Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1840 - 1846)

Openbare orde en rust

Orde en rust in de stad
De Gouverneur krijgt begin januari 1846 een rapportage van het gemeentebestuur over de orde en rust in de stad. Er is sprake van ‘voortdurende rust in de stad’. De Gouverneur verzoekt daarop om in de rapporten over de bestaande orde en rust voortaan aan te geven hoe de toestand van de volksklasse is vooral wat betreft de gelegenheid om in haar onderhoud te voorzien. In maart 1846 maakt het gemeentebestuur in haar rapportage aan de Gouverneur melding van ‘de voortdurende rust en orde, welke in deze gemeente heerst, mitsgaders het inkrimpen van de buitengewone bedelingen, om ter bekwamer tijde geheel te doen ophouden’.

Maar begin april 1846 geeft de Gouverneur kennis van de opzegging van de halfmaandelijkse rapporten over de staat van orde en rust. Het laatste van deze rapporten, met aanwijzing van de gunstige afloop, is de Gouverneur toegezonden. De Gouverneur stuurt in antwoord een dankbetuiging voor de door het gemeentebestuur genomen doeltreffende besluiten om de volksklasse in de bestaande nood aan werk en brood te helpen, de algemene veiligheid te bevorderen en orde en rust te handhaven. Bij een Publicatie zal deze dankbetuiging algemeen bekend worden gemaakt. Hieraan zal worden toegevoegd de erkentelijkheid van het college van burgemeester en wethouders aan alle onderhorige administraties, instellingen van weldadigheid, gewone en buitengewone mitsgaders tijdelijke commissies, verenigingen en personen in de stad die daaraan hebben meegewerkt.

Bedelaars
In deze jaren is er herhaaldelijk sprake van inwoners die vervallen zijn tot bedelarij. Het komt nogal eens voor dat mensen in de bedelstand worden getransporteerd naar bedelaarskoloniën. Een willekeurige illustratie: in 1840 worden Willem Robijn en z’n huisvrouw Maria Schuiling met vijf kinderen in het bedelaarsdepot te Rotterdam opgenomen om naar de bedelaarskoloniën te worden getransporteerd. En in april 1843 wordt naar het bedelaarsdepot te Middelburg opgezonden Johannes Hermanus Harinck, 18 jaar oud en geboren te Goes.


Zondagsheiliging
De Gouverneur wijst er eind mei 1842 op dat in de opgave van het gemeentebestuur van de 21e mei enige aanwijzingen voorkomen die noch als misdrijf of misdaad noch als buitengewoon voorval kunnen worden aangemerkt. Hij schrijft: ‘Ik bedoel die van het dragen van goederen door de wandelkerk, van het kaartspelen aan den publieken weg en andere dergelijke policieovertredingen van welke het hoger gezag geene kennisgeving behoeft te ontvangen’.

Op de 11e juni 1842 wordt een Publicatie over de zondagsheiliging afgekondigd. Deze luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders van de stad Goes,
met leedwezen ontwarende dat de viering van Zon- en erkende godsdienstige Feestdagen  geenszins op zodanige stille en godsdienstige wijze binnen deze stad en ressorte van dien plaats heeft als het hoge belang der zaak vordert, maar aanmerkelijk gestoord wordt zoo door het Uitstallen en Verkoopen met opene deuren, verrigten van openbare Arbeid, het niet gesloten houden van Herbergen, Koffyhuizen en Sociëteiten gedurende de tijd voor den openbare Godsdienst bestemd; mitsgaders openbare Vermakelijkheden, Spelen en maken van gerucht als anderszins in en op de Straten, Pleinen, Wallen en Wandelwegen in en om deze Stad, ofschoon uitdrukkelijk verboden bij de Wet van 1 maart 1815 op het vieren der Zon- en Feestdagen.
Herinneren de Ingezeten dezer Stad en Gemeente en wie het verder aan mag gaan aan de voorschriften van gemelde Wet, bij welke verboden is dat op die dagen verrigt worden enige Beroepsbezigheden welke den Godsdienst zouden kunnen storen en geen openbare Arbeid zal mogen plaats hebben.
Dat met uitzondering van geringe Eetwaren eenige Koopwaren hoegenaamd op Markten, Straten of openbare Plaatsen zullen worden Uitgestald of Verkocht, noch ook door Koopluiden en Winkeliers uitgestald of met opene deuren Verkocht worden.
Dat gedurende den tijd voor de openbare Godsdienstoefening bestemd de deuren der Herbergen en andere Plaatsen, alwaar Drank verkocht wordt, binnen den kring der gebouwen liggende, voor het publiek zullen openstaan.
Dat enige openbare Vermakelijkheden op die dagen zullen plaats hebben; zullende mitsdien ook het dobbelen, kaart- en andere spelen en maken van gerucht in en op de Straten, Pleinen, Wallen en Wandelwegen in en om deze Stad niet geoorloofd zijn of gedoogd worden, alles op straffe bij de wetten en reglementen bepaald.
Gelasten den Commissaris van Policie, benevens de Agenten van Policie dezer Stad, om op de stipte nakoming daarvan ten nauwkeurigste te letten, tegen de overtreders dadelijk proces-verbaal ter vervolging op te maken en in het algemeen zorg te dragen, dat alle hinderlijke bewegingen of geruchten voorgekomen of dadelijk belet worden.
Den 11 juni 1842
Burgemeester en wethouders voornoemd,
J.H. Verschoor van Nisse, burgemeester
L. de Fouw Jzoon, stads secretaris

Loterijen
Een jaarlijks terugkerend besluit van het gemeentebestuur is de benoeming van gedelegeerden of debitanten voor de Koninklijke Nederlandsche Loterijen voor de stad. Zo worden in juni 1840 benoemd de Israëliet Hijman Emanuel, Cornelis Pilaar, M.J. Bosdijk en J.P. Burger voor de 181e, 182e en 183e loterijen.

Vergiftigd suikergoed
In januari 1841 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met een kennisgeving dat de plaatselijke geneeskundige commissie heeft ontdekt dat bij de winkeliers C. Harinck aan de Kaai en Harinck aan de Klokstraat suikergoed wordt verkocht dat met de gezondheid schadelijke zo niet met vergiftige kleurstoffen (voornamelijk geel, groen en rood) was geverfd. De Gouverneur verzoekt deze winkeliers daarover te onderhouden en omzichtigheid aan te bevelen.

IJken maten en gewichten
In juli 1841 overlijdt de arrondissementijker voor het 3e district van Zeeland, de heer L.M. de Kanter. Tot voortzetting van de herijk van de Nederlandsche maten en gewichten wordt voorlopig aangewezen de heer H.D. van Ettinger, meester lootgieter in de stad.

De arrondissementijker P.J. Schrieder vertrekt in april 1846 naar Dordrecht. Zijn opvolger is de heer C. Bollee.

Reinheid en zuiverheid in de stad
In augustus 1844 beraadt de gemeenteraad zich over de bevordering van de ‘zo zeer verlangde en noodwendige reinheid en zuiverheid op de publieke plaatsen in de stad’. De vraag rijst daarbij of de stads asbakken dienen te worden gehandhaafd en zo ja, welke veranderingen en verbeteringen daaraan zullen worden aangebracht. Besloten wordt stadsasbakken op geschikte plaatsen in de stad te behouden. Wat betreft de bestaande asbakken worden de volgende bepalingen vastgesteld:

  • de asbak aan de Bocht van Guinee wordt weggeruimd;
  • de asbak bij de boekweitmolen van de heer O. Verhagen zal in de huidige staat worden behouden;
  • de asbak aan de Molendijk wordt achteruit geplaatst in de dijk, zonder overwelving;
  • de asbak aan de herberg ‘de Walendans’ wordt verplaatst naar de daar aangelegde brandgang. Daarbij wordt mede in het oog gehouden het door de metselaar Gillis Levinus Warrens, wonende in de nabijheid van die asbak, ingediend verzoek om deze asbak te verplaatsen;
  • de asbak in de Zevenkoten wordt voorlopig gehandhaafd;
  • de asbak aan de Havenpoort wordt verplaatst naar de havenkant.

In het gemeentearchief bevinden zich interessante plattegrondtekeningen van de stadsarchitect De Lannee de Betrancourt van de stads asbakken.

De pachter van de stads vuilnis- en asbakken krijgt in maart 1846 een aanschrijving om binnen acht dagen de vangputten en de modderbakken, die in de stadsvest zijn geplaatst, te ledigen en te zuiveren.

Politie

Aan het begin van deze periode zijn er drie politieambtenaren in de stad. Commissaris van politie is de 58-jarige Frans Bakker. Hij is dit vanaf juni 1834 op een jaarlijks traktement van ƒ 500.
De beide agenten zijn de 52-jarige Johannis Evert Loobeek, in dienst sinds oktober 1811 op een traktement van ƒ 300, en de 51-jarige David Vereeke, in dienst sinds februari 1834 op een traktement van ƒ 300. Daarnaast zijn er nog verscheidene veldwachters. Zo stuurt de Gouverneur van Zeeland in januari 1841 een beschikking toe waarbij de Goese koetsier P.M. Schipper op zijn verzoek als veldwachter kan worden geplaatst. Het gemeentebestuur reikt deze aan Schipper uit.

In februari 1845 wordt de agent van politie David Vereeke dadelijk ontslagen. Er is een kwestie ontstaan vanwege dronkenschap waardoor zijn aanblijven in discussie komt. Hij krijgt opdracht z’n uniform en wapens in te leveren. Vereeke levert de volgende dag zijn sabel in, maar weigert z’n uniform in te leveren omdat hij die zelf betaald heeft en het zijn eigendom is. Uit 35 sollicitanten wordt per 1 april 1845 in zijn plaats benoemd de 53-jarige Jan van de Weert op een traktement van ƒ 300. Hij heeft als nevenfuncties kettingsluiter van de zuivelmarkt op dinsdagen en assistent bij het inluiden van de jaarmarkt. Voor zijn indiensttreding was hij sinds 1823 gerechtsdienaar te Goes. Vermeld wordt: ‘Deze zeer geschikte persoon is benoemd ter vervanging van de gedemitteerde agent David Vereeke, terwijl de andere agent J.E. Loobeek een suspensie heeft ondergaan van ruim twee maanden’. Overigens is het grote aantal sollicitanten opmerkelijk. Onder de sollicitanten zijn arbeiders, brievenbestellers, metselaars, stadswerkers, oud militairen, bakkersknechten, tuiniers, kleermakers, hereknechten, schoenmakers, winkeliers, commiezen, etc.

De andere agent van politie, Johannis Evert Loobeek, wordt tijdelijk geschorst voor zes maanden. Hij verzoekt eerbiedig zijn functie weer te mogen voortzetten. Maar het gemeentebestuur verleent hem met ingang van 1 januari 1847 eervol ontslag als agent van politie onder toekenning van een jaarlijks pensioen van honderd gulden. Uit drie sollicitanten draagt de commissaris van politie voor Frans Bakker de 32-jarige Casper Schumveld, geboren in 1814 te Amsterdam, die sinds vier jaar in de stad woont.

Brandweer

Het gemeentebestuur beraadt zich in januari 1841 over de brandweer. Overwogen wordt dat zowel bij het ontstaan van brand in de stad en gemeente als bij het plaats hebben van een dergelijke ramp in de buitengemeenten van het eiland ‘overeenstemmende en spoedig werkende maatregelen niet anders dan nuttig kunnen zijn en daarvan meestal de beste gevolgen te verwachten zijn’. Besloten wordt de volgende bepalingen vast te stellen:

  1. het college van burgemeester en wethouders zal, bij zulke omstandigheden in de stad of het eiland, op het eerste gerucht op het Stadhuis bijeen komen om de te nemen maatregelen te beramen;
  2. de generale brandmeesters en de commandant van de stedelijke schutterij worden uitgenodigd om bij zulke voorvallen zich eveneens dadelijk en op het eerste gerucht of bekomen informatie ter vergadering van burgemeester en wethouders te vervoegen, om zo ten spoedigste met de nodig geoordeelde maatregelen bekend te worden of deze te helpen overleggen en gezamenlijk de uitvoering te verzekeren;
  3. de commissaris van politie wordt aangeschreven en gelast om met zijn agenten in geval van brand in de stad en gemeente of in het eiland dadelijk en op het eerste gerucht naar het Stadhuis te gaan om daar de bevelen van het gemeentebestuur te ontvangen. Hetzelfde wordt aan de stadsfabriek en de onderfabriek gelast om met de twee vaste stadswerkers zich dan dadelijk naar het Stadhuis te begeven. Als het gemeentebestuur nog niet bijeen gekomen is, dan dienen ze de burgemeester onverwijld van het bestaande gerucht of de gedane ontdekking te onderrichten en zijn orders te ontvangen.
  4. Van deze bepalingen wordt mededeling gedaan aan de conciërge van het Stadhuis om in zulke omstandigheden voor de ontvangst van de genoemde autoriteiten, ambtenaren en stedelijke bedienden te zorgen.

In augustus 1841, bij de vaststelling van de jaarrekening over 1840, blijkt dat de brand die in de nacht van de 1e op de 2e februari 1840 in de stad plaats heeft gehad aanleiding heeft gegeven tot buitengewone uitgaven. Deze kunnen uit de gewone middelen van de begroting niet worden bestreden. Gedeputeerde Staten wordt voorgesteld om het tekort van ƒ 130 over te brengen op en te betalen uit het fonds voor onvoorziene uitgaven in de stedelijke begroting van 1840.

De generale brandmeesters rapporteren op de 16e juli 1842 over de in de voorafgaande nacht plaats gehad hebbende brand in de schuur van Levi Emanuel, een Israëliet, in de Bocht van Guinee in wijk B nummer 112. De brand ging zo snel dat, voordat de brandspuiten aankwamen, de gehele schuur en het aangrenzende huisje B nummer 113 van Emanuel voor het grootste gedeelte in een as- en puinhoop was veranderd.

Er zijn deze jaren verscheidene vacatures in de leiding van de brandweer. De brandmeester M.A. Brandt en de onderbrandmeester Johannes de Leeuw krijgen in januari 1842 eervol ontslag. In de plaats van Brandt en de overleden Leendert Verheule worden tot brandmeesters aangesteld J. Temperman en P.J. Somer. In de plaats van De Leeuw, Temperman en Somer worden tot onderbrandmeesters benoemd Johannes Gerard Risseeuw, Jan de Fouw en Govert Buijze. In juni 1843 wordt in de plaats van de overleden Jacobus de Jongh tot generale brandmeester aangesteld mr. Martinus Pieter Blaaubeen. In juli 1845 krijgt de brandmeester Pieter Geense van de ‘Voorstadspuit’ op zijn verzoek eervol ontslag. In zijn plaats wordt benoemd de onderbrandmeester Johannes Dekker, die weer als onderbrandmeester wordt opgevolgd door Adriaan Zandee.

In september 1842 stelt het gemeentebestuur in handen van de generale brandmeesters een overzicht van de situatie van de stadsbrandgangen. Er zijn 22 brandgangen, te weten in de Sint Jacobstraat (gedeeltelijk met een zolder gedekt), in het Vuilstraatje, in het Korte Vosje bij ‘de Kleine Horen’, in de Lange Vos bij S. van Zoom, idem bij H. Zwieter, idem bij I. Glerum, idem bij L. Bannet, idem bij A. Engelblik, idem bij l. Vertregt, in de Kreukelmarkt bij A. Steendijk, in de Lange Kerkstraat bij Roelofse uitkomend in de Korte Kerkstraat, idem bij het Stadhuis uitkomend in de Korte Kerkstraat, in de Wijngaardstraat bij J. Rijnders lopend door de stal op het Slot Oostende, in de Agnesgang uitkomend op de wal, aan de Opril Vlasmarkt bij J. Temperman, aan de Beestenmarkt bij ‘de Bontekoe’, aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat bij A. van Delft, aan de Kleine Kaai bij W. Biersteker, in de Wijngaardstraat bij J. de Backer, aan de Beestenmarkt bij bakker Harinck, aan de Voorstad bij J. Burger.

De generale brandmeesters informeren het gemeentebestuur in januari 1843 dat Leendert Paardekoper is benoemd tot onderbrandmeester bij de stadsbrandspuiten. Hij is op de 24e december 1842 geïnstalleerd en geplaatst bij de tweede afdeling van de ‘Nieuwe Spuit’.

In juni 1843 houden de generale brandmeesters een inspectie. Van hun rapportage neemt het gemeentebestuur kennis. Wel wordt besloten bij Publicatie de ingezetenen te herinneren aan hun verplichting om te zorgen dat ieder huis van een behoorlijke lantaarn is voorzien.

In januari 1844 houdt het gemeentebestuur een conferentie met de generale brandmeesters. Daarbij wordt uitvoerig stil gestaan bij het stedelijke brandwezen. Dit leidt tot twaalf bepalingen, waarvan er drie hierna volgen:

  1. een exemplaar van de generale inventaris van de thans aanwezige voorwerpen bij de brandweer zal binnen vier weken worden overgelegd om ter stedelijke secretarie te blijven gedeponeerd;
  2. vanwege de noodzaak dat de brandblusmiddelen steeds aanwezig zijn en goed bewaard blijven, wordt aan de generale brandmeesters in nadere overweging gegeven om een voordracht te doen om de brandladders te bergen in een bewaarplaats zoveel mogelijk in het midden van de stad;
  3. de brandemmers moeten aanwezig zijn onder het Stadhuis, in het gasthuis en het weeshuis, de sociëteit en in de brouwerijen. Ze worden aan de zorg van de directies en eigenaren van die panden gelaten. Deze zijn verplicht om die steeds voorhanden te hebben en beschikbaar te stellen.

Deze jaren zijn er vier brandspuiten in de stad. Twee zijn voorzien van zogenaamde aanbrengers met zoog- en perspompen en twee alleen met zoogpompen.
De generale brandmeesters sturen het gemeentebestuur in februari 1844 ingevolge artikel 3 van het Brandreglement een ‘Inventaris van alle aanwezige brand- en blusgereedschappen’ toe.

Uit de inventaris blijkt dat er bij de zogenaamde ‘Groote Spuit’ een perspomp met trektouw aanwezig is, bij de zogenaamde ‘Keetspuit’ eveneens een perspomp met trektouw, bij de zogenaamde ‘Nieuwe Spuit’ een perspomp met trektouw en bij de zogenaamde ‘Voorstadspuit’ een ringpomp. De brandladders en haken zijn onder het Stadhuis in de oude Hal geplaatst.
Bij de 1e afdeling van de ‘Groote Spuit’ zijn 1 brandmeester (Joh. Goossen), 1 onderbrandmeester (M.J.l.H. Liebert), 3 pijpbestuurders, 49 pompers aan de perspomp, 1 drager van gereedschap, 1 drager van het dekkleed en de lijn, 2 dragers van de kompaslantaarns en 1 fakkeldrager ingedeeld. Bij de 2e afdeling van de ‘Groote Spuit’ zijn 1 brandmeester (P.J. Somer), 1 onderbrandmeester (P. van Uije Pieterse), 48 pompers, 1 drager van de zak met gereedschap, 1 drager van het dekkleed, 1 drager van de kompaslantaarn en 1 fakkeldrager ingedeeld.

Bij de 1e afdeling van de ‘Keetspuit’ 1 brandmeester (M. Dekker), 1 onderbrandmeester (J. de Fouw), 3 pijpbestuurders, 50 pompers aan de perspomp, 1 drager van het dekkleed, 1 lantaarndrager en 1 fakkeldrager. Bij de 2e afdeling van de ‘Keetspuit’ 1 brandmeester (J. Temperman), 1 onderbrandmeester (J.G. Risseeuw), 25 pompers aan de zuigpomp, 1 drager van de zak met gereedschap, 1 fakkeldrager en 1 bode.
Bij de 1e afdeling van de ‘Nieuwe Spuit’ 1 brandmeester (J.C. de Beste), 1 onderbrandmeester (G. Buize), 3 pijpbestuurders, 50 pompers aan de perspomp, 1 drager van de zak met gereedschap, 1 drager van het dekkleed en de lijn, 1 lantaarndrager en 1 fakkeldrager. Bij de 2e afdeling van de ‘Nieuwe Spuit’ 1 brandmeester (Johannes Dekker), 1 onderbrandmeester (Adriaan Zandee), 24 pompers aan de zuigpomp), 1 drager van de zak met gereedschap, 1 drager van het dekkleed, 1 fakkeldrager en 1 bode.
Bij de 1e afdeling van de ‘Voorstadspuit’ 1 brandmeester, 1 onderbrandmeester, 3 pijpbestuurders, 46 pompers aan de perspomp, 1 fakkeldrager en 1 lantaarndrager.
Verder is er nog het zogenaamde ‘Kerkspuitje’. Opzichter daarbij is W. den Boer, terwijl er 5 personeelsleden zijn.

Naar aanleiding van de op de 25e januari 1844 gehouden conferentie met de generale brandmeesters wordt nog het volgende aangetekend:

  • ter stedelijke secretarie is overgebracht de Inventaris van de brand- en blusmiddelen;
  • de brandladders en haken zijn onder het Stadhuis in de Oude Hal geplaatst; burgemeester en wethouders hebben zich onlangs nog persoonlijk ervan verzekerd dat de brandemmers in goede staat en op de verschillende plaatsen voorhanden zijn;
  • op verzoek heeft de stadsarchitect zich bij het brandwezen te Rotterdam georiënteerd; als gevolg daarvan zullen worden toegezonden: het Brandreglement voor de stad Rotterdam; een extract daaruit; de brief van de stadsarchitect Rose aan de Goese stadsarchitect De Lannee de Betrancourt van 16 februari 1844 over enige verbeteringen aan de spuiten; een nota over het voortdurende opzicht over de spuiten.
  • de nodige orders op het bewaren van de sleutels van de brandspuithuisjes zijn gesteld en de burgemeester heeft ook een sleutel onder zijn bewaring;
  • de bepaalde inspectie van de brandblusmiddelen ten overstaan van burgemeester en wethouders heeft plaats gehad, alsook de oefeningen van de brandspuiten;
  • hoewel bij de eerste inspectie de werking van de zogenaamde ‘Groote Spuit’ veel te wensen overliet, heeft deze en de overige bij de tweede inspectie meer voldoende uitkomsten laten zien;
  • het bleek dat de praktische behandeling van de grote meerderheid van de spuitgasten als gebrekkig moet worden aangemerkt en dringende aanbeveling aan de generale brandmeesters vordert;
  • de burgemeester heeft onlangs, vergezeld van de generale brandmeesters Kakebeeke en Vervenne, op verschillende plaatsen in de stad alle brandspuitgasten, met hun respectieve brand- en onderbrandmeesters verenigd, met genoegen de goede gezindheid, die bij hen aanwezig schijnt te zijn, opgemerkt.

De generale brandmeesters overleggen in maart 1844 een staat van ingezetenen die ze ingevolge het Brandreglement voordragen voor de dienst bij het brandwezen van de stad. Dit tot aanvulling van de door overlijden, vertrek naar elders of anderszins ontbrekende manschappen. In totaal staan er veertig personen op de voordracht. Onder hen zijn bijvoorbeeld de weversbaas J.F. Dobbelaar, de scheepstimmerman F.C. van Hoof, de scheepstimmerman Jan Hubregtse, de schoenmaker Jacobus de Hond, de speksnijder Johannes van Hove, de touwslager Machiel de Keizer en de mandenmaker Arie van de Visse.
Verder zijn het bijna allen arbeiders of knechts.

In mei 1844 schrijven de generale brandmeesters het volgende aan het gemeentebestuur: ‘Wij hebben de eer u te berichten dat in de avond van de 10e mei, op het geroep van ‘brand’ en het luiden van de klok, het personeel behorende tot de Groote en de Voorstadspuit onverwijld zich aan de spuithuisjes heeft verzameld en, op bekomen bevel, de genoemde Groote Spuit, uit hoofde de gerequireerde wagen en paarden niet spoedig genoeg aankwamen, vanuit de stad tot de plaats van de brand, zijnde de meestoof ‘Holland’ te Wilhelminadorp, heeft voortgetrokken en aldaar met de meeste spoed de spuiten heeft in werking gebracht en is verbleven tot des nachts twee uur als wanneer de brand geblust en de dienst van de spuiten niet meer nodig was. Het is ons aangenaam u tevens te kunnen meedelen dat de manschappen over het algemeen zich zeer goed van hun plicht hebben gekweten, doch moeten tevens opmerken dat vele der spuitgasten van de Goote Spuit door het voorttrekken van die spuiten zo zeer vermoeid waren, dat zij niet op den duur met pompen hebben kunnen volhouden en ons alzo bij vernieuwing de volstrekte noodzakelijkheid is gebleken om zo spoedig mogelijk in de door ons aangevraagde voertuigen voor de spuiten te voorzien’. De brief is ondertekend door de generale brandmeesters J. Kakebeeke, Ph. Vervenne en M.P. Blaaubeen.
Uit nader onderzoek blijkt dat van de 1e en 2e afdeling van de ‘Groote Spuit’ 28 manschappen en van de 1e en 2e afdeling van de ‘Voorstadspuit’ 7 manschappen afwezig waren. Alle afwezige manschappen worden ontboden en ondervraagd. Het blijkt dat bijna allen een geldige reden van hun afwezigheid kunnen opgeven.

De generale brandmeesters verzoeken in december 1844 om het buiten gebruik zijnde en nimmer gebruikte stads lijk- of rouwwagentje, staande in een van de lokalen van de stadsschuur, in te richten tot voertuig van een van de stads brandspuiten en ten dienste van de brandweer af te staan. Het gemeentebestuur overweegt dat het lijkwagentje nimmer voor het doel waarvoor het is aangeschaft is aangevraagd. Besloten wordt het wagentje ter beschikking te stellen van de brandweer voor het vervoer van de stadsbrandspuiten.

In december 1844 nemen de onderbrandmeesters Hendrik Cornelis Pilaar en Jacobus van Renterghem de Fouw ontslag. In hun plaats worden benoemd de heren mr. J.L.H. Liebert, advocaat, en F. van Uye Pieterse, kandidaat notaris.
Ook Philip Vervenne verzoekt in december 1845 ontslag als generale brandmeester vanwege zijn langdurige waarneming en gevorderde ouderdom. Ondanks de op hem uitgeoefende aandrang om door te gaan blijft hij bij zijn voornemen. Hij krijgt eervol ontslag onder dankzegging voor de veelvuldige diensten aan de stad verleend. In zijn plaats wordt benoemd tot generale brandmeester de heer Jan de Fouw. In diens plaats als onderbrandmeester komt Pieter Siebes Schrieder, arrondissementsijker. Ook de brandmeester P.J. Somer neemt ontslag vanwege zijn verhuizing uit de stad. In zijn plaats wordt benoemd de onderbrandmeester mr. J.L.H. Liebert en in diens plaats tot onderbrandmeester Jacobus Bal. Ook Johannes Goossen verzoekt in verband met zijn gevorderde jaren en wankelende gezondheid ontslag als brandmeester. In zijn plaats komt F. van Uye Pieterse, thans onderbrandmeester. Deze wordt als onderbrandmeester opgevolgd door J.B. Wiecking.

De generale brandmeesters stellen in november 1845 voor om de aanwezige middelen ten dienste van het brandwezen uit te breiden en aan te vullen met een geschikte wagen voor het vervoer van een perspomp. Een dergelijk vervoermiddel is dringend noodzakelijk. Besloten wordt tot het aanschaffen van een dergelijke wagen.

De heer J. Kakebeeke verzoekt in december 1845 vanwege zijn hoge jaren, te worden ontslagen als president van generale brandmeesters en lid van de commissie van directie over de stedelijke weeffabriek. In zijn plaats wordt benoemd tot president van de generale brandmeesters wethouder Jacobus Walraven van Kerkwijk. Hij wordt tevens lid van de commissie voor de weverij.

In februari 1846 bepaalt het gemeentebestuur, in afwijking van de bestaande gang van zaken, dat, als er brand binnen de stad en gemeente is, de generale brandmeesters ontheven zullen zijn van de verplichting om zich direct naar de vergadering van burgemeester en wethouders te begeven. Ze kunnen ogenblikkelijk zodanige maatregelen nemen en bevelen geven als ze nodig zullen oordelen. Wel zijn ze verplicht om het gemeentebestuur ten spoedigste van tijd tot tijd nauwkeurige rapporten over te brengen en met de stand van zaken bekend te maken. Eventueel kan het gemeentebestuur worden uitgenodigd om ter plaatse de omvang van de brand te bezien en de nodige bevelen te geven en verdere maatregelen te verordenen.

De smid, lootgieter en pompmaker in de stad, Heertje de Graaff, verzoekt in maart 1846 om ingezet te worden voor de reparatie van de stadsbrandspuiten. De generale brandmeesters schrijven in hun advies ‘dat het beroep van smid, lootgieter en pompenmaker niet in zich sluit de kennis van brandspuiten’. De lootgieter en pompmaker Van Ettinger is al sinds jaren met de kleine reparaties aan de brandspuiten belast, ofschoon hij ook geen brandspuitmaker is. Hij heeft daardoor een praktische kennis van de brandspuiten verkregen en bovendien wordt hij geholpen door een van zijn zoons die bij een brandspuitmaker werkzaam is geweest. Het is bij het gemeentebestuur de gewoonte al de beste krachten bij de brandspuiten (de zogenaamde geaffecteerden) zoveel nodig en mogelijk voor de reparaties aan de spuiten te gebruiken en met de leveranties te begunstigen. Bij voorkomende gelegenheden zal ook acht worden geslagen op de smid, lootgieter en pompenmaker Heertje De Graaff. Het gemeentebestuur geeft hem te kennen dat bij voorkomende gelegenheden rekening met zijn verzoek zal worden gehouden.

De generale brandmeesters geven in mei 1846 het gemeentebestuur in overweging om voor een betere uitvoering van het Stedelijk Brandreglement jaarlijks na het opmaken van de registers van patentplichtigen hen opgave te doen van alle ingezetenen die als buskruitverkopers en vuurwerkmakers in de stad bekend staan. Het gemeentebestuur gaat daarmee akkoord. De griffier ter stedelijke secretarie, die met het patentwerk is belast, wordt verzocht om voor de jaarlijkse uitreiking van zo’n opgave aan de generale brandmeesters te zorgen.

In juli 1846 krijgen de generale brandmeesters machtiging voor de aankoop van twaalf linnen brandemmers voor de zogenaamde ‘Sociëteits Spuit’.

De generale brandmeesters Van Kerkwijk, Blaaubeen en De Fouw sturen het gemeentebestuur in oktober 1846 een staat van het benodigde voor het stedelijke brandwezen gedurende 1847. Ze schrijven onder meer: ‘De aanschaffing van aanbrengers, een voor de keetspuit en een voor de Voorstadspuit, blijft een wezenlijke behoefte en wij nemen bij deze de vrijheid er bij uw edelachtbaren op aan te dringen om zodra de stedelijke middelen het zullen toelaten, voor elk een som van duizend gulden op de stedelijke begroting te willen brengen’.

Justitie

Deze jaren is de heer Z.D. van der Bilt La Motthe als advocaat in de stad gevestigd.
Kantonrechter is de heer P.J. Buteux.

In februari 1841 deelt het gemeentebestuur de Gouverneur op zijn verzoek mee dat er op het Stadhuis geen voldoende ruimte voor de arrondissementrechtbank aanwezig is en er volstrekt geen vertrekken voor het kantongerecht afzonderlijk kunnen worden aangewezen.

De gouverneur verzoekt in november 1842 om een ruimte in het Stadhuis beschikbaar te stellen om te dienen als bewaarplaats van de minuten en registers die volgens de Wet op het Notarisambt daar moeten worden overgebracht. Na overleg met de Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank geeft het gemeentebestuur als antwoord dat er geen lokaal beschikbaar is. Wel kan van twee grote kasten van het stedelijke bestuur op een bovenruimte van het Stadhuis voorlopig gebruik worden gemaakt. Pas in augustus 1843 komt er bericht van de Gouverneur dat er geen bedenkingen bestaan tegen de door het college in overleg van de Officier bij de Arrondissementrechtbank voorlopig aangewezen plaats op het Stadhuis voor de berging van de minuten en registers van de notarissen. Hij verzoekt om nu ten spoedigste tot de inrichting daarvan over te gaan en om, wanneer dit is gebeurd, de Officier daarvan in kennis te stellen.

In december 1846 benoemt Zijne Majesteit de Koning tot substituut officier bij de arrondissementrechtbank te Goes de heer mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen. Hij komt in de plaats van mr. Adriaan Johannis van Deinse, die raadsheer bij het Provinciaal Gerechtshof is geworden.

Ter illustratie volgen hierna enkele opgaven van bijzondere voorvallen, misdaden en misdrijven. Zo meldt de burgemeester over de periode juli tot oktober 1842 de volgende ongeoorloofde godsdienstoefeningen:

  • op 31 juli procesverbaal tegen ds. H.J. Budding;
  • op 3 augustus tegen ds. H.J. Budding;
  • op 7 en 10 augustus tegen ds. H.J. Budding;
  • op 15 augustus tegen ouderling Johannes de Jonge;
  • op 17 augustus tegen ds. L.C.G. Ledeboer;
  • op 21 augustus tegen ds. L.C.G. Ledeboer;
  • op 28 augustus tegen ouderling Johannes de Jonge;
  • op 4 september tegen ouderling Johannes de Jonge;
  • op 11 september tegen ouderling Johannes de Jonge;
  • op 18 september tegen ouderling Johannes de Jonge;
  • op 25 september tegen ouderling Johannes de Jonge.

Over het vierde kwartaal 1842 meldt de burgemeester de volgende politiebemoeiingen:

  • ongeoorloofde godsdienstoefening op 2 oktober; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 10 oktober; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 17 oktober; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 23 oktober; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 30 oktober; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 2 november; overtreder ds. H.J. Budding;
  • 6 november diefstal en inbraak bij H. Zwieter;
  • ongeoorloofde godsdienstoefeningen op 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 november; overtreder ds. H.J. Budding;
  • 15 november ontvreemding;
  • ongeoorloofde godsdienstoefeningen op 13, 14, 16 en 18 november; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 20, 23 en 25 november; overtreder ds. H.J. Budding;
  • 29 november publiek bedelen door Jan Mange;
  • ongeoorloofde godsdienstoefeningen op 27, 28 en 30 november en 2 december; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 4, 6, 7 en 9 december; overtreder ds. H.J. Budding;
  • idem op 11, 12, 14 en 16 december; overtreder ds. H.J. Budding;
  • 17 december diefstal bij nacht van veertig olmen mutsaars;
  • ongeoorloofde godsdienstoefeningen op 18, 19, 21, 23, 25, 26, 28, 30 en 31 december; overtreder ds. H.J. Budding.

Het is opmerkelijk dat er in het 4e kwartaal 1842 45 overtredingen plaats vonden, waarvan 41 wegens ongeoorloofde godsdienstoefeningen onder leiding van de predikant ds. H.J. Budding. Enerzijds is er nauwelijks sprake van onwettige en strafbare handelingen in de gemeente. Anderzijds mag het schrijnend worden genoemd dat in 41 van de 45 gevallen beboet werd voor geen criminele maar weliswaar onwettig gehouden godsdienstoefeningen.

Uit de extracten van het Provinciaal Gerechtshof in Zeeland blijken de volgende veroordelingen tot lijf- of onterende straffen, uitgesproken gedurende de zes laatste maanden van 1845 en de zes eerste maanden van 1846:

  • op 19 september 1845 tegen Wilhelmus van Sprang, oud 54 jaar, geboren en laatst woonachtig te Goes, arbeider van beroep, wegens diefstal gepleegd bij nacht uit een bewoond schip door middel van inklimming. De opgelegde straf is: een half uur te pronkstelling op een schavot, hechtenis van vijf achtereenvolgende jaren en betaling van de kosten van de procedure;

Er blijken in geheel Zeeland slechts negen veroordelingen te zijn geweest, de meeste wegens diefstal. Deze worden alle gestraft met vijf jaar gevangenisstraf en meestal een half uur te pronk stelling op een schavot.

Ter illustratie ook nog enkele opgaven van buitengewone voorvallen, gepleegde misdrijven en misdaden in de stad:

  • op 3 maart 1847 wegens ontvreemding van een stukje boter, zwaar vijf oncen, van de dienstmeid van Cornelis Corstanje;
  • op 24 maart 1847 wegens ontvreemding; overtreder is Janis Verplakke;
  • op 24 maart 1847 wegens ontvreemding van koperen gewichten; overtreder is Jan van de Visse;
  • op 17 april 1842 wegens bedelarij; overtreders zijn Frederik Goeree, Cornelis van Gilst en Laurina Polderdijk;
  • op 17 april 1842 wegens ontvreemding van een katoenen manshemd en molton onderbroek; dader onbekend.

Gevangenis

Deze jaren wordt steeds meer de gebrekkigheid van de gevangenkamers in de Stadhuistoren gevoeld. De burgemeester stelt in februari 1840 voor om de lokalen die voor gevangenis dienst doen ‘s avonds van licht te voorzien. Het gemeentebestuur besluit de regenten over het Huis van Arrest binnen de stad de bezwaren daartegen en het gevaar en de schade, die daaruit zou kunnen ontstaan, onder de aandacht te brengen. Ze worden verzocht om daar tegen voorzieningen te nemen of voor te stellen. Aangedrongen wordt op de noodzaak om de gebrekkige gevangenlokalen door een geschikt gevangenhuis te vervangen.

Het college van regenten over het Huis van Arrest geeft het gemeentebestuur in augustus 1840 kennis dat het hogere bestuur is geadviseerd over de door het gemeentebestuur geuite vrees voor gevaar bij het voorgenomen verlichten van de gevangenlokalen. Het hogere bestuur kan echter dat gevaar niet erkennen en zal zich bepalen tot het nemen van de nodige voorzorgen en het aanbevelen van de meest mogelijke voorzichtigheid tot het voorkomen van onheilen. Na deliberatie besluit het gemeentebestuur te antwoorden, dat ze van oordeel blijft dat het plaatsen van licht in de gevangenkamers niet zonder gevaar kan zijn. Kennelijk wordt gevreesd voor brandgevaar. Het college van regenten over het Huis van Arrest wordt aangeraden ‘om het Licht buiten de Lokalen, aan de buitengevel van het Stadhuis, te doen aanbrengen’.

Gedeputeerde Staten nodigen de gemeenteraad in februari 1841 uit om de totstandkoming van een nieuw arrondissement Huis van Arrest binnen de stad te helpen bevorderen. De kosten daarvan kunnen niet geheel ten laste van het Rijk worden gebracht.

Het gemeentebestuur besluit Gedeputeerde Staten kenbaar te maken dat de vergadering bereid is om tot dekking van de kosten voor het inrichten van een nieuw arrondissement Huis van Arrest gedurende vier achtereenvolgende jaren te bestemmen en af te zonderen het bedrag van de twee percent op de stedelijke begroting over die jaren tot beschikbaarstelling aan het algemeen bestuur uit te trekken.

In augustus 1841 is het gemeentebestuur kennelijk van mening veranderd. Besloten wordt om Gedeputeerde Staten te verzoeken om vooralsnog verschoond te blijven van het doen van een voorstel tot het inrichten of stichten van een Huis van bewaring. Het is verkieselijker voorgekomen om voorlopig van de huidige, hoewel alleszins gebrekkige lokalen gebruik te maken. Bij het tot stand brengen van een nieuw arrondissementsgevangenhuis kunnen dan pogingen worden gedaan om in combinatie daarmee een huis van bewaring tot stand te brengen.

Het gemeenteverslag over 1843 vermeldt: ‘Het gebrek aan een arrondissementsgevangenis doet zich steeds meer gevoelen’.
Gedeputeerde Staten schrijven het gemeentebestuur in januari 1843 dat ze er genoegen mee nemen dat de huizen van bewaring te Goes met de gevangenissen verenigd blijven tot dat een nieuwe arrondissementgevangenis in de behoefte voorziet. Maar de Officier van Justitie bij de arrondissementrechtbank denkt hier anders over. In januari 1843 verzoekt hij het gemeentebestuur ‘te voorzien in de slechte staat van de ten Stadhuize aanwezige gevangenlokalen, bekend onder de benaming van ‘Wakerskamer’ en ‘Dubbele hutte’, alwaar de gevangenen, vooral door het indringende water langs de zolder, veel te lijden hebben’. Besloten wordt een afschrift van deze brief aan de commissie van administratie over de gevangenhuizen in de stad te zenden met verzoek om daarop zoveel mogelijk te attenderen. De regenten over het Huis van Arrest in de stad geven daarop in februari te kennen ‘buiten machte te zijn om aan het verlangen van de vergadering te voldoen door te voorzien in de klachten omtrent het doorregenen in de gevangenlokalen ten Stadhuize, aangezien zulks veroorzaakt wordt door de slechte staat van de Stadhuistoren’. Het gemeentebestuur besluit daarin voorlopig van stadswege te voorzien.

Over de toestand in de gevangenisruimten in de Stadhuistoren schrijft de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank op de 24e januari 1843 het volgende: ‘Bij mij ingekomen zijnde klagten dat de gevangenen in het huis van arrest te dezer stede, welke geplaatst zijn op de zogenaamde wakerskamer en dubbele hut, telkenmale wanneer het regent, door het op gemelde kamers langs den zolder indringende water veel overlast lijden; en te dikwijls schier geen plekje weten te vinden waar zij hunne nachtlegers op het drooge kunnen nedervleijen. Zoo heb ik mij na bewerkstelligd onderzoek van derzelver gelegenheid maar al te zeer moeten overtuigen. Intusschen verpligt zijnde om de onder mijn toezigt gestelde gevangenen, uit volslagen gebrek aan andere lokalen, ondanks mij zelven op gemelde vochtige en kille vertrekken te moeten opsluiten en maar al te dikwijls derzelven getal tot twaalf, veertien en meerder te moeten amasseren, zoo acht ik mij, in het belang der buitendien zoo zeer beklagenswaardige gedetineerden, gedrongen mij met het bovengemelde tot uw edelachtbaren te wenden. Vermeenende dat ook uw achtbaren  genoegzaam bekend zijt met den gebrekkigen staat der gevangenissen te dezer stede in het algemeen, heb ik de eer uw achtbaren met de onderhavige bijzonderheid bekend te maken, mij geredelijk overtuigd houdende dat zulks voldoende zijn zal om het nodige in het werk te stellen, teneinde, vooral bij het tegenwoordige natte en koude winterseizoen, in dat gebrek te doen voorzien’.


In februari 1846 verzoekt de Gouverneur een opgave of er in de stad gelegenheid bestaat tot het plaatsen van enige licht gestrafte gevangenen ‘uit hoofde van het steeds toenemende getal’. Het gemeentebestuur antwoordt daarop dat het enige beschikbare lokaal, de Hoofdwacht, al tijdelijk afgestaan is. Er is geen andere ruimte meer voorhanden, omdat de vroeger afgestane ruimte in de Stadhuistoren, bij gemis van de gevraagde toestemming tot inrichting, nog buiten gebruik is. Hierin zou Hierindoor een spoedige beschikking op de gedane aanvraag kunnen worden voorzien.

Het gemeentelijke jaarverslag over 1846 rapporteert over de gevangenenlokalen, waarvan de ongeschiktheid voor een arrondissementgevangenis al sinds jaren gebleken is. Er moest opnieuw voor een hulpgevangenis gedurende enige weken worden gezorgd. Op de aanvraag van de substituut Officier van Justitie is toegestaan om het lokaal van de Hoofdwacht buiten kosten van de stad voor verblijf van lichte gevangenen te gebruiken. 

Schutterij

De dienstdoende schutterij bestaat deze jaren uit 92 manschappen, te weten 1 sergeant majoor, 4 sergeanten, 1 foerier, 7 korporaals, 3 tamboers en 76 schutters.

In 1840 doen zich enkele vacatures voor in de staf van de stedelijke schutterij. In overleg met de commandant van de schutterij wordt tot vervulling van de vacatures de volgende voordracht opgesteld: in de plaats van de 1e luitenant mr. G. van IJsselsteijn de heren L.D. de Peval, M.J. Soutendam en M. van Lindonk; in de plaats van de heer De Peval (bij een eventuele benoeming tot 1e luitenant de heren M. J. Bosdijk, A. Nortier en Joh. Steendijk; in de plaats van de heer C. Pilaar de heren mr. P.J.A. van Dam, O. Verhagen en R.B. van den Bosch.
De Gouverneur geeft in april kennis van de benoeming van Jonkheer Aarnout Reinier de Haze Bomme, thans majoor bij het halve bataljon rustende schutterij, tot kapitein commandant met de personele rang van Majoor bij de dienstdoende schutterij van de stad.
Hij volgt de heer L.C. de Peval op als commanderend officier van de dienstdoende schutterij en voorzitter van de schuttersraad.
In januari 1841 wordt eervol ontslag verleend aan de heer Cornelis Pilaar als 2e luitenant bij de stedelijke dienstdoende schutterij. Tot 1e luitenant wordt benoemd de heer Laurens Carel de Peval en tot 2e luitenants de heren Marinus Johannes Bosdijk en mr. Paulus Johan Adriaan van Dam.
De Gouverneur bericht in januari 1846 over het eervol verleende ontslag aan de heer Johannes Steendijk als 2e luitenant bij de dienstdoende schutterij en van de benoeming in deze functie van de heer Theunis van Heel. En in juli 1846 dat tot kapitein commandant van de stedelijke dienstdoende schutterij is benoemd de heer Laurens Carel de Peval. Tot 1e luitenant wordt benoemd de heer Paulus Johan Adriaan van Dam, thans 2e luitenant.

De Gouverneur van Zeeland stuurt in januari 1840 bericht van het eervol ontslag voor de heren Dominicus, Kakebeeke, Van Dam, Soutendam en Burger als officieren bij de Zeeuwsche Mobiele Schutterij. Ook komt er dan een afzonderlijk bericht van de Gouverneur over het eervol verleende ontslag als officieren van de voormalige Zeeuwsche reserve schutterij voor de heren Van den Thoorn, Hochart en Kakebeeke.
Tot officier van gezondheid der 3e klasse bij de dienstdoende schutterij wordt in 1846 benoemd de heer Teunis Pieterse, heel- en vroedmeester in de stad.

De Gouverneur wenst in juni 1846 geïnformeerd te worden over de gezindheid van de heren Callenfels en Van Renterghem vanwege de aanvaarding van een eventuele benoeming als Officier van gezondheid bij de dienstdoende schutterij. Het gemeentebestuur verzoekt de Gouverneur de benoeming van de eerste kandidaat, de heel- en vroedmeester Teunis Pieterse, te bevorderen. Pieterse krijgt inderdaad een benoeming tot Officier van gezondheid. 

Van geheel andere orde is het verzoek in april 1844 van Pieternella John, echtgenote van Johannes Koopman, kastelein in de herberg ‘Pas Buiten’. Op verzoek van verscheidene liefhebbers van het handboogschieten verlangt ze om in de tuin achter de herberg een schuttersdoel te mogen stichten. Hiervan is niet het minste gevaar voor ongelukken te duchten. Ze krijgt hiervoor toestemming.

Uit het rapport van de deskundigen voor de examinatie van de stadspoorten van begin januari 1845 blijkt dat de bewaarplaats van het kruit en de patronen van de stedelijke schutterij ‘niet die zekerheid oplevert welke een volkomen geruststelling vordert’. Er is omgezien naar een meer geschikte plaats. Het lokaal bij het Kaaiklokje en de Hoofdpoort tegenaan het bastion Hoogewerve komen hiervoor wel in aanmerking, maar zijn ook niet geheel vrij van bedenkingen. Het lijkt het gemeentebestuur het beste om de huidige bewaarplaats in de toren van de Ganzepoort te behouden. Wel moeten dan enkele voorzieningen worden aangebracht. De gemeenteraad besluit de huidige bewaarplaats voor het buskruit en de patronen in de toren van de Ganzepoort te behouden. Er zullen enkele maatregelen worden getroffen. Zo zal de schoorsteen, die aanwezig is in de klapperwacht boven de Ganzepoort, worden verplaatst. En tot het afdekken van de kist, waarin het kruit en de patronen worden bewaard, zal een geschikt haren kleed worden aangekocht. In april komt er bericht dat ‘het aangevraagde hairen kleed, tot dekking van het kruit en de patronen van de stedelijke schutterij’, is ontvangen. Het zal worden toegestuurd aan de commandant van de stedelijke schutterij om in gebruik te stellen.

Het gemeentebestuur ontvangt in mei 1845 voor advies een bij Zijne Majesteit de Koning ingediend verzoek om ontslag van Jonkheer Aarnout Reinier de Haze Bomme, ridder van de Militaire Willemsorde 4e klasse, om ontslag uit zijn betrekking van majoor commandant van de dienstdoende stedelijke schutterij. Met leedwezen wordt hierover gunstig geadviseerd.

Naar aanleiding van een schrijven van de Gouverneur in augustus 1846 verklaart de kapitein commandant van de stedelijke schutterij het wenselijk te vinden om de vuursteengeweren van de schutters te veranderen in slaggeweren. Er zijn honderd stuks nodig, die in gedeelten van 25 tegelijk zouden kunnen worden opgezonden, dit ter voorkoming van een tijdelijke gehele ontwapening.
Ook in augustus 1846 verzoekt de schutterraad om toestemming om op de meest voordelige wijze te mogen verkopen een aantal oude schakots en verdere schutterskledingstukken. Deze zijn in het magazijn voorhanden en ongeschikt voor verder gebruik. Hiermee wordt ingestemd.
En in oktober 1846 rapporteert de commissaris van politie in de stad over de gehouden inspectie in de bergplaatsen van de buskruitverkopers J.C. Massee en J. Reijnhout. Daarbij bleek dat de nodige voorzorgen voor de bewaring van buskruit in acht worden genomen en dat de voorhanden zijnde haren kleden tot het afdekken van het buskruit van dezelfde stof vervaardigd zijn als het kleed dat gebruikt wordt in de bewaarplaats van het kruit van de stedelijke schutterij.

Garnizoen

Op de 11e november 1845 komt er bericht van de Gouverneur van Zeeland over de komst van een detachement dragonders te paard in de stad. Van de te Haarlem gevestigde eskadrons van het 2e regiment dragonders zullen een officier en 25 onderofficieren en manschappen, allen bereden, naar de stad Goes worden gezonden om gedurende de winter 1845/1846 de goede orde in het eiland Zuid-Beveland te helpen verzekeren. Gedurende hun verblijf in de stad moeten ze bij de ingezetenen worden ingekwartierd, gehuisvest en gevoed, terwijl de paarden zoveel mogelijk verenigd moeten worden gestald. De Gouverneur verzoekt het nodige daarvoor te bewerkstelligen en voor te bereiden. Het detachement zal om de twee maanden worden afgelost.

Het detachement dragonders arriveert op de 21e november in de stad. Het blijkt een groot bezwaar op te leveren om de paarden van geschikte stalling te voorzien. Na gehouden overleg en in overeenstemming met het gevoelen van de district commissaris en de commandant van het detachement besluit het gemeentebestuur om de Gouverneur zijn medewerking en toestemming te vragen om het grootste gedeelte van het detachement in de naburige gemeenten te legeren en daardoor de ingezetenen van de stad van het in deze omstandigheden aanmerkelijk bezwaar van inkwartiering voor een gedeelte te ontheffen. Tevens kan het belang van het detachement hierdoor worden bevorderd. De Gouverneur is hiervoor ontvankelijk en geeft toestemming voor de inkwartiering van een gedeelte van het detachement cavalerie in de naburige randgemeenten. Daarvoor ontvangt hij een dankbetuiging van het gemeentebestuur. Tevens wordt hem meegedeeld dat de overblijvende ruiters en paarden buiten kosten van de ingezetenen behoorlijk zullen kunnen worden gehuisvest en gestald.

De burgemeester legt het college in zijn vergadering van de 6e december 1845 een aanschrijving van de Gouverneur over met het verzoek om gezamenlijk met de district commissaris hem een voorstel te doen over het verstrekken van de foerages voor de paarden van het detachement dragonders. Volgens de burgemeester kan daarin waarschijnlijk buiten de verlangde bemoeiingen worden voorzien. Hij heeft daarover aan de Gouverneur een voorlopig rapport ingezonden. Het college gaat hiermee akkoord.
Jan Koens is bereid de levering van de foerages voor de dragonderpaarden voor een bepaalde prijs aan te nemen. Over de prijs wordt onderhandeld met de Intendant in de 1e Militaire Administratieve Directie te ’s Hage. Ook Adriaan Kooman is geïnteresseerd in de levering van foerage voor de paarden. De Intendant vraagt het gevoelen van de burgemeester over het verzoek van Kooman om te worden begunstigd met de leverantie van foerage voor de paarden van de in het eiland gestationeerde dragonders. De burgemeester vindt de aanbieding van Koens echter voordeliger. De Intendant besluit dat de aanneming van de leverantie van foerage voor de dragonders is gegund aan Jan Koens.

In januari 1846 komt er een bericht van de Gouverneur met de kennisgeving dat volgens beschikking van de Minister van Oorlog het thans in Zuid-Beveland geplaatste detachement cavalerie niet, zoals vroeger bepaald is, om de twee maanden zal worden afgelost. Het zal in de stad verblijven zolang dit nodig geacht wordt.

De commandant van het detachement dragonders in Zuid-Beveland verzoekt het gemeentebestuur in januari 1846 om maatregelen tegen het houden van nachtpartijen in het logement ‘het Huis den Bosch’, waar de hier aanwezige dragonders zijn ingekwartierd, dit tot voorkoming van ongeregeldheden. Deze brief wordt voor kennisgeving aangenomen.

Begin april 1846 geven de majoor adjudant in het provinciaal kommandement van Zeeland en de Gouverneur kennis van de terugmars van het in de stad gelegerde detachement dragonders naar Haarlem. Maar begin november 1846 komt er van de majoor adjudant in de provincie bericht dat op de 11e november in de stad zal aankomen en vernachten een detachement van het 2e regiment dragonders, bestaande uit 1 officier en 19 onderofficieren en manschappen, allen te paard, die zich de 12e november naar Middelburg zullen begeven.

De commandant van het detachement van het tweede regiment dragonders deelt in november 1846 mee dat zijn detachement, bestaande uit 1 officier, 19 onderofficieren en manschappen alsook 20 paarden, op de 11e november binnen de gemeente Goes zal aankomen om te overnachten. Hij verzoekt hem in de aankoop van de benodigde foerages behulpzaam te willen zijn en de commissaris van het veer op Middelburg te verwittigen dat hij aldaar de 12e november met zijn detachement moet passeren.

Corps marechaussee

De Gouverneur van Zeeland geeft begin januari 1841 te kennen dat er bij het gouvernement in overweging is genomen om het thans bestaande korps marechaussee een belangrijke uitbreiding te geven. Voor de provincie Zeeland betekent dit een compagnie, bestaande uit 116 officieren en manschappen, waaronder 30 te paard, verdeeld in 18 brigades van tenminste vijf man. De gemeenten wordt hiervoor een bijdrage gevraagd. Het gemeentebestuur ziet hier alleszins de nuttigheid van in en erkent het wenselijke van de oprichting van een korps marechaussee tot beveiliging van personen en eigendommen. De bereidheid bestaat om in evenredigheid van andere steden van de provincie uit de stadskas een bijrage te leveren. Eerst wil de gemeenteraad echter een opgave van de kosten voor het onderhoud van zo’n veiligheidskorps ontvangen.

Veiligheid

In deze jaren worden op tal van huizen en panden schoorstenen gebouwd, bestaande schouwen worden veranderd en stookplaatsen worden aangelegd. Ter illustratie kan dienen dat in 1840 door het gemeentebestuur wordt beschikt op verzoeken voor het bouwen of veranderen van schoorstenen van Jacobus Bruggeman in zijn woonhuis wijk A nummer 178; G. van de Velde in zijn woonhuis wijk C nummer 71; Adriaan de Bruine in ’t woonhuis wijk D nummer 68; Jonkheer mr. P.J. Boddaert in zijn woonhuis buiten de Voorstad in wijk E nummer 71; Johannes Melse in zijn woonhuis wijk A nummer 62; Anna Maria Sampon in haar woonhuis wijk A nummer 208; erven van J.J. Burger in hun woonhuis wijk C nummer 253; Martinus Stieger in zijn woonhuis wijk D nummer 49; Adriaan Kooman in zijn woonhuis wijk E nummer 81; mr. J.A. Voijer in zijn woonhuizen wijk A nummers 171, 172 en 174; Maarten Wagenaar in zijn woonhuis wijk B nummer 103;  A. Bosschaart in zijn woonhuis wijk C nummer 209; Louis Mottet in zijn woonhuis wijk D nummer 18; J.P. de Wijs in zijn woonhuis wijk A nummer 108; J.M. Dekker in zijn woonhuis wijk B nummer 142; de heer Pilaar c.s. in hun lokaal wijk B nummer 151; W. Verstrate in zijn woonhuis wijk B nummer 196; Ferdinand Rutsaart in zijn woonhuis wijk C nummer 224; J. van Heze in zijn woonhuis wijk C nummer 262; J. Kakebeeke in zijn woonhuis wijk D nummer 87; G. Nagelkerke in zijn woonhuis wijk D nummer 134; Willem van den Thoorn in zijn woonhuis wijk A nummer 203; Adriaan de Haas in zijn woonhuis wijk A nummer 188 en Pieter Fabrij de Jonge in zijn woonhuis wijk C nummer 31.
Ook in 1842 komen verzoeken binnen voor het bouwen of veranderen van schoorstenen en stookplaatsen van Jan Koens in het Slot Oostende in wijk A nummer 106 om een oude schoorsteen af te mogen breken en een nieuwe op te bouwen; van Philip Vervenne in zijn pand aan de Grote Kaai in wijk B nummer 13; de weduwe Verheule in haar huis aan de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 74; Govert Klemkerke in zijn huis in wijk B nummer 214; Gerard van de Velde in zijn huis in wijk C nummer 95 en Abraham Emanuel in zijn huis in de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 177; C.P. Soutendam in zijn pand in wijk C nummer 179; Nicolaas Duivewaard in zijn pand in wijk C nummer 179; J. de Bruin in zijn pand aan de Oprel van de Grote Markt in wijk A nummer 21; J.W. Bussing in zijn pand aan de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 121; W. van der Straten in zijn huis aan de Molendijk in wijk B nummer 197; Simon van Zoom in zijn huis aan de Molendijk in wijk C nummer 237; W. van Leent in zijn huis in wijk E nummer 62; Marinus Johannis  Soutendam in zijn buitenplaats het Valckeslot in wijk E nummer 31 voor het stichten van een haardstede; Marinus de Dreu om een bakoven te plaatsen bij zijn huis in wijk E nummer 139; A. van de Velde in zijn huis in wijk B nummer 129; J.F. Fransen van de Putte in zijn pand in wijk C nummer 159; Pieter Mange in zijn pand in wijk C nummer 189; N. Duivenwaard in zijn pand in wijk C nummer 191; J.C. Massee in zijn huis in wijk C nummer 221; H. Boer in zijn huis in wijk C nummer 195; Anna Schoenmaker weduwe Rogge in haar huis in wijk D nummer 135; Marinus Weststrate in zijn huis in wijk C nummer 148; J.J. Visser in zijn huis in wijk C nummer 15; Van den Dungen in zijn huis in wijk C nummer 42;
In 1843 zijn er verzoeken van Cornelis de Jonge, J.D. Somer, G. van de Velde, P. Panny, F.A. Mol, W. van de Luijster in zijn huis in wijk D nummer 69, Georgio Corte in zijn huis in wijk B nummer 65, P. Johannessen in zijn huis in wijk C nummer 160, A. Blonkers in zijn huis in wijk C nummer 33, Johannes Magielse in zijn huis in wijk C nummer 133, G. Klemkerke in zijn huis in wijk D nummer 67, M. de Keijser in zijn huis in wijk A nummer 166, C. van den Ende in zijn huis in wijk A nummer 142, H. Boshoff in zijn huis in wijk A nummer 179, de Israëliet A.M. Groen in zijn huis in wijk B nummer 9, C.A. Verhoef weduwe Kruijsse in haar huis in wijk C nummer 57, Johannes Dekker in zijn huis in wijk C nummer 145, Nicolaas Vertregt in zijn huis in wijk C nummer 171, Willem den Boer in zijn huis in wijk C nummer 196 en Pieter Meijler in zijn huis in wijk D nummer 215 voor het verkrijgen van consent voor het bouwen of veranderen van schoorstenen en stookplaatsen.