Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1833 - 1839)

Stadsbestuur

Aan het begin van de periode 1833 tot en met 1839 bestaat het Stadsbestuur uit de heren burgemeester J.H. Verschoor van Nisse, voorzitter, de wethouders J. Kakebeeke en A.W. Mirandolle, en de raadsleden mr. J. de Backer, J.W. Hecking, F.N. van der Bilt, J. Walraven van Kerkwijk, W.A. de Laat de Kanter, H. Lenshoek van Zwake en secretaris L. de Fouw.
Aan het eind van deze periode zijn dit de heren burgemeester J.H. Verschoor van Nisse, de wethouders J. Kakebeeke en J.W. Hecking en de raadsleden F.N. van der Bilt, J.W. van Kerkwijk, C.P. Soutendam, mr. P.H. Saaymans Vader, J. de Jongh en een vacature en secretaris L. de Fouw.

De aftredende kiezers van het Stedelijk Kiescollege, de heren Jacob Kakebeeke, mr. Jozias de Backer, Leonardus Lankhorst, Jacobus de Jongh, Jacobus Walraven van Kerkwijk en Adriaan Willem Mirandolle, worden in september 1833 herkozen. Ook worden gekozen de heren mr. Bartholomeus Hubertus Janssen, Willem Albert de Laat de Kanter en Hendrik Cornelis Pilaar. In december 1836 worden zes aftredende leden van het Kiescollege, de heren mr. Francois Nicolaas van der Bilt, mr. Jan Gerard de Witt Hamer, Jan Hendrik Verschoor van Nisse, Johan Willem Hecking, Hendrikus Johannes van ’t Hoff en Jan van Wintroy opnieuw herkozen.
In september 1839 worden opnieuw tot leden van het Stedelijk Kiescollege gekozen de aftredende heren Gerard de Leeuw, Leonard de Fouw, Nicolaas Vevenne, Hendrik Lenshoek van Zwake, Willem Albert de Laat de Kanter en mr. Bartolomeus Hubertus Janssen.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 9e augustus 1834 komen verzoeken om ontslag van de heren mr. J. de Backer, W.A. de Laat de Kanter en H. Lenshoek van Zwake als lid van de stedelijke raad. De gemeenteraad besluit om, alvorens hierover te delibereren, pogingen in ’t werk te stellen om de heren van hun verzoek te doen afzien. Er wordt een commissie benoemd, bestaande uit de heren Verschoor van Nisse, Mirandolle en Van der Bilt, ‘om hen het leedwezen van de vergadering over deze stap te betuigen en ten vriendelijkste uit te nodigen om hun verzoek in te trekken en hun functies te continueren. Waardoor aan het welmenend verlangen van de vergadering zal voldaan en tevens het belang van de stad en ingezetenen zal bevorderd worden’.
Op de 13e september brengt de commissie verslag uit van haar pogingen. Het is haar niet gelukt om hen van gevoelen te doen veranderen. Ze blijven bij hun verzoek persisteren.
Daarop verleent de gemeenteraad de drie leden het verlangde ontslag eervol.

De burgemeester legt het Stadsbestuur op de 20e september 1834 een vertrouwelijke kabinetaanschrijving van de Staatsraad Gouverneur Van Vredenburch voor. Hij wenst de bestaande of vermoedelijke redenen te vernemen waarom de heren De Backer, Lenshoek van Zwake en De Laat de Kanter hun ontslag als leden van de stedelijke raad hebben gevraagd. In overleg met de heren wethouders zal hij hierop antwoorden dat hem geen bijzondere redenen bekend zijn en dat het verzoek burgemeester en wethouders eveneens zeer heeft bevreemd. Zij hadden niet verwacht dat alle pogingen om de heren van hun voornemen af te brengen vruchteloos zouden zijn. Het is ook de gemeenteraad een raadsel waarom de drie leden zijn opgestapt. Men kan zich er niets bij voorstellen. Er was wel eens wat, maar dat gebeurt in elk college dat men soms bedenkingen heeft tegen een bepaalde zaak. Twee van hen wekten enige indruk dat het komt door de combinatie met andere functies. De derde liet zich hier niet over uit.

Het Stedelijk Kiescollege benoemt op de 11e oktober 1834 tot leden van de gemeenteraad in de plaats van de vertrokken leden de heren Jacobus de Jongh, mr. Bartholomeus Hubertus Janssen en Charles Petrus Soutendam. Janssen bedankt voor zijn benoeming, terwijl De Jongh en Soutendam deze aanvaarden. Ze worden geïnstalleerd en geluk gewenst.

Op de 15e december 1834 vertrekt er opnieuw een oudgediende uit het Stadsbestuur. Wethouder Adriaan Willem Mirandolle vraagt ontslag in verband met zijn verhuizing naar Middelburg door een benoeming door Zijne Majesteit de Koning. Bij Koninklijk Besluit wordt de heer J.W. Hecking, lid van de stedelijke raad, benoemd tot wethouder in zijn plaats. Hij doet afstand van zijn betrekking als stadsdoctor. In de waarneming van de burgerlijke stand wordt voorzien door benoeming van wethouder Kakebeeke.

In de ontstane vacatures van de heren Mirandolle en Janssen kiest het Stedelijk Kiescollege tot leden van de stedelijke raad de heren Jonkheer Wilhelm van Citters en Leonardus Lankhorst. Beiden weigeren echter hun benoeming te aanvaarden, de eerste vanwege voortdurende ongesteldheid en de laatste om voor hem moverende redenen. Daarop worden de heren mr. Martinus Pieter Blaaubeen en Gerardus Theodorus Callenfels, medisch doctor, door het Kiescollege tot leden van de stedelijke raad benoemd. Ook deze verklaren hun benoeming om gewichtige redenen niet te aanvaarden. Pas in oktober 1837 gelukt het in de vacatures in de stedelijke raad te voorzien door benoeming van de heren mr. G. van IJsselsteijn en mr. Pieter Hendrik Saaymans Vader. De heer Van IJsselsteijn voelt zich verplicht voor deze benoeming te bedanken. De heer Saaymans Vader is bereid deze aan te nemen. Uiteindelijk kan in oktober 1838 de heer mr. Cornelis de Witt Hamer als lid van de stedelijke raad worden benoemd, maar ook hij bedankt voor de eer. In oktober 1839 benoemt het Kiescollege de heer mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr tot lid van de stedelijke raad. Maar ook hij bedankt voor zijn benoeming.

Secretarissen en griffiers

Stadssecretaris
In augustus 1839 verzoekt de stadssecretaris L. de Fouw om zijn zoon, Cornelis de Fouw, toe te laten en te benoemen als boventallig klerk ter stadsgriffie zonder enig bezwaar van de stadskas. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Griffiers

Op de 9e april 1833 overlijdt de oud stadsgriffier Johannes Pilaar. Al van vóór 1807 was hij de getrouwe steunpilaar van het Stadsbestuur. Zijn weduwe stuurt een kennisgeving ‘van het afsterven van haar man op de 9e april, met dankbetuiging voor de bewijzen van toegenegenheid welke de overledene heeft mogen ondervinden’. Ze verzoekt opdracht te geven voor de betaling van het stedelijke pensioen dat door de overledene is genoten tot de dag van zijn overlijden. Ook vraagt ze of haar zoon, de huidige stadsgriffier Hendrik Cornelis Pilaar, gedurende het lopende kwartaal mag worden aangesteld tot waarnemer van het agentschap van de commissie van kazernering ten behoeve van haar als weduwe. Ook is haar wens dat haar, gedurende dezelfde termijn, mag worden gelaten het genot van de opbrengst van de helft van de turfton. Het Stadsbestuur besluit de verzochte ordonnantie tot betaling van het pensioen te verlenen en de griffier Hendrik Cornelis Pilaar te belasten met de voorlopige waarneming van het agentschap van de commissie van kazernering tot profijt van zijn moeder. De turfton is echter ter competentie van de stedelijke raad.

Commies ter secretarie
De commies ter stedelijke secretarie, Jacobus van de Volkeren, verzoekt in juni 1833 om tot verbetering van zijn bestaan te worden begunstigd met de door het overlijden van de heer Johannes Pilaar vacante functie van agent van kazernering van de stad. Het Stadsbestuur overweegt dat Pilaar gedurende zijn leven is begunstigd geweest met het genot van de helft van de opbrengst van de verhuur van de turfton. Het komt billijk voor om de positie van de commies Van de Volkeren te verbeteren. Dit kan wellicht ook voor een gedeelte uit de opbrengst van de turfton gebeuren. De bejaarde commies Thomson is immers ook destijds begunstigd met het opzicht over de Ganzepoort inplaats van zijn commiesfunctie. Besloten wordt de verhuur van de turfton op de huidige voet te behouden en de huurpenningen door de stadsgriffier te laten innen, die daarvan de helft zal profiteren. De andere helft zal ter beschikking komen om daaruit de stedelijke ambtenaren een gratificatie te verlenen. Verder zal de jaarwedde van de agent van kazernering worden verminderd van ƒ 300 tot ƒ 150. Deze functie zal aan de commies Van de Volkeren worden opgedragen onder bijvoeging van een jaarlijks bedrag van ƒ 50 uit de opbrengst van de turfton. Op deze wijze kan zijn bezoldiging met ƒ 200 worden vermeerderd.
Maar helaas, in mei 1834 besluit het Stadsbestuur, vanwege herhaald wangedrag, Jacobus van de Volkeren uit zijn bedieningen van commies ter stedelijke secretarie en agent van kazernering te ontslaan. Deze functie zal worden waargenomen door de griffier H.C. Pilaar. Voorlopig wordt benoemd de heer Gerbrand Zandijk.

Stedelijk ontvanger
In oktober 1834 verzoekt de stedelijke ontvanger, Jonkheer Wilhelm van Citters, eervol ontslag uit zijn betrekking ten behoeve van zijn gesubstitueerde, Jacobus van Renterghem de Fouw. Wel verbindt hij daaraan de voorwaarde dat hij zijn leven lang uit de jaarwedde van de stedelijke ontvanger zal ontvangen een bedrag van 400 gulden. De gemeenteraad besluit Van Citters het verlangde ontslag te verlenen onder de bepaling dat hem jaarlijks gedurende zijn leven lang door zijn opvolgers uit de jaarwedde van de stedelijke ontvanger uitgekeerd en elke drie maanden met een vierde zal voldaan worden een bedrag van 400 gulden. In zijn plaats wordt tot stedelijke ontvanger van de stad en gemeente benoemd de huidige substituut ontvanger Jacobus van Renterghem de Fouw.

Ontvanger stedelijke belastingen
De voorzitter geeft de gemeenteraad op de 2e november 1833 kennis van het overlijden van de heer Jozias Risseeuw, ontvanger van de stedelijke belastingen van de stad. De weduwe Risseeuw schrijft op de 25e oktober in een zwartomrande brief: ‘Met een diepbedroefd hart en bekommerd nederzien op mijn talrijk gezin bevinde ik mij in de aller treurigste verpligting om Uw Edel Achtbaren kennis te geven van het overlijden van mijn geliefde echtgenoot, de heer Josias Risseeuw, in leven ontvanger der stedelijke belastingen dezer gemeente. Een verlies voor mij en de mijnen onherstelbaar en hetwelk troosteloze gewaarwordingen in ons moet opwekken, indien niet de zorg van een albesturend Opperwezen en de deelneming van ware menschenvrienden daaraan eenige verzagting mag toebrengen’. De gemeenteraad besluit een commissie in te stellen die zich zal buigen over de zeer gewenste vereniging van de administratie van de stedelijke belastingen met het stadsontvangerschap. Ook wordt besloten om het kantoor van de stedelijke belastingen alsnog gedurende de eerste zes maanden van het jaar 1834 ten behoeve van de weduwe van de overleden ontvanger J. Risseeuw onder het genot van de gewone jaarwedde van ƒ 850 per jaar te laten waarnemen door haar zoon Johannes Gerard Risseeuw. In het eerste kwartaal zullen burgemeester en wethouders een voordacht doen voor de inrichting van de administratie van de stedelijke belastingen.

Stadsfabriek
De stadsfabriek en brandmeester De Lannée vraagt per eind februari 1836 eervol ontslag, kennelijk vanwege te drukke werkzaamheden. Het Stadsbestuur overweegt om tot aanstelling van een onderfabriek over te gaan. De Lannée komt daarop met een nader aanbod om met toevoeging van een onderfabriek zijn functie van stadsfabriek voort te zetten, dit onder het genot van verminderde bezoldiging. Dit leidt tot het aanblijven van de stadsfabriek en tot benoeming tot onderfabriek van Anthonie van Leent per 1 juni 1836 op een jaarwedde van ƒ 400.

Overige bedieningen

Adriaan de Bruijne wordt in april 1833 eervol ontslagen als assistent turftonder en houtmeter. In zijn plaats komt Sander Visser. In de plaats van Aarnout Loos wordt in december 1833 als vaste stads arbeider aangesteld Jan Pros en in januari 1836 wordt in de plaats van Pieter van Paassen aangesteld als stadsarbeider Maarten Reijnhout.
Wegens de voortdurende zwakke gezondheid van de stadsbode, Kornelis van de Volkeren, en de ouderdom van de andere stadsbode, Cornelis Zitters, besluit het Stadsbestuur in april 1835 tot assistent stadsbode en marktmeester te benoemen Anthonie Zitters.
In december 1837 overlijdt de stadsbode Kornelis van de Volkeren. In zijn plaats wordt aangesteld als stadsbode, conciërge van het Stadhuis, luider van de dagklok, markt- en waagmeester mitsgaders stadsaanplakker Anthonie Zitters, thans assistent stadsbode. In de plaats van de op zijn verzoek ontslagen stadsomroeper benoemt het Stadsbestuur in augustus 1836 Adriaan de Beste.

Contacten van het Stadsbestuur met het koningshuis

Elk jaar krijgt de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning bijzondere aandacht. Ter illustratie volgt hierna het vermelde over de viering in 1834.
Zo komt er in augustus 1834 van de kerkenraad van de Hervormde gemeente bericht ‘dat ‘s Konings verjaardag op eerstkomende zondag in de voormiddag godsdienst zal gevierd worden, met uitnodiging aan het stedelijk bestuur om daarbij te assisteren’. Dit bericht wordt aan de leden van de stedelijke raad in afschrift toegezonden.
Verder wordt besloten ‘om op Zijne Majesteits Jaardag uit hoofde van de Jaarmarkt het werpen van voetzoekers en zwermers en het afsteken van vuurwerken op de Grote Markt, de Vlasmarkt en de Beestenmarkt te verbieden, gelijk mede in de straten, en deze vreugdebedrijven alleen toe te laten op de Grote Kaay en breetjes in en tussen de straten, terwijl het schieten met schietgeweer algemeen zal verboden zijn’.

Op de 24e augustus 1834 opent de burgemeester de vergadering van de gemeenteraad ‘met gelukwenschingen wegens den heughelijken jaardag van Zijne Majesteit den Koning en dat het den Allerhoogsten moge behagen om de dagen van Zijne Majesteit, onder genot van welvaart en genoegen, te verlengen, tot heil van het Vaderland, alsmede dat hoogstdezelve onvermoeide pogingen tot bevordering van ’s Lands welzijn steeds gelukken en de meest gewenschte uitkomsten opleveren mogen’.

Op de 21e oktober 1837 doet de Gouverneur mededeling van het overlijden van Hare Majesteit de Koningin op de 12e oktober omstreeks kwart voor een uur te ‘s-Gravenhage. Bevel wordt gegeven tot het driemaal ‘s daags luiden van de grote klok in de Stadhuistoren.

Contacten met rijk en provincie

Leden van Provinciale Staten namens de stad Goes zijn deze jaren in 1833 de heren Jan Hendrik Verschoor van Nisse, mr. François Nicolaas van der Bilt en Gerard de Leeuw, terwijl de heer Hendrik Lenshoek van Zwake in 1839 de overleden heer mr. Roeland van Dam opvolgt.

Op de 7e september 1839 doet de burgemeester de gemeenteraad mededeling van een aanschrijving van de Staatsraad Gouverneur met kennisgeving van zijn voornemen om op zaterdag de 14e september 1839 de stad te bezoeken. Burgemeester Verschoor van Nisse maakt met de Gouverneur de afspraak om ‘s namiddags om twee uur audiëntie te verlenen. Hij zal bezoeken afleggen aan de school van schoolmeester Van Klooster, de school van schoolmeester Van der Pijl, de armen- en wezenschool en het weeshuis, het gasthuis en de calicotweverij. Daarna zal hij de staat van de begraafplaats en de brandblusmiddelen opnemen, inspectie doen bij de rijksontvanger en vervolgens het archief inzien. Bij de komst van de Gouverneur zullen de klokken spelen en de vlag op de toren worden uitgestoken.
Alle colleges en besturen wordt kennis gegeven van de audiëntie, onder meer aan de directie van de Goese Polder, de directie van de Brede Watering, de agent rijkskassier, de kerkelijke colleges, de geneeskundige commissie, de curatoren van de Latijnse school, de directie van de stadstekenschool, de brandmeesters, de commissie over de weeffabriek, de regenten van de godshuizen, de commissie voor de spijsuitdeling, etc.
Na de audiëntie van 2 tot 4 uur bezoekt de Gouverneur de Grote kerk, de brandspuit, de rooms-katholieke kerk, de school van Van der Pijl, de wezen- en armenschool, de tekenschool, de Latijnse school, de Korenbeurs, de school van Van Klooster, het Gasthuis, de soepkokerij en de weeffabriek.

Statistische gegevens over de gemeente

Gedurende de achterliggende vijftig jaar laat het aantal inwoners jaarlijks een toename zien: 1795 3790; 1805 3890; 1812 4353, 1826 4897 en 1835 4887.

De bevolking bestaat op de 31e december 1833 uit 4800 zielen. Op de 31e december 1834 is dit 4899 zielen. Naar godsdienstige richting behoren 3683 inwoners tot de hervormden, 1160 tot de roomsgezinden, 16 tot de evangelisch-luthersen, 9 tot de mennonieten en 31 tot de hoogduitse joden.

De bevolking bestaat op de 31e december 1835 uit 4887 zielen. Naar godsdienstige richting behoren 3712 inwoners tot de hervormden, 1112 tot de roomsgezinden, 16 tot de evangelisch luthersen, 10 tot de mennonieten en 36 tot de hoogduitse joden.

De bevolking bestaat op de 31e december 1836 uit 5165 zielen. Naar godsdienstige richting behoren 3918 inwoners tot de hervormden, 1172 tot de roomsgezinden, 12 tot de luthersen, 10 tot de mennonieten en 53 tot de hoogduitse joden.

De bevolking bestaat op de 31e december 1837 uit 5291 zielen. Naar godsdienstige richting behoren 4038 inwoners tot de hervormden, 1180 tot de roomsgezinden en 13 tot de evangelisch luthersen, 10 tot de mennonieten en 50 tot de hoogduitse joden.

De bevolking bestaat op de 31e december 1838 uit 5353 zielen. Naar godsdienstige richting behoren 4150 inwoners tot de hervormden, 1129 tot de roomsgezinden, 14 tot de evangelisch luthersen, 10 tot de mennonieten en 50 tot de hoogduitse joden.

De bevolking bestaat op de 31e december 1839 uit 5425 zielen (2525 mannen en 2900 vrouwen). Naar godsdienstige richting behoren 4062 tot de hervormden, 1235 tot de roomsgezinden, 50 tot de hoogduitse joden en 78 tot de niet genoemde gezindten ‘welke zich van de gevestigde Hervormde kerk in Nederland hebben afgescheiden’.

In 1834 worden 245 kinderen geboren, 184 inwoners zijn overleden. 62 huwelijken zijn voltrokken.
In 1836 worden 221 kinderen geboren, 221 inwoners zijn overleden en 52 huwelijken zijn voltrokken.
In 1837 worden 220 kinderen geboren, 203 inwoners zijn overleden en 52 huwelijken zijn voltrokken.
In 1838 worden 227 kinderen geboren, 162 inwoners zijn overleden en 56 huwelijken zijn voltrokken.

Op 1 januari 1840 telt de bevolking 56 inwoners beneden 1 jaar, 29 tussen 1 en 2 jaar, 505 tussen 2 en 3 jaar, 290 tussen 16 tot 20 jaar; 313 tussen 20 en 25 jaar, 249 tussen 35 en 40 jaar, 57 tussen 71 en 79, 6 tussen 79 en 85 jaar en 6 tussen 85 en 89 jaar en boven 89 jaar geen. Het aantal huisgezinnen is 1150 en het aantal huizen 911.

Wijkindeling

Ingevolge de nieuwe bepalingen over het houden van Registers van Bevolking besluit het Stadsbestuur in januari 1836 de verdeling van de stad en gemeente in de nu bestaande vier wijken A, B, C en D te handhaven.

In juli 1836 komen de commissaris van politie en de agent van kazernering met het voorstel een nieuwe wijkverdeling van de gemeente en een vernummering van de panden en gebouwen op stadskosten te maken. De schilder Willem Braam biedt aan om de hernummering te doen voor zestig gulden.
Het Stadsbestuur besluit akkoord te gaan met de voorgedragen nieuwe wijkverdeling en de hernummering van de panden. De schilder Braam krijgt opdracht om voor stadsrekening voor de door hem berekende som van zestig gulden de nieuwe nummering aan te brengen.
Van de nieuwe wijkverdeling en hernummering wordt bij Publicatie aan de ingezetenen kennis gegeven met de aanbeveling om voor het in stand houden van de eenmaal op stadskosten geplaatste nummers en letters te zorgen. De gehele hernummering van de stad, huis voor huis, met de daarbij behorende wijkletters in de gehele uitgestrektheid van de stad wordt verricht volgens de bepaalde grootte van 50 streep van elk.
De stadsfabriek begroot de kosten voor het hernummeren van de gehele stad en het plaatsen van acht wijkborden of planken op de volgende wijze: om nieuwe zwarte met olieverf aangebrachte nummers op de posten van de deuren te plaatsen, doch zonder de oude uit te schilderen en een speciale grond onder te verven:
2430 nummers, groot 0,05 uitmakende, aan 1034 huizen in vier wijken + 8 wijkplanken, totaal voor de som van zestig gulden door W. Braam uit te voeren.

Bij de nieuwe wijkverdeling tellen de wijken de volgende aantallen huizennummers: wijk A 210; wijk B 221; wijk C 209; wijk D 198 nummers; in totaal 838 nummers. Buiten de stad zijn er 151 nummers, waardoor het totaal aantal huisnummer 1044 is.
De tegenwoordige wijk- en buurtmeesters worden eervol uit hun functies ontslagen onder dankzegging voor hun bewezen diensten. Het aanleggen, vernieuwen en bijhouden van het register van de bevolking zal in het vervolg aan de commissaris van politie worden opgedragen. Deze zal worden bijgestaan door de agent van kazernering.

Kadaster

De Gouverneur geeft in januari 1833 kennis van de aftekeningen van de kadastrale plans voor de stad Goes. Het blijkt dat er ook in de stad een kantoor van bewaring van het kadaster zal worden gevestigd.
In maart 1833 verzoekt de Gouverneur of van stadswege kan worden voorzien in twee geschikte vertrekken in een van de stadsgebouwen voor het bewaren van het kadaster. Het Stadsbestuur schrijft terug dat er geen dergelijke vertrekken in de stadsgebouwen kunnen worden afgezonderd, daar de ruimte nauwelijks toereikend is voor de gewone administratie.
Op de 21e september 1833 ontvangt het Stadsbestuur een brief van de controleur en bewaarder van het kadaster met kennisgeving dat het kantoor van bewaring van het kadaster binnen de stad op aanstaande maandag zal worden geopend.

Bijzondere gebeurtenissen

In januari 1835 ontvangt de burgemeester een brief van de majoor, commanderende het 2e bataljon van de afdeling infanterie te Bergen op Zoom. Bij de brief zijn tien medailles gevoegd ter uitreiking aan de daarbij genoemde fuseliers als een teken van erkentenis door de Natie voor de trouw en standvastigheid bewezen bij de verdediging van de Citadel van Antwerpen. De medailles worden, na een toespraak van de burgemeester, ter vergadering uitgereikt.

In het gemeentearchief bevindt zich een verklaring van L. Sampon van de 3e augustus 1839 met de volgende inhoud: ‘Ontvangen van het Stedelijk Bestuur van Goes de navolgende instrumenten: een paar koperen bekkens, vier waldhoorns, de grote trom, de roffeltrom, twee trompetten en een serpent en ingeleverd aan het Stedelijk Bestuur van Goes de navolgende instrumenten: vier grote klarinetten, twee kleine klarinetten en een fagot’.