Aanvulling? Meld het hier.
<<

Sociale zorg en gezondheid (1833 - 1839)

Gezondheidstoestand

Ook deze jaren vervult de plaatselijke of stedelijke commissie van geneeskundig toevoorzicht een belangrijke functie. Er treedt in mei 1835 een wijziging in de commissie op door het eervol ontslag van het lid, de apotheker Hendrik Le Cointre. In zijn plaats wordt benoemd de heer Dignus Steendijk, eveneens apotheker binnen de stad.

De commissie van geneeskundig toevoorzicht geeft het Stadsbestuur op de 27e juli 1833 kennis van het overlijden aan de gevolgen van de cholera van een manspersoon uit Rotterdam, die in de stad aangekomen was en logeerde in het huis van een zekere Van de Velde. Hiervan wordt dadelijk aan de Gouverneur rapport gestuurd.
De Gouverneur verzoekt op de 3e augustus om, indien, zoals hij vernomen heeft, zich meerdere gevallen van cholera binnen de stad mochten hebben vertoond dan in het rapport van de 27e juli is vermeld, hem daarvan onmiddellijk te informeren en bij onverhoopte verdere voortgang van de ziekte hem dagelijks bericht te sturen.
Na het horen van de informatie van de burgemeester dat hem van de twee laatste sterfgevallen was kennis gegeven, neemt de gemeenteraad daarmee genoegen. De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht binnen de stad, dat van laatstgenoemde sterfgevallen geen rapport heeft gedaan, wordt herinnerd aan haar verplichting om het Stadsbestuur met de loop van alle buitengewone omstandigheden in verband met de gezondheidstaat van de ingezetenen bekend te maken. Dit om met kennis van zaken te kunnen handelen en het hoger bestuur te kunnen informeren.
De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht doet in augustus 1833 een opgave van de gezondheidstoestand in de stad. Ze beveelt de voorbehoedmiddelen aan zoals deze op de 28e juli zijn voorgedragen.

Gedeputeerde Staten vragen het Stadsbestuur in januari 1839 of er in de stad geschikte lokalen aanwezig zijn voor de inrichting van een krankzinnigenhuis. Het Stadsbestuur schrijft terug dat zich in Goes geen dergelijke lokalen bevinden.

Cholera-epidemie

In oktober 1834 verzoekt de heer Willem Albert de Laat de Kanter om als lid van de stedelijke commissie voor de cholera in geval van plaats hebbende cholera eervol te worden ontslagen.

De Gouverneur stuurt op de 22e november 1834 een aanschrijving waarbij de stadsbesturen worden uitgenodigd om de bestaande commissies voor de cholera-epidemie te ontbinden en de leden de erkentelijkheid van het hogere bestuur te betuigen voor de in hun betoonde welwillendheid en aangewende zorgen. Besloten wordt om de aanwezige goederen voor het cholerahospitaal binnen de stad in het gasthuis te deponeren om bij onverhoopte omstandigheden van ziekte weer in gebruik te nemen. De stedelijke choleracommissie wordt uitgenodigd om de goederen onder een behoorlijke inventaris aan de regenten van het gasthuis in bewaring te geven.
Namens de leden van de ontbonden stedelijke commissie voor de cholera deelt de heer Verschoor van Nisse op de 3e januari 1835 mee dat de commissie aan de regenten van de godshuizen in bewaring heeft overgegeven de goederen die destijds voor het cholerahospitaal zijn aangeschaft. Van deze overdracht is een staat en inventaris opgemaakt, waarvan een exemplaar onder de regenten blijft berusten en de andere aan het Stadsbestuur wordt overgelegd met een staat van de geldelijke administratie van de commissie.

Kinderziekte

Op de 26e september 1835 rapporteert de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht dat de kinderziekte zich in de stad heeft geopenbaard. Er zijn maatregelen genomen om verdere verspreiding tegen te gaan. De armbesturen worden aangeschreven om hun gealimenteerden vaccinatie aan te bevelen onder bedreiging van het inhouden van de alimentatie. Het Stadsbestuur verzoekt de plaatselijke schoolcommissie om te zorgen dat geen kinderen op de school worden toegelaten die niet gevaccineerd zijn noch de natuurlijke kinderziekte hebben gehad. De plaatselijke commissie voor geneeskundig toevoorzicht wordt uitgenodigd om door hun invloed en die van hun vakgenoten aanwending van de vaccine zoveel mogelijk te bevorderen.
Uit de weekstaat van de kinderziekte blijkt in oktober 1835 dat onder de door de ziekte aangetaste personen zich ongevaccineerde gealimenteerden bevinden.
 

De stedelijke geneeskundige commissie geeft op de 26e januari 1839 kennis dat de kinderziekte zich weer in de stad heeft geopenbaard. Hiervan wordt melding gemaakt aan de commissaris van politie. Deze wordt gelast om de bij verordeningen gemaakte voorschriften in acht te nemen en wekelijks rapport uit te brengen. Op de 9e februari blijkt dat de kinderziekte in de stad is opgehouden.
In het 2e kwartaal 1839 worden 93 vaccinaties verricht, 65 door doctor Hecking, 2 door doctor Callenfels, 16 door doctor Verschoor van Nisse en 10 door heelmeester Pieterse.

Ziekte onder het vee

In juni 1838 dreigt er een longziekte onder het rundvee en een schurftziekte onder het wolvee. Verscheidene voorzorgmaatregelen worden genomen. Zo moet het vee dat aangevoerd wordt uit besmette gebieden worden afgezonderd. Begin november blijkt dat te Krabbendijke de longziekte onder het rundvee is ontstaan. Het Stadsbestuur besluit de ingezetenen opnieuw te herinneren aan hun verplichting om van het ontstaan van besmettelijke ziekte aangifte te doen. Ook de keurmeesters, slagers en vleeshouwers wordt aanbevolen nauwlettend op de toestand van de longen van het gekeurde of geslachte vee acht te geven en bij ontdekking daarvan de burgemeester kennis te geven.

In november 1839 wordt hondsdolheid in de gemeente geconstateerd. Er wordt een plaatselijke verordening op het vasthouden van de honden bij het ontstaan van hondsdolheid vastgesteld.

Huisartsen, heelmeesters, apothekers en vroedvrouwen

Deze jaren zijn er vier geneesheren (vanaf 1838 vijf), twee (vanaf 1838 drie) heel- en vroedmeesters, 1 vroedvrouw, 7 apothekers, 1 drogist en 2 veeartsen in de stad. Dit aantal is ‘volkomen voldoende’.  

De heelmeester Theunis Pieterse wijst het Stadsbestuur er op dat hij in 1818 in de functie van stads heel- en vroedmeester is aangesteld op een jaarlijks traktement van ƒ 300. Dit betekende voor de stad een vermindering van ƒ 150 omdat deze bediening voor die tijd door twee stads heel- en vroedmeesters werd waargenomen die daarvoor samen ƒ 450 genoten. Intussen zijn de werkzaamheden van deze bediening sinds 1818 aanmerkelijk toegenomen, ook bij de godshuizen en algemene armen. En dat niet alleen, maar sinds die tijd tot op heden heeft hij ook alle belangrijke operaties (zoals nog onlangs die van Matthijs Hendrikse) verricht. Daarvoor moesten voorheen altijd operateurs van buiten de stad worden ontboden wat vrij belangrijke uitgaven veroorzaakte. Om deze reden verzoekt hij verhoging van zijn jaarwedde of een extra toelage in de vorm van een gratificatie. Het Stadsbestuur besluit dit verzoek te weigeren! Het staat hem echter vrij om bij het verrichten van buitengewone werkzaamheden voor de godshuizen en van de algemene armen bij die besturen een aanvraag voor een extra beloning te doen.

In maart 1835 wordt de stads medicine doctor J.W. Hecking benoemd tot wethouder. In zijn vacature vestigt doctor N.J.F. Verschoor zich in de stad. Naar de functie van stadsdoctor solliciteren de medicine doctoren G.J. Callenfels, L.C. de Peval en N.J.F. Verschoor. Benoemd wordt tot stadsdoctor en geneesheer van de godshuizen en de algemene armen de medicine doctor Nicolaas Jan Frans Verschoor.
In 1837 komt er een medicine doctor bij in de persoon van de heer Roelof Benjamin van den Bosch uit Leiden. Hij heeft de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht na zijn promoveren te Leiden als medicine doctor zijn diploma getoond. Ook vestigt zich in december 1837 de heer Johannes Leonardus During als operateur, heel- en vroedmeester in de stad, maar dit is slechts van korte duur. In juli 1838 heeft hij de stad al weer verlaten voor de militaire dienst. De Gouverneur deelt in juli 1838 mee dat de heer Marinus Johannes Krijger zich als heelmeester en verloskundige in de stad heeft gevestigd.

Apothekers

In de loop van 1835 gaat de apotheek van de heer J.T. Rimmers over op de heer J.A. Le Cointre. De apotheek van de weduwe Crucque gaat in 1836 over op haar zoon Christiaan Nicolaas Crucque. Apotheker Cornelis Oversluijs overlijdt in 1837. De apotheek wordt van zijn weduwe overgenomen door de heer Douanes Cornelis Boudewijnse.

Vroedvrouwen

In augustus 1835 is er enig ongenoegen over de stadsvroedvrouw. De diakenen van de Hervormde gemeente geven het Stadsbestuur kennis dat de stadsvroedvrouw telkens, wanneer gealimenteerden van de diaconie haar hulp genoten hebben, ƒ 1,50 van hen vordert. Daarentegen bedient ze de gealimenteerden van de algemene armen gratis. Ze informeren of zij haar dienst aan alle gealimenteerden of alleen aan die van de algemene armen gratis moet verlenen. Het Stadsbestuur geeft de diakenen te kennen dat de stadsvroedvrouw in deze functie alleen verplicht is haar dienst gratis te bewijzen aan de gealimenteerden van de algemene armen van de stad. De diaconie heeft immers steeds afzonderlijk voorzien in de geneeskundige diensten bij haar armenzorg.
 
De Gouverneur schrijft in december 1839 dat een nieuwe Instructie voor de doctoren artis obstetricae, vroedmeesters en vroedvrouwen dient te worden vastgesteld. Het Stadsbestuur besluit dit bericht voor kennisgeving aan te nemen en een exemplaar van de Instructie en het jaarverslag toe te zenden aan de heren De Peval, Pieterse, Van den Thoorn en Krijger, die binnen de stad de verloskunde uitoefenen alsook aan de stadsvroedvrouw met de aanbeveling om in de maand januari 1841 en vervolgens voor de geregelde inzending van een jaarverslag over de gedane verlossingen aan de Plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht te zorgen.

Veeartsen

Deze jaren zijn er twee veeartsen in de gemeente: J.F. Lippens en G. van Kalmthout.
De veearts J.F. Lippens verzoekt in juni 1835 van de betaling van poortgeld te worden vrijgesteld. Dit wordt geweigerd. En veearts G. van Kalmthout vraagt onderstand uit het fonds van de landbouw voor de opleiding van zijn zoon tot veearts. Het Stadsbestuur vindt dit niet nodig omdat hij zelf in te gunstige omstandigheden verkeert voor dergelijke onderstand. Over deze zoon, Laurentius van Kalmthout, deelt de Gouverneur in oktober 1838 mee dat hij tot veearts der 2e klasse in Zeeland is benoemd. Hij moet binnen de stad Goes zijn verblijf houden onder het genot van een jaarwedde van ƒ 400.

Zorg voor de armen en behoeftigen

In januari 1833 acht de gemeenteraad het voor de armeninrichting van belang om deze op een bepaalde en vaste voet te regelen. Op deze wijze kan uitvoering worden gegeven aan de voorschriften van Zijne Majesteits besluit van 31 december 1814 betreffende de organisatie van de armbesturen en de godshuizen.
Na een uitvoerige bespreking besluit het Stadsbestuur tot een definitieve scheiding van de nog verenigde armeninrichtingen binnen de stad. De volgende bepalingen worden gemaakt:
de godshuizen, bestaande uit het weeshuis en het gasthuis alsook de algemene armen van de stad, zullen vanaf 1833 bestaan uit drie afzonderlijke administraties die elk hun afzonderlijke begroting, geldelijke beheer, boekhouding en verantwoording zullen hebben;
de rooms-katholieke armen, thans met de administratie van de godshuizen, voorzover het de wezen betreft, en met het algemeen armbestuur, voorzover het de thuiszittende armen aangaat, verenigd, zullen daarvan worden afgescheiden;
het beheer en het onderhoud van de wezen en armen wordt aan een afzonderlijk armbestuur opgedragen;
de benoeming van de colleges van regenten over de godshuizen en het algemeen armbestuur cq over het rooms-katholiek armbestuur zal geschieden door de gemeenteraad;
over het gasthuis en het weeshuis zal een college van regenten worden gesteld onder de titel: ‘college van regenten over de godshuizen’;
alle thuiszittende armen, die recht op onderstand hebben en geen lidmaten zijn van de Hervormde godsdienst noch van de Rooms-katholieke godsdienst en niet onder wezen of verlaten kinderen kunnen worden gerangschikt, worden aan het algemeen armbestuur toevertrouwd en uit de fondsen van de algemene armen gealimenteerd, aan welk college mede zal worden opgedragen de ondersteuning van de thuiszittende armen van de rooms-katholieke gemeente zolang daarover geen verandering verlangd of bevolen wordt;
het diaconie armbestuur van de Hervormde gemeente, wat steeds afzonderlijk gevoerd en beheerd is geworden, zal belast blijven met de alimentatie van de Hervormde godsdienst;
het gasthuis zal strekken voor de verpleging van proveniers voor eigen rekening volgens akkoord, van bejaarden of gebrekkigen voor rekening van het algemeen armbestuur, het Hervormde diaconale armbestuur en het Roomse armbestuur (indien ingevoerd) en van militairen en gedetineerden;
het weeshuis zal dienen tot verpleging en opvoeding van ouderloze wezen en verlaten kinderen die uit eigen middelen geen bestaan kunnen vinden en niet behoren tot de rooms-katholieke godsdienst.
Er volgt een reeks bepalingen als uitwerking van de splitsing tussen de armbesturen.

De in januari 1838 gehouden driemaandelijkse collecte brengt ƒ 179,62 op. Op verzoek van de regenten van de algemene armen van de stad bepaalt het Stadsbestuur dat van de collecte vanwege de strenge winter ƒ 150 voor een buitengewone bedeling afgezonderd en als zodanig in de rekening van 1838 verantwoord mag worden.

Godshuizen
Gedeputeerde Staten delen het Stadsbestuur in april 1833 mee dat het jaarlijkse rapport over de verrichte inspectie van de godshuizen voortaan niet meer hoeft te worden ingezonden. Niettemin mogen de inspecties niet worden nagelaten. Voortaan wenst de provincie in de maand januari daarvan een schriftelijke verzekering. Zo doet de burgemeester in januari 1834 verslag van de door hem gedane inspectie van de godshuizen. Alles is in de vereiste orde bevonden.  

De jaarrekeningen van de godshuizen over enkele jaren laten het volgende beeld zien:

  Ontvangsten: Uitgaven: Resultaat:
1830 ƒ 25.435,13 ƒ 26.817,60 ƒ  1.382,47 -
1831 ƒ 21.509,97 ƒ 23.803,45 ƒ  2.293,47-
1832 ƒ 19.107,59 ƒ 22.809,95 ƒ  3.702,36 -
1833 ƒ   5.980 ƒ   6.247 ƒ     266
1834 ƒ   5.754 ƒ   5.821 ƒ       67

Gasthuis

De jaarrekeningen van het gasthuis over enkele jaren laten het volgende beeld zien:

  Ontvangsten: Uitgaven: Resultaat:
1833 ƒ   5.980,50 ƒ   6.247,03 ƒ    266,53 -
1834 ƒ   5.754,16 ƒ   5.821,73 ƒ      67,57 -
1835 ƒ   6.677,15 ƒ   5.925,75 ƒ    751,40 -

De regenten van de godshuizen geven het Stadsbestuur kennis van de benoeming van mevrouw C.G. Kleeuwens geboren de Jongh tot regentes van het gasthuis in de plaats van mevrouw Mispelblom.

Arm- en weeshuis

De jaarrekeningen van het arm- en weeshuis over enkele jaren laten het volgende beeld zien:

  Ontvangsten: UItgaven: Resultaat:
1832 ƒ  14.496,42 ƒ   13.679,52 ƒ    816,90 +
1833 ƒ  13.242,66 ƒ   15.148,00 ƒ 1.905,33 -
1834 ƒ  14.622,42 ƒ   15.298,58 ƒ    676,16 -

In het arm- en weeshuis zijn opgenomen:
in 1834 112 personen, waarvan 22 oude lieden, 21 gebrekkigen en 69 kinderen;
In 1835 119 personen, waarvan 24 oude lieden, 21 gebrekkigen en 74 kinderen;
in 1836 112 personen, waarvan 21 oude lieden, 18 gebrekkigen en 73 kinderen;
in 1837 123 personen, waarvan 26 oude lieden, 24 gebrekkigen en 73 kinderen;
in 1838 119 personen, waarvan 24 oude lieden, 21 gebrekkigen en 74 kinderen;
in 1839 132 personen, waarvan 28 oude lieden, 29 gebrekkigen en 75 kinderen.

Algemeen Armbestuur

In het Algemeen armbestuur zijn deze jaren verscheidene wisselingen van bestuursleden. Zo krijgt in januari 1833 de heer Jozias Risseeuw eervol ontslag met dankbetuiging voor zijn langdurige en belangrijke diensten. In zijn plaats komt de heer Francois Kleeuwens, de stadsdrukker.
In januari 1834 wordt Pieter Andries Hochart opnieuw benoemd als lid van het armbestuur. In december 1834 verzoekt de heer Mirandolle ontslag als president van het armbestuur. Hij wordt hartelijk dank gezegd voor zijn bewezen diensten en aangewende zorgen. Zijne Majesteit de Koning heeft hem tot andere functies geroepen, waardoor hij naar Middelburg moet verhuizen. Zodoende kan hij niet langer in deze functie blijven fungeren. In zijn plaats komt de heer Johan Willem Hecking, medisch doctor. In maart 1835 wordt de heer J. de Jongh als lid van het armbestuur geïnstalleerd. Ook de heer Philip Vervenne Nzn wordt benoemd tot lid van het armbestuur.

In januari 1834 brengt het Stadsbestuur een aanschrijving van Gedeputeerde Staten onder de aandacht van de regenten over de godshuizen, van het algemeen armbestuur en van de diakenen van het Hervormd armbestuur over de gevraagde opgave van wezen die voor koloniën van de Maatschappij van weldadigheid in aanmerking komen. Het blijkt dat de armbesturen geen kinderen alimenteren die hiervoor in aanmerking komen. De regenten over de godshuizen verlangen bij de voortduur van de opzending verschoond te blijven.

In maart 1837 levert het Stadsbestuur de armbesturen om niet brandhout van stadswege voor uitdeling onder de gealimenteerde armen. Er komen daarop hartelijke dankbetuigingen van de diakenen van de Hervormde gemeente en van het algemeen armbestuur.

De jaarrekeningen van het algemeen armbestuur laten het volgende beeld zien:

  Ontvangsten: Uitgaven: Saldo:
1831 ƒ 10.484,75 ƒ 10.484,40 ƒ           0,35 +
1833 ƒ   9.161,00 ƒ   9.169,00 ƒ           8,00 -
1834 ƒ 10.714,00 ƒ 10.248,60 ƒ       465,10 +
1835 ƒ 11.183,63 ƒ 10.225,80 ƒ       958,13 +
1837 ƒ 12.617,10 ƒ 11.076,25 ƒ   1.540,84 +
1838 ƒ 13.209,83 ƒ 12.356,13 ƒ      853,70 +

Het aantal door het algemeen armbestuur bedeelden is in:
1833 180, waarvan 110 gedurende het gehele jaar en 70 eens of meermalen;
1835 182, waarvan 112 gedurende gehele jaar en 70 eens of meermalen;
1836 210, waarvan 121 gedurende het gehele jaar en 89 eens of meermalen;
1837 236, waarvan 130 gedurende het gehele jaar en 106 eens of meermalen;
1839 231, waarvan 123 gedurende het gehele jaar en 108 eens of meermalen.

Het aantal door de diaconie van de Hervormde gemeente bedeelden is in:
1834: 48, waarvan 33 gedurende het gehele jaar;
1837: 82, waarvan 51 gedurende het gehele jaar;
1838: 51, waarvan 34 gedurende het gehele jaar;
1839: 81, waarvan 51 gedurende het gehele jaar.

Commissie voor de economische spijsuitdeling

Elk jaar in november geeft de Commissie voor de economische spijsuitdeling binnen de stad het Stadsbestuur kennis van de op handen zijnde aanvang van de werkzaamheden voor de aanstaande winter met het verzoek om de ingezetenen bij publicatie aan te moedigen tot ruime inschrijvingen en giften. Als de inschrijvingen bekend volgt het verzoek om de toegestane stedelijke subsidie voor de aanstaande winter.
worden beschikt. Deze wordt uiteraard toegekend. Ter illustratie: het aantal inschrijvingen is in 1837 350, in 1838 298 en in 1839 353. De uitgereikte porties soep en gekookte spijs zijn in 1837 34.800, in 1838 29.624 en in 1839  34.140.
  
In 1837 overlijdt het commissielid C. Oversluijs. De vacante plaats wordt vervuld door de heer J.L. Liebert.

Vereniging van stedelijke werklieden

De vereniging telt deze jaren circa 120 stedelijke werklieden.

Maatschappij van weldadigheid

Deelname aan de Maatschappij van weldadigheid loopt niet in de stad. De Gouverneur wordt dan ook in 1833 bericht dat ‘de deelneming aan de belangen van de Maatschappij van Weldadigheid niet voorwaarts gaat’.

Armenfabriek

Op de 6e oktober 1838 bespreekt het Stadsbestuur een aanschrijving van de Gouverneur van Zeeland over een initiatief voor de fabricage van katoenen stoffen voor Indië. In de aanschrijving wordt kennis gegeven van de voor deze provincie geopende mogelijkheid om jaarlijks hierin een aandeel te verkrijgen. De Gouverneur wil met spoed geinformeerd worden of daaraan door Goes zou kunnen worden deelgenomen. Het Stadsbestuur antwoordt ‘dat voor het tegenwoordige in deze stad geen zodanige fabriekmatige inrichtingen aanwezig zijn, doch dat deze vergadering het van groot belang beschouwt om te onderzoeken of dit niet zou tot stand te brengen zijn’. Het algemeen armbestuur wordt uitgenodigd deze zaak te overwegen en de uitslag aan de vergadering mee te delen.

Op de 3e november 1838 komt er opnieuw een kennisgeving van de Gouverneur dat de stad, tegen bepaalde voorwaarden, voor een som van ƒ 50.000 begrepen is in het bedrag dat aan het gewest Zeeland is toegekend voor de jaarlijkse levering van katoenen stoffen voor Indië. De Gouverneur verzoekt om spoedig antwoord of hiervan in Goes gebruik zal kunnen worden gemaakt. Het Stadsbestuur legt ook deze brief voor aan het algemeen armbestuur met het dringende verzoek om spoedig uitsluitsel te geven.

De regenten van het algemeen armbestuur rapporteren op de 17e november over hun ‘voorlopige bemoeiingen omtrent de oprichting van een katoenfabriek binnen de stad’. Het zal nodig zijn om van stadswege het vereiste lokaal aan te schaffen. Het Stadsbestuur besluit wethouder Hecking, de president van het algemeen armbestuur, te verzoeken om na te gaan of het oude Manhuis daarvoor een geschikte gelegenheid kan bieden.
De Gouverneur wordt kennelijk ongeduldig. Op de 1e december komt er een aanschrijving  met zijn verzoek om binnen drie dagen bericht te geven ‘of men in deze stad er in zal kunnen slagen om een fabrieksmatige inrichting tot vervaardiging van katoenen stoffen voor Ind
tot stand te brengen’. Besloten wordt te antwoorden dat de komst van de textielfabrikant uit Twente, de heer Salomonson uit Almelo, te Middelburg alsnog wordt afgewacht. Met hem zal getracht worden daarover schikkingen te maken. Ook deelt het Stadsbestuur de Gouverneur mee ‘dat in het lokaal en personeel alhier zal kunnen worden voorzien’.

Op de 15e december 1838 doen burgemeester en wethouders verslag aan de gemeenteraad van de onderhandelingen met de heren Salomonson uit Almelo. Van stadswege zal kosteloos in de huisvesting moeten worden voorzien. De heren Salomonson stellen zich voor eerstdaags over te komen om de nodige schikkingen tot stand te brengen.
De gemeenteraad overweegt dat het in het belang van de mindere klasse van ingezetenen van groot gewicht moet worden geoordeeld om zodanige fabrieksmatige inrichting binnen de stad tot stand te brengen en te delen in het voordeel dat de provincie is aangeboden. Besloten wordt de burgemeester te machtigen om te trachten met de heren Salomonson in de geest van het overgelegde conceptcontract te trachten een overeenkomst aan te gaan. Er wordt een commissie ingesteld, bestaande uit de heren Kakebeeke, Van Kerkwijk en De Jongh, voor het treffen van zodanige maatregelen als bij de overeenkomst en het nog op te stellen reglement zal worden opgedragen. Ook wordt de commissie opgedragen om samen met de burgemeester met de heren Salomonson over de inrichting van ‘een stadslokaal’ te handelen.

Al op de 18e december 1838 overlegt de burgemeester de met de heer Godfried Salomonson, fabrikant en wonende te Almelo, handelend voor zijn firma G & H Salomonson, op heden aangegaan en getekend contract tot uitvoering van de concessie van de stad, aangeboden tot levering van katoenen stoffen voor Indië, door het laten vervaardigen van die stoffen binnen de stad. Eveneens legt hij over het Reglement van Orde voor deze fabriekmatige inrichting. Het gebouw van het oude Manhuis is bij nadere inspectie minder geschikt gebleken. Nu wordt erover gedacht om het gebouw van de voormalige Kleine of Gasthuiskerk voor dit doel in te richten en op te bouwen. De gemeenteraad besluit met de getroffen overeenkomst in te stemmen, het Reglement van Orde te bekrachtigen en de Gouverneur informatie te vragen of nu op de aangeboden leverantie mag worden gerekend.

De Gouverneur verzoekt op de 22e december 1838 om over de levering van katoenen stoffen voor Indië met de directie van de Nederlandsche Handel Maatschappij een correspondentie te openen. De gemeenteraad besluit nog deze zelfde dag daaraan te voldoen. Verder verneemt de gemeenteraad het rapport van de burgemeester en van de daarvoor ingestelde commissie over de te nemen maatregelen voor de levering van katoenen stoffen voor Indië. Met de Almelose fabrikanten Salomonson is over de uitvoering van de aan de stad verleende concessie voor het vervaardigen van de benodigde stoffen binnen de stad een overeenkomst gesloten. Het Reglement van Orde voor de op te richten fabriek is goedgekeurd en bekrachtigd. Daarvan is aan de Gouverneur kennis gegeven. Het eerst voor de oprichting van de fabriek beoogde lokaal in het Oude Manhuis is volstrekt ongeschikt bevonden. Meer doelmatig en zeer geschikt is voor gekomen de ruimte van de voormalige Kleine of Gasthuiskerk. De inrichting en opbouw daarvan zal echter, volgens de overgelegde tekening en berekening, een bedrag van ongeveer vierduizend gulden vereisen. In overweging wordt gegeven om dit gebouw met de meest mogelijke spoed voor dat doel geschikt te maken.

De gemeenteraad overweegt dat, zo al de stad daarvoor een opoffering zal moeten doen, het algemeen welzijn en de verbetering van het lot van de arme en minvermogende klasse van ingezetenen daardoor aanzienlijk kan worden bevorderd. Ook wil de raad zich niet door de kosten laten terug houden. Wat betreft de kosten, op het terugwinnen daarvan te zijner tijd bestaat, door vermindering van de stedelijke subsidie aan de armenadministraties, een gegrond uitzicht. Na uitvoerige deliberatie besluit de gemeenteraad overeenkomstig het gevoelen van de commissie aan de opbouw en inrichting van het gebouw van de voormalige Kleine of Gasthuiskerk voor de fabriek de voorkeur te geven. Onder overlegging van de tekening en berekening worden Gedeputeerde Staten ‘eerbiedig’ verzocht om voor deze uitgaaf uit de beschikbare stedelijke fondsen te mogen beschikken over een bedrag dat vier duizend gulden niet te boven gaat en dit te regelen in de stedelijke begroting van 1840.
In het gemeentearchief bevindt zich het  bestek en de begroting voor de ombouw van het Kleine Kerkje tot weverij. Ook is er een schetstekening van de verbouw van de kap bij de archiefstukken, overigens helaas geen tekeningen van de voormalige Kleine Kerk.

De Gouverneur deelt begin januari 1839 mee dat het aan de stad voorwaardelijk toegezegde aandeel van ƒ 50.000 per jaar in de levering van katoenen stoffen voor Indië ‘als bepaaldelijk geregeld kan worden aangemerkt’. Ook komt er op de 10e januari 1839 bericht van de directie van de Nederlandsche Handel Maatschappij te Amsterdam met de mededeling van de condities waarop de daarbij vermelde soorten calicots in ontvangst kunnen worden genomen. De Maatschappij verklaart zich bereid tot het geven van nader verlangde inlichtingen en verzoekt te worden geïnformeerd over de tijd waarop denkelijk een aanvang met het doen van afleveringen zal kunnen worden gemaakt. Het Stadsbestuur besluit een afschrift van deze brief te zenden aan de ingestelde commissie met de uitnodiging om daarvan nota te nemen en de vergadering over het aan de Handel Maatschappij te geven antwoord, zo nodig na correspondentie met de fabrikanten de heren Salomonson, te adviseren.
Ook neemt de gemeenteraad kennis van een besluit van Gedeputeerde Staten waarbij goedkeuring wordt verleend om voor de inrichting van de ruimte van de voormalige Kleine Kerk tot fabriek voor de vervaardiging van katoenen stoffen te beschikken over een bedrag dat vierduizend gulden niet te boven gaat uit de beschikbare fondsen. De werkzaamheden voor het geschikt maken van het gebouw van de voormalige Kleine Kerk tot katoenweverij worden begin februari 1839 gegund aan Gilles Warrens voor ƒ 3.650. Naar aanleiding van het advies van de stedelijke commissie besluit het Stadsbestuur op de 23e februari 1839 de directie van de Nederlandsche Handel Maatschappij te kennen te geven dat het gebouw voor de weverij waarschijnlijk binnen drie maanden gereed zal zijn om de werkzaamheden te kunnen aanvangen. Nader zal worden opgegeven wanneer er waarschijnlijk afleveringen van gefabriceerde goederen zullen kunnen plaats vinden.

In juli 1839 legt de burgemeester de gemeenteraad een berekening voor van de kosten ten bedrage van ƒ 369 (voor het nieuwe gebouw ƒ 43,10 en voor de appropriatie van de ruimte in het gasthuis ƒ 325,10) voor de inwendige inrichting van de nieuw gebouwde weeffabriek en wel voornamelijk van de ruimte in het gasthuis die daaraan getrokken wordt en tot magazijn zal gaan dienen. In het gemeentearchief is de omschrijving in het bestek opgenomen.

Van de Nederlandsche Handel Maatschappij te Amsterdam komt op de 3e augustus 1839 een kennisgeving dat de heren G. en H. Salomonson aan hen hebben bericht ‘dat deze vergadering de leiding van het commerciële en comptabele gedeelte van de leverantie van calicots, welke aan deze stad is vergund, gaarne aan die heren zou overlaten en de bepalingen aangaande prijs, tijd, wijze en hoeveelheid van levering met dezelven konde worden geregeld’. Ze verzoeken echter, alvorens de correspondentie met deze vergadering af te breken, met hun verlangen te dien aanzien bekend gemaakt te worden.

Op de 24e augustus 1839 bespreekt de gemeenteraad een ter vergadering overgelegde berekening van kosten van de heren Salomonson voor enige nog ontbrekende voorwerpen in de nieuwe katoenweverij. Besloten wordt de kosten, benodigd voor het voortzetten van de weefgetouwen en voor de eerste aankoop van stookkachels, voor rekening van de stad te nemen. Voorwaarde is echter dat de kosten van verder onderhoud, reparaties en eventuele vernieuwing door de heer Salomonson worden gedragen.