Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1847 - 1853)

Publieke geest
Het gemeenteverslag over 1847 vermeldt dat de publieke geest van de ingezetenen goed is geweest en er geen bezwaren daar tegen waren. Ruime bedelingen dragen zeer veel bij tot het bewaren van deze goede geest. Er zijn altijd ontevredenen en bedillers ‘edoch de onlangs gebleken algemene medewerking voor de tombola getuigt van overeenstemming tot het goede’.
Het gemeenteverslag over 1849 rapporteert dat de publieke geest onder de armen en geringen in de gemeente goed is. Een ruime bedeling en ‘het opruimen van alles wat deze klasse van mensen kan irriteren dragen daartoe veel bij’. Onder de burgers en gegoeden blijft er een geest en gezindheid tot bedilling en heimelijke weerstand, hoewel in mindere mate als vorig jaar. Nochtans, het niet houden van de kermis waarop een groot aantal ingezetenen heeft aangedrongen, heeft minder ontevredenheid veroorzaakt dan verwacht werd.
Het gemeenteverslag over 1850 meldt dat de publieke geest kalmer was dan in beide voorgaande jaren. Onder de armen vermeerdert de aandrang tot bedeling, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen recht op en zedelijke plicht tot weldadigheid.


Landverhuizers


De Gouverneur verzoekt in mei 1847 een opgave van de in het afgelopen en gedurende de eerste vier maanden van dit jaar uit de gemeente naar Noord Amerika vertrokken families en personen met het oogmerk om zich aldaar te vestigen. De lijst wordt toegezonden aan de Gouverneur. Hieruit blijkt dat er 45 personen zijn geëmigreerd, onder meer:

  • Johan Frederik van Anrooy, 47 jaar, viskoper, afgescheiden, met vrouw en vijf kinderen, matig gegoed, vanuit Antwerpen vertrokken, om godsdienstige redenen;
  • Willem van de Luijster, 32 jaar, landbouwer, afgescheiden, met vrouw en vier kinderen, matig gegoed, van Goes naar Antwerpen vertrokken op maandag 5 april 1847;
  • Jan den Herder, 37 jaar, hovenier, afgescheiden, met vrouw en drie kinderen, matig gegoed, vanuit Antwerpen op 5 april 1847;
  • Johannes Hoogesteger, 40 jaar, schilder, afgescheiden, met vrouw en twee kinderen, matig gegoed, vanuit Antwerpen op 5 april 1847;
  • Martina Hoogesteger, 36 jaar, dienstmeid, afgescheiden, matig gegoed, vanuit Antwerpen op 5 april 1847;
  • Cornelis van der Meulen, 46 jaar, predikant, afgescheiden, met vrouw en zes kinderen, vanuit Rotterdam vertrokken op donderdag 8 april 1847;
  • Marinus Weststrate, 41 jaar, hovenier, afgescheiden, met vrouw en zeven kinderen, matig gegoed, vanuit Rotterdam vertrokken op 8 april 1847;
  • Jan Jacobus Vervenne, 45 jaar, gareelmaker, afgescheiden, met vrouw en een kind, vanuit Rotterdam vertrokken op 8 april 1847;
  • Jacobus de Hond, 40 jaar, schoenmaker, afgescheiden, met vrouw, vanuit Rotterdam op 8 april 1847;
  • Adrianus Marinus van Paassen, kleermaker, afgescheiden, met vrouw en vier kinderen, geheel onvermogend. Dit gezin is al vroeger, doch zonder op dat gebied enige aangifte gedaan te hebben, naar Antwerpen vertrokken, doch volgens informatie daar verbleven.

Vanuit Antwerpen vertrekken dus 23 en vanuit Hellevoetsluis 22 zielen, bij elkaar 45 zielen.

Later vertrekken eveneens:

  • Anthony Jacobus Benjaminse, 45 jaar, kleermaker, met vrouw en negen kinderen, op 6 september 1847 vanuit Rotterdam;
  • Johannes Cornelis van Hessel, 31 jaar, koekbakker, christelijk afgescheiden, met z’n vrouw, wegens godsdienstige gevoelens, naar Noord Amerika op 21 juli 1848 vanuit Rotterdam;
  • Gerard Brandt, 48 jaar, winkelier, christelijk afgescheiden, met vrouw en vijf kinderen, wegens godsdienstige gevoelens, naar Noord Amerika op 28 juli 1849 vanuit Rotterdam;
  • Marinus Amperse, 34 jaar, winkelier, hervormd, met vrouw en vier kinderen, wegens gebrek aan bestaan, naar Noord Amerika op 28 juli 1848 vanuit Rotterdam;
  • Jacob Gouw, 34 jaar, arbeider, christelijk afgescheiden, met vrouw en drie kinderen, wegens godsdienstige redenen, naar Noord Amerika op 1 augustus 1848 vanuit Rotterdam;
  • Lieven de Nooijer, 23 jaar, timmerman, christelijk afgescheiden, alleenstaande, wegens godsdienstige redenen naar Nood Amerika, op 8 september 1848 vanuit Rotterdam;
  • Willem Catharinus Goossen, 22 jaar, schilder, alleenstaande, wegens godsdienstige redenen, naar Noord Amerika, op 8 september 1848 vanuit Rotterdam;
  • Johannes van de Vreede, 51 jaar, timmerman, hervormd, met z’n vrouw, wegens verbetering van zijn bestaan, naar Noord Amerika op 8 september 1848 vanuit Rotterdam.

De Gouverneur stuurt in januari 1848 een aanschrijving om jaarlijks in de maand januari een staat in te zenden over de landverhuizers.
In januari 1850 deelt het gemeentebestuur de Gouverneur mee dat het haar niet bekend is dat er in het afgelopen jaar landverhuizers uit de stad zijn vertrokken. Hetzelfde gebeurt wat betreft de jaren 1850 en 1851.


Volksvermaken


In juli 1849 oordeelt de gemeenteraad dat de huidige omstandigheden nadrukkelijker voorzieningen vorderen tegen ontijdige en schadelijke openbare vermakelijkheden en vertoningen, die ook te allen tijde van toepassing zullen zijn. Besloten wordt een verordening vast te stellen met globaal de volgende inhoud:

  • openbare dans- en muziekpartijen, openbare toneel- of kunstvertoningen en soortgelijke openbare vermakelijkheden mogen zonder schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders niet plaats vinden;
  • deze toestemming kan voorwaardelijk ten opzichte van tijd, plaats en duur gegeven worden;
  • de directeuren en ondernemers, die zonder toestemming begonnen zijn, zullen een geldboete van 25 tot 50 gulden kunnen krijgen en bij herhaling een gevangenisstraf;
  • degenen die hun huis of gebouw afstaan voor dergelijke vermakelijkheden zonder toestemming krijgen bovendien een geldboete van 13 tot 26 gulden;
  • geen muzikanten, zangers, goochelaars, springers, vertoners van kijkkasten, orgelspelers en dergelijke meer, zullen op straten, pleinen, markten of andere openbare plaatsen noch ook in koffiehuizen, herbergen of voor ieder openstaande gebouwen toegelaten worden, tenzij voorzien van een schriftelijk verlof van de commissaris van politie.

De weduwe van J. de Jonge en andere neringdoende en belanghebbende ingezetenen, bekend met de afwijzing van de gemeenteraad van het verzoek van een aantal ingezetenen om het raadsbesluit tot het niet houden van de jaarmarkt in te trekken, schrijven de gemeenteraad in september 1849 aan. Ze erkennen weliswaar de goede bedoelingen van dit raadsbesluit. Echter ze verzoeken wel toestemming om gedurende vier dagen, vanaf vrijdag 7 september tot en met dinsdag 11 september 1849, dergelijke volksvermaken te houden. Dit met vrijheid voor alle neringdoende ingezetenen van de stad en het eiland Zuid- en Noord-Beveland om dan hun waren in kramen en stallen en op tafels in de stad te koop aan te bieden. De gemeenteraad besluit hen met opgave van redenen te kennen te geven dat de raad persisteert bij zijn besluit en hun verzoekt afwijst.

Bedelarij en nieuwjaarsbedeling
Gedurende het tweede kartaal 1847 worden er acht personen naar het bedelaarsgesticht te Middelburg overgebracht, te weten Adriaan Marinus Vermaas, 58 jaar; Cornelis van Gilst, 58 jaar; Lena Verhage, 36 jaar; Cornelis Geluk, 54 jaar; Laurina Polderdijk, 40 jaar; Frederik Goeree, 53 jaar; Hendrika Goeree, 16 jaar en Marinus Goeree, 14 jaar.

In december 1851 besluit het gemeentebestuur de ingezetenen voortaan, te beginnen op Nieuwjaarsdag, te verbieden uitdeling aan hun huizen te doen van centen aan rondlopende armen, maar liever het voor hen bestemde bedrag te storten in een collecte na de godsdienstoefening. Deze collecte wordt door twee commissies uit de gemeenteraad gedaan voor het doen van een buitengewone bedeling van spijs en brandstoffen.

Ook in december 1852 beraadslaagt de gemeenteraad in een besloten zitting over de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de Nieuwjaarsdag. De burgemeester leest het voorstel van de vaste commissie voor het armwezen voor. Het voorstel is om zo mogelijk ‘het aller onbetamelijkst misbruik af te schaffen dat de armen op de Nieuwjaarsdag de straten overstromen en de huizen bestormen om, onder het voorgeven van Nieuwjaar te wensen, op de onbeschaamdste wijze bedelen’.

De vaste commissie voor het armwezen stelt voor:

  1. de ingezetenen met aandrang uit te nodigen om, te beginnen met de op handen zijnde Nieuwjaarsdag, geen uitdeling van centen meer aan hun huizen te laten doen aan rondlopende armen;
  2. om hen, door rondzending van inschrijvingsbiljetten, de gelegenheid aan te bieden om het voor die uitdeling bestemde bedrag beschikbaar te stellen voor een buitengewone bedeling van spijs en brandstoffen aan de arme ingezetenen;
  3. een aanschrijving aan de verschillende colleges voor de armenzorg uit te laten gaan om kort voor 1 januari aan hun bedeelden de genomen maatregelen mee te delen en hen van het doelmatige en noodzakelijke daarvan te overtuigen;
  4. de van het platteland met Nieuwjaarsdag instromende personen door aan de poorten geplaatste agenten van politie te doen aanzeggen dat geen centen meer worden uitgedeeld.

De gemeenteraad besluit daarop:

  1. een voldoende aantal inschrijvingsbiljetten te laten drukken en deze door de weesjongens te laten rondbrengen, dit tot het bekomen van de nodige gelden van de burgerij, die daarbij tot het doen van bijdragen zal worden uitgenodigd;
  2. de biljetten die op de 10e december zullen worden rondgebracht, op de 15e op te doen halen door twee commissies uit de gemeenteraad, bestaande voor de ene helft uit de heren Van Kerkwijk, Hochart, Van den Bosch, Soutendam en Smallegange en voor de andere helft uit de heren Kakebeeke, Saaymans Vader, Verschoor, De Knocke van der Meulen en Vervenne.

Wel maakt raadslid Saaymans Vader enig bezwaar tegen het ophalen van de gelden door de leden van de gemeenteraad ‘als strijdende met de waardigheid van dat college’. Hij is van oordeel dat dit beter zou kunnen gebeuren door de stadsboden. Ook de heer Vervenne is van hetzelfde gevoelen.
Niettemin besluit de raad tot het ophalen van de gelden door de leden van de raad en wel op 31 december 1852 ’s morgens om tien uur. De inschrijving levert een bedrag op van ƒ 422,25.
De uitdeling van de spijzen vindt plaats in de Koopmansbeurs. Dit gebeurt door een commissie, bestaande uit een lid van de gemeenteraad, een lid uit de commissie voor de economische spijsuitdeling, een lid uit het algemeen armbestuur, een diaken van de Hervormde gemeente en een diaken van de Christelijke Afgescheiden gemeente, geassisteerd door de gemeentesecretaris. De commissie, bestaande uit de heren Van de Putte, Van Kerkwijk, De Peval, Liebert, De Dreu en H.C. Pilaar, doet in januari verantwoording van de uitdeling van levensmiddelen op nieuwjaarsdag aan 236 behoeftigen. Er zijn uitgaven gedaan voor 10207 pond brood ad ƒ 170; voor 1517 pond varkensvlees ad ƒ 211 en voor 58 ton turf ad ƒ 29.

In november 1853 besluit de gemeenteraad opnieuw een nieuwjaarsbedeling te doen zoals die bij de vorige jaarwisseling heeft plaats gevonden, ‘welke zoo veel bijval gevonden heeft en zoo uitmuntend geslaagd is’. Besloten wordt weer inschrijvingsbiljetten rond te zenden bij de ingezetenen. Deze biljetten en de gelden zullen door de raadsleden worden opgehaald. Er zal weer een commissie worden gevormd voor de regeling van de bedeling, bestaande uit een lid van de gemeenteraad, een lid van de commissie voor de economische spijsuitdeling, een lid van het algemeen armbestuur, een lid van de diaconie van de Hervormde gemeente en een lid van de Christelijke Afgescheiden gemeente. De wezen- en armenschool zal weer worden gevraagd om de uitdeling te doen. Raadslid Vervenne en de secretaris worden met de commissie voor de uitdeling belast. De inschrijving brengt een bedrag op van ƒ 491,23. Vorig jaar was dit ƒ 422,25. De uitdeling wordt bepaald op 2 januari 1854.

Aanlijnen honden
De gemeenteraad stelt in juli 1853 een Verordening vast voor het aanlijnen van honden met een muilband.

Politie

In de gemeente zijn een commissaris van politie en twee agenten van politie in functie.
Het gemeentebestuur ziet zich in juli 1847 genoodzaakt de commissaris van politie, Frans Bakker, een geheime brief te schrijven waarin hem tot een nauwkeuriger plichtsbetrachting en het houden van een geregeld bureau op bepaalde uren wordt aangespoord, dit tot voorkoming van ernstiger maatregelen.

In januari 1847 gaat de agent van politie Johannes Evert Loobeek met pensioen.
De agent van politie Joost Prins krijgt in mei 1848 verlenging tot wederopzeggens van zijn functie. Maar in februari 1849 deelt Prins mee dat hij onvermogend is zijn schulden te voldoen. Hij verzoekt middelen aan te reiken om hem te helpen; anders zal hij overwegen om afstand te doen van zijn betrekking. Hij verzoekt vanwege de toestand van zijn gezin en de hoogzwangere toestand van zijn vrouw zijn traktement over januari te mogen ontvangen. Hiervoor krijgt hij toestemming.

Wat de veldwachters betreft krijgt P.I. Somer in 1847 een aanstelling tot veldwachter.
In oktober 1850 solliciteert Leendert van der Schraaf, gepasporteerd marinier, inwoner van de stad, naar de betrekking van veldwachter. De Commissaris van de Koning stuurt echter een afwijzende beslissing. Wel wordt in februari 1851 gunstig beslist op het verzoek van Cornelis Geerts om tot veldwachter of commies benoemd te worden. In september 1851 stuurt de Commissaris van de Koning enige stukken toe tot uitreiking aan Frans Franken en Adriaan Harinck, sollicitanten naar een veldwachterbetrekking.

Nachtwacht

In 1847 zijn in de stad acht nachtwakers in functie.
De majoor over de nachtwacht, Frans Bakker, geeft het gemeentebestuur in januari 1852 in overweging dat het sinds de opheffing van het poortgeld ’s nachts veel drukker is als vroeger en de poorten veel meer worden gepasseerd. Tot het voorkomen van alle oponthoud van de belanghebbende passanten komt het hem doelmatig voor om, even zoals aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière het geval is, de nachtwacht ‘s avonds, als vervanging van de poortier, het huisje van de geëmployeerden te laten betrekken.
In maart 1853 neemt de gemeenteraad een historisch besluit. De eeuwenlang bestaande nachtwacht wordt afgeschaft in verband met het nieuwe belastingstelsel en de uitbreiding van de politie. Wel gebeurt dit met een zeer krappe meerderheid van stemmen (zes voor en vijf tegen).

Brandweer

Deze jaren zijn er vier brandspuiten in de gemeente. Drie daarvan zijn voorzien van aanbrengers met zoog- en perspompen en de vierde alleen met een zoogpomp.
De generale brandmeesters Van Kerkwijk, De Fouw en Liebert sturen het gemeentebestuur in augustus 1848 een inventaris toe van alle brand- en blusgereedschappen van de stad. Deze bevat een specificatie van de inventarisartikelen van 1e de Groote Spuit; 2e de Keetspuit; 3e de Nieuwe Spuit; 4e de Voorstadspuit en 5e ladders en brandhaken.

Het gebeurt zelden dat de brandweer moet uitrukken.
Zo vermelden de jaarverslagen van bijna al deze jaren dat er gelukkig geen ongelukken of rampen die openbare vermelding verdienen zijn voorgevallen.

Wel is dit het geval in 1849. De generale brandmeesters melden dat in de nacht tussen 11 en 12 mei in een schuurtje, dat als bergplaats van droge mutsaars dient, bij de weduwe Harinck in de Lange Kerkstraat brand is ontstaan door bewaring van zogenaamde gedoofde kolen in een houten vat. Door de spoedige hulp van de nachtwerkers is een uitbarsting voorkomen en de ramp gelukkig afgewend. Dadelijk bij de ontdekking daarvan is kennis gegeven aan de president van de generale brandmeesters door de nachtwerker M. Reijnhout. Deze krijgt de uitgeloofde premie van twee gulden.
Ook in 1852 is er zelfs tweemaal sprake van brand. Op 4 oktober 1852 is er brand in de nieuwe meekrapfabriek in de Wilhelminapolder. De dag daarop betuigen burgemeester en wethouders van Kattendijke hun dank voor de doelmatige hulp door de brandweer van Goes betoond bij de brand die de vorige dag heeft plaats gehad.
In de nacht van 19 op 20 oktober woedt brand in het pakhuis en de werkplaats van de koopman en tabakkerver C. Pilaar in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat. Daarbij is het gehele pakhuis, staande achter zijn woonhuis, met de daarin aanwezige voorraad koopwaren zoals tabak, suiker, siroop en koffiebonen en de gereedschappen, een prooi van de vlammen geworden. Dankzij de gunstige en geheel op zich zelf en los van het huis staande ligging en windstilte is de brand tot dat pand beperkt gebleven. Alle brandblusmiddelen zijn met de meeste spoed onder leiding van de brandmeesters naar de plaats van het onheil uitgerukt.
Tevredenheid is er over de inzet van het personeel van de brandweer. De generale brandmeesters klagen over de nalatigheid van de nachtwakers in het wekken van de brandmeesters. Het gemeentebestuur bedankt de brandmeesters en de commandant van de schutterij voor hun goede diensten bij deze gelegenheid. De majoor van de klapperwacht betoont zijn leedwezen over het verzuim van de nachtwakers.

Er zijn verscheidene generale brandmeesters. President generale brandmeester is de heer J.W. van Kerkwijk.
De generale brandmeesters krijgen in augustus 1849 machtiging van de gemeenteraad om enige bij het stedelijk brandwezen onnut geworden en mitsdien buiten gebruik zijnde voorwerpen onderhands te verkopen en te gelde te maken.

Brandmeesters zijn onder meer Jacobus Bal met als onderbrandmeester Nicolaas Vervenne, Marinus Harinck met als onderbrandmeester Martinus Vertregt, Jacobus Steketee met als onderbrandmeester de vleeshouwer J. Sloover en Nicolaas Vervenne met als onderbrandmeester Johan Pieter Muller. 

In februari 1849 komt er bericht van Gedeputeerde Staten met de mededeling dat voortaan geen vergunningen meer zullen worden verleend voor het doen van collecten voor brandschade.

Rechtbanken, notarissen en procureurs


Rechtbanken


Eind december 1846 ontvangt de gemeenteraad bericht dat Zijne Majesteit de Koning heeft benoemd tot substituut officier bij de arrondissementsrechtbank te Goes mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen, dit ter vervanging van mr. Adrianus Johannes van Deinse, thans raadsheer bij het Provinciaal Gerechtshof van Zeeland.
Ook geeft de Gouverneur begin april 1847 kennis van de benoeming van mr. Boudewijn Verselewel van der Bilt tot kantonrechter te Goes in de plaats van de overleden heer H. Lenshoek van Zwake.

Begin 1851 komt er bericht van de Minister van Justitie dat hij de verplaatsing van de arrondissementrechtbank van Goes naar Sas van Gent wil voorstellen. Een wetsvoorstel daartoe is al in behandeling.
De gemeenteraad stelt in zijn vergadering van 12 mei 1851 de inhoud van een door een commissie ontworpen, zeer uitgewerkt adres aan de Tweede kamer der Staten Generaal vast. De strekking hiervan is dat deze verplaatsing onbillijk en voor deze plaats verderfelijk zou zijn en daarenboven niet aan het beoogde doel zal beantwoorden. Omdat spoed vereist is vanwege de parlementaire behandeling wordt het adres dadelijk toegezonden aan de Tweede Kamer.
Ook in maart 1852 lopen er geruchten dat de rechtbank in de stad verplaatst gaat worden naar Terneuzen. Er wordt een commissie ingesteld om maatregelen te adviseren tot behoud van de rechtbank. In deze commissie hebben zitting de heren mr. J.C. van der Meer Mohr, mr. W.G. de Knokke van der Meulen, mr. A. Smallegange en mr. M.P. Blaaubeen.
In mei 1852 wordt een gedrukte brief van 335 ingezetenen en ondertekenaars uit Goes aan de Tweede Kamer gezonden. Enkele passages uit deze brief zijn de volgende:
‘dat zij met een gevoel van innig leedwezen gezien hebben dat bij het onlangs ingediende ontwerp van wet tot regeling van het rechtsgebied en aanwijzing der zetels van de verschillende rechtscolleges wordt voorgesteld om de arrondissementrechtbank te Goes te verplaatsen naar Sas van Gent;
dat dit ongerief in deze gemeente bijzonder sterk gevoeld wordt, daar de ingezetenen ten getale van 5298, thans een rechtbank in hun midden gevestigd zien, terwijl
zij volgens het ontwerp niet minder dan 4¾ uren daarvan zouden zijn verwijderd en bovendien nog een veer zouden moeten oversteken;
dat, met het oog op het aangevoerde, adressanten dan ook eerbiedig van oordeel zijn, dat de voorgestelde wijziging in de rechterlijke indeling van Zeeland wel verre van door de natuurlijke gesteldheid van Zeeland gerechtvaardigd zou zijn, integendeel met de rechtvaardigheid in openbare tweestrijd is, en uit dien hoofde van de Kamer geen ingang zal mogen vinden’.


Notarissen


De Gouverneur geeft in september 1848 bericht dat bij Koninklijk Besluit aan de heer Leonard de Fouw Jzn eervol ontslag is verleend uit zijn ambt van notaris. In zijn plaats wordt in oktober 1848 benoemd de heer Johannes Gerard Risseeuw.
Kort na zijn benoeming wordt de nieuwe notaris begunstigd met het houden van een vrij aanmerkelijke openbare verpachting van landerijen van de godshuizen in de stad. De andere notarissen Van den Bussche en Smallegange vrezen een bevoorrechting van hun jongere ambtgenoot. Ze ervaren dit als een grievende gewaarwording en menen evenzeer aanspraak te mogen maken om bij voorkomende gelegenheden op hun beurt een gelijke gunst te mogen genieten. Ze bieden hun diensten in dit opzicht aan. Het gemeentebestuur zegt hun toe om bij voorkomende gelegenheden op hun verzoek attent te zijn.
In augustus 1850 overlijdt de notaris L. Lankhorst. De Gouverneur geeft bericht dat de open gevallen notarisplaats binnen de stad voorlopig onvervuld zal blijven.

Justitie

Opmerkelijk is dat er in deze jaren opvallend veel overtredingen en misdrijven voorkomen. Hiervan krijgen we een beeld uit de periodieke opgaven van de burgemeester aan de Gouverneur. Ter illustratie volgt hier een overzicht uit de staten van ‘buitengewone voorvallen, gepleegde misdrijven en misdaden in de stad’.

1847

  • ontvreemden van een stukje boter, zwaar 5 oncen, van de dienstmeid van Cornelis Corstanje in maart; overtreden Janis Verplakke;
  • ontvreemden van koperen gewichten in maart; overtreder Jan van de Visse;
  • bedelarij in april; overtreders Frederik Goeree, Cornelis van Gilst en Laurina Polderdijk;
  • ontvreemden van een katoenen manshemd en moltonnen onderbroek in april; dader onbekend;
  • diefstal van ijzer en koper in april; dader Cornelis Zoutewelle;
  • zich verdronken hebbend in de stadsgracht op 29 april; dader David Mosch;
  • ontvreemden van aardappelen van Paulus Geense in mei; dader onbekend;
  • ontvreemden van een koperen schenkketel en drie nieuwe testament bijbeltjes toebehorende aan het weeshuis in mei; dader Ferdinand van Wiemen, verpleegde in het weeshuis;
  • ontvreemden van kledingstukken van een bleek van P.F. Bonsen; dader onbekend;
  • ontvreemden van twee katoenen lakens van C. Groenendijk in mei; dader onbekend;
  • ontvreemden van twee lakens van Krijn Zweedijk in mei; dader Maria Harinck;
  • in huis hebben van ongeoorloofd nachtelijk gezelschap in mei; dader Louisa Overdorp;
  • bedriegerij en oplichting van onderscheidene personen in juni; dader Jan Harinck;
  • diefstal met inbraak in juni; dader onbekend;
  • ontvreemden van lood in juni; dader Jan Anemaet;
  • verdacht van ontvreemd lood verkocht te hebben in juni; dader Lieven van Loo;
  • ontvreemden van haver waarin wikken zijn gezaaid van het land van A. de Dreu in de Goese Polder in juli; dader Hendrik van den Berge;
  • ontvreemden van aardappelen bij Pieter Remijn in juli; dader onbekend;
  • het verwonden van zijn ouders door het toebrengen van slagen en stompen in juli; dader Cornelis van Ettinger;
  • het uitbreken uit de gevangenis op 28 juli van Adrianus de Lang;
  • verdacht van diefstal in juli; dader Pieternella Harinck;
  • ontvreemden van paardenpeen van het land van Laurens Wildeboer in augustus; dader Geertrui Westdorp;
  • diefstal van appels en peren uit een boomgaard van de nachtwerker Leendert Corstanje in augustus; dader Jacob van der Schraaf;
  • ontvreemden van peren uit een tuin gelegen achter de kerk der afgescheidenen op 12 september; dader Kors Rutsaert c.s.;
  • ontvreemden van leer uit een pakhuis van Pieter Laurentius van der Reit staande in de Korte Vosstraat in september; dader Caspar Frank;
  • verdacht van ontvreemding van drie grote tarwebroden wegende 8 Nederlandse ponden in november; overtreder Johannes Polderdijk;
  • ontvreemden van twee katoenen bedlakens uit een schuurtje van Willem Kramer in december; dader onbekend;
  • ontvreemden van ongeveer 20 ellen 10½ palms treib katoen uit de winkel van A. Bliek in december; dader onbekend;
  • ontvreemden van een pondsbrood bij J.M. van Zoom en vier droge haringen bij M. Klemkerke in december; dader Willem Dirkse.

1848

  • houden van een vechtpartij op de publieke straat op 3 januari; daders Pieter Jacobus Verberkmoes en Franciscus Cornu;
  • diefstal in januari; vermoedelijke dader Nicodemus van Lantergem;
  • diefstal in januari; dader Anna Maria Bos;
  • in het openbaar beschuldigen van de brievenbesteller J.E. de Joode als zou deze het geheim van de briefwisseling geschonden hebben; overtreder is Otto Verhagen;

  • ontvreemden van vier volle en twee halve stukken gestreept katoen in februari; dader onbekend;
  • oplichting door het verzilveren van een cent met afschrapsel van spiegelglas in februari; dader Gerard Jaquemet;
  • ontvreemden van stro van de landman J. van Maldegem in februari; dader is Gerard Jaquemet;
  • toevoegen van smaadwoorden tegen de apotheker A.B. van den Bree in februari; dader is medisch doctor C.A. van Renterghem;
  • mishandeling van zijn vrouw in februari; dader is de zadelmaker Lucas Reijnierse;
  • ontvreemden van een schotel met drie stukjes boter ieder van vijf ons van Jan de Dreu in februari; dader onbekend;
  • ontvreemden van 4½ ponden lood van een planken schutting van de heer B.H. Janssen onder Kloetinge in maart; dader is Jan Verplakke;
  • ontvreemden van een pakje ellegoederen van de vrachtwagen van Crabbendijke in maart; dader onbekend;
  • ontvreemden van vijf pond kaas van de vrouw van C.F. van Ettinger in maart; dader  onbekend;
  • ontvreemden van enige lapjes manufacturen van A.M. Groen in maart; dader onbekend;
  • als matroos gedeserteerd in april; dader Jan Polderman;
  • mishandeling in een publiek koffyhuis van Simon Jacobus de Jonge in april: dader Jan Doensen Somer;
  • ontvreemding van schapen van iemand bij wie men voor loon diende in mei; dader Gerard Braam;
  • het in het publiek toevoegen van scheld- en smaadwoorden aan Benjamin den Boer in mei; dader Matthijs Hendrik de Heer;
  • het onbehoorlijk hardrijden met kar en paard door de stad in de avond in mei; dader Jan Doense Somer;
  • mishandeling van de weversbaas J.H.K. Kate te Wilhelminadorp in juni; dader Job Dronkers;
  • het ontvreemden van tarwe uit een pakhuis van mr. P.J. van Voorst Vader in juli; dader Jacob Schniling;
  • ontvreemden van geld bij een inbraak bij Louis Zandee in augustus; dader niet ontdekt;
  • ontvreemden van enige racerij uit twee kamers op de kermis in augustus; daders Marinus Addies, Johan Voois, Anthonie Oosterling, Jan Jacobse, Simon Blommaers en Johannes Dortmond;
  • mishandeling van de hoveniersjongen Hubrecht Schrijver in oktober; dader Johannes  Versee;
  • ontvreemden van 22 stuks droogharingen uit de winkel van Suzanna van Loo in oktober; dader Maria Verpoorte, leurster.

1849

  • ontvreemden van ijzer bij de landlieden Welleman en Caboort onder Kloetinge in januari; dader Pieter de Wit;
  • oplichting voor 59 gulden van de landman Jacob Zandee in januari; dader Jannetje de Jonge;
  • verzilveren van drie centen en het uitgeven daarvan voor kwart guldens in januari; dader Cornelis van der Schraaf;
  • ontvreemden van twee ijzeren sluitstangen van een welput en een regenbak in januari; dader Cornelis van der Hoef;
  • desertie uit het Fort Bath door Johannes van Dalen in januari;
  • ontvreemden van een zakpistool bij Pieter Steijns, smid en winkelier, in februari; dader onbekend;
  • ontvreemden van ijzer uit de brouwerij ‘de Gans’ in februari; dader Pieter Johannes de Wit;
  • ontvreemden van een partij zoete koek en klein goed uit het pakhuis van Hubertus Marinus Harinck zonder uitwendige braak en dus vermoedelijk met valse sleutels in februari; dader onbekend;
  • moedwillig verwonden van Johannes van Heese door het werpen met een steen in maart; dader Abraham Anemaet;
  • overrijden van het kind van de heer J.J. de Graaff, oud circa 6 jaar, in mei; dader Marinus van Liere;
  • het beschadigen van een rijtuig van L. Rijk, gevoerd door P. Nonnekes, door belemmering in het voorbij rijden in mei; dader Hugo Koens;
  • verdacht van het vervalsen van duplicaat biljetten dienende tot het vervoeren van meel in juni; dader Lambertus Vink, knecht bij de molenaar Pieter van Wasbeek;
  • ontvreemden van tuinvruchten van Cornelis Verduin in juli; dader onbekend;
  • mishandelen van D. Klaasse, schipper te Middelburg, in juli, dader Pieter Johannes de Hond;
  • misbruik van vertrouwen jegens L.J. Siepman, stoffenverwer en -drukker, in juli; dader Geertruida Arends;
  • ontvreemden van fruit uit een boomgaard van mr. J. de Backer in augustus; dader Pieter Oosterling c.s.;
  • ontvreemden van fruit uit de tuin van de heer J. de Fouw in augustus; dader Pieter Bans;
  • verdacht van in de nacht van 1 op 2 september het doel van de Boogschutterij ‘Altijd in roeren’ tegen de grond te hebben geworpen, mitsgaders de twee eerstgenoemde door het open schuiven van een raam in de kolfbaan geklommen, buiten weten van de bewoners, in augustus; daders Nicolaas Vertregt, schildersknecht, Izaak Massee, apothekersleerling, Johannes Petrus de Wijs, horlogemakerknecht, Marinus van der Straten, winkelbediende;
  • ontvreemden van enig geld en een collier bloedkoralen bij Marcus de Jonge, zonder inbraak, in september; dader onbekend;
  • ontvreemden van veld- en aardvruchten aan onderscheidene personen in september; dader Cornelis Kopmels;
  • overschrijden van hun bevoegdheid door het in beslag nemen van vijf pond zout, gedragen door Jan Oort, in oktober; daders B. van Kleef, W. Imands en G. Bosman, landsambtenaren alhier ter stede;
  • handelingen tegen de eerbaarheid van twee zeer jonge meisjes in oktober; dader Pieter van Eikeren;
  • overklimming en poging tot inbraak in het pakhuis van Johannes de Jonge, koperslager en koopman, in oktober; dader onbekend.

1850

  • ontvreemden van te bleken liggende luiers in de nacht van 5 op 6 januari van M. van den Broeke; dader Pieter Camerling, arbeider;
  • verdacht van diefstal in een huis, waar zij als meid voor loon diende, in januari; dader Clara Rombout;
  • ontvreemden van mutsaars van bakker H. Snoep in januari; daders Christiaan Maas, Hubrecht de Pan en Jan Paasse;
  • ontvreemden van paardenbonen door middel van een valse sleutel bij Adam Dirkse, door de politie ontdekt, in maart; dader Maria Donse;
  • afrukken van militaire eretekens van F.P. van Nesten in maart; daders Jan Doense Zomer en Izaac Waaijaert;
  • verzet tegen de politie als gevolg van verregaande dronkenschap in maart; daders  Theunis Voois en Itje Fokker;
  • publiek uitgeoefende bedelarij in april 1850; daders Jan Pieter Verdonk en Cornelia de Bruine;
  • ontvreemden van 11 ellen zwart Orleans bij het houden van de koopdag in de stads leenbank in mei; dader onbekend;
  • ontvreemden van een vrouwenhemd en een bedlaken van een bleek in mei; dader Neeltje de Puit;
  • uitoefenen van bedelarij in mei; dader Adriaan van Antwerpen;
  • ontvreemden van een trapleer en een paardenschaar uit een stal van P. Panny in juli; dader onbekend;
  • het wonden toebrengen met een mes aan Lieven van Loo, vroeger huurkoetsierknecht, in augustus; dader Hendrik Fukken te Kattendijke;
  • verregaande beledigingen met woorden in het publiek tegen de persoon van J.F.J.F. Goossen, schilder, in november; dader J.J. Theives, kleermaker;
  • moedwillig beschadigen van eens anders eigendom in december; daders Jacobus den Boer en Adriaan de Jonge;
  • ontvreemden van een lichte vrouwenrok met strepen van Anna Maris in december; dader onbekend.

1851

  • zich schuldig gemaakt aan oplichting in januari; dader Cornelis Kastelein, matroos;
  • ontvreemden van een vrouwsrok van Johanna Hendrika de Wee, diensmeid, in januari; dader onbekend;
  • ontvreemden van loot van J. van den Dungen in februari; dader Jacob Vaes;
  • mishandelen van Sara van den Ende in maart; dader Jacoba Benjaminse;
  • gras snijden aan de Keizersdijk zonder toestemming in april; dader Johannes Herpers;
  • ontvreemden van planken uit een door hem gehuurd huis van P.L. van Pottelberghe in april; dader Willem Herman;
  • uitoefenen van bedelarij ofschoon onderstanddomicilie hebbende te Sint Maartensdijk in april; dader Cornelis Goossen;
  • ontvreemden van een stuk en een lap gebruikt katoen aan Frederik Goossen in april; dader Lydia Jacoba Zegers;
  • mishandelen van Anna Catharina Harreweijers in april; dader Maria de Box;
  • grassnijden aan de dijk zonder toestemming van de karreman in april; dader Adriaan Schrijver;
  • beschuldiging als zou hij in het publiek gehandeld hebben tegen de goede zeden in april; dader Gerrit Nathan;
  • Pieter van Liere met een paard aan het hollen geraakt en er afgevallen en daardoor onderscheidene verwondingen bekomen in april; veroorzaakt door een hond van Jacobus Bentvelzen;
  • J. Burgs een wond aan het been bekomen door een beet van een hond van Samuel de Winter, schrijnwerker te Goes, in april;
  • gras snijden zonder toestemming van de karreman Willem van Sprang in mei; dader J.F. Pals, kuiper te Goes;
  • toebrengen van slagen aan Jacob Batz in mei; dader Dina Krombeen;
  • het gebruiken van een ongekeurde wagen als publiek middel van vervoer in juni; dader Pieter Panny;
  • ontvreemden van ongeveer zeven gulden van Jacob Slager, timmerman te Zierikzee, in november; dader Tannetje Hordijk;
  • mishandelen van C.A. Lignian, thans in deze stad verblijf houdende, in november; dader Gabriël Brongers, kantoorbediende te Amsterdam;
  • stoten en slagen toegebracht aan J. Waeijhaert te Goes in november; dader Paulus Nonnekes, huurkoetsierknecht te Goes;
  • het in het publiek toevoegen van scheld- en smaadwoorden aan C. van der Swan, deurwaarder der directe belastingen, in december; dader Anna Schoenmaker weduwe Rogge;
  • misbruik van vertrouwen in december; dader Frans Richart te Goes;
  • ontvreemden van twee zilveren vorken van de heer Broes van Dorth in december; dader onbekend;
  • misbruik van vertrouwen in december; dader Pieter Polderman, smid te Goes;
  • poging tot inbraak in het pakhuis van de heer C.P. Soutendam in december; dader onbekend;
  • lastertaal uiten tegen Willem Veekman en Frans van Hoorn in december; dader Johannes Ardon, arbeider te Goes.

1852

  • ontvreemden van een tinnen dubbel maatje van Gerrit Ossels in januari; dader Adriaan Rijk;
  • toevoegen van scheld- en smaadwoorden aan haar zuster Maria Roels in januari; dader Sophia Roels;
  • het zich van het leven beroven van Anthonie Roelandt door verdrinking in een welput, staande in een gedeelte van zijn achterhuis in januari;
  • bedelarij op de publieke straat in februari door Johanna Jacoba Chivat te Goes;
  • bedelarij op de publieke straat in februari door Jan van de Visse;
  • mishandeling van Hubertus Harinck in maart door Petrus Louis van Pottelberghe te Goes;
  • mishandeling van Roosje Nathan in maart door Elisabeth Frank;
  • ontvreemden van aardappelen van Janus Kopmels in april door Pieter Proos;
  • misbruik van vertrouwen tegen Thomas Snoep in april door Neeltje de Lange;
  • misbruik van vertrouwen tegen P.J. de Wijs in april door Frans Richart;
  • misbruik van vertrouwen tegen Cornelis Dekker door Neeltje de Lange in april;
  • mishandeling door slagen van A.A. Zuidweg, huisvrouw van J.P. de Boer, door Adriaan Engelse, arbeider, in april;
  • bedelarij in mei door F. Luijk en vrouw uit Bergen op Zoom;
  • ontvreemding van een zilveren horloge in mei van C. Kole te Cats; dader onbekend;
  • inbraak bij L.G. Roelofse en ontvreemden van enig koperwerk in mei; dader onbekend;
  • forceren van een winkelblind bij P. Steijns en ontvreemden van een tinnen inktpot in mei; dader onbekend;
  • het moedwillig in de waterleiding jagen van een rund, toebehorend aan de landman Jan Pijke, in mei; dader Abraham Anemaet c.s. te Goes;
  • onderlinge vechtpartij in juni; daders M. Bakker en C. de Vos te Goes;
  • ontvreemden van een hangslot dienende tot sluiting van de pomp in de Lange Vorststraat; dader onbekend;
  • mishandeling door het toebrengen van stoten op de borst aan de smid H. de Graaff in juni door P.L. van Pottelberghe, metselaar;
  • Marinus Pieper, oud 12 jaar, heeft in een boomgaard, als kersenwachter werkzaam, op een hem toevertrouwd ruiterpistool enige kersenstenen geladen en heeft daarmee een  andere knaap van 13 jaar, Johannes Lodewijk Schoch, zodanig aan het hoofd getroffen dat hij weinige ogenblikken daarna is overleden; dit voorval geschiedde op 25 juli des namiddags om een uur;
  • ontvreemden van loot bij een zekere Koeman en Jan Spruijt, beiden te Wolphaartsdijk, in augustus; dader Servaas de Boer, schilder te Goes;
  • ontvreemden van loot uit de brouwerij ‘de Gans’ in augustus; dader Cornelis Bol, brouwersknecht te Goes;
  • ontvreemden van aardappelen van A. de Dreu in september; daders Dina Geluk en Christina Verpoorte;
  • ontvreemden van twee bedlakens van de heer J.W. de Jongh in oktober; dader onbekend.

Stedelijke schutterij

Schuttersraad

De schuttersraad van de dienstdoende schutterij bestaat in 1847 uit de heren P.C. de Peval als kapitein, F. van Heel als 1e luitenant, Pieter Lenshoek van Kerkwijk als 2e luitenant, mr. P. van der Meer Mohr als sergeant, J.H. van Dalen als korporaal en Leonardus Lankhorst als auditeur.

In januari 1850 overlijdt de auditeur L. Lankhorst. In zijn plaats benoemt de Gouverneur de heer mr. Jean Henri de Laat de Kanter tot auditeur bij de dienstdoende schutterij en bij het 3e bataljon rustende schutterij. Door het vertrek in 1850 van mr. P. van der Meer Mohr wordt tot sergeant benoemd de heer Cornelis Marinus Steendijk. Tot lid van de schuttersraad wordt in juni 1852 benoemd de korporaal J.H. van Dalen.

De kapitein commandant van de dienstdoende schutterij, dokter Laurens Carel de Peval, verzoekt in november 1851 ontslag uit zijn functie. Het gemeentebestuur betreurt het ‘verlaten door zijn edele van deze belangrijke werkkring en betuigt de dank des bestuurs en van de ingezetenen voor de in dezelve bewezen diensten’. Het adviseert gunstig op het verzoek, maar maakt tevens het leedwezen van de vergadering over dit verzoek en de bezorgdheid over de vervulling van deze betrekking kenbaar. Bij Koninklijk Besluit van 22 november 1851 wordt De Peval eervol ontslag verleend.
In mei 1852 wordt voorlopig voor een jaar in de vacature voorzien door de aanstelling van de heer Jacobus Pieter Kakebeeke. De burgemeester probeert in april 1853 de heer Kakebeeke over te halen om definitief kapitein commandant van de dienstdoende schutterij te worden. Dit blijkt vruchteloos. In zijn plaats wordt nu benoemd de heer Marinus Johannes Soutendam, kapitein bij de rustende schutterij in het eiland. Dit blijkt de enige persoon die op dit ogenblik geschikt en genegen is deze betrekking definitief op zich te nemen. De 42-jarige Soutendam wordt dan ook voorgedragen en benoemd in deze functie. Jan Cornelis Dominicus wordt in december 1852 beëdigd als officier bij de rustende schutterij.
Kort hierna komt een verzoek tot ontslag van de heer mr. P. Lenshoek van Kerkwijk als 2e luitenant van de dienstdoende schutterij.

In juli 1852 verzoekt de schuttersraad om op de meest voordelige wijze te mogen verkopen enige oude schutterskledingstukken die in het magazijn aanwezig zijn doch ongeschikt om aan de schutters te worden uitgereikt. Daarvoor wordt machtiging verleend.

De schuttersraad draagt in september 1852 twee dubbeltallen voor tot vervulling van de vacatures in de raad als gevolg van het vertrek van de sergeant C.M. Steendijk en de bevordering tot foerier van de korporaal J.H. van Dalen. Benoemd worden tot sergeant A. Molhoek en tot korporaal J.F. Visser.

De heer F. van Heel, 2e luitenant bij de schutterij, verzoekt in oktober 1852 eervol ontslag als lid van de schuttersraad. Als reden geeft hij op ‘de onaangename bejegeningen waaraan de schuttersraad van de zijde van het stedelijk bestuur zou hebben ten doel gestaan’. Hij heeft in de schuttersraad zitting gehad vanaf november 1846.
De gemeenteraad geeft de heer Van Heel de gelegenheid zijn grieven nader uiteen te zetten om zodoende de raad in staat te stellen zich van de op hem geworpen blaam te zuiveren. Deze zaak wordt in handen gesteld van een commissie, bestaande uit de heren Soutendam, Hochart en Saaijmans Vader. Uit het nader rapport blijkt dat de heer Van Heel niets tegen de gemeenteraad heeft, ‘maar dat hij niet mag ontveinzen dat het lot, aan de begroting der schutterij over 1853 ten deel gevallen, een pijnlijke indruk op hem gemaakt heeft en hij daarom gemeend heeft zijn ontslag te verzoeken’.

Stedelijke schutterij
De sterkte van de stedelijke schutterij behoort te zijn: in actieve dienst 98 en als reserve 98, samen 196 manschappen. De sterkte is als volgt: 2 officieren, 4 onderofficieren, 6 korporaals, 75 actieve schutters en 42 reserve schutters.

De Gouverneur van Zeeland verzoekt de gemeenteraad in juni 1848 in overweging te nemen om, als gevolg van het gedane gunstiger en voordeliger aanbod van het Departement van Oorlog, de vuursteengeweren bij de stedelijke schutterij geheel te vervangen door slaggeweren. De kosten hiervan kunnen berekend worden op maximaal ƒ 3 per geweer.
De gemeenteraad besluit deze verwisseling nog een jaar uit te stellen en hiertoe pas in 1850 over te gaan.
Op 27 mei 1852 worden van de geweermaker Schumacher te Delft terug ontvangen 54 in slaggeweren veranderde geweren van de schutterij. De overgebleven 55 vuursteengeweren worden aan hem opgezonden met de opmerking dat er nu 56 stuks worden verwacht.

De commandant van de stedelijke schutterij geeft het gemeentebestuur in februari 1849 kennis van zijn voornemen om de leden van de schutterij gedurende vijf achtereenvolgende zaterdagen in het schieten naar de schijf te oefenen op een weide in de Goese Polder tegenover de hofstede, bewoond door Gerard Timmerman. Ook in april 1850 geeft de commandant bericht dat op aanstaande vrijdag ‘alsnog naar de schijf zal worden geschoten’. In januari 1851 geeft de commandant kennis van zijn voornemen om van nu af aan tot half maart op de Stoofweide de schutterij te oefenen in ‘het naar de schijf schieten’. Hiervan wordt tot voorkoming van ongelukken een publicatie gedaan.

In maart 1849 nodigt de Gouverneur het gemeentebestuur uit om regelingen te treffen om door de dienstdoende schutterij ten overstaan van de burgemeester voor het front van de verzamelde schutterij op een plechtige wijze af te leggen de eed van getrouwheid aan Zijne Majesteit de Koning en gehoorzaamheid aan de wetten. Deze plechtigheid wordt bepaald op maandag de 2e april ’s middags om twaalf uur op de Grote Markt.

De schuttersraad van de dienstdoende schutterij geeft het gemeentebestuur in mei 1849 te kennen dat ze met genoegen het bericht heeft ontvangen dat bij de verwisseling van de oude schakots het nieuwe model bij de armee in gebruik zal kunnen worden genomen. De raad vindt een geleidelijke gedeeltelijke vernieuwing niet gewenst. Behalve het gebrek aan uniformiteit zullen de leden van de schutterij dit ook ongaarne zien. De schuttersraad verzoekt daarom machtiging om direct tot een gehele verwisseling en vernieuwing van de schakots bij de schutterij over te gaan. Het gemeentebestuur gaat daarmee akkoord.

De commandant van de stedelijke schutterij legt het gemeentebestuur een verzoekschrift voor van de joodse schutter Mozes Abraham Emanuel om van de exercitie op de Joodse Sabbath op zaterdagen te worden vrijgesteld. Niettegenstaande het afwijzende advies aan de Commissaris van de Koning ‘omdat hierin bij wet niet is voorzien’, verkrijgt Emanuel vrijstelling van  de gemeentebestuur.

In januari 1852 doet het gemeentebestuur opgave van de zich in de gemeente bevindende tegenwoordige en voormalige officieren, onderofficieren en verdere leden van de schutterijen die in de termen vallen voor het ereteken, ingesteld bij besluit van Zijne Majesteit de Koning van 5 december 1851. Van de uitgevaardigde oproep maakt alleen de heer C.P. Soutendam gebruik.
De commandant van de dienstdoende schutterij dient in juli 1852 een aanvraag in om 2000 scherpe en 2000 losse patronen.

In december 1852 stelt het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad voor te besluiten om als regel aan te nemen dat de onderofficieren en korporaals bij de schutterij niet voor rekening van de gemeente van kledingstukken worden voorzien. Indien er bijzondere redenen mochten bestaan, die een afwijking van deze regel wenselijk of noodzakelijk maken, dienen deze door de schuttersraad aan het gemeentebestuur kenbaar te worden gemaakt.
De heer Saaijmans Vader betoogt dat alle leden van de schutterij naar zijn oordeel aanspraak hebben op kleding ten laste van de gemeente. De raad overweegt onder meer dat de commandant de vrije keus heeft wat betreft zijn onderofficieren en korporaals en daarvoor dikwijls minvermogende voormalige militairen zal moeten verkiezen boven de meer gegoeden onder zijn schutters. De heren Van den Bosch en de voorzitter bestrijden dit. De schutterijen moeten niet zo zeer gezien worden als een geoefende militaire macht, maar veeleer als een korps bestemd tot het bewaren van orde en rust bij oproerige bewegingen, brand en dergelijke omstandigheden. Daarbij is het redelijk overwicht van een onderofficier van meer invloed op zijn onderhorigen dan zijn onderscheidingsteken. Besloten wordt Gedeputeerde Staten te verzoeken om de vereiste autorisatie tot voldoening van een bedrag voor de aanschaf van dragons en chevrons voor de onderofficieren en korporaals uit de post voor onvoorziene uitgaven op de begroting van de schutterij uit te trekken.

Handboogschutterij ‘Altijd in roeren’ en Duiven Sociëteit ’Jacoba van Beieren’

De Handboogschutterij ‘Altijd in roeren’ en de Duiven Sociëteit ‘Jacoba van Beieren’ verzoeken de burgemeester in mei 1851 om bij gelegenheid van een te houden concours op 2 juni de optocht te mogen doen met trommelslag. De burgemeester verleent hiervoor toestemming.
Ook in juni 1852 nodigt het bestuur van de Handboogschutterij ‘Altijd in roeren’ het gemeentebestuur uit tot het bijwonen in de voormiddag van de 17e juni van het concours ‘naar den vogel aan het Erekruis, namens Zijne Majesteit als beschermheer aan die schutterij geschonken’. Het college is echter verhinderd wegens ambtsbezigheden.