Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1840 - 1846)

Algemeen

De jaarverslagen van het gemeentebestuur over deze jaren geven over het algemeen geen rooskleurig beeld van de economische bedrijvigheid in de gemeente. Hierna volgt een weergave uit deze jaarverslagen.

1839: De bestaande fabrieken hebben niets bijzonders opgeleverd. Deze zijn van weinig belang en slagen over het algemeen niet gelukkig. De graanhandel heeft een goede invloed gehad door de opgebeurde staat van de landbouw. Daaraan werkt mee de opening van de nieuwe korenbeurs. Deze beantwoordt aan het doel van de stichting, namelijk de opbeuring van de graanmarkt binnen de stad.

1840: De bestaande fabrieken hebben niets bijzonders opgeleverd. Deze zijn van weinig belang en slagen over het algemeen niet gelukkig. De zeepziederij heeft weer opgehouden te werken. De weeffabriek van calicots voldoet vrij wel aan de verwachting. Tot heden zijn echter alle de daarin geplaatste getouwen nog niet bezet. Zo dit het geval zal zijn, bestaat er geen zwarigheid of de aan de stad verleende concessie zal uit deze aangeleverd worden.

1841: De bestaande fabrieken hebben niets bijzonders opgeleverd. Ze zijn van weinig belang en slagen over het algemeen niet gelukkig. Een grutterij heeft weer opgehouden te bestaan.
De weeffabriek van calicots is thans behoorlijk bezet en voldoet vrijwel aan de verwachting.
Handel en zeevaart bepalen zich geheel tot het binnenland en zijn van geen bijzonder belang.

1843: De fabrieken in de stad hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten. De bestaande fabrieken zijn met een scheepstimmerwerf, geschikt tot kleine reparaties, en een touwslagerij vermeerderd.

1844: De fabrieken hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten, waardoor de hier bestaan hebbende leerlooierij, de enige op dit eiland, is teniet gegaan.

1845: De fabrieken en trafieken hebben niets bijzonders opgeleverd, met uitzondering van de zoutkeet van de heren Pilaar en compagnons en de nieuw opgerichte steenplaats van de heren Verhagen en Van Baalen, beide welke in afleveringen toenemen (vooral de eerste die in 1844 98200 pond en in 1845 181550 pond) hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten.

1846: De fabrieken en trafieken van de stad, met uitzondering van de zoutkeet van de heren Pilaar en compagnon, en de steenplaats van de heren Verhagen en Van Baalen, beide welke in aflevering toenemen, hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten.

De algemene vergadering van de Maatschappij tot bevordering van de landbouw en veeteelt in Zeeland benoemt in haar vergadering te Goes op de 10e juni 1845 een commissie om te onderzoeken wat er zou kunnen worden aangewend om de cultuur en bereiding van de meekrap in staat te stellen om met de buitenlandse te kunnen blijven concurreren. De commissie bestaat uit leden van de verschillende districten van de provincie. Bij het aanvaarden van haar moeilijke taak oordeelt de commissie het voor haar bijeenkomsten geraden en voor haar leden in het algemeen het doelmatigst de stad Goes als de plaats van haar vereniging te kiezen. Namens de commissie wendt de voorzitter, F. van de Putte, zich tot het gemeentebestuur met het verzoek om zo mogelijk een geschikt lokaal beschikbaar te stellen voor het houden van haar vergaderingen.

In 1846 stelt de gemeenteraad een jaarlijks bedrag beschikbaar in de kosten van verbetering van de weg naar Wolphaartsdijk en de aanleg van een veersteiger. Opmerkelijk is de volgende overweging hierbij. De raad vertrouwt er op dat de Gouverneur, die zo aandringt op deze bijdrage, de pogingen om nabij Goes een station van de aan te leggen spoorlijn te vestigen, goedgunstig zal bevorderen. Overwogen wordt ‘dat het een en ander het enige middel tot opbeuring van de achteruitgaande staat van de ingezetenen en tot vermeerdering van enige welvaart zal kunnen zijn. Zonder deze vermeerdering van welvaart en daardoor de verbetering van de zo bijzonder sterk gedrukte stedelijke financiën, welke door de drang des tijds en de bovenmatige vermeerdering van de armenlasten en buitengewone voorzieningen aan de onmisbare havenwerken bijna in hopeloze staat verkeren, zal de stad niet bij machte zijn om de van haar verlangde bijdrage voortdurend op te brengen’.

Deze jaren zijn er een azijnfabriek, twee bierbrouwerijen, een olijmolen, een patent olijfabriek, twee zoutketen, een calicotweeffabriek, een zaagmolen, een pelmolen, twee korenmolens, twee chocoladefabrieken, een kalkblusserij en een grutterij in de stad. Geen van deze fabrieken wordt door stoom aangedreven.

Maatschappij tot bevordering van de nijverheid

De afdeling Goes van de Maatschappij tot bevordering van de nijverheid, gevestigd te Haarlem, geeft het gemeentebestuur op de 19e juli 1845 kennis dat de leden van deze afdeling, met inachtneming van het hoofddoel van de Maatschappij, zich ten doel hebben gesteld van hun zijde alles wat strekken kan en in hun bereik mocht vallen om de nijverheid van deze plaats en omstreken te verlevendigen, zoveel mogelijk te bevorderen. Onder de eerste en voornaamste punten die daartoe kunnen strekken beschouwen ze het vestigen van een betalingskantoor te Goes voor goederen die van en naar België langs de rivier de Schelde worden in- en uitgevoerd.
Ze willen niet treden in enige ontwikkeling hoe het gemis daarvan de handelaar alhier direct belet met andere plaatsen, die dit voorrecht hebben, te concurreren. Iedere terzake kundige zal doordrongen zijn van het hoge gewicht dat daarin gelegen is. Vooral uit dat oogpunt bezien heeft de Maatschappij op de laatst gehouden algemene vergadering van de afdeling het wenselijk beschouwd dat een soortgelijk verzoek mocht uitgaan naar het gemeentebestuur van Goes. Betoogd wordt: ‘Ons dientengevolge machtigende u eerbiedig te verzoeken dat het uw achtbaren behagen mocht ter verkrijging van een betalingskantoor en aankleve van dien voor alle goederen, van en naar België in- en uitgevoerd wordende, ter plaatse waar zulks behoort wel te willen adresseren, opdat Goes niet langer verstoken blijve van een voorrecht waarmee sedert lange tijd plaatsen van mindere rang zijn begunstigd geworden. Mochten tegen onze verwachting zwarigheden zich opdoen om dit verzoek van uw achtbaren te laten uitgaan, zo zal het ons een eer zijn daarvan te worden geïnformeerd.
Namens de afdeling Goes van de Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Nijverheid, J.W. van Kerkwijk, voorzitter, en O. Verhagen, secretaris.’

Burgemeester en wethouders antwoorden daarop dat ze de voornaamste kooplieden, commissionairs en winkeliers bijeengeroepen hebben. Deze zijn, 22 personen in getal, over de brief gehoord op de 24e juni. Aanwezig zijn de heren C. Pilaar, O. Verhagen, M. Stieger, J.H. Stieger, C.P. Soutendam, H. Schaapman, J.C. Kakebeeke, J. Reijnhout, H.C. Pilaar, F.S.A. Knitel, J.P. Kakebeeke, P. Pijke, M.J. Harinck, H. Boet, W. de Fouw, A. Biersteker, A. Blonkert, J.C. Massee, C.A. van Renterghem, M.A. van Paassen, A. Steendijk en J. Kooman. Het resultaat van de bespreking is onthullend! Het college schrijft: ‘Het heeft ons enigermate bevreemd dat enigen onverschillig, anderen volstrekt tegen, weinigen voor de vestiging van een betalingskantoor alhier voor goederen van en naar België langs de rivier de Schelde gestemd waren. Het schijnt dat aan het uit- en inklaringskantoor te Bath de expeditie gefaciliteerd en onkostbaar gemaakt wordt, dat het vestigen van dat kantoor alhier aanleiding tot nadelige invoer van steenkolen  en manufacturen door Belgische schippers zal geven en dat vermits de manufacturen in kleine hoeveelheden naar Goes geëxpediteerd worden. Met evenveel zo niet met meerdere kosten bij het aanvoeren van een kantoor alhier, de winkeliers zich zullen kunnen voorzien. Deze en meerdere geopperde zwarigheden maken ons huiverig het verzoek tot vestiging van bedoeld kantoor van ons te laten uitgaan’.

Bakkers

Sommige bakkers krijgen een proces-verbaal vanwege het te koop leggen van brood ‘dat door de commissaris van politie is aangeslagen als de vereisten van kropbrood missende’.
Dit overkomt in 1840 de broodbakkers Willem Verburg en Cornelis Schot. Maar bij vonnis van de arrondissementrechtbank worden beide bakkers vrijgesproken en wordt de veroordeling door het kantongerecht vernietigd.
Bij twee andere bakkers zijn in juni 1843 vergiftige stoffen aangetroffen in het gebakken brood. Het gemeentebestuur ontvangt een rapport van de commissaris van politie over de gehouden visitatie van de bakkers en de broodverkoperswinkels. Besloten wordt dit rapport aan te houden en de ‘commissarissen van den broode’ binnen de stad uit te nodigen om, na een omgang en visitatie in de broodbakkers- en broodverkoperswinkels in de volgende week met de commissaris van politie gedaan te hebben, hun rapport in te zenden.

Gedeputeerde Staten keuren in september 1843 het door de gemeenteraad op de 12e augustus 1843 vastgestelde ‘Reglement nopens de verkoop van het brood en het werk der broodzetting in deze stad en gemeente’ op de broodzetting goed, althans ze hebben hierin niets gevonden dat het ter executie leggen daarvan zou behoeven te verhinderen. Het gemeentebestuur besluit het door de gemeenteraad vastgestelde Reglement op de broodzetting dadelijk in te voeren. Tot commissarissen over het brood worden benoemd de heren Simon van Zoom, Anthonie Zitters en Johannes Harinck.
Maar de gezamenlijke broodbakkers protesteren in oktober 1844 tegen de nieuw vastgestelde broodzetting. Ze verzoeken deze opnieuw vast te stellen en wel naar de prijs van de oude tarwe, terwijl onmogelijk nieuwe tarwe voor het bakken van brood kan worden gebezigd of gebruikt. De protestbrief is ondertekend door de broodbakkers J.M. van Zoom, J. de Wijs, H. Snoep, A. Semeijn, G. de Jonge, L. Glerum, A. Snoep, J. Scheele, G. de Lange, P. Vertregt, Jan Scheele, A.M. de Plaa en J. de Deken.

Beurtveren

Beurtveren algemeen
Deze jaren zijn er vaste beurtveren op Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Dordrecht, Bergen op Zoom, Middelburg, Zierikzee en Antwerpen.

In juli 1840 wordt aan de stadsbesturen van Amsterdam en Rotterdam informatie gevraagd over de borgtochten voor de beurtschippers Reijnhout op Amsterdam en De Heer op Rotterdam. Ook worden de beurtschippers Dronkers op Dordrecht, Johan van Nispen op Bergen op Zoom en Dirk Dronkers op Middelburg aangeschreven over het stellen van borgtocht in die betrekking. Omdat het het gemeentebestuur niet bekend is dat de beurtschippers Adriaan Touw op Gouda en Dirk Dronkers op Middelburg de bij het Reglement op de veren bepaalde borgtocht hebben gesteld, wordt besloten de besturen van die steden daarover te informeren.

De commissaris van de veren in de stad verzoekt in april 1845 maatregelen te nemen dat de van en op Goes varende beurtschippers, volgens de voorschriften in de reglementen, geen goederen ter inlading aannemen dan nadat hun zal zijn gebleken dat deze bij de commissaris van de veren zijn ingeschreven. Het gemeentebestuur besluit hiertoe.

Beurtveer op Antwerpen
De schipper sinds september 1839 tussen Goes en Antwerpen, Pieter van Tricht, betoogt in juni 1844 dat er eigenlijk sprake is van een beurtveer tussen beide steden Goes en Antwerpen. Hij verzoekt om vermindering van betaling van haven- en sasgelden, ook vanwege de ruiling van zijn huidige schip voor een groter. Hij maakt nu gemiddeld zestien reizen per jaar op Antwerpen. De commissaris van de veren vindt zijn verzoek niet onredelijk en adviseert het gemeentebestuur een vermindering van ƒ 16 per jaar toe te staan.
In augustus verzoekt schipper Van Tricht een acte van aanstelling als vaste beurtschipper in het veer tussen Goes en Antwerpen. Hij is bereid om volgens de reglementaire bepalingen op vaste beurtveren en onder de nodige personele borgtocht een bedrag te betalen. De commissaris van de veren schrijft in zijn advies aan het gemeentebestuur dat het hem voorkomt dat het altijd in het belang is van degenen, die met Antwerpen en andere Belgische steden handel drijven, dat er een vaste beurtschipper bestaat. Dit om niet in het onzekere te verkeren om hun goederen, zowel van deze stad als wel van Antwerpen op een behoorlijke wijze te kunnen afladen. Dit is bij het gemis van een vaste beurtschipper wel het geval. Hij adviseert dan ook in positieve zin. Het gemeentebestuur neemt dit advies over. Dit leidt er toe dat de gemeenteraad op de 4e november 1844 een ‘Reglement op het beurtveer van Goes op Antwerpen’ vast stelt. Enkele artikelen uit het reglement volgen hier:

Artikel 1
Het beurtveer van Goes op Antwerpen zal worden bediend door een beurtschipper, door het stedelijke bestuur van Goes te benoemen.

Artikel 2
De beurtschipper zal verplicht zijn iedere drie weken van Goes een reis naar Antwerpen en van daar terug te doen. En wanneer het belang van de handel mocht vereisen om in die tijd nog een tussenreis te doen, dan zal hem daartoe telkens de vergunning kunnen worden gegeven.

Artikel 3
De beurtschipper zal dit veer in persoon moeten waarnemen of in geval van wettige verhindering iemand in zijn plaats stellen ten genoegen van de heer burgemeester en ter zijner verantwoording.

Gedeputeerde Staten geven echter in februari 1845 te kennen dat het hun bedenkelijk is voorgekomen een beurtveer op Antwerpen te openen zolang in Goes geen kantoor voor betaling voor de inkomende rechten bestaat en die stad niet als losplaats voor de uit België langs de Schelde aangevoerde goederen is aangewezen.

Beurtveer op Bergen op Zoom
In oktober 1840 verzoekt de beurtschipper van Goes op Bergen op Zoom en vice versa, Johan van Nispen, om op gelijke voet als de Middelburgse beurtman voor het schutgeld aan het Goese Sas in de haven van de stad tot een vast abonnement van tien gulden per maand te worden toegelaten. Het gemeentebestuur gaat hiermee akkoord.

Beurtveer op Gouda en Delft
Het gemeentebestuur van Gouda deelt in maart 1840 mee dat de functie van beurtschipper van het beurtveer van Gouda op Goes vice versa vacant is en informeert of de persoon van Adriaan Touw, die zich voor de vervulling van de functie van beurtman heeft aangeboden, daarvoor de bekwaamheid en geschiktheid bezit. Besloten wordt te antwoorden dat de beurtman Adriaan Benjaminse is overleden en Adriaan Touw de vereisten bezit om hem te kunnen opvolgen. Touw is tot nu toe beurtschipper op Middelburg. Overeengekomen wordt hem tot beurtschipper van Goes op Gouda aan te stellen. Dit is niet voor lang, want in augustus 1842 vraagt schipper Touw ontslag. In zijn plaats wordt benoemd Hendrik Mijnsbergen.

Beurtveer op Middelburg
In mei 1840 verzoekt Dirk Dronkers, inwoner van Goes, om in de plaats van Adriaan Touw, die beurtman op Gouda is geworden, aangesteld te worden tot beurtschipper van Goes op Middelburg en vice versa alsook tot koopmansbode tussen beide steden. Hiertoe wordt besloten.

Het blijkt in november 1844 dat de beurtschipper op Middelburg vice versa Dirk Dronkers niet heeft voldaan aan de aanschrijving van het gemeentebestuur om binnen drie weken de verschuldigde borgtocht tot zekerheid van zijn bediening te stellen. Besloten wordt zijn aanstelling als beurtschipper en koopmansbode in te trekken en buiten effect te stellen met het verbod om deze bedieningen verder waar te nemen of uit te oefenen. In april 1845 wordt tot nieuwe beurtschipper van Middelburg op Goes aangesteld Jan Blitterswijk.

Beurtveer op Rotterdam
Pieter Boer en Matthijs Hendrik de Heer, beurtschippers op Rotterdam, en Cornelis Dronkers, beurtschipper op Dordrecht, beklagen zich in april 1842 over wederrechtelijke benadeling van hun veer door schipper Jan Brouwer en de heer C.P. Soutendam. De commissaris van politie wordt verzocht hier op te letten. Desgevraagd verklaart de commissaris van politie en tevens de commissaris van de veren, Frans Bakker, dat het door de beurtschippers aangevoerde volkomen overeenkomstig de waarheid is.

In februari 1843 geven beide beurtschippers Boer en De Heer te kennen dat ze, toen de derde beurt of beurtman op Rotterdam is komen op te houden, vanaf die tijd tot en met 1842 jaarlijks volgens een bestaande bepaling in de vergunning voor schadeloosstelling voor sasgelden aan de stad hebben betaald ƒ 120, waarin ieder van hen de helft heeft betaald. Deze derde beurt is vervallen verklaard vanwege het in de vaart brengen op de Zeeuwse stromen van stoomvaartuigen. Daardoor is het vervoer van passagiers met hun beurtschepen komen te vervallen. Hoewel met bezwaar hebben ze dat verlies altijd gedragen. Echter, van jaar tot jaar voelen ze het drukkende hiervan. Vooral in 1842 is dit het geval geweest. Ze verzoeken mitsdien van die jaarlijkse opbrengst verschoond te mogen worden en wel voorlopig voor een jaar. Ze baseren hun verzoek op de volgende vier argumenten:

  1. de zeer achteruit gaande handel van de stad;
  2. de geregelde vaart van een derde schuit om de veertien dagen van Goes naar Rotterdam en terug; de schipper, Jan Brouwer, vaart onder het vastgestelde tarief van hun goederen;
  3. de ondervinding heeft geleerd en leert nog dagelijks dat behalve de passagiers inmiddels ook vele goederen met de stoomboten worden vervoerd;
  4. thans wordt bijna niets door hen genoten voor het overbrengen van gelden. De reizigers van de handelshuizen wordt het gemakkelijk gemaakt door het varen van de stoomboten. Ze kunnen nu zelf gelden afhalen of op de winkelier zelf trekken bij wissel.

De commissaris van de veren schrijft het gemeentebestuur dat de achteruitgang niet te ontkennen is. Dat ligt niet zo zeer aan de achteruitgang van de handel in de stad noch aan de vaart van de stoomboten, maar wel door het varen van Jan Brouwer als derde beurtman. Niettemin is de opbrengst voor hen over 1841 nog geweest ƒ 6.117,05 en over 1842 ƒ 4.897,25, zodat door elk van hen in die twee jaren is genoten ƒ 5.557,15. Daaronder is nog niet begrepen de vracht van passagiersgelden en andere commissies.

In december 1844 richten Pieter Boer en Matthijs Hendrik de Heer, beurtschippers van Goes op Rotterdam en Rotterdam op Goes, zich tot het gemeentebestuur. Al een aantal jaren, en lang voor er aan de vaart van stoomboten op dit eiland gedacht werd, hebben ze wegens sasgeld betaald, behalve hun eigen aandelen, ook dat voor een derde beurtschipper ten bedrage van 120 gulden. Dit in de verwachting dat dit veer door hen alleen zou worden bediend. Na die tijd vaart schipper Jan Brouwer steeds alle veertien dagen in dit beurtveer heen en weer en voert bijna altijd volle ladingen over. Deze kan dus zeer goed als derde beurtschipper worden aangemerkt. Daardoor wordt het doel van hen beiden om samen voor drie beurtschippers te betalen geheel en al gemist. Bovendien is er tussen Rotterdam en Middelburg nu een geregelde stoombootdienst geopend. Het Catse Veer is hiervoor als legplaats gekozen. Het aantal stoomboten is sindsdien vermeerderd. Ze verzoeken dan ook ontheffing voor de jaarlijkse betaling van 120 gulden wegens sasgeld voor een derde beurtschipper.

Beurtveer op Zierikzee
De beurtschipper van Goes op Zierikzee vice versa, Jan Dalebout, verzoekt in oktober 1840 ontslag als beurtman, mits schipper Willem du Claux uit Zierikzee in zijn plaats wordt benoemd. Dit wordt aan het gemeentebestuur van Zierikzee overgelaten, omdat dat aan de beurt van benoemen is.

Boekdrukkerijen

Op de 26e maart 1844 geeft Johannes Maarten Kleeuwens het gemeentebestuur te kennen dat hij door het overlijden van zijn broeder, Jacobus Kleeuwens, door wie de zaken van de boekhandel onder de firma van F. Kleeuwens en Zoon alleen werden gedreven, zich genoodzaakt heeft gezien voor zijn moeder en verdere familie de verevening van de zaken van de boedel op zich te nemen en daarvoor op hem de vereiste machtiging is verstrekt.

Simon Jacobus de Jonge, boekdrukker en winkelier in alle soorten van schrijfbehoeften, deelt het gemeentebestuur in december 1844 mee dat hij wenst om op toerbeurt, evenals andere boekverkopers, te mogen worden begunstigd met de leverantie van de nodige schoolbehoeften voor de armenschool binnen de stad. Hij zegt toe deze leveranties op de meest solide en spoedige wijze te effectueren en zijn prijzen gelijk als die van andere leveranciers zullen zijn.

Brouwerijen en azijnmakerijen

De azijnfabrikant M.J. Bosdijk krijgt in augustus 1840 restitutie van ƒ 160,03 wegens betaalde stedelijke impost voor de door hem voor zijn fabriek ingeslagen 98 mudden grove maatkolen en 568 kannen inlands gedestilleerd.

In oktober 1841 deelt Nicolaas Vervenne mee dat hij de erfpacht van het Ravelijn achter de toen nog bestaande brouwerij ‘het Witte Klaverblad’ aan de stadswal gedurende de laatste 21 jaar heeft verkregen. Hij zou de erfpacht willen voortzetten maar dan op een eeuwig durende rente. Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze brouwerij niet meer in bedrijf is.

De gemeenteraad delibereert in mei 1843 over een door de kunstazijnmaker en bierbrouwer Pieter Pijke ingediend verzoek. Besloten wordt Pijke vrijdom van stedelijke belasting op het binnenlands gedestilleerd dat hij voor zijn azijnmakerij nodig heeft te verlenen. Dit onder de bepaling dat elk vat gedestilleerd dadelijk bij de inslag en in tegenwoordigheid van de beambten van de stedelijke administratie zal worden vermengd met twintig kannen moerazijn. Ook krijgt hij vrijdom van de stedelijke belasting op de turf en steenkolen die hij voor zijn azijnfabriek en bierbrouwerij nodig heeft. Dit in gelijke evenredigheid en op gelijke wijze als die van ‘s rijkswege voor de accijns is geaccordeerd.

De bierbrouwer Cornelis Marinus de Jongh deelt in januari 1844 mee dat hij tevergeefs heeft getracht om met de poortier van de Ganzepoort over de verschuldigde poortgelden tot een akkoord te komen. Hij verzoekt het gemeentebestuur daarin te voorzien. Besloten wordt om het abonnement van de bierbrouwer De Jongh voor de poortgelden aan de Ganzepoort, vanaf 1 januari 1844, te bepalen op zes gulden per jaar. Ook schrijft bierbrouwer De Jongh dat hij met de poortiers van de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Oostpoort een akkoord heeft bereikt voor het sluiten en ontsluiten van de poort voor zijn passage met paarden en wagens tegen een jaarlijks abonnement van ƒ 5,20 respectievelijk van ƒ 3,00. Met de poortier van de Ganzepoort heeft hij echter geen akkoord bereikt. Hij is nu genoodzaakt ‘s avonds laat met zijn paarden en wagens over de singels te rijden om door een van de andere poorten binnen gelaten te worden. Dit stelt hem in het winterseizoen steeds aan gevaren bloot.

Ook in maart 1844 komen er verzoekschriften van de bierbrouwers binnen de stad, Cornelis Marinus de Jongh en Pieter Pijke. Pijke is tevens kunstazijnmaker. Bierbrouwer Pijke deelt mee dat hem uit zijn boekhouding is gebleken dat hij vorig jaar 180 Nederlandse vaten bier heeft uitgeslagen. Brouwer De Jongh deelt mee dat door hem jaarlijks 300 à 400 vaten bier binnen de stad worden uitgeslagen. Het gemeentebestuur besluit de stedelijke ontvanger te machtigen om met hen voor de belasting van de in de stad uitgeslagen en door hun gebrouwde bieren op de voet van de thans bestaande overeenkomst een abonnement aan te gaan, ieder voor vijf gulden per maand. Enkele weken later stuurt de ontvanger van de stedelijke belastingen, J. van Renterghem de Fouw, het gemeentebestuur een met de bierbrouwers C.M. de Jongh en P. Pijke aangegaan contract voor een abonnement van vijf gulden per maand, ieder voor de door hun gebrouwde en in de stad gedebiteerde bieren, toe.

Graanhandel en koopmansbeurs

Van groot belang voor de graanhandel is de in 1839 geopende koopmansbeurs op de Grote Markt. De verwachtingen voor de beurs bij de oprichting waren hoog gespannen.

Uit het jaarverslag over 1839, het eerste jaar van de beurs, ondertekend door de commissarissen Fransen van de Putte, Kakebeeke en Steendijk, blijken de volgende bijzonderheden.
Na de opening op 5 maart 1839 is daarvan al aanstonds en verder op de gezette marktdagen gebruik gemaakt. De beurs heeft onder gunstige omstandigheden mogen plaats hebben, zowel ten aanzien van een gewenste prijzenstand van de voortbrengselen van de Zuid-Bevelandse akkerbouw en andere handelsvoorwerpen als ten opzichte van de laatst verzamelde oogst en tegenwoordige uitzaai, welke beide als gezegend mogen worden aangemerkt. De geest van de landlieden om voortdurend van het beursgebouw gebruik te maken heeft zich gunstig doen kennen. Het ziet er naar uit dat het beursgebouw steeds meer gegadigden naar zich toe zal trekken.
Maar helaas! De ondervinding heeft later dat uitzicht niet zien verwezenlijken. De bestaande goede gezindheid heeft bij het voortgezette gebruik van de koopmansbeurs al schipbreuk geleden.

Als oorzaken van het minder doeltreffende van de beurs behoort in de eerste plaats te worden genoemd dat het gebouw blijkbaar te klein is en het daglicht in of binnen de grootste uitgestrektheid van het gebouw onvoldoende is. De hitte is bij zomerdag bijna ondragelijk alsook de scherpe windsnijding en koude daar binnen gedurende de overige jaarseizoenen. Verder ondervindt men groot ongerief door het gemis van geschikte monstertafels, alsook het niet aanwezig zijn van zitbanken rond de wanden en het nog in vigeur houden van het verbod tegen het roken van tabak, iets dat de volkszin in het algemeen hinderlijk is, vooral onder de landelijke stand. Bovendien is de gestelde beurstijd van drie uur blijkbaar een overtollige tijdruimte, te lang om de beursbezoekers aan of in het gebouw verenigd te houden en daarom niet in de geest van de landlieden. Er worden nu monsters opgevolgd door handel buiten het beursgebouw, zowel op de markt als in de herbergen.

De commissarissen voor de koopmansbeurs wijzen als middelen tot herstel aan:

  1. een uitbreiding van het beursgebouw door het aanbrengen van een gaanderij onder een eenvoudig op pilaren rustend afdak, te bezoeken door openslaande glazen deuren,  temidden in de achtermuur van het tegenwoordige gebouw te plaatsen;
  2. betere daglichttoetreding door een aan te brengen groot raam terzijde van het logement;
  3. het plaatsen van behoorlijke monstertafels en losse zitbanken langs de wanden;
  4. bekorting van de beurstijd;
  5. een vergunning voor het roken van tabak;
  6. de beurstijd te bepalen van een tot drie uur, omdat de meerderheid van de landlieden meestal om drie uur de stad verlaat;
  7. het opleggen van boeten tegen het openbaar monsteren en handelen buiten het beursgebouw gedurende de beurstijd.

Uit het jaarverslag over 1840 volgen hier de volgende bijzonderheden.
De commissarissen hebben ook in 1840 vele pogingen aangewend om de inrichting van de korenbeurs aan het doel van de oprichting te laten beantwoorden. De beurs is op de bepaalde tijd van iedere gewone marktdag geopend geweest. Vergeleken met 1839 hebben de graanprijzen over 1840 geen gunstig verloop gehad. Er vond een beduidend verloop van circa ƒ 2 per zak plaats op het hoofdartikel van de Zuid-Bevelandse landbouw, de tarwe. En van ruim ƒ 1 op de rogge en gerst, daarentegen een verhoging van ruim ƒ 2 op het koolzaad. Wel hebben de commissarissen gemerkt dat voor de handel steeds minder gebruik wordt gemaakt van het beursgebouw. Met iedere marktdag verplaatst de handel zich als het ware naar de naastgelegen herbergen en gedurende de jongste wintermaanden kan gezegd worden dat van de beurs in het geheel geen gebruik meer is gemaakt. De commissarissen hebben in hun jaarverslag over 1839 al maatregelen aanbevolen om het buiten gebruik geraken van de koopmansbeurs tegen te gaan. Ze verwijzen daarnaar en dringen met klem aan om maatregelen in het werk te stellen tegen het openbaar monsteren en handel drijven buiten het beursgebouw gedurende de vastgestelde beurstijd op iedere marktdag.

De gemeenteraad ziet nu de ernst van het in stand houden van de nieuw gestichte koopmansbeurs in. De sombere jaarverslagen geven aanleiding nadere bepalingen te maken over het gebruik van de koopmansbeurs en de daar te drijven handel in granen, meekrap en dergelijke op de gewone marktdagen. In aanmerking wordt genomen dat bij de bepalingen over het gebruik van de beurs en de daar te drijven handel in granen, meekrap en dergelijke op de gewone marktdagen geen strafbepalingen tegen overtredingen van de verordeningen zijn vastgesteld. De noodzaak daarvan is nu overduidelijk door de ondervinding gebleken. De raad besluit dan ook dat:

 

  1. aan een ieder die, nadat het sluiten van de beurs door het kleppen van de klok zal zijn bekend gemaakt, deze op aanmaning van de directie of van de conciërge, op last van de directie niet dadelijk zal verlaten, ten behoeve van de stadskas zal verbeuren een boete van één gulden en door de politie van de beurs zal worden geweerd;
  2. op de marktdag binnen de stad op geen andere openbare plaatsen enige granen, zaden, peulvruchten noch meekrappen openlijk te koop zullen mogen worden gesteld of monsters daarvan in het openbaar uitgestald.

In april 1843 geven Gedeputeerde Staten kennis dat volgens hun informatie bij de stadsdrukker F. Kleeuwens prijscouranten van granen worden gedrukt waarin de prijzen in de afgeschafte maten worden opgegeven. Ze verzoeken het gemeentebestuur om de stadsdrukker onder het oog te brengen dat dit als ongeoorloofd moet worden beschouwd. Kleeuwens krijgt hiervoor een officiële waarschuwing.

Huidenzouterij

Er ontstaat deze jaren ook een zogenaamde huidenzouterij.
In oktober 1844 verzoekt de schoenmaker Petrus Lambertus van der Reijt, wonend in wijk C nummer 70, om in het huisje aan de Korte Vorststraat in wijk C nummer 104, een huidenzouterij en een magazijn van huiden en leder te mogen aanleggen. Om advies gevraagd verklaart de commissaris van politie Frans Bakker dat de gelegenheid in dat huisje alleszins geschikt is voor de uitoefening van dit bedrijf. De zouterij zal worden verricht op een binnenplaatsje, dat het voorvertrek (dit dient nu alleen als berging van nieuw bereid leder) van het achterste vertrek scheidt, zonder dat er iemand van de naaste bewoners er iets van ziet. Hen wordt dus niet de minste overlast bezorgd. Als de huiden daar gezouten zijn, worden deze in het achterste lokaaltje in elkaar gerold en ter neder gelegd om met een volgende scheepsgelegenheid te worden vervoerd. In dat lokaaltje, dat dient tot bergplaats, zijn geen deuren of ramen die enige uitgang of uitzicht op andere erven hebben.
Het gemeentebestuur besluit Van der Reijt de gevraagde vergunning te verlenen, op voorwaarde echter dat daardoor geen nadelige of hinderlijke reuk zal worden veroorzaakt.

Kaarsenmakerijen

Van de aloude kaarsenmakerijen vernemen we deze jaren weinig meer. In juni 1840 dient Franciscus Henricus van de Ven een verzoek in voor het stichten van een kaarsenmakerij in een pand aan het Gouden Muilstraatje in wijk A nummer 43. Na ontvangst van verklaringen van geen bezwaar van de omwonenden en positief advies van de brandmeesters willigt het gemeentebestuur het verzoek in.

Kalkblusserij

De koopman Otto Verhagen verzoek in september 1842 hem een uitgestrektheid grond buiten de Bleekveldse Poort, lang 31½ ellen en breed 29 ellen, ter plaatse waar voorheen het rode pakhuis stond, toe te staan. Hij wil daarop een schuur of loods bouwen voor de vrije inslag van alle metselmaterialen zonder betaling van stedelijke impost. Bij het verzoek is een schetstekening gevoegd van de situatie van de haven, de brug, de straatweg, de uitspanning Pas Buiten en de betreffende grond waarop de loods komt.
In januari 1843 dient hij een verzoek in om deze grond van de stad, gelegen buiten de Bleekveldse poort, ter plaatse waar voorheen ‘het rode pakhuis’ heeft gestaan, op cijns of erfpacht af te staan. Hij wil daarop een schuur of loods bouwen voor het bergen of bereiden van alle soorten van metselmaterialen.
Het gemeentebestuur besluit hem de stadsgrond niet af te staan. Wel krijgt hij toestemming voor de inslag van alle soorten metselmaterialen tegen betaling van de stedelijke belasting. Hij mag afzonderlijk niet minder uitslaan dan 3000 stuks IJsselsteen, 600 stuks dakpannen of leien en 20 mudden kalk.

In maart 1843 krijgt O. Verhagen toestemming tot het stichten van een magazijn voor de opslag van steen, kalk en metselmaterialen onder de navolgende betalingen en onder dadelijke betaling van de impost bij de inslag:

  1. dat hij afzonderlijk niet minder uitslag dan 3000 stuks IJsselsteen, 600 stuks dakpannen of leien en 20 mudden kalk of bij combinatie minstens tot een waarde van ƒ 10 en dat die waarde steeds zal worden berekend naar die waarvoor die soorten door hem zijn verimpost en dus niet volgens de verkoopprijs;
  2. dat de administratie van de stedelijke belastingen steeds de toegang tot zijn bergplaats of bergplaatsen zal hebben;
  3. dat deze vergunning alleen toepasselijk worde gemaakt wanner de rekwestrant tenminste duizend gulden waarde aan metselmaterialen  in een afzonderlijk magazijn voorhanden heeft.

Er bevinden zich in het gemeentearchief twee fraaie tekeningen van het terrein buiten de Bleekveldse poort en van de te bouwen loods.

In juni 1843 wijst de gemeenteraad O. Verhagen een zekere uitgestrektheid stadsgrond toe om daarop een schuur of loods te bouwen voor het bergen en bereiden van alle soorten van metselmaterialen op een daartoe geschikt geoordeelde plaats buiten de Bleekveldse poort. De gemeenteraad machtigt het college van burgemeester en wethouders om aan Verhagen onderhands voor acht jaar te verpachten een gedeelte stadsgrond in wijk D nummer 12 aan de haven buiten de Bleekveldse poort, evenals aan Franciscus Cornelis van Hoof een gedeelte stadsgrond in pacht is gegeven voor de aanleg van een scheepstimmerwerf.

Dit is echter niet geheel naar de zin van Verhagen. In december 1843 betoogt hij dat het gedeelte stadsgrond buiten de Bleekveldse poort, hem bij akte van 10 juni 1843 verhuurd en bestemd voor de opslag van metselmaterialen, voor een goede uitoefening van zijn onderneming te klein is. Hij verkeert in de dringende noodzakelijkheid de gemeenteraad te verzoeken hem daar ter plaatse een grotere uitgestrektheid grond in huur af te staan.

In februari 1845 verzoekt de steenkoper Otto Verhagen bij vernieuwing om, en nu bij wijze van proefneming, buiten de Bleekveldse Poort ongebluste kalk te mogen bereiden of blussen. Hij is van mening dat het kalkblussen voor de bewoners tussen de twee poorten weinig tot geen hinder zal opleveren. Hij legt hiervoor een lijst met handtekeningen over van eigenaren van gebouwen, gelegen in de omtrek van het door Verhagen en Van Baalen nieuw gebouwde pakhuis buiten de Bleekveldse poort voor het daar oprichten van een kalkblusserij.
De stadsarchitect De Lannee de Betrancourt schrijft in zijn advies het navolgende. De grond waarop de steenkoperij staat is, zoals Verhagen terecht zegt, nog te beperkt om zijn bedrijf aldaar te kunnen uitoefenen. Een kapitale open loods voor pannen, tegels en beste steensoorten zal de gehele reep grond, die onlangs voor de tweede maal aan hem tot vergroting van zijn bedrijf in pacht is gegeven, finaal innemen. Er blijft dus voor de arduin stenen en marmer soorten geen ruimte over, evenmin als voor de nog geheel nieuw aan te leggen kalkblusserij met broeiputten, giet- en loopkuilen. Bij een opmeting heeft hij bevonden dat de ruimte tussen nog een reek bomen het minste is dat Verhagen nodig heeft. De grond die hem al toegestaan en in pacht gegeven is zou met zeven ellen en vijf palmen dienen te worden verbreed, recht uit het nieuw eind rasterwerk gemeten tot aan de uitweg voor het werfje van Marinus en Adriaan Harinck, bedragende 45 ellen lengte gemiddeld, dus 3 roeden en 37 vierkante ellen. Binnen deze uitgestrektheid af te stane grond zijn begrepen zes stuks welig groeiende olmenbomen, die gerooid zouden moeten worden en waarvoor Verhagen een schadeloosstelling dient te betalen. ‘En aangezien dit etablissement aanhoudend werk verschaft aan arbeiders, zo vermeent ondergetekende, dat in het verzoek zou kunnen worden bewilligd’. Het gemeentebestuur besluit bij wijze van proef en tot wederopzeggen Verhagen toestemming te verlenen op de door hem gehuurde grond van de stad ongebluste kalk te bereiden of te blussen.

In november 1845 richt de heer Otto Verhagen zich opnieuw tot de gemeenteraad. Hij vraagt toestemming om de van de door hem gepachte grond voor zijn steenkoperij afgegraven specie voor particulier gebruik te mogen wegvoeren. Hij is bereid om bij het eindigen van de huur of teruggave van de grond deze terug te brengen in de staat waarin de grond zich bij de aanvang van de pacht bevond. Het gemeentebestuur staat hem dit toe.

De steenkopers Verhagen en Van Baalen, handelaren in kalk en arduinsteen en kalkblussers, geven in november 1846 te kennen dat ze voor de inslag van hun ongebluste kalk uit België zich door de noodwendige visitatie, die hun ladingen aan de kantoren van de grenswachten moeten ondergaan, zeer bezwaard vinden. Immers iedere overbodige verwerking van dat handelsartikel kan niet anders als tot aanzienlijke schade strekken van de handeldrijvende persoon door het aanzienlijke verlies dat de ongebluste kalk bij iedere blootstelling aan lucht ondergaat. Hun ladingen ongebluste kalk bevatten tevens een partij arduinsteen. Ze verzoeken daarom voor deze tak van bestaan vergunning dat Goes, evenals zovele andere plaatsen, mocht worden aangewezen als losplaats voor ongebluste kalk en arduinsteen die uit België wordt aangevoerd. Het gemeentebestuur deelt de Minister van Financiën mee dat ze gemeend heeft aan het verlangen van de steenkopers uit Goes gehoor te moeten geven en hun verzoek ondersteunen.

Kuipers

Er is deze jaren een kuiperij in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 134 van Willem Moeliker. In april 1845 wordt deze door de brandmeesters als gevaarlijk beoordeeld. Er worden maatregelen genomen door tussenkomst van de stedelijke politie. Kuipersbaas Moeliker verzoekt in mei 1846 toestemming om zijn vaatwerk op het breedje in de nabijheid van de Oostpoort te mogen branden. De straat van zijn woning is hiervoor eigenlijk te nauw. Het gemeentebestuur geeft hem te kennen dat het branden van vaatwerk voor een anders woning dan die van de kuiper zelf bij het stedelijke brandreglement is verboden. In zijn verzoek zoals het er nu ligt kan dan ook niet worden getreden. Wel wordt hem tot wederopzeggen toegestaan om voor het branden van zijn vaatwerk gebruik te maken van het zogenaamde ‘Stort buiten de Oostpoort, ter hoogte van het daar staande Olijkot’.

Markten

Beestenmarkt
Veemarkten zijn er op de laatste dinsdag in februari, de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen, de eerste dinsdag van mei en iedere dinsdag van november. De paardenmarkt is op de tweede dinsdag van maart.

Op voorstel van het bestuur van de Maatschappij tot bevordering van de Landbouw en Veeteelt in Zeeland besluit het gemeentebestuur in maart 1844 Gedeputeerde Staten van Zeeland toestemming te vragen voor het houden van drie openbare veemarkten binnen de stad tot handel in paarden, rundvee, schapen en varkens, jaarlijks te houden op de laatste dinsdag in februari, de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen en de eerste dinsdag van mei. Deze markten zullen boven en behalve de gewone toonmarkten op iedere dinsdag van de maand november, die tevens op de gewone voet zullen voortgaan, worden ingevoerd. De eerste van de veemarkten zal worden gehouden op dinsdag de 11e maart 1845 en de andere jaarlijks op de daarvoor bepaalde dagen.
De Minister van Binnenlandse zaken verleent in juli 1844 machtiging om in te voeren drie veemarkten, jaarlijks respectievelijk te houden op de laatste dinsdag van februari, op de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen en op de eerste dinsdag in mei.

De gemeenteraad stelt op de 14e november 1844 een ‘Reglement op het houden van openbare veemarkten tot handel in paarden, runderen, schapen en varkens in de stad Goes’ vast. Enkele bepalingen van het Reglement volgen hierna.

Artikel 1
Veemarkten zullen worden gehouden:

  • wekelijks op de gewone marktdag, zijnde dinsdag, in vette en magere varkens;
  • de laatste dinsdag in februari, de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen en de eerste dinsdag van de maand mei, in paarden, runderen en schapen
  • en op iedere dinsdag van de maand november in vette ossen, koeien, runderen en schapen.

Artikel 2
De varkens- en schapenmarkt zal worden gehouden op de zogenaamde Vlasmarkt en de markt in paarden, koeien en runderen op de Beestenmarkt.

Artikel 3
De varkens en schapen zullen in losse of verplaatsbare hokken door de verkopers moeten worden opgesloten. De paarden, ossen, koeien en runderen zullen van behoorlijke halsters, hals- of stalbanden voorzien, worden aan- en vastgebonden aan een door de marktmeester op de Markt aan de aldaar voorhanden zijnde paaltjes, telkens, tijdig te spannen reep of touw.

Artikel 4
Geen vee zal ter markt mogen gebracht worden voor des morgens zes uur en zal des avonds voor vijf uur van de markt moeten zijn weggevoerd.

Artikel 5
Op de gemengde paarden- en rundermarkt zullen de paarden aan de zuid- en westzijde en de runderen aan de oost- en noordzijde van de markt moeten geplaatst worden.

Artikel 7
Het ter markt aan te brengen zowel als weer uit te voeren vee, zal niet anders mogen in- en uitgevoerd worden dan langs de Declaratiekantoren aan de Kaai en de Oostpoort en aan de Ganzepoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.

In relatie tot de jaarlijkse veemarkten op de Beestenmarkt volgen hierna enkele gegevens over de veestapel in de gemeente Goes. Uit de opgave van februari 1842 blijkt dat er 337 runderen boven de twee jaar, 81 runderen beneden de twee jaar, 170 paarden boven de drie jaar, 17 paarden beneden de drie jaar en 105 schapen zijn. De meeste runderen zijn in het bezit van Marinus Sandee (16), G. de Jonge (16), Adriaan Sandee (18), J. Kakebeeke (17) en C.P. Soutendam (18). J. Kakebeeke van het Hof Welgelegen heeft als enige veel schapen (103).

Uit de opgave van januari 1844 blijkt dat er 336 runderen boven de twee jaar, 90 runderen beneden de twee jaar, 162 paarden boven de drie jaar, 16 paarden beneden de drie jaar en 102 schapen zijn. Degenen die meer dan vijf paarden hebben zijn Jan Koens, stalhouder, (7), C.M. de Jonge, brouwer, (7), P. Panny, huurkoetsier, (12), J. Kakebeeke (10), M. Pijcke, landbouwer, (4), Adr. Sandee, landbouwer, (8), L.S. Willeboer, karreman, (8), W. Schrijver, landbouwer, (5), C. Verduin, landbouwer, (7), M. Sandee, landbouwer, (7), Jan Verdonk, landbouwer, (6), J. van Maldegem, landbouwer, (7). J. Kakebeeke bezit ook 100 schapen en 16 runderen.

Uit de opgave van januari 1846 blijkt dat het aantal trekdieren en voertuigen in de gemeente is 133 paarden, 71 wagens, 8 karren en 7 stortkarren. De meeste paarden zijn in het bezit van Pieter Panny (10), Jan Koens (6), Cornelis Verduin (7), J. Kakebeeke (9) en Laurus Willeboer (7). Verder blijkt dat er 325 runderen boven de twee jaar, 95 runderen beneden de twee jaar, 165 paarden boven de drie jaar, 14 paarden beneden de drie jaar en 123 schapen zijn. Huurkoetsier P. Panny heeft 5 runderen en 12 paarden en dijkgraaf J. Kakebeeke 16 runderen, 9 paarden en 121 schapen.

Jaarmarkt
De jaarmarkt wordt elk jaar in de laatste weken van augustus vastgesteld. In 1840 is dit gedurende de periode 22 augustus tot en met 5 september. In 1844 wordt de jaarmarkt gehouden gedurende de periode 17 tot en met 31 augustus. Zoals al sinds mensenheugenis gebruikelijk is, wordt elk jaar bepaald dat geen kwakzalvers, horoscooptrekkers, draaiborden, dobbelspelen, rijfelaars en bedelaars zullen worden toegelaten.
Op de jaarmarkt in 1840 worden 95 kramen verhuurd met een totale lengte van 417 ellen.
In 1846 worden 76 kramen verhuurd met een totale lengte van 343 ellen.

Korenmarkt
Op de Grote of Korenmarkt worden als vanouds ook weekmarkten gehouden van zuivel, magere varkens, manufacturen en andere handelsartikelen.

Meestal komen we over de korenmarkt weinig bijzonderheden tegen.

In november 1840 komt er een brief van de Gouverneur over het vervoer van de granen, bonen en zaden. Het gemeentebestuur antwoordt daarop dat het college het wel doelmatig beschouwt om bepalingen te maken dat de granen, bonen en zaden niet anders zullen mogen vervoerd worden dan in zakken van een gehele of halve Nederlandse mudde, doch het tevens noodzakelijk acht dat deze maatregel niet plaatselijk maar provinciaal verordend wordt.

Er fungeert een speciale Commissie tot regeling van de graanprijzen. In december 1841 worden in deze commissie benoemd de heren Charles Petrus Soutendam, lid van het gemeentebestuur, Gerardus Hendrikus Kakebeeke, ontvangergriffier van de Breede Watering bewesten Yerseke en fabrikant, en Abraham Steendijk, wijnkoper. In januari 1844 worden tot leden van de Commissie tot opneming van de op de markten verkocht wordende binnenlandse granen bij continuatie benoemd de heren Soutendam, Kakebeeke en Steendijk.

Vismarkt
Uit de voorwaarden voor de verpachting van de afslag van de vis op de vismarkt blijkt in 1844 dat er in het Visperk aan de Turfkade niet alleen vis wordt afgeslagen. Artikel 2 luidt: ‘De afslager zal geen andere waren aan de Vischmarkt toelaten en afslaan dan visch, aardappelen en kersen, zonder uitdrukkelijke toestemming van burgemeester en wethouders’.

In december 1845 dient Adriaan Vleugel, koopman in verse vis, wonend te Hoedekenskerke, een verzoek in bij het gemeentebestuur. Hij vraagt of hem, onder gehoudenheid van niet met zijn vis rond te venten en bij grotere massa’s aanvoerende, deze op de afslag te brengen en hem toe te staan om die soorten vis, die bij hem besteld zijn, thuis te mogen brengen. Het gemeentebestuur besluit hem te verwijzen naar de bepalingen van de stedelijke Ordonnantie op het Vischperk van de 20e juli 1816 met de aanbeveling om zich daarnaar stipt te gedragen.

Het jaarverslag van het gemeentebestuur over 1846 klaagt over het brengen van verse vis ter markt. Dit is tot grote schade van de pachters van het vischboek, van de visvrouwen en soortgelijke mensen.

Vlasmarkt
In relatie tot de vlasmarkt is het volgende interessant. In september 1841 dient de heer Jacob Kakebeeke een verzoek in voor het plaatsen en stichten van een doofoven en annexe vuurplaats voor zijn vlasserij. Kakebeeke doet zijn verzoek ‘tot voortzetting van zijn vlasserij om te brengen tot het kunnen zwingelen van dien een doofoven en daaraan een gewone vuurplaats en dit op zijn Hofstede en Buiten, genaamd Welgelegen, zijnde geheel van steen gedekt met een dito wulf en pannen, alleen daarin een deurkozijn en deur tot ingang benodigd’. Het gemeentebestuur willigt het verzoek in.

Meekrapnering

De meekrapnering wordt deze jaren bedreven in twee meestoven, te weten ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. Tot de reders van ‘de Zon’ behoren de notabelen van de stad zoals H. Kakebeeke, W. de Groene, C.P. Soutendam, J. Kakebeeke, G. de Leeuw, J.W. Hecking, J. Bilo, C. van der Griek, G.H. Kakebeeke, D. van Noppen en A. de Kok. De drie reders Kakebeeke leveren in totaal zo’n 35 vaten en de reders De Leeuw zo’n 20 vaten. De veertig reders zijn in 1845 goed voor 93 vaten meekrap en mullen en 9 vaten racin, in totaal 102 vaten.

Tot de circa veertien reders van ‘de Liefde’  behoren Maatschap de Wilhelminapolder, H. van ‘t Hof, J. van Dijk, I.G.J. van den Bosch, C. Verduin, C.P. Soutendam, C. van Damme, J. Staal, B. Giljam en H. Lenshoek van Zwake.

De Gouverneur van Zeeland verzoekt in april 1840 voortaan jaarlijks een nauwkeurige opgave van de in de meestoven gekeurde vaten meekrap en mullen van het afgelopen teeltseizoen in te zenden. Uit deze jaarlijkse opgaven is de teelt in deze jaren af te lezen. De tanende resultaten zijn in het volgende overzicht weergegeven:

  De Zon: De liefde:

Seizoen 1839/1840

vaten meekrap en mullen

249 174

Seizoen 1840/1841

vaten meekrap en mulle

261 108

Seizoen 1841/1842

vaten meekrap en mulle

159 73

Seizoen 1842/1843

vaten meekrap en mullen

174 geen

Seizoen 1843/1844

vaten meekrap en mullen

82 55

Seizoen 1844/1845

vaten meekrap en mulle

109 85

Daarnaast wordt nog het zogenaamde racin geproduceerd, gemiddeld per jaar in meestoof ‘de Zon’ 2500 ponden en in meestoof ‘de Liefde’ 5364 ponden.

Elk jaar worden drie beëdigde keurmeesters en drie assistent-keurmeesters benoemd.
In 1843 zijn keurmeesters de heren J.W. van Kerkwijk, M.J. Soutendam en J.P. Kakebeeke en assistent-keurmeesters de heren Johannes Harinck, Boudewijn Giljam en Hendrikus Schaapman. Tevens worden beëdigd Leendert Douw, droger, Krijn labeur, drijver, en Arnoldus van der Klooster, onderman, alle van de meestoof ‘de Zon’. Van de meestoof ‘de Liefde’ worden geen personeelsleden beëdigd.

De burgemeester legt in februari 1840 een brief over van de keurmeesters van de meekrappen en mullen van de teelt van 1839 en 1840. Ze geven kennis van de afkeuring van 38 vaten verstampte mullen in de meestoof ‘de Liefde’. De commissaris van politie krijgt opdracht om de 38 vaten verstampte en afgekeurde mullen in deze meestoof te vorderen en onder zijn toezicht te vervoeren naar de stadswaag. Flesjes met monsters worden toegezonden aan de Officier bij de Arrondissementsrechtbank. In februari 1843 schrijft de Gouverneur maatregelen voor om de 38 vaten verstampte en met aarddelen overbezwaarde mullen, toebehorend aan C.P. Soutendam, doch bij arrest van het Provinciaal Hof van Zeeland verbeurd verklaard, in de Schelde te doen uitstorten onder directie van de commissaris van politie binnen de stad. Besloten wordt de commissaris van politie te machtigen tot de uitvoering van dit besluit. Hij mag voor het vervoer van de mullen een geschikt vaartuig tegen een redelijke prijs in gebruik nemen, alsook twee met paarden bespannen sleden en acht arbeiders en een kuiper, mitsgaders de nodige schoppen en mandjes.

In april 1846 besluit het gemeentebestuur, naar aanleiding van het rapport van wethouder Van Kerkwijk, aan de directeuren van de meestoof ‘de Liefde’ te kennen te geven, dat opgemerkt en bij verificatie bevonden is dat door de eigenaren van deze meestoof meer grond wordt gebruikt dan bij het kadaster ten name van deze meestoof bekend staat. Daarom moet het gebruik van grond voor het leggen van aardhopen, zoals plaats heeft, niet anders worden beschouwd als tengevolge van een tijdelijke toelating, tenzij door de directie enig wettig bewijs van toekenning kan worden overgelegd.

De Gouverneur schrijft in oktober 1846 over het onbruikbaar en te gelde maken van de gereedschappen, die voor het keuren en stempelen van meekrap in de stad gediend hebben. Op de aanschrijving aan de directeuren van de meestoven tot het overnemen van deze gereedschappen is geen vordering noch antwoord gevolgd. Besloten wordt deze naar het Stadhuis overgebrachte en aldaar berustende gereedschappen onbruikbaar te laten maken en deze bij veiling of verkoop van soortgelijke voorwerpen mede te verkopen.

Molens

Boekweitmolens
Gerard de Jonge verzoekt in december 1845 in zijn pakhuis aan het Ossenhoofdstraatje in wijk D nummer 107 een boekweiteest voor het drogen van boekweit te mogen aanbrengen. Zijn oogmerk is om daar een boekweitmolen aan te leggen.

Houtzaagmolen
De houtzaagmolen ‘de Eendracht’ is nog steeds in exploitatie bij de familie Harinck. In juni 1841 dient de houtzaagmolenaar Marinus Harinck een verzoek in om van stadswege ‘de Heul onder de Havendijk in de nabijheid van zijn fabriek van een houten Schoof of twee sluisdeurtjes te voorzien’.

Windkorenmolens
Deze jaren zijn er twee windkorenmolens in bedrijf. De ene, ‘de Vijf Gebroeders’ op het Bastion van de noordwal, is van molenaar Adriaan de Bruijne. De andere, ‘de Koornbloem’ aan de Paardenweg, is van molenaar Pieter van Wasbeek.

In maart 1844 krijgt molenaar Adriaan de Bruijne van ‘de Vijf Gebroeders’ vergunning voor de bouw van een woonhuis bij zijn molen. Hij wil dit laten bouwen op grond, groot 9 roeden en 50 ellen, in de Oude Achterhaven, die thans in pacht is bij F. Rutsaert. In het gemeentearchief bevindt zich hiervan een fraaie plattegrondtekening van de stadsarchitect De Lannee de Betrancourt. Hierop is in kleur de zaagmolen, de zoute vest, het te bouwen molenaarshuis en rechts daaronder de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ te zien. Het is opmerkelijk dat, sinds hij vaste leerkracht is aan de stadstekenschool, De Lannee nog slechts sporadisch een van zijn fraaie plattegrondtekeningen maakt.

Beide korenmolenaars, De Bruijne en Van Wasbeek, hebben geen rooskleurig bestaan. Ze dienen in januari 1845 een verzoek in om tot verbetering van hun bestaan en als tegemoetkoming in de schade die ze lijden voornamelijk door de invoer van elders gemalen graan, een contributie te heffen op de invoer van gemalen granen binnen de stad.
In hun verzoek betogen ze dat ze met hun molens op zeer hoge en drukkende lasten zitten. Voor elk van de beide molens moeten ze voor erfpachten en aan stedelijke personele lasten het aanzienlijke bedrag van ƒ 464,12 betalen. De alleszins merkbare achteruitgang bij de werkende klasse heeft bijzondere invloed op hun bestaansmiddelen. Algemeen worden thans minder kostbare levensbehoeften gezocht, ook door de zo prijzenswaardige armbesturen zowel als door de directie tot de spijsuitdelingen gedurende de winter.
Hun molens vergen dezelfde onderhoudskosten ongeacht of ze veel of weinig te malen hebben. Deze moeten optimaal onderhouden worden om tot het beoogde doel gebruikt te kunnen worden. Maar dat is het niet alleen. Hoewel deze samenloop van omstandigheden hun bestaansmiddel doet kwijnen, zo bestaat er thans nog een veel groter bezwaar dat hen noopt dit onder de aandacht van het gemeentebestuur te brengen. Dit komt door de invloed die de heer A. van de Velde, wonend in de stad, op verscheidene broodbakkers uitoefent. Hij noodzaakt deze als het ware hun graan bij de korenmolenaar Pieter den Boer in de Wilhelminapolder te laten malen. Daardoor wordt hen een onberekenbaar nadeel toegebracht en veroorzaakt een hen te gronde dreigende schade.

De korenmolenaars wensen dat van stadswege onderzoek wordt gedaan of zij niet te allen tijde een behoorlijke en prijsmatige bediening van hun klanten behartigen. Een dergelijk verzuim is hun nimmer door enige broodbakker of koekbakker als reden opgegeven om daardoor met hun graan naar een buitenmolen te gaan. Ze veroorloven zich onder de aandacht van het gemeentebestuur te brengen dat het malen van granen buiten de stad naar hun inzien altijd tot nadeel van de stedelijke financiën is. lmmers, belastbare producten die volgens het gewicht berekend worden tot zekerheid van een volkomen aangifte, worden telkens of veeltijds in de stadswaag onderzocht en, bij een behoorlijke bevinding van het gewicht, worden de waaggelden en arbeidslonen uit de stedelijke kas voldaan. Zonder aanwending van dat middel kan men zich niet verzekerd houden van de juiste aangifte. Ze verzoeken op de invoer van gemalen granen een retributie te leggen. Dit om op deze wijze als ingezetenen van de stad, waarvan ook zij de lasten moeten helpen dragen en waarvan de buitenmolenaars verschoond zijn, in hun bestaansmiddel te kunnen worden gehandhaafd.

De ontvanger van de stedelijke belastingen geeft het gemeentebestuur hierover advies. Daarin geeft hij te kennen dat de molenaar uit de Wilhelminapolder ook een inwoner van de stad is en dus gelijke rechten heeft. De beide Goese korenmolenaars geven nu wel hoog op over hun zware lasten, maar ook andere neringdoenden hebben dezelfde lasten. Bovendien ageren ze nu wel tegen de molen in de Wilhelminapolder, maar ze zijn daarentegen wel gretig om graan van omliggende dorpen zoals ’s-Gravenpolder, Wissenkerke en ’s-Heer Hendrikskinderen te malen. De gemeenteraad voelt niet voor het verzoek van de beide korenmolenaars en is van mening dat in hun verzoek niet kan worden getreden. Wel bepaalt de raad dat voortaan van de molenaars geen dertig cent meer zal worden gevorderd als leges voor de afgifte van consenten om op zondag te malen.

Scheepstimmerwerf

De in de stad wonende scheepstimmerman Franciscus Cornelis van Hoof deelt de gemeenteraad in februari 1842 mee dat ‘hij genegen is om op de menigvuldige aanzoeken van de schipperij alhier een scheepstimmerwerf te stichten buiten de Havenpoort op de grond achter Hoogerwerve, welke plaats hem daartoe zeer geschikt voorkomt’. Hij verzoekt de grond hem van stadswege in gebruik te geven tegen een matige prijs en tevens om vrijdom van stedelijke belasting op het voor zijn werf benodigde werkhout en van sluis- en havengelden. De gemeenteraad besluit de stukken, evenals die betrekking hebben op het verzoek van de houtzaagmolenaar Marinus Harinck over de afsluiting van het sluisje onder de Havendijk tussen de Haven en de oude Achterhaven, voor advies te stellen in handen van de heren Kakebeeke, Van Deinse en Saaymans Vader.

In maart besluit de gemeenteraad scheepstimmerman Van Hoof, ‘na den aanleg van een scheepstimmerwerf’, vrijdom te verlenen van stedelijke belastingen op de bouwmaterialen en het timmerhout voor het bouwen en repareren van schepen en vaartuigen. Verder wordt bepaald dat de schepen en vaartuigen, die leeg en binnen komen met het oogmerk om op zijn werf opgelegd en gerepareerd te worden, evenals de vaartuigen die na een gedane reparatie weer leeg vertrekken, zullen worden geschut en doorgelaten zonder enige betaling van sas- en havengelden.

In april 1842 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van Jan Pros om een bij hem tot december 1842 gepacht perceel grond van de stad in de oude Achterhaven nabij de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ bij voortduur onderhands te mogen behouden. Hierover wordt het ter vergadering gedane rapport van zijn schoonmoeder Maria Verduijn weduwe van Pieter Loos, pachtster van een perceel grond van de stad op de hoek van het zogenaamde Molengat aan de zuidzijde van de haven, gehoord. Dit perceel is nodig voor de aanleg van een scheepstimmerwerf. Ze is bereid om van die pacht voor zoveel nodig af te zien ingeval het verzoek van de scheepstimmerman mocht worden ingewilligd. Maria Verduijn Maria Verduijn weduwe Loos verklaart afstand te doen van het verdere gebruik van de voor een scheepstimmerwerf benodigde grond gelegen aan de haven buiten de Bleekveldse poort op de hoek van het zogenaamde Molengat, dat door haar gepacht wordt.

De gemeenteraad overweegt dat de scheepstimmerman Franciscus Cornelis van Hoof een aanvraag heeft gedaan voor het bekomen van een gedeelte stadsgrond voor de aanleg van een scheepstimmerwerf. Daartoe is hem een gedeelte van het gepachte perceel in wijk B nummer 171 van Maria Verduijn weduwe Loos het meest geschikt voorgekomen. Besloten wordt burgemeester en wethouders te machtigen om hiervoor een schikking te maken. Nadat de pachteres Maria Verduijn weduwe van Pieter Loos zich zal hebben verbonden om afstand te doen van de nog lopende pacht van het gedeelte stadsgrond voor de aanleg van de scheepstimmerwerf, zal met Van Hoof een overeenkomst worden gesloten waardoor haar pachtsom pro rato zal verminderen. Volgens een schriftelijke overeenkomst zal dan voor een termijn van negen jaar in pacht worden gegeven:

  • aan Jan Pros voor 21 gulden de hoop per jaar 1843 ellen stadsgrond bij de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ in wijk D nummer 982;
  • aan Franciscus Cornelis van Hoof voor de aanleg van een scheepstimmerwerf tegen een jaarlijkse pacht van een gulden vijftien cent per Nederlandse roede een zodanig gedeelte stadsgrond in wijk B nummer 171 aan de haven, op de hoek van het zogenaamde Molengat, als bevonden zal worden voor dat einde nodig te zijn.

In het gemeentearchief bevindt zich een plattegrondtekening van het perceel voor de werf.

In de 18e eeuw bevond zich in de stad de bekende scheepstimmerwerf van de familie Welle. Er komt in deze jaren een kennisgeving van het stedelijk bestuur van Middelburg over de noodzaak om de behoeftige Marcus Welle in een liefdadigheidgesticht te plaatsen. Het gemeentebestuur besluit om deze persoon met een beurtman naar deze stad te doen overbrengen. Het kan zijn dat het hier om een nazaat van de scheepstimmerliedenfamilie Welle gaat.

Smederijen

Smeden
In maart 1840 verzoekt Cornelis de Zeeuw, wonend op de Grote Kaay in wijk B nummer 17, om op een op zichzelf staande keuken of gebouwtje op de achterplaats van zijn woonhuis  een kleine smidse te mogen maken. De brandmeesters zijn echter van oordeel dat dit gebouwtje te laag, te klein en geheel ongeschikt is om er een fornuis of smidsboezem te plaatsen. Vanwege de ligging van dit lage gebouwtje tussen hoge gebouwen is dit te gevaarlijk met het oog op brand. Het verzoek van De Zeeuw wordt dan ook afgewezen.

Ook dit jaar dient de Joodse winkelier Levi Emanuel een verzoek in om in het woonhuis in wijk B nummer 113 een smidshaard of bedding te mogen laten bouwen. Maar de brandmeesters vinden ook deze ruimte ongeschikt wegens de te lage zoldering en de te kleine ruimte. Ook staat het gebouw te laag en is geheel omgeven door betimmeringen en staat nagenoeg tegen schuren en bergplaatsen van hout en andere brandstoffen. Zijn verzoek wordt dan ook afgewezen.

De huurkoetsier Pieter Panny, wonend in de Keizerstraat in wijk D nummer 18, verzoekt eveneens in november 1843 om in het gebouw, staande achter zijn woonhuis en uitkomend in het Ossenhoofdstraatje, dat voorheen gediend heeft tot bergplaats voor hooi en stroo, een smederij te mogen stichten. De brandmeesters oordelen dit gebouwtje te laag, voor brand zeer gevaarlijk en geheel ongeschikt om daarin een smederij in te richten. Het gemeentebestuur besluit ook dit verzoek af te wijzen.

Wel krijgt Jacobus Robijn in februari 1846 vergunning om een smidse te stichten in zijn woning aan de Lange Vosstraat in wijk C nummer 244. Hij blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan het er naast staande huis van de heer Daniël Polijn Staal.

Koper- en blikslagers

De koperslager Pieter Behage krijgt in januari 1844 vergunning voor het bouwen van een blik- en koperslagersmidse in zijn woonhuis in wijk C nummer 100. Ook Dignus Dekker verzoekt in april 1844 vergunning voor het stichten van een koperslagersmidse in zijn woonhuis aan de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 174. Dit wordt toegestaan op voorwaarde dat daarin uitsluitend koper en blik verwerkt zal worden en de smidse nimmer als kachel- of ijzersmederij zal worden gebezigd.

Goud- en zilversmeden

De goud- en zilversmid Johannes Gijsbert Roelofse dient in juni 1840 een verzoek in om in zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 22 een nieuwe schoorsteen te doen bouwen en een andere in te richten voor een zilversmidwerkplaats. Na het inwinnen van advies van de brandmeesters staat het gemeentebestuur dit toe. Maar in november beklaagt Roelofse zich dat zijn woonhuis zeer veel overlast ondervindt van een schoorsteen, staande op de scheidsmuur tussen zijn pand en dat van Cornelis de Lange aan wie de schoorsteen toebehoort. Al de rook van die schoorsteen slaat op zijn achterplaats en door de ramen in zijn kamers. Dit komt omdat de schoorsteen geen voldoende hoogte boven het dak heeft. Deze kwestie kan minnelijk geschikt worden.

De Gouverneur stelt in juli 1841 voor advies in handen van het gemeentebestuur het rekest van de zilversmid Gerardus van de Velde om te worden benoemd tot arrondissementsijker. Hierover wordt een positief advies afgegeven.

In februari 1843 deelt het gemeentebestuur de controleur van de waarborg van de goud- en zilverwerken in Zeeland te Middelburg mee dat Jacques van Broek zich heeft laten inschrijven als koopman in goud en zilver in de stad. Maar al in oktober verhuist hij naar Middelburg. Tevens blijkt dat de goud- en zilversmid G.G. van der Ven is overleden en L. Sampon metterwoon is vertrokken. In mei 1843 vestigt zich als werkman in goud en zilver in het huis aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 236 de heer Petrus Johannes Simons. De controleur van de waarborg van de goud- en zilverwerken in Zeeland vraagt hierover nadere inlichtingen en verzoekt deze werkman aan te zeggen dat hij zijn meestertekenen aan het kantoor van de controleur moet vertonen alvorens hij aan het werk mag gaan. Hieraan wordt voldaan.

In december 1844 geeft het gemeentebestuur de controleur van de waarborg van de goud- en zilverwerken in Zeeland te kennen dat de heer Gerard de Leeuw zich in de stad heeft gevestigd als goud- en zilversmid, de heer Johannes de Leeuw als zodanig heeft opgehouden en de goud- en zilversmid Cornelis Benedictus Simons is overleden. Ook krijgt de controleur in oktober 1846 bericht dat David Gerardus Harinck zich als goud- en zilversmid in de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 117 in de stad heeft gevestigd.

Horlogemakers
De horlogemaker A.C. Koopman krijgt in mei 1842 vergunning voor het plaatsen in en aan de gevel van zijn woonhuis in de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 120 van een horlogekast en uithangbord.

De stedelijke ontvanger heeft tegen de horlogemaker Pieter Smolders in januari 1846 een proces-verbaal opgemaakt wegens frauduleuze invoer van brood door zijn minderjarige dochter Maria. Het gemeentebestuur verzoekt de ontvanger met Smolders tot een minnelijke schikking te komen. Smolders mag volstaan met betaling van ƒ 4,50 vanwege bijzondere omstandigheden en de talrijkheid van zijn huisgezin.

Tabaknering

Deze jaren zijn er wel negen tabakkerverijen en handelaren in de stad.

In mei 1841 krijgt de winkelier Jacobus Scheffer toestemming om een eest te laten bouwen in zijn pakhuis in wijk D nummer 91. Het jaarverslag over 1841 vermeldt dat er in dat jaar een tabakkerverij in de stad is gesticht. Adriaan Nortier verzoekt in oktober 1843 toestemming voor het weer in gebruik stellen van een tabakeest in de gebouwen in wijk D nummer 109. Dit wordt toegestaan. In november 1845 krijgt Johannes Babtist van Calmthout vergunning om in zijn pakhuis op de Vlasmarkt in wijk A nummer 32 een tabakeest en fornuis voor het branden van koffy te plaatsen. Het gemeentebestuur besluit Van Calmthout toestemming te verlenen.

In november 1845 dienen de tabakhandelaren in de stad een rekest in bij het gemeentebestuur. Het wordt ondertekend door Cornelis Pilaar, David Vervenne, Jan Babtist van Kalmthout (Vlasmarkt), Gijsbrecht Sterk, Jan Doense Somer (Lange Kerkstraat), Adriaan Nortier, Nicolaas Vervenne, Johan Pieter Clement en Jacobus Scheffer. Ze verzoeken dat de stedelijke belasting op de tabak van 2½ cent per Nederlands pond mag worden opgeheven en de vrije invoer van dit artikel voortaan mag worden toegestaan. Het gemeentebestuur wijst het verzoek echter af. Gelet op de financiële toestand van de gemeente kan op dit moment geen vermindering van inkomsten worden toegestaan. Niettemin krijgen de tabakhandelaren de toezegging dat bij gunstiger tijden er bereidheid is dit nader te overwegen.

De winkelier in de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 41, Jan Doense Somer, deelt in november 1846 mee dat hij voornemens is om in zijn werkplaats een nieuwe schoorsteen te laten bouwen ter plaatse waar vroeger een schoorsteen gestaan heeft met een daarbij behorende tabakeest. Hij vraagt vergunning voor het aanbrengen van een nieuwe schoorsteen en een tabakeest in zijn werkplaats in een pandje aan de Korte Vos (of Korte Vorst). Dit wordt toegestaan. In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie situatietekening van de stadsarchitect.

In het gemeentearchief bevindt zich, gedateerd in oktober 1846, een Staat van de gemiddelde invoer met de opbrengst aan stedelijke impost van tabak, snuif en sigaren over de afgelopen tien jaren (1836 tot en met 1845). Daaruit blijken enkele interessante gegevens. Vooral de toenemende aftrek van sigaren is opmerkelijk.

Tabak (uitgedrukt in ponden):
1836: 16737; 1837: 23236; 1838: 14156; 1839: 15646; 1840: 23105; 1841: 22976; 1842: 17656; 1843: 18556; 1844: 12318; 1845: 26445.
De totale invoer bedraagt 190831 pond met een opbrengst van ƒ 4.770,77 en een gemiddelde opbrengst per jaar van ƒ 477,07.

Snuif (uitgedrukt in ponden):
1836: 1523; 1837: 2073; 1838: 1986; 1839: 2587; 1840: 1390; 1841: 1979; 1842: 1503; 1843: 1282; 1844: 1464; 1845: 1189.
De totale invoer bedraagt 16976 pond met een opbrengst van ƒ 424,40 en een gemiddelde opbrengst per jaar van ƒ 42,45.

Sigaren (uitgedrukt in ponden):
1836: 20; 1837: 91; 1838: 200; 1839: 384; 1840: 372; 1841: 410; 1842: 440; 1843: 604; 1844: 675; 1845: 918.
De totale invoer bedraagt 4114 pond met een opbrengst van ƒ 102,85 en een gemiddelde per jaar van 411 pond met een gemiddelde opbrengst per jaar van ƒ 10,27.

Timmerlieden en metselaars

Een groot aantal ambachtslieden, het zijn wel 26 timmerlieden, metselaars en dergelijke, geeft in juli 1844 te kennen ‘dat het drukkende van de opbrengst der 10 procent van de waarde van binnen de stad in te voeren bouwmaterialen, ten behoeve van dezelve geheven wordende, te meer wordt gevoeld naarmate de werkzaamheden van lieverlede jaarlijks verminderen’. Dit is des te bezwarender en van een zeer nadelige invloed voor hen, aangezien ze wat de prijs van hun materialen betreft daardoor niet kunnen werken in evenredigheid van ambachtslieden die buiten de stad wonen. Ook van de naar buiten de stad gevoerde bouwmaterialen, waarvan eenmaal de 10 procent is betaald, wordt geen restitutie verleend of afschrijving zoals dat met de leidekkers en wagenmakers het geval is. Bovendien zijn smids, lootgieters en glazenmakers van het door hen te verwerken ijzer, loot en glas geheel van belasting uitgesloten. Ofschoon ze graag het moeilijke erkennen om de tien procent op andere objecten of artikelen van weelde terug te vinden, voelen ze zich evenwel gedrongen vanwege de aangevoerde redenen en tot behoud van hun stand het gemeentebestuur eerbiedig te verzoeken het daarheen te leiden dat de heffing van de 10 procent van de waarde van binnen de stad in te voeren bouwmaterialen wordt opgeheven. Het verzoekschrift is ondertekend door onder meer de ambachtslieden Johannes Goossen, Jan Visser, J.C. de Besten, Govert Klemkerke, J. Bal, J. Levin, De Boer, A.J. Ammerlaan, W. van Leent, L. Glerum, J.P. Muller, J. Huissilings, Adriaan de Bruijne, H.D. van Ettinger, Engelkerk, Jan de Waard, Pieter Meijler, G.L. Warrens, A. Molhoek, H. Boet, A. Blommert, H, le Clercq, W. de Jonge, Johannes Dekker, P.L. van Pottelberghe en Marinus Dekker. Bij nader onderzoek blijken er onder de ondertekenaren verscheidene te zijn die zelden of nooit werken uitvoeren. Ook zitten er wagenmakers bij die ooit eerder al zijn vrijgesteld van deze belasting. De ontvanger van de stedelijke belastingen Van Renterghem de Fouw adviseert niet op het verzoek in te gaan.

Touwslagerij en lijnbaan

Deze jaren zijn er verscheidene lijnbanen of touwslagerijen in de stad.

In september 1842 verleent het gemeentebestuur aan de touwslager Nicolaas de Lange, ingevolge zijn verzoek, opnieuw voor vier jaar, ingaande 15 augustus 1842, het gebruik van een lijnbaan aan de zijde van de zogenaamde brakke vest, van de herberg ‘Pas Buiten’ buiten de Bleekveldse poort noordop ter lengte van 90 ellen, dit tegen een jaarlijkse betaling van drie gulden. Als de vrije passage hinder zal worden toegebracht, zal de vergunning worden ingetrokken. In maart 1846 besluit het gemeentebestuur touwslager Nicolaas de Lange bij voortduring voor de tijd van vier jaar, ingaande 15 augustus 1846, toe te staan het gebruik van een lijnbaan aan de zijde van de brakke vest, vanaf de herberg ‘Pas Buiten’ noordop over een lengte van 90 ellen, dit tegen een jaarlijkse betaling van drie gulden.

Er komt nòg een lijnbaan in de stad. In juli 1842 verzoekt de zadelmaker en touwslager Johannes Babtist Arents om tegen betaling van een jaarlijkse ceins in gebruik te mogen hebben een gedeelte van het plein buiten de Ganzepoort voor zijn bedrijf. Hij krijgt vergunning voor vijf jaar om daar een lijnbaan te stichten.

Ook in oktober 1842 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van Adriana Johanna Reijnierse, wonend in de Voorstad, om voor haar touwslagerij gebruik te mogen maken van de ruimte op het zogenaamde ‘stadsplein’ achter de schuur of stalling van het door haar bewoonde huis in de Voorstad in wijk E nummer 118 en wel aan de straatzijde van de Ganzepoort tot aan het einde van de daar recht tegenover staande schuur of haag. Besloten wordt haar de verlangde grond in gebruik te geven voor de tijd van vijf jaar ingaande 1 november 1842. Dit gebeurt wel onder enkele voorwaarden zoals 1. dat het draairad altijd zal moeten geplaatst zijn tenminste zes ellen uit de schuur van de heer mr. J. de Backer; 2. dat de spinbaan vier en een halve el uit het front van de huizen verwijderd moet blijven; 3. dat er geen vaste paal in het einde van de lijnbaan, niets anders dan spinnen, verslaan, slijpen en strijken zal mogen worden verricht; 4. dat nimmer enig tuig geplaatst noch werk zal mogen worden gemaakt, waardoor men zou kunnen veronderstellen dat paarden schichtig zouden kunnen worden; 5. dat de passage niet zal mogen belemmerd veel min verhinderd worden.

In mei 1843 overweegt het gemeentebestuur dat bij besluit van 13 juni 1831 is vergund aan Lucas Reijnierse, tot uitbreiding en bevordering van zijn touwslagerij, gebruik te maken van de ruimte voor de bomen langs de zijde van de haven tussen de twee waterpoorten tegen betaling van vijf gulden per jaar. De omstandigheden waarin hij zich sinds geruime tijd bevindt hebben hem buiten staat gesteld om zijn verschuldigde ceins over 1842 te voldoen. Hij verzoekt om remissie.

Vlasverwerking

In september 1841 dient Jacob Kakebeeke een verzoek in voor het plaatsen en stichten van een doofoven en annexe vuurplaats voor zijn vlasserij. Kakebeeke doet zijn verzoek ‘tot voortzetting van zijn vlasserij om te brengen tot het kunnen zwingelen van dien een doofoven en daaraan een gewone vuurplaats en dit op zijn Hofstede en Buiten, genaamd Welgelegen, zijnde geheel van steen gedekt met een dito wulf en pannen, alleen daarin een deurkozijn en deur tot ingang benodigd’. Het gemeentebestuur willigt het verzoek in.

Jacob Romijn, wonend in wijk E nummer 143, krijgt in januari 1843 toestemming om zijn vlasdroogput op de uiterste zuidwestelijke hoek van de erve achter zijn woonhuis op de gewone wijze met schermen van riet, hetzij in zoden of steen, af te schermen. Hij mag echter geen andere dingen er bij maken. Daardoor zou gevaar kunnen ontstaan. In geval van enige verbetering of verandering daarvan dient hij dadelijk aangifte te doen aan het gemeentebestuur.

Vleeshouwers

Martinus van der Riet, spek- en vleesslager binnen de stad, verzoekt in maart 1841 om in het woonhuis in de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 110 een slagerij of slachthuis te mogen stichten met een stalling voor drie à vier stuks hoornvee en een bergplaats voor hooi, stroo en fourage. Het gemeentebestuur ontbiedt de omwonenden. Voor de vergadering verschijnen de heer Jacobus van Renterghem de Fouw, stedelijk ontvanger, en Nicolaas Vertregt, koopman en eigenaar van een naast dit woonhuis staande broodbakkerij. Ze verklaren tegen de oprichting van een slagerij, stalling en bergplaats voor hooi, stro en voer grote bezwaren te hebben. Bezwaren ‘vanwege de onreinheden die in een slachthuis onmiskenbaar ontstaan en te verwachten zijn, maar ook vanwege de ongeschiktheid van de stand, zo midden in de stad, en het gevaarlijke van een bergplaats van licht vuur vattende voorwerpen in een blok van dichtbebouwde woningen’. Het gemeentebestuur overweegt dat de stal geplaatst zou worden tegen een bakkerij waar aanhoudend gestookt en vuur gemaakt wordt, terwijl een tweede bakkerij eveneens zeer in de nabijheid gevonden wordt. Dit kan niet anders dan gevaarlijk zijn om daarnaast en dichtbij een stalling voor vee en een bergplaats voor voeragiën toe te laten. Het gemeentebestuur besluit dan ook het verzoek af te wijzen.

De Gouverneur van Zeeland vergunt de vleeshouwer Joseph Bannet, een van de in de stad wonende hoogduitse Joden, in juli 1841 het vervoer van rundvee van Kortgene over Wolphaartsdijk naar Goes, dit op voorwaarde van de visitatie door de veearts Van Calmthout.

Weverij van calicots

Bij overeenkomst van de 18e december 1838 werd de door de Minister van Koloniën aan de stad verleende concessie voor de levering van katoenstoffen voor Oost Indië overgedragen aan de Twentse katoenfabrikanten, de heren G. en H. Salomonson te Almelo. Het gaat om calicots, bestemd voor de aflevering aan de Nederlandsche Handel Maatschappij. De calicots moeten vervaardigd worden van garens, genaamd Best Secunda.

Vanuit Middelburg schrijven de heren Salomonson op de 10e oktober 1839 over de door hen voorgenomen vermindering van het loon van de wevers voor de fabricage van calicots in de stadsweeffabriek. De gemeenteraad maakt dadelijk zijn bezwaren tegen dit voornemen kenbaar. Geprotesteerd wordt tegen deze willekeurige vermindering van loon of intrekking van de premies voor betoonde vlijt door de wevers, zoals dat is vastgesteld in het Reglement van Orde voor de weeffabriek.

Op de 13e juni 1840 bespreekt de gemeenteraad opnieuw een brief van de heren Salomonson. De heren verzoeken om de benedenzaal van de stadsweeffabriek met spoed van een planken vloer te voorzien om ook daar de werkzaamheden te kunnen doen voortgaan. Zonder deze voorziening is dit volgens hen niet mogelijk. De gemeenteraad besluit de benedenzaal van de weeffabriek van een mastiekvloer, volgens het plan van de kapitein ingenieur Camp te Vlissingen, te voorzien. De bovenzaal is nu volledig met werklieden bezet. In september wordt ook enig schilderwerk aan de katoenweverij onderhands aanbesteed aan de laagste inschrijver Francois Goossen voor ƒ 120.

In september 1840 geeft de timmermansbaas Johannes Goossen te kennen dat hij bereid is voor de weeffabrieken in de provincie een partij weefgetouwen te maken. Deze zullen dan in Goes worden vervaardigd uit hout, waarvan de stedelijke impost is betaald. Wel verzoekt hij dan om teruggaaf van de stedelijke belasting. Het gemeentebestuur geeft hem hiervoor toestemming.

Er komt op de 17e oktober 1840 een antwoordbrief van de heren G. en H. Salomonson op de brief van de gemeenteraad over de door hen voorgenomen vermindering van de werklonen en het intrekken van premies in de weeffabriek. De heren betogen dat het weefloon van een stuk calicot in de provincie Overijssel, vanwege de aanmerkelijke vermindering van de prijzen, wel met 5 à 10 cent per stuk van elke breedte verminderd zijn. De wevers moeten daar bovendien voor eigen rekening de spoel en de olie gedurende de wintermaanden aanschaffen. Er wordt in Overijssel ook geen premie van vijf cent per stuk betaald aan hen die meerdere stukken per week maken. Een dergelijke vermindering zou een al te nadelige invloed op de pas opgerichte fabriek binnen de stad Goes hebben. Ze schrijven: ‘Zo zijn wij zo vrij geweest alhier het loon met 2½ cent per stuk te verminderen en wel gedurende de wintermaanden, tot een weinig tegemoetkoming in de aanmerkelijk meerdere kosten van licht en vuur, daar deze vermindering zeer gering is in vergelijking van die in de provincie Overijssel. Zo zijn wij zo vrij geweest om dit door de boekhouder aan de werklieden kenbaar te maken en wel dat aanstaande zaterdag deze vermindering van loon een aanvang zal nemen. Wij twijfelen geenszins of dit moet voor uw edelachtbaren een bewijs opleveren dat wij alle mogelijke pogingen in het werk stellen om de fabriek in deze stad zoveel ons mogelijk is te begunstigen’.

Na het inwinnen van advies van de commissie van toezicht over de weeffabriek dienen burgemeester en wethouders op de 6e oktober van repliek. Ze schrijven: ‘Met verwondering hebben wij van de commissie van toezicht over de fabriek van calicots, uit de raad der stad benoemd, vernomen dat het werkloon, bepaald bij artikel 10 van het Reglement van orde,  wekelijks met 2½ cent van ieder stuk calicot zal worden gekort en dit ter tegemoetkoming in de kosten van vuur en licht’. Verder betoogt het college dat bij het sluiten van de overeenkomst zij zich ten doel gesteld heeft aan een getrouwe nakoming daarvan mee te werken tot bevordering van het welzijn van de behoeftige klasse. ‘Hoe de stad aan de verbintenis heeft voldaan is ulieden genoeg bekend en inderdaad, de daarvoor gedane opoffering is voor dezelve vrij belangrijk geweest, maar wordt niet te groot geacht wanneer het beoogde doel er mede door wordt bereikt. Van uw zijde hebben wij vermeend diezelfde belangstelling en onbekrompen naleving van het contract te mogen verwachten, doch we  moeten er voor uitkomen dat de voortgang en uitbreiding niet voldoet aan onze verwachting. Immers van den beginne af aan heeft men overvloed gehad aan geschikte sujetten voor het werk. Het lokaal en de weefgetouwen hebben steeds in orde en in genoegzame hoeveelheid voorhanden geweest. Maar gebrek aan verder benodigde werktuigen heeft gedurig stagnatie veroorzaakt, zodat men meer dan zes maanden werk gehad heeft met het bezetten der bovenzaal en nu, nadat de benedenzaal der fabriek sedert vier weken in gebruik genomen is, daarin slechts vier getouwen aan de gang ziet. Waarlijk, Mijne Heren! het van onzentwege verrichte verdiende een grotere belangstelling, doch hierin moeten wij onzes ondanks berusten en ons daarmede troosten dat eindelijk alle de plaatsen der fabriek ingenomen zullen zijn en de stad ten volle de vruchten van haar offer plukken zal. Maar een vermindering van het overeengekomen loon, onder welke benaming ook, vermenen wij niet te kunnen, niet te mogen toelaten. Het aangegane contract is door ulieden aan ons voorgelegd en wij hebben op grond van veronderstelde billijkheid in hetzelve berust, schoon onbekend met de zaak die er het onderwerp van was’.

Er komt op de 9e oktober een uitvoerige brief terug van de heren Salomonson. Ze schrijven:
‘Uit de aan ons gerichte missive van de 6e dezer zien wij met bevreemding en, mogen wij het zeggen, met grote ontevredenheid de door u daarin behandelde punten. Het schijnt dat u over de aard der zaak niet goed ingelicht bent en wij twijfelen niet of nalezing dezes zal u de zaak uit een ander oogpunt doen beschouwen en zien dat wij zeer onbekrompen handelen door slechts deze geringe korting voor vuur en licht te eisen’. Ze betogen dat, als ze het loon met 10 à 15 cent zouden verminderen, dan zou het nog gelijk staan met het hoogste loon dat thans in Overijssel wordt betaald. Dat de voortgang en uitbreiding niet aan de verwachting voldoet, bevreemdt hen, daar uit de ontvangen rapporten het tegendeel blijkt. Het is beter langzaam vooruit te gaan en louter goede wevers te vormen dan met minder attentie alleen op de kwantiteit en niet op de kwaliteit te werk te gaan.

De commissie van toezicht over de weeffabriek adviseert op de 31e oktober 1840 om niet met een vermindering van loon in te stemmen dan na overlegging van certificaten van andere besturen in de provincie dat aldaar een gelijke vermindering is ingevoerd en alsdan voorlopig alleen voor de bovenzaal en niet eerder voor de benedenzaal dan nadat deze eveneens geheel bezet zal zijn. De gemeenteraad verenigt zich met het gevoelen en het advies van de commissie en besluit in die geest aan de heren Salomonson te schrijven met de uitnodiging om geen veranderingen in de gezamenlijk vastgestelde verordeningen te maken dan met wederzijds overleg.

Het gemeentebestuur schrijft op de 12e november 1840: ‘Wij hebben het genoegen u te berichten dat de overlegging der certificaten en brieven, welke u aan de heer burgemeester gelaten hebt, ten gevolge heeft gehad dat de commissie van toezicht over de weeffabriek zowel als onze vergadering zich niet langer zullen verzetten tegen de voorgenomen inhouding van twee en een halve cent per vervaardigd stuk calicot in genoemde fabriek, ter tegemoetkoming in de kosten van vuur en licht, mits zulks zich uitsluitend bepaalt tot de wintermaanden en dus tot ultimo maart 1841, onder voorbehoud evenwel dat de wevers deswegens schadeloos zullen gesteld worden bij aldien het in het vervolg mocht blijken dat men op enige plaats in de provincie deze maatregel niet heeft ingevoerd of van dezelve afwijkt. Wij rekenen dan ook alsnu op de vervulling van de aan de burgemeester mondeling gedane belofte om met alle mogelijke spoed de gehele fabriek in werking te brengen, waartoe, zoals ulieden overtuigd zijn, van stadswege geen kosten zijn gespaard geworden’.

Op de 14e november 1840 constateert het gemeentebestuur dat de heren Salomonson tot genoegen bewezen hebben dat ook in de weeffabrieken van andere steden in de provincie een korting op het weefloon voor vuur en licht wordt toegepast. In overleg met de stedelijke commissie van toezicht op de weeffabriek wordt dan ook besloten in te stemmen met het inhouden van 2½ cent per stuk calicot gedurende de wintermaanden.

Op de 1e mei 1841 komt er een brief van de Nederlandsche Handel Maatschappij te Amsterdam van de 19e april ter tafel van de gemeenteraad. De brief maant aan om van de door de heren Salomonson aangeboden als door deze verlangde faciliteiten gebruik te maken. Want, indien de fabricage op geen voordeliger voet kan voortgaan, dan zal er niets overblijven dan de weeffabriek op te heffen. De Maatschappij dringt er op aan om daarin van stadswege tegemoetkomende maatregelen te nemen en hen daarover te onderrichten.
Na overleg met de stedelijke commissie over de katoenweverij besluit het gemeentebestuur een brief aan de Handel Maatschappij te schrijven en daarin te ontvouwen alle bijdragen en opofferingen die van stadswege tot het oprichten van de fabriek zijn gedaan. Ook wordt de onmogelijkheid betoogd om deze faciliteiten alsnog uit te breiden. Dringend wordt verzocht van de zijde van de Handel Maatschappij voorzieningen te treffen ‘waardoor de stad in het genot van een zo kostbaar als weldadig werkend etablissement kan worden bevestigd’.

De Handel Maatschappij beantwoordt de brief van het gemeentebestuur op de 25e juni 1841. Meegedeeld wordt dat de heren G. en H. Salomonson voor dit jaar een verhoging voor de leverantie van calicots, die in de provincie vervaardigd zijn, toestaan. De prijs per stuk calicot wordt verhoogd naar 17½ cent. Het bestaan van de calicotweverijen in Zeeland wordt van dermate groot belang geacht dat genoegen wordt genomen met deze prijsverhoging.

In juli 1841 verzoekt de Gouverneur om een opgave van de in de stad bestaande fabrieken, werkwinkels en bedrijven van zekere omvang, zo in getal werklieden als anderszins, waar de arbeid gedeeltelijk en soms geheel of grotendeels door aankomende jongens en meiden en door kinderen wordt verricht. Een afschrift van deze aanschrijving wordt gezonden aan de stedelijke commissie voor de opgerichte calicotweeffabriek. Dit betreft de enige van de bedoelde fabrieken die in de stad bestaan.
Uit de overgelegde opgave blijkt dat de weeffabriek van calicots is geplaatst nabij de stadswal aan de zijde van het Gasthuis (in de voormalige zogenaamde Kleine kerk). Het aantal werklieden bestaat uit twee mannen van gevorderde leeftijd als meesterknechts, twee jongens tot hulp, 42 wevers en 42 weefsters, allen jongens en meiden van 14 tot 25 jaar oud, zijnde kinderen van behoeftige en meestal bedeelde ouders. De werktijd is bepaald op iedere werkdag, in de zomer van vijf uur en in de winter van acht uur ‘s morgens, altijd tot ‘s avonds acht uur. Tussendoor zijn er vrije uren of schafttijd, in de zomer ‘s morgens van acht uur tot half negen en zomer en winter ‘s middags van twaalf tot een uur en ‘s namiddags van vier uur tot half vijf, terwijl op zaterdag ‘s namiddags na vier uur niet meer gewerkt wordt. Al het werk bestaat in het weven van calicots en wat daartoe behoort. In de weeffabriek worden 84 weefgetouwen gebruikt, waarvoor er echter ‘s winters 4 moeten worden weggenomen voor het plaatsen van kachels. De meesterknechts verdienen gemiddeld een gulden en dertig cent en de overige werklieden gemiddeld veertig cent per dag. Allen hebben in hun jonge jaren gelegenheid gehad onderwijs te genieten in de armenschool.
De directie in de weeffabriek is door de fabrikanten opgedragen aan Hendrik Cornelis Pilaar. Deze staat onder toezicht van een commissie van drie leden uit de gemeenteraad.

Eind september 1841 ontvangt het gemeentebestuur van de heren Salomonson een kennisgeving van de gemaakte bepaling dat iedere wever in de weeffabriek voortaan zich van zijn eigen olie voor de verlichting zal moeten voorzien. Dit verzoek wordt gedaan vanwege de aanmerkelijke opofferingen die dit jaar zijn gedaan en de verliezen die de fabrikanten hebben geleden.

De Gouverneur stuurt in mei 1842 een aanschrijving met de mededeling van de noodzakelijkheid van vermindering van de weeflonen in de in de steden en gemeenten van de provincie opgerichte en door de heren G. en H. Salomonson aan de gang gehouden katoenweverijen. Hij wijst ook op het bestaande belang om de door te voeren vermindering van loon aan de werklieden uit de plaatselijke of armenkassen te betalen om zodoende de vermindering en wellicht het staken van de werkzaamheden te voorkomen. Hij verlangt desnoods, na overleg met de heren Salomonson en met medewerking van de stedelijke raad, hierover voorstellen te ontvangen. Dit wordt voorgelegd aan de stedelijke commissie over de weeffabriek om, na gehouden conferentie of gevoerde correspondentie met de heren Salomonson, de vergadering daarover van bericht en advies te dienen.

Het gemeentebestuur van Zierikzee informeert eind mei 1842 naar het gevoelen van Goes over de door de heren Salomonson voorgestelde vermindering van het weefloon in de calicotfabrieken in Zeeland. Ze willen graag hierin met Goes een gelijke lijn trekken. Geantwoord wordt dat de gemeenteraad besloten heeft niet tegemoet te komen in de vermindering van tien cent per stuk voor de 5/4 calicots, maar aan de werklieden de vrijheid te laten om voor zodanig minder loon voort te gaan. Hiervan is door allen gebruik gemaakt. Aan Zierikzee wordt geschreven: ‘Eene gelijke behandeling van deze gewigtige omstandigheid beschouwen wij als zeer doelmatig en zullende kracht bijzetten aan de vertogen, die wij tegen de gevreesde loonsvermindering bereids gedaan hebben en wellicht verder zullen nodig zijn’.
In juli 1842 deelt het gemeentebestuur van Zierikzee mee dat de gemeenteraad besloten heeft de heren Salomonson als tijdelijke maatregel een tegemoetkoming toe te kennen van vijf cent op ieder afgewerkt stuk katoen, onverschillig van welke breedte dit is en onder de bepaling dat bij de fabricage steeds dezelfde tot nu toe bestaande verhouding zal worden gevolgd, namelijk 2/3 van de stukken van 6/4 breedte en 1/3 van 5/4 breedte.

In juni 1842 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met een opgave van de argumenten voor de noodzakelijke vermindering van de weeflonen in de steden en gemeenten van de provincie bij de opgerichte en door de heren Salomonson aan de gang gehouden katoenweverijen. Ook wijst de Gouverneur op het bestaande belang om de door te voeren verlaging van loon aan de werklieden uit de plaatselijke of armenkassen bij te passen om de vermindering en wellicht het staken van de werkzaamheden te voorkomen.
De gemeenteraad overweegt de grote opofferingen die de stad voor deze inrichting al heeft gedaan. De raad is ervan overtuigd dat de nu weer benodigde bijdrage niet kan geacht worden in evenredigheid te zijn met de voordelen die daardoor aan de armenkassen zouden worden toegebracht. Besloten wordt dan ook om de vermindering van weeflonen door de heren Salomonson aan de werklieden uit de stedelijke of armenkassen niet goed te keuren, doch niettemin het aan de werklieden vrij te laten om hun werkzaamheden voor het verminderd loon voort te zetten.

Opnieuw komt er een schrijven van de heren G. en H. Salomonson en wel begin oktober 1842. De heren verzoeken van stadswege te betalen 15 cent per week voor elke wever als vergoeding voor de verwarming en verlichting van de weeffabriek en deze vergoeding voor stadsrekening te nemen. Ze schrijven: ‘Het intreden in den herfst en het daarmede gepaard gaande korten der dagen doet ons bedacht zijn op het vinden der middelen voor de nodige olie in de weeffabriek gedurende de wintermaanden. In de vorige winter hebben wij deze gedeeltelijk gevonden doordat elke wever vijftien cent per week van zijn loon daartoe heeft laten staan. Bij het toenmalige weefloon was dit voor de wever slechts een kleine opoffering, thans echter nu dit loon een vermindering heeft ondergaan zou die opoffering de wever gevoelig treffen. Daar waar de steden bijdragen doen en alzo het loon van de wever weinig verminderd is, kan zulks op den voet van het vorige jaar blijven. Doch bij u waar de wever van stadswege geen bijdrage krijgt en alzo de vermindering van het loon geheel moet dragen, kan niet nog daarenboven die vijftien cent per week voor den olie goedschiks worden geëist. In geen geval kunnen wij van onze zijde daartoe meer doen dan wij tot dusverre gedaan hebben. Zelfs betalen wij bij u zonder verplichting de wever nog 10 à 15 cent hoger weefloon dan in Overijssel of elders, behalve de aanzienlijke premie die wij alleen in Zeeland geven. Tot instandhouding der weverij en tot tegemoetkoming van de werklieden moeten wij ons alzo tot u wenden met het verzoek om gedurende de maanden dat bij licht geweven wordt de goedheid te willen hebben ons voor elke wever wekelijks 15 cent voor vuur en licht te vergoeden of, desverkiezende, voor de verlichting en verwarming zelf te willen doen zorg dragen. Wij hebben reeds herhaaldelijk geschetst hoe weinig voordelig voor ons de fabrieken in Zeeland zijn en hopen dat u het belang der werklieden in aanmerking zult believen te nemen en ons verzoek zult inwilligen’.

Burgemeester en wethouders beantwoorden deze brief in de volgende zin: ‘Wij hebben de eer u te berichten dat de nodige maatregelen genomen zijn om de wevers gedurende deze winter van olie tot hun werk te voorzien, buiten kosten van ulieden, doch dat er geenszins voor de verwarming der fabriek kan worden gezorgd, maar deze voor uw rekening blijft gelijk dit de voorgaande winters het geval geweest is’.

Op de 17e oktober 1842 bespreekt het gemeentebestuur een brief van de heren G. en H. Salomonson. Ze schrijven: ‘Wij zagen met belangstelling uit uw missive van de 11e dezer dat u ten voordele der werklieden een zoo goedgunstig besluit heeft genomen om hun gedurende deze winter van olie te voorzien. In den onzen van de 3e dezer schetsten wij uw achtbaren hoe weinig voordelig voor ons de fabrijken in Zeeland zijn en verzekeren uw achtbaren sedert dien de stand van zaken niet verbeterd is, zodat wij van onze zijde in geenen deele voor de verwarming kunnen zorgen en uw achtbaren dit punt opnieuw in overweging geven of dat uw achtbaren de goedheid gelieven te hebben hiervoor te doen zorgen of ons te willen toestaan den wever hiervoor zelf te doen betalen’.
De commissie van toezicht over de weeffabriek rapporteert het gemeentebestuur dat in de weeffabriek gedurende ieder winterseizoen benodigd is 25 à 30 mud steenkolen. De kosten daarvan belopen een bedrag van ruim ƒ 50,00. In vroeger jaren hebben de heren Salomonson die kosten voor hun rekening genomen zonder dat er ooit een kwestie over geweest is om deze te brengen voor rekening van de wevers, zelfs niet toen de heren de voorgaande winters hen op hun verdiende weefloon vijftien cent per week hebben gekort. Dat moest alleen dienen en heeft ook werkelijk gestrekt tot voldoening van de benodigde olie voor de verlichting. Doch nu het blijkt dat in dit laatste bezwaar buiten hun kosten zal worden voorzien, willen de heren de kosten van de verwarming brengen ten laste van de al zo zeer besnoeide wevers ofwel dat daarin van stadswege wordt voorzien. Het komt hen voor dat de heren Salomonson op die wijze voortgaande de kosten van de fabriek langzamerhand geheel willen brengen ten laste van de werklieden of van de stad, welke al meer dan voldaan heeft aan het met die heren gesloten akkoord. Het komt de commissie voor dat van de zijde van de heren Salomonson minder nauwgezet in acht worden genomen de verplichtingen, die door hen ten opzichte van de stad op zich zijn genomen, speciaal niet die tot het onderhouden van het gebouw van de fabriek. Het is tot op heden, niettegenstaande een driejarig gebruik, niet gebleken dat enige onderhoudskosten aan het gebouw zijn besteed. De commissie geeft in overweging de heren Salomonson vooralsnog niet toe te zeggen de bekostiging van de verwarming van de fabriek en ook niet zo gaaf weg toe te staan dat daarvoor wederom het loon van de werklieden verminderd wordt, aangezien het te voorzien is dat laatstgemelde maatregel een gehele ontvolking tot gevolg zou hebben, waardoor het doel van de importante kosten voor de stad geheel zou worden gemist. Maar integendeel, de heren Salomonson een opstelling van de kosten voor het behoorlijk in orde brengen van de fabrieksgebouwen toe te zenden en te verzoeken die kosten aan het gebouw te willen bedsteden en op deze wijze te voldoen aan het met de stad aangegane contract. Het gemeentebestuur neemt het advies van de commissie volledig over.

Het lid van de commissie van toezicht op de weeffabriek, Kakebeeke, deelt mee dat in de afgelopen winter alleen voor de olie voor de verlichting per week is betaald vijftien cent. Na de winter is begonnen met van iedere wever tien cent per week af te vorderen. Besloten wordt de heren Salomonson te berichten dat de benodigde olie buiten hun kosten zal worden verstrekt, maar dat de verwarming van de fabriek voor hun rekening wordt gelaten. In de brief aan de heren Salomonson vermeldt het gemeentebestuur: ‘Wij hebben de eer u te berichten dat de nodige maatregelen genomen zijn om de wevers gedurende deze winter van olie tot hun werk te voorzien, buiten kosten van ulieden, doch dat er geenszins voor de verwarming der fabriek kan worden gezorgd, maar deze voor uw rekening blijft gelijk dit de voorgaande winters het geval geweest is’.

Op de 2e november 1842 komt er vanuit Middelburg een brief van de heren Salomonson met een wat geprikkelde ondertoon. Ze zijn gepikeerd dat het gemeentebestuur hun de kosten van het onderhoud van het gebouw in rekening wil brengen. Ze schrijven: ‘Het zou overtollig zijn op te sommen de menigvuldige onkosten die wij hebben, dat dezelve door ons verzoek in te willigen geheel van ons afgeworpen zouden worden. Alsmede redenen aan te voeren dezelve in dat tijdstip als het tegenwoordige ondragelijk zijn, dewijl de netelige toestand waarin de fabrikant zich thans bevindt alleen om zijn werklieden werk te verschaffen genoegzaam bekend is, zodat het ons zeer bevreemdt u geen billijke gronden konde uitdenken om ons verzoek toe te staan, maar nog meer, dat de opgegeven reparaties van onze zijde bewerkstelligd zouden moeten worden. Wel hebben wij op ons genomen om te doen repareren hetgeen door onze werklieden beschadigd wordt, maar nimmer konden wij bevroeden dat reparaties door weer en wind veroorzaakt voor onze lasten zouden komen. En wat betreft de verwarming, hierin mogen wij niet bewilligen. Om u genoegen te geven zouden wij gaarne het bedrag van een hoed steenkolen willen opofferen’.
De commissie adviseert hierin te bewilligen en een kleine opoffering te getroosten om de andere 1/3 hoed steenkolen voor rekening van de stad te nemen. Echter wat betreft het onderhoud van de gebouwen, de heren te wijzen op het contract waarin staat dat het gewone onderhoud voor hun rekening komt. Dit neemt het gemeentebestuur over.

Daarop verzoeken de heren Salomonson weer dat van stadswege of ten koste van de wevers wordt voorzien in de verwarming van de weeffabriek. Besloten wordt de heren te antwoorden dat de gemeenteraad niet in hun verzoek kan treden, maar daarentegen moet verzoeken om in het groot onderhoud van het gebouw van de weeffabriek, dat zij voor hun rekening hebben genomen, te voorzien en de kosten van de verwarming op de gewone voet te blijven dragen.
De gemeenteraad delibereert op de 19e november 1842 over de brief van de heren Salomonson. Deze delen mee zich onverplicht te achten tot het doen van andere reparaties aan de weeffabriek dan tot herstel van wat door hun werklieden beschadigd mocht worden. Ze bieden aan om voor de verwarming van het gebouw van de weeffabriek gedurende deze winter een hoed kolen te leveren.
De gemeenteraad blijft echter bij het gedane verzoek voor het bewerkstelligen en bekostigen van de thans noodzakelijke reparaties aan het gebouw. En wat de verwarming betreft, alleen gedurende deze winter zal voor stadsrekening worden genomen wat meer zal vereist worden dan de aangeboden hoed kolen.

Op de 29e maart 1843 komt er een kennisgeving van de heren G. en H. Salomonson te Almelo dat ze zich gedrongen zien, om redenen die in hun brief breedvoerig uiteengezet worden, om voortaan, te beginnen met de 3e april, het weefloon in de calicotfabrieken in de provincie Zeeland te bepalen bij vermindering op 55 cent voor 5/4 en 65 cent voor 6/4 stukken geweven calicots. De inhoud van deze brief volgt hierna:

‘Wanneer wij niet steeds het belang van de behoeftigen in de provincie Zeeland, met ten achterstelling van ons eigen belang, op den voorgrond hadden gesteld, zoo zouden wij er reeds lang toe hebben moeten overgaan om naar de bepaling in ons contract het weefloon in Zeeland gelijk te stellen met het hoogste loon dat in Overijssel gegeven wordt. Wetende echter dat het winterseizoen de alsdan bestaande grotere behoefte en de korting voor vuur en licht een te ongunstig tijdperk is om den armen alsdan iets van zijn verdienste te verminderen, zoo hebben wij ons gedurende lange tijd een aanzienlijke opoffering getroost; eene opoffering waarvan uw edelachtbaren de grootheid beseffen kunnen waneer uw achtbaren in aanmerking gelieven te nemen dat wij alhier sedert zeer geruime tijd reeds voor de 5/4 calicots niet meer dan 50 cent en voor de 6/4 calicots niet meer dan 60 cent weefloon betaald hebben (hetgeen wel het hoogste loon is, dewijl op andere plaatsen in onze provincie nog minder betaald wordt) zonder enige bijbetaling van verdere onkosten voor bazen, patent, premie en gereedschappen, terwijl wij in Zeeland, buiten dit alles, nog 60 cent voor de 5/4 en 75 cent voor de 6/4 calicots gegeven hebben; een verschil dat ons duizenden guldens gekost heeft!
Zoo uw achtbaren den stand van zaken ten opzichte van de calicotfabricage nagaan en bedenken dat de concessie aan Zeeland, tot levering dier stoffen toegestaan, slechts denkbeeldig is en geheel opgehouden heeft een concessie te zijn, sedert wij tot instandhouding der zaak, zoals nu reeds twee jaren het geval is, genoodzaakt zijn de goederen voor onze eigen rekening en risico door de Nederlandse Handels Maatschappij in consignatie naar Java te verzenden, hetgeen met recht een gewaagde onderneming van onze zijde mag genoemd worden, zo uw achtbaren gedenken dat wij bij die zendingen geene de minste preferentie voor Zeeland hebben boven fabrikanten van hier en elders aan dewelke door de Nederlandse Handels Maatschappij is aangeboden, om ook voor hen  evenals voor ons goederen in consignatie te verzenden en die, onaangezien het van Overijsselsch fabrikaat beter te wagen is dan van goederen in Zeeland vervaardigd die in alle opzichten duurder zijn, het niet durven ondernemen, gelijk wij zulks wagen, zo zullen uw achtbaren met ons instemmen, dat wij naar omstandigheden handelende met recht voor Zeeland niets MEER zouden bepalen dan het hoogste loon dat in Overijssel gegeven wordt en zouden wij met 50 à 60 cent kunnen volstaan.
Wij willen echter nog steeds blijven voortgaan met het brengen van offers ten behoeve van de provincie Zeeland omdat wij aldaar dien tak van nijverheid geplant, gekweekt en tot rijpheid gebracht hebben.
Wij bepalen alzo voortaan, en te beginnen met de 3e april, een loon van 55 cent voor 5/4 en 65 cent voor 6/4 en offeren alzo met de premies, kosten voor gereedschappen en bazen nog altijd ƒ 10.000 op boven hetgeen de goederen ons in Overijssel zouden kosten.
Wij geven u kennis van deze bepaling, niet twijfelende of uw achtbaren zullen dezelve moeten billijken, terwijl wij alleen op hoop van een verbetering en met uitzicht van winst werkzaam blijven en mocht onze hoop verwezenlijkt worden, dan zullen wij niet nalaten om alsdan in weefloon op te klimmen gelijk wij thans alle reden voor hebben en verplicht zijn dit te verminderen. Kunnende onze argumentatie desverkiezende door uw achtbaren bij de Nederlandse Handel Maatschappij of waar uw achtbaren begeren, worden onderzocht.
Wij betuigen met oneindige achting te zijn Uw edel achtbaren dienstwillige dienaren, G. en H. Salomonson’.
Het gemeentebestuur zendt deze bepaling toe aan de stedelijke commissie voor de directie over de weeffabriek ter informatie.

Ook Vlissingen maakt zich zorgen over de vermindering van het loon in de weeffabrieken. In april 1843 vraagt ze het gemeentebestuur van Goes hoe zij omgaan met de mededeling van de heren Salomonson dat het weefloon met ingang van april verminderd zal worden naar 55 cent voor 5/4 en 65 cent voor 6/4 calicots. Het stadsbestuur van Almelo en de burgemeester van Borne hebben verklaard dat aldaar voor weefloon niet meer wordt betaald dan 50 en 45 cent voor 5/4 en 60 en 55 cent voor 6/4 stukken 2400 draads van 22½ Nederlandse el 1e kwaliteit. Het gemeentebestuur wil hiervoor geen toestemming geven, maar eerst zal worden afgewacht hoe de vermindering zal aankomen bij de wevers. Bij gelegenheid wil Vlissingen vernemen hoe daarover in de andere steden van Zeeland zal worden gehandeld. Geantwoord wordt dat enige wevers de fabriek hebben verlaten doch de meesten zijn blijven doorwerken. Meegedeeld wordt: ‘Evenwel moeten wij met uw achtbaren instemmen dat een voortdurende vermindering van het loon eindelijk op het verval der fabrieken moet uitlopen’. Graag zal het gemeentebestuur met de andere stedelijke besturen in de provincie meewerken om zo mogelijk een gunstige verandering te verkrijgen. Vlissingen wordt verzocht, als liggende meer nabij de hoofdplaats, hiervoor het initiatief te nemen.

Het gemeentebestuur besluit op de 30e september 1843 op de brief van de heren Salomonson over de verlichting en verwarming van de weeffabriek te antwoorden dat, ingeval zij volgens hun voorstel gedurende deze winter de nodige brandstoffen tot verwarming van de fabriek bekostigen, door de stad Goes dan zal worden gezorgd dat de verlichting geschiedt buiten enige toelage van hen.
De heren Salomonson berichten vanuit Almelo: ‘Het zal u welbekend zijn dat de winsten der wevers naar de tegenwoordige lonen niet te ruim zijn, alhoewel wij van onze zijde niet tegenstaan de nog altijd tien cent per stuk meer weefloon betalen dan in Overijssel of elders en wij alzo gezamenlijk genomen een aanzienlijke geldelijke opoffering doen ten faveure der provincie Zeeland en er kan waarlijk van ons geen meerdere opoffering verlangd worden. Wij wensen evenwel de wevers ontheven te zien van verkorting van vuur en licht en vragen u alzo of u kunt goedvinden de nodige olie te willen bekostigen, in welk geval wij de nodige brandstoffen ter verwarming mede kosteloos zullen verschaffen. Wij zullen u na afloop der werkzaamheden bij lamplicht opgave doen van de gebruikte olie ofwel kunnen uw edelachtbaren des verkiezende zelve de olie laten leveren’.

Het gemeentebestuur schrijft op de 10e augustus 1844 aan de heren Salomonson: ‘Wij hebben met genoegen opgemerkt dat door een meerdere aftrek de fabricatie van katoenen stoffen voor de Indiën een gunstige wending heeft genomen en dat de donkere vooruitzichten, welke enige tijd hebben bestaan, gelukkig wederom een helderder aanzien verkrijgen. Bij de mededeling van de ongelukkige gesteldheid hebben wij ons ten aanzien van de in de stedelijke weeffabriek opgenomen wevers bij herhaling en op uw verlangen een vermindering en inhouding van loon getroost in het vertrouwen dat bij voordelige stand van zaken aan deze vermindering weder zoude worden tegemoet gekomen. We geven u in overweging om per september het weefloon met tien cent per stuk calicot alhier vervaardigd wordende te verhogen’.
In antwoord hierop komt op de 19e augustus 1844 een brief van de heren Salomonson. Ze geven te kennen vooralsnog niet te kunnen inwilligen in de verlangde verhoging van het weefloon vanwege de geringheid van de winsten voor de fabrieken. Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen.

Wijnnering

In mei 1844 verzoekt de wijnkoper Samuel de Jonge Mulock Houwer van een doorlopend krediet voor de stedelijke impost op de wijnen te mogen genieten. Dit wordt toegestaan.

Winkels

De Joodse koopman en winkelier in manufacturen A.M. Groen wil zich in februari 1844 metterwoon in Amsterdam vestigen. Hij vraagt toestemming voor de publieke verkoop van enige manufacturen zoals Chitse, Kalmink, Mermos, doeken, dekens en dergelijke. Hij krijgt toestemming voor de verkoop daarvan in kleine percelen, mits hij geen goederen verkoopt die dit jaar zijn ingeslagen.

Cornelia van den Heuvel weduwe van Gerrit Reijnders deelt het gemeentebestuur in mei 1844 mee dat ze haar winkel en woonhuis in de Ganzepoortstraat heeft verkocht en ‘haar winkelnering in Geleijen en Aardewerk finaal quiteert’. Ze wil eerstdaags bij publieke verkoop haar meubelen en het overschot van haar winkelvoorraad, bestaande alleen in enige potten, schotels, borden, kommen, theegoed en dergelijke, te gelde maken. Ze krijgt vergunning voor de openbare verkoop hiervan.

Jacobus Reijnhout, winkelier in maljenierswaren, verzoekt in november 1845 om voor zijn huis aan het einde van de Voorstad een stoep te mogen leggen en aan zijn woonhuis in wijk C nummer 50 aan het Papegaaystraatje een valscherm te mogen maken. Beide verzoeken worden toegestaan. De plaatsing van het zonnescherm moet gebeuren op een zodanige wijze dat de buitenkant binnen de rand van de stoep blijft, dat het scherm nimmer met een rode of bonte kleur geverfd wordt en dat de zijstukken, als deze worden aangebracht, zodanig worden vastgezet en bevestigd dat ze niet los hangen of bewogen kunnen worden.

Veearts Jacobus Franciscus Lippens, tevens koopman en winkelier in de stad, betoogt in februari 1847 dat hij eigenaar is van de stal staande en gelegen in wijk A nummer 163. Deze stal heeft hij verscheidene jaren verhuurd aan Jonkheer A.R. de Haze Bomme. Gebruik is toen gemaakt van de daar aanbelendende mestput. De stal heeft enige tijd leeg gestaan. Nu is hem van politiewege aangezegd om de mestput op te ruimen met het verbod er nimmer geen meer aan te leggen. Hij heeft zijn stal nu opnieuw verhuurd aan Abraham Kopmels. Graag wenst hij gebruik te blijven maken van de mestput evenals de overige aanbelendende eigenaren van stallen. Daarom verzoekt hij de aanzegging en het verbod in te trekken, aangezien hij anders moeilijk deze stal nog zal kunnen verhuren.

Zoutnering

Deze jaren zijn er nog twee zoutketen voor de zoutraffinaderij in de gemeente.
De gebroeders Cornelis en Jan Carel Pilaar en compagnons worden in 1840 door koop eigenaar van de zoutziederij tussen de twee waterpoorten. In mei krijgen ze restitutie van 19/20 gedeelte van de stedelijke belasting voor hun zoutziederij ‘de Hoop’ op eenzelfde wijze als dit aan de vorige eigenaar, Jan Karel van Baalen, was vergund. In november 1846 krijgen de heren Pilaar toestemming voor het daarstellen van een stookplaats in hun zoutziederij overeenkomstig het advies van de generale brandmeesters.

In juli 1844 is er nòg een zoutkeet van de heer Jan van der Thoorn. Er is dan sprake van ontvreemding van twee loden buizen uit deze zoutkeet. Ook in 1846 maakt een archiefstuk melding van een zoutkeet: ingaande 1 oktober 1846 wordt dan voor de tijd van zeven jaar de grond van de oude haven, gelegen achter de zoutkeet aan de Havendijk in wijk B nummers 182 en 188, als bouwland openbaar verpacht.

De heren Pilaar en compagnons geven in november 1846 te kennen dat ze een gedeelte van de gebouwen van hun zoutziederij, met name de lokaliteit van hun stookplaats staande tussen de twee poorten hebben afgebroken. Ze zijn voornemens deze weer op te laten bouwen. De opbouw is geprojecteerd en uitgevoerd door de stadsarchitect De Lannee de Betrancourt. Ze willen zich volgaarne onderwerpen aan de bepalingen voor de bouw van schoorstenen en verzoeken het gemeentebestuur een inspectie te houden over het geprojecteerde ten opzichte van de stookplaats in hun zoutziederij.

Overige neringen en hanteringen

In oktober 1840 krijgt de heer Jacob Kakebeeke vergunning om in zijn woonhuis in wijk D nummer 87 een stookmachine te plaatsen.
Hermanus Werri is in november 1841 eigenaar geworden van de grutterij in wijk D nummer 101. Hij krijgt toestemming om hier een stal met hooizolder van te maken.
Op verzoek van de heer P.J. de Lepelaar te Middelburg besluit het gemeentebestuur in mei 1844 vergunning te verlenen voor het plaatsen van twee ijzeren fornuizen voor de bereiding van asfalt en het verwerken daarvan binnen de stad. Voorlopig mag hij deze plaatsen op het zogenaamde stort buiten de Oostpoort.