, overlijdt in september 1833. Tot zijn opvolger wordt benoemd de heer P.F. Brand, maar korte tijd later overlijdt ook hij. In maart 1835 wordt bij Koninklijk Besluit tot directeur van het postkantoor benoemd de heer W. Hordijk.
De nieuwe directeur deelt het Stadsbestuur in december1834 mee dat het postkantoor vanaf 31 december 1834 zal worden gehouden in het pand aan de Grote Kade in wijk D nummer 236. De directeur van de posterijen vraagt in november 1835 de aandacht van het Stadsbestuur voor de noodzakelijkheid om een lantaarn in de nabijheid van de brievenbus te plaatsen. Maar volgens de commissaris van politie is dat niet nodig omdat er een stadslantaarn in de nabijheid aanwezig is. Aldus wordt besloten.

Het Stadsbestuur deelt de controleur der posterijen te Middelburg in november 1835 mee dat het haar doelmatiger zou voorkomen om het postkantoor ‘s avonds van 7 tot 9 inplaats van 5 tot 7 uur open te stellen.

In juli 1839 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met informatie dat er een postwagen rijdt van Goes naar het Katse Veer voor het overbrengen van personen en goederen van en naar de stoomboot tussen Middelburg en Rotterdam. De belanghebbende van deze postwagen dient hiervoor wel een concessie aan de Minister van Financiën te vragen. De directeur van de postwagens, Cornelis de Jonge, is bereid zo’n concessie aan te vragen. Er komt weldra bericht van de Gouverneur dat gunstig beschikt is op het verzoek om een concessie voor het aanleggen van een postwagendienst op het Katse Veer ten dienste van de stoomboot van Middelburg op Rotterdam.

Ook vraagt de Gouverneur in augustus 1839 inlichtingen over de aanleg van een geregelde postwagendienst naar de aanlegplaats van de stoomboot tussen Rotterdam en Antwerpen.  
Willem de Fouw dient een verzoek in tot het verkrijgen van een concessie voor het aanleggen van een postwagendienst vanaf het logement ‘de Korenbeurs’ op de Grote Markt langs de grote Postweg op de Yersekendam voor het overbrengen van personen en goederen naar de stoomboot tussen Rotterdam en Antwerpen. Hierop wordt gunstig bericht.

Cornelis de Jonge krijgt in oktober 1839 concessie voor het aanleggen van een postwagendienst tussen Goes en het Catsche Veer door de Wilhelminapolder vanwege het stoomjacht dat vaart tussen Rotterdam en Middelburg.

Alle in gebruik te nemen postwagens worden door de wagenmaker Pieter Meijler en de smid Jan Temperman naarstig gekeurd. De goedgekeurde rijtuigen worden gemerkt.

Stoombootdienst

In april 1833 deelt de burgemeester de gemeenteraad mee dat hij van terzijde informatie heeft ontvangen dat de directie van de Stoombootmaatschappij te Middelburg niet ongenegen is om met de stad Goes in overleg te treden over de stoombootvaart op Rotterdam. Ook zou dan gesproken worden om de reizigers van en op Goes meer te faciliteren. Overwogen wordt dat dit wellicht voor de stad wenselijk zal zijn. Vooral wanneer de Stoombootmaatschappij te Rotterdam niet spoedig of onder genoegzame verzekering de toegezegde onderneming en geregelde vaart mocht hervatten. Besloten wordt de directeur van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij te Rotterdam aan te schrijven om te vernemen of deze maatschappij nog voornemens is een geregelde vaart op Goes tot uitvoer te brengen.

De directeur van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij te Rotterdam komt pas half juni met een antwoord. Hij verklaart zich bereid om nader in overleg te treden over het met ingang van juli aanleggen van een geregelde stoombootvaart op de stad Goes. Hij wil graag weten of de haven daarvoor voldoende diepte heeft of kan worden gegeven en welke bepalingen het Goese Stadsbestuur verlangt te maken. De stadsfabriek maakt profielen van de havengeul en legt een rapport over omtrent de aan te brengen meerdere diepte en de verandering van de buitenhaven met een berekening van kosten. Met dit bedrag is volgens het gevoelen van de stadsfabriek de buitenhaven op voldoende diepte voor de stoombootvaart te brengen en te houden. Het Stadsbestuur besluit mondeling in overleg te treden met de directie van de Stoomboot Maatschappij. Er volgt enkele dagen later een brief van de directeur van de maatschappij met het bericht dat niet voor de 1e augustus de vaart op Goes zal kunnen aanvangen. Met de eerstvarende boot zal hij in eigen persoon overkomen naar Goes voor het maken van de nodige bepalingen. Op d3e 7e juni 1834 wordt een mondelinge conferentie gehouden.

In oktober 1834 deelt de directeur van de Nederlandse Stoomboot Maatschappij te Rotterdam, naar aanleiding van de in juni gehouden conferentie, mee dat de Maatschappij niet heeft kunnen besluiten om zich te belasten met de kosten van verbetering en uitdieping van de buitenhaven voor de stoombootvaart, dit vanwege de geringe opbrengst gedurende dit jaar. Voor dit jaar zal de dienst met ingang van de 1e november ophouden. Het zal de directie aangenaam zijn indien van stadswege in het volgende jaar een veilige ligplaats voor de boot kan worden aangewezen om de dienst ook in de winter te kunnen onderhouden. Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen.

Het Stadsbestuur van Middelburg verzoekt in december 1837 het gevoelen van Goes te mogen vernemen over de voorgedragen verschikking van de dagen van afvaart en aankomst van het stoomjacht ‘de Prinses Marianne’ gedurende de wintermaanden van het aanstaande jaar. De tijden zijn bepaald van Middelburg inplaats van op zondag en donderdag voortaan op maandag en vrijdag en van Rotterdam inplaats van op dinsdag en vrijdag voortaan op woensdag en zaterdag. Besloten wordt het Stadsbestuur van Middelburg te kennen te geven dat de verandering van de afvaart op zondag van Middelburg en op dinsdag van Rotterdam tot groot ongerief van de handelaren in granen en meekrap binnen Goes zouden zijn. Beide dagen corresponderen namelijk met de maandagse marktdag te Rotterdam en de verzending van monsters met de brievenmail zou hoogst kostbaar zijn.  

Haven, sas en vaarwater

In juni 1833 stelt de gemeenteraad de condities voor de openbare aanbesteding van het leveren en inhangen van twee nieuwe buiten ebdeuren aan het sas vast. Het werk wordt aanbesteed en gegund aan Jan Visser voor ƒ 1.720.
Uit een inspectie door de stadsfabriek in augustus blijkt dat de metselwerken aan het sas zijn gedegradeerd en de hardstenen hoeken zodanig zijn afgeweken dat ze tot voorkoming van verdere schade en voor het onderzoeken van de muren meer binnenwaarts moeten worden afgenomen. Het is noodzakelijk in deze metselwerken voor het begin van de winter gedeeltelijk te voorzien en de hardstenen hoeken weer te plaatsen, terwijl de verdere herstellingen tot het voorjaar of zomerseizoen kunnen worden uitgesteld. Besloten wordt tot de voorlopige voorziening van het metselwerk en het plaatsen van de hardstenen hoeken voor het begrote bedrag van ƒ 800.

In september 1833 krijgt de stedelijke ontvanger machtiging om uit de (thans ruim) voorhanden zijnde middelen aan de thesaurier van Zijne Majesteit de Koning te betalen een bedrag van ƒ 10.000. Dit bedrag komt in mindering op het aan de Koning vanwege de aflossing van de geldlening voor de haven op 1 januari 1834 verschuldigde.
Het vernieuwen van de krammat op de buitenhavendammen wordt in oktober 1838 aanbesteed aan aannemer Leendert Tukker voor ƒ 480. Volgens het rapport van de stadsfabriek kan de vernieuwing van de binnenebdeuren van de havensluis zonder gevaar tot het voorjaar worden uitgesteld. Wel zijn aan de windwerken en schoven enige reparaties nodig. Deze zijn berekend op ƒ 189. Hiervoor krijgt de stadsfabriek opdracht.
 
Omdat de sluiskolk niet door een gemetselde muur zal worden ingesloten, maar weer met rijspakwerk zal worden voorzien, besluit de gemeenteraad in november 1838 over te gaan tot de verkoop van de tussen de twee waterpoorten uitgebroken en naar het sas vervoerde steen. De hoeveelheid steen is berekend op 170.000 à 180.000 stuks.

Het vernieuwen van de pakwerken in de schuthoek van de havensluis wordt in maart 1839 publiek aanbesteed aan Leendert Tukker voor ƒ 2.560.
Op zondag de 5e mei 1839 zal de haven worden afgelaten ten dienste van de reparatie aan de saskolk in de havensluis. Daardoor zal de haven enige tijd onbevaarbaar en gesloten zijn. Hiervan wordt een publicatie gedaan in het belang van de scheepvaart en bericht gestuurd aan de directeur Van den Bosch van de Wilhelminapolder.
Op 11 mei wordt openbaar aanbesteed het metselwerk aan de sasmuren aan Govert Klemkerke voor ƒ 1.185. Tevens wordt de reparatie aan de binnen ebdeuren besteed aan W.

van Leent voor ƒ 220. De werkzaamheden bestaan uit het uit- en inhangen en het repareren en bespijkeren van de sasdeuren. Het herstel is noodzakelijk vanwege de doorknaging door de paalworm onder water. Het is onmogelijk daarnaar onderzoek te doen zonder de deuren op de wal te hebben. Het wordt daardoor wenselijk geacht om de besteding te doen op de volgende wijze: van het uithangen, op de wal brengen, kantelen en keren en van het weer inhangen, van de reparatie bij de kubieke elle en van de benodigde bespijkering bij de vierkante elle.