Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1840 - 1846)

Algemeen

De stad heeft deze jaren veel te lijden van de ernstige kinderziekte, het mislukken van de aardappeloogst en de armoede onder de ingezetenen. Een heugelijke dag is het als de nieuwe Koning Willem II in augustus 1841 de stad bezoekt. Tragisch is het plotselinge overlijden als gevolg van een ongeval van burgemeester mr. J.H. Verschoor van Nisse. De Afscheiding trekt diepe sporen op kerkelijk gebied.
De beide schansdijken worden afgegraven en het moeras van de zoute vest achter de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort wordt in cultuur gebracht. Deze poort wordt ook gesloopt. De plannen voor de aanleg van de spoorweg door Zuid-Beveland krijgen vastere vorm, evenals de aanleg van de grote rijksweg langs Goes en de weg naar Wolphaartsdijk. Stoombootdiensten ontstaan er met als gevolg diligences en postkoetsen naar de aanlegplaatsen. De Stadhuistoren ondergaat een ingrijpende restauratie. De waterkorenmolen krijgt de functie van soepuus voor de economische spijsuitdeling.
De economische bedrijvigheid verkeert in kwijnende staat. De nieuwgebouwde koopmansbeurs op de Grote Markt lijkt veelbelovend, maar de resultaten vallen tegen. De in werking gebrachte calicotweverij in het voormalige gebouw van de Kleine of Gasthuiskerk voorziet in een grote behoefte.






Troonswisseling

Op de 7e oktober 1840 treedt Zijne Majesteit Koning Willem I af als Koning van Nederland. De Prins van Oranje treedt aan als Koning Willem II. Ruim drie jaar later, op de 12e december 1843, overlijdt de oude Koning.

Spoorlijn
De eerste spoorlijn is in september 1839 in gebruik genomen. Vele belangstellenden stonden elkaar te verdringen om getuige te zijn van de eerste officiële treinrit over de zogenaamde ‘ijzeren spoorweg’ tussen Amsterdam en Haarlem. Er zijn deze jaren vergevorderde plannen voor de aanleg van een spoorlijn door Zeeland. Op de 13e februari 1846 verleent Koning Willem II bij Koninklijk Besluit een concessie voor de zogenaamde Zeeuwsch-Duitsche Spoorweg van Middelburg naar Maastricht.

Stoomschepen
De Nederlandsche Stoomboot Maatschappij brengt de eerste stoomboten voor het goederenverkeer in de vaart. Dit betekent een grote concurrentie voor de beurtvaart. Vanuit Goes komen deze jaren verscheidene postwagendiensten naar stopplaatsen van de stoomboten in bedrijf.

Stormvloeden in 1840 en 1845
Eind 1840 en eind 1845 doen zich stormvloeden en hoge waterstanden voor.
Op de 2e januari 1841 vraagt het gemeentebestuur Gedeputeerde Staten om goedkeuring om te mogen beschikken over een bedrag van ƒ 197,42 voor het herstel van de geleden stormschade aan de buitenhaven van de stad.
In de raadsvergadering van de 13e december 1845 deelt wethouder Van Kerkwijk mee dat,  tengevolge van de storm en hoge watervloed die in de nacht van donderdag op vrijdag heeft plaats gehad, hij zich vrijdagmorgen vroegtijdig naar het Goese Sas heeft begeven om de sluis- en havenwerken in ogenschouw te nemen. Hij constateerde dat, ofschoon aan de buitenhaven wel enige schade was veroorzaakt, deze in verhouding tot het zeer onstuimige weer gelukkig van geen aanmerkelijk belang is en spoedig zal worden hersteld. Volgens het getuigenis van de sasmeester hebben ‘de buitensasdeuren zich tegen de aanval van wind en vloed volmaakt wel gehouden’.

Misgewas aardappelen
In 1845 en 1846 mislukt de gehele aardappeloogst door een besmettelijke schimmelziekte. Grote armoede en hongersnood zijn daarvan het gevolg. Aardappelen zijn in deze tijd het voornaamste voedingsmiddel.
Er wordt op de 20e augustus 1845 een nauwkeurige opname van de in de gemeente aanwezige aardappelen te velde gedaan. Het betreft ruim zeven bunders zomeraardappelen, die voor het grootste gedeelte gerooid zijn, en ongeveer elf bunders winteraardappelen. De nog te velde staande aardappelen zijn alle door de heersende ziekte min of meer aangedaan, wat zichtbaar is door grauwe of zwarte vlekken op het loof, de stengel en de vrucht, waardoor bij een zichtbare vermindering de groei afneemt of bederft en het gewas spoedig tot verrotting overgaat. Het is te vrezen dat de winteraardappelen niet meer dan hoogstens een vierde van het gewone geschot zullen opleveren.

In september schrijft het gemeentebestuur de Gouverneur een uitvoerig rapport (van bijna zes bladzijden). Het rapport begint alsvolgt:
‘Indien immer de plaatselijke autoriteiten in kommervolle en moeilijke omstandigheden hebben verkeerd, het zijn gewis wel de tegenwoordige. Want het geldt behoeften, welker bevrediging aan de ene zijde gebiedend gevorderd wordt, doch waartoe uit hoofde van de uitgestrekheid en algemeenheid zeer aanzienlijke opofferingen worden vereist’.
Uitvoerig worden de maatregelen weergegeven die het gemeentebestuur denkt te treffen.
‘Doordrongen van onze verplichting zowel als van een gevoel van medelijden jegens onze hulpbehoevende natuurgenoten, hebben wij niet nagelaten dit gewichtige onderwerp met alle belangstelling te overwegen. En ondersteund door bereidvaardige medewerking en mededeling van nuttige beschouwingen door terzake deskundigen met de stedelijke raad datgene te overleggen en daar te stellen wat begrepen is in de bestaande omstandigheden in evenredigheid zoveel mogelijk van het vermogen dezer stad en onder inroeping van de meer vermogende ruime ondersteuning van de bestaande armeninrichtingen het beste te kunnen dienstig zijn om de ramp te verzachten en de dringendste behoeften te vervullen’.

De commissie voor de economische spijsuitdeling adviseert de volgende maatregelen te treffen voor de voorziening in de levensbehoeften in deze situatie van gemis van aardappelen:

  • boven de gewone bedelingen van soep, een meerdere uitdeling van gekookte spijs, desnoods door twee maal per dag te koken, voor het buitengewone gedeelte op kosten van de stad, de armbesturen of particulieren, ook tegen betaling door de bedeelden zelf;
  • oplegging van graan door de stad, om daarvan bij duurte van het brood gebruik te maken en alsdan daarvoor vrijdom te vragen van de accijns. Waartoe als motief kan worden aangevoerd de algemene nood, het bezwarende voor die plaatsen waar geen heffing voor het gemaal bestaat in verhouding tot de gemeenten die dat bezitten.

Uitvoerig beraadslaagt de gemeenteraad op de 22e september 1845 over de nodige maatregelen tot voorziening in de nood die door het gemis van winteraardappelen te duchten is. Met delegaties van alle instellingen voor de armenzorg in de stad wordt een gezamenlijk overleg gehouden. Hierbij zijn aanwezig vertegenwoordigers van het algemeen armbestuur, de diaconie van de Hervormde gemeente, de commissie voor de economische spijsuitdeling, het bestuur van de armenwerkinrichting en het bestuur van de godshuizen.
Het notulenboek geeft een weergave van de uitvoerige afwegingen. De gemeenteraad besluit uiteindelijk tot het volgende:

  1. als het meest doelmatige middel van voorziening en aanvulling wordt aangenomen het door de commissie voor de economische spijsuitdeling geopperde idee om, boven de gewone bedelingen van soep, een meerdere uitdeling van gekookte spijs, desnoods door tweemaal per dag te koken, te doen;
  2. vooralsnog geen inkopen of oplagen van gronden voor stadsrekening te doen, maar het oog gevestigd te houden op de loop van de graanprijzen. Wanneer iemand van de leden van de raad van oordeel mocht zijn dat daarvoor grotere noodzakelijkheid aanwezig is, dan de raad hiervan te onderrichten en de nodig geoordeelde maatregelen voor te stellen;
  3. om het aan de goede zorg en prudentie van het algemeen armbestuur over te laten de tijd en wijze, waarop die administratie zal vermenen in de benodigde voorraad granen of andere levensmiddelen tot bedeling hetzij door aanbesteding, overeenkomst met de bakkers of inkopen van granen tot verbakking te moeten voorzien;
  4. Zijne Majesteit de Koning toestemming te vragen voor de verkoop en het te gelde maken van een de stad toebehorend kapitaal van ƒ 9.500.

Begin oktober 1845 komt er een brief van de Gouverneur over nadere maatregelen van voorzorg tot afwending van de gevolgen van het bestaande misgewas van de aardappelen en de daaruit voortvloeiende schaarsheid en duurte van levensmiddelen, vooral met het oog op de handhaving van de orde en rust in de gemeente.
Het gemeentebestuur geeft de Gouverneur een toelichting op de getroffen maatregelen tot verzekering van de voorraad van levensbehoeften bij het bestaande misgewas van de winteraardappelen en wat in dit opzicht in de stad door het gemeentebestuur en de armeninrichtingen is gedaan en voorbereid. Ook wordt besloten, tot aanmoediging van de in de stad bestaande verenigingen, polderbesturen, fabrikanten, landbouwers, grondbezitters en werkbazen, ‘om aan de arbeidersstand zolang en zoveel mogelijk werk te verschaffen’.

Maar op de 5e november 1845 schrijft het gemeentebestuur een somber bericht aan de Gouverneur: ‘Ter voldoening aan uw aanschrijving hebben wij de eer te rapporteren dat wij, na alsnu nog gedaan opzettelijk onderzoek, vermenen het daar voor te kunnen houden dat de gehele winteraardappelenoogst in de gemeente verloren is en daarvan niets voor winterprovisie is kunnen worden ingezameld’.

Maar ook de aardappelenoogst van 1846 mislukt!
Op de 2e september 1846 komt er een circulaire van de Gouverneur over de ongunstige berichten over de te velde staande aardappelen. Hij nodigt de gemeentebesturen uit om op dezelfde wijze als vorig jaar heeft plaats gehad, uiterlijk voor de 10e september een opgave in te zenden van het aantal bunders dat in deze gemeente met vroege en late aardappelen elk afzonderlijk is bepoot en het gedeelte waarover de ziekte zich eventueel uitstrekt met bijvoeging van de bijzonderheden die nodig of doelmatig voorkomen. Ook verzoekt hij om na 30 september elke veertien dagen hem rapport uit te brengen.

Het gemeentebestuur besluit op de 17e oktober 1846 aan de Gouverneur te rapporteren dat het delven van de aardappelen in deze gemeente nagenoeg is afgelopen en dat daaraan geen spoor van bederf ontdekt wordt, dat de voorraad gering en de prijs zeer hoog is en deze nog dagelijks toeneemt door de uitvoer. En in het volgende bericht van de 30e oktober wordt de Gouverneur gerapporteerd dat de inzameling van de aardappelen is afgelopen, de vroege aardappelen zijn verbruikt en de voorraad winteraardappelen wordt geschat op ten hoogste 500 mud.

Afscheiding van de Hervormde kerk
De in 1834 ontstane landelijke Afscheiding van de Hervormde kerk openbaart zich deze jaren ook in Goes. Er ontstaat een geregistreerde Afgescheiden gemeente aan de Wijngaardstraat. Daarnaast ondervinden de afgescheidenen rondom ds. J.H. Budding veel tegenwerking vanwege hun afwijzing van overheidserkenning.

 

Landverhuizers

Als gevolg van de misoogst en armoede, maar ook vanwege de tegenwerking van de afgescheidenen van de Hervormde kerk, verlaten de zogenaamde ‘landverhuizers’ ons land en emigreren naar Amerika en Canada. Op de 26e juli 1845 verzoeken twee ingezetenen van de stad om in de gelegenheid gesteld te worden buiten hun kosten te vertrekken naar Noord Amerika omdat ze zich buiten staat bevinden hier in hun levensonderhoud te voorzien. Het betreft de ongehuwde 39-jarige Adriaan Johannes de Wolff, timmerman, metselaar en schilder, en de 40-jarige Adriaan Zuidweg, kleermaker, gehuwd en vijf kinderen.