Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsfinanciën (1840 - 1846)

Financiële toestand van de stad

De stadsrekeningen over deze periode laten het volgende beeld zien:

Jaar: Ontvangsten: Uitgaven: Resultaat:
1839 ƒ  65.286,10 ƒ  59.760,99 ƒ    5.525,11 +
1840 ƒ  57.351,69 ƒ  51.645,29 ƒ    5.706,39 +
1841 ƒ  56.731,50 ƒ  46.508,39 ƒ  10.112,10 +
1842 ƒ  60.152,90 ƒ  51.442,26 ƒ    8.710,64 +
1843 ƒ  56.912,16 ƒ  53.057,92 ƒ    3.854,24 +
1844 ƒ  52.139,35 ƒ  46.395,81 ƒ    5.743,53 +
1845 ƒ  57.682,37 ƒ  46.746,77 ƒ  10.935,60 +

Stedelijke belastingen

Elk jaar worden weer nieuwe zogenaamde tegenschatters voor de personele belasting benoemd. Gedurende de jaren 1840 tot 1847 zijn dit Simon van Zoom, Johannes Goossen, Willem Braam en Hendrik Daniël van Ettinger, zij het dat vanaf 1843 Johannes Dekker Lzn in de plaats komt van Willem Braam.
Ingevolge een wettelijk voorschrift dienen vanaf medio 1844 twee leden uit het stedelijk bestuur in het college van zetters te worden benoemd. Hiervoor worden aangewezen burgemeester Van der Meer Mohr en wethouder Hecking.

In december 1841 verzoekt de commies bij de administratie van de stedelijke belastingen, Philip Vervenne, vanwege zijn voortdurende ziekelijke toestand ontslag uit deze betrekking. Hij krijgt hiervoor een jaarlijks pensioen in de vorm van een gratificatie van 150 gulden.

Leenbank

De administratie van de stads leenbank wordt deze jaren gevoerd door mevrouw Frederika Maria Wilhelmina Egter weduwe van Cornelis Levinus Lignian, de vorige boekhouder. De directie van de stadsleenbank legt in maart 1842 een acte van borgtocht voor de boekhouder over. Deze borgstelling is van de heer Daniël Poleijn Staal in de plaats van de heer M.J. Krijger en zijn echtgenote Elisabeth Maria Scheers. In 1845 beëindigt mevrouw Lignian-Egter het boekhouderschap van de leenbank.

In december 1845 stelt de Gouverneur voor advies in handen van het college van burgemeester en wethouders een verzoekschrift van de heer Dignus Cornelis Keetlaar voor het bekomen van een voordeliger betrekking dan als assistent in de stadsleenbank. Besloten wordt over zijn werkzaamheden in de bank, zijn zedelijk gedrag en afkomst een gunstig bericht te geven en hem tevens als geschikt

te verklaren om in een subalterne betrekking ingezet te worden. Vermeldenswaard is de volgende passage in de brief van het college: ‘Dat den requestrant, afstammende van een zeer fatsoenlijke familie in deze stad, zijn vader, die in zijn leven zitting had in het Provinciaal bestuur, vroeg heeft verloren en met zijn moeder en zusters in bekrompen omstandigheden is overgebleven. Dat aan zijn opvoeding niet genoeg hebbende kunnen worden ten koste gelegd, dit wellicht een voorname reden is waarom hij niet meer vorderingen ter bekoming van een genoegzaam bestaan heeft kunnen maken en hij zich dus met gewoon kantoorwerk in een ondergeschikte betrekking heeft bezig gehouden, tot hij negen jaren geleden in de stadsleenbank ter assistentie een plaats gevonden heeft en aldaar nog werkzaam is’. Inderdaad vervulden zijn voorvaderen vanaf 1612 een toonaangevende rol in het bestuur van de stad en de provincie.

Vanaf 1846 komt er een rooskleuriger vooruitzicht voor de heer Keetlaar. De stadsbank van lening wordt gediend door de boekhouderes F.M.W. Egter weduwe Lignian en haar assistent Dignus Cornelis Keetlaar. De gemeenteraad vindt het op de 7e februari 1846 wenselijk aan mevrouw Lignian-Egter een adjunct boekhouder toe te voegen onder gelijke rechten en verplichtingen als de boekhouderes heeft. Benoemd wordt tot adjunct boekhouder de heer Dignus Cornelis Keetlaar, die zijn mede administratie en verantwoordelijkheid uit handen van de heren directeuren zal aanvaarden. Hij krijgt van de bank en van de beleende panden een dubbeltal sleutels, zodat beiden toegang hebben tot de bank en de tot de bank behorende voorwerpen, boeken en schrifturen. Hij moet een borgsom betalen van 1000 à 1200 gulden. De bezoldiging van de boekhouderes wordt bepaald op 900 gulden en van de adjunct boekhouder op 500 gulden.

De directeuren van de stadsleenbank geven de gemeenteraad in juli 1846 kennis van de opzegging van de borgtocht voor de boekhouderes mevrouw de weduwe Lignian-Egter. Ze heeft daarop ontslag gevraagd uit haar functie ‘onder eerbiedige aanbeveling van haar omstandigheden en die van haar kinderen’. Daarop zijn de lokalen van de leenbank verzegeld in tegenwoordigheid van de borgen en de boekhouderes met haar assistent.
Ofschoon onder de sollicitanten naar de vacante functie meerdere personen zijn die in aanmerking zouden kunnen komen, besluit de gemeenteraad de adjunct boekhouder Dignus Cornelis Keetlaar te benoemen tot boekhouder. Zijn borgen zijn mevrouw Jacoba Johanna de Broekert weduwe van Cornelis Pieter Keetlaar en Jacob Zandee.

Verzekering tegen brandschade

Gedeputeerde Staten nodigen het gemeentebestuur in april 1840 uit tot het inzenden van een staat van de voor brandschade verwaarborgde stedelijke gebouwen en publieke gestichten die aan armenadministraties en godshuizen toebehoren. Besloten wordt een staat in te zenden met het bericht ‘dat tot verwaarborging van den Toren op de Hervormde kerk alsnog niet geassureerd, een voordracht aan de stedelijke raad zal worden gedaan’.

Betalingskantoor voor goederen van en naar België

Het bestuur van de afdeling Goes van de Maatschappij ter bevordering van de Nijverheid te Haarlem verzoekt in juni 1845 een voordracht te doen bij het hoger bestuur voor het vestigen binnen Goes van een betalingskantoor voor goederen die van en naar België langs de rivier de Schelde worden in- en uitgevoerd. Alvorens hierop te beslissen wint het gemeentebestuur hierover het oordeel van enige van de voornaamste handelaren in de stad in. Uit dit overleg blijkt dat enigen hier onverschillig tegenover staan. Anderen zijn er op tegen en slechts weinigen zijn voor de vestiging van een dergelijk betalingskantoor. Besloten wordt vanwege de geopperde bezwaren het bestuur van de Goese afdeling van de Maatschappij te berichten dat het college huiverig is om het verzoek van haar te laten uitgaan, maar niettemin bereid is de zaak in nadere overweging te nemen.

Inwisseling oude muntstukken

De Gouverneur stuurt in juni 1845 een besluit van de Minister van Financiën over het verder intrekken van de oude dubbeltjes, die vroeger als provinciale of generaliteitsmunten zijn  vervaardigd. Hij verzoekt daaraan de nodige publiciteit te geven en de stedelijke ontvanger uit te nodigen over te gaan tot de verspreiding van de tien cents stukken en de inwisseling van de oude dubbeltjes de behulpzame hand te bieden.

Havennegotiatie

De gemeenteraad overweegt in oktober 1840 dat dit jaar de zogenaamde havennegotiatie ten laste van de stad volledig zal zijn afgelost. Als gevolg daarvan zal er met ingang van 1841 kunnen worden overgegaan tot de vermindering van de gevestigde of daarmee gelijk staande schulden van de stad. Bij de bespreking in de gemeenteraad op de 29e november 1817 is voor de liquidatie van de achterstallige interesten van gevestigde kapitalen ten laste van de stad een bepaalde financieel-technische regeling getroffen. Het bedrag van de lening is vastgesteld op ƒ 115.904,60. Besloten wordt, onder goedkeuring van hoger bestuur, de volgende wijze van verevening en vernietiging van de obligaties, uitgegeven tot voldoening van de onbetaald gebleven achterstallige interesten, vast te stellen: vanaf 1841 en zolang de schuld niet is afgelost zal er jaarlijks op de begroting een som van ƒ 2.000,00 worden uitgetrokken.