Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1840 - 1846)

Koning Willem II bezoekt Goes

Op de 7e oktober 1840 doet Zijne Majesteit Koning Willem de Eerste afstand van de troon. De gemeenteraad neemt in zijn vergadering van de 14e november 1840 kennis van de Proclamatie van de 7e oktober over de troonsafstand van de Koning en de overdracht van de regering aan Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje. Zijne Majesteit Koning Willem de Tweede aanvaardt de regering van ons land. De Gouverneur schrijft plechtige gebeden voor ter gelegenheid van de troonsaanvaarding door de nieuwe vorst.

De gemeenteraad besluit op de 5e december een adres vast te stellen waarin Zijne Majesteit geluk wordt gewenst met zijn troonsbeklimming en hem de Hulde en Trouw van het gemeentebestuur en de ingezetenen van Goes eerbiedig wordt toegebracht met aanbeveling van de belangen van de stad in Zijne Majesteits gunst en hoge bescherming.
Het adres luidt als volgt:

Sire!
Getuigden de weldaden van Zijne Majesteit Koning Willem den Eerste van zijne Vaderlijke zorgen voor alle - ook kleinere en afgelegen gedeelten van zijn Rijk - en mogt deze stad, die, bij zijn komst tot de Regering in diep verval, bijzonder door het gemis van een haven, gezonken was, door Hoogstdesselfs bijzondere voorziening en vermogende ondersteuning uit deze nadelige toestand worden opgebeurd en een voordeliger aanzien verkrijgen, waarvoor hare erkentenis nimmer falen zal.
Ook de menigvuldige bewijzen van belangstelling en opoffering van uw koninklijke persoon voor Neerlands welvaart en de Eer van een herhaald bezoek aan deze Stad geschonken doet ons met vreugde het ogenblik zegenen waarop het Uwe Majesteit behaagde de Teugels der Regering in handen te nemen en worden Uwer Majesteits wensen vervuld en Uwer Majesteits pogingen gezegend, aan het dierbaar Vaderland een gelukkige toekomst te verzekeren.
Vergun dan Hoogst geëerbiedigde Vorst en Geliefde Koning! Dat wij bij gelegenheid van uwer Majesteits komst tot den Troon van Nederland, plechtig door deszelfs vertegenwoordigers gehuldigd, onze wenschen voegen bij die ontelbare heilbeden, welke zich alomme hebben doen horen, dat wij Uwe Majesteit, in naam dezer stad, daarmede hartelijk geluk wenschen: Uwe Majesteit onze eerbiedige Hulde, onveranderlijke Liefde en onkreukbare Trouw, nederig toebrengen, en onze oprechte bede voor den Luister van Uwer Majesteits Regering; voor een lang en gelukkig Leven, voor de welvaart en bloei van Uwer Majesteits Doorluchtig huis en Geslacht, tot den Albestuurder richten. Onder ootmoedige aanbeveling van de belangen dezer stad en van hare inwoonders in de hoge gunsten en bescherming van Uwe Majesteit, hunnen veelgeliefden Koning’.

Er heerst onder de Zeeuwse steden onzekerheid of men met een delegatie op audiëntie naar den Haag zal gaan. Het stadbestuur van Zierikzee besluit dit niet te doen; Goes besluit dit schriftelijk te doen en Vlissingen besluit het wel te doen. Er zal een delegatie vanuit Vlissingen vertrekken.

In augustus 1841 verneemt het gemeentebestuur dat Zijne Majesteit een bezoek zal brengen aan Zeeland. De burgemeester geeft de gemeenteraad op de 10e augustus in overweging of het niet gepast en plichtmatig zou zijn om bij gelegenheid van de verwachte komst van Zijne Majesteit te Middelburg en, voorzover het niet te verwachten is dat Zijne Majesteit deze stad zal bezoeken, een commissie uit de vergadering af te vaardigen om Zijne Majesteit bij zijn eerste komst in de provincie in naam van de vergadering te complimenteren. De gemeenteraad besluit daartoe en stelt een commissie in, bestaande uit de heren burgemeester Verschoor van Nisse, wethouder Hecking en raadslid mr. Van der Bilt, alsook secretaris De Fouw.

De burgemeester geeft de gemeenteraad op de 17e augustus 1841 kennis van een aanschrijving van de Gouverneur dat Zijne Majesteit Koning Willem de Tweede in de eerste dagen van volgende week de provincie met een bezoek zal vereren. Hij heeft het voornemen op maandag de 23e augustus vroegtijdig te Middelburg aan te komen en dadelijk na zijn aankomst audiëntie te verlenen. Bij deze gelegenheid is het mogelijk dat Zijne Majesteit ook de stad Goes zal bezoeken. In dat geval twijfelt hij niet of het stedelijk bestuur zal zich beijveren om Zijne Majesteit op de meest voldoende wijze te ontvangen. De gemeenteraad neemt met het meeste genoegen kennis van dit bericht.
Besloten wordt om aanvankelijk en later, wanneer men over de komst van Zijne Majesteit nader bericht zal hebben ontvangen, de meest gepaste maatregelen voor de ontvangst van Zijne Majesteit, ook door het van stadswege aanbieden van een déjeuner, te nemen. Er wordt nu al een commissie benoemd, bestaande uit de heren Kakebeeke, de Jongh en Soutendam, om voor de nodige rijtuigen en paarden te zorgen. Een andere commissie, bestaande uit de raadsleden Hecking, Van Kerkwijk, Saaymans Vader en Van Deinse, krijgt de taak om het overige voor de ontvangst van Zijne Majesteit en het aanbieden van een déjeuner voor te bereiden en te beramen.

Op de 21e augustus 1841 besluit de gemeenteraad om vanwege de op eerstkomende donderdag verwachte komst van Zijne Majesteit de Koning binnen de stad te bepalen dat geen kramen, tenten of dergelijke voor de jaarmarkt op de Grote Markt of kaai zullen mogen worden opgeslagen dan na de afloop van deze heugelijke gebeurtenis.

De burgemeester deelt de gemeenteraad op de 24e augustus het zekere bericht mee van Zijne Majesteits komst in de stad op donderdag de 26e augustus in de morgen, vergezeld van zijn zonen, de drie koninklijke prinsen, alsook dat het Zijne Majesteit heeft behaagd het van stadswege aangeboden dejeuner, alsook de erewacht van de stad, aan te nemen. Hiervan wordt dadelijk bij publicatie aan de ingezetenen kennis gegeven en deze worden tot eerbewijs en vreugdebetoon uitgenodigd. Verder wordt van de komst van Zijne Majesteit mededeling gedaan aan de commandant van de stedelijke schutterij. Van de door Zijne Majesteit te verlenen audiëntie verschijnt een publicatie en verder worden alle gepaste maatregelen genomen om Zijne Majesteit op de meest voldoende wijze te recipiëren.

Het notulenboek van de gemeenteraad tekent op de 27e augustus 1841 het volgende aan over het bezoek van Zijne Majesteit aan Goes:
‘Zijne Majesteit op gister voormiddag deze stad, vergezeld van de drie Koninklijke Prinsen, met hoogstdeszelfs tegenwoordigheid vereerd, mitsgaders van het aangeboden déjeuner gebruik gemaakt hebbende, is bij zijn intocht, bij de inspectie der schutterij, het bezoeken van de Hervormde kerk en bij hoogstdeszelfs vertrek, alomme met de meeste bewijzen van eerbied en vreugde ontvangen. En heeft daarover zijne hooge tevredenheid betuigd. Waarvan aan de ingezetenen bij publicatie zal worden kennis gegeven, met dankbetuiging voor de aan de dag gelegde gevoelens en de betoonde medewerking. Zijnde van het voorgevallene op deze gedenkwaardige dag een nota opgemaakt, welke in het stedelijke archief zal worden bewaard’.

Uit de bundel archiefstukken van het bezoek van Koning Willem de Tweede aan de stad blijken onder meer de volgende bijzonderheden.
De Koning komt ongeveer om 7 uur van Middelburg over het Sloe met zijn zonen, de Prins van Oranje, Prins Alexander en Prins Hendrik. Vergezeld van de Schout bij Nacht Arens, de adjudanten van de Koning de majoors Merkus en Coehorn en de adjudanten van de prinsen, alsmede de Gouverneur Van Vredenburch, de Griffier van de Staten Van der Helm, generaal majoor Knoll en de hoofdingenieur directeur van de Waterstaat Caland. Ze zijn omstreeks 9 uur met de uit de stad naar het Sloe gezonden particuliere rijtuigen langs ‘s-Heer Arendskerke, Wissekerke en ‘s-Heer Hendrikskinderen in de nabijheid van de stad aangekomen. Aan de erepoort buiten de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort zijn ze door de stedelijke schutterij ontvangen. Daarbij heeft zich de commandant van de dienstdoende schutterij, de heer Ridder de Haze Bomme, gevoegd. Na opwachting zijn ze door wethouder Kakebeeke (die de burgemeester verving omdat deze zich als districtscommissaris bij Zijne Majesteit bevond) gecomplimenteerd en de sleutels van de stad aangeboden. Dit werd door Zijne Majesteit op het minzaamst beantwoord. Zijne Majesteit werd begeleid door de stedelijke erewacht te paard, in eenvoudig, doch sierlijk kostuum.
Het gezelschap ging door de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat langs de Kaai en de Grote Markt naar het Stadhuis. Aan de pui werd het gezelschap door de heren Van der Bilt en Van Kerkwijk ontvangen en door de gehele gemeenteraad binnen geleid. In het voorportaal van het Stadhuis waren de weeskinderen, onder de directie van de vader van het weeshuis en de onderwijzer van de wezen- en armenschool in een geregelde orde geplaatst, alwaar twee van de kleinste weeskinderen hebben mogen bestrooien en de gezamenlijke kinderen Zijne Majesteit met het zingen van twee coupletten van het volkslied van Tollens hebben begroet.
Op de Kaai, in de richting naar de Grote Markt, was een erepoort opgericht, terwijl een andere erepoort, gedekt met de koninklijke kroon, was geplaatst op de Grote Markt bij het Stadhuis.

De optocht vond plaats onder het spelen van de klokken en het aanhoudende gejuich van de menigte, welke de optocht vergezelde. Overal waren de vlaggen uitgestoken. Bijna alle huizen waren met groen en bloemen of op andere smaakvolle wijze versierd. Dadelijk na de ontvangst verleende Zijne Majesteit audiëntie aan de autoriteiten, schutterij, erewacht, kerkenraden, colleges en bijzondere personen. Daarna heeft Zijne Majesteit de stedelijke schutterij geïnspecteerd. Vervolgens heeft hij met de prinsen en gevolg de kerk van de Hervormde gemeente bezocht en is daar onder orgelmuziek door een commissie uit de kerkvoogden en de kerkenraad ontvangen. Op het Stadhuis teruggekeerd heeft Zijne Majesteit van het door het gemeentebestuur aangeboden déjeuner gebruik gemaakt. Daarna betuigde Zijne Majesteit zijn tevredenheid over de gedane receptie en vertrok om ongeveer elf uur in de voormiddag door Wilhelminadorp naar het Goese Sas. Verdere bijzonderheden bevinden zich in de bundel documenten in het gemeentearchief.

De gemeenteraad krijgt in zijn vergadering van de 2e oktober 1841 de Staat van de gemaakte kosten bij het verblijf van Zijne Majesteit de Koning aan Goes op de 26e augustus 1841 voorgelegd. Deze beloopt ongeveer een bedrag van ƒ 1.600. Besloten wordt daarvan opgave te doen aan Gedeputeerde Staten met het verzoek om te worden gemachtigd om tot voldoening van deze kosten te mogen putten uit het fonds voor onvoorziene uitgaven bij de stedelijke begroting van 1841.
Gedeputeerde Staten geven in november 1841 kennis dat, alvorens kan worden beslist op de aanvraag voor het ten laste nemen van de ƒ 1.600 uit het fonds voor onvoorziene uitgaven voor 1841 tot betaling van de kosten voor de ontvangst van Zijne Majesteit de Koning op de 26e augustus 1841, hen een specificatie van deze kosten dient te worden toegezonden. Besloten wordt deze op te stellen en per missive toe te zenden.

De burgemeester opent de vergadering van de gemeenteraad op de 6e december 1841 met gelukwensen vanwege de heugelijke verjaardag van Zijne Majesteit Koning Willem de Tweede en spreekt de wens uit dat de dagen van Zijne Majesteit onder genot van welvaart en voorspoed mogen verlengd worden tot Heil van het Vaderland en tot Zegen van het Koninklijk Huis.

Op de 23e december 1843 neemt de gemeenteraad kennis van het bericht van de Gouverneur van het overlijden van de oude Koning Willem I, Zijne Majesteit Koning Willem Frederik, op de 12e december. Als teken van rouw zal gedurende acht dagen en op de dag voor en bij de begrafenis driemaal ‘s daags de klokken worden geluid. Op die dagen zullen geen openbare vermakelijkheden worden toegestaan.

Gemeentebestuur

De gemeenteraad bestaat in 1840 uit de heren mr. Francois Nicolaas van der Bilt (president van de arrondissementrechtbank), mr. Johannes Jacobus van Deinse, Jacobus de Jongh, Jacobus Walraven van Kerkwijk, Pieter Hendrik Saaymans Vader, Charles Petrus Soutendam (wonend op de buitenplaats ‘Valckeslot’ en meekrapreder) en Jan Hendrik Verschoor van Nisse, burgemeester.
Raadslid Jacobus de Jongh overlijdt, na geruime tijd ziek te zijn geweest, op 12 maart 1843.
In het college van burgemeester en wethouders hebben zitting de heren J.H. Verschoor van Nisse, burgemeester, en J.W. Hecking en J. Kakebeeke, wethouders, terwijl L. de Fouw secretaris is.

De leden van de gemeenteraad worden benoemd door het stedelijke kiescollege. Dit kiescollege wordt weer gekozen door de circa 440 stemgerechtigden in de stad. Het lid van het kiescollege, Jan van Winterooy, overlijdt in juli 1840. Zijn opvolger is de heer Pieter Hendrik Saaymans Vader. In juli 1843 verzoekt het lid Nicolaas Vervenne ontslag. Hij schrijft: ‘Mijne zeer hoge jaren, maar bovenal mijn ongemeen verzwakte gezicht, maken het voor mij hoogst moeilijk, zo niet ten enemale onmogelijk om de trappen van het Stadhuis te beklimmen. De vergaderingen van het kiescollege, die aldaar gehouden worden, kan ik dus niet meer bijwonen’.
Ook de plaats van het lid van het kiescollege, Jacobus de Jongh, is door zijn overlijden in maart 1843 vacant. In de plaats van de heren Vervenne en De Jongh worden als leden van het kiescollege met de meeste stemmen gekozen de heren mr. Martinus Pieter Blaaubeen en Philip Vervenne. In de vacature in het kiescollege, ontstaan door het overlijden van oud-burgemeester Gerard de Leeuw wordt in september 1846 benoemd de heer Charles Petrus Soutendam.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 16e september 1843 geeft wethouder Kakebeeke met aandoening aan de vergadering kennis dat de edelachtbare heer Jan Hendrik Verschoor van Nisse op jongstleden donderdagnamiddag, bij zijn terugkeer uit de stad naar zijn buitenplaats te Nisse, door een hem overkomen ongeluk met zijn rijtuig het leven heeft verloren. Op zijn weg terug naar Nisse zijn de paarden voor de chais kennelijk geschrokken en achteruit gegaan. De burgemeester is er uit geraakt en met zware hoofdwonden in een watergang langs de weg onder Sinoutskerke geraakt. Ook de chais en paarden zijn daarin gestort. Na het bekomen van enige hulp is zijn achtbare levenloos er uit gehaald. Deze mededeling wordt ‘met een algemeen gevoel van leedwezen en smartvolle droefheid vernomen’. Eenparig besluit de gemeenteraad aan mevrouw de weduwe van de overleden burgemeester per brief ‘de deelneming van de vergadering in dit zo treffend verlies te betuigen en om deze vergadering de eer en het genoegen te vergunnen om de overledene de laatste eer te helpen bewijzen en daardoor blijken te geven van de hoge achting, welke zijn edelachtbare steeds is toegedragen en waarmee deze vergadering wenst zijne nagedachtenis te vereren’.

Er wordt een brief aan de Gouverneur geschreven ‘tot kennisgeving van het overlijden van de heer Jan Hendrik Verschoor van Nisse, burgemeester van de stad, op dien dag voorgevallen en van welk treurig overlijden in de heden voormiddag gehouden vergadering van de stedelijke raad mededeling is gedaan’. De uitoefening van het burgemeesterschap wordt opgedragen aan de eerste wethouder, de heer J. Kakebeeke, en het tijdelijk wethouderschap in diens plaats aan de heer Jacobus Walraven van Kerkwijk. Het oudste raadslid, de heer mr. F.N. van der Bilt, is hiervoor namelijk onbevoegd vanwege zijn functie van President van de Arrondissementsrechtbank.
In de vacatures, ontstaan door het overlijden van de leden van de gemeenteraad Verschoor van Nisse en De Jong, benoemt het kiescollege de heren Nicolaas Jan Francois Verschoor, stadsdokter en zoon van de overleden burgemeester J.H. Verschoor van Nisse, en Philip Vervenne. Gedeputeerde Staten maken echter bezwaar tegen de combinatie van de functies van raadslid en stadsdoctor van de heer Verschoor.

Zijne Majesteit de Koning benoemt op de 21e december 1843 de heer mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr tot burgemeester in de plaats van de overleden mr. J.H. Verschoor van Nisse. De gemeenteraad besluit de nieuw benoemde burgemeester ‘en corps’ te gaan complimenteren. Een commissie uit de raad haalt de nieuwe burgemeester mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr op aan zijn woning. In de vergadering binnengeleid, wordt hij daar door de overige heren raadsleden ontvangen. Wethouder Kakebeeke verwelkomt hem op een gepaste wijze verwelkomd en nodigt hem uit de eervolle betrekking, hem door Zijne Majesteit opgedragen, te aanvaarden en het voorzitterschap van deze vergadering op zich te nemen. De nieuwe burgemeester aanvaardt ‘met een treffende rede’ het burgemeesterschap en het presidium van het stedelijk bestuur. De gehouden rede wordt als blijvend bewijs van aandenken aan deze installatie in het stedelijk archief bewaard.
In een uitvoerige brief licht de nieuwe burgemeester de gemeenteraad zijn gevoelens mee die hem met het oog op zijn nieuwe ambt vervullen. Daaruit blijkt onder meer het volgende:
‘Van kindsbeen af in de liefde voor het Huis van Oranje opgevoed en in vroegere leeftijd leven en goed voor hetzelve en het vaderland, inzonderheid ten jare 1813 in de waagschaal gesteld hebbende, zag ik boven alles in die bediening, dat zij, die mij voor mijne tegenwoordige betrekking voordroegen, ook uit hoofde mijner bedoelde gezindheden dit geschenk van vertrouwen Zijne Majesteit niet te vergeefs gevraagd hebben. Ik heb wel bijna 27 mijner gelukkigste levensjaren in deze stad gewoond en tien kinderen, mij door ene nooit te vergeten Gade geschonken, in dezelve stad zien geboren worden’.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 16e april 1844 feliciteert de voorzitter de heer Nicolaas Jan Francois Verschoor met zijn vernieuwde zitting nemen als lid van de stedelijke raad. Hij bedankt hem voor de door hem gedane keus tussen de betrekking van stadsdoctor en lid van de gemeenteraad ‘en de daardoor betoonde zugt om de belangen dezer Stad te helpen bevorderen, waardoor aan hem als Voorzitter en Hoofd van het Stedelijke Bestuur zowel als aan alle de Leden van de Raad groot genoegen is gegeven en zijn edelachtbare in de gelegenheid zal komen om te helpen vergoeden het smartelijke verlies met algemeen leedwezen, door het zoo onverwagt overlijden van zijn edelachtbarens Vader, den hooggeachte Heer Burgemeester Verschoor van Nisse, in het Stedelijk Bestuur geleden’.
Dit wordt door het nieuwe raadslid, de heer Verschoor, ‘gepast beantwoord’. Dokter Verschoor heeft nu definitief gekozen voor het aanvaarden van zijn lidmaatschap van de gemeenteraad en ziet af van zijn functie van stadsdoctor.

Op de 19e december 1844 deelt wethouder Kakebeeke de gemeenteraad mee dat zijn hoge jaren bij de menigvuldige werkzaamheden en uitgebreide betrekkingen hem naar meerdere rust doen verlangen. Hij heeft Zijne Majesteit de Koning dan ook verzocht om eervol ontslag. De burgemeester meent als tolk van de vergadering te spreken door zijn leedwezen uit te spreken. De stad zal de gevolgen ‘als een wezenlijk verlies gevoelen van zijn onvermoeide werkzaamheid, bijzondere en aanhoudende belangstelling, nuttige ervaring en een op langdurige ondervinding gegronde kennis’. Hij pleit voor het behoud van de heer Kakebeeke als lid van de stedelijke raad. De gemeenteraad ondersteunt dit verlangen van harte. Waarna de heer Kakebeeke zich daarvoor erkentelijk betuigt en verklaart ‘dat dezelve niet anders dan hem hoogst aangenaam en vererend kan zijn’. Zijne Majesteit de Koning verleent hem met ingang van 2 januari 1845 eervol ontslag. Hij neemt een hartelijk afscheid met dankbetuiging aan de vergadering voor alle genoten bewijzen van overeenstemming, medewerking en vriendschap. De burgemeester beantwoordt dit met vernieuwde betuiging van leedwezen zoals door hem in de laatste raadsvergadering al te kennen is gegeven.

In de plaats van de afgetreden wethouder Kakebeeke komt raadslid J. Walraven van Kerkwijk. De burgemeester wenst hem geluk met deze benoeming en merkt op dat Van Kerkwijk ‘gedurende een aantal jaren als lid van de Stedelijke Raad de volkomenste blijken heeft gegeven van belangstelling in stads welvaart en door zijn langdurige ervaring, erkende kunde en onzijdige karakter deze onderscheiding van Zijne Majesteit zo bijzonder waardig is’.

Bij onderhandse schikking tussen burgemeester en wethouders wordt aan wethouder Van Kerkwijk bijzonder opgedragen het toezicht over de stadsfabricage en de daarmee in verband staande stedelijke werken.

Op de 7e november 1845 overlijdt de oud-burgemeester van de stad, de heer Gerard de Leeuw, lid van Provinciale Staten voor de stad Goes. Vele en langdurig zijn de verdiensten van de heer De Leeuw voor de stad geweest.

Eind 1846 bestaat het gemeentebestuur uit mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr, burgemeester, Johan Willem Hecking en Jacobus Walraven van Kerkwijk, wethouders, Jacob Kakebeeke, mr. Francois Nicolaas van der Bilt, Charles Petrus Soutendam, mr. Pieter Hendrik Saaimans Vader, mr. Johannes Jacobus van Deinse, Nicolaaas Jan Francois Verschoor en Philip Vervenne, raadsleden. Leonardus de Fouw is secretaris en Jacobus van Renterghem de Fouw is gemeenteontvanger.

Over deze jaren geldt dat er weinig bijzonderheden over het gemeentebestuur zijn te vermelden.

Secretarissen, griffiers en overige stadsbeambten

De hoofdcommies bij de administratie van de stedelijke belastingen geeft in januari 1842 kennis van het overlijden van de commies Philip Vervenne. Uit 26 sollicitanten wordt in zijn plaats aangesteld Cornelis van Kleijnputte.

In december 1843 wordt de surnumerair (boventallige) klerk ter stadsgriffie Cornelis de Fouw benoemd tot commies griffier op de stedelijke secretarie. Vanwege zijn betoonde ijver in deze functie en als beloning van zijn verdere werkzaamheden krijgt hij een jaarlijkse gratificatie van honderd gulden of zoveel minder de opbrengst zal renderen van de turfton.

De onderfabriek A. van Leent wordt in oktober 1844 voor drie maanden geschorst wegens zijn eigenmachtig optreden. Met de waarneming van deze functie wordt belast Johannes Dekker.

De stadsdrukkers F. Kleeuwens en Zoon krijgen in januari 1846 een aanmaning van de burgemeester tot een betere en spoediger waarneming van deze bediening en een geregelder uitvoering van de bestellingen van drukwerk. Komt hierin geen verbetering, dan zal tot een andere benoeming worden overgegaan. Kleeuwens stuurt daarop een verontschuldiging en verklaart zijn verplichting naar vermogen te zullen naleven. Hierin wordt berust.

Tot april 1846 is enkel wethouder J.W. Hecking ambtenaar van de burgerlijke stand. Nu Hecking door ziekte is uitgevallen, besluit de gemeenteraad met vier van de zeven stemmen tot de benoeming van een tijdelijke ambtenaar van de burgerlijke stand in de persoon van Charles Petrus Soutendam.

De Gouverneur bepaalt in november 1846 dat de woensdagen en donderdagen moeten worden gehouden voor de gewone dagen om huwelijken te voltrekken.

Contacten met de provincie

In 1840 heeft de oud burgemeester van Goes, de heer Gerard de Leeuw, namens de stad zitting in Provinciale Staten van Zeeland. Ook hebben zitting in de staten de heren H. Lenshoek van Zwake, J. Kakebeeke en L.P.J. Buteux.
In december 1845 ontstaat er een vacature door het overlijden van oud-burgemeester G. de Leeuw. In zijn plaats wordt als lid namens de stad met acht van de negen stemmen benoemd de heer Leonard de Fouw Janzoon, secretaris van de stad.
In 1845 wordt de heer mr. Francois Nicolaas van der Bilt met volstrekte meerderheid van stemmen benoemd tot lid van Provinciale Staten. Namens de landelijke stand is benoemd de heer Van der Meer Mohr, burgemeester.

Bevolking

Hieronder volgt een overzicht van het verloop van de bevolking, het aantal inwoners en een onderverdeling naar kerkelijke gezindte.

Jaar: Aantal inwoners: Hervormd: Roomsgezind: Luthers: Mennoniet: Joods: Overige:
31.12.1839 5425 4062 1217 10 8 50 78
31.12.1840 5479 3971 1224 9 8 43 224
31.12.1841 5519 4018 1198 9 9 41 244
31.12.1842 5481 3708 1211 7 10 52 493
31.12.1843 5450 3699 1205 5 6 71 464
31.12.1844 5460 3753 1167 5 4 61 470
31.12.1845 5478 3783 1167 5 4 57 462
31.12.1846 5480 3839 1172 7 3 56 403

In 1839 196 kinderen geboren, 164 inwoners overleden, 44 huwelijken voltrokken.
In 1840 101 kinderen geboren, 148 inwoners overleden, 42 huwelijken voltrokken.
In 1842 175 kinderen geboren, 232 inwoners overleden, 30 huwelijken voltrokken.
In 1843 173 kinderen geboren, 190 inwoners overleden, 28 huwelijken voltrokken.
In 1844 187 kinderen geboren, 205 inwoners overleden, 59 huwelijken voltrokken.
In 1845 205 kinderen geboren, 159 inwoners overleden. 43 huwelijken voltrokken.
In 1846 …..  kinderen geboren, 232 inwoners overleden, …. huwelijken voltrokken.

Opmerkelijk is het grote aantal overledenen in 1842 (232), waarvan 67 in het eerste levensjaar, en in 1846 (233), waarvan 81 in het eerste levensjaar en waarvan 142 in de periode augustus tot en met december.

Statistische gegevens

In mei 1840 verzoekt de Gouverneur inlichtingen over het aantal woonhuizen, pakhuizen, fabrieken en dergelijke in de gemeente. Daaruit kunnen de volgende statistische gegevens worden afgeleid:

  • wijk A heeft 216 nummers, waarvan 168 woonhuizen, 24 pakhuizen en schuren, 14 stallingen, 2 kerken, 2 tuinen, 2 onbebouwde gronden, 1 school, 1 hoofdwacht, 1 zeepziederij en 1 lijnslagerij;
  • wijk B heeft 239 nummers, waarvan 209 woonhuizen, 20 pakhuizen en schuren, 4 stallen, 1 korenmolen, 1 zaagmolen, 1 boekweitmolen, 1 zoutziederij, 1 ijkkantoor en 1 commieshuis;
  • wijk C heeft 264 nummers, waarvan 247 woonhuizen, 13 pakhuizen, 1 kerk, 1 kantoor van de rijksontvanger, 1 tuinhuis en tuin en 1 stal;
  • wijk D heeft 222 nummers, waarvan 170 woonhuizen, 31 pakhuizen, 10 stallen, 4 tuinhuizen en tuinen, 2 azijnplaatsen, 1 korenmolen, 1 boekweitmolen, 1 olijmolen, 1 patent olijfabriek en 1 wachthuis;
  • wijk E heeft 162 nummers, waarvan 117 woonhuizen, 24 tuinhuizen en tuinen, 16 schuren, 2 meestoven, 1 looierij, 1 zoutziederij en 1 begraafplaats.

Het aantal woonhuizen is in 1840 in totaal 911. In 1845 zijn dit er 885 (766 in de binnenstad en 119 buiten de stad).

Uit een opgave van januari 1841 aan de Gouverneur blijken de volgende aantallen paarden, runderen en schapen in de gemeente:
runderen boven de twee jaar 324;
runderen beneden de twee jaar 99;
paarden boven de drie jaar 176;
paarden beneden de drie jaar 21;
schapen 106.
Uit deze opgave blijkt dat er zes huurkoetsiers in de gemeente zijn, te weten Bruggeman, Koens, Melse, Kopmels, Van Oort, Kaas en Panny. Samen hebben ze 28 paarden.
Uit een opgave van januari 1842 blijkt dat er 165 werkpaarden, 65 wagens en 9 karren in de gemeente zijn.
Huurkoetsier Jan Koens heeft 7 paarden, bierbrouwer C.M. de Jongh 5, huurkoetsier Pieter Panny 12, koopman J. Kakebeeke 8, koemelker M. Van Oosten 5, landbouwer Adr. Zandee 5, stalhouder Jan Wares 6, koemelker J. Willeboer 6, landbouwer M. Zandee 7, landbouwer J. Verdonk, 5, landbouwer J.K. van Baalen 9, vrachtrijder H. van den Berge 6, landbouwer J. Van Maldegem 10. Koopman J. Kakebeeke heeft 147 schapen.

Overige zaken met betrekking tot gemeentebestuur

Kadastrale verzamelkaart
Gouverneur Van Vredenburgh schrijft in september 1844 aan de gemeenteraad: ‘Voldoend aan de in de missive van uw edelachtbaren van de 15e dezer uitgedrukt verlangen, heb ik de eer aan uw edelachtbaren hiernevens te doen geworden de kadastrale verzamelkaart uwer stad, welke ik, na gemaakt gebruik, van uw edelachtbaren terug verwachten zal’. Het gemeentebestuur antwoordt: ‘Onder dankbetuiging voor de toezending van de kadastrale verzamelkaart van deze stad en na daarvan gemaakt gebruik, hebben wij de eer dezelve hiernevens aan uw excellentie te retourneren’.


Afkondigen stedelijke publicaties

Het gemeentebestuur vindt het in december 1845 nuttig en noodzakelijk om van de afkondiging en aanplakking van de uitgevaardigde publicaties en dergelijke stukken, indien nodig, meer bepaaldelijk te kunnen doen blijken. Besloten wordt dan ook vast te stellen dat:

  1. alle publicaties en dergelijke openbare stukken, door de gemeenteraad vastgesteld en uitgevaardigd wordende, voorzover daaromtrent geen bijzondere of speciale beschikking zal zijn gemaakt, gewoonlijk des zondags, na het eindigen van de voormiddaggodsdienst, en intussen, wanneer zulks zal worden nodig bevonden, en alsdan, na het kleppen van de stadhuisklok, van de Pui van het Raadhuis door een stadsaanplakker en aflezer of bij diens verhindering door een van de stadsboden, zullen worden voorgelezen en vervolgens op de gewone plaatsen in deze gemeente aangeplakt, mitsgaders daarvan op de Minute der afgelezen stukken, met aanwijzing der dagtekening en ondertekening, meldng gemaakt;
  2. de stadsaanplakker, tevens stadsaflezer, Anthonie Zitters, als zodanig zal fungeren en wordt benoemd;
  3. te rekenen van de 1e januari 1846 de minuten van alle publicaties en dergelijke openbare stukken, naar volgorde van dagtekening, in een daartoe bestemd afzonderlijk register zullen worden ingeschreven of ingevoegd en ter stedelijke secretary nauwkeurig bewaard.