Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1847 - 1853)

Algemeen

De jaarverslagen van het gemeentebestuur over deze jaren geven over het algemeen geen opwekkend beeld van de economische bedrijvigheid in de gemeente. Hierna volgt een weergave uit enkele van deze jaarverslagen.


1848


Als enige fabriek die met voordeel gedreven wordt meent men te kunnen aanwijzen de hoedenfabriek van P. Magchielse. Van de restauratie van de chocoladefabriek van C.C. van den Bosch, die vroeger zo bloeiende was, had men zich betere resultaten voorgesteld, maar dit heeft zich niet verwezenlijkt. Er is onlangs een kleine leerlooierij in de Voorstad in werking gekomen. Deze schijnt met enig goed gevolg te werken. Er wordt weer gewerkt met twee zoutziederijen. Door de vermindering van de meekrapnegotie is de handel niet bloeiende. De fabrieken en trafieken van de stad hebben niets bijzonders opgeleverd en slagen over het algemeen niet gelukkig, vooral door de grote concurrentie van buiten. Een uitzondering hierop is de zoutkeet van de heer O. Verhagen (voorheen van de heren Pilaar). Ook de steenplaats van de heren Verhagen en Van Baalen neemt steeds in aflevering toe.

1849
De hoedenfabriek van P. Magchielse floreert. Van de kleine looierij, in 1848 opgericht, valt weinig te zeggen. De chocoladefabriek van de firma Van den Bosch kwijnt. De brouwerijen en andere trafieken bloeien ook niet. Een van de twee zoutziederijen heeft opgehouden te werken. De landbouw wordt door de lage prijzen gedrukt.
Groothandel is hier niet. De kleinhandel en winkelnering verkeren in een kwijnende staat.

1852
De aanbouw is begonnen en voortgezet van een fabriek van verbeterde meekrapbereiding en een garancinefabriek, waarin stoomwerktuigen worden gebezigd. Het aantal fabrieksarbeiders is ongeveer 110.

In deze jaren zijn in bedrijf een houtzaagmolen (van de gebroeders Harinck), een oliemolen (‘de Hoop’ op de Kattenberg op de westwal van G.H. Kakebeeke), een gort- of pelmolen (‘de Grenadier’ van C.C. van den Bosch), twee korenmolens (‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar J. Adriaanse en ‘de Koornbloem’ van molenaar P. van Wasbeek), een boekweitmolen, twee meestoven (‘de Zon’ en ‘de Liefde’), een zoutkeet (van O. Verhagen), een hoedenmakerij (van P. Machielse), een leerlooierij (van P.L. van der Reit), een weverij van calicots (van de heren G. en H. Salomonson), twee brouwerijen (‘de Witte Clavers’ en ‘de Gans’), een chocoladefabriek (van C.C. van den Bosch), een zijde- en katoenververij (van L.J. Siepman), een patentoliefabriek en een vlasserij.

Kamer van Koophandel

Verscheidene handelaren, fabrikanten, landbouwers en neringdoenden te Goes verzoeken Gedeputeerde Staten van Zeeland begin januari 1852 om 3 à 4 leden uit Goes zitting te laten nemen in de Kamer van Koophandel te Middelburg. De gemeenteraad neemt op 14 januari 1852 kennis van de in afschrift toegezonden brief aan het provinciale bestuur door middel van een begeleidende brief van de heren J. Fransen van de Putte, J. Kakebeeke, A. Steendijk en G.H. Kakebeeke, allen toonaangevende figuren in het bedrijfsleven van Goes.
Het blijkt echter dat de Gouverneur van Zeeland bezwaren heeft tegen aansluiting van Goes bij Middelburg en opteert voor een eigen Kamer van Koophandel voor Goes en omliggende gemeenten.
De heren Fransen van de Putte, J. Kakebeeke, A. Steendijk en G.H. Kakebeeke verzoeken daarop de gemeenteraad, onder intrekking van hun eerder verzoek tot deelneming in de op te richten Kamer van Koophandel te Middelburg, binnen de gemeente Goes een Kamer van Koophandel en Fabrieken op te richten en andere gemeenten in dit district gelegenheid tot aansluiting te bieden. Enige gemeentebesturen zouden zich daartoe al genegen hebben getoond. Tot grondslag van de vestiging van een zodanige Kamer van Koophandel dienen de volgende vier hoofdpunten te worden vastgesteld:

  1. de Kamer van Koophandel zal bestaan uit zes leden en een secretaris en een lid voor elke gemeente die aan de Kamer verlangt deel te nemen;
  2. de census voor kiesgerechtigden tot het benoemen van leden van de Kamer wordt bepaald op ƒ 15 in aanslag van het patentrecht, met inbegrip van de rijks opcenten;
  3. door de gemeenteraad van Goes zal uit de gemeentekas jaarlijks worden bijgedragen een bedrag van minstens ƒ 130 tot het bestrijden van de noodzakelijke kosten van de Kamer en van de bezoldiging van de secretaris en worden voorzien in een geschikt lokaal, voorzien van een bergplaats of kas voor het archief, mitsgaders vuur en licht;
  4. voor zoveel andere omliggende gemeenten zich bij de oprichting van een Kamer van Koophandel zullen aansluiten, zal tot maatstaf van de bijdragen in de onder 3 genoemde kosten worden aangenomen dat door de gemeente Goes altijd zal worden gedragen de helft van de vereiste jaarlijkse bijdrage.

De gemeenteraad kan met algemene stemmen instemmen met de voorgestelde grondslag.
Wel wordt de vraag gesteld waarom eerst aansluiting bij Middelburg werd gezocht en nu een geheel andere richting wordt opgegaan door een zelfstandige vestiging te Goes. De voorzitter geeft als zijn gevoelen dat het voordeliger en beter is een Kamer van Koophandel te hebben binnen deze gemeente dan een vertegenwoordiging van Goes in een elders gevestigde Kamer.

Tot voldoening aan het raadsbesluit van 26 maart 1852 treft het college van burgemeester en wethouders de bij de wet voorgeschreven maatregelen voor het vestigen van een Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen deze gemeente.
Er komt op 18 september 1852 koninklijke goedkeuring voor de vestiging van een Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen de stad Goes, samengesteld uit de gemeenten Goes, Kattendijke, ’s-Heer Arendskerke en Kruiningen. Van de bestuurders zullen er zes uit Goes en een uit elk van de andere drie gemeenten komen. De Kamer zal in werking treden op 1 januari 1853.  

Op 30 september 1852 neemt de gemeenteraad kennis van het Koninklijk Besluit tot goedkeuring van de vestiging van een Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de gemeenten Goes, Kattendijke, ’s-Heer Arendskerke en Kruiningen. In november 1852 verkiest de raad zes leden in de Kamer, te weten de heren O. Verhagen met 23 stemmen, C. Pilaar met 21 stemmen, A. Nortier met 20 stemmen, J. Fransen van de Putte met 24 stemmen, M.J. Harinck met 18 stemmen en J.P. Burger met 23 stemmen. Vertegenwoordigende leden van de andere gemeenten zijn I.G.J. van den Bosch voor Kattendijke, F.C. Baarens voor Kruiningen, Josias Smytegelt Bedet voor ’s-Heer Arendskerke en Cornelis Kakebeeke voor Kattendijke.  

De Kamer van Koophandel wordt op de 3e januari 1853 geïnstalleerd.
In de vergadering van de gemeenteraad van de 24e januari 1853 deelt de voorzitter mee dat op de 3e januari is geïnstalleerd de hier gevestigde Kamer van Koophandel en Fabrieken en onder zijn presidium zich op de 7e heeft geconstitueerd. Tot voorzitter is gekozen de heer J. Fransen van de Putte, tot ondervoorzitter de heer O. Verhagen en tot secretaris de heer mr. J.G. ab Utrecht Dresselhuis.

Neringdoenden

In augustus 1848 komt er een rekest van een aantal neringdoende ingezetenen van de stad op tafel van de gemeenteraad. Ze geven hun bezwaren te kennen ‘over het gestadig en steeds meer en meer toenemend indringen van vreemdelingen tot benadeling van hun handel en bestaansmiddelen’. Ze verzoeken om, voorzover de bestaande wetten dit toelaten, plaatselijke verordeningen vast te stellen tot wering, in elk geval tot bemoeilijking van deze vreemdelingen en om daardoor de tak van hun handel staande te houden en voor ondergang te behoeden.

Maar ook in december 1848 geeft een aantal neringdoende ingezetenen te kennen dat ze door het meer en meer indringen van vreemdelingen in hun bestaan worden benadeeld. Het gaat vooral om een massa Duitsers die het ganse land aflopen. Maar ook om andere vreemdelingen die met manufacturen en andere handelsartikelen stad en land afreizen en zich van de contante penningen van de ingezetenen weten meester te maken.
De gemeenteraad deelt hen mee dat de raad niet bij machte is om de bezwaren die zij opgeven als oorzaak van het verval en het kwijnen van hun handel en nering op te heffen. De door hen genoemde handelingen zijn een gevolg van algemene wetbepalingen die niet plaatselijk kunnen worden opgeheven.

In december 1849 ontvangt het gemeentebestuur opnieuw een brief van een groot aantal neringdoenden in de stad. Ze geven te kennen dat ze, vanwege het nadeel dat ze door het invallen van kerst- en nieuwjaarsdag op dinsdag waarschijnlijk lijden zullen, de vrijheid nemen te verzoeken de marktdagen van die weken op maandag te stellen en hieraan in de stadscourant publiciteit te geven.
De brief is ondertekend door: S.J. de Jonge, A. Biersteker, J.H. Stieger, C. Kunst, de weduwe J.B. van Kalmthout, de weduwe S.E. Stokmans, de weduwe J. de Jonge, J. Bentvelsen, Roelandt, G. Sterk, G. de Jonge, de weduwe H. Harinck, W. van den Dungen, A.M. Simons, J. Boudens, Johannissen, A. Cornelis, B. van Asperen-Vervenne, L.K. Breker, F.S.A. Knitel, C. de Jonge, D. Vervenne, W. Verburg, P. de Poorter, A.M. Groen, J. Koens, G. Vertregt, de weduwe H. Harinck, W. van den Abeele, J.B. Arentz, J.H. Waltman, J. Simons, C.J.M. Magnin, J. Visser, G.R.A. de Rochefort, de weduwe Visser-Vaas, A. Snoep, J. Mijler, C. Verhagen, A. Nortier, H.M. Harinck, G.A. de Jonge, Jan Scheele, C. Pilaar, G. Buijze, de weduwe C. Scheele, lmthout, D. Nonnekes en J.M. van Zoom.
Het gemeentebestuur willigt het verzoek in en bepaalt bij bekendmaking in de Goesche Courant dat, vermits de kerst- en nieuwjaarsdag op dinsdag invalt, de gewone marktdagen in de stad op maandag te voren en daarom op de 24e en 31e december zullen gehouden worden.

Ontwikkeling in de bedrijvigheid in periode 1843 tot 1848

Het gemeentebestuur dient de Gouverneur opgave te doen van de veranderingen die sinds 1 januari 1843 zijn ontstaan in de fabrieken, trafieken en bedrijven binnen de stad tot 1 januari 1848. Deze staat biedt een interessant overzicht van de ontwikkeling van de bedrijvigheid in de stad.

Uit de opgave blijkt dat in de periode 1843 tot 1848 de volgende bedrijven zijn beëindigd:

  • de blik- en koperslagerij van de weduwe Johanna Dekker;
  • de broodbakkerijen van Gerard Eckhardt, van Adam Meijler, van Johannes de Jonge, van Thomas de Wijs, van Andries Karschoot en van Jan Arends;
  • de koekebakkerij van Maria Katharina Geluk;
  • de boekdrukkerij en boekbinderij van Elias Verburg;
  • de chocolade- en pelmolenarij van Henricus Schaapman;
  • de goud- en zilversmederijen van Johannes de Leeuw en van Cornelis Benedictus Simons;
  • de gareelmakerijen van Jan Jacobus Vervenne, van Nicolaas Vroonland en van Adriana Reijniers;
  • de hoefsmederij en slotenmakerij van David van Reusel;
  • de kleermakerijen van Francois Bottersdorf, van Pieter Bos, van Jacobus Delnaaij, van P.J.E. Hoondert, van Anthony Jacobus Benjaminse, van Lieven van Loo en van Johannes Weijt;
  • de korenmolenarij van Adriaan de Bruijne;
  • de kuiperijen van Jan Boom en van Johannes Soerier;
  • de leerlooierij van De Jonghe en Pilaar;
  • de modemakerij van Constantia Clerfeijt;
  • de molenmakerijen van Jan Visser, van Hendrik Orgert Muller en zoon en van Jacobus Cornelis de Schutter;
  • de pruikmakerij van Louis Sampon;
  • de scheepstimmerwerf van Francois Cornelis van Hoof;
  • de schoen- en laarzenmakerijen van Jan Visser, van Cornelis van Buiten, van Jacobus de Hond, van Adrianus Cornelis Roosenbrand en van Jan Noordhoeve;
  • de slagerij van Cornelis Frederik van Ettinger;
  • de straatmakerij van Jan Douw;
  • de tabakkerverijen van Cornelis Harinck, van Cornelis Pieter Soetebier en van Jan de Jonge;
  • het timmermans- en metselaarsbedrijf van Jan de Waard, van Wouter van Leent, van Jan van de Krap en van Martinus Molhoek;
  • de ververij- en behangersbedrijven van Francois Goossen’s weduwe en van Izak Rijkaard;
  • de zaagmolen van Marinus Harinck;
  • het zoutziedersbedrijf van Cornelis Pilaar en compagnon.

In de periode 1843 tot 1848 zijn er de volgende veranderingen in de bedrijvigheid:

  • de bierbrouwerij en moutmolen van de weduwe van Cornelis Marinus de Jonge (voorheen van C.M. de Jonge), goed voor 550 vaten per jaar;
  • de scherp-, grof- en hoefsmederijen van Jan Temperman (voorheen klein smid), van Willem Jacobus ten Cate (voorheen klein smid) en van Heertje de Graaf (voorheen klein smid);
  • de scherp- en grofsmederijen van Adriaan Nonnekens (voorheen klein smid), van Adriaan Robijn (voorheen klein smid), van Jacobus Robijn (voorheen klein smid), van Pieter Steijns (voorheen klein smid), van Pieter Richart (voorheen klein smid), van Marinus Sandijck (voorheen klein smid) en van Pieter Maartense (voorheen klein smid);
  • de koekebakkerij van de weduwe Hubertus Harinck (voorheen van Hubertus Harinck);
  • de kuiperij en mandenmakerij van de weduwe Karel Schog (voorheen van Karel Schog);
  • de schoen- en laarzenmakerij van de weduwe Mels Vos (voorheen van Mels Vos);
  • de zoutziederij van de weduwe van Jan van den Thoorn (voorheen van Jan van den Thoorn);
  • de schoenmakerij en huidenzouterij van Petrus Laurentius van der Reit (voorheen alleen schoenmaker);
  • het metselaars- en steenhouwerbedrijf van Hermanus Boet (voorheen alleen metselaar);
  • de blik- en koperslagerij en grofsmederij van Johannes de Jonge (voorheen alleen blik- en koperslager);
  • de gareel- en zevenmakerij van Johannes Babtist Arends (voorheen alleen gareelmaker).

In de stad hebben zich in de periode 1843 tot 1848 nieuw gevestigd de volgende bedrijven:

  • de blik- en koperslagerij van Dignus Dekker;
  • de boekbinderij van Casper Bartholomeus Knieriem;
  • de boekweit- en gruttenmolen van Gerard de Jonge;
  • de broodbakkerijen van Hendrik Buijze en van Jan Scheele;
  • de chocolade- en pelmolen en mosterdmolen van Cornelis Christiaan van den Bosch;
  • de gareelmakerij van Aalbregt Reijerse;
  • de goud- en zilversmederijen van Coenraad Pieter Roelofse, van Gerard de Leeuw en van Pieter Johannes Simons;
  • de houtzaagmolen en houthandel van Marinus, Johannes en Adriaan Harinck;
  • de huidenzouterij van Jacobus Mulder;
  • de kleermakerijen van Christiaan Bottersdorff, van Dick Hardenberg, van Pieter Johannes Hegland, van Johannes Marinus Halle, van Jan de Wolf, van Benjamin Remijnse en van Johannes Clement;
  • de pottenmakerij van Jacob Allemekinders;
  • de korenmolen van Jan Adriaanse;
  • de kuiperijen van Pieter Fagel, van Johannes de Schrijver en van Joseph Soeveer;
  • het lootverwerkers- , pompenmakers- en leidekkerbedrijf van Wouter van Ettinger;
  • de mandenmakerij van Frans Behage;
  • de metselaarsbedrijven van Cornelis Lokker en van Cornelis de Munck;
  • de modemakerijen van Carolina Stracke en van Maria Augustus Cera;
  • de molenmakerij van Johan Pieter Muller;
  • de paraplumakerij van Georgio Corti;
  • de pruikmakerij van Jan Sampon;
  • de schoen- en gareelmakerij van Jan Haffner;
  • de schoenmakerijen van Francois van Delft, van Pieter de Wijs, van Hubrecht Duivewaardt en van Pieter Sanders;
  • de schrijnwerkerijen van Samuel de Winter, van Cornelis van Lieren en van Frederik Willem Goossen;
  • de slagerijen annex spekslagerijen en worstenmakerijen van Jan Bakker en van Jan Dirkse;
  • de straatmakerbedrijven van Daniël Tavenier en van Jacob van der Hoeve;
  • de strohoedenmakerij van Karel Joseph Stracke;
  • de timmermansbedrijven van Pieter de Visser, van Willem de Jonge en van Cornelis de Graaff;
  • de ververs- en behangersbedrijven van Cornelis van den Ende, van Willem Catharinus Goossen, van Jan Francois Joseph Goossen en van Pieter Dirk Rijkaart;
  • de ververij van lakens en stoffen van Adriaan Bolleman;
  • het ververs-, behangers- en glazenmakerbedrijf van Gerrit Johannes Groeneweg;
  • de wollenaaierijen van Johanna en Adriana van Blerk, van Maria van ’t Westeinde en van Johanna Hansen;
  • de zeil- en zakkenmakerij van Adriaan Noordijke;
  • de zoutziederij van Otto Verhagen.

Landbouw

De opbrengsten van de oogst zijn af te lezen uit het volgende overzicht:

  1851 1852 1853
tarwe   43 bunders 43 bunders
rogge   7 bunders 7 bunders
gerst   2 bunders 5 bunders
haver   3 bunders 3 bunders
koolzaad   15 bunders 15 bunders
vlas   3 bunders 3 bunders
meekrap   1900 pond per bunder 1500 pond per bunder
erwten   7 bunders 7 bunders
paardenbonen   14 bunders 14 bunders
aardappelen   21 bunders 21 bunders
mangels   3 bunders 5 bunders
klavers   5 bunders 5 bunders
warmoezenarijen   7 bunders 7 bunders
lijnzaad   3 bunders  
boomgaarden   56 bunders 56 bunders
koeien   276  
kalveren   87  
paarden   292  
schapen   164  
varkens   157  
geiten   28  

In april 1849 ontvangt het gemeentebestuur een afschrift van het bij Zijne Majesteit de Koning ingediend verzoek van de bestuurders van de Zuid-Bevelandse afdelingen van de Maatschappij van Landbouw en Veeteelt. Hierin wordt de oprichting van een zeekantoor, los- en laadplaats te Goes bepleit. Het college adviseert gunstig op de oprichting van een dergelijk kantoor.

Bakkers

Deze jaren zijn er zestien bakkers in de stad. Het zijn W. van den Abeele (in wijk C 200), B.M. den Boer (Jan Vertregt), J. de Deken, Pieter van der Does, Abraham Le Duc, Leendert Glerum, Johannes de Graag, G. de Jonge, G. de Jonge Wzoon, Jacobus Scheele, Jan Scheele (aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D 91), Cornelis Schot (in wijk A 64), Johannes van der Schraaf, Hubertus Snoep, Adriaan Verburg, W.  Verburg en J.H. van Zoom (in de Ganzepoortstraat).
Broodbakker Marinus Vertregt krijgt in 1847 vergunning voor het bakken en verkopen van brood van goed gerstemeel.

Ook zijn er een aantal broodverkopers zoals Cornelia Maria Zandijk, Adriaan Willeboer, Hendrika van Agten, Reinier Scheele, Marinus Goossen, de weduwe H. de Jonge, de weduwe Briels, Johannes de Jonge Jzn, W. de Raad, C. van de Volkere, Boutens en Le Duc.

Het komt nogal eens voor dat de rijkscommiezen proces-verbaal opmaken tegen het niet goed bakken van het brood. Zo bijvoorbeeld in 1847 tegen bakker Marinus Vertregt wegens ‘bevonden gekneed onbelast gerstemeel’.

Ook komt het herhaaldelijk voor dat ingezetenen van buiten de stad in of bij hun huizen of hofsteden een bakoven laten bouwen. Zo bijvoorbeeld in 1847 door de landbouwer Laurens Duvekot in zijn woning in wijk D 69 tot gebruik van zijn huisgezin, in 1847 door Willem Adriaan Anemaet in zijn woonhuis in wijk E 76 en in 1847 door J. de Dreu in het pand in wijk E 149.

In augustus 1847 geven de broodbakkers W. Verburg, G. de Jonge, J. Scheele, H. Snoep, A. Snoep, J.M. Roose, L. Glerum, Jac. Scheele, G. de Jonge Wzn, J. de Deken, H. Buijze en J. de Graag het gemeentebestuur te kennen dat in het Reglement op het brood van de 12e augustus 1843 de navolgende broodsoorten voorkomen: fijn wit brood, grof wit brood of zogenaamd Fransch brood, grof tarwe brood, roggebrood en masteluinen brood. Bij elk broodsoort zijn de bestanddelen in het Reglement uitgedrukt. Hun wens is, zowel in het belang van de ingezetenen als van henzelf, dat deze broodsoorten nog met een extra soort worden vermeerderd. Dit zou geplaatst kunnen worden tussen het grof wit en het grof tarwebrood onder de benaming van ‘Fijn tarwe brood’, wat gebakken wordt uit een mud tarwemeel, gebuild, zuiver van korf en zemelen en gemengd met een mud kropmeel. Ze hebben weliswaar ingevolge het Reglement op het brood de vrijheid om buiten de aangeduide broodsoorten ander brood te bakken en te verkopen. Maar ze willen liever dat de door hen vermelde broodsoort door het gemeentebestuur aan de zetting onderworpen wordt evenals de thans daaraan onderworpen broodsoorten, evenals dit in de hoofdplaats van de provincie op de staten van broodzetting voorkomt.

De gemeenteraad stelt in juli 1847 een herzien Reglement voor de broodzetting vast.
In januari 1848 komen er van het provinciale bestuur voorschriften voor de regeling van de prijzen van het bakgraan en de berekening van de hoeveelheden brood die uit een mud graan van iedere soort kunnen worden gebakken. In de loop van deze maand zal opnieuw een weging van drie mudden van elke graansoort door een beëdigde ambtenaar moeten plaats hebben om de gemiddelde zwaarte van de granen van de vorige oogst te constateren. Ook in februari zal opnieuw een proefbakkerij moeten worden gedaan om zich te verzekeren van de hoeveelheden brood die uit een mud tarwe en rogge kunnen worden gebakken. Wethouder Van Kerkwijk en de secretaris krijgen opdracht om zich in de regeling van deze aangelegenheid te verdiepen.
In februari 1849 overleggen L. Breker en J.J. de Graaff een rapportage van hun bevindingen ten aanzien van de gedane proefbakkingen tot regeling van de broodzetting. Hiervan wordt een algemeen proces-verbaal opgemaakt.

De eeuwenoude regeling van de zogenaamde broodzetting wordt in 1851 afgeschaft. In november, bij de bespreking van de begroting voor 1852, besluit de gemeenteraad, op voorstel van de heer Blaaubeen, de broodzetting af te schaffen. Ook raadslid Van den Bosch is van oordeel dat deze post kan vervallen ‘als achtende de broodzetting onnodig en de surveillance op de broodbereiding een politiemaatregel’. Met tien stemmen tegen een valt het historische besluit om de broodzetting af te schaffen.
Maar dit is niet naar de zin van de broodbakkers in de stad.
In december 1852 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van dertien bakkers om de broodzetting niet af te schaffen maar op de bestaande voet te behouden. Afschaffing is nadelig voor hen en voor de burgerij. Het zal aanleiding geven tot verwarring en wanorde in de uitoefening van het bakkersbedrijf. De raad besluit het verzoek in handen te stellen van burgemeester en wethouders. Het college moet daarop attent zijn bij het beramen van maatregelen die met de in principe besloten afschaffing van de broodzetting moeten gepaard gaan.

Nu de broodzetting is afgeschaft per 1 januari 1853 en het ‘Reglement op het brood binnen de gemeente’ van 12 augustus 1843 is ingetrokken besluit de burgemeester het toezicht op het brood op te dragen aan de commissaris van politie met zijn twee agenten. Wekelijks dient deze op onbepaalde en afwisselende dagen en uren de hoedanigheid van het brood bij twee broodbakkers en een broodverkoper te onderzoeken.
De commissaris van politie verstuurt daarop op de 25e december 1852 een aanschrijving naar de bakkers en broodverkopers over het hem opgedragen toezicht op de hoedanigheid van het verkochte brood. Als gevolg van het afschaffen van de broodzetting en het intrekken van het Reglement op het brood per 1 januari 1853 komt dit onder het uitsluitende toezicht van de politie.

Beurtveren

Beurtveren algemeen
Deze jaren zijn er nog vaste beurtveren op Amsterdam, Bergen op Zoom, Dordrecht, Gouda, Middelburg, Rotterdam en Zierikzee. Hierover is een regelmatig overleg met de besturen van deze steden. Alle beurtveren verlopen deze jaren in goede orde. Alleen de beurtveren waarover bijzonderheden zijn te vermelden volgen hierna.

In april 1851 verzoeken Jan de Fouw Wzn en Willem de Fouw Wzn om de functie van commissaris van de veren in de stad van eerstgenoemde op laatstgenoemde te laten overgaan. Besloten wordt om in de plaats van de heer Jan de Fouw als commissaris van de veren en de daarmee verbonden betrekking van boekhouder van het fonds van de stedelijke werklieden te benoemen de heer Willem de Fouw Wzn, thans waarnemend commissaris.

Beurtveer op Amsterdam
Het stadsbestuur van Amsterdam schrijft in februari 1847 een brief met klachten tegen de beurtschipper op Gouda A. Visser vanwege de benadeling van de Amsterdamse beurtschipper J. Reinhout in zijn beurtveer op deze stad met het verzoek daarin te voorzien. Op advies van de commissaris van de veren en van de commissaris van politie besluit het gemeentebestuur het stadsbestuur van Amsterdam te kennen te geven dat de klachten niet geheel naar waarheid en grotendeels toe te schrijven zijn aan de onregelmatige bediening van het veer door beurtschipper J. Reijnhout.

Beurtveer op Bergen op Zoom
In februari 1850 schrijft het stedelijke bestuur van Bergen op Zoom een brief met klachten over het niet behoorlijk overbrengen van de goederen afkomstig uit België die met de beurtman van Bergen op Zoom naar Goes worden overgebracht.

Beurtveer op Rotterdam
In december 1848 verzoeken de beurtschippers van Goes op Rotterdam v.v., Pieter Boer en Matthijs Hendrik de Heer, om vanwege het achteruit gaan van dat veer en van hun verdiensten te worden vrijgesteld van betaling van het sasgeld voor een derde beurtman.
Het gemeentebestuur besluit te bepalen dat ze over 1849 kunnen volstaan met betaling van de helft van de bepaalde som voor de tijdelijke afschaffing van de bediening van een derde beurtschipper in het Rotterdamse veer. Samen kunnen ze volstaan met betaling van 60 inplaats van 120 gulden.

Ook in januari 1850 en 1851 verzoeken de beide beurtschippers Boer en De Heer om in verband met de voortdurende achteruitgang van het veer bij voortduring te mogen genieten van de over 1849 toegestane vermindering van de abonnementsprijs van het sasgeld. De gemeenteraad bepaalt dat ze over 1850 en 1851 zullen kunnen volstaan met de betaling van de helft van het vastgestelde bedrag voor de tijdelijke afschaffing van de bediening van een derde beurtschipper in het Rotterdamse veer.
In februari 1852 vragen beide beurtschippers ‘uit hoofde van de toenemende achteruitgang van dat veer over 1852 niet alleen te mogen jouisseren van de over de jaren 1849, 1850 en 1851 toegestane vermindering van de abonnementsprijs voor sasgeld van een derde, niet aangestelde beurtschipper, maar voor het vervolg van die betaling geheel te worden ontslagen’. Het gemeentebestuur ziet de redelijkheid hiervan in en gaat hiermee akkoord.

In oktober 1852 overlijdt de beurtschipper van Rotterdam op Goes Matthijs Hendrik de Heer. De schipper in de brede beurt, Jan Brouwer, wordt gunstig aanbevolen aan het stadsbestuur van Rotterdam. Niettemin stelt de stad Rotterdam Adrianus Franciscus Hensen aan tot beurtschipper van Rotterdam op Goes in de plaats van de overleden beurtschipper De Heer.

Voor het aloude beurtveer tussen Goes en Rotterdam betekent de in 1853 geopende stoombootdienst tussen Rotterdam en Goes het einde van haar bestaan.
In november 1853 vraagt de heer J.A.A. Fransen van de Putte c.s. uit Goes de Minister van Binnenlandse zaken vergunning voor het oprichten van een stoom- en zeilvaartdienst tussen Goes en Rotterdam. Daardoor zal het beurtveer tussen beide steden opgeheven kunnen worden. Ook Gedeputeerde Staten van Zeeland dringen hier in november 1853 bij het gemeentebestuur op aan, naar aanleiding van de ontvangen brief van de Minister van Binnenlandse zaken en de afdoening van de door de heer J.A.A. Fransen van de Putte beoogde stoombootdienst van hun zijde zoveel mogelijk te bespoedigen. De gemeenteraad besluit daarop het Reglement op het beurtveer tussen Rotterdam en Goes buiten werking te stellen  met ingang van de dag dat de dienst van de stoom- en zeilvaart van de opgerichte maatschappij een concessie verkrijgen en een aanvang zal nemen.
Tegelijk besluit de gemeenteraad met algemene stemmen het verzoek van de beurtschippers op het veer Goes-Rotterdam, P. Boer en A.F. Hensen, tot het bekomen van ontheffing van betaling van de zestig gulden wegens het sasgeld van een derde beurtschip dat niet in de vaart is in te willigen.

Beurtveer op Zierikzee
Willem du Claux, de beurtschipper van Goes op Zierikzee vice versa, geeft in juni 1852 te kennen dat zijn vaartuig waarmee hij, als zijnde groot beneden de 21 tonnen (zeven lasten), steeds in de Goese haven heeft mogen zeilen, thans ingevolge de Wet van 22 april 1852 hermeten en groot bevonden is 23 tonnen. Daardoor is voor zijn vaartuig het recht tot zeilen in de stadshaven vervallen. Hij is daardoor verplicht het schip steeds te laten trekken, wat voor hem een uitgaaf van 150 gulden per jaar veroorzaakt. Hij is daardoor buiten staat het veer te blijven bedienen. Daarom verzoekt hij, net als vroeger, in de haven te mogen zeilen. Met negen tegen 1 stem accordeert de gemeenteraad zijn verzoek.

Brouwerijen

Er zijn deze jaren twee bierbrouwerijen in de stad, namelijk ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt en ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat. De brouwerij ‘de Weereld’ bij de Koepoort bestaat al geruime tijd niet meer. Het gebouw van ‘de Weerelt’ doet nu dienst als kerkgebouw voor de christelijke afgescheiden gemeente.
De brouwerij ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt is in exploitatie bij de bierbrouwer Pieter Pijke. De brouwerij ‘de Gans’ is in exploitatie als bierbrouwerij en moutmolen bij de brouwer Cornelis Marinus de Jongh en later door zijn weduwe.
Het gemeenteverslag over 1849 vermeldt: ‘De brouwerijen en andere trafieken bloeien ook niet’ en dat over 1850: ‘De brouwerijen en andere trafieken zijn in dezelfde middelmatige staat’.
In oktober 1853 ontvangt het gemeentebestuur een verzoekschrift van de heer Engel de Meulmeester, landbouwer te Biezelinge. Hij is voornemens zich per 1 november 1853 te vestigen als bierbrouwer in de brouwerij ‘de Gans’ waarvan hij bij aankoop eigenaar is geworden. Hij verzoekt om, evenals zijn voorganger de weduwe van Cornelis Marinus de Jongh, in het genot te worden gesteld van het abonnement, toegestaan bij resolutie van 9 maart 1844. Dit geldt voor de belasting van de in de gemeente uitgeslagen door hem gebrouwde bieren op de voet van de thans bestaande overeenkomst van vijf gulden per maand. Dit leidt in december 1853 tot het aangaan met bierbrouwer De Meulmeester van een abonnement wegens uitkoop van de belasting op de bieren.

Chocoladefabriek

Ook deze jaren functioneert nog steeds de chocoladefabriek van de heer C.C. van den Bosch.
Het gemeenteverslag over 1848 vermeldt: ‘Men had zich betere resultaten der restauratie van de chocoladefabriek, vroeger zo bloeiende, door de firma Van den Bosch en Comp. voorgesteld, maar dit heeft zich niet verwezenlijkt’. En het verslag over 1849 geeft aan: ‘De chocoladefabriek van de firma Van den Bosch en compagnon kwijt’. Over 1850 wordt vermeld: ‘De chocoladefabriek van de firma Van den Bosch en compagnon verachtert’.

In juni 1850 blijkt een ingezonden certificaat van oorsprong aan het Departement van Koloniën voor 70 pond chocolade, vervaardigd in de fabriek van de heer Van den Bosch en compagnon te Goes en bestemd voor verzending naar Oostindië.

Herbergen, kroegen, koffiehuizen en slijterijen

In tegenstelling tot de 18e eeuw vermeldt het gemeentearchief over de 19e eeuw nauwelijks mutaties in de herbergen, kroegen en koffiehuizen. Uit de spaarzame gegevens is het volgende op te maken.

In mei 1847 verzoekt Aarnout Geel Verduijn, tapper in de herberg ‘het Molentje’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, om buiten vervolging te laten het door de politieagenten op 28 maart tegen hem opgemaakt proces-verbaal wegens het tappen en zetten van gelag op zondag gedurende de godsdienst. Het gemeentebestuur besluit, gelet op de door hem opgegeven omstandigheden, deze zaak onvervolgd te laten.
Servaas Lamsue, herbergier in ‘de Laatste Stuiver’ in de Voorstad, verzoekt in juli 1847 om op zondag 4 juli bij gelegenheid van de Kwadendamse kermis ‘s avonds na zeven uur en daarom na het eindigen van de godsdienstoefening in zijn herberg te mogen laten spelen en dansen. Dit verzoek wordt toegestaan.
Van de 8e februari 1850 is er een schrijven van de commissaris van politie, waarin hij een vraag van het gemeentebestuur over de aantekening op zijn weekrapport van de 2e februari beantwoordt. Het gaat over het verlaten door drie personen van de herberg ‘Pasbuiten’ op zondag 27 januari ‘s middags om kwart voor drie met het bericht ‘dat de politieagent Van de Weerdt in bedenking hebbende gegeven om Koopman, die herberg bewonende, het verkeerde dezer handelwijze onder het oog te brengen, dit door hem gedaan was en daarom geen proces-verbaal was opgemaakt’. De commissaris van politie wordt in de vergadering van het gemeentebestuur ontboden en gevraagd of zijn bericht, dat hij Koopman over bedoelde handelwijs had onderhouden, wel naar waarheid is. Hij erkent dat hij Koopman daarover niet in persoon heeft onderhouden.
In januari 1852 verzoekt P. Remijn ontslag als commies bij de plaatselijke belastingen. Dit omdat hij het bedrijf van logementhouder en herbergier uitoefent en dit niet gelijktijdig met zijn bediening van commies bij de plaatselijke belastingen te verenigen is.

Hoedenmakerijen

Het gemeenteverslag over 1848 vermeldt dat men ‘als de ene fabriek welke eerlijk en met voordeel gedreven wordt meent te kunnen aanwijzen de hoedenfabriek van P. Magchielse’.

Looierijen en huidenzouterijen

In deze jaren komt er een looierij in bedrijf in de stad. Het betreft de leerlooierij van de schoenmaker en huidenzouter Petrus Laurens van der Reit. Het gemeenteverslag over 1848 vermeldt dat ‘er onlangs een kleine leerlooierij in de Voorstad in werking is gekomen’. Het verslag over 1849 geeft aan: ‘Van de kleine looierij in 1848 opgericht valt weinig te zeggen’. Volgens het gemeenteverslag over 1850 ‘schijnt de kleine looierij, in 1848 opgericht, met enig goed gevolg te werken’.
In december 1847 verzoekt Van der Reit vergunning voor het oprichten van een leerlooierij op zijn grond aan het einde van de Voorstad in wijk B 63, ‘belendende oost en noord het weeshuis en west en zuid het wegeling’. Er zijn echter zoveel bezwaren van omwonenden dat het gemeentebestuur het verzoek afwijst.
Gedeputeerde Staten leggen daarop voor advies in handen van het college een rekest van Van der Reit met zijn bezwaren tegen het besluit van het college  van 18 december 1847  waarbij zijn verzoek tot het stichten van een looierij aan het einde van de Voorstad is afgewezen. Besloten wordt te persisteren bij het vroeger geuite gevoelen en op te merken dat Van der Reit van een eerdere gelegenheid om een bestaande looierij te kopen geen gebruik heeft gemaakt. Bij de behandeling van zijn zaak is hem toen aangeraden om de grond van een geamoveerde looierij in de Poel te verwerven. Daarvoor zou zeker vergunning voor de oprichting zijn verleend. Gedeputeerde Staten wijzen daarop het bezwaarschrift van Van der Reit af.

In mei 1848 geeft Van der Reit het gemeentebestuur te kennen dat hij door koop eigenaar is geworden van het woonhuis en erf, staande en gelegen in de Ganzepoortstraat in wijk C 170 en 171. Hij wil in dit pand een ledermagazijn en huidenzouterij vestigen. Nadat blijkt dat de omwonenden en de brandweer geen bezwaar hebben, staat het gemeentebestuur het verzoek toe.
Gedeputeerde Staten geven in juli 1848 kennis van het Koninklijk Besluit dat aan P.L. van der Reit vergunning is verleend om aan het einde van de Voorstad in wijk E 72 een leerlooierij op te richten. Dit wel met de bepaling dat het water van deze looierij in een daartoe opzettelijk aan te leggen vergaarbak moet worden verzameld om later, na de bezinking, langs een bijzondere weg te worden ontlast. Daardoor kan worden voorkomen dat daarvan overlast wordt geleden.

Broodbakker J.M. van Zoom uit de Ganzepoortstraat beklaagt zich in oktober 1849 over de overlast die hij ondervindt van zijn buurman Pieter van der Reit, koopman in huiden en vellen, door het drogen van huiden en vellen op zijn erf en scheidschutting of haag. Daar tegen schijnt de commissaris van politie geen maatregelen te kunnen nemen. De commissaris van politie bemiddelt in deze kwestie. Van der Reit zal op zijn eigen erf een houten toestel plaatsen om daarop huiden en vellen te hangen en te drogen. Besloten wordt Van Zoom te kennen te geven dat het college van oordeel is dat in het opgegeven bezwaar is voorzien.

Markten

Beestenmarkt
Uit de gemeentelijke publicaties blijkt dat in deze jaren veemarkten voor de handel in paarden, runderen, schapen en varkens op de Beestenmarkt worden gehouden op de laatste dinsdag van februari, op de dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen, op de eerste dinsdag van mei en op de tweede, derde en vierde dinsdag in november.
Het gemeentebestuur overweegt in december 1853 dat de functie van touwspanner op de Beestenmarkt met ingang van 1 januari 1854 zal veranderen in die van marktmeester. Deze zal in het bijzonder belast zijn met het beheer van de veemarkten en het schoonhouden en opzuiveren gedurende de kermis. Besloten wordt de huidige touwspanner Arie van de Visse tot marktmeester te benoemen.

Grote Markt  
In 1853 worden door marktmeester A.J.A.P. van Calmthout in het 1e kwartaal marktgelden geïnd voor 65 stalletjes à 25 cent, 155 tafels à 10 cent en 159 standplaatsen van boterboerinnen à 10 cent. In het 2e kwartaal is dit voor 80 stalletjes, 239 tafels en 232 standplaatsen voor boterboerinnen.

Jaarmarkt
Jaarlijks wordt de jaarmarkt of Goese kermis gehouden in de twee laatste weken van
augustus. De markt begint op zaterdag en eindigt op zaterdag. Al sinds onheugelijke tijden besluit het gemeentebestuur elk jaar dat geen kwakzalvers, horoscooptrekkers en dergelijke worden toegelaten. Draaiborden, dobbelspelen, rijfelaars en bedelaars zullen worden geweerd. Aanvragen om plaatsen op de jaarmarkt moeten aan de marktmeesters worden gericht. Het aantal kramen op de jaarmarkt varieert deze jaren van 76 (in 1847) tot 46 (in 1850) en 42 (in 1852) met een gezamenlijke lengte van 343 ellen (in 1847) tot 249 ellen (in 1850) en 214 ellen (in 1852).

In augustus 1849 vindt de jaarmarkt of Goesche kermis geen doorgang in verband met de dreigende cholera. De jaarmarkten worden beschouwd als overbrengers van deze gevreesde ziekte, die een buitengewone uitbreiding daarvan kunnen veroorzaken.
Een groot aantal burgers geeft de gemeenteraad eind juli 1849 te kennen met groot leedwezen en niet zonder bevreemding het besluit van de raad te hebben vernomen dat de jaarmarkt dit jaar geen doorgang vindt. Dit is voor hen zeer schadelijk en zal aan velen een onherstelbaar verlies toebrengen. De gemeenteraad besluit echter het algemeen belang van de volksgezondheid zwaarder te laten wegen dan het economisch belang van een aantal burgers en handhaaft het eerder genomen besluit.
Daarop dienen de weduwe J. de Jonge en andere neringdoenden en belanghebbende ingezetenen een rekest in bij het gemeentebestuur. Ze geven te kennen dat ze kennis hebben genomen van de afwijzende beschikking van de gemeenteraad op het door een aantal ingezetenen gedaan verzoek tot het intrekken van het raadsbesluit om de jaarmarkt of kermis dit jaar geen doorgang te laten vinden. Ze erkennen weliswaar de goede bedoelingen van het gemeentebestuur. Maar, als tegemoetkoming in de schade die ze daardoor lijden, vragen ze toestemming om gedurende enige dagen gepaste volksvermaken te mogen houden. Ze verzoeken de ingezetenen toe te staan om gedurende vier dagen, vanaf vrijdag de 7e tot en met dinsdag de 11e september, dergelijke vermaken te houden. Alle neringdoende ingezetenen van de stad en van Noord- en Zuid-Beveland dienen dan de vrijheid te hebben om hun waren en kramen te stallen en op tafels in de stad te koop aan te bieden. Daarvan dient dan een officiële bekendmaking in de stadscourant plaats te vinden. Het gemeentebestuur dient aan die vermaken alle luister bij te zetten en de belangen van de burgerij krachtdadig te bevorderen.


Vismarkt


Het gemeentebestuur constateert in 1846 en 1847 dat het brengen van verse vis op de vismarkt gaandeweg vermindert. Dit is tot grote schade van de pachters van het zogenaamde ‘vischboek’ en van de de visvrouwen. Het wordt moeilijk om het vischboek opnieuw te verpachten. Dit is aanleiding om in 1847 en 1851 een nieuw ‘Reglement voor het verkopen van versche en zeevisch in de gemeente Goes’ vast te stellen. Hierin is ook de mogelijkheid van het verkopen van gezouten, gedroogde en gerookte vis opgenomen.

 

Meekrapnering

Algemeen
Van de vanouds bestaande vijf meekrapstoven (de Zon, de Mane, de Liefde, de Hope en de Fortuyn) zijn er deze jaren nog twee over, namelijk ‘de Zon’ aan de oostzijde van de haven en ‘de Liefde’ aan de westzijde van de haven.
Een krachtige impuls krijgt de meekrapnering in 1852. In dat jaar vindt de stichting en bouw plaats van een fabriek voor verbeterde meekrapbereiding en een garancinefabriek, waarin stoomwerktuigen worden gebruikt. Het aantal fabrieksarbeiders is ongeveer 110.

Meekrapstoven
Het aantal gefabriceerde vaten meekrap blijkt uit het volgende overzicht:

  1846 1847 1848 1849 1850 1851 1852
De Zon 240 159 225 247 216 145 112
De Liefde 183 108 125 202 186 127 0
Totaal 423 267 350 449 402 276 112

Het aantal gefabriceerde ponden zogenaamde mullen blijkt uit het volgende overzicht:

  1847 1848 1849 1850 1851 1852
De Zon 6242     1167 31213 40863
De Liefde 10036     8967 11257  
Totaal 16278     10134 42470  

In juni 1848 geven de boekhouders van de meestoven ‘de Zon’, C.P. Soutendam, en ‘de Liefde’, C.C. van den Bosch, namens de gezamenlijke geïnteresseerden in deze meekrapstoven de gemeenteraad het volgende te kennen. Indertijd heeft Zijne Majesteit de Koning vrijdom verleend voor 19/20 van de accijns op de brandstoffen. Dit als gevolg van het algemeen aangenomen beginsel dat de inlandse fabrieken en trafieken niet behoren bezwaard te worden met een last waaraan soortgelijke fabrieken of trafieken elders niet onderworpen zijn. Ze wijzen er op dat de meeste fabrieken en trafieken in de stad ook zijn vrijgesteld van betaling van stedelijke accijns op brandstoffen, met name de zoutketen, bierbrouwerijen en dergelijke. De meestoven zijn echter niet ontheven van de stedelijke accijns op turf, gelijkstaand aan het totaal van de landsbelasting. Ze betogen dat Zeeland een overwegend belang heeft bij de meekrapteelt. Duizenden handen vinden daarbij een voordelige arbeid en in dit opzicht kan geen enkel Zeeuws voortbrengsel bij de meekrap vergeleken worden. Ten allen tijde heeft de overtuiging hiervan geleid tot bepalingen waardoor de meekrapcultuur werd begunstigd. Ook vermelden ze dat de buitenlandse concurrentie voor weinige producten van de landbouw zo drukkend is als voor de meekrap. Deze teelt loopt gevaar geheel verdrongen te worden door de buitenlandse. Dit alles moet worden aangewend om de productie- en fabricagekosten van de meekrap te verminderen.
De jaarlijkse last is waarlijk geen kleinigheid te noemen. Ze overtreft verre het patentrecht, bedragende ƒ 43. Uit naam van de eigenaren van de meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’ verzoeken ze eerbiedig de vrijdom van de stedelijke accijns op brandstoffen ook uit te breiden tot de meestoven waarvan hun het beheer is toevertrouwd.

Ook in juli 1848 richten de boekhouders van de in de gemeente gevestigde meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’, de heren C.P. Soutendam en C.C. van den Bosch, zich namens de gezamenlijke geïnteresseerden van die stoven tot de gemeenteraad. Ze verzoeken, evenals in der tijd door Zijne Majesteit is verleend, om vrijdom van de accijns op de brandstoffen voor 19/20. Dit als gevolg van het algemeen aangenomen beginsel, dat de inlandse fabrieken en trafieken niet behoren bezwaard te worden met een last waaraan soortgelijke fabrieken of trafieken elders niet onderworpen zijn. Ze verzoeken daarom vrijdom van de stedelijke belasting op de turf voor de meestoven, zoals deze is toegekend aan de zoutketen, bierbrouwerijen en andere in de stad bestaande trafieken.

In augustus 1851 besluit de gemeenteraad, op het verzoek van de vrachtrijder Hendrik van den Berge, de havendijk van de Havenpoort tot aan de westerschans + het weiland met de halve maan aan de meestoof ‘de Liefde’ + de daarnaast liggende dijk, een einde dijk aan de westzijde van genoemd bouwland, de voormalige trekkerswoning en annexe gebouwen, samen groot ongeveer acht bunders en verder de weigrond langs de haven tussen ‘de twee poorten’ die door hem in 1844 is gepacht, te continueren.

De boekhouder van de meestoof ‘de Liefde’ C.C. van den Bosch geeft in juli 1852 te kennen dat door de verandering van de drooginrichting van deze meestoof er ook een verandering aan de stookplaats is vereist. Het gemeentebestuur heeft hier geen bedenkingen tegen.
Ook de boekhouder van de meestoof ‘de Zon’ C.P. Soutendam deelt mee dat door de verandering van de drooginrichting er ook een verandering aan de stookplaats zal moeten plaats hebben. Het gemeentebestuur gaat ook daar mee akkoord.
De gemeenteraad besluit in augustus 1852 met algemene stemmen de geïnteresseerden in de meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’ voortaan vrij te stellen van belasting tot voordeel van de gemeente van 19/20 van de accijns op de turf en van 9/10 van die op de steenkolen.

Stoomfabriek voor de meekrapbereiding te Wilhelminadorp
In februari 1851 maakt de Raad van Bestuur van de Zeeuwsche Maatschappij voor Meekrapbereiding de gemeenteraad haar voornemen kenbaar om te Wilhelminadorp, aan de westzijde van de haven, een stoomfabriek voor de meekrapbereiding te bouwen. Door vermeerdering van de scheepvaart en de sasgelden zal de stad hiervan aanzienlijk voordeel kunnen verwachten. Ze verzoekt vrijdom van sasgelden voor bouwmaterialen voor de aanstaande zomer, evenals vrijdom van sasgeld voor brandstoffen voor de toekomst.
Niet minder dan vijf leden van de gemeenteraad (te weten de heren Van Kerkwijk, Kakebeeke, Soutendam, Saaymans Vader en Verschoor) onthouden zich van de bespreking wegens aandelen in de Maatschappij voor Meekrapbereiding. De gemeenteraad besluit echter het verzoek af te wijzen. Geen van de in de stad gevestigde fabrieken geniet dit voorrecht, terwijl de staat van de stedelijke financiën geen algemene vrijstelling voor fabrieken toelaat.

Enkele weken later verzoekt de Raad van Bestuur van de Zeeuwsche Maatschappij voor Meekrapbereiding aan de westzijde van de haven te Wilhelminadorp een plankier, ter lengte van vier à zes ellen, te mogen maken ten behoeve van een gemakkelijke lading en lossing van schepen. Besloten wordt het verzoek toe te staan onder de volgende bepalingen:

  1. de steiger mag geen beletsel aan de scheepvaart toebrengen;
  2. de degradatie die daardoor aan de havenboorden veroorzaakt mocht worden, moet door de Maatschappij worden vergoed;
  3. de schepen mogen niet langer aan de steiger blijven liggen als voor de lossing en lading nodig is.

In mei 1852 verzoeken de leden van de Algemene Raad van de te Goes gevestigde Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland om voor de eerste daarvoor te stichten fabriek in deze gemeente op erfpacht te mogen ontvangen de daarvoor benodigde grond aan de haven buiten de Bleekveldse poort. Het gemeentebestuur wenst echter eerst meer bijzonderheden te vernemen.

De gemeenteraad ontvangt van de Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland een verzoek van de 21e mei 1852 om voor de te Goes te stichten fabriek op erfpacht van de gemeente te verkrijgen de percelen in wijk D 216, 234 en 236 en een strook behorende tot nummer D 235, alle gelegen aan de haven van de stad buiten de Bleekveldse poort. De gemeenteraad machtigt het college om de gevraagde gronden in erfpacht af te staan voor de tijd van 99 jaar tegen een jaarlijkse retributie van veertig gulden.

De Algemene Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland vraagt begin juni 1852 om te worden bekend gemaakt met de speciale voorwaarden waarop de benodigde gronden voor de stichting van de meefabriek zullen worden afgestaan. Al op de volgende dag antwoordt het gemeentebestuur hierop door toezending van een conceptakte van afstand.

Het gemeentebestuur constateert dat er geen bedenkingen bestaan tegen het aanbrengen van een beschoeiing in de haven en het uitdiepen van de kil langs de aan de Maatschappij in erfpacht af te stane grond. Dit overeenkomstig de gewaarmerkte tekening die bij het verzoekschrift van de 24e juli is gevoegd. De fabriek zal verrijzen op het terrein gelegen buiten de Bleekveldse poort of barrière aan de haven.

Het bestuur van de Maatschappij bericht het gemeentebestuur begin september 1852 dat de eerste kolom van haar fabriek plechtig zal worden gezet op maandag de 6e september 1852 ‘s middags om 2 uur. Namens het bestuur nodigen de heren O. Verhagen en J. Fransen van de Putte ‘uw edelachtbaren uit deze plechtigheid met uw tegenwoordigheid te willen vereren’.
Eind oktober 1852 is sprake van de nieuwe meefabriek buiten de Bleekveldse poort. Hoofddirecteur daarvan is de heer Otto Verhagen. De fabriek krijgt de naam ‘Zuid-Beveland’.

In januari 1853 verzoekt directeur O. Verhagen toestemming voor het uitbaggeren van de haven tot een voldoende diepte voor geladen schepen langs de beschoeiing in de haven, aan het terrein waarop de fabriek van verbeterde meekrapbereiding wordt gesticht. De daaruit komende modder wil men storten in de kil of het zogenaamde Molengat, dat langs het terrein loopt. Het gemeentebestuur heeft hier tegen geen bezwaar.

De Algemene Raad van de Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland te Goes verzoekt het gemeentebestuur in april 1853 te verkrijgen de percelen van de gemeente in sectie B nummers 167 en 235 en een gedeelte van de nummers 182 en 237. Hiermee wordt akkoord gegaan. Er zal een nieuwe weg voor de fabriek worden aangelegd. De heul onder de nieuwe weg voor de uitwatering zal voor rekening van de Maatschappij worden onderhouden. De situatie blijkt uit een overgelegde plattegrondtekening.

In juli 1853 gaat het gemeentebestuur akkoord met het leggen van een buis of pijp in de haven om daardoor het benodigde water op te pompen tot voeding van het stoomwerktuig in de fabriek en van een andere buis of pijp voor het afvloeien in de haven van het water uit de stoomketel, van het dak of van ander water ‘dat met generlei schadelijke of stank afwerpende zelfstandigheden bezwangerd is’.
Hoofddirecteur O. Verhagen verzoekt in augustus 1853 eveneens vergunning om de walkanten aan de ingang van het terrein van de fabriek enigszins te veranderen en sierlijker en doelmatiger te maken. Ook hiermee stemt het gemeentebestuur in.

Gedeputeerde Staten van Zeeland sturen het gemeentebestuur in oktober 1853 om advies en raad een schrijven toe van de Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding. Dit betreft een verzoek om vergunning voor het oprichten van een destilleerderij van alcohol of wijngeest uit meekrap.
Hoofddirecteur O. Verhagen geeft op 3 november nadere inlichtingen over zijn aanvraag. De alcoholbereiding zal plaats hebben ongeveer op de plaats waar vroeger het pakhuis van de zoutziederij stond en een van de lokalen van de in aanbouw zijnde garancine en fleurs de garancinefabriek zal komen. Nieuwe gebouwen zullen er voor dat doel niet gesticht worden.
Het college geeft Gedeputeerde Staten een positief advies.
De Maatschappij krijgt daarop vergunning voor het oprichten van een destilleerderij van alcohol of wijngeest uit meekrap op een terrein gelegen buiten de Bleekveldse poort of barrière aan de haven in wijk B 179.

Op de 6e oktober 1853 ontvangt het gemeentebestuur van hoofddirecteur O. Verhagen een gelithografeerde oorkonde van de stichting van de fabriek op de 26e september 1853 ter gelegenheid van hun bezoek samen met de Commissaris van de Koning aan de fabriek met het verzoek deze in het gemeentearchief te willen deponeren.
De Algemene Raad van de Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland stuurt in oktober 1853 ook een exemplaar van de Statuten van de Maatschappij, vastgesteld op 10 mei 1852, toe.

Garancinefabriek
In juli 1852 verzoekt de heer dr. Charles Albert van Renterghem octrooi op de uitvinding van een geheel nieuwe wijze om garancine te bereiden. De Gouverneur vraagt het gemeentebestuur informatie over zijn geldelijke omstandigheden en het in hem te stellen vertrouwen. De burgemeester antwoordt dat de arts vermoedelijk in geen ongunstige omstandigheden verkeert vanwege het overlijden van de heer en mevrouw De Witt Hamer, de ouders van zijn echtgenote. Hij heeft het vertrouwen dat hij tot de stichting van een garancinefabriek niet zal overgaan zonder uitzicht op het welslagen van deze onderneming. Het is hem bekend dat dr. Van Renterghem sinds geruime tijd werkzaam is om te zijnen huize in een daarvoor ingericht lokaal proeven te nemen met zijn uitvinding. Het is het gemeentebestuur niet mogelijk de middelen te beoordelen die hem ten dienste staan om zijn uitvinding voor de maatschappij nuttig te maken.

De algemene Raad van de Maatschappij van Verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland te Goes verzoekt in juli 1852 vergunning voor het stichten van een fabriek, waarin een stoommachine zal worden aangebracht, voor het drogen van de meekrapwortels en het daaruit vervaardigen van garancine, fleurs de garance, enzovoorts. Hierover wordt een hoorzitting belegd.

Op de 21e augustus 1852 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van de heer Charles Albert van Renterghem, medisch chirurg en art. obs. doctor te Goes, om hem voor een onbepaalde tijd in erfpacht af te staan het perceel sectie D 992, groot acht roeden, voor het oprichten van een garancinefabriek. Dit perceel is door zijn geïsoleerde ligging veiliger voor de ingezetenen bij eventuele ongelukken dan het eerder daarvoor bestemde perceel in de Voorstad in wijk E 62. Hij verklaart tevens dat geen zwavelzuurhoudend water of andere schadelijke stoffen in de haven ontlast zullen worden of zullen afvloeien.
Met algemene stemmen besluit de gemeenteraad positief op het verzoek.

Op de 27e augustus 1852 komt er een bezwaarschrift binnen van de gebroeders Harinck van de houtzaagmolen en houthandel, J.M. Dekker, N. Vertregt en C. de Munck, inwoners en eigenaren van huizen en panden gelegen of staande bij of tussen de twee poorten. Ze schrijven dat ze met verwondering in de Goesche Courant gelezen hebben dat aan dr. C.A. van Renterghem op erfpacht wordt toegestaan een stuk grond gelegen buiten de Hoofdpoort in wijk D 992. Dit perceel zou dan geheel buiten gevaar van brand voor de aangelegen gebouwen zijn, daar het aanvankelijke perceel in de kom van de Voorstad te veel gevaar voor brand opleverde. Dit doet hen vragen of de buurt waar zij wonen dan door al dergelijke nieuwe inrichtingen moet worden benadeeld. Ze vragen zich af of hun panden, hun koepel op het ravelijn buiten de Hoofdpoort en hun graanpakhuis ‘de Groote en Kleine Meebalen’ tegen de Hoofdpoort, dan minder waard zijn als die in de Voorstad. Niemand zal dit pakhuis meer willen gebruiken om granen op te slaan omdat het graan door rook en vuilte zal bederven. Er bestaat hier immers even veel gevaar voor brand. Ze zijn toch al genoeg geplaagd door de zoutkeet, gelegen ‘tussen de twee poorten’, van de heer Otto Verhagen. Het drinkwater is geheel bedorven door de nieuwe meekrapfabriek tegen hun werf, die hun ook al hinderlijk genoeg zal zijn. En nu weer de fabriek voor dr. Van Renterghem, die tegen hun koepel en graanpakhuis zal staan. Ook leggen ze voor hun houthandel daar tegen aan met hun losplaats voor hout dat naar de houtzaagmolen gevlot moet worden. Het zal eveneens hinder opleveren voor de fabriek als daar een losplaats moet komen. Ze zullen door dit alles zeer vele schade lijden, zoveel dat ze dit alles niet kunnen opsommen. Er zal gezorgd moeten worden dat het kanaal uit de haven naar de zaagmolen, waarvoor jaarlijks een cijns aan de gemeente betaald wordt, aan beide zijden en dus ook op het aangevraagde terrein bezocht kan worden en dat daarop bij het vlotten van hout gewerkt en de daar komende schepen aan de wal vastgelegd en gelost kunnen worden.

Het gemeentebestuur is van oordeel dat de bezwaren van de omwonenden ongegrond zijn, althans zeer overdreven geacht kunnen worden. Het gevaar van brand zal niet groter zijn dan door de stichting van ieder ander gebouw. Bovendien ligt de plaats van de nieuwe fabriek zodanig afgezonderd dat alleen de koepel en houten heining van de gebroeders Harinck enigszins aan dat gevaar bloot staan. Maar dit kan in geen geval zijn met gebouwen binnen de poorten en dus op aanmerkelijke afstand van de fabriek gelegen. Bovendien worden deze door het poortgebouw zelf beschut, terwijl rook en vuil uit de schoorsteen door de hoogte waarop deze zal worden opgetrokken weinig hinder zal veroorzaken voor het nabijgelegen perceel.

Eind december 1852 krijgt de heer C.A. van Renterghem, na ingewonnen advies van de generale brandmeesters, toestemming voor het plaatsen van een hulpsmidse in het kalkloodsje bij zijn garancinefabriek.
Ook verzoekt Van Renterghem in april 1853 vergunning om het garancinewater uit zijn fabriek door middel van draineerbuizen te lozen in de sloot ten noorden van de Israëlitische begraafplaats. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord. Het schaadt de belangen van de gemeente niet.

Uit een rapport van de commissaris van politie en persoonlijk onderzoek van het gemeentebestuur blijkt in september 1853 overtuigend dat het garancinewater uit de fabriek van Van Renterghem in de haven vloeit. De door hem opgegeven redenen van verschoning zijn weinig afdoende. De burgemeester heeft zich hierop tot de Commissaris van de Koning gewend. Hij heeft daarop diens beschouwingen ontvangen en is het hier niet mee eens. De wethouders ondersteunen volledig de handelwijze van de burgemeester.

Molens

Algemeen
In december 1849 dienen enkele molenaars binnen de stad een rekest in bij de gemeenteraad. Het zijn de heren G.H. Kakebeeke van de oliemolen ‘de Hoop’ op de Kattenberg aan de Westwal, P. van Wasbeek (van de korenmolen ‘de Koornbloem’), J. Adriaanse (van de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’) en de gebroeders Harinck (van de houtzaagmolen ‘de Eendracht’). Ze verzoeken toestemming dat in het belang van hun molens en malerij de populierenbomen langs de nieuwe begraafplaats mogen worden gekort of afgekapt tot een hoogte van 12 à 14 voeten. Deze bomen zijn zeer hinderlijk voor de windvang voor hun molens. Ook is hun wens dat de nieuw geplante olmenbomen op de begraafplaats, de stoofweide en het daarnaast liggende land of de olmenbomen aan de zuidzijde van de straatweg buiten de barrière aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat en de olmenbomen staande langs de zandweg naar de begraafplaats mogen worden gekandelaard.
Het gemeentebestuur neemt hierbij tevens in overweging een door Jan Karel van Baalen gedaan verzoek om, tot verbetering van de onderweg langs de bezande dijk van de ’s-Heer Hendrikskinderenbarrière naar de nieuwe begraafplaats, ongeveer twintig opgaande bomen langs de sloot tegen zijn nieuwe aanleg daar en aan de teen van deze dijk te rooien. Hij wil de te rooien bomen tegen taxatieprijs overnemen. Besloten wordt de populierenbomen op de weg langs de nieuwe begraafplaats in te korten en Van Baalen toestemming te geven de bomen over te nemen.

Korenmolens  
In deze jaren functioneren er twee windkorenmolens in de stad. Het zijn ‘de Vijf Gebroeders’ aan de Molendijk op het Bastion van korenmolenaar Jan Adriaanse en ‘de Koornbloem’ aan de Paardenweg van korenmolenaar Pieter van Wasbeek.

Molenaar Adriaanse van ‘de Vijf Gebroeders’ informeert in maart 1847 bij het gemeentebestuur of er bedenkingen bestaan tegen een verhoging van zijn windkorenmolen. Hij wil dit doen door het opmetselen van de molen met drie ellen en deze ter hoogte van de begane grond met een houten gaanderij rond de molen te omgeven. Hij ondervindt nu te veel hinder van de lage stand van de molen. Het gemeentebestuur besluit, alvorens hierover een bepaald gevoelen uit te brengen, inlichtingen te vragen bij het provinciaal bestuur. Het gaat dan vooral om de vraag of dit alleen uit het oogpunt van plaatselijke politie moet worden beschouwd en beoordeeld of dat een Koninklijk Besluit hierop van toepassing is. Anders gezegd: of het provinciale bestuur de voorzorgen voor de publieke veiligheid moet beoordelen en of ‘s rijks accijnzen daarover ook een besluit moet nemen. De molenaar wordt bericht dat hij zich tot Gedeputeerde Staten moet wenden voor toestemming.
Gedeputeerde Staten leggen het verzoek in mei 1847 weer voor advies neer bij het gemeentebestuur. Als blijkt dat de omwonenden geen bezwaren hebben, wordt een positief advies afgegeven. Daarop verleent het provinciale bestuur toestemming om de windkorenmolen door opmetselen drie ellen te verhogen en met een houten gaanderij te omgeven.

Korenmolenaar J. Adriaanse verzoekt in april 1850, op grond van door hem veronderstelde grotere concurrentie in zijn beroep dan vroeger, meer vrijheid aan de ingezetenen te geven om naar verkiezing het graan te laten malen en hogere belasting van zijn molen dan die van molenaar Van Wasbeek, vermindering van de door hem voor zijn molen verschuldigde erfpacht ten behoeve van de stad. Het gemeentebestuur geeft hem te kennen dat er geen reden is tot vermindering van de retributie ten behoeve van de stad. Daartoe heeft hij zich wettelijk verbonden.

In december 1851 is de zoute vest achter de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar J. Adriaanse aan de Molendijk drooggelegd. Het verkregen perceel stadsgrond, groot 1890 ellen, is aangelegd tot hoveniering en wordt publiek verpacht.
Op voorstel van de commies van de 1e klasse G. Bosman besluit het gemeentebestuur in november 1852 het beschikbaar gekomen wachthuisje te plaatsen in de nabijheid van de twee korenmolens om deze te kunnen bewerken.

Oliemolens
In februari 1847 wijst de heer Gerardus Hendrikus Kakebeeke op de hinder die hij aan zijn oliemolen ‘de Hoop’, staande op de kattenberg aan de westzijde van de stadswal, ondervindt. Hij verzoekt de Canadese populierenbomen op het daarbij gelegen stadsravelijn (de Groene Jager) in te korten tot op een lengte van ongeveer zes ellen. Tevens verzoekt hij aan de grond van de stadswal, in de nabijheid van zijn oliemolen, door wegruiming van de overblijfselen van een daar vroeger opgerichte batterij gelijk gemaakt, geen bepaalde bestemming te geven. De gemeenteraad besluit tot het behoorlijk inkorten van de opgaande bomen op het stadsravelijn (de Groene Jager) achter de Beestenmarkt. Vooruitlopend op de behandeling van zijn nader verzoek tot bevordering van meer zekerheid voor zijn oliemolen zal vooralsnog aan de in de nabijheid van de molen gelegen grond geen bepaalde bestemming worden gegeven.

Gortpelmolens
De heer Cornelis Christiaan van den Bosch en compagnons, eigenaren en gebruikers van de gortpelmolen ‘de Grenadier’, maken in april 1847 hun bezwaren kenbaar tegen de beplanting met hoge opgaande bomen van de wal tussen de Koepoort en het Ravelijn (de Grenadier). Als gevolg hiervan worden ze belet bij oosten- en noordoosten wind in de uitoefening van hun bedrijf. Omdat de bomen nog lang niet aan rooien toe zijn, zijn ze eventueel bereid tot betaling van een zodanige retributie voor de opgroeiwaarde als de gemeenteraad billijk zal oordelen.

De gortpelmolenaar Van den Bosch wendt zich in juli 1849 opnieuw tot de gemeenteraad. Hij geeft te kennen dat van het aan hem toebehorende huis op de Beestenmarkt D 118 over 1848 de personele omslag is betaald. Dit huis heeft echter sinds oktober 1847 leeg gestaan. Daarom verzoekt hij om vermindering van de belasting. Besloten wordt zijn verzoek af te wijzen.

Ook in januari 1850 maakt de advocaat mr. Saaymans Vader, namens C.C. van den Bosch en compagnons, eigenaren en gebruikers van de gortpelmolen ‘de Grenadier’, bezwaar tegen de beplanting met hoge opgaande bomen van de wal tussen de Koepoort en het Ravelijn (de Grenadier). Bij oosten- en noordoostenwind lijden ze schade bij de uitoefening van hun bedrijf. Ze krijgen nu toestemming tot het rooien en opruimen van deze bomen.

Houtzaagmolen
De houtzaagmolenaars en houthandelaren in de stad, de gebroeders Harinck, dienen in oktober 1848 een verzoekschrift in bij de gemeenteraad. In het belang van hun fabriek en houthandel verzoeken ze om de stedelijke belasting op het vaamhout van de van elders ingevoerde meubelen, stoven, luiwagens, bezemstokken en dergelijke en van dennen-, vuren- en greinen hout gemaakte voorwerpen naar redelijkheid te verminderen en daarentegen de spaanders als brandstof op een billijke wijze te belasten. De raad besluit het verzoek van de gebroeders Harinck aan te houden. Dit zal bij de eventueel te houden bespreking van de te verwachten nieuwe wettelijke bepalingen op de plaatselijke belastingen in de overwegingen worden betrokken.

In mei 1849 dienen de gebroeders Harinck van de houtzaagmolen ‘de Eendracht’ opnieuw een verzoek in bij de gemeenteraad. Ze verzoeken in het voordeel van de stedelijke inkomsten en in het belang van hun fabriek en houthandel, het van buiten ingevoerde timmerhout te belasten met een stedelijke impost van 12½% en daarentegen het door hen af te leveren hout met een belasting van 7%. Tevens doen ze hun beklag dat ze niet met de leverantie van het voor de stad benodigde hout worden begunstigd. Zo is in 1848 het hout voor de sasdeuren van elders aangevoerd.
De gemeenteraad besluit de gebroeders Harinck te kennen te geven dat, om de invoer van hout van buiten hoger te belasten dan wat door hun wordt afgeleverd, geen gevolg kan worden gegeven. Tevens is het de raad na onderzoek gebleken dat de beambten bij de stedelijke administratie, belast met de uitoefening van de surveillance en de toepassing van de bestaande verordeningen, volgens hun plicht handelen. En wat de levering van hout aan de stad betreft, de aannemers van stedelijke werken worden vrij gelaten in hun keus voor het hout naar eigen goeddunken te handelen.

Opnieuw komt er in februari 1852 een rekest binnen van de gebroeders Harinck, houtzaagmolenaars en handelaren in hout. Ze herhalen, in het belang van hun fabriek en houthandel, hun in september 1848 gedaan verzoek ‘om de van elders ingevoerd wordende meubelen, stoven, luiwagens en bezemstokken en van dennen, vuren en greinen hout gemaakte voorwerpen aan een stedelijke belasting van tien procent te onderwerpen en om de stedelijke belasting op het vaamhout naar redelijkheid te verminderen en daarentegen de spaanders als brandstof op billijke wijze te belasten’. De gemeenteraad gaat unaniem akkoord met hun verzoek.
De gebroeders Harinck bedanken in april de gemeenteraad voor de genoten gunst. Ze verzoeken om voortdurend en met uitsluiting van anderen begunstigd te worden met de levering van benodigde houtwaren voor de stadswerken.

De houtzaagmolenaren verzoeken in januari 1853 om de thans in de haven liggende houtvlotten, waarover verschil van mening bestaat en die daarom niet naar hun molen kunnen worden vervoerd, daar te mogen laten liggen. Dit wordt hen voor enige dagen toegestaan.
Nogmaals richten de gebroeders Harinck zich in september 1853 tot het gemeentebestuur. Nu is hun verzoek ‘om het Schaf in en de leuning op het Sluisje leidende naar hun zaagmolen te doen herstellen’. Besloten wordt het sluisje in het water buiten de Hoofdpoort dat leidt naar hun houtzaagmolen met spoed te herstellen.

Scheepstimmerwerf

In april 1849 geeft de scheepstimmerman Ary Boer kennis dat hij voornemens is om de voormalige scheepstimmerwerf weer in werking te brengen. Hij verzoekt in het belang van deze onderneming dat vaartuigen, van elders voor deze werf bestemd, mogen worden vrijgesteld van het stedelijke sas- en havengeld. Ook wenst hij dat het timmerhout, dat op zijn scheepstimmerwerf tot reparatie en opbouw van vaartuigen gebezigd wordt, mag worden ontlast van de 10 procent stedelijke impost. Verder verzoekt hij vergunning voor het inrichten van een stookplaats op de grond van de werf voor het koken van pek en teer en, voorzover een inspectie geen bedenkingen zal geven, toestemming tot het bouwen en inrichten van deze stookplaats.
Het gemeentebestuur bepaalt dat de schepen en vaartuigen, die ledig en met het oogmerk  binnen komen om op de werf op te  leggen en gerepareerd te worden, alsook de zodanige die na gedane reparatie weer ledig vertrekken en nieuwgebouwde die ledig zullen uitvaren,   worden geschut en doorgelaten zonder enige betaling van sas- en havengeld. Verder krijgt scheepstimmerman Boer vrijdom van de stedelijke belasting op bouwmaterialen voor het timmerhout wat door hem zal worden ingeslagen en gebruikt voor het bouwen en repareren van schepen en vaartuigen. Eveneens krijgt hij toestemming voor het inrichten van een stookplaats voor het koken van pek en teer op zijn scheepstimmerwerf.

Smederijen

Smeden
Koopman Levi Emanuel krijgt in mei 1848 op zijn verzoek toestemming om in zijn woonhuis B 114 een smidshaard of bedding te mogen daarstellen.
In juni 1850 dient Marinus Sandijk, smid binnen de stad, een verzoek in om nog een jaar met het smidswerk van de stad begunstigd te worden. Dit vanwege de tegenspoeden, ziekte en opvolgend overlijden van zijn vrouw. Het gemeentebestuur besluit zijn verzoek, als geheel afwijkende van de vastgestelde regel in het bij toerbeurt vergunnen van stadswerk, af te wijzen.  
De smid W.J. ten Cate vraagt in april 1853 vergunning voor het plaatsen van een smidshaard in zijn pand aan het noordeinde van de stad aan het einde van de Nieuwstraat nabij de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière in wijk D 169. Dit wordt toegestaan.

Goud- en zilversmeden
In mei 1851 wordt de controleurs van het middel van waarborg van gouden en zilveren werken kennis gegeven dat Jan Pieter van der Does zich als goud- en zilversmid heeft laten inschrijven. Van der Does geeft het gemeentebestuur te kennen voornemens te zijn een ijzeren zilversmidvuurhaard aan te leggen in het pand van J. Dagevos op de Oprel van de Grote Markt in wijk B 4. Hiermee wordt akkoord gegaan.

Hoefsmeden
De grof- en hoefsmid Jacobus Robijn verzoekt in september 1849 in zijn huis in de Lange Vorststraat in wijk C 244 binnen de daar aanwezige smidse een hoefstal te mogen doen plaatsen voor het beslaan van paarden. Het gemeentebestuur oordeelt dat zijn verzoek niet valt in de termen van of onderworpen is aan de formaliteiten bij het Koninklijk Besluit van 31 januari 1824 voorgeschreven. Daarom kan hij met de inrichting van zijn hoefsmederij verder gaan.
Een andere grof- en hoefsmid, Aarnout van de Weerdt, verzoekt in augustus 1850 om in zijn woonhuis aan de Sint Jacobstraat een smidshaard of bedding te mogen plaatsen. Na inspectie ter plaatse en het horen van de buren wordt zijn verzoek toegestaan.

Steenhouwerij

In 1847 krijgen de steenkopers in de stad, de heren Otto Verhagen en Jan Karel van Baalen,  vergunning voor het aanleggen van een losplaats voor ongebluste kalk en hardsteen.
Er komt in januari 1847 een beschikking van de Minister van Financiën op het door de steenkopers gedaan en door het gemeentebestuur in december 1846 ondersteund verzoek, dat Goes wordt aangewezen als losplaats voor ongebluste kalk en hardsteen. De heren Verhagen en Van Baalen bedanken het college hartelijk voor haar adhesiebetuiging en de  ondersteuning van hun verzoek bij de Minister van Financiën, hoewel dit is afgewezen, om deze stad als losplaats voor ongebluste kalk en hardsteen aan te wijzen.
De heer O. Verhagen verzoekt in juni 1847 om in de sloot tussen de zogenaamde werf van de heer Harinck en de steenplaats van Verhagen en Van Baalen een boot te mogen leggen, die ‘s nachts voorzien is van een behoorlijke sluiting, ten dienste van de overvaart tussen de steenplaats en de zoutkeet ‘de Hoop’. Besloten wordt het verzoek toe te staan op de voorwaarde dat de boot steeds vanaf het sluiten van de stadspoorten tot het openen daarvan met een doelmatige ijzeren ketting zal zijn vastgelegd en behoorlijk gesloten.
De heer O. Verhagen deelt in april 1851 mee bereid te zijn om overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad van 1 april 1851 de pacht van de grond van zijn steenplaats op de bestaande voet te vernieuwen.

Tabaknering

In deze jaren floreert de tabaknering kennelijk goed. Niet minder dan vijf nieuwe kleine ondernemers nemen de tabaknering ter hand.
In 1848 zijn dat de tabakkerver en winkelier Huibregt de Wolf; hij mag in zijn woonhuis in wijk A nummer 69 en in 1851 in het huis aan de Papegaaystraat in wijk C 92 een tabakeest stichten. Ook Jan Doensen Zomer mag in 1848 in de Voorstad in wijk E 55 een tabakeest stichten. In 1849 is dit Krina Jacoba Allemekinders weduwe van J.P. Clement. Zij mag in haar woonhuis in wijk C 230 een tabakeest stichten. In 1850 gaat het om Pieter van Wasbeek. Hij mag in het pakhuis in wijk C 79 een tabakeest stichten. In 1852 krijgt de tabakkerver C. Pilaar vergunning voor het stichten van een tabakeest achter het door hem bewoonde huis in wijk D 54 en in 1852 in het huis aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D 1055.

Vlasverwerking

In februari 1849 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Maatschappij tot bevordering van landbouw en veeteelt in Zeeland met de kennisgeving van de uitloving van premies voor de  oprichting van nieuwe en de instandhouding van bestaande vlasserijen, alsook voor het verbouwen en bewerken van vlas. De Maatschappij verzoekt om pogingen tot bevordering van deze tak van inlandse nijverheid te helpen ondersteunen. Hiervan doet het gemeentebestuur een officiële Publicatie.

Enkele jaren later, in januari 1853, dient de koopman en winkelier P.L. van der Reit een verzoek in om in de Voorstad in een daar gelegen boomgaard, toebehorende aan Jan Warrens, met diens toestemming aan te leggen een stook- of droogplaats om daar van tijd tot tijd vlas te drogen. Uit het rapport van de commissaris van politie blijkt dat de stook- of droogplaats bestaat uit een in de grond gegraven greppel ter diepte van ongeveer drie palmen, wijd vijf palmen en lang nagenoeg twee ellen, aan de oostzijde omgeven met een aarden wal van de uitgegraven grond. Deze plaats ligt minstens honderd ellen van alle gebouwen verwijderd. Het gemeentebestuur heeft hier geen bedenkingen tegen.

Vleeshouwers

In mei 1847 wordt in de plaats van de overleden slager en keurmeester van het vlees, Jozias Sloover, benoemd tot keurmeester van het vlees de veearts Laurentius van Kalmthout.
De vleeshouwer Johannes Jacobus Bakker verzoekt in oktober 1851 toestemming om in zijn woonhuis in de Sint Jacobstraat in wijk B 71 het slachten van rundvee te mogen uitoefenen. Het blijkt dat er geen bezwaren van omwonenden zijn ingekomen. Hij krijgt dan ook vergunning.
In februari 1852 komt er een rekest van de vleeshouwers Bannet, Sloover en Temperman binnen met het verzoek om restitutie of afschrijving van belasting van door hen uit te voeren  rundvlees tot 10 Nederlandse ponden en daarboven. Na verkregen gunstig advies van de ontvanger en hoofdcommies van de plaatselijke belastingen wordt hiertoe besloten.
De Joodse koopman Mozes Abraham Emanuel verzoekt in februari 1852 toestemming voor het oprichten van een slagerij in zijn woonhuis aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 238. Ook dit wordt toegestaan.

Weeffabrieken  

De in de stad gevestigde weeffabriek of calicotweverij van de heren G. en H. Salomonson uit Almelo blijft ook deze jaren in een behoefte voorzien. Wel is er een voortdurende correspondentie over het voortbestaan van de calicotweverijen in Zeeland.

In oktober 1847 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heren Salomonson uit Almelo. Ze schrijven:
‘De nimmer gekende crisis, welke er in dit jaar in alle takken van nijverheid en handel heerschend is, is voor de oudste industriëlen zelfs zonder voorbeeld. Dezelve maakt een ieder voorzichtig voor het ogenblik en bang voor de toekomst. Het is dan ook daarom dat wij tot nu hebben moeten uitstellen uw achtbaren te verzoeken op gelijke wijze als vorige jaren ten behoeve van de werklieden bij ons werkzaam in den olie te voorzien. Wij ontkennen onze herhaalde overdenkingen niet om uw achtbaren voorstellen van een geheel tegenovergestelde aard te hebben willen doen, doch de aandrang, het verlangen, en het belang zelfs der werklieden doen ons opnieuw op den ouden voet voortgaan, wat in de tegenwoordige tijd zeker als zeer beduidend mag gerekend worden, wanneer daarbij in aanmerking genomen wordt dat het loon in deze provincie boven Overijssel gemiddeld 20 cent het stuk hoger is, wat een kapitale som uitmaakt. Wegens het gevorderde seizoen zullen uw achtbaren het belang der werklieden zeer bevorderen om ons uw antwoord zo spoedig mogelijk te willen doen kennen’.
Het gemeentebestuur antwoordt dat, hoe bezwarend dit ook moge vallen, ‘er volgens uw verlangen deze winter weder zal worden voorzien in het aanschaffen van de olie tot verlichting van de leerfabriek ten dienste der werklieden in dezelve’. Er zal dus gedurende de aanstaande winter van gemeentewege in de weeffabriek worden voorzien in de aanschaf van de benodigde olie voor de werklieden.

Ook in oktober 1848 komt er een dergelijk verzoek van de heren Salomonson, luidend: ‘Gelijk vorige jaren nemen wij wederom de vrijheid uw edelachtbaren te verzoeken een goedgunstig besluit te willen nemen de wevers in uw gemeente gedurende het naderende winterseizoen in den Olie te doen voorzien’. Het gemeentebestuur besluit deze voorziening op de oude voet voort te zetten.
Hetzelfde gebeurt in september 1849. Er komt dan een brief van de heren Salomonson met het verzoek hun te informeren op welke wijze het komende winterseizoen in de verlichting van de weeffabriek zal worden voorzien. Geantwoord wordt dat dit op de tot hier toe gebruikelijke wijze zal plaats hebben.

De hoofddirecteuren van de calicotfabrieken in Zeeland, de heren Salomonson, berichten het gemeentebestuur begin mei 1849 dat de bestaande concessie voor het vervaardigen van katoenen stoffen voor Indië staat af te lopen. Al meerdere stedelijke besturen hebben zich tot de Gouverneur gewend om op het vernieuwen van deze concessie aan te dringen. Ze geven daarom in overweging om ook van de zijde van de stad Goes dergelijke pogingen te doen. De gemeenteraad besluit om ook vanwege deze stad bij de Gouverneur de voortduring van de concessie te verzoeken.

In oktober 1849 komt er bericht van de Gouverneur over zijn pogingen, naar aanleiding van de wens van alle belanghebbende gemeentebesturen, om te bereiken dat de Handelmaatschappij op tijd schikkingen en akkoorden met de firma Salomonson wil maken om de per 1 januari 1850 aflopende concessie voor het fabriceren van calicots voor Indië te vernieuwen en de belangrijke weefinrichtingen in Zeeland te bestendigen. Dit heeft er toe geleid dat de heren Salomonson op 19 oktober 1849 vanuit Middelburg kennis gaven middelen te hebben gevonden om na de afloop van de tegenwoordige concessie de weverijen in Zeeland, althans gedurende twaalf maanden, aan de gang te houden.
De gemeenteraad besluit deze mededelingen voor informatie aan te nemen en de Gouverneur de dankbetuiging van de vergadering over te brengen voor zijn goede pogingen, aangewend in het belang van de provincie en ook van de stad Goes tot het behouden van deze nuttige en voordelige inrichtingen.
Ook op de 27e oktober 1849 komt er een aanschrijving van de Gouverneur met de kennisgeving dat, naar aanleiding van een bericht van de Directie van de Nederlandsche Handelmaatschappij, de onderhandelingen met de heren G. en H. Salomonson over de voortduring van de arbeid in de Zeeuwse weverijen op de bestaande voet beëindigd zijn en de voortduring voor het jaar 1850 verzekerd is. Besloten wordt de heren Salomonson voor het verlengen van de bestaande overeenkomst voor het jaar 1850 uit te nodigen en tevens aan te dringen op het noodzakelijke herstel van de gebouwen van de weeffabriek.

De gemeenteraad neemt op de 3e december 1849 kennis van een brief van de heren G. en H. Salomonson van 27 november. Ze schrijven daarin het volgende: ‘Aangezien het ons opnieuw heeft mogen gelukken onze pogingen voor de Zeeuwsche weverijen met gunstig gevolg bekroond te zien, zo hebben wij de eer u daarvan kennis te geven met bijvoeging dat de weverijen nu vooreerst voor twee jaar inplaats van voor een jaar werkzaam zullen zijn. Wij twijfelen niet of het zal ook wel na die tijd weder kunnen vervolgd worden, waartoe bij ons het gegronde vooruitzicht bestaat’. Het zal hen, zo schrijven ze, daarom aangenaam zijn van u te vernemen dat dat naar uw achtbarens genoegen is. Ze willen graag vernemen of dit tot genoegen van het stedelijke bestuur is en of ze, zo lang zij op de bestaande voet werkzaam blijven, op haar bescherming zullen kunnen rekenen.
Het gemeentebestuur antwoordt hierop: ‘Wij hebben het genoegen op uw missive van de 27 november te kunnen antwoorden dat de stedelijke raad genoegen neemt met uw daarbij gedaan voorstel om de bestaande overeenkomst tot gaande houding van de stedelijke weeffabriek op de tegenwoordige voet voor de twee volgende jaren 1850 en 1851 te verlengen. Zullende het ons aangenaam zijn om alsnu naar aanleiding van onze missive van 27 oktober 1849 van u de verzekering te ontvangen dat zulks als een wederzijdse verbintenis wordt beschouwd’.

Op verzoek van de directeur van de Goese katoenweverij, de heer H.C. Pilaar, namens de heren Salomonson, worden in juli 1849 aan het Departement van Koloniën ingezonden zogenaamde certificaten van oorsprong voor naar Indië bestemde calicots uit de stad. In oktober 1849 gebeurt dit met een certificaat van oorsprong voor 350 stukken ruwe calicots, vervaardigd in de weeffabriek van de stad, voor verzending naar Indië. En ook in maart 1850 worden certificaten van oorsprong ingezonden voor te Goes gefabriceerde calicots bestemd voor Indië door de Nederlandsche Handel Maatschappij. Hetzelfde gebeurt ook in januari 1851 en in september 1851.

Wijnnering

In de stad zijn deze jaren zes wijnhandelaren gevestigd, namelijk de heren A. Steendijk, S. de Jonge Mulock Houwer, M. de Jongh, Van Zoom, Sterk en G.H. Vertregt, waarvan de drie eerst genoemden tevens grossier in wijnen, sterke dranken en likeuren zijn.
Op de 1e januari 1848 wordt bij de wijnkopers en wijnhandelaren de voorraad opgenomen. Deze blijkt te zijn bij de heren Steendijk en zoon 44,00; De Jongh 34,10; Mulock Houwer 97,34; Van Zoom 1,17; Sterk 2,08 en G.H. Vertregt 2,60 eenheden.
De hoofdcommies bij de stedelijke belastingen doet aan de hand daarvan rapport van de geconstateerde voorhanden zijnde hoeveelheden wijn bij de handelaren in de stad ten behoeve van de invordering van de verhoogde belasting op de wijn.

De grossiers in wijnen, sterke dranken en likeuren A. Steendijk en zoon, S. de Jonge Mulock Houwer en M. de Jongh betogen in maart 1852 dat hen vergunning is verleend tot het inslaan van wijnen en sterke dranken en wel tot een hoeveelheid van twintig kannen, onder het genot van afschrijving van de darvoor verschuldigde belasting. Ze verzoeken de gemeenteraad de hoeveelheid kannen wijn of gedestilleerd uit te mogen slaan, onder het genot van afschrijving van de accijns, te verminderen tot tien kannen inplaats van twintig.

In december 1853 verzoeken de wijnhandelaren Maria Wijnanda Nortier weduwe van Abraham Steendijk, Samuel de Jonge Mulock Houwer en Marinus Johannes de Jongh om de voorgestelde verhoging van de belasting op de wijn niet ten uitvoer te brengen. Het gemeentebestuur overweegt dat de verhoging slechts 7½ cent per fles zal bedragen en wijst het verzoek van de hand.

Onder deze paragraaf kan ook vermeld worden dat de Maatschappij tot verbeterde meekrapbereiding in Zeeland in oktober 1853 vergunning krijgt voor het oprichten van een destilleerderij van alcohol of wijngeest uit meekrap op een terrein gelegen buiten de Bleekveldse poort of barrière aan de haven in wijk B 179.

Winkeliers

Over de winkeliers is heel wat weer te geven. Enige bijzonderheden ter illustratie volgen hier.
Jacobus Franciscus Lippens, koopman en winkelier in de stad, betoogt in februari 1847 dat hij eigenaar is van de stal in wijk A 163. Deze stal is verscheidene jaren gebruikt door jonkheer A.R. de Haze Bomme. Deze gebruikte ook de daar aanbelendende mestput. De stal heeft nu enige tijd leeg gestaan. Hij heeft nu van de politie de aanzegging gekregen dat de mestput opgeruimd moet worden met het verbod er nooit meer een aan te leggen. Hij heeft zijn stal nu verhuurd aan Abraham Kopmels en wil graag de mestput blijven gebruiken evenals de overige aangrenzende eigenaren van stallen. Hij verzoekt de aanzegging van de politie en het verbod in te trekken. Anders zal hij deze stal moeilijk nog kunnen verhuren.

De handelaren in manufacturen Joseph Knitel en Ignatius Desiderius Knitel, kooplieden te Goes, verzoeken in september 1847 om vanwege hun vertrek naar Tyrol in Oostenrijk en het ophouden van hun handel in de stad, tegelijk met hun meubelen, publiek te mogen verkopen de goederen uit hun winkel en magazijn. Het gaat om lakens, baaien en dergelijke manufacturen, met een vol stuk in iedere koop en de aangesneden stukken per lap zoals die voorhanden zijn; de zijden linten, galons en dergelijke per doos van 10 à 12 rollen; de naaizijde per Nederlandse pond; de kousen per dozijn; het verlakt staal en ijzerwerk bij het pak; de messen en scharen per dozijn.
Hij krijgt hiervoor toestemming.

De winkeliers in manufacturen F.J.A. Knitel en M. Stieger sturen het gemeentebestuur in februari 1851 een afschrift toe van een door enige winkeliers en kooplieden in de stad aan Zijne Majesteit de Koning toegezonden rekest. Dit met de kennisgeving van hun bezwaren vanwege de gevolgen van de intrekking van de, ook in deze stad bestaan hebbende  Verordening op de openbare verkoop van manufacturen en ongebruikte goederen. Ze verzoeken om in het algemeen en het bijzonder belang van de verzoekers zodanige beperkingen te verordenen als Zijne Majesteit dienstig en doelmatig zal oordelen. Ze verzoeken het gemeentebestuur daarover gunstig te adviseren.

Zoutnering

Van de aloude zoutnering en de circa honderd zoutketen uit vorige eeuwen is thans nog één zoutziederij, genaamd ‘de Hoop’, en een zoutkeet van de weduwe van Jan van den Thoorn over. Het gemeenteverslag over 1849 vermeldt dat één van de twee zoutziederijen heeft opgehouden te werken. Maar het verslag over 1850 geeft aan: ‘Nu werkt men weder met twee zoutziederijen’.
Die ene zoutziederij van de heer Otto Verhagen geeft overlast bij de bewoners van het gebied tussen de twee poorten. De heer J.K. van Baalen heeft in 29 mei 1835 toestemming gekregen tot het oprichten van een op turf gestookte zoutziederij. Deze fabriek is later overgenomen door de heer Otto Verhagen. Sinds Verhagen in 1848 eigenaar is geworden van de fabriek en deze geheel heeft veranderd en de zoutpannen is gaan opstoken met steenkolen inplaats van turf is de overlast ontstaan.
In mei 1848 vraagt de Gouverneur bericht en raad over de ingediende bezwaarschriften van enige eigenaren en bewoners van woningen in dit gebied, waaronder van de gebroeders Harinck van de houthandel. Ze ondervinden veel overlast van de daar bestaande zoutkeet. Ze wijzen op de schade die de rook en het roet op de naastliggende gebouwen, op het water en de regenbakken, ja zelfs op de meubelen en het huisraad binnenshuis veroorzaken. Ook wijzen ze op het grote gevaar van brand dat de fabriek voortdurend met zich mee brengt, zo zelfs dat daardoor de graanzolders en pakhuizen onverhuurd blijven of ver beneden de gewone huurprijs verhuurd moeten worden.

Het gemeentebestuur vraagt de heer Verhagen inlichtingen over de werking van zijn bedrijf. Verhagen wijst er op dat de klachten zeer overdreven zijn. Hij wijst de wens van de omwonenden om hem te gelasten zijn zoutpan met turf in plaats van met steenkolen te stoken en om de schouw hoger op te trekken van de hand.
Het gemeentebestuur overweegt dat voor de stichting in 1835 geen bijzondere bepaling is opgenomen over de aard van de brandstof. Overwogen wordt dat er thans geen groter gevaar voor brand en geen meerder bezwaar in het veroorzaken van ongerief en hinder aanwezig is dan tijdens het verlenen van de vergunning voor de stichting van de fabriek en geen ander of meer bijzonder ongemak dan wat doorgaans door de nabijheid van fabrieken, ambachten en sommige bedrijven in bewoonde gedeelten van steden en gemeenten ondervonden wordt.
De belangrijkste overweging is wel dat het bezit van deze en andere fabrieken voor de welvaart van de stad ‘het ons ten plicht maakt om dezelve zo veel mogelijk te bevorderen en wil daarvan gaarne blijken geven’. Deze gezindheid heeft de hoofdadressant, de houtzaagmolenaar M. Harinck, ook meermalen ingeroepen en ondervonden ‘en welke bewustheid eerder had behoren teweeg te brengen om de pogingen van zijn mede handelaar te ondersteunen, dan hem opnieuw met gelijksoortige bezwaren te bemoeilijken’. Het gemeentebestuur is dan ook van oordeel dat van de tegenwoordige wijze van werking van de zoutziederij geen hinder behoort te worden veroorzaakt of het daarstellen van veranderingen behoort te worden voorgeschreven. De fabriek kan ‘in de actieve staat worden gelaten’.  

Na kennisname van de verkregen inlichtingen besluit het college van burgemeester en wethouders ‘om in het voortdurende bestaan der zoutziederij op de tegenwoordige voet te berusten’. Wel worden voor de stookplaats en aan de schoorsteen van de zoutziederij veranderingen voorgeschreven met het doel om daarin te beter steenkolen als brandstof te gebruiken.
In juni 1848 komt er een aanschrijving van de Gouverneur dat uit het bericht van het gemeentebestuur blijkt dat aan de stookplaats en schoorsteen van de zoutziederij van de heer O. Verhagen veranderingen zijn gemaakt. Om behoorlijk te kunnen nagaan of die veranderingen al of niet van dien aard zijn dat voor deze een voorafgaande vergunning had behoren te zijn verkregen, verlangt hij opgave waarin die veranderingen  hebben bestaan.
Het blijkt dat Verhagen eind juli 1848 heeft voldaan aan de aanschrijving van het gemeentebestuur. Hij stuurt een aftekening van de vroegere en van de huidige inrichting van zijn zoutziederij toe. Deze informatie wordt toegezonden aan de Gouverneur.

De kwestie rondom de rook- en roetoverlast van de zoutziederij krijgt nog een vervolg. In augustus 1848 beschikken Provinciale Staten op het bezwaarschrift van de gebroeders Harinck en anderen over hun vrees voor brandgevaar en benadeling van de zoutziederij ‘de Hoop’. De Staten oordelen dat de destijds verleende vergunning de soort brandstof in het midden laat. Bovendien zou J.K. van Baalen bij de start al van plan zijn geweest om met steenkolen te stoken. Ze zien geen gronden om het bezwaarschrift toe te kennen en voorzieningen te treffen.

In december 1848 wijst zoutzieder Otto Verhagen de gemeenteraad er op dat hij indertijd is toegestaan een jaarlijkse restitutie van 9/10 gedeelte van de stedelijke belasting op steenkolen en 19/20 gedeelte op turf. Hij verzoekt de voorgeschreven formaliteiten en bezwaren vanwege meet-, los- en zegelgelden op te heffen. De raad houdt zijn verzoek aan. Bij de te houden deliberaties over de te verwachten nieuwe bepalingen voor de plaatselijke belastingen zal zijn verzoek in aanmerking worden genomen.
Ook in juli 1852 komt zoutzieder Otto Verhagen in beeld. Er komt bij het gemeentebestuur een proces-verbaal van de rijksambtenaren tegen Verhagen en zijn knecht A. Meijers binnen over het niet toelaten van hen in zijn zoutkeet ‘Rust Roest’.

Over de andere zoutkeet, ‘de Hoop’, van de weduwe van Jan van den Thoorn is het volgende te vermelden. De gemeenteraad machtigt het college in oktober 1848 om met ingang van 1 januari 1849 voor de tijd van zeven jaar uit de hand te verpachten aan de weduwe van Jan van den Thoorn 320 ellen stadsgrond, gelegen tegen haar zoutkeet buiten de Bleekveldse poort.
In september 1850 geeft de Gouverneur kennis van het door de erven van de zoutzieder Jan van den Thoorn gedaan verzoek tot royement van de hypothecaire inschrijving die wegens de accijns op het zout ook ten behoeve van de stad ten kantore van bewaring van de hypotheken te Goes genomen is en daar alsnog bestaat ten laste van Jan van den Thoorn, zoutzieder, en zijn huisvrouw Maria Petronella Sampon. Deze drukken op een zoutkeet aan de Havendijk in wijk E 4, 5 en 6 en een woonhuis en erf in de Magdalenastraat in wijk A 22.
De rijksontvanger te Goes krijgt machtiging om deze hypotheekinschrijving ten behoeve van de stad op het kantoor van de bewaarder van de hypotheken op kosten van de belanghebbenden te doen doorhalen en vernietigen.

Overige neringen en hanteringen

Beenderenhandel

Opmerkelijk is dat de stad in 1851 opeens drie pakhuizen of magazijnen voor beenderen verkrijgt. In juni 1851 verzoeken Jacobus Jellema en Jacobus Luycks uit Bergen op Zoom, doch tijdelijk verblijf houdend te Goes, toestemming voor het aanleggen van een magazijn van beenderen in een schuurtje in ‘het Schotje van Armoede’ in wijk C 190. De omwonende timmermansbaas Willem den Boer maakt hier bezwaar tegen vanwege vrees voor stankhinder in zijn timmerwinkel. Het gemeentebestuur oordeelt dat het bezwaar van twee van de vijftien opgeroepen personen niet zo overwegend is om het verzoek af te wijzen. Het verzoek wordt dan ook ingewilligd.
Ook Johanna van Yersel, weduwe van Francis Driessen, inwoneres van de stad, verzoekt in juli 1851 om het pakhuis in wijk B 165 te mogen gebruiken als bergplaats van beenderen. Niemand van de omwonenden maakt bezwaar. Ook dit verzoek wordt dan ook toegestaan.
Er komt in deze weken nòg een verzoek binnen voor een bergplaats van beenderen. Dirk Nonnekes Azoon vraagt om zijn pakhuis op de Beestenmarkt in wijk A 209 te mogen bezigen als bergplaats van beenderen. Door twee personen wordt bezwaar gemaakt vanwege te vrezen stankoverlast en vermeerdering van ratten. Niettemin wordt het verzoek van Nonnekes  ingewilligd.

Boekhandelaren
De boekhandelaren, boekverkopers en neringdoenden in papier, kantoorbehoeften en andere tot dit vak gewoonlijk behorende goederen, François Kleeuwens en zoon, de weduwe Pieter Crombouw, de weduwe Cornelis Willem de Jonge en Simon Jacobus de Jonge, verzoeken in mei 1847 maatregelen tegen een door de boekverkoper Nayler en compagnon van Amsterdam aangekondigde openbare verkoping van boekwerken, plaatwerken, gravures, kantoorbehoeften, papier en andere goederen. Het gemeentebestuur besluit hen te kennen te geven dat tegen hun opgegeven bezwaren is voorzien voorzover de bestaande verordeningen dit toelaten.

Borstelmakers
In oktober 1847 overlijdt Willem van Nakke. Deze deed nering in borstelwerk en gemaakt houtwerk zoals dozen, bakken, tonnetjes, droge maten, schoppen, rijven, lepels, emmers, voetstoven, gemaakt tin, klompen, bloken, pantoffels, zemenlappen, vloermatten, matrassen en wat verder gewoonlijk tot een borstelwinkel behoort. Hij heeft zijn goederen aan zijn erfgenamen nagelaten. Jan de Fouw krijgt als executeur testamentair van Van Nakke toestemming om de winkelgoederen tegelijk met de meubelen publiek te verkopen.

Drukkerijen
In april 1852 geeft Gerardus Franciscus Reijnders, boekhandelaar en drukker in de stad, de gemeenteraad te kennen dat hij, bij de gehouden verkoping, eigenaar is geworden van de drukkers- en boekhandel die sinds vele jaren onder de firma F. Kleeuwens en Zoon is gedreven. Het is zijn bedoeling om deze zaak onder de naam van dezelfde firma voor eigen rekening voort te zetten. Hij wijst er op dat aan deze zaak sinds onheugelijke tijden verbonden is geweest het drukken van alle benodigdheden voor de stedelijke administraties. De drukkerij is daarvoor speciaal ingericht. Uit dien hoofde is aan de firma steeds vergund geworden de titel te voeren van ‘Stadsdrukkers’. De gemeenteraad gaat met het verzoek akkoord.
In deze zelfde maand april van 1852 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van drukker en boekhandelaar S.J. de Jonge. Hij stelt voor hem de titulatuur van stadsdrukker of uitgever van de Goessche Courant toe te kennen. Zijn voorstel is het drukken voor de gemeente niet toe te kennen aan één persoon, maar dit aan de drie drukkers binnen de stad beurtelings toe te staan. De gemeenteraad is echter van mening dat het doelmatig is het drukwerk voor de gemeente aan een vaste drukker op te dragen, die hiervoor een jaarlijks traktement van de gemeente ontvangt van f 150 per jaar. Alle stemmen in de raad worden uitgebracht op de firma F. Kleeuwens en zoon, zodat de heer G.F. Reijnders voor zijn firma is benoemd.
Tragisch is als nog geen half jaar later, eind oktober 1852, de stadsdrukker en boekhandelaar G.F. Reijnders, die fungeerde onder de naam van de firma F. Kleeuwens en zoon, overlijdt.

Gareelmakers
In de stad is deze jaren de gareelmaker Marinus Ramondt gevestigd. Hij krijgt in 1852 toestemming om zijn huis en werkplaats in wijk D 127 van een nieuwe schoorsteen te voorzien.

Grutters
In november 1847 krijgt de winkelier Antony Marinus van Kalmthout vergunning om in het woonhuis in wijk A 48/49 een grutterseest te stichten.

Horlogemakers
In januari 1851 vestigt P.I. de Wijs als horlogemaker en handelaar in horloges zich in de stad. Van de controleur bij het Middel van Waarborg in Zeeland komt een verzoek om informatie over De Wijs. Dit is aanleiding voor het gemeentebestuur De Wijs te berichten dat hij zich hier als horlogemaker en handelaar kan vestigen.  

Koffiebranderij
Uit een archiefstuk van juli 1847 weten we dat er een koffiebranderij van de weduwe Piepers in de Ganzepoort bestaat. Het gemeentebestuur besluit namelijk op grond van het rapport van de stadsfabriek de weduwe Piepers uit te nodigen om, tot voorkoming van de voor het muurwerk zo verderfelijke inwatering achter de kruittoren bij de Ganzepoort, aan haar daar tegen staande pakhuis en koffiebranderij een goot te laten aanbrengen. Deze kan dan het water via een uitloopbuis op de publieke straat brengen. Dit als vervanging van het thans bestaande waterborg dat daar niet mag bestaan.

Pettenmakers
De advocaat mr. Jan Louis Hubertus Liebert dient in mei 1847 als gemachtigde van de gezamenlijke crediteuren in de failliete boedel van Abraham Cornelis, koopman en pettenmaker, een verzoek in om tegelijk met het meubilair, goud en zilver, winkelkasten, toonbanken, etc. over te gaan tot de publieke verkoop van de overige winkelgoederen. Het gemeentebestuur gaat daarmee akkoord.  

Tenenkwekerij
De kweker van tenen Jozias van de Velde verzoekt in november 1853 om de bestaande tenenkweek in de stadsvest tegenover zijn huis in de Voorstad te mogen vernieuwen. Het gemeentebestuur gaat hiermee akkoord.  

Zijde- en katoenververs
In april 1849 verzoekt Lambertus Joseph Siepman toestemming om in zijn woonhuis aan de Ganzepoortstraat in wijk C 203 een zijde- en katoenververij te mogen oprichten. Het gemeentebestuur staat het hem graag toe.
De zijde- en katoenverver Siepman laat in oktober 1852 opnieuw van zich horen. Hij betoogt dat hem een plaats is aangewezen voor het spoelen van de geverfde goederen in de haven ‘tussen de twee poorten’ of bij de Bleekveldse poort. De ver verwijderde afstand tussen die plaats en zijn woning veroorzaakt voor hem het grootste ongerief. Bovendien is het water daar voor het spoelen van goederen ongeschikt en zout. Daarom verzoekt hij voor het spoelen van geverfde goederen de plaats in de stadsvest aan te wijzen die ook door de hoedenfabrikant P. Machielse voor hetzelfde doel wordt gebruikt voor het verven van zijn hoeden.
In augustus 1853 verzoekt Siepman vergunning voor het stichten van een verversfornuis in de Voorstad in wijk E 88 en 89. Na de omwonenden te hebben gehoord besluit het gemeentebestuur gunstig op het verzoek.