Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1840 - 1846)

Plaatselijke schoolcommissie

De stedelijke, ook wel genoemd de plaatselijke, schoolcommissie bestaat deze jaren uit de heren mr. Francois Nicolaas van der Bilt, Leonard de Fouw, Jacobus Walraven van Kerkwijk en Hendrik Cornelis Pilaar. De leden zijn al tal van jaren de adviseurs van het gemeentebestuur op het gebied van het onderwijs in de stad.
Eind december 1843 verzoekt de heer L. de Fouw om ontslag. Hij is al meer dan dertig jaar werkzaam geweest. Toch blijft hij nog enkele jaren aan. Maar in augustus 1846 vragen de leden van de schoolcommissie ontslag ‘uit hoofde van een langdurige waarneming’. Het gemeentebestuur besluit de heren Van der Bilt en De Fouw eervol ontslag te verlenen. De heren Van Kerkwijk en Pilaar worden verzocht vooralsnog in hun functies te continueren ‘teneinde de commissie niet op eenmaal geheel te vernieuwen’. Tot nieuwe leden van de commissie worden benoemd de heren Nicolaas Jan Frans Verschoor en mr. Johannes Louis Hubert Liebert.

Nederduitse scholen

De beide Nederduitse stadscholen worden begin de jaren veertig gediend door de schoolonderwijzers Jacobus van der Pijl en Cornelis van Klooster. Van der Pijl is schoolmeester van de eerste stadschool aan de Singelstraat, naast het Slot Oostende tegenover de Grote Kerk, en Van Klooster is schoolmeester van de tweede stadschool in het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt. Van der Pijl en Van Klooster zijn beiden tevens voorlezer en voorzanger in de Grote Kerk op een traktement van ieder ƒ 180.

In juli 1842 schrijft de plaatselijke schoolcommissie aan het gemeentebestuur een onrustbarend bericht over de schoolmeesters in de stad. De commissie bericht ‘dat er uit hoofde van de sukkelende staat der beide hoofdonderwijzers der Nederduitse stadsscholen, welke tevens als huisonderwijzers toegelaten zijn, en het overlijden van de onderwijzer J. Kruijsse van de wezen- en armenschool, werkelijk behoefte is aan huisonderwijs binnen de stad’. Aan de school van schoolmeester Van Klooster is de ondermeester J.P. van der Linden verbonden. Deze komt de schoolcommissie alleszins geschikt voor om huisonderwijs te geven, ‘doch de wankelende gezondheid van zijn hoofdonderwijzer is de oorzaak dat de tweede stadschool veelal geheel op hem berust’. Het is te vrezen dat, als hij door privaatlessen daarvan wordt afgetrokken, deze school geheel zal verlopen. De commissie adviseert, zolang de gezondheidstoestand van de onderwijzer Van Klooster niet is verbeterd, hem geen toestemming te geven voor het geven van huisonderwijs.

Schoolmeester Van der Pijl schrijft het gemeentebestuur op de 9e september: ‘Mijn lichaamskwalen maken mij het gaan vooral over straat zo moeijelijk dat ik niet dan onder geleide en met de grootste inspanning den weg van mijn tegenwoordige woning naar mijn school en terug kan afleggen, terwijl het te vrezen is dat mij zulks met het ruwe en gure jaargetijde en winter weder ten eenemale onmogelijk worden zal. Dit bedroevend vooruitzicht doet mij de vrijheid nemen u te verzoeken mij wel te willen vergunnen dat ik, tegen afstand van de mij indertijd goedgunstig toegelegde indemniteit voor huishuur, het woonhuis aan mijn school behorend voor de winter metterwoon betrekke en dat hetzelve ter ontvangst van mijn gezin vooraf in een bewoonbare staat moge worden gebracht.

De overtuiging dat het schoollokaal voldoende is om alle mijn leerlingen te bevatten en dat zodanige vereniging in mijn tegenwoordige omstandigheden voor het onderwijs hoogst wenselijk is, geeft mij vrijmoedigheid dit verzoek te doen’. Het is echter niet meer nodig op dit verzoek een besluit te nemen, want schoolmeester Van der Pijl overlijdt op 23 september 1842. Dit overlijden stelt het gemeentebestuur voor de keuze nu definitief het schoollokaal en het woongedeelte los te koppelen. De nieuwe onderwijzer krijgt het genot van vrije woning elders in de stad en het gebouw wordt geheel voor schoolgebouw bestemd. Voor rekening van de weduwe van Van der Pijl wordt de school voorlopig tot 1 mei 1843, dus ruim zeven maanden, waargenomen door Willem van der Linde, onderwijzer in de derde rang.
Voor de vervulling van de vacature komen zeventien sollicitaties binnen. Na overleg met de district schoolopziener worden in februari 1843 twee sollicitanten geselecteerd, namelijk de heren Ganzel en Wessel Swart. Kennelijk voldoen geen van beide sollicitanten. Want begin mei bericht de stedelijke schoolcommissie dat per 1 mei 1843 als stads Nederduitse schoolonderwijzer in functie is getreden Huibert van Aken, 25 jaar oud en ondermeester te Dordrecht.

De stedelijke schoolcommissie stelt de gemeenteraad begin december voor om het gehele gebouw, waarin de stadsschool door schoolmeester Van der Pijl werd waargenomen, voor het onderwijs te bestemmen en daarvoor meer doelmatig in te laten richten. De gemeenteraad gaat daarmee akkoord.

Tragisch is het als de nieuw benoemde schoolmeester H. van Aken, na een langdurig ziekbed, al in oktober 1843 overlijdt. Daardoor en door de ziekte van zijn voorganger Van der Pijl, zijn er omstandigheden ontstaan die nadelig werken op de gang van het onderwijs. Dit maakt het meer dan wenselijk dat de vacature spoedig wordt vervuld. Het gemeentebestuur besluit uit de in maart geëxamineerde sollicitanten een keus te doen. Gedeputeerde Staten gaan hier echter niet mee akkoord. De plaatselijke schoolcommissie wordt daarop verzocht de nodige maatregelen te nemen voor het vervullen van de vacante functie. Opnieuw wordt de waarneming van de school opgedragen aan de onderwijzer W. van der Linde. Deze doet dit met assistentie van de hulponderwijzer J. Jobse.
Toch wordt in mei 1844 een van de vorige geselecteerde kandidaten benoemd. Het is de heer Wessel Swart, onderwijzer te Zaandam. De keuze is niet moeilijk. Met kop en schouders steekt hij wat betreft de scores uit boven de andere sollicitanten. De plaatselijke schoolcommissie bericht dat de onderwijzer Swart zijn post in de stads Nederduitse school heeft aanvaard en dat de school gedurende zes maanden is waargenomen door de onderwijzer Willem van der Linden.

Ook de schoolonderwijzer van de tweede Nederduitse stadsschool, Cornelis van Klooster, overlijdt op de 31e mei 1844. In de voorlopige waarneming wordt voorzien door de onderwijzer Johannis de Smit.
Voor het vergelijkend onderzoek van de ingekomen negen sollicitanten voor de vervulling van de vacature vaardigt de gemeenteraad af burgemeester Van der Meer Mohr en de raadsleden Saaymans Vader en Verschoor. Dit leidt in augustus tot de benoeming van de 35-jarige Pieter van Hiele, hoofdonderwijzer te Biezelinge, als stads Nederduitse schoolonderwijzer.

Franse school

De Franse kostschoolhouder, Jacobus Hermanus van den Bree, geeft in februari 1841 te kennen dat hij in het jaar 1827 voorlopig aan de school is geplaatst gedurende de afwezigheid van de vorige Franse schoolmeester Jan David Le Clercq. Dit op voorwaarde dat hij elk jaar afstand zou doen van een bedrag van ƒ 450 ten behoeve van Le Clercq. Hij schrijft dat hij ‘toen de schoonste vooruitzichten had op een fatsoenlijk bestaan waarmee hij gemakkelijk dit bedrag zou kunnen voldoen’. Echter niet lang daarna is de benoeming van een onderwijzeres voor een Franse jonge juffrouwen school in de stad afgekomen. Daardoor is hem een jaarlijks nadeel van ruim 500 gulden berokkend. Niet minder dan dertig meisjes zijn naar die school overgegaan. Weliswaar is hij door de (gedeeltelijke) afstand van Le Clercq van de verplichte jaarlijkse uitkering verlost, maar door de heroprichting van de Latijnse school is hij onverwachts van vele jongelieden beroofd. Dit betekent voor hem een jaarlijks verlies van circa 400 gulden. Hij verzoekt hem voor de laatste jaren een vergoeding toe te staan en hem voortaan van de (weliswaar gereduceerde) uitkering aan Le Clercq te ontheffen. De plaatselijke schoolcommissie adviseert echter afwijzend. Ze ziet geen bijzondere omstandigheden waaraan de vermindering van leerlingen te wijten is.

De weduwe van de gepensioneerde stads Franse kostschoolhouder J.D. Le Clercq de Courcelles verzoekt Zijne Majesteit de Koning in oktober 1845 om aanbetaling van het pensioen. De Gouverneur vraagt eind november advies van het gemeentebestuur op het door de weduwe Le Clercq aan Zijne Majesteit gepresenteerd verzoek om het restant van het stedelijke pensioen van haar echtgenoot ‘op haar quitantie, zonder concurrentie van zijn kinderen van welke er twee zich op Java bevinden, moge worden uitbetaald’. Het gemeentebestuur geeft hierop een gunstig advies.

Latijnse school

Het gemeentebestuur en het college van curatoren van de Latijnse school doen deze jaren pogingen om, voor het kunnen aantrekken van een kundig en geschikt persoon als rector van de Latijnse school, deze een bepaald 'minerval' (= schoolgeld) per jaar te garanderen. Al in januari 1835 gaf het gemeentebestuur dit in overweging bij het college van curatoren. Er was een 'minerval' per jaar goedgekeurd voor zes leerlingen ten bedrage van ƒ 312. In juni 1842 besluit het gemeentebestuur om gedurende een termijn van vijf jaren, bij een  onverhoopt minder bedrag van het minerval dan ƒ 312 per jaar, een aanvullend bedrag uit de stadskas beschikbaar te stellen.

In februari 1843 dienen de curatoren van de Latijnse school een verzoek in om de daarbij gespecificeerde uitgaven over 1842 ad ƒ 158,05, vermeerderd met ƒ 52 als aanvulling van het 'minerval' voor de rector, goed te keuren. Het gemeentebestuur besluit voor de opgegeven kosten en de suppletie van het minerval voor de rector een betalingsopdracht aan de stedelijke ontvanger op te maken.

Het gemeentebestuur gaat in mei 1843 akkoord met het voorstel van het college van curatoren van de Latijnse school over de onderhandse verhuur van het lokaal van de voormalige Latijnse school op de Beestenmarkt aan mevrouw de weduwe De Kanter voor ‘de stads jonge juffrouwen school’ voor ƒ 100.

De curatoren van de Latijnse school dienen in maart 1844 een opgave in van het bedrag, dat moet strekken tot uitbetaling van wat bij diverse rekeningen is opgegeven en uitbetaald moet worden. Ze merken op dat er gedurende zeven maanden van 1843 slechts vijf leerlingen de school bezochten. Dat betekent dat er een suppletie nodig is op het minerval van de rector. In februari 1835 declareren de curatoren een bedrag van ƒ 163,58, te weten voor de aankoop van prijzen ƒ 32,30, voor het inbinden van de prijzen ƒ 25,75, voor de aanvulling van het minerval van de rector voor zeven maanden ƒ 30,33, voor het salaris van de custor ordinaris ƒ 5,20, voor de kosten van de curatoren ƒ 50,00 en voor overige kosten ƒ 20,00.

De Gouverneur zendt eind mei 1845 een exemplaar van het Koninklijk Besluit van 23 mei 1845 toe. Dit houdt een wijziging van de verordeningen over de toelating van studenten aan de Hoge scholen, het Atheneum te Amsterdam en dat te Deventer in. De Gouverneur voegt de opmerking toe dat het van hoog belang is voor de instandhouding en bloei van de Latijnse scholen dat ten volle voorzien zij en blijve in de middelen die nodig zijn om het onderwijs te doen beantwoorden aan de aangeduide vereisten. Het gemeentebestuur zendt een afschrift toe aan de curatoren van de Latijnse school met de uitnodiging om alle bepalingen of verordeningen met betrekking tot het onderwijs aan de Latijnse school in de stad te herzien. In verband met de nieuwe voorschriften zullen deze moeten worden uitgebreid in het belang van de leerlingen en tot behoud van de school. De plaatselijke schoolcommissie wordt uitgenodigd tot een nauwgezet en breedvoerig afnemen van het verlangde examen om tot de Latijnse school te worden toegelaten.

In juli 1845 rapporteert het college van curatoren naar aanleiding van het verzoek van het gemeentebestuur. De secretaris van het college, ds. Van Oosterzee, geeft te kennen dat:

  1. het onderwijs zal worden uitgebreid tot alle bijzondere takken, die volgens het Staatsblad van 23 mei 1845 bij het onderzoek voor de geïnstitueerde commissie voortaan in aanmerking zullen komen en waarvoor het examen alsdan zal worden gehouden;
  2. ook daarom de onderwijstijd zal worden vermeerderd en dat, vanaf de aanstaande grote vakantie en zodra de lessen van de volgende cursus zullen geopend worden, bijzondere uren zullen worden afgezonderd voor de jongelieden die dan hun laatste schooljaar zullen zijn ingetreden, om hen nu vooral bij die bijzondere vakken te bepalen en het leren en vertalen van onderscheidene anctus ad apertura in nog meerdere werking te brengen;
  3. slechts eenmaal in het jaar en wel na de grote vakantie de toegang voor nieuwe leerlingen tot de school geopend zal worden en dat hiervan in de stadscourant kennis zal worden gegeven, wat van regeringswege wordt verlangd;
  4. voortaan temidden van elke cursus en zo tussen ieder zomer- en winterexamen een bepaald onderzoek in de school zelf door een commissie van twee leden uit de curatoren zal plaats vinden; deze zullen van hun bevinding aan de vergadering van curatoren rapport doen; dit zal bij toerbeurten nader worden geregeld;
  5. de commissie het speciale verlangen heeft en op de volstrekte noodzakelijkheid wijst, dat geen getuigschriften, na gehouden examen, aan jongelieden worden afgegeven om tot de Latijnse school te worden toegelaten dan die in alle delen daartoe de vereiste bekwaamheid bezitten, met de wens dat hiertoe het onderwijs op de voorbereidende scholen zo wordt ingericht dat door de commissie aan de bepalingen in het Staatsblad van 23 mei 1845 geheel en stipt wordt voldaan.

Het gemeenteverslag over 1845 vermeldt dat de Latijnse school naar evenredigheid van de bevolking wel wordt bezocht en het onderwijs, vooral na het invoeren van de recente bepalingen van het gouvernement, verbeterd is.

Jonge juffer- of meisjesschool

De zogenaamde jonge juffrouwenschool wordt gediend door ‘Mejuffrouw de weduwe Jeanne Christine de Kanter geboren Groeneijk, weduwe van Leonardus Marinus de Kanter, stads meisjesschoolhouderesse en onderwijzeres van de meisjesschool’.

In november 1840 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van de stadsdansmeester te Middelburg, C.A. Bekker, om een tegemoetkoming uit de stadskas in zijn reiskosten. Hij geeft dansles aan de scholen van de onderwijzer Van den Bree en de jonge juffrouwenschool van de onderwijzeres mevrouw De Kanter geboren Groeneijk. Dit verzoek wordt afgewezen.

De plaatselijke schoolcommissie maakt het gemeentebestuur in juni 1842 haar zorgen kenbaar over de mogelijke verkoop van het woonhuis waarin de meisjesschool is gehuisvest. Hierdoor zou een groot ongerief ontstaan.

Mevrouw Groeneijk roept in oktober 1842 de hulp van de gemeenteraad in tot het voorzien in een geschikte woning en schoollokaal. Het thans door haar gebruikte pand moet vanwege verkoop daarvan worden ontruimd. Dit verzoek wordt in handen gesteld van de stedelijke schoolcommissie.
Naar aanleiding van het rapport van de stedelijke schoolcommissie besluit de gemeenteraad eind januari 1843 het college van burgemeester en wethouders te machtigen om met de stadsschoolonderwijzer Van Klooster in overleg te treden over het ontruimen van de door hem gebruikte woning in het schoolgebouw op de Beestenmarkt. Van Klooster krijgt de toezegging van een schadeloosstelling uit de stadskas van tachtig gulden per jaar gedurende de tijd dat hij zich op eigen kosten van woonruimte zal moeten voorzien. De regeling voor de vergoeding van de bestaande huur van honderd gulden per jaar voor zijn huidige woning zal worden beëindigd. De appartementen in dit gebouw, behalve het huidige schoollokaal, zullen voorlopig worden bestemd en met ingang van mei 1843 in gebruik gesteld worden zowel voor bewoning door als voor het onderwijs van de onderwijzeres van de jonge juffrouwenschool tegen betaling van honderd gulden per jaar. Maar eerst zullen in de door schoolmeester Van Klooster te ontruimen appartementen de hoogst nodige veranderingen en herstellingen worden gedaan. Mevrouw Groeneijk gaat met deze schikking akkoord.

In juni 1843 besluit de gemeenteraad nog enkele verbeteringen aan het schoollokaal van de jonge juffrouwenschool aan te brengen voor het bevorderen van zuiverder lucht in het schoollokaal. De noodzakelijkheid daarvan is bij een inspectie gebleken, ‘terwijl er alle reden is om te geloven dat dit lokaal alsdan voortdurend geschikt en voldoende zal zijn’.

In januari 1844 schrijft mevrouw De Kanter-Groeneijk dat het huis, haar voor een jaar in huur gegeven, voldoende is voor haar betrekking van kostschoolhouderes, hoewel het in sommige opzichten wel wat ruimer kon zijn. Ze verzoekt het huis op convenabele voorwaarden voor een langere tijd in huur te mogen bekomen. Ze huurt het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt voor school en woonhuis. Alleen het schoolvertrek in dit gebouw, in gebruik van de Nederduitse school van de onderwijzer Van Klooster, valt hier buiten. Haar verzoek wordt ingewilligd tegen een jaarlijkse huurprijs van ƒ 180. De gemeenteraad machtigt het college van burgemeester en wethouders in april 1845 om de onderwijzeres van de stads jonge juffrouwenschool, mevrouw De Kanter-Groeneijk, het door haar bewoonde huis aan de Beestenmarkt, te rekenen vanaf 1 mei 1845, voor de huidige huurprijs van ƒ 180 per jaar te laten vooralsnog voor vijf jaar. De stadsmeisjesschool is dan overgebracht naar een gedeelte van de voormalige Latijnse school, dat thans dienst doet als tweede Nederduitse stadsschool.

Wezen- en armenschool

De wezen- en armenschool wordt deze jaren bezocht door 210 tot 220 leerlingen. Daarvan zijn 140 tot 145 kinderen van bedeelde ouders en 70 tot 80 van niet bedeelde maar behoeftige ouders.

Kennelijk is de onderwijzer Jacobus Kruijsse in 1840 door ziekte verhinderd om zijn functie uit te oefenen. In juli wordt de heer Cromjongh met de voorlopige waarneming van de functie van schoolmeester aan de wezen- en armenschool belast.
De plaatselijke schoolcommissie geeft in juni 1842 kennis van het overlijden van de ‘algemeen geachte’ onderwijzer J. Kruijsse. In de vacante betrekking benoemt de gemeenteraad in juni 1842 de 29-jarige Marinus Jan Hooze, ondermeester te Zierikzee. Hij is als meest bekwame en geschikte kandidaat uit het onderzoek van de sollicitanten gekomen. Zijn dienstverband is echter maar voor korte duur. In april 1844 deelt Hooze mee dat hij per 1 mei een betrekking van onderwijzer te Wissekerke wil aanvaarden. Hij stelt voor de tijdelijke waarneming op te dragen aan de ondermeester B.J. Eltzman met assistentie van de kwekeling J.P. Hollestelle. Het gemeentebestuur keurt de voordracht goed, maar nodigt de plaatselijke schoolcommissie uit, na de indiensttreding van de onderwijzer Swart, te trachten om een van de thans in die school geplaatste onderwijzers tot assistentie van de onderwijzer Eltzman over te laten gaan inplaats van de kwekeling Hollestelle. Uiteindelijk wordt uit acht sollicitanten benoemd de heer Johan Koenraad Antonie Cromjongh, onderwijzer te Biervliet.

De regenten van de godshuizen sturen het gemeentebestuur in februari 1846 een kennisgeving over de aanvang en voldoende voortgang van het gymnastisch onderwijs aan de weeskinderen ‘mitsgaders van het opgemerkt verlangen om daaraan ook door particuliere jongelingen te doen deelnemen, alles onder de leiding van de onderwijzer in de wezen- en armenschool’. Graag vernemen ze of daar tegen bij het college bedenkingen bestaan en of voor de benodigde kosten, bij voldoende deelname, op vergoeding mag worden gerekend. Het gemeentebestuur heeft geen bedenkingen. In maart verzoeken de regenten van de godshuizen machtiging om uit de post voor onvoorziene uitgaven van de begroting 1846 van het weeshuis te mogen beschikken over honderd gulden ‘tot vinding der kosten van eerste inrichting van de gymnastiekzaal’. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Huisonderwijs

In april 1844 komt er een verzoek bij het gemeentebestuur binnen van Pieter Jacobus Thomson om als huisonderwijzer in de stad te worden toegelaten. De reden van zijn verzoek is opmerkelijk. Zijn vader, Johannes Thomson, was poortier van de Ganzepoort. Al meer dan drie jaar was hij sukkelende en bedlegerig. Al die tijd is zijn bediening waargenomen door z’n beide dochters zonder dat daarover enige klacht is gehoord. De weduwe ‘smeekt nederig om de bediening te mogen blijven waarnemen’. Ook de zoon, die onderwijzer is, wil zich in de nabijheid van zijn moeder vestigen. Daarom verzoekt hij om een functie aan een van de scholen. Het gemeentebestuur wijst zijn verzoek echter af.

Kinderschool

Maatje van Baalen-Walraven, weduwe van Willem Pieter van Baalen, verzoekt in november 1840 vergunning voor het oprichten van een kinderschool in een pand in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 195. Ze doet dit vanwege het ophouden van de kinderschool van de ‘juffrouwen’ Breekpot. Ze meent daarvoor alle vereisten te bezitten. Ook heeft ze daarvoor een geschikt lokaal, dat ruim genoeg is, van de daarvoor benodigde lucht is voorzien en van geen nadelige gevolgen is voor de gezondheid van de kinderen die aan haar zorg zijn toevertrouwd. Ze zal alles doen om de zindelijkheid en zuiverheid in de school te bevorderen.

In december 1841 doet de plaatselijke schoolcommissie het voorstel om voor stadsrekening een bewaarschool voor kleine kinderen van minvermogenden op te richten. De gemeenteraad geeft de commissie te kennen dat thans, vanwege de aanmerkelijke kosten voor de onderscheidene stedelijke inrichtingen voor het onderwijs alsook door de zware lasten die op de ingezetenen drukken, zo’n bewaarschool niet op stadskosten kan worden opgericht.

Maria Dorothea Beem vraagt in augustus 1844 om te worden toegelaten als kinderschoolhouderes. Het gemeentebestuur besluit haar toe te laten, mits ze zich gedraagt naar de in de stad bestaande reglementen en stadsgebruiken en binnen vier weken een geschikt lokaal weet te verwerven. Ook Pieternella Vroegop-Ramondt, weduwe van Reynier Vroegop, verzoekt in september 1844 om te worden toegelaten tot het houden van een kleine kinderbreischool in een pand in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 233. Ook zij krijgt hiervoor toestemming.

In 1845 zijn de gemoederen bij het gemeentebestuur rijp voor het oprichten van een bewaarschool in de stad. In februari 1845 wordt het gevoelen van de plaatselijke schoolcommissie gevraagd over de oprichting van bewaarscholen voor kinderen van de burgerstand en van de lagere volksklasse in de stad. De commissie betoogt in april dat ze, naar het voorbeeld van andere plaatsen, wel eens de aandacht heeft gevestigd op en de mogelijke doelmatigheid en het nut van het oprichten van bewaarscholen voor deze stad in overweging heeft genomen. Dit kan blijken uit de voordracht van de commissie aan de gemeenteraad van de 14e juli 1841. De commissie blijft bij haar toen geuit gevoelen dat een bewaarschool ook hier haar nut kan aanbrengen. Maar na het ontvangen van het afwijzende besluit van het gemeentebestuur van de 31e december 1841 ‘heeft ze zich tot dusver niet durven verstouten om nader een proefneming daartoe aan u voor te stellen’, gelet op de niet onbeduidende kosten die daarvoor inderdaad zullen moeten worden beschikbaar gesteld.
Echter, wanneer het gemeentebestuur de instelling van bewaarscholen in de stad zou willen ter hand nemen, dan zullen, wil men het doel bereiken, twee van dergelijke scholen moeten worden opgericht. Daarvoor zullen moeten worden aangewezen twee ruime lokalen, doelmatig over de verschillende wijken van de stad verdeeld. De commissie heeft vooral het oog voor de zorg van kinderen van onvermogenden of van de klasse van ingezetenen die door hun arbeid of andere redenen niet altijd in staat zijn om hun kinderen onder toereikend opzicht te houden. Ze veronderstelt dat ook het gemeentebestuur een zodanige klasse beoogt ‘als hare aanleiding ontlenende aan het ledig lopen op de straten van kleine kinderen, waarmede wel geen beschaafde stand zal worden bedoeld’.

De plaatselijke schoolcommissie wil ook de aandacht vestigen op de zogenaamde brei-, kinder- of speelschooltjes in de stad. Deze komen thans enigermate tegemoet aan het gemis aan bewaarscholen. De commissie betoogt: ‘Wij moeten met u instemmen dat deze niet die volmaaktheid bezitten om enigszins te kunnen worden gelijk gesteld met inrichtingen welke de verlichting van onze tijd heeft, wanneer men in aanmerking neemt dat de schoolmaîtressen geheel en al ten eigen koste in het benodigde lokaal en ameublement moeten voorzien’

In december 1846 dient Maria Barbara Verheule, echtgenote van Jacob Ortelee, wonend in de Sint Jacobstraat, een verzoek in om vergunning voor het oprichten van een kinderschool tevens breischool in haar woonhuis. De plaatselijke schoolcommissie schrijft in haar advies dat ‘de verzoektster ons voorkomt alle geschiktheid te bezitten tot het houden van een zodanige school en woonachtig is in een buurt waarin daaraan werkelijk behoefte bestaat’. Het door haar te gebruiken schoollokaal blijkt, na een ingesteld onderzoek, voldoende te zijn voor een klein aantal kinderen. De commissie vindt het van belang om het verzoek in te willigen. De commissie adviseert haar toe te laten als kinder- en breischoolhouderes binnen de stad. Wel dient haar de verplichting te worden opgelegd om zich van een groter en luchtig schoolvertrek te voorzien, zodra het aantal kinderen op haar school tot een zodanig getal zal zijn geklommen dat de commissie dit nodig oordeelt. Ze krijgt hiervoor toestemming.

Stads tekenschool

De stadstekenschool is gehuisvest in het voormalige gebouw van de schutterij van sint Sebastiaan van de handboog. De school staat naast het gebouw van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij, voorheen het schuttershof van Sint Joris van de voetboog. In maart 1846 wordt er een planken schutting aangebracht tussen de stads tekenschool en de Sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’.


De directie van de stadstekenschool wordt gevoerd door de heer Jacob de Jongh. De Jongh overlijdt in oktober 1843. In zijn plaats komt de heer N.J.F. Verschoor.
De stadstekenschool telt in het seizoen 1839/1840 93 en in het seizoen 1840/1841 84 en in het seizoen 1841/1842 77 leerlingen. Vanaf 1844 loopt het leerlingenaantal terug tot 61.
Aan 30 tot 40 leerlingen, meer dan de helft, worden de lessen gratis gegeven. Voorbereidend onderwijs voor beginners krijgen zo’n 35 tot 40 leerlingen. Verenigd onderwijs ontvangen alle leerlingen.
De uitdeling van de prijzen aan de leerlingen van de tekenschool voor de beste resultaten over het afgelopen seizoen vindt doorgaans plaats in de doopsgezinde kerk.

In oktober 1841 overlijdt de onderwijzer aan de school W. Braam, die gedurende 22 jaar met ijver werkzaam is geweest aan de school. Het gelukt de directie door een regeling met de onderwijzer De Lannee de Betrancourt zodanige maatregelen tot stand te brengen dat voor het aanstaande tekenseizoen zonder vermeerdering van het onderwijzend personeel en zonder een grotere last voor de stadskas op een behoorlijke wijze in het onderwijs te voorzien. In het winterseizoen 1841/1842 is de heer Louis Philip de Lannee de Betrancourt als enige docent aan de school verbonden. Hij geeft les in de theoretische en praktische bouwkunde, pleister- en handtekening. Gerard Braam is assistent onderwijzer. In februari 1846 behaalt hij het vereiste getuigschrift van bekwaamheid als onderwijzer in de figuurkunde aan een tekenschool op de Koninklijke Academie te Amsterdam.

In augustus 1845 geeft de directie van de stadstekenschool het gemeentebestuur kennis dat op de 20e augustus de uitdeling van prijzen aan de leerlingen zal plaats vinden. Daarbij zal tevens een kort verslag worden gegeven van het 25-jarig bestaan van de school. De leden van het college en de gemeenteraad worden uitgenodigd deze plechtigheid bij te wonen.

Cultuur

Muziekuitvoeringen
In december 1843 komt er een uitnodiging bij het gemeentebestuur van het bestuur van de afdeling Goes van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst voor het bijwonen van een Soiree Musicale in de schouwburgzaal op een woensdagavond. De gemeenteraad neemt de uitnodiging voor kennisgeving aan.
Ook in april 1844 komt er een uitnodiging van het bestuur voor het bijwonen van een Soiree Musicale op woensdag 10 april ’s avonds in de schouwburgzaal.

Monumenten
In augustus 1842 wordt er een intekenactie gehouden voor het oprichten van een standbeeld ter eervolle nagedachtenis van Prins Willem I van Oranje. Het gemeentebestuur schrijft de Gouverneur in september dat tot op heden de intekeningen op de aangeboden lijst voor het op te richten standbeeld de som van een honderd gulden bedragen. Vijftien personen hebben ingetekend, de meeste voor ƒ 10. Het zijn J.H. Verschoor van Nisse, burgemeester en lid van provinciale staten, J. Kakebeeke, wethouder en lid van provinciale staten, J.W. Hecking, wethouder, A.R. de Haze Bomme, arrondissementinspecteur, K. Schraver, hoofdingenieur, J. Dominicus, agent van de algemene rijkskassier, W.A. de Laat de Kanter, ontvanger der Registratie, L. de Fouw, stadssecretaris, J. Sweemer, rijksontvanger, J.L. Liebert, controleur, J.W. de Jongh, penningmeester, G. Blaaubeen, emeritus predikant, L. van Haaften, predikant, E.B. Swalue, predikant, en L. Lankhorst, notaris.

In maart 1844 ontvangt de gemeenteraad een brief van de predikant van de Hervormde gemeente, ds. E.B. Swalue, met bijvoeging van een lijst van intekenaren voor een bijdrage in de kosten van vernieuwing van een grafzerk ter herinnering aan de beroemde Goesenaar Jacob Valcke. Zijn grafzerk in de Grote kerk met opschrift is door de brand van 1618 verwoest. Ds. Swalue schrijft: ‘Het voorbeeld van de raad zal van invloed zijn op de burgers’. Ook schrijft hij dat hij op het denkbeeld gekomen is om in de Goese kerk op het graf van de beroemde Goesenaar Jacob Valcke een zerk, met het opschrift dat daarop weleer prijkte, maar door de brand van 1618 vernield werd, te plaatsen en ‘alzo te herstellen, wat eenmaal een grootse herinnering levendig hield’. Hij twijfelt niet of ‘uw edelachtbaren zullen gaarne iets willen toebrengen om de nagedachtenis van deze onze grote stadgenoot op de voorgestelde wijze te huldigen’. Het notulenboek van de gemeenteraad vermeldt: ‘Is dadelijk aan deze uitnodiging, ten blijke dat de nagedachtenis van deze grote stadgenoot, ook door deze vergadering gaarne de verdiende hulde wordt toegebracht, voldaan’.

Stadsbibliotheek
In februari 1842 worden aan het Ministerie van Binnenlandse zaken gezonden drie exemplaren van het boekwerk getiteld ‘Leerrijke Beschouwingen enz.’ door dr. E.B. Swalue, gedrukt en uitgegeven bij F. Kleeuwens en zoon, drukkers en boekhandelaren in de stad.

De Gouverneur van Zeeland stuurt in april 1842 een uitnodiging tot het doen van opgaven aan de heer A.J. van der Aa voor de samenstelling van zijn ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden’.

Nog een boekwerk wordt door Gouverneur Van Vredenburgh toegezonden in maart 1844. Het betreft een boekwerk van de in die tijd bekende Israëlitische dichter Izaak da Costa. De Gouverneur schrijft: ‘De strekking van het hiernevens gevoegde gemoedelijke stukje van den heer I. da Costa oordeel ik zoo belangrijk en doelmatig in de tegenwoordige omstandigheden te zijn, dat ik gemeend heb uwe oplettendheid op hetzelve te moeten vestigen met uitnodiging om van het hienevens aan u gewordende een exemplaar en van zodanige andere exemplaren van het zelve als onder uw bereik zich mochten bevinden het meest nuttige gebruik te maken tot verspreiding van de kennis van desselfs inhoud en tot het zoveel mogelijk algemeen maken van de daarin vervatte opwekking’.
Bij de brief is een brochure gevoegd, getiteld: ‘Landgenoten! Met het oog op God blijft Nederlanders en verenigd. Een woord bij gelegenheid van de Wet van Lening door mr. Isaac Da Costa’. Kennelijk hebben de leden van de gemeenteraad weinig belangstelling voor inzage in de brochure. Van het in het gemeentearchief bewaarde exemplaar zijn de bladzijden nimmer los gesneden!

De burgemeester overlegt de gemeenteraad in februari 1845 het aan hem voor de stedelijke raad aangeboden werkje, getiteld ‘Hulde aan mr. Jacob Valcke’. Onlangs is in het koor van de Grote kerk een grafsteen, door vrijwillige bijdragen ter gedachtenis aan deze beroemde Goesenaar, gelegd, zeer vermoedelijk ter plaatse waar de oude grafsteen heeft gelegen. Het boekje zal in de stedelijke boekerij worden geplaatst.

Quirinus Capellerij
In november 1841 stuurt de Gouverneur een verzoekschrift van de regenten van de godshuizen toe voor het verkrijgen van een vernieuwde toekenning voor een termijn van 21 jaar van de inkomsten van de Quirinus Kappellerij te Yerseke ten behoeve van het weeshuis. Er zijn wat het gouvernement betreft geen bedenkingen. Wel schijnt het toe dat de zaak op een andere wijze moet worden ingericht.
De Gouverneur van Zeeland stuurt in januari 1842 een brief van de Minister van Binnenlandse zaken toe. Deze behelst een bericht van conformatie voor 21 jaren, ingaande 1 januari 1843, van de door de regenten van de godshuizen gedane begeving van 2/3 van de inkomsten van de zogenaamde Quirinus Kapellerij te Yerseke. In de brief wordt verzocht om bericht of deze goederen onder het beheer van de Domeinen zijn. Het gemeentebestuur besluit om deze dispositie aan de regenten van de godshuizen toe te zenden en te antwoorden dat de godshuizen zelf het beheer voeren en jaarlijks 1/3 van de revenuen van de Capellerij uitkeren aan de Ontvanger der registratie te Goes.