Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1840 - 1846)

Begraafplaatsen

Door de ingebruikname van de nieuwe begraafplaats heeft de kerkvoogdij van de Hervormde gemeente een verlies geleden. Voorheen was er een inkomstenbron door de verkoop van graven in de Grote kerk. De gemeenteraad stelt in februari 1840 de maximum uitkering aan de kerkvoogdij als vergoeding voor het door hen geleden verlies van begrafenisrechten vast op ƒ 700.

Op voorstel van de Ontvanger van de begrafenisrechten besluit de gemeenteraad  deze te machtigen om, onder directie van de stadsfabriek en binnen de begrote middelen, herstelwerkzaamheden aan de begraafplaats uit te voeren. Ook krijgt hij toestemming om rouwdekken en -kappen voor de paarden, die voor de stadsrouwkoets worden gebruikt, aan te schaffen.

De stadslijkdragers G. van den Ende, A.J. Benjaminse en J. de Hond maken er in november 1843 bezwaar tegen om bij begrafenissen van rooms-katholieke ingezetenen de bij die gezindheid gebruikelijke kerkelijke plechtigheden bij te wonen. De Ontvanger van de begrafenisrechten stelt voor, tot voorkoming van de nadelen die daaruit voor de andere lijkdragers kunnen voortvloeien, om het aantal assistent-lijkdragers nog met twee uit te breiden en daardoor op vier te brengen. Zodoende ontstaat er een voldoende aantal lijkdragers buiten degenen die bezwaar maken tegen het dienst doen bij begrafenissen van rooms-katholieke ingezetenen. Het gemeentebestuur benoemt tot assistent lijkdragers Jacob Wessel en Anthony van Blitterswijk. De lijkdragers Benjaminse, De Hond en Van den Ende zullen niet delen in de voordelen van dergelijke begrafenissen die ze, op de door de onderscheidene gezindheden verlangde en niet met enige wettige verordening strijdende wijze, niet verkiezen bij te wonen. De voordelen daarvan zullen door de andere lijkdragers afzonderlijk worden genoten.

In december 1843 overlijdt de koetsier van de stadslijkkoets, Laurus Laurusse. In zijn plaats wordt de huurkoetsier Pieter Panny aangesteld. De Ontvanger van de begrafenisrechten verzoekt in januari 1846 inlichtingen of de huurkoetsier Pieter Panny ook na 1845 zal worden begunstigd met de dienst van de lijkkoets bij begrafenissen. Hij krijgt te horen dat de huurkoetsier Panny ook gedurende het jaar 1846 voor deze dienst zal kunnen worden gebruikt.

De Ontvanger van de begrafenisrechten doet in juli 1845 een voorstel tot het verenigen van de nieuwe met de oude begraafplaats. Ook stelt hij voor bepaalde reparaties te doen aan het woonhuisje op de begraafplaats. Het gemeentebestuur besluit tot de voorgestelde vereniging op de minst kostbare wijze alsook tot het doen van de nodige reparaties. 

Haven, sas en kanaal

Op de 11e april 1842 worden ernstige verzakkingen door het wegvallen van de vooreinden van de beide nollen of havendammen bij het Goese Sas ontdekt. De ingenieur bij de Waterstaat wordt hiervan kennis gegeven en verzocht behulpzaam te zijn bij het voorlopige herstel. De ingenieur verklaart zich daartoe bereid. Van deze calamiteit wordt de Gouverneur kennis gegeven. In het gemeentearchief bevindt zich een situatietekening van de zogenaamde degradaties.
De burgemeester doet van de aanmerkelijke degradaties aan de buitenhaven op de 16e april mededeling aan de gemeenteraad. Ook licht hij toe welke provisorische maatregelen zijn genomen tot behoud van het overgebleven gedeelte van deze werken. Door de aanhoudende sterke noorden en noordoosten winden is het niet mogelijk geweest om de nodige peilingen te doen, waardoor de wijze van herstel kan worden opgemaakt en beoordeeld.

In juni 1842 legt ingenieur Schraver een bestek en berekening over voor het herstel van de beide buitenhavendammen. De kosten zijn begroot op ƒ 9.700, terwijl de voorlopige voorziening ƒ 860,55 heeft gevergd. Na uitvoerige overwegingen (de argumenten zijn in het notulenboek weergegeven) besluit de gemeenteraad om de Gouverneur te verzoeken ‘dat de buitenhavendammen vanaf de meer binnenwaarts gelegen en ter bescherming van de havensluis klaarblijkelijk daargestelde dammen of nollen naar buiten, in derzelver tegenwoordige staat voor rekening van de Waterstaat mogen overgenomen en in het vervolg onderhouden worden en daarvoor een gunstige voordracht mag worden gedaan’. Het duurt tot januari 1843 voordat de Gouverneur meedeelt dat volgens het gevoelen van de Hoofdingenieur van de Waterstaat ‘een inkorting van de buitenhavendammen op een onkostbare wijze zou kunnen geschieden en men alsnu zou kunnen volstaan met het aanbrengen van een kraagstukje aan de oostzijde van de westelijke havendam’. De burgemeester deelt de gemeenteraad op de 14e januari 1843 mee dat het college van burgemeester en wethouders intussen een locale inspectie heeft gedaan en dat de stadsfabriek is gelast om voor het verlangde project een berekening van kosten te formeren, die te zijner tijd aan de raad zal worden voorgelegd. In augustus 1843 keurt de gemeenteraad de condities voor de openbare aanbesteding van de nieuwe binnenvloeddeuren aan de havensluis en enige reparaties aan stedelijke gebouwen goed.

Op de 23e december 1843 delibereert de gemeenteraad over de wijze van herstel van de buitenhavendammen. De Hoofdingenieur is bereid om, na de uitvoering van het geprojecteerde kapitale zinkstuk voor de westelijke havendam ter lengte van 76 en ter breedte van 20 ellen, in de aansluiting daarvan aan de landzijde met de bestaande werken, zijn gevoelen mee te delen over wat van stadswege zal behoren te worden verricht.

De voorzitter geeft de gemeenteraad in zijn vergadering van de 16e april 1844, naar aanleiding van de gehouden lokale inspectie van het sas en de buitenhaven, informatie. Hij legt de berekening van de kosten van het herstel over. De vraag is of het gedegradeerde punt van de noordelijke havendam aan de buitenhaven in status quo moet worden gelaten, dit in afwachting van de door het provinciale gouvernement voorgenomen verbetering van de in de nabijheid van de dam bestaande waterstaatwerken van de Wilhelminapolder. Na uitvoerige deliberatie besluit de raad met meerderheid van stemmen om de havendam voorlopig in status quo te laten. Wel besluit de gemeenteraad tot het laten uitvoeren van het uithangen, op de wal brengen en aan de buitenzijde ontkleden van de stormdeur aan de havensluis, naast tien kubieke ellen metselwerk aan het buitensas.

Maar eind mei 1844 doen zich opnieuw ernstige beschadigingen aan de kop en het binnenbeloop van de noordelijke buitenhavendam voor. Deze zijn veroorzaakt door de aanhoudende noorden- en noordoosten winden. Halverwege juli komt er van de Gouverneur een aanschrijving over het herstel van de buitenhavendammen. De gemeenteraad beraadslaagt hierover in betrekking tot de voorgedragen zeewerken aan de Wilhelminapolder tegen de westelijke havendam. Na de vaststelling daarvan zou de Hoofdingenieur mededeling van zijn gevoelen doen over wat van stadswege zou behoren gedaan te worden. De gemeenteraad besluit de Gouverneur te verzoeken om te worden geïnformeerd of de voorgedragen werken aan de Wilhelminapolder in dit seizoen nog te verwachten zijn. De Gouverneur wordt dringend aanbevolen acht te slaan op de daarmee in verband staande belangen van de stad en om dan ook dezerzijds daaromtrent de nodige maatregelen te nemen of voor te dragen.

In september 1844 komt er een aanschrijving van de Gouverneur over de uit te voeren werken tot voorziening van de onderzeese oever van de Wilhelminapolder. Hieronder is ook begrepen het leggen van een zinkstuk tot verzekering van het zee einde van de westelijke havendam van de stad. De aanbesteding van deze werken is bepaald op de 19e september 1844. Op deze wijze kan eerlang aan het verlangen van de gemeenteraad worden voldaan. Dan bestaat het voornemen om het westelijke einde van het havenhoofd met een kapitaal zinkstuk te voorzien en tegen de stroom te dekken. Daardoor ontstaat de gelegenheid om de uit te voeren stedelijke werken daarmee geregeld te verbinden en aan te sluiten. Het gemeentebestuur neemt met een bijzonder genoegen kennis van deze aanschrijving waarnaar de verder uit te voeren werken aan de buitenhaven zullen geregeld worden.

Maar nauwelijks is de vreugde getemperd of er doet zich opnieuw, op de 17e december 1844, een val van de noordelijke havendam en de daarmee verbonden onlangs aangelegde rijswerken voor. Bij de Gouverneur wordt aangedrongen op een spoedig herstel.
De burgemeester deelt de gemeenteraad op de 19e december mee ‘dat op het onverwachts, door wegzinking van het van rijkswege aangebrachte zinkstuk en het wegvallen van een aanmerkelijk gedeelte van de havendam, een zeer bedenkelijke staat van zaken is veroorzaakt’. De gevolgen zijn vooralsnog niet te overzien. Na raadpleging van de stadsarchitect besluit de gemeenteraad het college te machtigen om, voor het zoveel mogelijk behouden van het nog overgebleven gedeelte van de vernielde havendam, de door de stadsarchitect geprojecteerde werken te doen uitvoeren. In het gemeentearchief bevindt zich hiervan een schetstekening van de stadsarchitect.

In juni 1845 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met de mededeling dat onder de door de Hoofdingenieur van de Waterstaat ontworpen en ingezonden voordacht voor de buitengewone werken aan de calamiteuze polders die dit jaar worden uitgevoerd, mede is begrepen ‘de defensie van de onderzeese oever van de Wilhelminapolder, wederzijds de buitenhaven van de stad, tegen de stroom van de Oosterschelde, met tien kapitale zinkstukken dwarsstrooms, het verlengen van een hoofdje en het bezetten van de laagwaterrand door een zinkstuk parallel met de oever’. Hij schrijft verder dat, ‘hoewel uit de aard der zaak, bij die voorziening de belangen van de Wilhelminapolder zijn vooruit gezet, de buitenhaven en het sas daarbij geenszins zijn uit het oog verloren, zodat men van de uitvoering van de geprojecteerde werken, ook te dien aanzien, de beste verwachting mag koesteren’. De gemeenteraad neemt met het grootste genoegen kennis van dit geruststellende bericht. Op voorstel van de burgemeester wordt besloten de Gouverneur daarvoor de dank van de vergadering te betuigen met de wens dat de goedkeuring van de Minister verkregen zal worden en de uitvoering het daarvan verwachte gevolg zal mogen hebben.

En dan eindelijk op de 10e januari 1846, rapporteert de stadsarchitect dat al de werken aan de buitenhaven, door aannemer L. Tukker gemaakt, door hem zijn opgenomen en nagezien. Alles is in een goede staat bevonden en net en geregeld aangewerkt.

Begin maart 1846 besluit de gemeenteraad tot het verhogen boven de gierstroomvloeden van de noordelijke buitenhavendam. De stadsfabriek legt daarop een bestek en berekening over voor het verhogen van de noordelijke buitenhavendam ten bedrage van ƒ 3.406,98 en het verzwaren van de noordelijke nol ten bedrage van ƒ 654,71. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

De Hoofdingenieur van de Waterstaat oordeelt het eind juni 1846 nodig dat een vermeerdering en versterking van de geprojecteerde werken voor de verhoging van de noordelijke havendam plaats heeft. Voor de uitvoering van deze werken komen de benodigde kosten ten bedrage van ƒ 4.513,69 ten laste van de stadskas. Het gemeentebestuur stelt het bestek en de voorwaarden voor de aanbesteding vast.
Bij de publieke aanbesteding van de kruisverhoging en versterking van de noordelijke buitenhavendam in juli komt als laagste inschrijver uit de bus aannemer Ary Verdoorn te Zierikzee voor ƒ 5.575. Het werk wordt niet gegund, maar aangehouden voor een beslissing van de gemeenteraad. Uiteindelijk gaat de gemeenteraad op de 22e juli 1846, na uitvoerige deliberatie, toch akkoord met de besteding voor een bedrag van ƒ 5.575,00 inplaats van de eerder geraamde en toegestane ƒ 4.513,69.

Kerkgebouwen

Gedurende deze jaren zijn er geen bijzonderheden te vermelden over de kerkgebouwen in de stad.

Deze jaren fungeert J.C. Labrandt als stadsklokkenist. Zijn traktement bedraagt per jaar ƒ 150. In oktober 1841 verzoekt het bestuur van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst het gemeentebestuur de stadsklokkenist Labrandt, in het belang van het onderwijs aan de zangschool, toe te staan om op zaterdagen het carillon te bespelen van elf tot twaalf inplaats van tussen twaalf en een uur. Dit verzoek wordt ingewilligd.


Openbare verlichting

In september 1845 doet de heer G.H. Kakebeeke, aannemer van de stedelijke verlichting, een aanbod om tegen betaling gedurende vijftien jaar van ƒ 2.500 per jaar op zich te nemen het aanbrengen van een nieuwe wijze van verlichting van de stad, naast de verlichting zelf met al wat daaraan behoort. Dit onder de bepaling dat de lantaarns en verder toebehoren bij het einde van de aannemingstermijn aan de stad in eigendom zullen overgaan voor een bedrag van ƒ 500. Kakebeeke heeft als voorbeeld genomen de verlichting zoals die in Zierikzee plaats heeft. Een commissie van onderzoek wordt ingesteld, bestaande uit de heren Van Kerkwijk, Saaymans Vader en Verschoor, om het gemeentebestuur hierover te adviseren.

In december 1846 besluit de gemeenteraad tot uitbreiding van het aantal straatlantaarns en pitten. De lagere aanneemsom voor de verlichting laat hiervoor de ruimte. Het aantal lantaarns wordt met negen uitgebreid, samen met 18 pitten. De aanneemsom wordt daardoor verhoogd van ƒ 1.650 tot ƒ 1.774,76.

Plantsoenen

In mei 1841 moet voor de aanleg van ‘s Rijks Groote Weg der 1e klasse nummer 3 een aanmerkelijke hoeveelheid grond worden afgenomen van de zogenaamde ’s-Heer Hendrikskinderendijk. Het werk staat onder directie van de ambtenaren van de waterstaat. Circa 43 daarop staande olmenbomen zijn bij de uitgevoerde werkzaamheden daardoor ontgrond en beschadigd zonder kennisgeving aan het gemeentebestuur. Er is een proces-verbaal van de beschadigde bomen op deze dijk opgesteld door de Officier van Justitie.

Gedeputeerde Staten geven in september 1843 kennis van de benoeming van de heer Vis in plaats van Jonkheer Ridder van de Heim voor het mede doen van een inspectie naar de staat van het beschadigde houtgewas op de ’s-Heer Hendrikskinderendijk. De inspectie wordt uitgevoerd door de heren Vis en mr. Du Buisson Beems in aanwezigheid van de hoofdingenieur Caland, de hoofdingenieur Schraven, de burgemeester, wethouder Hecking, raadslid Van Deinse en de secretaris.

In juli 1845 komt er een brief van de hoofdingenieur Schraven met het verzoek om opgave van de waarde van de 24 opgaande bomen van de stad, die voor de verbetering van ’s Rijks grote weg zullen moeten worden gerooid. Geantwoord wordt dat het de intentie van de gemeenteraad is om deze bomen tot voordeel van de stad te laten wegruimen en het dus voldoende zal zijn om op te geven wanneer deze gerooid zullen moeten zijn.

Eind december 1845 besluit de gemeenteraad tot het rooien van 17 opgaande olmenbomen, staande aan de dijk tussen het ‘Roosjeshof’ en de meestoof ‘de Zon’. De stadsfabriek heeft de waarde geschat op ƒ 333,56. De publieke verkoop van de bomen is op de 7e maart 1846 in het Stadhuis aan de meest biedende. Er worden in totaal 105 meest zware opgaande olmen bomen verkocht in drie percelen, te weten 17 aan het ‘Roosjeshof’ buiten de Bleekveldse poort, 11 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk voor de woning van Marinus de Dreu en 77 van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort tot aan de Mijlpaal.

Poorten

Deze jaren beginnen de grondvesten van de eeuwenoude stadspoorten als het ware te schudden. Tot nu toe telt de stad zeven poorten, te weten de Koepoort, de Ganzepoort, de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, de Oostpoort, de Bleekveldse poort, de Sint Maartens- of binnenhavenpoort en de Hoofd- of buitenhavenpoort.

In december 1841 ontvangt de gemeenteraad bezwaren van de bewoners van de Voorstad en het grondgebied van de stad buiten de stadspoorten tegen de betaling van poortgeld vóór de sluiting van de poorten. Ook zijn er van tijd tot tijd klachten van andere ingezetenen ontvangen en voorzieningen verzocht tegen de verplichting tot het betalen van poortgeld.
Dit is voor de gemeenteraad aanleiding om het volgende te bepalen.

  1. De stadspoorten zullen ‘s avonds op de gewone wijze door de poortiers op het klinket worden gesloten. Voor het doorlaten van een ieder, die dit wenst, zullen de poorten worden bezet tot elf uur. Gedurende die tijd zal van voetgangers geen poortgeld worden gevorderd noch ontvangen.
  2. Ook ’s avonds na elf uur zullen de Ganzepoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort  gedurende de gehele nacht gepasseerd kunnen worden. Daarvoor zal men zich, hetzij aan de poortiers als deze zich aan de poort bevinden, hetzij aan de aan de poorten aanwezige nachtwacht, door het aantrekken van de aan de buitenzijde van de poorten geplaatste schelketting kunnen aanmelden.
  3. De bestaande vrijstelling van poortgeld ten behoeve van stedelijke autoriteiten, ambtenaren en bijzondere personen evenals de extra-ordinaire poortgelden of dubbele lonen wordt ingetrokken en afgeschaft.
  4. De gewone poortgelden voor rijtuigen, wagens en paarden, alsook het gewone poortgeld voor voetgangers, zal voortaan na elf uur ’s avonds aan de poort moeten worden betaald, doch dat van paarden, die uit de stad naar de weide gebracht worden, en hun geleider zal niets mogen worden gevorderd.

De stadspoorten zullen voortaan geopend respectievelijk gesloten worden op de volgende tijden: in januari om zes uur/vijf uur; in februari om vijf/zes uur; in maart om vier/zeven uur; in april om vier/acht uur; in mei om drie/negen uur; in juni om vier/negen uur; in juli om drie/negen uur; in augustus om vier/negen uur; in september om vier/acht uur; in oktober om vijf/zeven uur; in november om zes/zes uur; in december om zes/vijf uur.

In juni 1842 stelt de gemeenteraad het bestek en de condities vast voor de publieke aanbesteding van enige reparaties aan de toren van de Ganzepoort. De werkzaamheden betreffen het geschikt maken van de toren tot kruitmagazijn voor het bergen van het buskruit voor de stedelijke schutterij. De kosten bedragen ƒ 67,15.

De poortiers van sommige poorten beklagen zich in 1842 over hun geringe verdiensten. In juli 1842 betoogt Pieter van Waarde, poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Hoofdpoort, dat hij sinds de invoering van het ‘Amplatoir Reglement op het passeren der stadspoorten’ van de 1e mei 1842 het grootste gedeelte van zijn bestaansmiddel heeft verloren. Behalve het rijtuig van de heer Van den Bosch van de Wilhelminapolder worden deze drie poorten zelden of nooit door rijtuigen gepasseerd. Hij kan vanaf de invoering van het Reglement tot op heden berekenen dat hij slechts het voordeel heeft genoten van tien rijtuigen. Daaronder is nog begrepen een buitengewone omstandigheid ‘ter gelegenheid van de viering van de verjaardag van Mejuffrouw de oudste dochter van de heer Van den Bosch te Wilhelminadorp als wanneer drie rijtuigen de poort tegelijk zijn gepasseerd’. Hij heeft nu de hoge ouderdom van 81 jaren bereikt en zijn krachten zijn uitgeput. Veelal is hij verplicht om op zijn toerbeurt in de Vereniging der stedelijke werklieden voor het verrichten van zijn werkzaamheden een andere man in zijn plaats te stellen. Alzo is hij op zijn vergevorderde leeftijd  buiten staat om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Hij verzoekt vanwege zijn hoge ouderdom en het door hem geleden verlies van poortgelden van voetgangers, wat door hem in geen geval door het passeren van rijtuigen wordt vergoed, maar daarbij ook genomen de meerdere last omdat hij inplaats van één, drie poorten moet bedienen, hem van stadswege met een jaarlijkse toelage tegemoet te komen. Ook van de poortier van de Ganzepoort, Johannes Thomson, komt een dergelijk verzoek. Hij heeft de ouderdom van 68 jaar bereikt. Wellicht komt het gemeentebestuur Van Waarde tegemoet door hem met ingang van 1843 in de plaats van de overleden Adriaan de Wolf tot poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort aan te stellen. De bediening van poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Hoofdpoort wordt voorlopig opgedragen aan de brugophaalder Pieter de Munck.

In december 1842 beraadslaagt de gemeenteraad ‘over het al of niet amoveren van de buitenhavenpoort of Hoofdpoort en het daarmee in verband staande herstel van de muur buiten de poort, mitsgaders de beplanting van het terrein tussen de twee havenpoorten’. Besloten wordt de buitenhavenpoort niet af te breken, de muur buiten de poort te doen herstellen en de grond tussen de twee havenpoorten op een geschikte wijze met opgaande bomen te beplanten.

Het blijkt dat de Koepoort deze jaren niet meer bezet is door een poortier. In januari 1844 geeft de burgemeester de gemeenteraad in overweging om in het belang van de stedelijke administratie een bepaling vast te stellen over het later openen en vroeger sluiten van de niet bezette Koepoort.

De nieuwe poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Sint Maartens of binnenhavenpoort, Pieter de Munck, loopt tegen hetzelfde euvel aan als zijn voorganger. In april 1844 betoogt hij dat hij voor het waarnemen van het sluiten en openen van de poorten noodgedwongen nog een persoon in dienst moet hebben voor het bedienen hetzij van de havenpoort of van de beide andere poorten. Door deze poorten passeren geen andere rijtuigen dan een enkele maal het rijtuig van de heer I.J.G. van den Bosch en dat van de heer Ferdinandusse, beide uit de Wilhelminapolder. Hij ontvangt voor die driedubbele bediening nog niet het vijfde gedeelte van de verdiensten die men aan de andere poorten geniet. Hij verzoekt vanwege de meer lastige post dan aan de andere poorten en de daarvoor nimmer genoten wordende verdiensten en bovenal zijn 76-jarige ouderdom, dat ‘het u moge behagen een gunstige beschikking ten zijnen aanzien te nemen en hem een jaarlijkse toelage als poortier van de drie genoemde poorten uit stadskas toe te staan’. Hij ontvangt een gratificatie.
Ook in februari 1845 betoogt Pieter de Munck, poortier van de Oostpoort, de Bleekveldse poort en de Sint Maartens of binnenhavenpoort, het volgende. Gedurende deze winter heeft hij aan de drie poorten, die hij bedient, nog nauwelijks negentig centen aan poortgeld ontvangen. Als tegemoetkoming in zijn geringe ontvangsten verzoekt hij hem, evenals vorig jaar, met een gratificatie te begunstigen.

In het belang van de stedelijke financiën oordeelt de gemeenteraad het in juni 1844  alleszins noodzakelijk om, tot wering van de sluikerij van de plaatselijke belastingen, de poorten, waaraan declaratiekantoren zijn geplaatst, steeds bezet te houden en, met een vrije passage voor voetgangers, tot elf uur ‘s avonds en ‘s nachts gesloten te houden. Ook overweegt de raad dat de opbrengst van de poortgelden nauwelijks toereikend is voor de beloning van de poortiers, zodat de stedelijke financiën niets daarvan profiteren. Er wordt een ‘Reglement voor de heffing der poortgelden en het openen en sluiten der poorten’ vastgesteld.

Dit alles leidt er toe dat de gemeenteraad op de 23e september 1844 beraadslaagt over maatregelen hoe te handelen met de stadspoorten. Besloten wordt om door een neutrale deskundige, buiten de stad woonachtig, onder leiding en toezicht van een commissie uit de gemeenteraad, te laten onderzoeken en constateren of en zo ja, welke van de stadspoorten zich in zodanige gevaarvolle staat bevinden, dat de afbraak, tot voorkoming van onheilen, noodzakelijk moet worden geoordeeld. In deze commissie worden benoemd de heren Kakebeeke, Van Kerkwijk en Van Deinse. Half oktober doet de commissie verslag van de met het onderzoek belaste bouwkundige, de heer Immink. Naar aanleiding daarvan wordt de commissie uitgenodigd om de poorten ook door de fungerende onderfabriek te laten examineren en daarvan een schriftelijk rapport te vragen.
Daarna zullen de poorten onder directie en in tegenwoordigheid van de commissie worden onderworpen aan een gezamenlijke inspectie door de heer Immink, de stadsfabriek en de tijdelijke onderfabriek.

Uit het rapport van de benoemde deskundige blijkt de gemeenteraad in zijn vergadering van de 2e januari 1845 dat sommige van de stadspoorten in een vervallen staat verkeren. Vooral de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort bevindt zich ‘in een zodanige staat van deperissement in al desselfs delen, dat de reparatie daarvan met geen succes kan worden ondernomen’. De gemeenteraad acht het volstrekt noodzakelijk om nog in 1845 tot afbraak van deze poort over te gaan. Hiervoor wordt de goedkeuring van Zijne Majesteit de Koning gevraagd. Wat betreft de overige poorten, deze worden op de minst kostbare wijze door het aanbrengen van onvermijdbare reparaties tot het voorkomen van ongelukken buiten gevaar gehouden. Gedeputeerde Staten delen op de 28e februari 1845 mee dat de Minister van Binnenlandse zaken bij schrijven van de 17e februari niet instemt met de afbraak van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort vanwege verval. De stad had maar moeten zorgen dat de stadspoorten niet in vervallen toestand waren geraakt. De Minister verklaart dan ook geen vrijheid te kunnen vinden om het verzoek van de gemeenteraad voor de afbraak van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort aan Zijne Majesteits welnemen te onderwerpen.

De inhoud van de brief van de Minister is interessant. Hij geeft het volgende te kennen: ‘Dat indertijd een der stedelijke besturen in het Rijk het verzoek heeft gedaan om gemachtigd te worden tot de verkoop voor afbraak van de stadspoorten en wel uit hoofde van de vervallen toestand derzelve; dat dit verzoek door Zijne Excellentie onder het oog van de Koning is gebracht en tengevolge daarbij bij dezelve is ontvangen een missive van het Kabinet des Konings, luidende:
Dat Zijne Majesteit niet bewilligt in het verzoek; dat die stad had moeten zorgen dat de stadspoorten niet in vervallen toestand waren geraakt en dat het voorts Zijne Majesteits wil is dat voortaan nergens, waar poorten of wallen aanwezig zijn, de amotie daarvan plaats hebbe; dat in deze stand van zaken bij de zoo stellig uitgedrukte wil van Zijne Majesteit de Minister dan ook geen vrijheid vindt om het verzoek van de Raad der stad Goes om gemachtigd te worden tot de afbraak van de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort aan hoogst desselfs welmenen te onderwerpen; is goedgevonden van het vorenstaande aan burgemeester en wethouders van Goes bij afschrift van deze, tot derzelver informatie en naricht, mededeling te doen. De Griffier’.
De gemeenteraad besluit verder geen uitvoering te geven aan het raadsbesluit tot de afbraak.

Ondertussen rapporteert de stadsfabriek in december 1844 over de gesteldheid van de stadspoorten en de bewaarplaats van het kruit of de patronen voor de stedelijke schutterij in de toren van de Ganzepoort. Het gemeentebestuur besluit tot een dadelijke inspectie van deze bewaarplaats om zonodig nadere voorbehoedmaatregelen te beramen.

Op de 26e september 1845 neemt de gemeenteraad kennis van een extract uit het verbaal van Gedeputeerde Staten over het slopen van poorten. Dit luidt – in soortgelijke bewoordingen als de brief van de Minister van februari 1845 - als volgt:
‘Gelezen zijnde een missive van de minister van Binnenlandse Zaken van de 17e september, houdende mededeling dat indertijd aan Zijne Majesteits welmenen is onderworpen het verzoek van een der stedelijke besturen, strekkende ter bekoming van machtiging tot het doen afbreken van de in vervallen staat geraakte poorten dier stad en dat Zijne Excellentie tengevolge daarvan heeft ontvangen een missive van de heer Directeur van het Kabinet des Konings, waarbij aan Zijne Excellentie is te kennen gegeven, dat Zijne Majesteit het verzoek NIET bewilligt; dat die stad had moeten zorgen dat de poorten niet in vervallen toestand geraakten en voorts dat het Hoogsdesselfs wil is dat voortaan NERGENS, waar poorten of wallen aanwezig zijn, de amotie daarvan plaats zal hebben’. Van deze mededeling geven Gedeputeerde Staten de besturen van de steden kennis.

Van de door de gemeenteraad gemaakte bepalingen over het vroeger sluiten en later openen van de Koepoort dan de overige stadspoorten wordt in oktober 1845 een officiële publicatie gedaan. De bepaling dat de Koepoort gedurende de wintermaanden, van 1 november tot eind maart, steeds één uur later zal geopend en één uur vroeger zal gesloten worden dan de overige stadspoorten wordt als maatregel van politie vastgesteld en opgevolgd, ook al hebben Gedeputeerde Staten het Reglement op het openen en sluiten nog niet goedgekeurd.

Via de Gouverneur deelt Zijne Majesteit de Koning in november 1845 mee dat, waar er al werkzaamheden zijn begonnen tot het slechten van poorten of wallen, deze hem ter nadere overweging kunnen worden voorgelegd. Doch, als er nog geen sprake is van begonnen werk, geldt de algemene bepaling dat geen wallen of poorten geslecht of gesloopt mogen worden.
Deze kennisgeving komt naar aanleiding van de brief van burgemeester en wethouders aan Gedeputeerde Staten van de 19e oktober 1845 waarbij de deliberatie van de gemeenteraad wordt overgelegd met een nader verzoek tot afbraak van de bouwvallige ’s-Heer Hendrikskinderenpoort.

In februari 1846 betoogt Pieter de Munck, poortier van de Hoofdpoort, de Oostpoort en de Bleekveldse poort, dat hij van de bediening van de drie poorten steeds ondervindt dat deze hem bijna niets opleveren, aangezien geen rijtuigen na de avondsluiting de poorten passeren. Hij is genoodzaakt om aan de Hoofdpoort alle avonden tot elf uur licht te laten branden zonder daarvoor iets te ontvangen. Ook schrijft hij dat ‘zijn dienstmeid, de beide andere poorten waarnemende, bijna de gehele avond daar in beweging is om van de ene poort naar de andere te gaan met hetzelfde gevolg als aan de Hoofdpoort’. Hij wendt zich tot het gemeentebestuur ‘met het zeer nederig verzoek dat het uw achtbaren gunstig moge behagen hem, evenals vorig jaar, een vergoeding voor zijn moeite en het verbruiken van zijn licht aan de Hoofdpoort over het jaar 1845 toe te staan van 26 gulden’.

De stenen brug voor de Ganzepoort vereist in april 1846 dringend reparatie. Het gemeentebestuur besluit om gedurende de daarvoor benodigde tijd de Ganzepoort te sluiten en de passage daar geheel op te heffen. Het declaratiekantoor, de poortier en de  nachtwacht worden tijdelijk naar de Koepoort overgeplaatst. Op de 2e mei wordt bij Publicatie bekend gemaakt dat het kantoor van declaratie van de stedelijke belastingen, de poortier en de nachtwacht weer naar de Ganzepoort worden verplaatst. Dit vanwege de op handen zijnde afloop van de reparaties aan de Ganzepoortbrug. Vanaf de 4e mei zal de poort weer met rijtuigen en van nu af aan te voet kunnen worden gepasseerd.

De gemeenteraad besluit op de 15e oktober 1846 om Zijne Majesteit de Koning toestemming te vragen voor de afbraak van de bouwvallige ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. Na afbraak zal deze door een andere behoorlijke afsluiting vervangen worden. De overweging van de raad hiervoor is dat ‘zo al niet de onherstelbare staat waarin de stadspoort door hoge ouderdom zich bevindt en het gevaar dat naar het oordeel van deskundigen daarvan te vrezen is, met een aangevangen sloping kan worden gelijk gesteld’. Gedeputeerde Staten delen echter mee het verzoek niet met een gunstig advies naar Zijne Majesteit door te zenden. Immers, Zijne Majesteit heeft nadrukkelijk bepaald dat hij niet bereid is de sloop van stadspoorten of wallen toe te staan. De raad wordt in overweging gegeven zich rechtstreeks tot Zijne Majesteit te wenden. Dit wordt dan ook gedaan op de 12e november 1846. De globale inhoud van de brief aan Zijne Majesteit de Koning is interessant en volgt hierna:
‘De Raad van de stad Goes geeft eerbiedig te kennen aan Zijne Majesteit de Koning, dat ze, na een opzettelijk en herhaald onderzoek van onzijdige deskundigen in het bijzijn van een commissie uit de stedelijke raad en van de stadsarchitect, de volkomen overtuiging heeft verkregen dat de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort in een door ouderdom veroorzaakte, nu gevaarlijk geworden staat van verval volstrekt voor geen herstelling vatbaar verkeert. Het is in het belang van de algemene veiligheid dat de afbraak van deze poort gebiedend gevorderd wordt. De raad rekent het daarom als zijn plicht om Uwe Majesteit deze gesteldheid eerbiediglijk ter kennis te brengen en hoogstdesselfs gunstige bewilliging in te roepen teneinde daarin op een geschikte wijze, met daarstelling van een andere behoorlijke afsluiting, kan worden voorzien. De raad is niet onbekend met Uwe Majesteits gemanifesteerde welbehagen om nergens, waar poorten of wallen aanwezig zijn, de amotie daarvan te doen geschieden, tenzij zulks op Uwe Majesteits bijzodnere beschikking mocht nodig zijn om een reeds aangevangene afbraak en slechting voort te zetten. Te dezer stede is de afbraak der bedoelde bouwvallige poort in de eigenlijke zin niet door menschenarbeid aangevangen, doch niettemin, de hoge ouderdom en de, in het einde, alles vernielende tijd heeft dit gebouw, aan hetwelk de vereiste jaarlijkse reparaties niet hebben ontbroken, in een staat gebracht die een begin van afbraak zelfs overtreft, daar de poort in al desselfs deelen aangetast, versleten en buiten staat is om te worden staande gehouden, dreigt in te storten en alzo voorziening hoogst noodzakelijk is. De raad is bereid bij het bekomen van Uwe Majesteits machtiging  tot afbraak van deze poort een andere behoorlijke, hoewel minder kostbare, afsluiting aan deze toegang tot de stad in de plaats te stellen, zich vleiende  niet te handelen tegen de bedoeling van Uwe Majesteits oogmerken tot behoud van de poorten en wallen van de steden van het Rijk. Daarrom wil de raad met te meerdere vrijmoedigheid zich bij dit hun onderdanig adres tot Uwe Majesteit wenden met reventelijk verzoek dat het Uwe Majesteit behagen moge om, na gedaan onderzoek en voorzover deze afbraak aanleiding mocht kunnen geven om dezelve enigermate uit een krijgskundig oogpunt te beoordelen, ook, na bevolen prealabel onderzoek door een krijgskundige, de afbraak van deze bouwvallige ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort dezer stad gunstig in te willigen teneinde daarna door een andere behoorlijke afsluiting vervangen te worden.
Sire! Van Uwe Majesteit de zeer getrouwe onderdanen. De raad der stad Goes’.

Schansen

Tussen de stad en de aan weerszijden van de haven liggende ooster- en westerschansen bevinden zich de zogenaamde ooster- en westerschansdijken. In oktober 1845 besluit de gemeenteraad in het kader van de werkverschaffing aan de behoeftige en minvermogende volksklasse om deze schansdijken af te laten graven en te slechten. Daarbij overweegt de raad dat nu met te minder bezwaar gevolg kan worden gegeven aan een eerder genomen raadsbesluit. Dit betrof namelijk het voorstel van de Algemene Werkinrichting ‘tot bearbeiding van de grond of het moeras der zoute vest buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort’. Ook aan het voornemen om alsnog goedkeuring te verwerven voor de afbraak van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de  vervanging daarvan door een minder kostbaar middel behoeft nu geen direct gevolg te worden gegeven. Voor de droogmaking van het aan de stad toebehorende moeras, gelegen in de kadastrale sectie A nummer 235, zijnde een gedeelte van de brakke vest aan de westzijde van de haven, wordt Gedeputeerde Staten in april 1846 een voorstel gedaan voor het verkrijgen van een 25-jarige vrijdom van lasten. Ook wordt in april 1846 met Johan Gerard van Maldegem voor zes jaar een pachtcontract aangegaan voor de opgevoerde stadsgrond van de Westerschansdijk voor ƒ 30,13 per jaar. In september verlenen Gedeputeerde Staten vrijdom van de grondlasten voor vijf jaar voor de droog gemaakte gronden aan de Westerschans met afwijzing van het verzoek om een 25-jarige vrijdom van lasten.

In april 1846 is het afgraven van de dijken van de westerschans voltooid. De meewerkkosten bedragen ƒ 224,52 boven het beschikbaar gestelde bedrag van ƒ 2.150. In februari 1847 schrijft het gemeentebestuur aan Gedeputeerde Staten: ‘Wij hebben de eer u te zenden de deliberatie van de gemeenteraad van de 18e februari, houdende aanvrage om autorisatie om tot voltooiing van de voorgenomen werken tot afgraving van de westerschansdijken en de aanwalling der bijliggende moerassen gedurende de lopende winter alsnog te mogen beschikken over een som van vierhonderd gulden, te vinden uit de in de stadskas voorhanden zijnde gelden ter regularisatie in de stedelijke begroting van 1848’.

Slot Oostende

Het voormalige Slot Oostende is bewoond door de stalhouder Jan Koens.
In maart 1841 schrijven enkele bewoners van de Wijngaardstraat, Cornelis de Jongh, Johannis Reijnders, Jacobus Reijnhout en Antonie de Witte, dat ze in en aan hun woonhuizen en pakhuis in wijk A nummers 70, 79, 80 en 81 de grootste ongemakken hebben te verduren door het vuile en stinkende water van een mestput, die op de erve van het Slot Oostende tegen de scheidsmuur van die erve en hun woningen is aangelegd. Het water van de mestput dringt van alle zijden door die muur heen, zodanig dat bij Cornelis de Jongh en Antonie de Witte hun regenbakken en welput geheel bedorven en het water daardoor onbruikbaar is gemaakt. Wat betreft de schilderbaas Reijnders staan zijn grote ladders in de naast zijn woonhuis grenzende stadsgang. Hij is echter buiten staat om die gang te betreden aangezien hij altijd geheel onder staat met het water van de mestput. Ook de muren van zijn woonpand worden er zeer door benadeeld. Ze verzoeken om maatregelen te nemen om hun bezwaren uit de weg te ruimen. De commissaris van politie, Frans Bakker, verklaart in zijn advies dat dit een burgerlijk geschil betreft. Dit dient aan de kantonrechter te worden voorgelegd.

Spoorweg Middelburg-Maastricht

De heer Dirk Dronkers verzoekt in zijn brief van de 7e oktober 1845 in verband met de door hem geprojecteerde en bij de regering aangevraagde ‘ijzeren spoorweg van Middelburg naar Maastricht’ enige inlichtingen aan het gemeentebestuur om te kunnen worden vergeleken en geraadpleegd bij het opmaken van de vereiste stukken. Zo vraagt hij onder meer:

  1. een opgaaf van de soorten van in de stad in- en uitgevoerd wordende artikelen van handel of consumptie;
  2. de hoeveelheden van elke soort die binnenkomen;
  3. van waar de artikelen worden aangevoerd;
  4. de hoeveelheden van elke soort die uitgaan;
  5. waarheen de artikelen worden uitgevoerd;
  6. in hoever het gemeentebestuur denkt dat door de aanleg van de spoorlijn de in- en uitvoer van producten zal vermeerderen;
  7. welke markten in de gemeente zijn;
  8. welke fabrieken in de stad bestaan.

Uit de opgave van het gemeentebestuur blijken de volgende interessante gegevens.

Over de markten.
Er zijn weekmarkten van zuivel, magere varkens, manufacturen en andere handelsartikelen.
De jaarmarkt of kermis is in de laatste helft van augustus. Veemarkten zijn er op de laatste dinsdag in februari, de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen, de eerste dinsdag van mei en iedere dinsdag van november. De paardenmarkt is op de tweede dinsdag van maart.

Over de fabrieken.
Er is een azijnfabriek, twee bierbrouwerijen, een olijmolen, een patent olijfabriek, twee zoutketen, een calicotweeffabriek, een zaagmolen, een pelmolen, twee korenmolens, twee chocoladefabrieken, een kalkblusserij en een grutterij. Geen van deze fabrieken wordt door stoom aangedreven.

De burgemeester doet de gemeenteraad in zijn vergadering van de 8e september 1845 een zeer vertrouwelijke mededeling. Het gaat over door hem ontvangen informatie over de toestand waarin thans de zo belangrijke onderhandelingen over de totstandkoming van een spoorweg uit deze provincie door Noord-Brabant naar Limburg verkeren. In het bijzonder is van belang de loop of vermoedelijke ligging van de spoorweg, langs of zeer in de nabijheid van Goes. Volgens zijn informatie schijnen daarover gunstige uitzichten te bestaan, doch vooralsnog is geen concessie verleend. Hij meent dat van stadswege eerst dan, wanneer deze concessie is verleend, met vrucht op het in acht nemen van het belang daarvan zal kunnen worden aangedrongen. Ofschoon hij steeds het oog zal houden op de gang van zaken, zou hij graag het gevoelen van de gemeenteraad willen vernemen of deze zich met zijn mening, om eerst na het verlenen van de concessie pogingen in het voordeel van de stad aan te wenden, kan verenigen. Of verlangt de raad nu al maatregelen te nemen?  Met eenparigheid van stemmen besluit de gemeenteraad om voor dit moment in de gedane mededeling te berusten en het verdere verloop van zaken eerst af te wachten alvorens zich daarover tot een hoger bestuur te wenden.

Begin december 1845 verzoekt de heer Dirk Dronkers de opgaven te mogen ontvangen met betrekking tot de aanleg van een ijzeren spoorweg van Middelburg naar Maastricht. Het gemeentebestuur besluit deze in een tabellarische staat te verzamelen en met bijvoeging van een staat van de bestaande markten en fabrieken in de stad hem toe te zenden. Dronkers krijgt de toezegging om, indien meer uitvoerige of nauwkeurige inlichtingen worden ontvangen, deze dan zullen volgen.

Op de 20e april 1846 deelt de burgemeester de gemeenteraad vertrouwelijk de stand van zaken van de spoorlijn mee. Onderhands heeft hij zich waar mogelijk beijverd om het station dichtbij de stad te krijgen. Alle berichten geven een genoegzame verzekering dat het station nabij de stad kan verwa cht worden. Vooralsnog zijn geen beschikkingen in het nadeel van de stad bekend noch te voorzien. Nu is echter recent gebleken dat overwogen wordt een stationshalte bij Ter Lucht te vestigen. Hij heeft hierover inmiddels een gesprek met de Gouverneur gehad. Met een bijzonder genoegen heeft hij mogen vernemen dat de Gouverneur nog dezelfde gevoelens ten aanzien van een station bij Goes heeft. Er is volgens hem geen reden tot vrees dat het station ergens anders zal komen. Ook heeft hij nog een onderhoud gehad met de heer Dronkers als concessionaris. Ook deze liet van zijn goede gezindheid blijken om het station nabij de stad te vestigen. De gemeenteraad besluit, na het horen van deze informatie, geen verdere officiële stappen te ondernemen.

Begin mei 1846 ontvangt het gemeentebestuur een aanschrijving van de Gouverneur met toezending van de bij Koninklijk Besluit van 11 maart 1846 goedgekeurde en bekrachtigde overeenkomst, met de heer Dronkers en compagnons aangegaan voor de aanleg en exploitatie van een Ijzeren spoorweg van Middelburg naar Maastricht, naast haven- en kanaalwerken op Walcheren. De gemeenteraad neemt hier op de 16e mei 1846 kennis van.

In september 1846 verzoekt de winkelier Jacobus Franciscus Lippens een concessie om een of meer rijtuigen of vigilantes (koetsen) in dienst te brengen voor het vervoer van personen van en naar het bij de stad tot stand te brengen stationsgebouw voor de door het eiland te leggen spoorweg, alsook voor tussenritten naar de nabij gelegen buitengemeenten. Hij verzoekt toestemming voor de oprichting van deze onderneming. Het gemeentebestuur deelt Lippens mee dat, voorzover zijn verzoek enige concessie, vergunning of regeling mocht bedoelen voor vervoerdiensten waarvoor de bemoeienis van het stedelijke bestuur vereist kan worden, de vergadering van oordeel is dat er geen termen bestaan om daarover thans enige beschikkingen te nemen. En wat aangaat concessies buiten de kring van de bevoegdheid van het gemeentebestuur, wordt hij verwezen naar de bevoegde autoriteiten.

Stadhuis

Op de 24e juli 1841 beraadslaagt de gemeenteraad over het dringend noodzakelijke herstel van de grote toren van het Stadhuis. Gesproken wordt over de maatregelen die voor het herstel nodig zijn. Het blijkt noodzakelijk de bovenbouw van de Stadhuistoren te vernieuwen. De stadsfabriek of stadsarchitect, De Lannee de Betrancourt, krijgt opdracht een berekening daarvan op te stellen. De gemeenteraad overweegt dat het nog geruime tijd kan aanlopen voordat van de klokken in de grote Stadhuistoren weer gebruik zal kunnen worden gemaakt. Besloten wordt om gedurende die tijd, vóór de aanvang van de godsdienstoefeningen, op de gewone wijze de klok in de kleine Stadhuistoren te luiden.

De restauratie van de Stadhuistoren ondervindt vertraging omdat er een calamiteit aan het sas of de buitenhaven optreedt. In april 1842 wordt dan ook besloten om de restauratie van de Stadhuistoren uit te stellen totdat de toestand van de degradatie van de buitenhaven en het noodzakelijke herstel voor de renovatie voldoende bekend is. Pas in december 1842 delibereert de gemeenteraad weer over de wijze van herstel van de grote toren en de koepel van het Stadhuis. De stadsarchitect De Lannee is naar Bergen op Zoom gereisd om te onderzoeken hoe men daar de restauratie van de Sint Gertrudiskerk heeft aangepakt. Hij doet het gemeentebestuur hierover verslag aan de hand van tekeningen en een bestek. Dit is aanleiding voor het besluit van de gemeenteraad om voor de restauratie van de toren van het Stadhuis eenzelfde werkwijze te volgen. Volgens de opgestelde kostenberekening van de stadsarchitect bedragen de kosten voor de restauratie van de grote koepel op de Stadhuistoren ƒ 3.665,88, te weten voor metselwerk ƒ 1.315,00, timmerwerk en leien dak ƒ 1.672,84, loot ƒ 672,00 en schilderwerk ƒ 97,50. Op zaterdag de 8e april 1843 wordt de aanbesteding gehouden. Zeven aannemers schrijven in, namelijk Johannes Goossen, Muller en zoon, G.L. Warren, H. Boet, W. van Leent, W. den Boer en G. Klemkerke. Het werk wordt gegund aan de laagste inschrijver G. Klemkerke voor ƒ 4.030.

In juni 1843 verzoekt de Officier van Justitie, mr. Van Deinse, te worden geïnformeerd of er gevaar bestaat vanwege de renovatie van de Stadhuistoren voor de daarin ondergebrachte gevangenen. Officier Van Deinse schrijft: ‘Bij de plaats hebbende herstelling van den Stadhuistoren, desselfs staat dagelijks een meer en meer bouwvallig aanschijn krijgende, zo heb ik de eer u bij deze te verzoeken mij wel te willen berichten in hoeverre de geopperde vrees van gevaar voor de zich in de lokalen van gezegde toren bevindende gedetineerden zoude gegrond zijn en of het noodzakelijk moet geacht worden de beide bedoelde lokalen tot tijd en wijle buiten dienst te stellen’.
De stadsarchitect De Lannee de Betrancourt schrijft in zijn advies: ‘Dat er hoegenaamd geen gevaar bestaat om in het lokaal onder den Grooten koepel, wel te verstaan in het onderste lokaal van den Grooten toren, de gedetineerden te laten verblijven, alle middelen van securiteit zodanig daargesteld zijnde dat gemeld lokaal, al had een ongeluk plaats, niet het minste daar in betrokken zou kunnen wezen, terwijl verder geen ongeluk te dugten is’.

Na een inspectie en ontvangst van het rapport van de stadsfabriek beantwoordt het gemeentebestuur de vraag van de Officier ontkennend.

Mevrouw Meta A. Prins-Schimmel deelt in haar boekwerkje ‘Het Stadhuis te Goes’, in 1988 uitgegeven door het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1988) het volgende mee:

‘De aanleiding voor vernieuwing zal gezocht moeten worden in het feit dat zowel het muurwerk als de 18e eeuwse balustrade in slechte staat verkeerde. Op de toren was tijdens de verbouwingscampagne van 1771 tot 1780 rond de voet van de koepel een nieuwe Bentheimer zandstenen balustrade aangebracht. Het muurwerk van het torengebouw op zich was ongemoeid gelaten, met uitzondering van het uitvlakken van metselwerk. Tot op heden is aan de toren nog goed te herkennen, waaruit deze 19e eeuwse vernieuwingen bestonden. Ook historische afbeeldingen, die juist in die periode werden vervaardigd, laten duidelijk het eindresultaat van deze renovatie zien’.
‘Tot aan de bovendorpel van het venster op de derde verdieping werd het bovenliggende metselwerk, bestaande uit de rondboogfries, de borstwering en de balustrade, afgebroken. De uurwijzerplaat, die zich vanaf circa 1775 op deze hoogte voor de vensteropening bevond, werd weggenomen en is - naar het zich laat aanzien - nooit meer terug gekomen. De ver uitkragende hoekelementen werden verwijderd en ook de veel lager gelegen aanzetten hiertoe. Dit betekende dat ook het muurwerk op de hoeken tot een lager niveau moest worden uitgehakt. Tot op heden is goed afleesbaar tot waar het oude muurwerk werd gehandhaafd en het nieuwe aanving: het oude werk bestond uit baksteenlagen van moppen, afgewisseld met spekbanden, en het nieuwe werd gemetseld met een kleiner formaat baksteen, roder van kleur en niet verlevendigd met natuursteenbanden. Alleen aan de voorzijde werd een nieuwe balustrade aangebracht; aan de overige drie zijden werd het nieuwe metselwerk als een gesloten borstwering tot aan de bovenlijst van die balustrade opgetrokken. De hoeken, aan weerskanten hiervan, werden afgerond en enigszins uitgemetseld, zoals vanouds het geval was geweest’.

Begin april 1843 wordt de openbare aanbesteding van de restauratie van de grote Stadhuistoren gehouden. De laagste inschrijver is de timmermansbaas Govert Klemkerke voor ƒ 4.030,00, maar het wordt niet gegund. Uit de nadere onderhandelingen met aannemer Klemkerke blijkt dat deze aanbiedt om het werk volgens het bestek te maken voor ƒ 3.900,00. Uiteindelijk wordt met hem overeengekomen om de restauratie voor ƒ 3.850 uit te voeren. In het gemeentearchief bevindt zich het uitvoerige bestek van de restauratie van de grote toren van het Stadhuis.

Op de aanplakborden verschijnt een ‘Bekendmaking dat vanwege de herstelling van de grote Stadhuistoren de gewone toegang tot het Stadhuis zal gesloten zijn vanaf donderdag de 8e juni tot nadere aankondiging’. Gedurende deze tijd is het Stadhuis toegankelijk door de voormalige Vleeshal in de Lange Kerkstraat. De werkzaamheden beginnen in juni 1843.
Maar kort hierna, op de 24e juni, deelt de burgemeester de gemeenteraad mee dat bij de bewerking en de daarvoor nodige afbraak van een gedeelte van de Stadhuistoren met voldoende zekerheid is gebleken dat een aanmerkelijk groter gedeelte van de toren zal moeten worden uitgebroken en vernieuwd dan in de begroting is berekend. Hiervoor zijn aanzienlijk hogere kosten nodig. De gemeenteraad vindt dat eerst het exacte tekort duidelijk moet zijn. Dit blijkt in september als de raad besluit een aanvullend krediet beschikbaar te stellen van ƒ 3.000,00. Gedeputeerde Staten worden verzocht om uit het fonds voor onvoorziene uitgaven bij de gemeentebegroting voor 1843 te mogen beschikken over ƒ 2.900,00 voor de voltooiing van het werk aan de grote Stadhuistoren. De stadsrekening over 1843 vertoont voor de restauratie van de Stadhuistoren betaalde bedragen aan G. Klemkerke van ƒ 2.848,41 voor werkzaamheden boven het bestek en ƒ 700 voor herstel ingevolge de aanneming.

De regenten over het Huis van Arrest verzoeken de gemeenteraad in januari 1844 om voor de gevangenen te willen afstaan en tot hun beschikking stellen de voormalige uurwerkkamer in de grote Stadhuistoren. Door de restauratie van de grote Stadhuistoren vorig najaar is de voormalige uurwerkkamer veranderd in een zeer geschikte ruimte voor de berging van lichte gevangenen. Het komt de regenten bij het bestaande gebrek aan voldoende ruimte voor het onderbrengen van gevangenen hoogst wenselijk voor deze ruimte in de Stadhuistoren voor dat doel te gebruiken. Het provinciale gouvernement is verzocht om het aantal gevangenkamers met één te vermeerderen. Deze heeft bewilligd in het geschikt maken van deze ruimte voor dat doel. De gemeenteraad besluit het verzoek in te willigen en de voormalige uurwerkkamer aan de regenten over het Huis van Arrest voor het onderbrengen van de gevangenen af te staan en in gebruik te geven. Wel moet er een vrije doorgang naar de toren van het Stadhuis worden afgeschut.

De stadsrekeningen laten jaarlijkse uitgaven voor verwarming en verlichting van het Stadhuis zien van ƒ26,40 aan G. Buijze voor levering van kaarsen, ƒ 65,10 aan W. de Fouw voor levering van kolen en ƒ 31,27 aan H.J. Heersma voor levering van turf.

Stoombootdiensten

Deze jaren komen wel acht postwagendiensten van de grond.
Volgens de jaarverslagen over 1843 en 1844 is er een diligence op Middelburg vice versa en rijden er postwagens op het Catse veer en Hoedekenskerke voor het overbrengen van personen en goederen van en naar de stoomboten varende van Middelburg op Rotterdam en Gorinchem en van Vlissingen op Neuzen.

In april 1840 stelt de Gouverneur voor advies in handen van het gemeentebestuur een verzoekschrift van de heer Adriaan Pieter Dronkers te Middelburg voor het verkrijgen van een concessie voor het aanleggen van een postwagendienst van Middelburg op Goes en vice versa. In juli 1840 verkrijgt Dronkers de concessie.
Ook in april 1840 wordt een borgtocht gesteld door Willem de Fouw voor het aanleggen van een wagendienst op de Yersekendam in verband met de stoomboot van Rotterdam op Antwerpen. Maar in mei 1840 stuurt De Fouw een kennisgeving dat hij geen gebruik zal maken van de hem verleende concessie voor het aanleggen van een postwagendienst op Yerseke omdat de stoomboot tussen Rotterdam en Antwerpen niet langs de Yersekendam passeert.

De Gouverneur attendeert het gemeentebestuur er eind juli 1840 op dat Dronkers, de ondernemer van de postwagendienst tussen Goes en Middelburg, in de Goessche Courant van 13 juli 1840 bekend maakt dat hij zich onder meer belast met de verzending van brieven. Dit is hem, op straffe van intrekking van de hem verleende concessie, verboden. Het gemeentebestuur besluit de ondernemer op het onbestaanbare hiervan opmerkzaam te maken. Mocht hij zich hieraan schuldig maken, dan zal zijn concessie onverwijld worden ingetrokken.

Opnieuw komt er in december 1840 een aanschrijving van de Gouverneur. Hij schrijft dat volgens de Middelburgsche Courant de diligence tussen Middelburg en Goes met de 25e december slechts eenmaal die dag zal rijden. Als dit buiten medeweten van het gemeentebestuur plaats vindt, dan verzoekt hij er voor te zorgen dat de ondernemer zich stipt houdt aan de bepalingen van zijn concessie. Het gemeentebestuur overweegt dat bij besluit van de Minister van Financiën van 19 september 1840 aan de ondernemers autorisatie is verleend om bij ijsgang het vertrek naar het water in overleg met de schipper op het Sloe te regelen. Besloten wordt dan ook de aanschrijving voor kennisgeving aan te nemen. Maar de Gouverneur is niet tevreden. In januari 1841 komt er een aanschrijving met het verzoek toe te zien dat de ondernemer van de postwagendienst tussen Middelburg en Goes stipt aan zijn verplichtingen voldoet en zich geen eigendunkelijke verandering in de dienst veroorlooft. Hij moet bij ijsgang naar het watergetij en met overleg van de schipper aan het Sloe de dienst regelen. Bij ontdekking daarvan moet proces-verbaal worden opgemaakt en aan de bevoegde rechter toegezonden worden. Een afschrift van de aanschrijving wordt toegezonden aan de Commissaris van de wagendienst met de aanbeveling om te zorgen dat de dienst voortaan geregeld wordt waargenomen en de reglementaire bepalingen stipt worden nageleefd.

In april 1841 stelt de Gouverneur in handen van het gemeentebestuur het verzoek van Willem de Fouw tot het bekomen van consent voor het aanleggen van een postwagendienst op het Katsche veer voor het vervoer van personen en goederen naar de stoomboot van Gorinchem op Middelburg. Daarop wordt gunstig beschikt. Gedeputeerde Staten geven in juli 1841 kennis van de verleende concessie aan W. de Fouw voor het aanleggen van een postwagendienst tussen Goes en het Catsche veer.

Ook legt de Gouverneur voor advies in handen van het gemeentebestuur een brief van Willem de Fouw met het verzoek om een concessie voor het aanleggen van een postwagendienst op het Sas van Goes, bestemd voor het overbrengen van personen en goederen naar de aanlegplaats van de stoomboten van de Rotterdamsche Stoomboot Maatschappij die tussen Rotterdam, Antwerpen en Neuzen en vice versa varen. Het gemeentebestuur laat weten dat hun geen bedenkingen hoegenaamd zijn voorgekomen en een gunstig advies kan worden uitgebracht. In september 1841 geven Gedeputeerde Staten bericht over de verleende vergunning aan W. de Fouw voor het aanleggen van deze postwagendienst tussen Goes en het Goese Sas.

In december 1841 stelt de Gouverneur voor advies in handen van het gemeentebestuur het rekest van Adriaan Pieter Dronkers te Middelburg met verzoek om een concessie voor de aanleg van een postwagendienst tussen Goes en Bergen op Zoom en vice versa. Hierop wordt gunstig geadviseerd. Waarop in februari 1842 bericht van Gedeputeerde Staten komt dat de Minister van Financiën op 5 februari aan A.P. Dronkers concessie heeft verleend voor het aanleggen van een postwagendienst tussen Goes en Bergen op Zoom. Wel geldt als voorwaarde dat de concessionaris een behoorlijke borgtocht stelt. Maar al in juni 1842 deelt Dronkers mee dat hij geen verder gebruik zal maken van de concessie voor de postwagendienst tussen Goes en Bergen op Zoom.

Er komt op de 18e juni 1842 een kennisgeving van de Agent van de Rotterdamsche Stoomboot Maatschappij dat de dienst tussen Rotterdam, Antwerpen en Neuzen met het stoomjacht ‘Laurens Koster’ op 16 juni is hervat. De stoomboot zal aan het Goese Sas aanleggen.

Van de andere postwagenhouder, Willem de Fouw, komt er begin november 1842 een verzoek van de Gouverneur om advies over zijn aanvraag om een concessie voor een postwagendienst van Goes op Hoedekenskerke en vice versa in verband met de stoomboot van Vlissingen op Antwerpen. Hierop wordt gunstig beschikt. De Fouw stuurt in januari 1844 van zijn postwagendienst tussen Goes en Hoedekenskerke de opgave over 1843 in over de vrachtlonen van passagiers en goederen. Het gemeentebestuur besluit positief te adviseren over zijn verzoek om de vrachtprijzen voor personen te verhogen van 80 naar 100 cent.

Zo zijn er in 1847 de volgende postwagendiensten vanaf Goes:

  1. van Goes op Catsche Veer in verband met het stoomjacht tussen Rotterdam en Middelburg; ondernemer is C. de Jonge met een op 16 september 1839 verleende vergunning;
  2. van Goes op Yersekendam in verband met de stoomboten van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij tussen Rotterdam en Antwerpen; ondernemer is W. de Fouw met een op 17 oktober 1839 verleende vergunning;
  3. tussen Middelburg en Goes; ondernemer is A.P. Dronkers met een op 20 juli 1840 verleende vergunning;
  4. tussen Goes en Catsche Veer in verband met de stoomboot tussen Gorinchem en Middelburg; ondernemer is W. de Fouw met een op 8 mei 1841 verleende vergunning;
  5. tussen Goes en het Sas van Goes in verband met de stoomboot tussen Rotterdam, Antwerpen en Neuzen; ondernemer is W. de Fouw met een op 11 augustus 1841 verleende vergunning.
  6. tussen Goes en Bergen op Zoom; ondernemer is A.P. Dronkers met een op 5 februari 1842 verleende vergunning;
  7. tussen Goes en Hoedekenskerke; ondernemer is W. de Fouw met een op 19 november 1842 verleende vergunning;
  8. tussen Goes en Yersekendam in verband met de stoomboten van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij te Rotterdam en de stoomboot Amicitia van de heer Smits en compagnon van Rotterdam op Bergen op Zoom en Antwerpen; ondernemer is A.P. Dronkers met een verleende vergunning op 5 maart 1847.

Periodiek worden de postwagens gekeurd. Zo worden op de 16e maart 1847 door de commissaris van politie Frans Bakker, vergezeld van de wagenmaker Jacobus Lokerse en de smid van Wissekerke Cornelis Slink, de postwagens gekeurd. Ze begeven zich naar de Nieuwstraat ‘alwaar de rijen voertuigen tot dat einde waren tezamen gebracht om de staat derzelve te onderzoeken en ten vervolg op onze voorlopige inspectie op de 16e maart om te zien of die gebreken welke alstoen door de deskundigen waren aangewezen, behoorlijk waren hersteld en verholpen, teneinde dezelve alsnu definitief te keuren en ten blijke van goedkeuring met het stadswapen in te branden en alzo als publieke middelen van vervoer in deze stad aanwezig zijnde te merken’. Ze vinden daar de volgend rijtuigen aanwezig:

  • een diligence toebehorende aan A.P. Dronkers te Middelburg, gevoerd wordende door Jan Warrens, huurkoetsier en stalhouder te Goes, welke door hen is goedgekeurd en met stadswapen ingebrand;
  • een kleinere dito behorende alsmede aan de heer Dronkers, welke is goedgekeurd en ingebrand;
  • een boerenwagen van Laurens Willeboer, vrachtrijder en koemelker onder deze gemeente, rijdende op de stoomboten op en van het Catseveer door de Wilhelminapolder, in dienst van de heer W. de Fouw, welke is goedgekeurd en ingebrand;
  • een boerenwagen van Pieter Panny, rijdende alsmede op een stoomboot naar en van het hiervoor genoemde veer, in dienst van de heer Cornelis de Jong, welke is goedgekeurd en ingebrand.

In juli 1846 ontvangt het gemeentebestuur een aanschrijving van de Gouverneur met het  verzoek om te worden geïnformeerd of ten aanzien van de vervallen postwagendiensten op de Yersekendam en het Goesche Sas, waarvoor in 1839 en 1840 aan W. de Fouw, en die tussen Goes en Bergen op Zoom, waarvoor in 1842 aan A.P. Dronkers concessie is verleend, de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 24 november 1829 zijn gehandhaafd.

Straten en wegen

Aanleg Grote Rijksweg door Zuid-Beveland
Ingenieur Schraver van de Waterstaat verzoekt in mei 1842 om aan de Grote Weg der 1e klasse nummer 3, die door de stad loopt, voortaan geen afsluitingen aan te brengen zonder overleg met hem en die weg niet te belemmeren door timmerwerk, steengruis en dergelijke. Ook verzoekt hij hem de taxatie in te zenden van de waarde van de bomen die aan deze weg staan en voor de verbeteringen gerooid dienen te worden.
De gemeenteraad geeft op de 16e april toestemming voor het rooien van enige stadsbomen aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk om ’s Rijks administratie in het aanleggen van de geprojecteerde verbetering van de Grote Rijksweg in de nabijheid van de stad ter wille te zijn.

Over de aanleg van de Grote Rijksweg schrijft de heer Caland de gemeenteraad in april 1845 het volgende: ‘Ter verbetering van het aanleggen van een aarden baan aan de Grote Rijksweg in de nabijheid van uw stad, is het nodig dat aldaar geweerd worden 24 stuks opgaande bomen, zoals de heer Hoofdingenieur Schraver u zal aanwijzen. In het belang van de publieke passage, zowel als in dat uwer stad, zou het mij aangenaam zijn indien u mij de toestemming geliefde te verlenen, dat ik die bomen door de eventuele aannemer van het herstel en onderhoud van de weg kon doen wegruimen en dat die bomen, na behoorlijke rooiing, geheel aan u verbleven en u mij daartoe opgaaf geliefde te doen geworden van de som welke tot vergoeding wegens winstderving van de groei dier bomen aan uw stad zal behoren te worden betaald’.
De Hoofdingenieur van de Waterstaat stuurt eind december 1845 een kennisgeving dat wat betreft de werkzaamheden aan de aarden wegen, behorende tot ’s Rijks Grote weg in Zuid-Beveland, het tijdstip van het rooien van de stadsbomen aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk is aangebroken. Het gemeentebestuur besluit, naar aanleiding van het door de gemeenteraad genomen besluit van de 16e april 1845, tot het rooien van deze bomen en nog enige daarmee in verband staande bomen aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk bij publieke veiling ten overstaan van notaris De Fouw eerstdaags over te gaan.

Aanleg straatweg tussen Wilhelminadorp en het Catse Veer
Gedeputeerde Staten stellen de gemeenteraad in maart 1844 in kennis van een plan voor het maken van een straatweg tussen Wilhelminadorp en het Katse Veer met een veerdam. In april volgt er informatie van Gedeputeerde Staten over het plan tot het maken van een straatweg tussen Wilhelminadorp en het Katse Veer met een veerdam tot in het lage water en een embarcadero aan het einde. Hierdoor kan meer gerief en gemak van de voorbij varende stoomboten worden verkregen. De kosten zijn begroot op ƒ 19.000. Hierin is niet begrepen de embarcadero. Ze nodigen het gemeentebestuur uit, vanwege het belang voor de stad Goes, hiervoor een jaarlijkse bijdrage van ƒ 400 à ƒ 500 gulden te verlenen. Met een meerderheid van zeven tegen drie stemmen besluit de gemeenteraad Gedeputeerde Staten kennis te geven dat de gemeenteraad bereid is gedurende 14 à 16 jaar uit de stedelijke kas jaarlijks een bedrag van ƒ 400 bij te dragen.

In augustus 1844 besluit de gemeenteraad de Gouverneur kennis te geven dat het bestaande plan van communicatie door de Wilhelminapolder naar het Catse Veer en het tot stand brengen van een aanlegplaats voor de stoomboten, ook door middel van een veerdam en embarcadero, in het belang van de stad is en de voorkeur verdient boven dat naar het Wolphaartsdijkse veer.

Verbetering weg naar Wolphaartsdijk en aanleg veersteiger
De Gouverneur verzoekt in maart 1846, in het vertrouwen op de medewerking van de Goese gemeenteraad, om het beschikbaarstellen van een bijdrage uit de stadskas voor de verbetering van de weg naar Wolphaartsdijk en het daarstellen van een veersteiger aldaar. Hij vraagt dit opnieuw bij de stedelijke raad in overweging te brengen en hem van de uitslag rapport te doen. Met een meerderheid van 7 tegen 3 stemmen besluit de gemeenteraad op de 23e maart 1846 jaarlijks 400 gulden bij te dragen in de kosten van verbetering van de weg naar Wolphaartsdijk en de aanleg van een veersteiger voor de stoombootvaart te Wolphaartsdijk. De gemeenteraad vertrouwt er op dat de Gouverneur, die zo aandringt op deze bijdrage, de pogingen om nabij Goes een station van de aan te leggen spoorlijn te vestigen, goedgunstig zal bevorderen. Overwogen wordt dat het een en ander het enige middel tot opbeuring van de achteruitgaande staat van de ingezetenen en tot vermeerdering van enige welvaart zal kunnen zijn. Zonder deze vermeerdering van welvaart en daardoor de verbetering van de zo bijzonder sterk gedrukte stedelijke financiën, welke door de drang van de tijd en de bovenmatige vermeerdering van de armenlasten en buitengewone voorzieningen aan de onmisbare havenwerken bijna in een hopeloze staat verkeren, zal de stad niet bij machte zijn om de van haar verlangde bijdrage voortdurend op te brengen.

Overige werkzaamheden aan straten en wegen
De jaarlijkse gemeenteverslagen vermelden dat de buurtwegen en voetpaden in goede staat verkeren. Door ‘opzettelijke en herhaalde’ schouwingen wordt hierop gesurveilleerd.

In april 1840 besluit het gemeentebestuur, naar aanleiding van een rapport van de commissaris van politie, de kaai- en binnenhavenmeester aan te schrijven om te zorgen dat niets aan de binnenkaai wordt geladen of gelost wat aan de Boomkaai moet plaats hebben.

De houtzaagmolenaar Marinus Harinck verzoekt in december 1842 een schof of twee deurtjes in het sluisje, liggende over het dwarskanaal buiten de Hoofdpoort, aan te brengen.
De gemeenteraad besluit zijn verzoek in zover in te willigen ‘dat een geschikte en doelmatige machine in dit sluisje, ter afsluiting en vervanging van de vroeger daartoe bestemde balken, wordt aangebracht’. Volgens de stadsrekening van 1843 worden aan het sluisje buiten de Havenpoort door aannemer Wouter van Leent werkzaamheden verricht voor ƒ 130. 

In 1844 wordt aanbesteed het verleggen van de keibestrating op de Grote Markt, de oude Kreukelmarkt, de Wijngaardstraat en de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat.

De kooplieden Jan Kooman en Willem de Fouw, de broodbakker Willem Verburg, de vleeshouwer Jacob Sloover en de metselaar Adriaan de Bruin betogen in maart 1845 dat ze bij het jaarlijkse herstel en verlegging van de straten wensen dat het het gemeentebestuur behagen mocht met hetzelfde doel de Korte Nieuwstraat in aanmerking te laten komen. Ze hebben hun pakhuizen en slachthuis in deze straat liggen. Door de slechte gesteldheid van deze straat worden ze in het uitoefenen van hun bedrijven of neringen belemmerd. De stadsfabriek De Lannee beaamt dat deze straat in een zeer slechte staat verkeert en deze voor het jaar 1844 was opgenomen voor renovatie, maar belangrijker zaken hebben toen de voorrang gekregen.

Vesten en ravelijnen

Nicolaas Vervenne verzoekt in september 1841 om een vernieuwde uitgifte ten eeuwigen dage of continuatie voor 21 jaren van de erfpacht van het Ravelijn (de Groene Jager) achter de voormalige brouwerij ‘het Witte Klaverblad’ aan de stadswal. Deze grond is hem bij besluit van het gemeentebestuur van 24 april 1819 voor 21 jaren, vanaf 1820 tot eind 1841, toegestaan. Dit verzoek wordt afgewezen. Wel wordt de erfpacht voortgezet tot het einde van het jaar waarin de heer Vervenne zal komen te overlijden.

Op het Ravelijn de Groene Jager stond tot het laatst van de 17e eeuw de oliemolen van de familie Smytegelt. Nadat de molen omwaaide werd het ravelijn verpacht. De pachter Nicolaas Vervenne overlijdt op 8 juni 1845. De erfgenamen verzoeken het gemeentebestuur in september 1845 om met ingang van 1846 voor de tijd van 21 jaar bij voortduur het stadsravelijn achter de voormalige brouwerij ‘de Witte Clavers’ aan de Beestenmarkt in wijk D nummers 884 en 886 ter grootte van 6282 ellen te mogen gebruiken op erfpacht. De erfgenamen, Ph. Vervenne, D. Vervenne, Johanna Vervenne, P. Remijn en G. de Jonge, schrijven in hun brief: ‘Immers voor een ander stadsravelijn, op hetwelk voorheen een schorsmolen heeft gestaan, gelegen aan de westzijde van de havendijk in wijk E nummer 161 ter grootte van 4770 ellen, betaalt men aan de stadsadministratie jaarlijks niet meer dan drie gulden en dit schijnt aan geen tijdelijke bepalingen van het bedrag onderworpen te zijn’.
De gemeenteraad gaat echter niet akkoord met verlenging van de erfpacht en wil de grond aan zichzelf houden, voornamelijk in het belang van de stad en voor het verkrijgen van een ruimere opbrengst en een vrijere beschikking. De erfpacht wordt per eind december 1845 beëindigd. Wel is de gemeenteraad bereid de op het ravelijn staande gebouwen na taxatie voor de geschatte waarde over te nemen. Ook is de raad niet ongenegen om de bomen en plantages over te nemen tegen de getaxeerde waarde om vervolgens tot openbare verpachting van het ravelijn ten behoeve van de stad over te gaan.

Een commissie van drie deskundigen, bestaande uit Johannes Dekker, Louis Philip de Lannee en Kornelis de Back, taxeert in januari 1846 de waarde van de gebouwen op het ravelijn op ƒ 177,10 en van de plantages van het ravelijn op ƒ 909,76, in totaal derhalve ƒ 1.086,86. De erven Vervenne berusten in deze taxatie. Voor de dekking van deze uitgaaf zal de opbrengst van de verkoop van 105 bomen in het zogenaamde ‘Roosjeshof’ en aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk dienen. Het ravelijn zal met de daarop staande gebouwen publiek worden verpacht. Jan de Jonge Johanneszoon is de nieuwe pachter voor veertien jaar voor ƒ 140 per jaar. Het ravelijn, waarop het huis D nummer 222 en een boomgaard liggen, heeft een oppervlakte van 62 roeden en 82 ellen. Gedeputeerde Staten verlenen in februari 1846 goedkeuring voor de openbare verkoop van 105 olmenbomen aan het ‘Roosjeshof’ (17) en aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk (88). De opbrengst wordt berekend op ƒ 1.080,00, terwijl de betaling voor de overname van de gebouwen en plantages op het Ravelijn van de erven Vervenne ƒ 1.086,86 bedraagt.

De apotheker Pieter Andries Hochart geeft in maart 1846 te kennen dat tussen de borstwering van de stadswal en de schutting van zijn tuin, gelegen aan het ravelijn achter de Beestenmarkt, een lage ruimte is. Ondanks alle mogelijke maatregelen en voorzorgen, die daartegen van zijn kant zijn aangewend, dient deze plaats tot verzamelplaats van allerlei onreinheid die soms een onaangename reuk verspreid en daardoor zowel als door het gezicht hinderlijk is voor de wandelaars langs dat veel bezochte gedeelte van de stadswandelwegen. Het enige middel om dit te beletten is naar zijn oordeel het afvlakken van de wal op die hoogte tot gelijk met het schelpenpad en het verplaatsen van zijn schutting korter daar langs. Hierdoor zou aan zijn tuin getrokken worden een strook van 192 ellen en 4 palmen grond zoals uit de plattegrondtekening van de stadsarchitect L.P. de Lannee de Betrancourt blijkt. Hij wil de afvlakking op zijn kosten doen. Met de afkomende grond wil hij een gedeelte van zijn tuin en de tussenliggende laagte verhogen en aanvullen en zijn schutting verplaatsen tot een el afstand van het schelpenpad. In het gemeentearchief bevindt zich een fraaie plattegrondtekening van de situatie op het ravelijn.


Adriaan Bolleman, de blaauw- of stoffenverwer in de stad, dient in november 1846 een verzoek in om de goederen van zijn verwerij te mogen spoelen in de stadsvest tegenover het zomerhuis van de hoedenmaker Pieter Magielse. Besloten wordt hem dit voorlopig en tot wederopzeggen toe te staan.

Waterkorenmolen

Deze jaren wordt het gebouw van de vroegere waterkorenmolen aan de Kleine Kade geschikt gemaakt voor de huisvesting van de economische spijsuitdeling. In juni 1842 stelt de gemeenteraad het bestek en de condities vast voor de publieke aanbesteding van enige reparaties aan het gebouw. Deze behelzen het afbreken van een achtermuur, het dempen van een achterkelder, reparaties aan de trap, het maken van een nieuw vak aan het dak, het metselen van een nieuwe achtermuur en het maken van een nieuw secreet voor in totaal ƒ 289,60. In het gemeentearchief bevindt zich hiervan een fraaie tekening van de stadsarchitect L.P. de Lannee de Betrancourt.


De stadsfabriek doet in december 1844 onderzoek naar de gebreken aan het gebouw van de oude watermolen. Gebleken is dat het gehele gebouw in de beste orde is betreft het dak, de goten en de muurwerken en wat dat betreft, evenals de bevloeringen, in een volkomen staat van bewoonbaarheid verkeert. Het grote bezwaar is echter, en waar de bewoners ook tegen opzien en over reclameren, de grote hoeveelheid wantsen (cimex) die alle reten en openingen vervullen en tijdens de zomerhitte de verdieping onbewoonbaar maken. De oplossing is om maatregelen te nemen door de muren te stoppen, repen op alle reten te plakken, te reinigen, te gronden en op te schilderen. Dit alles kan voor ƒ 60. Indien men echter van het gebouw een burgerhuis wil maken zal er circa ƒ 473 nodig zijn. Daarvoor kunnen twee voorvertrekken en dergelijke worden gemaakt en alle zuiveringen en schilderwerken ten uitvoer worden gebracht.
De gemeenteraad bespreekt op de 2e januari 1845 het door de stadsfabriek opgestelde  bestek. Besloten wordt het gebouw van de oude watermolen te zuiveren en in bruikbare en bewoonbare staat te brengen en de kosten ten laste te brengen van het fonds van de biljetgelden van de stedelijke belastingen.


Overige openbare voorzieningen

Brandgangen
Er zijn 22 brandgangen in de stad, te weten in de Sint Jacobstraat B 44 en 45 bij schipper Reinhout (gedeeltelijk met een zolder gedekt), in het Vuilstraatje B 50, aan het Korte Vosje C 109 bij ‘de Kleine Horen’, aan de Lange Vos C 238/237 bij S. van Zoom, Idem C 228/229 bij H. Zwieter, idem C 226/227 bij l. Glerum, Idem C 221/222 bij L. Bannet (gedempt), idem C 144/145 bij A. Engelblik, idem C 205/206 bij l. Vertregt, aan de Kreukelmarkt A 139/140 bij A. Steendijk (loopt op de plaats van het weeshuis), aan de Lange Kerkstraat C 11/12 bij Roelofse (komt uit in de Korte Kerkstraat), idem bij het Stadhuis (komt uit in de Korte Kerkstraat), in de Wijngaardstraat A 80/81 bij J. Rijnders (loopt door de stal op het Slot Oostende), idem A 181/186 in de Agnesgang (komt op de wal), aan de Opril Vlasmarkt bij J. Temperman (jachthuis), aan de Beestenmarkt bij ‘de Bontekoe’, aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat D 50/51 bij A. van Delft, aan de Kleine Kaai B 90/91 bij W. Biersteker, aan de Wijngaardstraat A 197/198 bij J. de Backer, aan de Beestenmarkt bij de erven van bakker Harinck, aan de Voorstad bij J. Burger (loopt op de modderdulf).

Hoofdwacht
Het secreet bij de Hoofdwacht heeft voornamelijk gediend ten dienste van de gevangenen. In oktober 1845 wordt het voor stadsrekening geruimd. Aan cipier Kien van de gevangenissen wordt deze ruimte tot wederopzegging geheel in gebruik gegeven en onder zijn zorg gesteld. Hij zal in het vervolg verplicht zijn om, naar aanleiding van zijn contract voor het onderhoud en de verpleging van de gevangenen, het ledigen van dit secreet voor zijn rekening te nemen.

Houtloodsen
De Gouverneur deelt eind augustus 1844 naar aanleiding van diens verzoek mee dat hij vergunning heeft gegeven aan Pieter Mul te Zaandam voor het bouwen van een houtloods  langs de Grote Rijksweg der 1e klasse nummer 3 tussen Goes en Kloetinge.

Kaaimuren
Het gemeentebestuur schrijft in september 1845 aan Gedeputeerde Staten: ‘Wij zenden u een resolutie van 15 september 1845 betrekkelijk de instorting van een gedeelte van de kaaimuur en de noodzakelijkheid van een dadelijke herstelling van die degradatie met het verzoek om de daarvoor beraamde kosten te mogen vinden uit het fonds bij de stedelijke begroting voor 1845 voor onvoorziene uitgaven toegestaan’. Uit het rapport van de stadsfabriek De Lannee de Betrancourt blijkt dat de te herstellen muurwerken 17 kubieke ellen bedragen. De aangewezen vakken waartin de hermetseling van de kubieke ellen, die tot de eigenlijke kaaimuren en de trap behoren, moeten gebeuren zijn: voor ‘de Meermin’  in wijk B nummer 26; voor de losplaats van de Rotterdamsche beurtveerschuiten en voor het huis van de heer mr. Janssen in wijk D nummer 1. Kennelijk is een gedeelte muur bezweken en ligt nu open, wat nu hermetseld moet worden. In juli 1845 worden de reparaties aan de kaaimuren publiek aanbesteed aan G.L. Warrens.

Levering steenkolen
In oktober 1840 is er een aanbesteding voor de levering van 140 mudden Engelse steenkolen voor de onderscheidene stedelijke inrichtingen, te weten voor de Latijnse school 18, voor de nachtwachten 50 en voor de wachthuizen van de commiezen van de stedelijke belastingen 72 mudden.

Openbare werken
Elk jaar worden voor de uitvoering van stadswerken werkbazen aangewezen.
Voor 1842 zijn dit bijvoorbeeld de timmerman Wouter van Leent, de metselaar G.L. Warrens, de smid A. Nonnekes, de lootgieter- en schaliedekker Gerard Verheule, de schilder Zeger de Hond en de koperslager Johannes de Jonge.
In mei 1841 worden de volgende stedelijke herstelwerkzaamheden publiek aanbesteed en gegund: het aanbrengen van de nieuwe zomerdeuren van het sas aan Govert Klemkerke voor ƒ 1.350; het herstel van de muurwerken daar aan G.L. Warrens voor ƒ 610; reparaties aan de stadsriolen aan G.L. Warrens voor ƒ 326; reparaties aan stadsgebouwen aan Laurus Glerum voor ƒ 470; schilderwerk aan Zeger de Hond voor ƒ 165; straatwerk aan A. Tavenier voor ƒ 600.
In maart 1843 worden de volgende openbare werken publiek aanbesteed: reparaties aan de school op de Beestenmarkt door Govert Klemkerke voor ƒ 365; herstelwerk aan de stadsmuur aldaar door Govert Klemkerke voor ƒ 240; straatwerk door aannemer Douw voor ƒ 280, samen voor ƒ 1.015.
In augustus 1843 worden de volgende openbare werken publiek aanbesteed: het herstel van de sasdeuren aan Govert Klemkerke voor ƒ 660; het 1e perceel van de stedelijke reparaties aan Jan de Leeuw voor ƒ 310; het 2e perceel van de stedelijke reparaties aan Govert Klemkerke voor ƒ 300; het schilderwerk aan de weduwe Goossen voor ƒ 220.
In 1845 worden enige stadswerken openbaar aanbesteed, te weten de reparatie van de kaaimuren aan de metselaarsbaas G.L. Warrens voor ƒ 335; het herstel van de binnenhavenboorden in drie percelen aan G.L. Warrens voor in totaal ƒ 164; het herstelwerk aan het sas aan G.L. Warrens voor ƒ 409,92.

Passantenhuis

In november 1843 overweegt het gemeentebestuur dat het stadsgebouw, bekend onder de naam van ‘Passantenhuis’, staande in de Wijngaardstraat in wijk D nummer 862, sinds enige jaren geheel buiten zijn bestemming is. Vanwege de bouwvallige staat kan er geen enkel gebruik meer van worden gemaakt. Besloten wordt tot de verkoop van dit gebouw.
Zijne Majesteit de Koning gaat in januari 1844 akkoord met de verkoop van het Passantenhuis. Het college van burgemeester en wethouders wordt gemachtigd tot effectuering van de verkoop. In mei wordt het publiek verkocht aan de heren mr. F.N. van der Bilt en mr. Joz. de Backer voor ƒ 250.

Stadsreiniging
De stads vuilnis- en aschbakken worden telkens voor drie jaar openbaar verpacht. Met ingang van 1 juli 1843 is dit aan de landman te Kloetinge Jan Trimpe voor ƒ 860. In het najaar van 1842 wordt het herstelwerk aan de riolen en modderbakken, die in de vest lozen, als najaarswerk uitgevoerd. Het gaat om twee nieuwe kleppen aan de moddervangbak bij de Koepoort, een nieuwe val aan de modderbak op de Grote markt voor het Stadhuis, een nieuwe val in de oude achterhaven, een dwarsgoot in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat, een modderbak bij het zogenaamde ‘Schotje van Armoede’. In 1844 wordt het uitbaggeren van de moddersloten aanbesteed. Het gaat om de sloot achter het weeshuis met een lengte van 105 ellen; de sloot aan de brouwerij ‘de Gans’ met een lengte van 75 ellen en de sloot achter de ‘Prins van Oranje’  aan de Nieuwstraat met een lengte van 60 ellen.

Stadspompen
Het gemeentebestuur besluit in juli 1844 de agenten van politie, inplaats van de vaste stadsarbeiders, te belasten met het toezicht op de stadspompen wanneer die voor het publiek geopend zijn. De commissaris van politie wordt nader aangeschreven om de agenten van politie alleen en buiten verdere bemoeiing van de stadsarbeiders, die daarvan worden ontslagen, te belasten met het sluiten en ontsluiten van en het surveilleren bij de stadspompen.

Stedelijke werklieden
In juli 1841 rapporteert de commissaris van politie over de betoonde onwilligheid bij een aantal stedelijke arbeiders om het door hun commissaris Jan Visser aangewezen werk te verrichten. Het gemeentebestuur besluit de stedelijke werklieden Jan van Velzen, Machiel Potvliet, Hendrik Kroonenburg, Adriaan Hoogerwerve, Cornelis de Jonge, Gilles de Smit, Jan Reijnhout, Jan Knoet en Cornelis Groenendijk voor drie weken in hun betrekking te schorsen.
Wegens onbehoorlijk gedrag wordt de commissaris over de stedelijke werklieden Jan Visser in september 1843 uit zijn functie ontslagen. In zijn plaats komt Adriaan de Beste.

Weeghuis slachtvee
In september 1845 verlangt het Rijk om in de stad, in het belang van de belasting op het geslachte, een gelegenheid te realiseren om het slachtvee levend te wegen en daarvoor het benodigde lokaal van de stad in huur te nemen. De gemeenteraad overweegt dat daarvoor waarschijnlijk het gebouw van de oude watermolen aan de Kleine Kade dienstig zal kunnen zijn. Het college wordt gemachtigd om te trachten hiervoor een overeenkomst met ’s Rijks administratie aan te gaan.

Huizen

Hendrik Kunst krijgt in september 1840 vergunning om op de door hem aangekochte grond in wijk B nummer 124 een nieuw gebouw te stichten.
De winkelier J.H. Stieger mag in juli 1841 een nieuwe onderpui en twee nieuwe kozijnen met glazen kasten laten maken door de timmerman J. de Reest en de metselaar L. Pottelenberg aan het huis op de Oprel van de kaai in wijk D nummer 30. In het gemeentearchief bevindt zich een tekening van de nieuwe pui van de hand van de stadsarchitect De Lannee. Volgens het advies van De Lannee zal deze constructie een verbetering en verfraaiing van het huis betekenen.
J. de Leeuw mag in 1842 een nieuwe houten schutting achter zijn woonhuis aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 224 en strekkende tegen de stadswal aanbrengen. Deze moet in een rechte lijn staan met de schutting van H.D. van Ettinger en zijn stenen gebouw aldaar.
J.W. Bussing krijgt in mei 1842 vergunning voor het veranderen van de voorgevel van zijn woonhuis in wijk A nummer 121 in de Korte Kerkstraat.
De koopman Adriaan Nortier mag in juli 1842 in het pand aan het Ossenhoofdstraatje in wijk D nummer 113 een stalling voor paarden en rijtuigen naast een bergplaats voor hooi en stro maken.
In januari 1843 krijgt Marinus Bokelaar vergunning om in het pand in wijk E nummer 106 een bakoven te bouwen. Jacob Romein mag een droogput voor vlas op de erve van het gebouw in wijk E nummer 143 aanbrengen.
Gerarudus van de Velde doet in april 1845 aangifte dat hij voor het grootste gedeelte heeft laten slopen het woonhuis in wijk E nummer 43. Dit pand behoorde vroeger tot het zomerhuis of buitenverblijf van de erven van wijlen Marinus Gorsse. Steeds is een gedeelte van dat zomerhuis staande gebleven. Nu is het ingericht tot bergplaats voor tuingereedschappen en andere voorwerpen. Hij verzoekt deze aangifte op te nemen in de staat van de grondeigendommen.
Deze jaren is overigens het grote aantal verzoeken om verandering van schoorstenen en stookplaatsen in de huizen opmerkelijk.
De huurkoetsier Pieter Panny mag in augustus 1843 in wijk D nummer 18 een gebouw tot koestal en hooischuur in gebruik nemen.
Ook de koopman Boudewijn Giljam krijgt in mei 1846 vergunning om het woonhuis in wijk B nummer 110 tot een stal, koetshuis en bergplaats voor hooi en stro in te richten en aldaar een mestput aan te brengen.