Aanvulling? Meld het hier.
<<

Sociale zorg en gezondheid (1840 - 1846)

Gezondheidstoestand in de stad

Algemeen
In juni 1843 is er sprake van een ‘ontzettend groot getal zieken’ . Gesproken wordt van ‘een noodlottig jaar’. Dit heeft binnen de stad, ook onder de gealimenteerden, invloed gehad op de armenzorg. Gemiddeld zijn meer dan drie personen boven het geraamde getal in het Gasthuis besteed geweest. Daardoor is op de bestedingskosten een tekort ontstaan van ƒ 1.245,48.

Een treffend beeld van de gezondheidstoestand in de gemeente is vermeld in het jaarverslag van de Plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht over 1846. De commissie rapporteert het volgende.

  1. In het afgelopen jaar hebben in de stad in hoge mate geheerst de zogenaamde najaarskoortsen, die al in de maand juli een aanvang hebben genomen en eerst in de maand november geëindigd zijn.
  2. De oorzaken van het ontstaan van de koortsen moeten worden gezocht in de buitengewone en langdurige hitte evenals in de droogte van dat jaar, waardoor schadelijke dampen uit aangrenzende lage gronden (de zogenaamde miasmata paludasa) zijn ontstaan, die ontegenzeggelijk op de al tot ongesteldheden voorbeschikte lichamen nadelig moeten hebben gewerkt, terwijl ook het gebruik van slecht drinkwater en slechte aardappelen kan hebben meegewerkt tot het doen geboren worden van deze koortsen.
  3. Inwoners van elk geslacht en iedere leeftijd zijn door de koortsen aangetast, doch, bij voorkeur, de minvermogenden en vooral hun kinderen, waarvan de oorzaak te vinden is daarin dat deze zich in de regel het meest aan de invloed van de hitte moeten blootstellen en doorgaans zich niet dan van slecht water en slechte aardappelen hebben kunnen bedienen.
  4. De commissie moet overigens aanmerken dat de artsen dikwijls zéér laat bij de door de ziekte aangetaste kinderen geroepen zijn, verkerende het grootste gedeelte van de genoemde klasse van ingezetenen, helaas, in het verkeerde denkbeeld dat men bij ongesteldheden en vooral bij koortsen van kinderen weinig doen moet, zoekende geen hulp dan wanneer dezelve bijkans op sterven liggen, waaraan het dan ook voor het grootste gedeelte moet worden toegeschreven dat er zoveel meer kinderen dan volwassenen gestorven zijn, zijnde de verhouding van de sterfte tussen de eerste tot de laatste gedurende het tijdvak dat de najaarskoortsen gewoed hebben, ongeveer 4 tot 1, wat ook het cijfer van de sterfte in 1846 dermate heeft doen klimmen.

In deze jaren overlijden in 1839 164, in 1840 148, in 1842 232, in 1843 190, in 1844 205 en in 1845 159 inwoners.

Kinderziekte
In maart 1844 geeft de plaatselijke geneeskundige commissie kennis van het ontstaan van de kinderziekte in de stad en van de genomen maatregelen tot wering daarvan.

De Gouverneur vraagt in november 1844 informatie over het al dan niet bestaan van de kinderziekte in de stad. Desgevraagd rapporteert de plaatselijke geneeskundige commissie dat de kinderziekte weliswaar aanwezig is doch een goedaardig karakter heeft. De voorzitter van de commissie, tevens de oudste geneesheer in de stad, J.W. Hecking, geeft in overleg en overeenstemming met de andere geneesheren de verzekering dat de heersende pokken zijn ‘vanoloides’ en geen natuurlijke kinderpokken.
Daarop antwoordt het gemeentebestuur de Gouverneur dat de vergadering overhelt tot het gevoelen van de meerderheid van de in de stad gevestigde geneesheren, namelijk dat de eigenlijke natuurlijke kinderziekte niet aanwezig is en de daarover voorgeschreven maatregelen vooralsnog niet noodzakelijk worden geoordeeld. Maar de provinciale geneeskundige commissie is van oordeel dat de ‘vanoloides’ moeten worden gehouden voor een gewijzigde kinderziekte, waartegen de bij de gewone kinderziekten gebruikelijke voorzorgmaatregelen behoren te worden genomen. Ze schrijft dat de daarmee in verband staande verordeningen op de thans in Goes heersende kinderziekte moeten worden toegepast. Het gemeentebestuur besluit daarop:

  • bij publicatie de aanwending van de koepokinenting dringend aan te bevelen;
  • de armbesturen en de directie over het weeshuis aan te schrijven om zich te verzekeren dat de wezen en de kinderen van de gealimenteerden behoorlijk zijn of alsnog worden gevaccineerd;
  • alle schoolonderwijzers en onderwijzeressen en de leraren van de hervormden en afgescheidenen, de pastoor van de rooms-katholieken en de kerkmeesters van de Israëlitische gemeente in de stad aan te schrijven om geen kinderen uit huizen, waarin de kinderziekte heerst, in de scholen of catechisaties toe te laten;
  • de commissaris van politie een meer dan gewone surveillance, zo in persoon als door zijn agenten, aan te bevelen met de verplichting tot rapportage aan het college.

De directie van het Gasthuis maakt eind november 1844 bezwaar tegen het opnemen van poklijders. Ze heeft het algemeen armbestuur uitgenodigd om deze lijders in een geschikt en afgezonderd lokaal van het Oude Manhuis op te nemen. Daaraan is voorlopig voldaan. Het gemeentebestuur besluit het algemeen armbestuur uit te nodigen om dat lokaal de bestemming te geven zoals dat voorgeschreven is en dit te stellen onder de directie van een commissie uit het armbestuur. Het college deelt het armbestuur mee dat het haar is voorgekomen dat de armenadministratie, die daarvan gebruik maakt, zal kunnen volstaan met betaling van de gewone alimentatiegelden in het Gasthuis. De geneeskundige behandeling van de gealimenteerden van de diaconie wordt aan hun eigen geneeskundigen overgelaten. De overigen zullen door de stadsdoctor en de geneeskundigen van het algemeen armbestuur behandeld moeten worden. De kosten, die de gewone alimentatiegelden te boven gaan, dienen op een buitengewone wijze gevonden en verantwoord te worden

Het algemeen armbestuur deelt op de 30e november 1844 mee dat:

  • maatregelen zijn en verder zullen worden genomen om geen armen te bedelen waarvan de kinderen niet zijn gevaccineerd;
  • het doelmatig is voorgekomen om op de kist van aan de kinderziekte overledenen voor het gevorderde teken aan te nemen een zinken plaatje, waarin de letter K is uitgekapt, met het voorstel om dit teken algemeen toe te passen;
  • de zorg voor de maatregelen bij het begraven aan de ontvanger van de begrafenisrechten zou kunnen worden opgedragen;
  • tot de directie over het lokaal voor poklijders in het Oude Manhuis zijn benoemd de heren Van Kerkwijk, Verschoor en Pieterse en de geldelijke administratie is gemandateerd aan de rentmeester van het algemeen armbestuur.

Het gemeentebestuur besluit de diaconie van de Hervormde gemeente uit te nodigen om,  evenals het algemeen armbestuur, geen bedeling te doen dan nadat aan de geneesheer of heelmeester van de diaconie zal zijn gebleken dat de bedeelde kinderen gevaccineerd zijn.
Eveneens wordt de diaconie gevraagd om op de kist van aan de kinderziekte overledenen de letter K uit te kappen. Verder worden de grafdelvers ‘serieuselijk’ gelast om de doodkisten, die van een zodanig teken zijn voorzien, ‘in een graf ter diepte van ruim een el onder de grond te begraven en hetzelve met aarde vast aan te stampen, mitsgaders de rouwpellen, die bij een zodanige begrafenis zijn gebruikt, door beroking te doen zuiveren alvorens die wederom te gebruiken’.

De Officier van Justitie mr. Van Deinse schrijft het gemeentebestuur eind januari 1845 het volgende: ‘Niettegenstaande de dagelijks bij mij inkomende rapporten bevestigen dat de sedert geruime tijd te dezer stede heersende kinderziekte werkelijk zich meer en meer van een hoogst ernstige aard voordoet en het getal lijders en slachtoffers daaraan verontrustend toeneemt, schijnen echter de ingezetenen te algemeen de maatregelen te veronachtzamen, welke deswege bepaaldelijk bij artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 18 april 1818 zo zijn voorgeschreven. Ter beteugeling van deze zo verontrustende ziekte heb ik u te verzoeken mij wel te willen meedelen welke bepalingen omtrent dit punt aan de ingezetenen zijn voorgeschreven en alsnog op de naleving daarvan te willen blijven aandringen’. Dit is voor het gemeentebestuur aanleiding de commissie van geneeskundig toevoorzicht en de genees- en heelmeesters nadrukkelijk te verzoeken ernstig toezicht te houden op het voorkomen van de gevreesde kinderziekte. De commissaris van politie wordt dringend verzocht, zowel in persoon als door zijn agenten, een strikt toezicht te houden op het bestaan van de kinderziekte in de gemeente en om van alle ontdekkingen, zelfs van geruchten die enige waarschijnlijkheid hebben, proces-verbaal op te maken en daarbij zo mogelijk op te geven of de lijders door een geneeskundige en zo ja, door welke, worden behandeld.

In maart 1845 komt er van de Gouverneur een vermaning om hem regelmatiger weekstaten over de kinderziekte toe te sturen. Het gemeentebestuur roept de plaatselijke geneeskundige commissie daarop ernstig op om door een regelmatige voldoening aan de bestaande voorschriften of opgave van de redenen waarom daaraan niet kan worden voldaan ‘het college de aanmerkingen van het hoger bestuur te besparen’. De Gouverneur zal met de redenen van de minder geregelde inzending worden bekend gemaakt. De op de laatste staat voorkomende drie zieken zijn intussen hersteld en geen andere zieken zijn aangegeven.

De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht schrijft op de 19e april 1845 dat, nu geen poklijders deze week zijn aangegeven, het inzenden van weekstaten wordt gehouden voor geëindigd.

Vaccinatie kinderen
Het gemeentebestuur ontvangt in oktober 1841 een circulaire van de Gouverneur met een aanbeveling tot het tegengaan van de toelating van ongevaccineerde kinderen op de scholen vanwege het wezenlijke of voorgewende gebrek aan koepokstof. Over 1844 hebben de geneesheren J.W. Hecking, G.F. Callenfels, N.J. Verschoor en de heelmeester F.  Pieterse samen 262 kinderen onder de vijftien jaar gevaccineerd.
Het gemeentebestuur geeft, op aangeven van de plaatselijke geneeskundige commissie, de Gouverneur in januari 1846 kennis ‘dat in het laatste kwartaal van 1845 alhier niet gevaccineerd noch kinderziekte behandeld is’.

Opvang krankzinnigen
Gedeputeerde Staten van Zeeland vragen in december 1842 of bij een eventuele stichting van een provinciaal krankzinnigenhuis daarvoor in de stad Goes gelegenheid zou bestaan. Tevens verzoeken ze de stad te delen in de kosten van oprichting van dit opvanghuis en aanvaarding van het beheer en onderhoud daarvan. Het gemeentebestuur besluit te antwoorden dat deze stad daartoe geen gelegenheid kan aanbieden en de bekrompenheid van de financiën niet toelaat om daarvoor een bijdrage te leveren.

Fonds voor geneeskundige hulp aan minvermogenden
De medicine doctoren De Peval, Verschoor en Van den Bosch, de heelmeester Pieterse en de apotheker Hochart geven het gemeentebestuur in november 1840 kennis van hun voornemen om in de stad een fonds voor geneeskundige hulp aan minvermogenden tot stand te brengen. Ze verzoeken deze inrichting alle medewerking te verlenen. Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg

Algemeen
In juni 1844 stelt de gemeenteraad een Instructie vast voor de stads medicine doctor te Goes.
Gedurende de jaren 1840 tot en met 1846 zijn er vijf tot zes geneesheren in de stad werkzaam (Callenfels, De Peval, Hecking, Van Renterghem en Verschoor), waarvan een tevens vroedmeester, een tevens chirurgisch doctor (G.T. Callenfels) en een tevens chirurgisch en artis obsteti doctor (C.A. van Renterghem) is. Er zijn verder vier heel- en vroedmeesters en een vroedvrouw. Ook zijn er zeven, oplopend (in 1844) tot tien,  apothekers en een drogist in de stad gevestigd.
In april 1846 worden, op verzoek van de Gouverneur, drie kandidaten voorgedragen voor de vervulling van de vacante functie van Officier van gezondheid bij de dienstdoende schutterij, te weten de 62-jarige heel- en vroedmeester Theunis Pieterse, de 45-jarige medisch en chirurgisch doctor Gerardus Theodorus Callenfels en de 40-jarige medisch chirurgisch en artis obsteti doctor Charles Albert van Renterghem. Heel- en vroedmeester Pieterse wordt benoemd.

Medische dokters

De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht geeft in juli 1840 kennis dat de medisch doctor G.J. Callenfels zijn diploma van chirurgie doctor heeft getoond en als zodanig is toegelaten.
In december 1841 wordt de provinciale commissie van geneeskundig toevoorzicht bericht dat gedurende het afgelopen jaar geen verandering is gekomen in het personeel van de geneeskunstbeoefenaren dan de overkomst uit Bodegraven van de heer C.A. van Renterghem, doctor in de genees-, heel- en verloskunde.
Er is in juli 1842 ongenoegen bij de geneesheer Verschoor en de heelmeester Pieterse, verbonden aan de godshuizen, over het gedrag van dokter Van Renterghem. Ze beklagen zich over de handelwijze van de regenten van het Gasthuis naar hun toe wat betreft een door de geneesheer Van Renterghem verrichte operatie aan een weesjongen. De regenten van het Gasthuis hebben hen weliswaar erkend, maar dokter Van Renterghem is op eigen gezag te werk gegaan.
Er is nog meer ongenoegen over het eigengereide optreden van dokter Van Renterghem. In november 1844 verzoekt de Gouverneur om dokter van Renterghem, genees-, heel- en verloskundige in de stad, die volgens rapport van de provinciale geneeskundige commissie nalatig is in het doen van opgaven van de door hem verrichte verlossingen en vaccinaties, uit te nodigen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij dient door het inzenden van de verlangde en voorgeschreven opgaven mee te werken aan een zo noodzakelijke volledigheid voor de wetenschap van de commissie. De Gouverneur wordt meegedeeld dat de heer Van Renterghem niet genegen is om negatieve rapporten in te zenden, maar niettemin bereid is tot de inzending van positieve staten van zijn over 1844 gedane en verder te verrichten verlossingen, vaccinaties en behandeling van kinderziekten.
Maar in augustus 1845 rapporteert de plaatselijke geneeskundige commissie dat dokter Van Renterghem de staten van gedane moeilijke, tegennatuurlijke en instrumentale verlossingen, vaccinaties en kinderziekten niet heeft ingezonden. Het gemeentebestuur besluit Van Renterghem uit te nodigen om de verlangde opgaven, dit maal aan het college van burgemeester en wethouders en voortaan geregeld, aan de plaatselijke commissie in te zenden. Eind augustus heeft Van Renterghem nog niets laten horen, ondanks verscheidene aanmaningen. Het college concludeert dat er wel niets anders zal overschieten dan een rechterlijke vordering op verbaal van de plaatselijke geneeskundige commissie. Maar begin oktober doet hij opgave van de door hem in 1844 verrichte vaccinaties en een negatief bericht over moeilijke instrumentale en tegennatuurlijke verlossingen. Hij verzoekt om gedrukte staten voor het invullen van de vaccinaties. Hiervan wordt rapport gedaan aan de Gouverneur.

In april 1844 wordt stadsdoctor Verschoor benoemd tot lid van de stedelijke raad. In verband hiermee besluit de gemeenteraad tot behoud van de functie van stadsdoctor, doch daaraan te verbinden en mitsdien aan de te benoemen stadsdoctor de verplichting op te leggen om voor de bezoldiging als stadsdoctor, zonder enige verdere of andere toelage, de administratie van de algemene armen als geneesheer mede te bedienen. Ook wordt besloten een instructie op te stellen voor de te benoemen stadsdoctor. Hiermee worden belast de heren Hecking, Verschoor en Van Kerkwijk.

Op de 20e juni 1845 benoemt de gemeenteraad tot stadsdoctor de heer L.C. de Peval op een jaarwedde van 250 gulden. Hij komt in de plaats van dokter Verschoor, die tot lid van de gemeenteraad is benoemd.

Eind 1846 zijn de volgende geneeskundigen in de stad gevestigd: zes geneesheren waarvan een tevens vroedmeester, een chirurgia doctor en een chirurgia et artis obs. doctor, twee heel- en vroedmeesters, een vroedvrouw, tien apothekers, een drogist en twee veeartsen.

Heel- en vroedmeesters
In december 1840 komt uit ‘s-Gravenpolder over de heer D. Polijn Staal als heel- en verloskundige. Ook vestigt in 1846 zich als heel- en vroedmeester in de stad de heer Karel Broes van Dort.

Apothekers
In 1846 verzoekt de apotheker Pieter Andries Hochart hem van stadswege op erfpacht uit te geven 192 ellen stadsgrond aan de westwal bij het Ravelijn de Groene Jager achter de Beestenmarkt. De apotheker D. Steendijk overlijdt in januari 1847.

Vroedvrouwen

De plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht legt de gemeenteraad in 1844 een ontwerpinstructie voor de stadsvroedvrouw voor. De gemeenteraad stelt deze op 19 december 1844 vast. Er staan verscheidene interessante artikelen in.

Veeartsen
Deze jaren zijn in de gemeente werkzaam de veeartsen Jacobus Franciscus Lippens, oud 53 jaar, geboren te Eeclo, afgestudeerd in 1820 te Leiden, tevens winkelier, en Laurentius van Kalmthout, oud 29 jaar, geboren te Goes, afgestudeerd in 1838 aan de veeartsenijschool te Utrecht, eveneens winkelier.

Godshuizen

De regenten over de godshuizen delen het gemeentebestuur in april 1840 mee dat ze voor de gebouwen van het weeshuis en het Gasthuis willen deelnemen aan de Zeeuwsche Brand Waarborg Maatschappij te Zierikzee, dit tegen een vaste premie.

In mei 1842 verzoeken de regenten van de godshuizen de gemeenteraad om tot bestrijding van de kosten van de buitengewone en dringende herstelling van de ruimte in het weeshuis dat tot magazijn dient en van het gedeelte van het leien dak boven de mannenafdeling in het Gasthuis een bedrag van ƒ 6.000 te mogen uitgeven en dit bedrag op de dienst van 1842 in buitengewone uitgaaf voor elke gesticht afzonderlijk te verantwoorden. Hiermee wordt akkoord gegaan.

In 1842 komt er een wijziging in het college van regenten van de godshuizen. In december verzoekt de heer Nicolaas Vervenne vanwege zijn hoge ouderdom ontslag. In zijn plaats komt de heer Gerardus Hendrikus Kakebeeke. Ook in 1847 komt er een vacature door het verzoek om ontslag door Cornelis Beijaard als regent van de godshuizen vanwege zijn gevorderde leeftijd en lichaamsongesteldheid. Zijn opvolger is mr. P.J. van Voorst Vader.

Gasthuis

De jaarrekeningen van het Gasthuis over deze jaren laten het volgende beeld zien:

  Ontvangsten: UItgaven: Resultaat:
1839 ƒ   5.980,50  ƒ   6.247,03  ƒ     266,53 -
1840 ƒ   9.007,95  ƒ   7.222,10  ƒ  1.785,85 +
1841  ƒ   9.199,01  ƒ   7.841,32  ƒ  1.357,68 +
1842  ƒ   9.592,82  ƒ   8.928,11  ƒ     664,70 +
1843  ƒ   7.954,35  ƒ   7.952,28  ƒ          2,07 +
1844  ƒ   7.435,93  ƒ   7.412,26  ƒ       23,67 +

Het college van regenten over de godshuizen geeft in november 1842 kennis van de benoeming van mevrouw Elisabeth Maria Boddingius, echtgenote van de heer Pieter van Dalen, tot regentes van het Gasthuis in de plaats van de overleden regentes mevrouw Cornelia Le Cointre, weduwe van de heer Kruijsse.

De regenten over de godshuizen verzoeken de gemeenteraad in mei 1843 om de ‘Moeder in het Gasthuis’, Janna Visser, eervol ontslag uit haar functie te verlenen en haar, ter beloning van haar 35-jarige getrouwe diensten, op haar 76-jarige leeftijd gedurende haar verdere leven vrije woning, voeding en geneeskundige verzorging in het Gasthuis te verlenen, alsook een geldelijke toelage van een gulden per week, te vergoeden uit het traktement van haar opvolgers. Verder zal zo spoedig mogelijk in de vacature worden voorzien door benoeming van een Vader en Moeder op een jaarwedde van ƒ 300, onder aftrek van ƒ 52 gedurende het leven van de tegenwoordige Moeder. Door de ondervinding geleerd vinden de regenten het vrijwel onmisbaar en het meest doelmatig dat bij de tegenwoordig doorgaande bevolking twee personen, namelijk een Vader en een Moeder, worden aangesteld. De gemeenteraad besluit zich met het gevoelen van de regenten volkomen te verenigen. In de vacature van binnenmoeder Janna Visser van het Gasthuis wordt op voordracht van de regenten van de godshuizen benoemd tot binnenvader en binnenmoeder Nicolaas Duivewaardt en zijn echtgenote Adriana Duivewaardt-Anspach op een jaarwedde van driehonderd gulden. Hieruit moeten ze gedurende haar leven aan de afgetreden binnenmoeder Janna Visser jaarlijks ƒ 52 uitkeren.

De regenten van de godshuizen sturen in augustus 1843 ter goedkeuring een nieuw ‘Huishoudelijk Reglement voor het Gasthuis’ naar het gemeentebestuur. Besloten wordt dit goed te keuren en met het bewijs daarvan voorzien aan de regenten te retourneren om in het gesticht te worden ingevoerd.

 

 

Weeshuis

De jaarrekeningen van het arm- en weeshuis over deze jaren laten het volgende beeld zien:

  Onvangsten: Uitgaven: Resultaat:
1839 ƒ  15.205,73 ƒ   13.329,17 ƒ 1.876,55 +
1840 ƒ  17.364,05 ƒ   14.278,19 ƒ 3.085,86 +
1841 ƒ  14.622,42 ƒ   15.298,58 ƒ    676,16  -
1842 ƒ  19.998,84 ƒ   16.712,12 ƒ 3.286,72 +
1843 ƒ  18.255,40 ƒ   15.239,39 ƒ 3.016,01 +
1844 ƒ  17.643,08 ƒ   14.188,54 ƒ 3.454,54 +
1845 ƒ  20.105,78 ƒ   15.723,02 ƒ 4.382,76 +

In het arm- en weeshuis zijn opgenomen:

in 1839 129 personen, waarvan 27 oude lieden, 28 gebrekkigen en 74 kinderen;
in 1840 132 personen, waarvan 36 oude lieden, 28 gebrekkigen en 68 kinderen;
in 1842 133 personen, waarvan 34 oude lieden, 26 gebrekkigen en 73 kinderen;
in 1843 135 personen, waarvan 35 oude lieden, 25 gebrekkigen en 75 kinderen;
in 1845 145 personen, waarvan 31 oude lieden, 25 gebrekkigen en 89 kinderen;
In 1846 148 personen, waarvan 35 oude lieden, 28 gebrekkigen en 85 kinderen.

De Gouverneur van Zeeland maant het gemeentebestuur in april 1840 om een opgave in te zenden van de verevende en onverevende boedels van de voormalige Weeskamer van de stad of een opgave te doen van de redenen die inzending daarvan verhinderen. Besloten wordt de kantonrechter binnen de stad daartoe opnieuw aan te sporen.

In maart 1841 neemt een van de regentessen van het weeshuis, mevrouw de weduwe Pilaar, afscheid van het college van regenten vanwege haar verhuizing naar elders. In de vacature wordt verkoren mevrouw Bastiana Klasina Marinissen echtgenote van de heer Jacobus Piepers. Er wordt nòg een nieuwe regentesse aangetrokken. De regenten van de godshuizen geven het gemeentebestuur in november 1841 kennis dat vanwege de vaak voorkomende afwezigheid van mevrouw Van Renterghem en de voortdurende zwakke gezondheid van mevrouw Hecking het college versterking behoeft. Tot mede regentesse van het weeshuis wordt verkoren mevrouw Lena Molenburg echtgenote van ds. W.L. van Oosterzee. Ze heeft zich bereid verklaard deze benoeming te aanvaarden.

Ook het weeshuis krijgt een nieuwe binnenvader en binnenmoeder. In december 1841 dragen de regenten van de godshuizen in de plaats van de overleden J.H. Priesterbach en zijn nagelaten weduwe Adriana van Druijnen voor het echtpaar Hendrik Visser en zijn echtgenote Jacoba Adriana Braam.

Oude manhuis

Over het Oude Manhuis zijn nauwelijks bijzonderheden te vermelden. In september 1846 krijgen de regenten van de godshuizen en de algemene armen van de stad vergunning voor het, overeenkomstig het advies van de generale brandmeesters, veranderen van de schoorstenen ‘in het weeshuis en in de kelder en de gymnastiekzaal in het Oude Manhuis’.

Zorg voor de armen en behoeftigen

Algemeen
Opmerkelijk is deze jaren het zeer grote aantal verzoeken om en toekenningen van alimentatie.

De gemeenteraad beraadslaagt op de 17e maart 1845 over de strenge en langdurige winter en het gebrek voor de behoeftige en arbeidende klasse van ingezetenen aan werk en verdiensten. Er zijn meer dan gewone bedelingen en ondersteuning noodzakelijk. Daarin kan op den duur door de armenfondsen niet worden voorzien. Besloten wordt uit de bestaande fondsen van de voormalige gilden (hierin is nog circa ƒ 950 aanwezig) honderd gulden beschikbaar te stellen aan de commissie voor de economische spijsuitdeling ten behoeve van alle armen en behoeftigen zonder onderscheid en uit dit fonds nog eens honderd gulden te disponeren.

In juni 1845 wordt de Gouverneur bericht dat de Subcommissie van Weldadigheid binnen de stad bestaat uit de heren mr. J. de Backer, officier bij de arrondissementrechtbank, mr. J.C. van der Meer Mohr, burgemeester, J.W. van Kerkwijk, wethouder, L. van Haaften, predikant bij de Hervormde gemeente, P. Thielings, rooms-katholiek pastoor en mr. J. de Backer, advocaat. Het aantal contribuerende leden van de Maatschappij is thans vijftien.

Gedeputeerde Staten vragen in maart 1846 een opgave van het gemeentebestuur van de instellingen van weldadigheid in de stad. Opgegeven worden de volgende instellingen: de regenten van de godshuizen; de regenten over de algemene armen; de armenschool; de Hervormde diaconie; de commissie voor de economische spijsuitdeling; de stadsleenbank; de zieken- en begrafenisbussen en de Zuid-Bevelandse instelling Dorcas.

Er heerst in augustus en september 1846 een schaarste aan levensmiddelen. Er komt een aanschrijving van de Gouverneur met de mededeling dat de regering voornemens is om vanwege de voortdurende hoge stand van de prijzen van de levensmiddelen, die ongetwijfeld ook aan gebrek dat in het buitenland heerst, moet worden toegeschreven, tot verlenging van de Wet van de 18e december 1845, houdende maatregelen tot bevordering van de invoer van levensmiddelen voor de tijd van zes maanden, aan de Staten Generaal een voordracht te doen. Hieraan wordt dadelijk voldaan.

Algemeen armbestuur
In het college van regenten van het algemeen armbestuur ontstaat in 1842 een vacature door het overlijden van ‘het waardig en ijverig medelid’, de heer Francois Kleeuwens. In zijn plaats komt de heer N.J.F. Verschoor, medisch doctor. Ook in april 1843 ontstaat er een vacature door het overlijden van het lid Jacobus de Jongh. In zijn plaats komt de heel- en vroedmeester Theunis Pieterse.

De jaarrekeningen van het algemeen armbestuur laten over de jaren 1840 tot en met 1845 een vrij stabiel beeld zien. De ontvangsten zijn in 1840 ƒ 12.302,83, in 1843 ƒ 11.410,00 en in 1846 ƒ 14.297,40. De uitgaven zijn in 1840 ƒ 11.893,69, in 1843 ƒ 11.728,00 en in 1846 ƒ 14.294,20.

Het aantal door het algemeen armbestuur bedeelden is in:
1840 241, waarvan 128 gedurende het gehele jaar en 113 eens of meermalen;
1841 239, waarvan 125 gedurende het gehele jaar en 114 eens of meermalen;
1842 249;
1843 223, waarvan 133 gedurende het gehele jaar en 90 eens of meermalen;
1844 218, waarvan 110 gedurende het gehele jaar en 108 eens of meermalen;
1845 231, waarvan 123 gedurende het gehele jaar en 108 eens of meermalen;
1846 233, waarvan 33 uitbesteden en 200 eens of meermalen bedeelden.

Het gemeenteverslag over 1842 meldt over de armenzorg dat er alle reden is tot tevredenheid over de bestuurders van het algemeen armbestuur. De binnen de stad geheerst hebbende ziekte, vooral onder de geringere volksklasse, heeft meer dan gewone onderstand, vooral geneeskundige hulp, noodzakelijk gemaakt. Vandaar het meerder benodigd geweest zijnde dan over vroegere dienstjaren. Het aantal huiszittende armen was 233, waarvan 33 uitbestede behoeftigen, 94 bedeelden die gedurende het gehele jaar onafgebroken en 106 behoeftigen die nu en dan bedeeld zijn. Het totaal aantal behoeftigen inclusief de uitbesteden en bedeelden bedroeg 590.

In mei 1843 is er sprake van nood onder de behoeftigen in de gemeente.
De regenten van het algemeen armbestuur geven het gemeentebestuur kennis ‘dat uit hoofde van het ontzettend groot getal zieken onder de gealimenteerden in het jaar 1842 en andere oorzaken en niettegenstaande, zo in de bedelingen als in het voorzien in andere dringende behoeften, over dat dienstjaar een tekort bestaat van ongeveer ƒ 1.250’. Dit kan onmogelijk worden gedekt bij gebrek aan beschikbare fondsen, zelfs niet bij een allervoordeligste uitkomst. Ze verzoeken het gemeentebestuur om hen te hulp te komen met een buitengewone subsidie van ƒ 1.250. Op deze wijze kan het ongunstige dienstjaar 1842 geheel worden vereffend zonder enige jaren daarmee bezwaard te blijven en het krediet van hun administratie door nalatige betalingen in de waagschaal te stellen.
Het gemeentebestuur doet hiervoor een voorstel aan het provinciale bestuur.

Ingevolge de voordracht van het gemeentebestuur verlenen Gedeputeerde Staten goedkeuring om het algemeen armbestuur met ƒ 1.250 en het hervormd diaconie armbestuur met ƒ 550 extra te subsidiëren.

Over 1846 blijkt het aantal bedeelden in het algemeen weer te zijn toegenomen als gevolg van schaarsheid en duurte van de levensmiddelen, waardoor handwerksman en veldwerker moesten bedeeld worden. In gewone tijden kunnen deze in hun eigen onderhoud voorzien.

Diaconaal armbestuur Hervormde gemeente
Het door de diaconie van de Hervormde gemeente bedeelden is in:
1840: 48, waarvan 33 gedurende het gehele jaar;
1841: 82, waarvan 51 gedurende het gehele jaar;
1842: 109, waarvan 14 uitbesteden en 95 bedeelden;
1843: 107, waarvan 12 uitbesteden en 95 bedeelden;
1844: 81, waarvan 14 uitbesteden en 98 bedeelden.

De brede kerkenraad van de Hervormde gemeente geeft het gemeentebestuur in maart 1843 kennis dat bij de overdracht van de diaconieadministratie door de heer Pilaar aan zijn opvolger de heer De Jongh bleek dat over het nog te verantwoorden jaar 1842 een tekort is ontstaan van ƒ 600. Deze zaak is door een speciale commissie onderzocht. Daarbij bleek dat de oorzaak van dit tekort hoofdzakelijk ligt in onvoorziene en buitengewone omstandigheden van toenemende armoede, buitengewone ziekten en dergelijke. De kerkenraad heeft gemeend de situatie ten spoedigste aan het gemeentebestuur te moeten open leggen. Ze verzoekt op grond van het besluit van Gedeputeerde Staten van 8 maart 1827 vrijheid om het restant tekort over te brengen in de eerstvolgende begroting.

De heren van der Bilt en Van Kerkwijk, als gewoonlijk aangewezen voor het onderzoek van de armenadministratie van de diaconie, onderzoeken de overgelegde bescheiden. Op verzoek van de kerkenraad komt een delegatie uit hun midden in de vergadering van het gemeentebestuur voor het geven van een mondelinge toelichting. Vooraf doen de heren Van der Bilt en Van Kerkwijk verslag van hun onderzoek. Daarna wordt de commissie uit de kerkenraad toegelaten. Deze geeft bij monde van ds. Van Haaften te kennen dat de kerkenraad zich verplicht acht om, behalve de gegeven schriftelijke opening van zaken over de staat van de diaconieadministratie over 1842, mondeling de onaangename verzekering te moeten geven dat de voor het lopende dienstjaar 1843 geraamde baten op verre na niet toereikend zullen zijn voor de bestrijding van de nodige uitgaven. Zo zelfs, dat men de vrees niet kan verbergen om daarop ƒ 1.200 tekort te zullen komen. De delegatie uit de kerkenraad verzoekt deze omstandigheden mede in aanmerking te nemen en daarin waar mogelijk te voorzien.

Na het vertrek van de commissie uit de kerkenraad delibereert de gemeenteraad over het verhandelde. Besloten wordt deze zaak in beraad te houden. De kerkenraad wordt uitgenodigd om met alle mogelijke spoed een definitieve staat van de administratie van de diaconie over het eerste kwartaal 1843 op te stellen en in te zenden. De burgemeester wordt gemachtigd om, nadat hem de huidige bedelingrol van de diakenen is overgebracht, de diakenen te machtigen om tot de 1e mei met de bedeling voort te gaan. Dit tot het voorkomen van de ongelegenheid, waarin de diaconie door een stilstand of al te gevoelige vermindering de bedeelden zou brengen.

Op de 20e mei 1843 verneemt de gemeenteraad het nadere rapport van de heren Van der Bilt en Van Kerkwijk over het verzoek van de brede kerkenraad van de Hervormde gemeente om maatregelen te nemen tot voorziening in het tekort op de administratie van de diaconie over 1842 en 1843. De voorzitter legt een brief van de kerkenraad over met de kennisgeving dat de diakenen op de gewone bedelingdag, zijnde 5 mei, de bedelingsrol hebben bepaald op ƒ 24. Maar tevens hebben ze bemerkt dat het onmogelijk is in de noodzakelijkste behoefte van de armen te voorzien als dit cijfer niet hoger wordt gesteld. Daarom stellen ze voor de volgende bedelingrol met ingang van vrijdag de 12e mei te verhogen tot ƒ 29 à ƒ 31, zijnde het aangevraagde bedrag, ‘hopende en verwachtende dat deze vergadering hieraan inmiddels desselfs goedkeuring zal verlenen’.

Na uitvoerige deliberatie besluit de gemeenteraad:

  1. de brede kerkenraad te kennen te geven dat de raad geen hogere rol van wekelijkse bedelingen dan van ƒ 24 à ƒ 25 kan inwilligen, als in gelijke verhouding staande  met de bedelingen van het algemeen armbestuur;
  2. dat de vergadering meent dat het in de bestaande en verder te duchten zeer bezwarende omstandigheden ernstige overweging verdient of er in het belang van de administraties in de stad en ter bevordering van een meer gelijk werkend bezuinigingstelsel geen mogelijkheid zou bestaan om de bedelingen van alle armen, zowel van het algemeen armbestuur als van het Hervormde diaconie armbestuur, door het eerstgemelde college alleen te laten plaats hebben;
  3. dat het voor het bereiken van een zodanig doel niet ongepast is voorgekomen dat door het algemeen en diaconie armbestuur onderling, onder leiding van een lid uit de gemeenteraad, dit punt opzettelijk wordt onderzocht en, onder nadere goedkeuring van de bevoegde macht, met behoud voorzover nodig van afzonderlijk beheer van de wederzijdse goederen en rechten, de meest geschikt geoordeelde bepalingen worden ontworpen;
  4. onder kennisgeving van het vorenstaande aan de brede kerkenraad en aan de regenten over de algemene armen, de beide colleges uit te nodigen tot het benoemen ieder van een commissie van twee leden om over deze zaak onderling, onder voorzitterschap van de heer mr. Van der Bilt, lid van de gemeenteraad, geassisteerd door de stadssecretaris, in overleg te treden, en wel op maandag de 29e mei in het Stadhuis om zonodig die conferentie, indien dit raadslid dat mocht dienstig oordelen, verder voort te zetten en ten einde te brengen.

De kerkenraad van de Hervormde gemeente geeft het gemeentebestuur op de 27e mei 1843 kennis dat de heren D. van der Hoek en M.P.J.A. van Dam zijn aangewezen om met een commissie uit het algemene armbestuur, onder leiding van de heer mr. Van der Bilt, lid van de gemeenteraad, in onderhandeling te treden over de door de gemeenteraad opgevatte mening om ook de lidmaten van de Hervormde godsdienst onder zekere bepalingen onder de bedeling van het algemeen armbestuur te brengen.

Op de 29e juni 1843 komt bij de gemeenteraad in bespreking een brief van de brede kerkenraad van de Hervormde gemeente, ondertekend door ds. E.B. Swalue, preses, en ds. W.L. van Oosterzee, scriba. Door de kerkenraad is besloten om de administratie van de diaconie armen vooralsnog afzonderlijk onder het gewone beheer van de diaconie te houden. Tevens is besloten de uitgaven zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de ontvangsten om, onder het genot van de gewone subsidie van ƒ 1.800, een verder tekort, behoudens buitengewone omstandigheden, te voorkomen. Tevens verzoekt de kerkenraad om voor de dekking van het tekort over 1843 een buitengewone toelage uit de stadskas te verkrijgen van ƒ 438,41.

De gemeenteraad besluit daarop om:

  1. overtuigd van de noodzakelijkheid ‘tot onvoorziene uitschotten, door buitengewone omstandigheden veroorzaakt’, de gevraagde extra subsidie voor 1842 uit de stedelijke kas toe te staan, te weten voor de algemene armen ƒ 1.250 en  voor de Hervormde diaconie ƒ 550, samen ƒ 1.800;
  2. afwijzend te beschikken op het verzoek van de kerkenraad om een extra toelage voor 1843 voor de diaconie.

Het jaar daarop geeft de brede kerkenraad van de Hervormde gemeente het gemeentebestuur op de 11e mei 1844 kennis dat de administratie van de diaconie over 1843 een tekort zal opleveren van tenminste ƒ 269,46. Ze verzoekt om daarin door het verlenen van een buitengewone subsidie te voorzien in de hoop dat dit door enige overschrijving zal kunnen gevonden worden. Het gemeentebestuur antwoordt dat, alvorens hierover een voorstel aan de gemeenteraad kan worden gedaan, het precieze bedrag van het tekort dient te worden opgegeven. Dit zal echter niet door enige overschrijving, zelfs niet uit de stedelijke begroting van 1843, kunnen worden gedekt. Bij deze gelegenheid wil het gemeentebestuur opnieuw bij de kerkenraad aandringen op bezuiniging en overleg.

Op de 27e oktober 1845 komt er een brief van de kerkenraad van de Hervormde gemeente bij de gemeenteraad in bespreking. De brede kerkenraad heeft zich uitvoerig beraden over de functie van de diaconie. Naar aanleiding van dat beraad is een overeenkomst met de gemeenteraad opgesteld. Deze komt globaal op het volgende neer:

  1. de diaconie administratie van de Hervormde gemeente zal vanaf 1 januari 1846 worden gesteld buiten het genot van stedelijke subsidie en als gevolg daarvan terugkeren tot haar vroegere en oorspronkelijke standpunt, namelijk een op zichzelf staande, ongesubsidieerde armeninrichting tot ondersteuning uitsluitend van de lidmaten van de Hervormde kerk en daartoe behorende armlastigen;
  2. de diaconie zal worden ontlast van de alimentatie van de door de kerenraad onder censuur gestelden gedurende de tijd van hun censuur en van de gealimenteerden in het Gasthuis, berekend op vijftien personen. Ook zal de diaconie bevoegd zijn om buiten haar kosten twee personen kosteloos in het weeshuis op te nemen;
  3. aan de diaconie zal om niet en zonder enige betaling in gebruik worden gelaten de zeven kamertjes in het Oude Manhuis, die thans door haar gealimenteerden worden bewoond; deze bewoners zullen bovendien van het benodigde legstroo worden voorzien;
  4. de begrafeniskosten van de gealimenteerden van de diaconie, daaronder begrepen de verpleegden in het Gasthuis en Weeshuis, zijnde de doodkist en het graf, zullen buiten de kas van de diaconie gevonden en bestreden worden;
  5. de jaarwedde van de geneesheer en heelmeester voor de diaconie armen zal uit de stadskas worden voldaan.

Voor verdere gegevens over de diaconie wordt verwezen naar het hoofdstuk ‘Kerkelijke situatie’ onder Hervormde gemeente/diaconie.

Zuidbevelandsche Dorcas
Deze jaren bestaat er in de gemeente een vrouwelijke vereniging voor het vervaardigen, verstrekken of uitdelen van kleding aan behoeftigen en schamele armen onder de naam van ‘Zuidbevelandsche Dorcas’. Deze instelling ondervindt steeds voldoende bijval om op de bestaande voet te bliiven voortgaan. Het aantal inschrijving ligt jaarlijks rond de 80.

Commissie economische spijsuitdeling

De ingestelde commissie voor de economische spijsuitdeling bestaat in 1840 uit de heren dokter J.W. Hecking, president, mr. M.P. Blaaubeen, vice-president, J. de Leeuw, J. de Jongh, P. Vervenne, J. Piepers, J.W. van Kerkwijk, dokter L.C. de Peval, mr. J.L. Liebert en H.C. Pilaar.
In november 1842 overlijdt het lid J. Piepers. In zijn plaats komt Jonkheer De Haze Bomme. In 1845 bedankt H.C. Pilaar als lid.
In 1846 bestaat de commissie uit de heren dokter J.W. Hecking, mr. M.P. Blaaubeen,  J. de Leeuw, J.W. van Kerkwijk, dokter L.C. de Peval, mr. J.L. Liebert, J. de Fouw, mr. P.J.A. van Dam, J. van Renterghem de Fouw en mr. P. van der Meer Mohr, secretaris en thesaurier.

In oktober 1841 stuurt de commissie een kennisgeving van haar voornemen om eerstdaags voor de aanstaande winter inschrijvingsbiljetten rond te laten brengen. Ze verzoekt om de deelname aan deze, al 25 jaar bestaande inrichting aan te bevelen. Het gemeentebestuur besluit de aanbeveling bij de gewone publicatie te doen. De gewone bedeling is op maandag, woensdag, donderdag en vrijdag. De buitengewone uitdeling aan niet bedeelde behoeftigen is op zondag, dinsdag en vrijdag.

Ter illustratie volgt hier een bloemlezing van de uitgaven voor de economische spijsuitdeling gedurende het winterseizoen 1841-1842: Cornelis Schrijver, Pieter van Paassen, Marinus de Dreu, Marinus Zandee en Marinus Bokelaar wegens levering van selderij ƒ 53,00; Jacobus Johannes Sloover wegens geleverd vlees ƒ 422,10; de heer I.G.J. van den Bosch van de Wilhelminapolder wegens geleverde aardappelen ƒ 111,00; idem wegens levering van blauwe erwten ƒ 318,50; Cornelis van Kleijnputte wegens geleverde ajuin ƒ 12,80; J. Piepers wegens geleverde gort ƒ 359,64; de zoutzieders Pilaar en compagnons wegens geleverd zout ƒ 55,20; P. Vervenne wegens geleverde peper ƒ 5,50; de heren De Jongh en Pilaar wegens levering van kolen ƒ 130,05; wegens plaatsen van advertenties ƒ 35,70; voor loon aan de spijskokers en de bedienden van de kokerij ƒ 108,00; voor loon voor de waterhaalders ƒ 12,00 en voor het schillen van de aardappelen ƒ 4,50.

In 1840 zijn er 387 inschrijvingen voor de spijsuitdeling. 33.600 porties soep en gekookte spijs worden verstrekt. In 1841 zijn er 354 inschrijvingen voor de spijsuitdeling en worden 31.612 porties soep en gekookte spijs verstrekt. In 1842 zijn het 380 inschrijvingen, terwijl 39.296 porties worden verstrekt. In 1843 is het aantal inschrijvingen 388, terwijl 37824 porties soep en gekookte spijs worden uitgereikt. In 1844 zijn er 393 inschrijvingen. 48.750 porties soep en gekookte spijs worden dan verstrekt, evenals 882 Nederlandse ponden brood. In 1846 zijn er 355 inschrijvingen, terwijl 51.300 porties soep en gekookte spijs worden verstrekt. 220 tonnen van twee mudden turf en 388 grote takkenbossen worden verbruikt.

Uit de jaarrekening van de commissie voor de economische spijsuitdeling over het winterseizoen 1841-1842 volgt hierna een bloemlezing uit de uitgaven van de commissie:
Cornelis Schrijver en Pieter van Paassen, Marinus de Dreu, Marinus Zandee, Louis Verse en Marinus Bokelaar wegens levering van selderij ƒ 53,00; Jacobus Johannes Sloover wegens geleverd vlees ƒ 422,10; de heer I.G.J. van den Bosch wegens geleverde aardappelen ƒ 111,00; Idem wegens levering van blauwe erwten ƒ 318,50; Cornelis van Kleijnputte wegens geleverde ajuin ƒ 12,80; J. Piepers wegens geleverde gort ƒ 359,64; de heren Pilaar en compagnon wegens geleverd zout ƒ 55,20; P. Vervenne wegens geleverde peper ƒ 5,50; de heren De Jongh en Pilaar wegens geleverde kolen ƒ 130,05; wegens plaatsen van advertenties ƒ 35,70; aan lonen voor de spijskokers voor de bedienden van de kokerij ƒ 108,00; wegens loon voor de waterhaler ƒ 12,00; voor het schillen van de aardappelen ƒ 4,50.

Het gemeenteverslag over 1843 vermeldt over de economische spijsuitdeling: ‘Deze heeft gedurende de winter uitdeling gedaan van levensmiddelen, bestaande in een krachtige en gezonde soep. Deze ondervindt bij voortduring de verdiende ondersteuning. Hoewel de inkomsten voor de geëindigde winter weder minder zijn dan in de voorgaande. Dit moet voornamelijk worden toegeschreven aan de algemene vermagering van de burgerstand die niet meer zoals vroeger tot instandhouding van zulke nuttige instellingen kan bijdragen. De bedelingen zijn weder vier malen per week gedaan en het getal der bedeelde porties is zelf iets boven dat van het voorgaande jaar gestegen’.

Voor het winterseizoen 1844-1845 wordt, op basis van vier bedelingen per week, begroot 1150 pond rundvlees, 900 pond selderie, 450 pond zout, 5 pond peper, 2050 pond gort, 45 mud blauwe erwten, 70 mud aardappelen, 8 mud uien en 70 mud kolen, in totaal geraamd op ƒ 1.739,79.

De commissie deelt het gemeentebestuur begin december 1844 mee dat de inschrijving voor de economische spijsuitdeling gedurende de aangevangen winter zodanig is uitgevallen dat deze, gevoegd bij de toegekende stedelijke subsidie, toereikend zal zijn om de bedelingen op de gewone tijd en wijze te doen. De eerste bedeling zal plaats hebben op aanstaande maandag. Dit omdat de vorst eerder is ingevallen dan in de laatste jaren.

Op de 27e september 1845 schrijft de commissie voor de economische spijsuitdeling aan het gemeentebestuur het volgende: ‘De, vooral voor de behoeftige klasse, drukkende mislukking van den aardappeloogst dringt ons vroeger dan in vorige jaren en wel met de helft van de maand oktober te beginnen met de gewone bedeling van economische soep, waarom wij ons voorstellen in de volgende week de inschrijvingsbiljetten rond te zenden in de billijke verwachting dat de gegoede ingezetenen het belang daarvan inziende, door milde en verdubbelde giften deze commissie zullen in staat stellen de meerdere kosten der langduriger bedeling en der hogere prijzen van de benodigde ingrediënten te bestrijden, terwijl wij de hoop voeden dat deze maatregelen de goedkeuring van uw edelachtbaren zal wegdragen en dat een eventueel tekort daarvan het gevolg zijnde, door een buitengewone stedelijke subsidie zal gedekt worden’.

Uit het verslag over ‘de koking en uitreiking van warme spijze’ van de 15e januari 1846 blijkt dat de commissie gedurende de maand december 1845 tot tijdelijk hulpbetoon 2645 gekookte porties soep voor niet bedeelden heeft uitgereikt, waarvan ongeveer 2/3 gedeelte gratis is verstrekt. De gewone spijsuitdeling in de maanden november en december was in november 8920 porties en in december 13680 porties, samen 22600 porties. In totaal zijn daardoor uitgereikt 27541 porties, te weten 22600 aan gewone bedeling, 2645 aan buitengewone bedeling en 2296 aan bedeelden op zondag. In de maand januari 1846 is het aantal uitgedeelde porties opgelopen tot 18540.

De gemeenteraad betuigt op de 3e juni 1846 zijn bijzondere dank en hoogste tevredenheid voor het werk van de commissie voor de economische spijsuitdeling voor de aan de stad en de armen en hulpbehoevenden bewezen diensten en de doelmatig uitgevoerde bemoeiingen. Vooral tijdens de bestaan hebbende bekommerende en moeilijke omstandigheden. Deze hebben ‘zo zeer mogen strekken om zonder gevreesde uitwerkselen wederom het gunstiger jaargetijde te bereiken’. Het tekort over het afgelopen winterseizoen heeft slechts ƒ 50 bedragen en wordt zonder bezwaar beschikbaar gesteld.

De soepkokerij is tot en met 1846 ondergebracht in het gebouw van de voormalige Kleine of Gasthuiskerk aan de Gasthuisstraat, aangrenzend aan het gebouw van het Gasthuis.
In de raadsvergadering van de 16e maart 1846 herinnert de burgemeester aan de voorwaardelijke ontruiming van een gedeelte van het Gasthuis ten behoeve van de weeffabriek of calicotweverij. Er is toen aan het Gasthuis beloofd dat ze weer in het bezit gesteld zal worden van de ruimte die thans voor de spijsuitdeling wordt gebruikt. Hij geeft in overweging om twee naast het Gasthuis staande woninkjes, die eerstdaags publiek verkocht zullen worden, aan te kopen om op deze grond en in die lokalen de soepkokerij te verplaatsen. Op deze wijze kunnen de huidige lokalen ontruimd en aan het Gasthuis teruggegeven worden. Al sinds lang is er bij het Gasthuis grote behoefte aan een afgezonderde ziekenkamer voor mannen en andere kwaadaardige zieken. De gemeenteraad erkent weliswaar de noodzakelijkheid tot het uitbreiden en verbeteren van de ziekenlokalen in het Gasthuis en mitsdien ook van de eventuele verplaatsing van de spijskokerij. Toch betwijfelt de raad de bruikbaarheid en geschiktheid van de huisjes vanwege de hoge kosten die de inrichting daarvan zal vergen. Van aankoop van de huisjes wordt dan ook afgezien. De gemeenteraad nodigt de commissie voor de economische spijsuitdeling, die bij de vergadering aanwezig is, vanwege de erkende noodzaak van meer ruimte voor het Gasthuis, uit om te onderzoeken of de spijsuitdeling naar een ander pand van de stad, hetzij het gebouw van de oude waterkorenmolen, hetzij het oliemagazijn of in enig ander gebouw, zou kunnen worden overgebracht.

De gemeenteraad stelt een commissie in om uit te zien naar een andere accommodatie voor de economische spijsuitdeling, zodat de belangen van zowel de spijsuitdeling als het Gasthuis beter kunnen worden behartigd. De commissie bestaat uit de heren mr. M.P. Blaaubeen, wethouder J.W. van Kerkwijk en dokter L.C. de Peval. Uit het onderzoek blijkt dat het gebouw van de oude waterkorenmolen aan de Kleine Kade het meest geschikt lijkt om tot soepkokerij te worden ingericht. De stadsarchitect De Lannee de Betrancourt heeft hiervoor een schetstekening, bestek en kostenraming opgesteld. De kosten zullen circa ƒ 2.000 bedragen. De commissie meent dat hiermee de gewenste en nodige surveillance, goede orde en verantwoording van de suppoosten bij hun werkzaamheden alleszins bevorderd en vergemakkelijkt zullen worden, ook bij de bedelingen.
De commissie stelt dan ook in november 1846 voor om het gebouw van de voormalige waterkorenmolen aan de Kleine Kade in te richten tot lokaal voor de soepkokerij overeenkomstig het bestek en de kostenraming van de stadsarchitect. De gemeenteraad gaat graag akkoord met dit voorstel.

De commissie voor de economische spijsuitdeling stuurt het gemeentebestuur in november 1846 toe een berekening van de kosten om de oude waterkorenmolen aan de Kleine Kade tot lokaal voor de soepkokerij in te richten. Bij het verzoek is een plattegrondtekening van de stadsarchitect gevoegd. In het verleden is door de regenten van de godshuizen het verlangen geuit om weer te kunnen beschikken over de lokalen die thans afgestaan zijn als soepkokerij. Het gemeentebestuur toonde zich niet ongenegen om aan dat verlangen te voldoen en een ander stadsgebouw tot gebruik van de commissie af te staan. In verband hiermee is een commissie benoemd om de belangen van de inrichting te behartigen. De commissie, bestaande uit mr. M.P. Blaaubeen, wethouder J.W. van Kerkwijk en dokter P.C. de Peval, rapporteert het volgende.
Na onderzoek is haar het lokaal van de oude watermolen op de Kleine Kade het geschiktst voorgekomen om tot soepkokerij en aanbehoren ingericht te worden en wel op de wijze als in het bijgevoegde bestek en berekening is beschreven. De commissie voor de economische spijsuitdeling heeft zich hiermee geheel kunnen verenigen en meent dat de gewenste en nodige surveillance, goede orde alsook de verantwoording van de suppoosten bij hun werkzaamheden hierdoor ook als de bedeling zelf plaats heeft, alleszins bevorderd en vergemakkelijkt zullen worden. Er is hiervoor een bedrag nodig van twee duizend gulden.

Algemene armen werkinrichting

Het gemeentebestuur legt in april 1840 de vraag aan het algemeen armbestuur en de diaconie van de Hervormde gemeente voor wat hun gevoelen is over een waarborgvereniging voor behoeftige arbeiders en werklieden binnen de stad. In juni komen de reacties van de regenten van de algemene armen en de diakenen van de Hervormde gemeente bij het gemeentebestuur ter tafel. Ze rapporteren dat ze de oprichting van de beoogde vereniging voor behoeftige arbeiders en werklieden als onuitvoerbaar beschouwen. Het gemeentebestuur besluit zich met het gevoelen van de armbesturen te verenigen en daarvan kennis te geven aan Gedeputeerde Staten.

In 1844 komt deze vraag opnieuw aan de orde. De directie van de Maatschappij tot Nut in ’t algemeen binnen de stad verlangt in november 1844 pogingen aan te wenden voor de oprichting van een ‘Algemene Armen Werkinrichting’ in de stad. De burgemeester deelt de raad mee dat de directie het genoegen mocht smaken dat aanvankelijk het algemeen armbestuur, de Hervormde diaconie en de commissie voor de economische spijsuitdeling zich bij de Maatschappij hebben aangesloten voor het zoveel mogelijk verwezenlijken van dit weldadige doel. In verscheidene oorden van het vaderland is dit als een geschikt middel tot ondersteuning van de behoeftige klasse in werking gebracht. De gemeenteraad besluit op de 2e december 1844 als adhesiebetuiging aan deze nuttige onderneming een commissie van twee leden uit de vergadering te benoemen om zich bij deze vereniging aan te sluiten. In deze commissie nemen zitting de raadsleden mr. Saaymans Vader en Vervenne.

De gemeenteraad bevestigt op de 7e april 1845 nogmaals zijn goedkeuring en medewerking in het algemeen aan het bereiken van het loffelijke doel van de Vereniging van de Algemene Armen Werkinrichting ‘om door behartiging van de redelijke en stoffelijke belangen, zo van de behoeftigen als van bedeelde armen binnen de stad en haar grondgebied, naar vermogen derzelver toestand te lenigen of te verbeteren en het tonen van armlastig worden trachten te stuiten zo niet te verminderen’. Besloten wordt dat:

  • de gemeenteraad bij voortduring zijn medewerking aan de vereniging toezegt;
  • de raad voor zover mogelijk gaarne zal pogen dat bij werken, die voor rekening van de stad worden verricht, alleen ingezetenen van Goes worden toegelaten;
  • zoveel mogelijk de vereniging in de gelegenheid zal worden gesteld om stedelijke werken uit te voeren of ook daartoe door deze beschikbaar te stellen bruikbare personen worden gebezigd;
  • de deelneming aan de op te richten spaarkas vanwege de stedelijke regering zal worden aanbevolen aan allen die tot de administratie van de stad in enige betrekking staan;
  • de raad in gewone tijden en omstandigheden aan de vereniging gedurende tien achtereenvolgende jaren, te beginnen met het lopende jaar, een bijdrage van 350 gulden per jaar zal verlenen.

De Statuten van de Vereniging de ‘Algemene Armen WerkInrichting te Goes’ worden vastgesteld in de vergadering van de 14e maart 1845. Ze worden getekend door T. van de Putte, voorzitter, M.P. Blaaubeen, P.A. Hochart, P.H. Saaymans Vader, Ph. Vervenne, F. Pieterse, P.J.A. van Dam, R.B. van den Bosch, J. de Fouw en L. van Haaften.

Het eerste werk voor de ‘Algemene Armen Werkinrichting’ vindt plaats in het najaar 1845. De gemeenteraad heeft het bestuur in september een strook cultivabel land, dat aan de stad in eigendom toebehoort en buiten de Bleekveldse Poort ligt, tot bewerking in gebruik gegeven. Gesproken wordt over de wijze hoe de aangeboden grond verkregen kan worden.

Als tweede werk stelt de gemeenteraad voor ‘de bearbeiding van de grond of het moeras van de zoute vest binnen de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort met de daaraan volgende stroken buitengrond ter weerszijden van het diep of water buitenom de stadsweide, over het kerkhof en zo mogelijk onder de wallen tot aan de Hoofdpoort, met de vest onder tegen de schans’. Op een daarbij gevoegde schets is een en ander afgetekend.

Het bestuur van de Vereniging van de Algemene Armeninrichting schrijft in een uitvoerige brief onder meer het volgende: ‘Met Zorg toch de ophanden zijnde winter tegemoet gegaan wordende, zo is daarenboven de Vereniging van oordeel, dat zich bij het zo veel vroeger gemis van veldarbeid door het verlies van de aardappeloogst en de zoveel geringere hoeveelheid te delven meekrap als gewoon, veel vroeger dan anders en reeds binnen weinige dagen een dringende behoefte zich zal voordoen om werk te verschaffen, teneinde door het voorkomen van ledigheid de rust en veiligheid der burgerij te bewaren’.
‘Als een, naar haar gevoelen, meest geschikte gelegenheid vermeent de Vereniging aan uw edelachtbaren te mogen voorstellen de bearbeiding van de grond of het moeras van de zoute vest buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort met de volgende stroken buitengrond ter weerszijden van het diep of water buiten om de stadswei (voor het kerkhof) en zo mogelijk die onder de wallen, tot aan de Hoofdpoort, terwijl het ook geraden wordt geoordeeld de vest onder de schans te verleggen en die buitengronden overgewerkt worden tot verbreding van die aan de buitenzijde’.
Op de bijgevoegde tekening is aangegeven dat het met A aangegeven moeras zou kunnen worden verhoogd en naast de begroeide en met B aangegeven buitengrond door bearbeiding in een zeer aangename wandeling herschapen zou kunnen worden. De onder C aangegeven buitengrond kan evenzeer aangelegd of ook overgewerkt worden op en tegen B en alzo het water van de zoute vest (aangegeven met D) geleid kan worden volgens de gestippelde rode lijn E onder langs de Schans.
Het bestuur betoogt dat het voorstel het grote voordeel heeft om ten 1e zeer veel arbeid te kunnen verschaffen op een kleine uitgestrektheid; ten 2e om een aangename verbinding tussen en gunstiger inkomen te verkrijgen bij of aan de ’s Heer Hendrikskinderenpoort en de Hoofdpoorten en waaraan later of de aanleg van de wallen of die van de gronden naar de zijde van de meestoof ‘de Liefde’ kunnen worden aangesloten en tot een goed geheel gebracht worden. De brief is ondertekend door de voorzitter C. van de Putte en de secretaris R.B. van den Bosch.

Uitvoerig beraadslaagt de gemeenteraad over het voorstel. Wat het eerste punt betreft wordt aan de Algemene Armen Werkinrichting van nu af aan tot Sint Catrijne 1850, zonder enige retributie of uitkering ten behoeve van de stad, doch alleen onder de verplichting tot schikking met een schadeloosstelling van de pachter van het perceel, Jan Trimpe, tot het tijdstip dat diens pacht eindigt. En van de heer G.H. Kakebeeke tot Sint Catrijne 1850 en zonder vooralsnog bij het eindigen van deze concessie aan de grond enige bepaalde bestemming te geven, in gebruik te geven voor handenarbeid en om tot effenen cultivabele grond aan te leggen en te behouden, mitsgaders daarvan ten behoeve van de Vereniging de baten te genieten, zonder onderverhuring, welke laatste geheel van het doel zou doen afwijken, af te staan.
De bedoelde stadsgrond, kadastraal bekend onder sectie B nummers 188 en 192, beginnende aan de zoutkeet langs de meestoof ‘de Zon’ buiten de Bleekveldse poort, met uitzondering vooralsnog van het beplante tot aan de limietscheiding tussen Goes en Kattendijke, wordt aan de Vereniging gedurende de tijd van de concessie geheel en tot het meeste voordeel van haar fonds overgelaten, evenals om het beplante te effenen en daarvan zonder benadeling van de plantage eveneens gebruik te maken.

Wat het tweede punt betreft, het voorstel tot bearbeiding van de stadsgrond of het moeras, bezijden de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, deze stukken worden in handen gesteld van de heren Van der Bilt, Saaymans Vader en Vervenne, geassisteerd door de stadsfabriek, om met de heer Fransen van de Putte, president van de Algemene Werkinrichting, een lokale inspectie op deze grond te doen.

Overigens dient vermeld te worden dat de stadsarchitect De Lannee de Betrancourt zeer negatief adviseert over het project van de Vereniging van de Algemene Armen Werkinrichting. Hij wijst daarbij ook op het Koninklijk Besluit dat de wallen van steden niet aangetast mogen worden.

Op de 6e oktober 1845 rapporteert de commissie over de door haar gehouden inspectie. Het is de commissie aannemelijk voorgekomen om de tegenwoordige geul te behouden en geen veranderde leiding van het water daar te stellen. Tevens is de commissie van oordeel dat het door de werkinrichting voorgestelde arbeid zal kunnen verschaffen en dat, desverlangd en wanneer de meerdere kosten getroost worden, een aangename verbinding tussen en een gunstiger binnenkomen van de stad verkregen zal worden bij of aan de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Hoofdpoorten van de stad en een later aan te brengen verdere aansluiting naar de meestoof.
De commissie meent verder dat het voorgestelde door de Vereniging van de Algemene Armen Werkinrichting altijd een verbetering van de huidige ontoegankelijkheid van de stad zal betekenen, zonder iets uit zijn geheel te brengen. De wijze om de nodig geoordeelde droge gronden te verkrijgen zal een nader en zeer gewichtig punt van overweging behoren te zijn, zowel als de bestaande zwarigheid van een kostbare bewerking die aan een werk van deze aard, in dit seizoen, meer dan een matig loon zal vereisen, terwijl er volgens vorenstaande bepaling om de leiding van het water niet te veranderen, geen bezwaar voor de zaagmolen zal bestaan. De commissie adviseert daarom om de gevraagde concessie te verlenen, mits de tegenwoordige geul wordt gevolgd en op dezelfde of meerdere breedte gehouden. Verder adviseert de commissie geen uitgraving of afgraving buiten de vest of in het water aan te brengen en de grond geschikt te maken tot cultuur.

De gemeenteraad houdt het voorstel tot bewerking van de grond of het moeras van de zoute vest buiten de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort met de daaraan volgende stroken buitengrond ter weerszijden van het diep of water, buitenom de stadsweide over het kerkhof en zo mogelijk die onder de wallen, tot aan de Hoofdpoort, met de vest onder tegen de Schans, vooralsnog aan. De reden daarvan is het standpunt van Zijne Majesteit de Koning dat nergens, waar poorten of wallen zijn, de afbraak daarvan mag plaatsvinden. Bovendien wegen de aanzienlijke kosten van het werk zeer zwaar. Maar ook wordt getwijfeld aan het uiteindelijke voordeel van het plan. De gemeenteraad vindt het voorlopig voldoende dat de dijken van de ooster- en westerschans worden afgegraven en geëffend tot bebouwbare grond. Bovendien zal het plan voor de sloop van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort alsnog aan het hogere bestuur moeten worden voorgelegd. Daardoor zou een aanmerkelijk grotere hoeveelheid bruikbare grond kunnen worden verkregen. De poort is bovendien onherstelbaar en geheel vervallen.

De gemeenteraad besluit op de 3e november 1845 om aan de Algemene Armen Werkinrichting in gebruik te geven enige in het weeshuis opgeslagen spinnewielen, afkomstig van het bij besluit van de gemeenteraad van de 13e april 1822 ontbonden Armen Werkhuis. Deze zijn destijds aan de toenmalige regenten  van de godshuizen en het algemeen armbestuur ter hand gesteld.

De Algemene Armen Werkinrichting legt de gemeenteraad in november 1845 een aantal interessante gegevens over zoals over hun werkkring; haar inzichten en doel; het verlenen van arbeid aan armen en minvermogenden; een opgave van het aantal behoeftigen en de door de verschillende armbesturen bedeelden. De gemeenteraad neemt dit rapport voor kennisgeving aan. Uit een archiefstuk van 17 november 1845 onder nummer 946 blijkt dat het aantal behoeftigen en door de armeninrichtingen bedeelden 1193 bedraagt, waaronder 659 jongens en meisjes.

Op uitnodiging van de voorzitter van de Algemene Armen Werkinrichting bezichtigt de gemeenteraad op de 4e april 1846 het werk van de afgraving van het eerste perceel van de westerschans. De geëffende grond aan de oostzijde van de haven is bij die gelegenheid eveneens bezichtigd.

De Gouverneur dringt in december 1846 aan op het verschaffen van arbeid aan de volksklasse gedurende deze winter en het nemen en bevorderen van maatregelen in het belang van de algemene veiligheid. De gemeenteraad besluit eenparig dat:

  1. het raadzaam is om maatregelen te nemen om gedurende deze winter weer aan de behoeftige en minvermogende volksklasse in deze gemeente arbeid te verschaffen;
  2. als de meest geschikte maatregel tot het bereiken van dit doel zou kunnen worden aangenomen de voortzetting van de afgraving van de westerschansdijken en de aanvulling van de bijliggende moerassen, waarvoor door Gedeputeerde Staten bij resolutie van 26 september 1845 goedkeuring is verleend;
  3. voor alsnu deze afgraving en gelijkmaking zou kunnen beginnen bij de begraafplaats van de Israëlieten, noordop tot aan en in het dwars- of sluitdijkje van de Pier en Pinxpolder aan de Westhavendijk, waarvan de kosten zijn berekend op ƒ 2.282,00;
  4. het ervoor kan worden gehouden dat het personeel van de stedelijke politie voor het tegenwoordige voor deze dienst voldoende en geen tijdelijke vermeeerdering noodzakelijk is, evenals dat vooralsnog geen buitengewone nachtwacht nodig is.

In september 1846 geeft de ‘Algemene Armen Werkinrichting’ in de stad het gemeentebestuur kennis van haar besluit om de Vereniging te ontbinden. Verzocht wordt om daarvan mededeling te doen aan de gemeenteraad. Tevens wenst het bestuur dat het gelukken zal een ander college tot instandhouding van de armeninrichting in de stad te vestigen. Het bestuur verklaart zich bereid aan dat bestuur overgave van het materieel te doen en de verlangde voorlichting te geven of, als dat niet plaats vindt, dan de belangen en aangelegenheden van deze inrichting met het gemeentebestuur te regelen.

Tevens geeft de ‘Algemene Armen Werkinrichting’ te kennen dat in haar statuten het verkrijgen van twee soorten fondsen doelstelling was, namelijk een blijvend werkend kapitaal en het andere een meer fluctuerend fonds. Dit beginsel heeft in de stad tegenstand ontmoet, zodanig dat het voor het vaste fonds vastgestelde cijfer niet voltekend is geworden, terwijl de bijdragen voor het fluctuerende fonds onvoldoende zijn geweest. Op deze voet en met zo weinig betekenende hulpmiddelen is de inrichting niet in stand te houden. Het bestuur heeft daarom de beslissing genomen om de vereniging te ontbinden.
De gemeenteraad betuigt haar leedwezen over de mislukking van haar welgemeende en door de raad naar vermogen ondersteunde pogingen in het belang van de armen en minvermogende klasse van de ingezetenen. Een commissie uit de gemeenteraad wordt belast om met de Algemene Armen Werkinrichting de aangelegenheden daarvan te regelen. De commissie bestaat uit de burgemeester en de heren Soutendam en Van Deinse.