Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs en cultuur (1847 - 1853)

Plaatselijke schoolcommissie

In augustus 1847 vragen de leden J.W. van Kerkwijk en H.C. Pilaar ontslag als lid van de plaatselijke schoolcommissie. Hoewel met leedwezen legt de commissie zich hier bij neer en adviseert het gemeentebestuur hen het gevraagde ontslag op de meest eervolle wijze en met dankbetuiging voor hun vele en veeljarige diensten te verlenen. Voor benoeming in de vacante plaatsen draagt de commissie voor de heren mr. P.J. van Voorst Vader, lid van het college van regenten over de godshuizen, en dr. G.E.J. Evers, literair doctor en rector van de Latijnse school.

Het gemeenteverslag over 1847 vermeldt: ‘Het onderwijs wordt onder het toezicht der schoolcommissie, welker personeel nu geheel vernieuwd is, door zeer geschikte onderwijzers en een onderwijzeres doelmatig en overeenkomstig de nieuwe leerwijze gegeven. Er wordt op toegezien dat geen dan gevaccineerde kinderen worden toegelaten.
Het aantal leerlingen is ongeveer gelijk aan dat van vorig jaar’.

Het onderwijs in de stad in de jaren 1847 – 1853

Deze jaren zijn er de volgende scholen in de stad:
twee openbare Nederduitse scholen;
een bijzondere school van de eerste klasse voor wezen en arme kinderen, de zogenaamde wezen- en armenschool;
een Franse dag- en kostschool voor knapen;
een Franse dag- en kostschool voor meisjes;
een zondagschool voor behoeftigen en dienstbaren boven de 20 jaar oud;
zes zogenaamde maîtressen scholen of bewaarscholen voor kleine kinderen.

Openbare lagere (Nederduitse) scholen

De ene openbare Nederduitse school is gevestigd aan de Singelstraat (tegenover de Grote Kerk) en wordt gediend door de schoolmeester Wessel Swart. Aan de school zijn tevens de onderwijzers Cornelis Snijder en Willem Johannes Stokmans en later Cornelis Schrijver verbonden. De school wordt doorgaans bezocht door circa 150 leerlingen.

De andere openbare Nederduitse school wordt gediend door de schoolmeester Pieter van Hiele. Doorgaans is het leerlingental circa 130. Aan de school zijn tevens verbonden de onderwijzers Johannes de Smit en Pieter Kruisse.

In januari 1851 dienen de heren ds. W.L. van Oosterzee, ds. E. Moll, ds. S. Piccardt, J. de Fouw, P.A. Hochart, S. de Jonge Mulock Houwer, C. Pilaar, F. Pieterse, J.G. Risseeuw en K. Broes een verzoekschrift in bij het gemeentebestuur. Ze betogen dat het in de stad geenszins ontbreekt aan geschikte gelegenheid tot bepaald godsdienstig onderwijs. De leraren van de onderscheidene godsdienstige gezindten beijveren zich als om strijd om de jeugd overeenkomstig de leer van hun kerkgenootschap in al wat tot de godsdienst behoort grondig te onderwijzen. De gemeenteraad is van oordeel dat de strekking van het verzoek in strijd is met de bestaande bepalingen op het onderwijs. Met een meerderheid van vijf tegen drie stemmen wordt besloten om het verzoek af te wijzen.

De gemeenteraad bespreekt in 1852 een voorstel tot het vergroten van de Nederduitse school aan de Singelstraat. Dit wordt aangehouden tot zal blijken dat de uitbreiding noodzakelijk is.

Franse school

De Franse dag- en kostschool voor knapen wordt gediend door de schoolmeester Jacobus Hermanus van den Bree. Het aantal leerlingen varieert deze jaren van 10 tot 20. Toch verkeert de school in een kwijnende toestand. Soms zijn er in het geheel geen jongelieden in de kost. De school voldoet niet meer aan de eisen van de tijd.
In 1853 besluit de gemeenteraad 500 gulden te bestemmen voor de verbetering van het onderwijs aan de Franse school. De plaatselijke schoolcommissie laat blijken ongezind te zijn om zich deze taak aan te trekken. Het gemeentebestuur voert daarna overleg met de schoolonderwijzer om tot een nader voorstel te komen. Geconcludeerd wordt dat het uitgetrokken bedrag beter kan worden aangewend voor het aantrekken van een hulponderwijzer van de tweede rang om de heer Van den Bree te assisteren in het onderwijs in de Nederduitse, Hoogduitse en Franse talen en zelf onderwijs te geven in de Engelse taal, de hoge wiskunde en de beginselen van de natuurkunde. Verder zal het de sollicitanten tot voordeel strekken wanneer ze tevens in staat zijn de Latijnse taal te doceren. De gemeenteraad neemt dit voorstel met algemene stemmen aan.

De Franse kost- en dagschool voor meisjes, ook genoemd de jonge jufferschool, wordt gediend door de onderwijzeres Jeane Christine Groeneijk weduwe De Kanter. Hulpleerkracht is D.M. van den Bree. De school wordt doorgaans bezocht door circa 25 tot 35 leerlingen, waarvan soms vijf kostschoolleerlingen.

Het gebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt wordt vanaf maart 1848 verhuurd aan de stadsmeisjesschool van mevrouw De Kanter-Groeneijk tegen een jaarlijkse huur van ƒ 180. De gemeenteraad overweegt dat het huurbedrag ruim is in evenredigheid met de huurwaarde van dergelijke percelen binnen de stad. Ook is een overweging dat het pand dient tot het houden van jonge juffrouwenschool en op deze wijze een voor de stad en haar ingezetenen nuttige bestemming heeft. Besloten wordt het pand per 1 mei 1851 voor vijf jaar onderhands te verhuren aan mevrouw J.C. de Kanter.
In december 1853 verzoekt mevrouw De Kanter eervol ontslag per 1 september 1854 als kostschoolhouderes vanwege haar zwakke gezondheid.

Latijnse school

Uit de gemeenteverslagen van 1846 en 1847 blijkt dat de Latijnse school naar evenredigheid van de bevolking wordt bezocht. Vooral na het doorvoeren van de laatste gouvernementbepalingen is het onderwijs verbeterd. De eerste leerling die de school daarna, in 1847, verlaat, behoort onder degenen die door de Staatscommissie tot het hoger onderwijs zijn toegelaten.

Het college van curatoren over de Latijnse school deelt het gemeentebestuur in mei 1849  mee dat een bedrag van 300 gulden uit de jaarlijkse toelage uit de stadskas ten behoeve van de Latijnse school bespaard is. De curatoren stellen voor dit bedrag in de stadskas te restitueren. Overigens bedraagt de jaarlijkse bijdrage aan de Latijnse school circa ƒ 160, waaronder voor het minerval voor de rector ƒ 56.
 

In september 1849 ontvangt de gemeenteraad echter een minder plezierig bericht. De curatoren van de Latijnse school delen mee dat rector Everts benoemd is tot rector van het gymnasium te Wageningen en ontslag heeft gevraagd. Ze geven tevens hun zorgen te kennen over het geringe aantal leerlingen van de school. Dit bedraagt thans twee. Ze hopen ‘door deze opgave de raad datgene bekend gemaakt te hebben wat op deszelfs belangrijke deliberaties invloed kan hebben’. Besloten wordt de heer G.E.J. Everts per 1 oktober 1849 eervol ontslag te verlenen als rector van de Latijnse school, onder betuiging van het leedwezen van de vergadering ‘dat een zo verdienstelijke onderwijzer in deze stad zich gedrongen voelt dezelve te verlaten, om zijn talenten elders ten nutte der wetenschappen aan te wenden’. De vraag of de vacature al dan niet vervuld moet worden, wordt vooralsnog in overweging gehouden. In 1850 blijft de Latijnse school voorlopig gesloten wegens het vertrek van de rector.

In april 1850 informeert de Gouverneur of er uitzicht bestaat op heropening van de Latijnse school in de stad. Meegedeeld wordt ‘dat de Raad nog niet heeft beslist over de finale sluiting van deze school en dat deswegens, in verband met het jaarrapport van de plaatselijke schoolcommissie, nadere deliberaties zullen plaats hebben en alsdan nader rapport aan de Gouverneur zal worden aangeboden’.

In juni 1851 geven de curatoren van de Latijnse school de gemeenteraad het volgende te kennen. Secretaris ds. W.L. van Oosterzee schrijft dat de curatoren van oordeel zijn dat de in de stad in naam bestaande Latijnse school haar bestaan niet dan in naam zal kunnen volhouden. Immers er bestaat geen vooruitzicht hoegenaamd, dat er behoefte is om de school te heropenen. Het is dan ook nutteloos hieraan te blijven hechten. Beter is een verbetering van het onderwijs in het algemeen na te streven. Ze hebben met belangstelling de bedoeling van de plaatselijke schoolcommissie vernomen, strekkend om het onderwijs in de stad te verbeteren. Daarbij zou dan de Latijnse school, zoals zij bestond, moeten vervallen. De curatoren willen niet treden in bijzondere aanmerkingen op het plan van de schoolcommissie. Alleen onpartijdig willen ze stellen de overtuiging niet te delen dat een zodanig uitgebreid ontwerp met betrekking tot de plaats, het verlangde personeel, de cijfers van de leerlingen en zo meer, altijd zal kunnen worden verwezenlijkt of het gewenste resultaat zal opleveren.

De Latijnse school wordt niet meer heropend.
In september 1851 besluit de gemeenteraad het schoolgebouw van de voormalige Latijnse school aan de Beestenmarkt nummer 1 te verhuren aan mevrouw J.C. de Kanter-Groeneijk voor de tijd van vijf jaar.

Wezen- en armenschool

De bijzondere school van de eerste klasse, de zogenaamde wezen- en armenschool, telt in 1846 205, in 1848 228, in 1850 214, in 1851 232 en in 1852 268 leerlingen. Circa 45% van de leerlingen is van bedeelde ouders en circa 55% van niet bedeelde doch behoeftige ouders.
Schoolmeester is de heer Johan Koenraad Anthonie Cromjongh. Het onderwijs wordt kosteloos gegeven.

Particuliere schooltjes

In 1848 zijn er twee huisonderwijzers in de gemeente werkzaam. Het zijn Jacobus Hermanus van den Bree en Bernardus Johannes Elzman. In april 1850 wordt eveneens als huisonderwijzer toegelaten de heer Pieter Jacobus Cornelis Thomson voor het leren schrijven, rekenen en de beginselen van de Nederlandse taal.

In april 1848 adviseert de plaatselijke schoolcommissie positief op het verzoek van Adriana Braamse weduwe van Nicolaas Katsman voor het oprichten van een kinder- en breischool.
Na inspectie van de lokaliteit in wijk D 80 besluit het gemeentebestuur in maart 1850 gunstig op het verzoek van Lana van der Swan uit Goes voor het oprichten van een kinder-, brei- en naaischool. Dit gebeurt ook in maart 1850 met het verzoek van Pieternella Dekker uit Goes voor de oprichting van een kleine kinderschool.
Ook in 1850 vestigt zich een breischooltje voor kinderen uit de meer gegoede stand in de stad van mejuffrouw Hansen. Ze verzoekt in augustus 1849 vergunning voor het oprichten van een bewaar- en breischool. Besloten wordt haar het houden van een bewaar-, brei- en naaischool binnen de stad toe te staan, onder verplichting om zich van een groter schoolvertrek te voorzien zodra het getal kinderen op haar school zodanig is dat naar het oordeel van de plaatselijke schoolcommissie dit nodig is.
Mejuffrouw Hansen vertrekt al in oktober 1852 wegens haar benoeming bij het weeshuis in de stad. Er komt dan een brief binnen van de 22-jarige Isabella Cornelia Kievits, meisjesschoolhouderes te Sint Maartensdijk. Ze schrijft vernomen te hebben dat mejufrouw Hansen is benoemd als onderwijzeres in het naaien en breien bij het weeshuis en verzoekt als zodanig, onder assistentie van haar oudere zuster, in Goes toegelaten te worden als onderwijzeres in vrouwelijke handwerken en het schooltje van mejuffrouw Hansen over te nemen en voort te zetten.

In december 1851 krijgt mevrouw J. Visser-Snoep vergunning voor de oprichting van een naai- en breischool in haar woning aan de Sint Jacobstraat voor ten hoogste vijftien leerlingen boven de tien jaar, uitsluitend voor het onderricht in naaien en breien. Als ze een meer geschikt lokaal kan vinden, dan mag ze meerdere leerlingen maar dan op een behoorlijke wijze plaatsen.
In september 1853 verzoekt ook mejuffrouw Phoebe Sara du Moulin toestemming voor het houden van een school voor jonge kinderen om onderwijs te ontvangen in het naaien, breien enzovoorts. Ze krijgt vergunning om in een door de plaatselijke schoolcommissie daarvoor goedgekeurd lokaal kinderschool te houden voor het geven van onderwijs uitsluitend in het naaien en breien.

De kwaliteit van deze particuliere schooltjes laat nogal eens te wensen over. Het gemeenteverslag over 1851 vermeldt dat de verschillende kinderscholen, ook brei- en naaischooltjes genoemd, veel te wensen overlaten. Het verslag merkt daarbij op dat een bewaarschool voor de behoeftige stand wenselijk, maar vooralsnog boven het geldelijke vermogen van de stadskas is.
In 1852 zijn er vijf kleine kinder- of maitressen schooltjes in de stad met een totaal aantal leerlingen van circa 70.

Reorganisatie schoolwezen in de stad

Er zijn verscheidene aanleidingen waardoor de behoefte groeit aan een totale reorganisatie van het schoolwezen in de stad. Allereerst is dit de kwijnende toestand van de Latijnse school. Het leerlingenaantal is tot een onaanvaardbaar niveau gedaald.

In verband met de tijdelijke sluiting van de Latijnse school ontwerpt de plaatselijke schoolcommissie een plan voor een nieuwe vorm van middelbaar onderwijs. Wordt dit plan verwezenlijkt, dan kan de Latijnse school als het ware in een andere instelling opgaan. De commissie verzoekt de curatoren van de Latijnse school hun gevoelen over het plan schriftelijk mee te delen zodat een en ander aan het oordeel van de gemeenteraad kan worden onderworpen.
De plaatselijke schoolcommissie legt het plan op 10 januari 1851 aan de gemeenteraad voor. Dit in verband met de nog niet definitief gesloten Latijnse school.

Het zeven pagina’s tellende plan van de plaatselijke schoolcommissie richt zich onder meer op het ongenoegzame van de voorbereidende bewaar- of kleine kinderscholen die in geen verhouding staan met het groot aantal ouders dat buiten staat is om zich geregeld en doelmatig met de kleinen bezig te houden. Ook gaat het over de armen- en wezenschool, die veel te klein is om naast de weeskinderen ook al de min vermogende schoolplichtigen op te nemen.

In juni 1851 geven de curatoren van de Latijnse school als hun mening dat de bestaande Latijnse school haar bestaan niet dan in naam zal kunnen volhouden. Er is geen vooruitzicht dat er behoefte zal ontstaan om de school te heropenen. Ze hebben met belangstelling kennis genomen van het plan van de plaatselijke schoolcommissie om het onderwijs in de stad te verbeteren, waardoor de Latijnse school zoals zij bestond zou moeten vervallen. De curatoren zien weinig heil in het gepresenteerde plan van de commissie.

In het kader van de vaststelling van de begroting voor 1852 in november 1851 betuigt raadslid C.C. van den Bosch ‘dat het hem een smartelijk gevoel geeft dat voor het onderwijs een zo karige som wordt uitgetrokken, vooral ook omdat de geringe klasse daarvan dan nog zo weinig genot heeft’. Volgens hem nemen van de 900 kinderen die deel behoren te nemen aan het lager onderwijs, er nog geen 600 aan deel.
Op de Nederduitse scholen van de stad wordt geen gratis onderwijs gegeven. Het schoolgeld op deze scholen is bezwaarlijk voor de mindere stand. Er is ook maar één school voor de armen waarop 200 kinderen kunnen worden geplaatst. Er is duidelijk behoefte aan meer gelegenheid tot het verkrijgen van onderwijs voor de kinderen van de armen. Maar met acht tegen drie stemmen besluit de gemeenteraad geen extra geld op de gemeentebegroting op te nemen.

Wel besluit de gemeenteraad om in de behoeften van het onderwijs zo mogelijk te voorzien door het invoeren van een verbeterd onderwijs op de Franse school en het inrichten van een school voor kinderen van minvermogende, niet bedeelde ouders, dit in de plaats van een van de Nederduitse scholen. Het beschikbaar komende gebouw kan dan worden ingericht tot een kinderbewaarschool voor de arbeidersstand.

Er is nòg een reden waarom het schoolwezen herziening vraagt. Weliswaar is er op de beide Nederduitse scholen en de Franse school nog voldoende plaats voor een menigte kinderen. Maar op de Franse school schijnt het onderwijs niet te voldoen aan het algemeen verlangen en de behoeften van de tijd. En op de Nederduitse scholen is het schoolgeld bezwarend voor de mindere stand. Vandaar dat er middelen beraamd worden voor het oprichten van een hogere burgerschool en tot het realiseren van gelegenheid om de mindere klasse minder kostbare gelegenheid tot onderwijs te verschaffen. Hierin kan de wezen- en armenschool, die altijd meer dan voldoende bezet is, niet geheel voorzien.

In maart 1852 dient de schoolcommissie een voorstel in voor het oprichten van een hogere burgerschool. Burgemeester en wethouders doen de gemeenteraad in april een voorstel om de plaatselijke schoolcommissie advies te vragen over vermeerdering van de gelegenheid tot onderwijs aan kinderen van minvermogenden. Raadslid J.W. van Kerkwijk deelt mee dat de commissie zich hier al mee bezig heeft gehouden, maar dat dit nog niet tot voldoende rijpheid is gekomen. De gemeenteraad besluit een commissie in te stellen, bestaande uit de heren Van Kerkwijk, Verschoor en Van den Bosch, ‘om deze belangrijke aangelegenheid nader te onderzoeken en daaromtrent een bepaald voorstel te doen aan de raad’.

De op 26 maart 1852 ingestelde commissie tot onderzoek van het voorstel van de plaatselijke schoolcommissie voor de oprichting van een hogere burgerschool en de voorziening in het gebrek aan gelegenheid tot onderwijs aan minvermogenden, doet in de raadsvergadering van 30 juli 1852 ‘een uitvoerig en allerbelangrijkst schriftelijk rapport betrekkelijk het gedaan onderzoek’. De commissie stelt voor over te gaan tot:

  1. de oprichting van een bewaarschool voor kleine kinderen van minvermogenden;
  2. het opheffen van de stadstekenschool en het inrichten van dat lokaal voor een lagere school voor kinderen van minvermogende doch niet bedeelde ouders tot vervanging van een van beide thans bestaande Nederduitse stadsscholen;
  3. het vergroten van de andere Nederduitse stads burgerschool en het daardoor uitbreiden van de gelegenheid om op deze school onderwijs te krijgen voor die kinderen die thans op de tweede stadsschool worden onderwezen;
  4. het vermeerderen van de gelegenheid tot het bekomen van middelbaar onderwijs in de stads Franse dag- en kostschool door het aanstellen voor rekening van de gemeentekas van een bekwame hulponderwijzer.

De gemeenteraad hoort het voorlezen van het rapport ‘met het meeste genoegen aan’. De voorzitter betuigt namens de raad de dank van de vergadering aan de commissie ‘en voor de keurigheid waarmee deze desselfs denkbeelden heeft uiteengezet’.
Het rapport zal aan de leden van de raad worden rondgezonden om met de meeste bedaardheid daarvan kennis te nemen. In de volgende raadsvergadering zal hierover worden beslist.

In december 1852 verschijnt het rapport van de plaatselijke schoolcommissie over de verbetering van het onderwijs. De burgemeester hoopt dat de leden van de gemeenteraad het uitgewerkte rapport met veel genoegen zullen lezen. Het wordt ter inzage gelegd op de burgemeesterskamer. Het rapport wordt voor advies voorgelegd aan de commissie voor het schoolwezen.

In de raadsvergadering van de 24e januari 1853 constateert de gemeenteraad dat de gevoelens van de commissie uit de raad, bestaande uit de raadsleden Van Kerkwijk, Verschoor en Van den Bosch, en de plaatselijke schoolcommissie niet ver uiteen lopen. Beide commissies zijn doordrongen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de oprichting van een bewaarschool. Beide zijn het eens dat de wezen- en armenschool niet toereikend is om alle minvermogende schoolplichtigen te bevatten. Ook dat er een ruimere en betere gelegenheid voor het ontvangen van onderwijs behoort geopend te worden voor kinderen van minvermogende doch niet bedeelde ouders. Door beide commissies wordt de behoefte erkend aan een hoger en meer wetenschappelijk onderwijs voor jongelieden die de kinderjaren zijn ontgroeid en die kennis en beschaving verlangen die voor hun eventuele maatschappelijke bestemming nodig is. Het verschil van zienswijze tussen beide commissies betreft nagenoeg uitsluitend de middelen. De commissie uit de gemeenteraad oordeelt de inrichting van een afzonderlijke school voor minvermogende kinderen noodzakelijk. De plaatselijke schoolcommissie is voorstander van het behoud van beide Nederduitse scholen en zou de kinderen van minvermogende doch niet bedeelde ouders liever in die beide scholen zien opgenomen.

De raadsvoorzitter legt daarop de volgende drie vraagpunten aan de gemeenteraad voor:

  1. Is de oprichting van een bewaarschool wenselijk en noodzakelijk?
  2. Moet de wezen- en armenschool toegankelijk zijn uitsluitend voor de wezen en de kinderen van gealimenteerde ouders en behoort er dan elders een gelegenheid tot het bekomen van onderwijs geopend te worden voor kinderen van minvermogende niet bedeelde ouders?
  3. Bestaat er behoefte aan een hoger meer wetenschappelijk onderwijs waarbij tevens het al geleerde wordt herhaald en voortgezet?

Na een uitvoerige beraadslaging besluit de gemeenteraad tot het volgende:

  1. de oprichting van een stadsbewaarschool, te huisvesten in het schoolgebouw aan de Beestenmarkt;
  2. het bestemmen van de wezen- en armenschool uitsluitend voor de wezen en de kinderen van bedeelde ouders;
  3. de oprichting van een stadsschool voor ruim 300 kinderen van minvermogende niet bedeelde huisgezinnen;
  4. aan het schoolgebouw aan de Singelstraat bij het kerkhof, bij gebleken noodzaak, een zodanige uitbreiding te geven dat daarin 50 of 60 kinderen meer kunnen worden opgenomen;
  5. tot verbetering van het onderwijs op de Franse school een meer wetenschappelijk onderwijs in te voeren en hiervoor een budget van 500 gulden per jaar te bestemmen;
  6. de lokalen van de tekenschool in te richten tot school voor kinderen van minvermogende, niet bedeelde ouders;
  7. het schoolgebouw van de Nederduitse school aan de Beestenmarkt om te vormen tot bewaarschool.

School voor kinderen van minvermogende doch niet bedeelde ouders

In juni 1853 wordt de inrichting van de lokalen van de tekenschool tot school voor kinderen van minvermogende niet bedeelde ouders aanbesteed. Het gebouw moet plaats bieden aan 300 kinderen van minvermogende, niet bedeelde ouders.
Besloten wordt voor de op te richten school een commissie te benoemen om het gemeentebestuur hierover te dienen van voorlichting en raad. De waarneming van de school wordt opgedragen aan een van de Nederduitse schoolmeesters. De school wordt geopend op de 3e januari 1854.

Bewaarschool

Al in september 1848 bespreekt de gemeenteraad een verzoekschrift van de weduwe J.P. van der Steen tot het verkrijgen van toestemming voor het houden van een bewaarschool voor kinderen van 2 tot 5 of 6 jaar. De plaatselijke schoolcommissie is van mening dat zo’n school die hier niet bestaat, haar nut zou kunnen hebben. Ze geeft in overweging om, indien daarvoor een geschikt lokaal mocht kunnen worden afgestaan zoals door de verzoekster wordt verlangd, alsdan het verzoek te accorderen. De raad besluit het verzoek aan te houden om nader in overweging te nemen of er een geschikt stadslokaal voorhanden is.
Ook in augustus 1850 dient mejuffrouw Johanna Jozina Blaaubeen weduwe van Nicolaas Marcelis van Soelen, inwoneres van de stad, een verzoek in om als houderes van een burgerbewaarschool en als onderwijzeres in vrouwelijke handwerken te worden toegelaten. Op advies van de plaatselijke schoolcommissie wijst het gemeentebestuur het verzoek vooralsnog af. Eerst moet ze voldoende inlichtingen verstrekken en zich met de plaatselijke schoolcommissie verstaan. Maar in oktober 1850 besluit het gemeentebestuur, gelet op het gunstige advies van de plaatselijke schoolcommissie, haar verzoek in te willigen. Overigens is opmerkelijk het genotuleerde onder 7 december 1850: ‘Naar aanleiding van een missive van de Hervormde gemeente te Goes van 6 december zal aan het stedelijk bestuur van Middelburg worden kennis gegeven dat Johanna Jozina Blaaubeen weduwe van Nicolaas Marcellis van Soelen in alimentatie is opgenomen’.

In 1853 wordt het schoolgebouw van de tweede Nederduitse school op de Beestenmarkt omgevormd tot bewaarschool voor kinderen van minvermogenden van 2½ tot 6 jaar. Voor de inrichting van de bewaarschool stelt de gemeenteraad ƒ 305 beschikbaar, te weten ƒ 105 voor het gebouw en ƒ 200 voor de inrichting.

Bijzondere school voor kinderen van de afgescheiden gemeente

De afgescheiden gemeente te Goes wil een eigen lagere school stichten. Dit heeft zeer veel voeten in de aarde.
De gemeenteraad bespreekt op 23 januari 1851 een rekest van de heren Adr. de Bruijne, P. Geense, J.K. van Baalen, C.C. van den Bosch, P.F. de Jonge en J.P. Muller met het verzoek om oprichting van een bijzondere lagere school van de eerste klasse. Ze verlangen ‘dat onderwijs en opvoeding van een meer stellig Christelijk beginsel uitgaan’. Verder wijzen ze op het onmisbare van een bepaald Christelijk onderwijs voor de minder gegoede burgerklasse. Ze hebben de overtuiging dat het beste geneesmiddel tegen de toenemende verarming en het verval van de burgermaatschappij te vinden is in een godsdienstige opvoeding van de jeugd.
Gedeputeerde Staten berichten op 10 mei 1851 dat het verzoek van A. de Bruijne c.s. voor het oprichten van een bijzondere school voor geen inwilliging vatbaar is en derhalve de afwijzende beschikking van de gemeenteraad wordt gehandhaafd. Ook een herhaald verzoek voor het oprichten van een bijzondere school wordt door Gedeputeerde Staten afgewezen.
In december 1851 wenden Adr. de Bruijne, P. Geense, J.K. van Baalen, C.C. van den Bosch, J.P. Muller en P.F. de Jonge zich voor de derde maal tot het gemeentebestuur. Ze betogen dat ‘de ondergetekenden hieruit aanleiding hebben genomen zich ten derden male tot heren gedeputeerde staten te wenden tot wederlegging van deze opgevatte mening, op grond dat het steeds hunne bedoeling is geweest hunne op te richten school toegankelijk te stellen voor allen welke mogten verlangen zich met hen tot dat einde te verenigen, onaangezien het kerkgenootschap waartoe zij mogten behoren…. Redenen waarom de ondergetekenden met alle eerbied zich wenden tot uw edel achtbaren ter verkrijging van de vereiste autorisatie tot oprichting van een bijzondere school der eerste klasse, gelijk hiervoor gemeld, voor rekening zo van hen, ondergetekenden, als van degenen die zich nader daartoe aan hen zullen aansluiten en welke school zal staan onder bestuur van de ondergetekenden’.
In maart 1852 geeft de gemeenteraad toestemming voor de oprichting binnen de gemeente van een bijzondere school der eerste klasse voor rekening zowel van de adressanten als van degenen die zich nader daartoe bij hen zullen aansluiten.

In april 1852 geven de heren A. de Bruijne c.s. het gemeentebestuur kennis dat, aangezien bij de dispositie van het college van 13 maart 1852 waarbij hun autorisatie werd verleend voor de oprichting van een bijzondere school der eerste klasse, aan de adressanten het bestuur over deze school werd ontzegd. Dit noodzaakt hen zich nogmaals tot de vergadering te wenden met het verzoek dat zodanig bestuur aan hen mag worden opgedragen, onder de verplichting dat aan de plaatselijke schoolcommissie de gelegenheid gegeven wordt de staat en de inrichting van de school te kennen.  
Burgemeester en wethouders besluiten, met handhaving van de beschikking van het college van 13 maart 1852, het verzoek van de adressanten om aan hen het bestuur toe te kennen over de op te richten school van de hand te wijzen. Het schoolbestuur maakt hier tegen bezwaar bij de Minister van Binnenlandse Zaken.

De Minister van Binnenlandse Zaken stuurt eind augustus 1852 via Gedeputeerde Staten uitsluitsel over het bezwaarschrift van het schoolbestuur over de weigering om hen een eigen bestuur over de door hen op te richten bijzondere school te vergunnen. De Minister is van oordeel dat de gronden waarop de weigering berust onjuist en strijdig zijn met de schoolverordeningen. Hij meent dat het college van burgemeester en wethouders bij nadere overweging zal inzien dat de adressanten niet verder behoren te worden belemmerd. Anders zal hij genoodzaakt zijn aan de bezwaren van de adressanten toe te geven.
 
Het gemeentebestuur legt zich hierbij neer. In oktober 1852 deelt het de plaatselijke schoolcommissie mee dat de Minister van Binnenlandse zaken heeft beslist dat bijzondere scholen der eerste klasse, mits blijvend binnen de grenzen van de verordeningen, kunnen worden ingericht overeenkomstig de wens van de belanghebbenden. De schoolcommissie wordt verzocht met inachtneming daarvan met de wens van het plaatselijke schoolbestuur om te gaan.

A. de Bruijne c.s. verzoeken op de 20e november 1852 nu te mogen oprichten een bijzondere school der eerste klasse binnen de gemeente. Het gemeentebestuur besluit een week later de adressanten te vergunnen het geldelijke en huishoudelijke bestuur voor de door hen op te richten bijzondere school der eerste klasse, met dien verstande dat door deze vergunning in generlei opzicht afgeweken mag worden van het bijzondere opzicht van staatswege, aan de schoolopziener en de plaatselijke schoolcommissie opgedragen.
Het schoolbestuur verzoekt daarop op 2 december 1852 goedkeuring dat het bestuur mag worden verleend aan de volgende personen: Adr. de Bruijne, P. Geense, J.K. van Baalen, C.C. van den Bosch, J.P. Muller en P.F. de Jonge.

Op de 25e december 1852 neemt het gemeentebestuur kennis van het op 2 december 1852 aan Gedeputeerde Staten gezonden verzoek van de heren A. de Bruijne c.s., waarbij ze andermaal verzoeken om vergunning voor het oprichten van een bijzondere school der eerste klasse. Het provinciale bestuur verzoekt het gemeentebestuur om raad en advies. Besloten wordt Gedeputeerde Staten de gronden te berichten waarop het gemeentebestuur heeft gemeend te moeten weigeren om aan het verzoek van het schoolbestuur te voldoen.

Het bestuur van de bijzondere school der eerste klasse deelt het gemeentebestuur op 18 april 1853 mee dat het bestuur bestaat uit de heren ds. A. de Bruijne, voorzitter, P. Geense, J.K. van Baalen, J.P. Muller en P.F. de Jonge, leden, en C.C. van den Bosch, secretaris.
Enige dagen later geeft het schoolbestuur kennis dat de bestuurders van de op te richten bijzondere school der 1e klasse zich definitief hebben geconstitueerd. Ze maken zwarigheid tegen de bepaling van het gemeentebestuur om de bijzondere schoolorde vóór de invoering van de school ter goedkeuring en vaststelling in te zenden en verzoeken om daarvan  verschoond te worden gehouden. Het gemeentebestuur deelt het schoolbestuur echter mee dat de diligentverklaring niet kan worden toegestaan en er zwarigheid gemaakt zou moeten worden wanneer niet vooraf een bijzondere schoolorde voor de school ontworpen en vastgesteld is geworden.

Het bestuur van de op te richten bijzondere school verzoekt het gemeentebestuur begin mei 1853 om een perceel grond op erfpacht op de plaats van de voormalige schutterij van de edele Busse aan de Wijngaardstraat (aan het einde van de Sint Adriaanstraat), groot 870 ellen, beschikbaar te stellen. De gemeenteraad besluit daarop op 1 juli 1853 met algemene stemmen om deze grond in erfpacht uit te geven. Raadslid Van den Bosch onthoudt zich van stemming omdat zijn broer bij de indieners van het verzoek is betrokken.

Op de 31e december 1853 draagt het schoolbestuur, met kennisgeving aan het gemeentebestuur, bij de Minister van Binnenlandse zaken voor benoeming tot schoolonderwijzer voor de heer Gerardus Hubertus van Lingen, thans onderwijzer aan de bijzondere school te ’s-Hertogenbosch.

Tekenschool

De stadstekenschool blijkt deze jaren over haar bloei heen te zijn.
Over de jaren 1847, 1848, 1849 en 1850 is het aantal leerlingen 61, 48, 44 en 63.
Uit het verslag van de school over 1849 blijkt dat het aantal leerlingen 44 bedroeg, waarvan 31 gratis onderwijs ontvingen, 5 een halve contributie betaalden en slechts 8 de volledige contributie voldeden. Docenten aan de school zijn de heren L.P. de Lannee de Betrancourt in theoretische en praktische bouwkunde en pleister- en handtekening en G. Braam in praktische handtekening.

De Gouverneur stuurt in juli 1850 zoals gebruikelijk een gewone medaille toe bestemd om in de loop van dit jaar aan de meest gevorderde leerlingen van de tekenschool namens Zijne Majesteit de Koning te worden uitgereikt.

In juni 1852 nemen de leden van de directie van de stads tekenschool, de heren De Peval en Blaaubeen, ontslag. Dit wordt hen verleend onder dankbetuiging voor hun langdurige en vele diensten in die betrekking bewezen. Niettegenstaande dat legt de directie in oktober 1852 de gemeenteraad de vraag voor of deze winter weer een aanvang gemaakt moet worden met de school. Geantwoord wordt dat dit geen probleem is. De bestaande reglementen zijn immers nog niet ingetrokken.

Naar aanleiding van het in juli 1852 aan de gemeenteraad voorgelegde rapport van de commissie voor het onderwijs ontstaat het voornemen om de stadstekenschool op te heffen en het gebouw in te richten tot een stadsschool voor kinderen van minvermogenden doch niet bedeelden.  
De directie van de stadstekenschool wordt haar mening gevraagd over het in stand houden van de tekenschool en zo ja, op welke voet, en of de school opgeheven kan worden als niet meer voldoende aan haar oorspronkelijke bestemming. En of het nodig en mogelijk zou zijn een leercursus in het rechtlijnig tekenen te openen voor aanstaande ambachtslieden op een voor de gemeente minder kostbare voet.

De gemeenteraad ontvangt in augustus 1852 een brief van de directie van de stadstekenschool. Daarin geeft deze als haar oordeel dat de school voor de stad een vrij kostbare instelling is en zou kunnen worden opgeheven als niet meer voldoend aan het daarmee beoogde doel. De directie beveelt aan, als zijnde nuttig voor de handwerkman, een leercursus voor 20 à 25 leerlingen in het rechtlijnig en bouwkundig tekenen te behouden. Deze kunst acht ze een van de beste hulpmiddelen tot het vormen van kundige ambachtslieden. Naast een geschikt lokaal zal hiervoor jaarlijks een budget nodig zijn van circa 300 gulden. Hiertoe wordt besloten.
De schoolcommissie uit de gemeenteraad is in september 1852 van oordeel dat dit het enige is wat van het onderwijs aan de tekenschool behouden dient te blijven. Ze is ervan overtuigd dat dit en dit alleen voor de bedoelde leerlingen praktisch nut zal opleveren. Het is nodig dat ze behoorlijk onderlegd zijn in cijfer- en meetkunde, een voorwaarde die vroeger te weinig in het oog gehouden is en waarvan de goede resultaten van het onderwijs geheel afhankelijk zijn.

De onderwijzer van de stads Nederduitse school Van Hiele, die geacht wordt zeer bekwaam te zijn in reken- en meetkunde, stelt voor deze vakken aan diens school te verbinden en wel drie maal per week, gedurende zes wintermaanden, een avondklasse, bestemd voor het bedoelde praktisch onderwijs in cijfer- en meetkunst. Hij verlangt hiervoor een jaarwedde van ƒ 150.  

In augustus 1853 vindt de aanbesteding plaats van de omvorming van het gebouw van de stadstekenschool tot school voor kinderen van minvermogende doch niet bedeelde ouders. De werkzaamheden worden gegund aan de timmermansbaas W.J. van de Weert voor ƒ 1.900. De conciërge van de tekenschool bericht het gemeentebestuur dat het gebouw voor de 1e september 1853 zal zijn ontruimd.

Zondagschool

De zondagschool is opgericht voor behoeftigen en dienstbaren van 20 jaar en ouder. Ze wordt in 1846 bezocht door 83 en in 1852 door 73 leerlingen, waarvan voornamenlijk niet bedeelde doch behoeftige personen. De leiding ligt bij B.J. Elsman en R. Vroegop.

Cultuur

Archief
De Gouverneur van Zeeland maakt als gevolg van zijn rondreis langs de Zeeuwse gemeenten in januari 1847 opmerkingen over de inrichting van het archief. Het gemeentebestuur besluit de beambten van de stedelijke secretarie aan te bevelen om op de aanmerkingen voor zoveel dat mocht te pas komen attent te zijn. Tevens wordt de secretaris verzocht om bij geschikte gelegenheid een meer uitgebreide inventaris van het stedelijke archief op te maken.

In juni 1850 deelt de Gouverneur mee dat het onderzoek van de in ons vaderland aanwezige verzamelingen archieven, zoals bij Koninklijk Besluit van 23 december 1826 voorgeschreven, opnieuw is opgevat. Hij verzoekt een rapportage over de veranderingen die sinds die tijd in het stedelijke archief zijn voorgevallen en of daarvan een nieuwe inventaris is gemaakt. Ook informeert hij of er een voornemen bestaat om de inventaris in het belang van de geschiedenis door de druk gemeen te maken. Het gemeentebestuur rapporteert de Gouverneur ‘dat, behalve de vermeerdering van stukken met betrekking tot de voortgaande dagelijkse administratie en de verschikkingen door de voortdurende aanwas, nu en dan noodzakelijk gemaakt, het stedelijk archief in dezelfde staat is als bij de opgave in 1827, alsmede dat de inventaris niet geschikt is om in druk te worden uitgegeven’.

In 1852 krijgt Goes haar eerste gemeentearchivaris.
Op de 30e november 1852 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de advocaat mr. J.G. ab Utrecht Dresselhuis. Hij wijst op het grote belang dat er gelegen is in een goede regeling van het gemeentearchief en het daarvoor benoemen van een geschikt persoon. Hij beveelt zichzelf voor benoeming in deze functie aan indien de gemeenteraad de benoeming van een gemeentearchivaris nodig mocht vinden. Hij wil dit doen zonder aanspraak te maken op een honorarium. De raadsvoorzitter geeft de gemeenteraad te kennen dat ‘het voor het college een aangenaam verschijnsel was zodanig aanbod te ontvangen’. Hij twijfelt er niet aan dat dit aanbod ook door de leden van de raad met genoegen is ontvangen. Alle leden stemmen toe dat de aanstelling van een archivaris voor deze gemeente wenselijk en noodzakelijk is. Met unanieme stemmen wordt de heer ab Utrecht Dresselhuis benoemd tot archivaris.
De archivaris mag in januari 1853 een bovenkamer van het Stadhuis, boven de burgemeesterskamer, inruimen voor zijn werkzaamheden. Deze ruimte wordt van het daarvoor benodigde ameublement voorzien.

Nog geen jaar later, op de 24e november 1853, ontvangt de gemeenteraad een brief van de weleerwaarde zeer geleerde heer J. ab Utrecht Dresselhuis, theologisch doctor en predikant te Wolphaartsdijk, met de kennisgeving van het overlijden op de 18e november van zijn zoon
mr. J.G. Ab Utrecht Dresselhuis, archivaris van de gemeente. Het bericht luidt: ‘Met diepe smart moet ik uw edelachtbaren mededelen dat mijn zoon mr. J.G. ab Utrecht Dresselhuis, archivaris dezer stad, op den 18e dezer in ruim 27-jarigen ouderdom en na veel lijden is bezweken voor de magt der ziekte, door welke hij eenige weken geleden werd aangetast. Ik heb de eer met verschuldigd respect te zijn, Uw edelachtbaren bedroefde dienaar’.
Besloten wordt aan de geachte ouders van de overledene het leedwezen en de deelneming van de gemeenteraad wegens dit smartelijke verlies te betuigen. De brief van de gemeenteraad luidt als volgt: ‘De gemeenteraad, met diep leedgevoel het bericht ontvangen van het overlijden van uw zoon de heer mr. J.G. ab Utrecht Dresselhuis, archivaris dezer gemeente, op de leeftijd dat hij nog vele jaren ten nutte der maatschappij en in zijn betrekking ook ten nutte dezer gemeente had kunnen werkzaam zijn, zoals dit van zijn kunde en ijver te verwachten was. De leden van de Raad betuigen uw eerwaarde zeer geleerde hunne hartelijke deelneming in dit smartelijke en onherstelbare verlies, met de wensch dat uw eerwaarde en mevrouw uw echtgenote kracht van boven zullen ontvangen om hetzelve te dragen en met gelatenheid te berusten in de beschikking van Hem die niet antwoordt van Zijne daden. Ontvang de verzekering van de oprechte hoogachting van de gemeenteraad’.

Bibliotheek

In november 1847 ontvangt de kerkenraad van de Hervormde gemeente een present exemplaar van het door dr. J. ab Utrecht Dresselhuis bezorgde werk, getiteld ‘De Hervormde Kerk van Goes en haar leraren in 1846’ en vier gelegenheids leerredenen. De kerkenraad brengt de predikant Dresselhuis niet alleen dank hiervoor, maar ook voor deze bijdrage tot versterking van het diaconiefonds daar de opbrengst tot voordeel van dit fonds is.

In februari 1848 stuurt het gemeentebestuur aan het Departement van Binnenlandse zaken drie exemplaren van een werkje, getiteld: ‘Aan al mijne geliefde vrienden in Nederland, zijnde een op waarheid gegrond bericht van ondervinding en teregtwijzing, geschreven uit Holland, staat Michigan in Noord Amerika, door C. van der Meulen, vroeger bedienaar des Goddelijken Woords te Goes, benevens een brief van een in september 1847 uit Goes vertrokken huisgezin naar New York in Noord Amerika, alhier gedrukt bij de boekdrukkers F. Kleeuwens en zoon en uitgegeven door de weduwe C.W. de Jonge, boekhandelaarster te dezer stede’.

Ook schenkt de predikant van de Hervormde gemeente van Wolphaartsdijk, ds. J. ab Utrecht Dresselhuis, in mei 1848 voor de bibliotheek van de stad een exemplaar van zijn werkje: ‘De Waalse gemeenten in Zeeland’. Hierin komt een en ander voor over de geschiedenis van de stad en in het bijzonder de Waalse gemeente van Goes. De gemeenteraad neemt de schenking ‘met bijzonder genoegen aan voor de stedelijke boekverzameling en betuigt de hooggeëerde inzender de oprechte dank van de gemeenteraad met de beste wens voor het genot en behoud van lust en krachten in een zo werkzaam en nuttig leven’.

Ook in mei 1851 krijgt het Departement van Binnenlandse zaken drie exemplaren van het formulierboek ten dienste van de kantongerechten door K.J. van den Bussche, gedrukt en uitgegeven bij boekhandelaarster de weduwe C.W. de Jonge te Goes, toegezonden.
Hetzelfde gebeurt in december 1851 met drie exemplaren van een boekwerk, getiteld ‘Het kerstfeest. Drietal Leerredenen door A.G. de Waal, leraar der Christelijke afgescheiden gereformeerde gemeente te Neuzen c.a.’.

De bestuurders van het Departement Goes van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zijn in mei 1853 verontrust vanwege de op handen zijnde bestemming van de stadstekenschool voor een ander gebruik. Hierdoor zal ook de ruimte van de bibliotheek of boekerij van het Departement ontruimd moeten worden. Ze verzoeken gebruik te mogen maken van de zaal boven de korenbeurs of een andere geschikte gelegenheid aan te wijzen.

Muziek en zang

Deze jaren is er in de stad een bloeiende zangvereniging. In 1852 telt deze zestig leerlingen.

De weduwe van Cornelis Scheele verzoekt in september 1849 om op een zondag na de godsdienstoefening in de ‘Prins van Oranje’ harmoniemuziek ten gehore te laten brengen. Haar verzoek wordt ingewilligd.

Het bestuur van de afdeling van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst in de stad geeft in januari 1851 kennis dat op 7 en 8 mei hier in de stad het 2e Zeeuwsche Muziekfeest zal worden gehouden. Door de toegezegde deelname van andere steden verwacht het bestuur dat dit een provinciaal muziekfeest zal worden. Dit zal bijdragen tot kennis en waardering van de muzikale krachten in dit gewest, maar ook tot bevordering van liefde voor de toonkunst. Het bestuur verzoekt de medewerking en ondersteuning van het gemeentebestuur. De gemeenteraad betuigt dat het zijn wens is dat daartoe het aanstaande provinciaal muziekfeest in de stad zal mogen strekken. Al meermalen en nog onlangs door een bijdrage aan de verbetering van de sociëteitsconcertzaal heeft de raad blijken gegeven van zijn gezindheid tot bevordering van de belangen van de afdeling van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst.

In mei 1851 bedankt de afdeling Goes van de Maatschappij tot bevordering van de Toonkunst het gemeentebestuur voor de verleende medewerking om aan het onlangs in de stad gehouden muziekfeest behoorlijke luister bij te zetten. Ze beveelt de instellingen van muzikaal onderwijs en oefening aan in de voortdurende bescherming van de vergadering.
In juni 1851 overweegt het gemeentebestuur dat door de afloop van het alhier gehouden 6e landhuishoudkundig congres, waarvoor de zaal boven de koopmansbeurs tijdelijk in gebruik is geweest, deze zaal weer ter beschikking gesteld kan worden aan de directie van de zangschool. Besloten wordt daarvan aan de directie kennis te geven en te verzoeken om voor het beschadigen van de aan de zaal nieuw aangebrachte verfraaiingen zoveel mogelijk te waken.

Landhuishoudkundig Congres in 1850 te Goes

In juni 1849 schrijft het gemeentebestuur een brief aan het bestuur van het Landhuishoudkundig Congres te Utrecht met de volgende inhoud:
‘Onderrrigt dat er enige waarschijnlijkheid bestaat om het Landhuishoudkundig Congres in het volgend jaar in de provincie Zeeland te doen plaats hebben. Vermenen wij niet te mogen nalaten om uw edelachtbaren aandacht te vestigen op deze stad, welke op een geschikt standpunt van het Schoon en Vruchtbaar Eiland Zuid-Beveland, hetwelk voor den Landhuishoudkundigen zoo veel bezienswaardigs oplevert, gelegen, daarvoor niet alleen alleszins geschikt is, maar wellicht als het middenpunt van de provincie uitmakende en de nodige middelen verenigende om de rondom gelegene overige delen van het gewest te bezoeken of daarmede in betrekking te komen, boven de andere Zeeuwse steden de voorkeur zoude verdienen.
Volkomen bereid om bij zodanige gelegenheid aan het Bestuur en de verdere leden van het Congres alle mogelijke hulp en medewerking te verlenen en derzelver verblijf alhier te veraangenamen, nemen wij de vrijheid deze Stad tot het bedoeld einde aan te bevelen en u te verzoeken dezelve bij de te houdene beraadslagingen in dit jaar in de stad Utrecht in aanmerking te brengen’.

Burgemeester Van der Meer Mohr deelt de gemeenteraad op de 6e mei 1850 mee dat het bestuur vorig jaar geadviseerd is over het wenselijke om in dit jaar het Landhuishoudkundig Congres, hetwelk in Zeeland denkelijk zal plaats hebben, uit te nodigen deze stad als vergaderplaats te kiezen. De gemeenteraad stemt hier voltallig mee in. Tot leden van de commissie om de voorbereidingen te treffen worden benoemd de heren burgemeester Van der Meer Mohr, wethouder Van Kerkwijk, Soutendam, Verschoor en Vervenne. De commissie krijgt machtiging om aan het congres, dat thans te Leiden vergadert, tot het houden van de vereniging in 1851 de stad Goes aan te bevelen.

Op 16 juni 1850 komt een brief binnen van het bestuur van het 5e Landhuishoudkundig Congres te Leiden dat in de bijeenkomst van het congres, naar aanleiding van de brief van het gemeentebestuur van 25 mei 1850, met algemene stemmen is besloten om het 6e Landhuishoudkundig Congres in de stad Goes te houden.

Sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’

In juli 1850 richten de directeuren van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ zich tot de gemeenteraad. Voor het aanstaande in Goes te houden landhuishoudkundig congres zullen vermoedelijk de lokalen van de sociëteit nodig zijn. Met het oog daarop vinden ze het nodig hierin een aantal verbeteringen aan te brengen. Samen met het benodigde schilderwerk zijn de uitgaven berekend op ƒ 2500. Met deze verbeteringen zal de geschiktheid van deze ruimten aanmerkelijk worden bevorderd. Niet in het minst ook voor openbare en bijzondere bijeenkomsten voor en tot genoegen van de ingezetenen, inzonderheid van de toonkunst en schouwburg. Het nut en genoegen van deze inrichtingen zullen aanmerkelijk worden verhoogd. Al sinds geruime tijd is hieraan een algemeen erkende behoefte. Dit is niet uitsluitend in het belang van de leden van de sociëteit maar in het belang van de stad en tot nut van de gehele burgerij. Daarom verzoeken ze om de sociëteit goedgunstig de benodigde gelden tot verwezenlijking van dit doel te verlenen. Het gemeentebestuur nodigt de directeuren uit de tekeningen, berekeningen en plannen toe te zenden.
 

Na uitvoerige afweging is de gemeenteraad in zijn vergadering van 7 oktober 1850 van oordeel dat het verzoek voor geen volledige inwilliging vatbaar is. Besloten wordt een bedrag van ƒ 700 beschikbaar te stellen. Dit wel onder de bepaling en voorwaarde dat de kolfbaan en de sociëteitkamer zodanig worden veranderd dat deze tot een zaal kunnen worden samengevoegd. Deze zaal met de ruimte van de schouwburg zullen dan beschikbaar zijn voor de bijeenkomsten van het landhuishoudkundig congres en de Zeeuwse Maatschappij van Landbouw en Veeteelt en verder in de toekomst ten allen tijde ten dienste van talrijke vergaderingen en openbare verrichtingen beschikbaar zijn.
De directeuren van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ reageren teleurgesteld op het raadsbesluit. Ze uiten hun bezwaren tegen de aangeboden bijdrage van stadswege voor een betere inrichting van de lokalen van de sociëteit. Het college besluit met de directeuren een conferentie te houden alvorens hun bezwaren aan de gemeenteraad voor te leggen.
In de op 5 november 1850 gehouden conferentie bedanken de directeuren voor de tegemoetkoming, maar bepleiten het bedrag te verhogen tot ƒ 1200. De gemeenteraad handhaaft echter zijn eerder genomen besluit.
 
De sociëteit laat haar bezwaren nu varen. De gemeenteraad ontvangt op 11 januari 1851 een brief van de directie van de sociëteit met de kennisgeving dat bij verre het grootste gedeelte van de leden van de sociëteit alle zwarigheden zijn opgeheven en zij mitsdien door de daags tevoren gehouden algemene vergadering gemachtigd is tot het dankbaar aanvaarden van de door de gemeenteraad aangeboden bijdrage van ƒ 700 in de kosten van verbetering van de lokalen van de sociëteit, speciaal voor het geschikt maken daarvan voor het dit jaar in Goes te houden landhuishoudkundig congres en van de Zeeuwsche Maatschappij van Landbouw en Veeteelt voor een gemeenschappelijke maaltijd. De directie deelt mee dat nu dadelijk de nodige voorbereidende werkzaamheden voor de uitvoering van het plan zullen worden begonnen en deze, behoudens onvoorziene beletselen, vóór de maand juni voor het beoogde doel in gereedheid zullen zijn.
 
De directeuren van de sociëteit verzoeken verder om ten dienste van de werken aan de sociëteit, speciaal voor het maken van een terras voor de deuren vanuit de schouwburgzaal naar de tuin, te mogen beschikken over honderd kubieke ellen stadsgrond van een door de gemeenteraad te bepalen plaats. De gemeenteraad willigt dit verzoek begin februari 1851 in met de bepaling dat de grond van het bastion Hoogerwerve bij de havenpoort genomen zal worden.

Op 24 mei 1851 ontvangt het gemeentebestuur een brief van het bestuur van het 6e
landhuishoudkundig congres te Goes met een dankbetuiging voor de toezegging om de prijzen voor het ringrijden en ringlopen uit de stedelijke kas te bekostigen. Voor het ringlopen zullen 30 à 40 jongelingen uit de stad worden gekozen. Verzocht wordt voor het ringrijden, waarvoor plattelandgemeenten mede ruiters zullen leveren, van stadswege zes boerenjongelingen op te geven. De rijders en lopers moeten zich donderdag 12 juni a.s. ‘s middags om twee uur laten vinden op het Slot Oostende bij J. Koens. Het gemeentebestuur besluit maatregelen te nemen voor het kiezen van zes geschikte boerenjongelingen voor het ringrijden.

Ook van de commissie voor de regeling van de tentoonstelling van de Maatschappij ter bevordering van de Landbouw en Veeteelt komt er op 7 juni 1852 een brief. Deze behelst een uitnodiging om op donderdag 12 juni 1851 op het Stadhuis aanwezig te zijn om door afgevaardigden van de commissie naar het terrein van de tentoonstelling, voor de opening van deze plechtigheid, te worden begeleid. De uitnodiging wordt aan de leden van de gemeenteraad rondgezonden.

Schuttersstukken

Het gemeentebestuur ontvangt op de 10e oktober 1853 een brief van gemeentearchivaris Ab Utrecht Dresselhuis. Hij geeft daarbij in overweging om de schilderijen, afkomstig van de voormalige gilden en andere corporaties in de gemeente, die in het thans verbouwd wordende gebouw van de tekenschool, op de zolder van het Stadhuis en elders geborgen zijn, voor een betere conservatie te plaatsen in de wandelkerk en het koor van de Grote Kerk. Hij beveelt aan daarvoor een verzoek in te dienen bij de kerkvoogden. Het gemeentebestuur overweegt dat het college al vroeger is bedacht geweest op het zoeken van een geschikte plaats voor dat doel. Het kan zich wel verenigen met het denkbeeld van de archivaris voor zoveel het ophangen van de schilderstukken in het koor van de Grote Kerk betreft. Besloten wordt in te stemmen met het aangegeven plan. Dit wordt voorgelegd aan de kerkvoogden van de Hervormde gemeente.
In november 1853 deelt de kerkvoogdij het gemeentebestuur het volgende mee: ‘In antwoord op uw missive van de 15e oktober hebben wij de eer uw edelachtbaren te berichten dat er bij de kerkvoogden geen bezwaren bestaan om het daarbij gedaan verzoek in te willigen; weshalve wij volgaarne de vrijheid geven om, tot wederopzeggens toe, de bedoelde schilderijen te laten ophangen in het koor der kerk en zulks met overleg van kerkvoogden’.

Scheepsramp

Het gemeentebestuur ontvangt in januari 1847 een brief van de Minister van Marine met de kennisgeving dat het Zijne Majesteit heeft behaagd alsnog voor een jaar te verlengen het pensioen van ƒ 156 waarmee in het Grootboek der gewone pensioenen is ingeschreven E. Bouvet weduwe van de loods M. Naerebout, inwoneres van de stad.
In november 1848 legt de Gouverneur voor raad en advies aan het gemeentebestuur voor een verzoekschrift van Elizabeth Bouvet weduwe van Mattheus Naerebout voor het doen van een collecte in de provincie vanwege het zinken en verongelukken op 4 november 1848 van haar poonschip tussen Kattendijke en het Goesche Sas. Dit werd door haar zoon Jacob Naerebout bevaren. Het geleden verlies wordt geschat op plusminus ƒ 1200. Het gemeentebestuur adviseert het verzoek in te willigen.
De Gouverneur stelt in maart 1849 opnieuw voor advies en raad in handen van het gemeentebestuur een rekest aan Zijne Majesteit de Koning van Elisabeth Bouvet weduwe van Mattheus Naerebout om, tot tegemoetkoming in het verlies van haar schip, eenzelfde collecte te houden in Zuid- en Noord Holland. Het gemeentebestuur geeft een positief advies. De Minister beschikt echter afwijzend.
De Minister van Marine deelt in januari 1850 de weduwe van de voormalige loods op de Zeeuwsche stromen, Mattheus Naerebout te Goes, als gevolg van haar ingediende rekest, mee dat het Zijne Majesteit de Koning behaagd heeft te bepalen dat ze nog gedurende het jaar 1850 zal blijven in het genot van het pensioen van ƒ 156, wat haar vroeger tijdelijk is  toegekend.

Orde van de Nederlandsche Leeuw

De erven van wijlen J. Verschoor, destijds benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, worden in juli 1853 verzocht de orde terug te zenden aan de kanselarij.