Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1847 - 1853)

Begraafplaatsen

Deze jaren fungeert de huurkoetsier Jan Koens als door het gemeentebestuur benoemd koetsier van de rouwkoets.

De president kerkvoogd van de Grote Kerk, Vervenne, verzoekt het gemeentebestuur in januari 1851 om beschikbaarstelling van de stadsgrond van het bastion Hoogewerve bij de Oostpoort. Deze grond wil de kerkvoogdij gebruiken voor de aanvulling van de ingezakte graven in het koor van de Grote Kerk. De gemeenteraad stemt daar mee in.

De kerkvoogdij van de Hervormde gemeente geeft in september 1853 kennis dat het indertijd aangewezen graf op de begraafplaats voor het ter aarde bestellen van predikanten en hun huisgezinnen daarvoor nu al ontoereikend is. Ze verzoeken daarvoor een ander graf in dezelfde klasse aan te wijzen. Ze verwijzen hierbij naar de toezegging, gedaan aan de kerkmeesters door de commissie voor de nieuwe begraafplaats bij brief van 28 december 1831. Het gemeentebestuur besluit een tweede graf aan te wijzen.

Bruggen

De gemeenteraad besluit in april 1850 tot het laten opstellen van een bestek en condities voor de aanbesteding van een nieuwe wip aan de ophaalbrug aan de Kaai. Het gaat om de vernieuwing van de oostelijke wip van de ophaalbrug. Akkoord wordt gegaan met de aanbesteding van de gehele vernieuwing van de oostelijke wip van de ophaalbrug. In mei blijkt echter dat de herbesteding van de wip van de ophaalbrug beproefd is maar niet geslaagd. De inschrijving overtreft met ƒ 465 het begrote bedrag.
Besloten wordt de vernieuwing van de wip buiten publieke aanbesteding te houden, omdat dit nu al twee maal mislukt is. In oktober 1850 blijkt dat de gunning van het werk zo voordelig is uitgekomen dat de kosten ƒ 175 beneden de laagste inschrijving zijn gebleven.

Gevangenis

Op de 9e augustus 1847 deelt de burgemeester de gemeenteraad vertrouwelijk mee een aanschrijving te hebben ontvangen van de Gouverneur over de bouw van een nieuw Huis van Arrest (gevangenis) in de stad. Er bestaat vooruitzicht dat het plan voor deze bouw in het thans lopende jaar zal kunnen worden ontworpen, terwijl de nieuwbouw zelf door een wijziging in de begroting eerst in 1849 zal kunnen worden begonnen . De Gouverneur zou graag zien dat voor dit zo belangrijke werk enige financiële opoffering door de stad Goes gedaan zou worden. Daarvoor zou de stad een huis en erf kunnen aankopen naast de door de gemeenteraad voor de stichting van de nieuwe gevangenis indertijd aangewezen stadsgrond van de voormalige schutterij van de Edele Busse aan de Wijngaardstraat. De Gouverneur bepleit om het gehele benodigde terrein kosteloos aan het rijk af te staan.
De gemeenteraad machtigt het college van burgemeester en wethouders om pogingen te doen om het bedoelde huis desnoods tot een bedrag van duizend gulden voor rekening van de stad aan te kopen.

In zijn vergadering van de 16e augustus 1847 overweegt de gemeenteraad de door het rijk voorgenomen bouw van een nieuw Huis van Arrest, het afstaan daarvoor van de stadsgrond waarop vroeger het schuttersgebouw van de Edele Busse stond en de aankoop van een belendend huis en erf voor rekening van de stad. Het is de daartoe ingestelde commissie van onderzoek gebleken dat de eigenares van het belendende huis hiervoor de buitensporige prijs van ƒ 2200 vraagt, terwijl volgens deskundigen met een derde van dat bedrag dit huis in deze tijd wel betaald zou kunnen worden. Maar ook al zou dit huis voor een billijker prijs aangekocht kunnen worden, de naburige gebouwen van de brouwerij ‘de Gans’ zouden ontriefd worden door de vrees dat de bestaande lichtramen tot ongelegenheid voor een gevangenis aanleiding zouden kunnen geven. Maar ook de grond is eigenlijk te beperkt en te smal. Het komt de commissie wenselijker voor om te zien naar andere stadsgrond. Daarvoor is volgens de commissie geschikt het zogenaamde ‘Stort’ bij de Oostpoort met de grondslag van het retranchement bezijden de poort. Dit zou een oppervlakte geven van 42 roeden en 33 ellen. Bovendien zijn op dit perceel geen naburige woningen.
Besloten wordt het rijk kenbaar te maken dat men zowel afstand wil doen van de grond en  het erf waarop vroeger de schutterij van de edele Busse stond, onlangs opgemeten ter grootte van 8 roeden en 70 ellen, als van het benodigde gedeelte van het zogenaamde ‘Stort’ bij de Oostpoort en het daarop staande stads oude retranchement, deel uitmakende van of gehecht aan de Oostpoort. En hoewel de stadsfinanciën door de vele, zeer buitengewone uitgaven gedurende de laatste twee jaren voor het armwezen zeer verachterd zijn, is de gemeenteraad bereid een bijdrage ten laste van de stadskas te nemen van ƒ 700.

De burgemeester deelt de gemeenteraad op 21 oktober 1847 mee dat hij een aanschrijving heeft ontvangen van de Gouverneur van Zeeland. Daarbij wordt de gemeenteraad de dank van de Minister van Justitie overgebracht voor de bereidheid om op de begroting voor 1850 een bijdrage van ƒ 700 op te nemen in de kosten van de bouw van een nieuw ‘cellulair Huis van Arrest’ en om daartoe een geschikt terrein kosteloos aan het rijk af te staan. Het rijk is bereid dit terrein begin 1848 van ‘s rijkswege over te nemen.

De Gouverneur deelt in juni 1848, in vervolg op zijn brief van 14 oktober 1847 mee, dat in november door de heer J. Warnsinck, architect te Amsterdam, in overleg met de Hoofdingenieur van de Waterstaat en het college van regenten over het Huis van Arrest in de stad, zal worden opgenomen het terrein, dat door de gemeenteraad voor de bouw van een nieuwe gevangenis is afgestaan. Hij verzoekt om bij die gelegenheid de nodige aanwijzingen te geven.
De gemeenteraad spreekt zich daarover in de volgende zin uit.
Nader in overweging is genomen de in de raadsvergadering van de 9e augustus 1848 voorgelezen aanschrijving van de Gouverneur over een nieuw huis van arrest, de afstand daartoe van de stadsgrond waarop voorheen het schuttersgebouw van de edele Busse stond en de aankoop van een belendend pand en erf naast dat terrein voor stadsrekening. Uit het rapport van het college van burgemeester en wethouders, dat gemachtigd was om dat pand en erf voor rekening van de stad aan te kopen, verneemt de gemeenteraad dat de eigenaresse van het pand vermoedelijk de buitengewoon hoge prijs van ƒ 2.200 vraagt, terwijl met een prijs van niet meer dan een derde daarvan het pand goed betaald zou zijn. Tot vrijwillige aankoop wordt dan ook afgezien. Er heeft daarop een nader onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft er toe geleid dat voor de bouw van de nieuwe gevangenis geschikter is voorgekomen het zogenaamde Stort bij de Oostpoort met de grondslag van het retranchement bezijden de poort, met een oppervlakte van 42 roeden en 33 ellen.
De gemeenteraad spreekt uit ten behoeve van het rijk zowel afstand te willen doen van de grond waarop vroeger de schutterij van de edele Busse stond als van het benodigde gedeelte van het zogenaamde Stort en het daarop staande oude retranchement, deel uitmakende van of gehecht aan de Oostpoort. Niettegenstaande de zeer zware buitengewone uitgaven van de laatste twee jaar voor het armwezen is de raad bereid de lasten voor rekening van de stadsbegroting van 1850 te nemen.

Uit de in oktober 1848 plaats gehad hebbende opneming door architect Warnsinck van het voor de bouw van een nieuw Huis van Arrest in de stad aangewezen terrein, het zogenaamde Stort bij de Oostpoort, blijkt dat dit in alle opzichten voor deze bestemming geschikt is. Er is tevens sprake van om te trachten door aankoop de particuliere woning, die zich in het oude stads retranchement bevindt, te verwerven om deze vervolgens met de algehele afbraak mee te nemen. De gemeenteraad kan nu in verband met het eerder genomen besluit het nodige doen voor de kosteloze afstand van het terrein aan het Rijk om daarop de goedkeuring van Zijne Majesteit de Koning te verkrijgen.
De gemeenteraad besluit op 9 november 1848 tot de schenking aan het Koninkrijk der Nederlanden van een perceel stadsgrond, genaamd het Stort, gelegen bij de Oostpoort, gedeeltelijk uitmakende het perceel nummer 1035 ter grootte van 900 vierkante ellen.
Bij de archiefstukken bevindt zich een fraaie plattegrondtekening van de hand van stadsarchitect De Lannee de Betrancourt van 29 oktober 1848.

De Gouverneur stuurt de gemeenteraad in november 1848 voor advies een brief toe van de regenten over het Huis van Arrest over de bouw van het Huis van Arrest. Dit houdt verband met de aankoop van een particuliere woning in het oude stads retranchement en de afbraak van de Oostpoort en het stads brugophaalders- en brandspuithuisje. Dit alles onder voorbehoud van een andere communicatie aan de barrière van de Bleekveldse poort. De gemeenteraad besluit dit bericht door te geven, als zijnde geheel in de geest en met bevestiging van het aangevoerde, alsook de bevestiging van de voordracht van de regenten.
 
De gemeenteraad ontvangt op 26 november 1848 een rapportage van burgemeester J.H. Verschoor van Nisse, de officier bij de arrondissementrechtbank J. De Backer en de hoofdingenieur van de waterstaat in Zeeland A. Caland over de noodzaak van een betere gevangenis in de stad. Ze zijn daartoe uitgenodigd door een aanschrijving van de gemeenteraad van 15 november.
De inhoud van het schrijven komt op het volgende neer.
Ze hebben zich verenigd om te overwegen op welke wijze het beste zou kunnen worden voorzien in een betere en doelmatige gevangenis voor het arrondissement Goes. Aanvankelijk hebben ze daarvoor in ogenschouw genomen de thans tot gevangenis dienende lokalen. Deze zijn ver van elkaar gelegen, te weinig in getal en te bekrompen, kortom naar hun oordeel ten enenmale ongeschikt om langer tot een huis van arrest te dienen. Het is hun voorgekomen dat er geen partij hoegenaamd van te trekken is, door verbetering daarvan of bij de aanleg van een nieuwe gevangenis. Ze hebben zich daarna begeven naar het terrein in de Wijngaardstraat waarop vroeger het gebouw van de schutterij van de edele Busse heeft gestaan. Dit heeft een lengte van ongeveer 52 ellen en een breedte van ongeveer 26 ellen en behoort aan de stad Goes met uitzondering van een daarin begrepen lapje grond en een daartoe behorend woonhuis, beslaande ongeveer een vierde deel van het perceel. Deze grond zou aan het beoogde terrein dienen te worden getrokken en onteigend moeten worden voor een berekende waarde van ƒ 700. Dit terrein oordelen ze uitmuntend geschikt om daarop een nieuw huis van arrest, voldoende voor de behoeften van het arrondissement Goes, te stichten. Ze stellen voor hiervan een project te doen vervaardigen en aan de gemeenteraad toe te zenden. Hierbij zal een wenselijke spaarzaamheid gepaard aan een doelmatige en geschikte inrichting worden betracht.

De Gouverneur geeft in februari 1849 kennis van de stichting van een nieuw Huis van Arrest. Hieraan kan, vanwege de aanhangige overwegingen betreffende de reorganisatie van de rechterlijke macht, in verband met de beperktheid van de thans beschikbare middelen vooralsnog geen gevolg worden gegeven. Hij verzoekt om wat betreft de schenking aan het rijk van het voor de bouw van de gevangenis aangewezen stadsterrein de verdere verwezenlijking voorlopig aan te houden. Naar aanleiding van deze aanschrijving besluit de gemeenteraad de verdere verwezenlijking van deze zaak voorlopig aan te houden.
Maar op de 17e februari 1849 berichten Gedeputeerde Staten dat door Zijne majesteit de Koning machtiging wordt verleend aan het gemeentebestuur voor de kosteloze afstand aan het rijk van de voor de opbouw van een nieuwe gevangenis benodigde grond van 35 roeden en 33 ellen buiten de Oostpoort, genaamd ‘het Stort’.

Uit het gemeenteverslag van 1852 blijkt dat het aantal in bewaring gestelde personen heeft bedragen 31 mannen, waarvan er op 31 december 1852 geen meer aanwezig waren.

Haven, sas en kanaal

De werkzaamheden betreffende de verhoging van de kruin van de noordelijke buitenhavendam worden in januari 1847 afgerond. Aannemer A. Verdoorn verzoekt het gemeentebestuur op hem niet toe te passen de bepaling op grond waarvan voor tien weken overschrijding van de opleveringstermijn op zijn aannemingsprijs zou kunnen worden gekort een bedrag van ƒ 500. Hij pleit ervoor om vooral vanwege het geleden verlies op dit werk aan hem de volle aannemingsprijs uit te betalen.  
Bij de finale opneming van het werk door de raadsleden Van Kerkwijk, Kakebeeke en Van der Bilt, geassisteerd door de stadsfabriek, blijkt dat het werk in volledige orde is bevonden. Op grond van dit inspectierapport keurt de gemeenteraad het werk goed. De bijna volledige aannemingsom van ƒ 5535,80 wordt uitbetaald zonder een boete voor het nawerken op te leggen.
De heer F. Ferdinandusse op het Goese Sas krijgt in maart 1847 een aangekocht stuk zilverwerk aangeboden als blijk van erkentelijkheid voor zijn gehouden toezicht over het werk van de verzwaring van de noordelijke buitenhavendam.

In februari 1848 inspecteren de burgemeester en de wethouder met de stadsarchitect en de heer Ferdinandusse de toestand van de sas- en buitenhavenwerken. Het blijkt daarbij dat deze zich in voordeliger staat bevinden dan men had verwacht. Er zijn geen verdere verachteringen of verzakkingen waargenomen. De muur- en metselwerken kunnen daardoor uit de gewone middelen worden hersteld. De kosten daarvan bedragen ƒ 675,58. De gemeenteraad neemt van de rapportage van de burgemeester en de wethouder met genoegen kennis. Het college van burgemeester en wethouders krijgt machtiging om voor de vernieuwing van het pakwerk opdracht te geven.

De voorzitter doet de gemeenteraad in mei 1849 verslag van de door het college gehouden inspectie van de sluis- en buitenhavenwerken. Deze bleken in een gunstige staat te verkeren. Er behoeven geen bijzondere of buitengewone voorzieningen of herstellingen plaats te vinden. Wel is geconstateerd dat de paalworm zich, hoewel tot hiertoe op geen verontrustende wijze, aan de sasdeuren heeft geopenbaard. Het verdient daarom overweging om enkele onderdelen nu al uit te hangen en op het droge te halen om nagezien, gezuiverd en opgepoetst te worden. Ofschoon daarop bij de begroting voor 1849  niet uitdrukkelijk is gerekend, kunnen de kosten uit de post ‘onderhoud sluis en haven’ worden gedekt. De gemeenteraad besluit hiertoe over te gaan.
Ook neemt de raad in augustus 1849 kennis van de mededelingen van het college over de bij een speciale inspectie gebleken noodzaak van de reparatie van de buiten ebdeuren van de havensluis. De kosten zullen ongeveer 600 gulden bedragen. Besloten wordt het college te machtigen om de noodzakelijke herstelling buiten aanbesteding te doen uitvoeren.

In augustus 1849 geeft de sas- en havenmeester Jan van Blitterswijk te kennen dat hij de ouderdom van 75 jaar heeft bereikt. Sinds 1820 vervult hij deze functie. Wegens lichaamsgebreken is dit voor hem onmogelijk aan het worden. De gemeenteraad verleent hem eervol ontslag als sasmeester van de havensluis en als sasmeester van de buitenhaven en de binnenhaven van het sas tot aan het oude hoofd, onder toekenning van een jaarlijks pensioen van ƒ 100. Tot nieuwe sasmeester wordt zijn zoon Gerrit Cornelis van Blitterswijk benoemd.

In april 1850 gaat het gemeentebestuur akkoord met het opnemen en leggen van enige arduinen zerken en het opbreken en hermetselen van twintig kubieke ellen muurwerk, met de uitneming en herplaatsing met taarlingen en doken van de arduinen hoekstenen aan het binnenfront en de riolen van het Goese sas met de leverantie van alle benodigde materialen en gereedschappen.
Ook blijkt in april 1850 opnieuw groot onderhoudswerk noodzakelijk te zijn aan de sasdeuren. Besloten wordt het college opdracht te geven tot het doen opmaken van een bestek en condities voor de aanbesteding van 25 vierkante ellen metselwerk aan de sasmuren in de haven. In mei 1850 wordt dit werk openbaar aanbesteed, te weten het opnemen en herleggen van enige arduinen zerken en het opbreken en hermetselen van 20 kubieke ellen metselwerk aan het sas aan P.L. van Pottelberghe voor ƒ 540.

De gemeenteraad besluit in januari 1851 om de nodige, op 90 stuks berekende opgaande bomen, staande aan de westzijde van de Pier en Pinkspolder bij de afgegraven schans te rooien. De bomen zullen gebruikt worden voor de te vernieuwen beschoeiing van de Boomkaai.

Op de 31e mei 1851 vindt de publieke aanbesteding van de noordelijke buitenhoek van de zuidelijke vleugel van de buitensassing aan de haven plaats. Dit werk wordt aangenomen door Govert Klemkerke voor ƒ 1160. Het afnemen en herplaatsen van de arduinen zerken en hoekstenen heeft kort hierna plaats.

De heren O. Verhagen, C. Pilaar, H.M. Harinck, A. Nortier en D. van der Hoek schrijven het gemeentebestuur in juni 1851 over het dezer dagen aflaten van het water uit de haven voor het aanbrengen van een havenwerk in de Wilhelminapolder. Dit naar aanleiding van de resoluties van de gemeenteraad van 15 februari en het college van b&w van 1 maart. Besloten wordt ‘vanwege de ongepastheid en ongegrondheid van de inhoud van deze brieven daarop niet verder te attenderen’.

De schippers J. van Blitterswijk, C. Dronkers en W. du Claux klagen in augustus 1851 over de stadstrekker H. van den Berge over zijn nalatigheid in zijn bediening als trekker van de schepen in de haven. Uit onderzoek blijkt dat de stadstrekker zich niet in alle opzichten aan het bepaalde in het Reglement op de Scheepvaart gedraagt. Hij krijgt een boete. Maar in april 1852 krijgt hij bij de voortduur de pacht van het trekken van schepen in de haven toegekend.

De gemeenteraad stelt in oktober 1852 het bestek en de voorwaarden voor het maken en inhangen van een paar nieuwe ebdeuren in de binnensluis en het herstellen van de vloeddeuren van de buitensluis in het sas vast.

Huizen en pakhuizen

De heren mr. F.N. van der Bilt en mr. J. de Backer verzoeken in juli 1847 om hun woonhuis in wijk A 198 tot bergplaats van hooi te mogen gebruiken. De brandmeesters rapporteren dat dit pand als zodanig gebruikt wordt zonder dat hun bekend is dat daarvoor toestemming is verleend. Het gemeentebestuur gaat met het verzoek akkoord.
Cornelis Panny verzoekt in september 1849 om het pakhuis in wijk A 56 in de Wijngaardstraat tot een stalling voor paarden en bergplaats voor hooi en stro in te mogen richten. Dit is akkoord.
In februari 1850 geeft de Minister van Binnenlandse zaken goedkeuring aan het raadsbesluit voor de aankoop van een woonhuis in wijk B 951 om dit te doen afbreken of voor afbraak te verkopen.
In juli 1852 wordt overgegaan tot de openbare aanbesteding van enige herstelwerkzaamheden aan de gemeentelijke gebouwen. Aannemer hiervan is de timmermansbaas W.J. van Weert voor f 440. In september 1852 komt er een kennisgeving van de sloop van een pakhuis van de boekweitmaalder Jan Hendrik Cornelis Kakebeeke in wijk D 71.
Onderzoek wordt in oktober 1853 gedaan naar de bouwvalligheid van de huizen in wijk D 88 en 89 in de Sint Jacobstraat. Deze staan naast het Gasthuis in wijk D 1050. Het blijkt dat het eerste huis nog goed hersteld kan worden, terwijl het andere een gevaar voor het Gasthuis is en onbewoonbaar verklaard dient te worden.

Hoogerwerve

Vrouwe C.G.S. van Rosenthal weduwe van Hendrik Lenshoek van Zwake verzoekt de gemeenteraad in oktober 1848 om van stadswege vijftig voer aarde te bekomen voor het ophogen van de grond, begrepen binnen de ringmuur van haar onlangs afgebroken pakhuis in wijk A 190 om de grond gelijk te maken met de tuin van haar daaraan gelegen woonhuis. Het gemeentebestuur besluit haar toe te staan om de benodigde grond te halen van Hoogerwerve. Dit onder de voorwaarde dat de graszoden van die grond zullen moeten worden afgestoken om vervolgens, nadat het vervoer van de aarde zal hebben plaats gehad, die grond op haar kosten weer gelijk te maken en met de afgestoken graszoden opnieuw te beleggen.

In maart 1849 besluit de gemeenteraad tot het doen van enige herstellingen en veranderingen aan Hoogerwerve langs de Haven. Het gaat om het uitgraven van de grond tot bij de muur en het plaatsen van een kleiner schutsel in plaats van het nu bestaande en versletene. De kosten zijn berekend op ƒ 80,97. De uitgegraven stadsgrond aan de havenkant bij Hoogewerve neemt Servaas Lamsue van de stad over voor ƒ 10.

Kanaal Zuid-Beveland

In de vergadering van de gemeenteraad van 5 november 1849 doet de voorzitter een belangrijke mededeling over het kanaal door Zuid-Beveland. Zodra bekend werd dat door de Ministers van Binnenlandse zaken en Financiën met de heer Dirk Dronkers te Middelburg een contract is aangegaan voor de afdamming van de Oosterschelde en het doorsnijden met een zeekanaal van Zuid-Beveland in de richting van Hansweert en Wemeldinge, heeft hij dadelijk overwogen welke invloed dit op de gesteldheid van de stad zou kunnen hebben. 

Na raadpleging van een aantal notabelen en deskundigen is meer en meer de overtuiging gegroeid dat de verwijdering van het zeekanaal tot de stad voor deze noodlottige gevolgen zou kunnen hebben door de afsnijding van een voornaam deel van het eiland en het verleggen van nering, handel, vertier en bevolking. Hij heeft het daarom raadzaam, zelfs dringend nodig geoordeeld om bij de landsregering pogingen in het werk te stellen om zodanige veranderde richting te bekomen dat het kanaal in de nabijheid van de stad komt. Hij stelt voor een door hem ontworpen adres aan Zijne Majesteit de Koning aan te bieden met daarin gemotiveerd aangeven de gronden, dat de richting van het kanaal òf zeer nabij Goes zal bepaald en de concessionaris dit alsnog voorgeschreven wordt òf dat de aanvang van zijn werkzaamheden zal worden gestuit en een onpartijdig onderzoek door deskundige rijksambtenaren plaats heeft.
De gemeenteraad verenigt zich met de zienswijze van de burgemeester. Het ontworpen adres wordt aan Zijne Majesteit de Koning gezonden met een afschrift aan de Gouverneur.

De gemeenteraad maakt op 29 december 1849 bezwaar tegen het ontwerp voor het kanaal en vreest dat de stad van het oostelijke gedeelte van Zuid-Beveland zal worden afgesneden. De Gouverneur deelt mee dat hierin is voorzien door op vier punten draaibruggen aan te brengen.

Op 10 juni 1850 bespreekt de gemeenteraad een op 21 mei ontvangen brief van de heer  Dirk Dronkers te Middelburg. Daarbij deelt deze mee dat, bij een schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken als een gevolg op het vertoog van de raad van de stad Goes, is gevraagd of zijn onderneming genegen is een richting langs of nabij Goes lopende aan het kanaal door Zuid-Beveland te geven, indien een in te stellen onderzoek aan het gouvernement de overtuiging mocht geven dat zodanige wijziging in het algemeen belang raadzaam is te achten en tevens de raad uit te nodigen om over dit belangrijke voorstel in conferentie te treden.
De gemeenteraad benoemt een commissie, bestaande uit de heren burgemeester Van der Meer Mohr, wethouder Van Kerkwijk en raadslid Kakebeeke, om met de heer Dronkers in conferentie te treden.
De conferentie vindt plaats op de 24e juni 1850.
De heer Dronkers deelt daarbij mee ‘dat de aanvang dezer grote werken verder dan ooit verwijderd was en de grote belanghebbende geldschieters daarenboven van geen verandering in de eenmaal aangenomen plannen wilden horen, ja zelfs nu voor alsdan met een ophouden hunner deelneming dreigden; dat hij concessionaris mitsdien in bedenking gaf om van de zijde van de Raad deze zaak vooreerst in status quo te houden, wel bedacht zijnde om, wanneer er reden of aanleiding mocht komen tot een kanaal van kleinere capaciteit voor de binnenlandse vaart, het belang der stad Goes daarbij op het oog te houden’. De gemeenteraad neemt deze mededeling voorlopig voor kennisgeving aan.

Kerkgebouwen

Grote kerk
De kerkvoogden van de Nederduits Hervormde kerk delen het gemeentebestuur in mei 1849 mee dat ze ontdekt hebben dat de beide waterbakken van de kerk, onder de toren, door een ontstane lekkage dringend herstel behoeven. Ze hebben gemeend dit onmiddellijk te moeten laten herstellen. Dit heeft al plaats gehad en wel voor ƒ 31,20. Het gemeentebestuur besluit de helft van deze kosten voor rekening van de stad te nemen.

Klokkenspel
De stads klokkenist J.C. Labrandt verzoekt in maart 1847 eervol ontslag uit zijn functie wegens een benoeming te Middelburg met ingang van 1 augustus 1847.

Het bestuur van de afdeling Goes van de Maatschappij ter bevordering van de Toonkunst stelt voor om samen met het gemeentebestuur en het college van kerkvoogden van de Hervormde gemeente gemeenschappelijk maatregelen te nemen voor het voorzien in de vacerende functie van klokkenist. Het gemeentebestuur vaardigt naar dit overleg burgemeester Van der Meer Mohr en wethouder Hecking af om de keuze te doen. Het bestuur van de afdeling Toonkunst wijst mr. M.P. Blaaubeen en D. van den Bosch aan en de kerkvoogdij mr. Van Voorst Vader en ds. Swalue. Dit leidt er toe dat in augustus 1847 tot stadsklokkenist wordt aangesteld op een jaarwedde van ƒ 150 de heer Jan Kwast, organist te Woerden. Over hem zijn zeer gunstige inlichtingen ontvangen.

Stadsklokkenist Labrandt overlegt de gemeenteraad in mei 1847 een rapport over de staat waarin het klokkenspel verkeert. Het blijkt dat er vele gebreken aan het klokkenspel zijn en wel in het bijzonder door het dezer dagen springen en onbruikbaar worden van twee klokken. Daardoor kan het klokkenspel niet meer worden bespeeld. Het vereist een spoedige voorziening. In het vervolg dienen ook andere beschadigde klokken hersteld te worden, terwijl ook renovatie van het overige gebrekkige mechaniek van het gehele klokkenspel onvermijdelijk is. Het gemeentebestuur besluit tot het inruilen van de twee oude klokken en het aankopen van twee nieuwe klokken voor het stadscarillon. De benodigde kosten voor de reparatie van het klokkenspel van ƒ 300 komen ten laste van het fonds voor onvoorziene uitgaven. Ook in juli 1848 wordt op voorstel van wethouder Van Kerkwijk besloten een gebarsten klok uit het stadsklokkenspel te verkopen.

De nieuwe klokkenist Kwast wordt in mei 1850 naar Nijkerk beroepen. Het bestuur van de afdeling Goes van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst stelt het gemeentebestuur voor om, tot bevordering van de eenstemmigheid in de maatregelen die genomen zullen moeten worden, twee leden te benoemen om met twee leden uit het college van kerkvoogden en twee uit haar bestuur een speciale commissie te vormen om in de vacature te voorzien. Het gemeentebestuur stemt hiermee in en wijst namens de stad burgemeester Van der Meer Mohr en wethouder Hecking aan. Per 1 april 1851 wordt benoemd op een jaarwedde van ƒ 150 de heer J.F. Ahrensmann te Medemblik.

De gemeenteraad machtigt in januari 1851 het college van burgemeester en wethouders om het gebroken gewichtrad van de grote klok, dat 66 Nederlandse ponden weegt, bij de firma Bikkers en Co. te Rotterdam te laten vernieuwen. De kosten hiervan bedragen ƒ 50.

In september 1852 worden tot klokluiders aangesteld Johannes Mulder, Pieter Steutel en Iman Pieper op een jaarwedde van honderd gulden voor hen samen. Ze moeten hiervan aan de weduwen van de vroegere klokluiders Karel Mulder en Adriaan Zuidweg ieder elf gulden per jaar uitkeren.

Koopmansbeurs

Over de stand van zaken van de Koopmansbeurs in het jaar 1848 schetsen de commissarissen geen opwekkend beeld. Hun verslag over 1848 volgt hierna:   
‘De commissarissen over de beurs, J. Fransen van de Putte, G.H. Kakebeeke en A. Steendijk, wensen door het tegenwoordig verslag nogmaals een poging in het werk te stellen om de aandacht van het bestuur meer bijzonder op de aangelegenheden en de belangen van de graan-, zaad- en meehandel te vestigen. Ze doen dit tevens in de hoop dat hun goede bedoelingen in het belang van die handel, tot welzijn van de stad, toch eenmaal erkend en niet zoals tot dus verre, zo al niet miskend dan toch weer zonder enig gevolg zullen blijven.
Gedurende de drie eerste jaren na het oprichten van de Koopmansbeurs voldeden commissarissen getrouwelijk aan de hun opgedragen last, maar altijd zonder enig antwoord of gewenst gevolg, wat zij al bij hun brief van 6 april 1845 aan uw achtbaren te kennen gaven, doch vruchteloos, vermits bij uw wederschrijven van de 26e april wel is te kennen gegeven dat de voortzetting van het jaarlijkse verslag werd tegemoet gezien en daaraan de verdiende aandacht zou geschonken worden, zo zijn echter de verdere aangelegenheden in hun schrijven vervat tot dus verre buiten nadere behandeling of bericht gebleven evenzo hun wederschrijven van 20 oktober van dat jaar.
Ontmoedigd beschouwen zij het indienen van het jaarlijks verslag als een overtolligheid,  maar om des vredes wil hielden ze dit terug, dewijl zij door niet EEN enig blijk ener tegenovergestelde mening of van wezenlijke belangstelling bij uw achtbaren gedurende de nu bijna weer verlopen vier jaren zich opgewekt mochten vinden om van dit hun gevoelen terug te komen’.
 
Ze doen nogmaals een poging om de belangen van de beurs onder de aandacht van het stadsbestuur te brengen:

  • het beursgebouw is geheel ondoelmatig omdat het veel te klein is om bij een goede opkomst kopers en verkopers op te nemen, monstertafels te zetten, enzovoorts;
  • de koude wind en tocht, althans gedurende drie of vier wintermaanden van december tot maart, verwijdert alle gegadigden van de beurs, omdat het er inderdaad niet uit te houden is;
  • het daglicht is volstrekt ontoereikend zodra de beurs meer mensen bevat dan het ZEER GERING getal wat voor of tussen de pilaren plaats kan vinden;
  • terwijl eindelijk in die toestand alle uitbreiding, verbetering van de handel en al wat uitlokken kan tot het meerder en voortdurend bezoeken van de beurs, het zo noodzakelijk weren van de handel daar buiten, ten enenmale onmogelijk is, terwijl een en ander geheel niet bevorderlijk is om de landlieden steeds meer de marktdag te doen bijwonen.

Aan deze aanwijzingen voegen ze toe dat het een vereiste van de tijd is om betere gelegenheid tot het voortbestaan van de beurs te geven:

  1. voor de handel in zaden, waarvan de kleine zoals klaver, wikke en zovele andere, behoorlijk en bij het genot van genoegzaam licht, dienen te kunnen worden uitgestald;
  2. gelegenheid dient te worden gegeven voor de vlashandel en, meer nog, voor het opleggen, zien en bergen van meemonsters, waartoe het portaal naar de trap geheel ongeschikt is.

De commissarissen dringen aan op de volgende verbeteringen:

  1. het vaststellen van alle kopen en verkopen bij Nederlandsche maten;
  2. het wijzigen van de duur van de beurstijd. Bij de aanvang is deze op drie volle uren gesteld, van 12 tot 3 uur. De ervaring heeft echter overtuigend geleerd dat die tijd te ruim en te laat gesteld is, waardoor sommige landlieden in het vroege, anderen eerst in het late opkomen, eindelijk de meeste tussen 1 en 2 uur derwaarts doet gaan;
  3. de landlieden vinden dat de beurs te lang en te laat duurt;
  4. ze doen het voorstel om de beurs te houden op een andere dan dinsdag, wanneer deze op een algemene feestdag of nieuwjaarsdag invalt;
  5. tenslotte de kwaliteit en de kwantiteit van de oogst is slechts middelbaar. De tarwe, rogge, wintergerst, zomergerst, haver, erwten, paardebonen, vlas, het is alles teruggelopen.

De gemeenteraad besluit een commissie uit zijn midden aan te wijzen, bestaande uit de heren Van Kerkwijk, Kakebeeke en Soutendam, om met de commissarissen te confereren over het verslag.

Manhuis

De regenten over de algemene armen richten zich in oktober 1851 tot het gemeentebestuur over de noodzaak van een buitengewone renovatie van het Manhuis aan de Zusterstraat.
Jaarlijks moeten ze aan de stad betalen ƒ 400 voor de huur van het gebouw voor de functie van oude mannen- en vrouwenhuis om het door bedeelde armen te laten bewonen. Daarnaast komt het gewoon onderhoud van het gebouw voor hun rekening. Daarvoor wordt jaarlijks op de begroting een bedrag van ƒ 250 uitgetrokken. Maar met het meest mogelijke overleg is dit bedrag nauwelijks voor dat oogmerk toereikend. Er is in elk geval geen enkele ruimte voor buitengewone onderhouds- of herstellingskosten.
Intussen is het dringend noodzakelijk dat het dak van het gebouw geheel vernieuwd wordt, zoals ook aan de stadsarchitect bij een gericht onderzoek is gebleken. Deze heeft de kosten van de dakvernieuwing geraamd op ƒ 855,53. In deze kostenbegroting is uitgegaan van een gehele vernieuwing door verglaasde pannen, zoals thans voor een groot gedeelte  aanwezig. Dit komt de regenten als niet noodzakelijk en te kostbaar voor. Vooral omdat bij het dekken met gewone pannen, die nu voorhanden zijn en mede gebuikt kunnen worden, volstaan kan worden met een bedrag van ƒ 600.
De regenten verzoeken het gemeentebestuur de vernieuwing van het dak van het oude mannen- en vrouwenhuis te doen verrichten ten laste van de stadskas evenals dit in 1838 heeft plaats gehad met de herbouw van de gevel voor dat gedeelde van het gebouw dat bekend staat onder de naam van ‘Kelder, boven welke thans de gymnastiekzaal is ingericht’.
In mei 1852 wordt een gewijzigde berekening van de kosten voor de gehele vernieuwing van het dak van het Oude Manhuis ingediend. Deze voorziet in het afnemen van 9600 dakpannen, timmerwerk aan de dakkapellen en het herleggen met nieuwe pannen.

Poorten

Poorten algemeen
In april 1847 bespreekt het gemeentebestuur de aanstelling van poortiers voor de Ganzepoort, de Koepoort en de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort. Tot poortier van de Ganzepoort en de Koepoort wordt aangesteld Aalbrecht Reijerse en voorlopig tot wederopzegging voor de waarneming van de bediening van poortier van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort Hendrik Frenks.
 
De gemeenteraad besluit in december 1847 dat voortaan een retributie dient te worden betaald voor het openen van de stadspoorten. Met inachtneming van de jaargetijden worden de opening- en sluitingstijden van de poorten vastgesteld volgens de volgende tabel:

maand: geopend om: gesloten om:

januari

februari

maart

april

mei

juni

juli

augustus

september

oktober

november

december

6 uur

5 uur

4 uur

4 urr

3 uur

3 uur

3 uur

4 uur

4 uur

5 uur

6 uur

6 uur

5 uur

6 uur

7 uur

8 uur

9 uur

9 uur

9 uur

9 uur

8 uur

7 uur

6 uur

5 uur

De definitieve sluiting van de poorten zal gedurende het gehele jaar plaats vinden ‘s avonds om elf uur met uitzondering van de Ganzepoort en de ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort. Deze zullen de gehele nacht toegankelijk blijven.

In maart 1848 beraadt de gemeenteraad zich, naar aanleiding van het overlijden van Pieter de Munck, over de vervulling van de vacant gekomen bedieningen van poortier en tevens brugophaalder en boomsluiter. Hierbij rijst de gedachte om, zowel in het belang van de getrouwe waarneming van de functie als tot voordeel van de stedelijke financiën, de functies van brugophaalder en poortier van de Oostpoort, Bleekveldse en Havenpoorten met die van binnenhavenmeester en boomsluiter te verenigen. Door het verlenen van pensioen aan Cornelis Bosdijk, belast met de andere twee functies, kan dit nu gerealiseerd worden. Bij openbare bekendmaking worden dan ook sollicitanten opgeroepen voor de vacante stedelijke bedieningen van binnenhavenmeester, boomsluiter, brugophaalder en poortier van de Oostpoort, Havenpoort en Bleekveldse poort. Met deze gecombineerde bedieningen wordt belast Joris van Boven.

De ontvanger en de hoofdcommies van de stedelijke belastingen maken in augustus 1851  bezwaar tegen het ’s avonds open laten van de stadspoorten. Ook hebben ze kritiek op de surveillance van de nachtwacht ofwel de klapperlieden gedurende hun nachtdienst. Dit wordt aan de gemeenteraad voorgelegd.

De burgemeester herinnert de gemeenteraad in mei 1852 aan het besluit tot afschaffing van de poortgelden en het tijdelijke belonen van de poortiers en nachtwakers voor het gratis openen en sluiten van de poorten en de barrière. De beloning voor dit jaar wordt gesteld voor de Ganzepoort en Koepoort op ƒ 10, van de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière op ƒ 10 en voor de Oostpoort, Havenpoort en Bleekveldse poort op ƒ 5 per maand.

Ganzepoort
In oktober 1847 geeft J.B. Arentz het gemeentebestuur kennis dat hij van de aan hem in 1842 voor vijf jaar verpachte stadsgrond op het plein buiten de Ganzepoort geen verder gebruik zal maken.
Op voordracht van de majoor van de nachtwacht bepaalt de gemeenteraad in januari 1852 dat de nachtwacht voortaan, bij het vervangen van de poortier van de Ganzepoort, zal betrekken het bij deze poort geplaatste commieshuisje, evenals dit plaats heeft aan de ’s-Heer Hendrikskinderenbarrière. De majoor dient toe te zien op een zindelijk gebruik van die ruimte.
Aan de Ganzepoort worden in augustus 1852 24 kubieke ellen metselwerk vernieuwd. In april 1853 worden nog eens 30 kubieke ellen metselwerk aan de poort vernieuwd. Er worden hardgrauwe moppen aangebracht. De aannemer moet de arduinstenen bogen wegnemen en door nieuw bemetselde zoals de voorgaande vervangen. Hij moet de ijzeren leuning met de nodige voorzichtigheid wegnemen, herplaatsen en vastgieten.
Met de commandant van de schutterij wordt in oktober 1852 onderzoek gedaan of de toren van de Ganzepoort geschikt gemaakt kan worden voor het bergen van het kruit voor de schutterij.
Bij de storm van 25 op 26 september 1853 lijdt de toren van de Ganzepoort, evenals die van de Sint Maartenspoort, veel schade. De gemeenteraad overweegt dat deze toren tot niets dient, zodat het aanwenden van de noodzakelijke kosten tot herstel nutteloze uitgaven zouden zijn. Burgemeester en wethouders geven daarom de gemeenteraad in overweging zowel de toren van de Ganzepoort als de kaaikloktoren van de Sint Maartenpoort beide af te breken.

’s-Heer Hendrikskinderenpoort
Vanaf deze jaren begint een proces tot geleidelijke afbraak van de zeven stadspoorten.
Als eerste zal deze jaren de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, ook wel genoemd de westpoort, ten prooi vallen aan de slopershamer. Deze poort bevindt zich in zeer bouwvallige toestand.
De gemeenteraad neemt op de 29e januari 1847 kennis van een gunstige beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken voor het afbreken van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort om deze vervolgens door een minder kostbare afsluiting te vervangen.
Besloten wordt voorlopig de stadsfabriek een onderzoek naar de afbraak van de poort te laten doen en een berekening op te stellen van de kosten die noodzakelijk zijn voor het afbreken van datgene dat als volstrekt noodzakelijk moet worden beschouwd. Dit tot het voorkomen van ongelukken vanwege de bouwvallige staat waarin de poort verkeert.
Begin maart 1847 vindt de aanbesteding plaats van de afbraak van de ’s-Heer Hendriks-kinderenpoort. Aannemer G.L. Warrens mag voor de som van twintig gulden de poort met de vleugelmuren en het er tegen gebouwde wachthuisje afbreken. De sloop begint op de 22e maart. Er verschijnt een Publicatie in de Goesche Courant dat gedurende de afbraak de passage door de poort zal ophouden. De weg langs de begraafplaats wordt voor het verkeer open gesteld. Het declaratiekantoor van de stedelijke belastingen, het huisje van de poortier en van de nachtwacht worden verplaatst naar de Koepoort. De directeur van het postkantoor krijgt bericht over de stremming van de passage voor de postkoets.
De stadsfabriek en aannemer Warrens geven de verzekering dat de passage met ingang van zondag de 4e april zonder enig gevaar kan worden hersteld.

De gemeenteraad krijgt op 19 april 1847 een verslag van de burgemeester te horen over de staat van het werk tot afbraak van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, alsook van de noodzakelijkheid en doelmatigheid om in verband met deze sloop mede over te gaan tot het afbreken van het bouwvallige gebouwtje dat dient tot klapperwacht- en brandspuithuisje en deel uitmaakt van het poortgebouw. Besloten wordt tot afbraak van deze huisjes en een aanbelendend gebouwtje behorend tot de smederij die bewoond en gebruikt wordt door W.J. ten Cate.
Op de 1e mei 1847 wordt ook de afbraak van het bouwvallige klapperwacht- en brandspuithuisje, dat deel uitmaakt van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort, publiek aanbesteed aan Hermanus Boedt. Hij moet hiervoor ƒ 95 aan de stad uitkeren.

Ter gelegenheid van de afbraak van de poort en aanhorigheden besluit de gemeenteraad tegelijk het realiseren van een barrière tot vervanging van de poort nog niet in 1847 te doen maar tot volgend jaar uit te stellen. Wel zullen de nodige maatregelen worden genomen tot het aanbrengen van een tijdelijk gebouwtje als declaratiekantoor voor de administratie van de stedelijke belastingen alsook voor de nachtwacht. Er dient een plan gemaakt te worden voor de aanleg of inrichting van twee zaten voor het brandweerhuisje en voor het wachthuisje voor de nachtwacht aldaar. In juni 1847 besluit de gemeenteraad aan Pieter Theune, als laagste inschrijver, aan te besteden de aardewerken aan de afgebroken ’s-Heer Hendrikskinderenpoort voor de aan te leggen zaten voor de brandweer- en wachthuisjes voor ƒ 80.

In september 1847 besluit de gemeenteraad een commissie uit de raad op te dragen om met assistentie van de stadsfabriek een plan te ontwerpen voor het realiseren van een barrière of andere geschikte afsluiting op de plaats van de gesloopte ’s-Heer Hendrikskinderenpoort met de daartoe behorende werken van afgraving en dergelijke. Tot leden van de commissie worden benoemd de heren Van Kerkwijk, Saaymans Vader en Van Deinse.

In februari 1849 stelt de gemeenteraad de condities vast voor het aannemen van het stichten van de gebouwtjes behorende tot de barrière die de afgebroken ‘s-Heer Hendrikskinderenpoort zal vervangen. Verder wordt besloten de nodige ijzeren hekken en palen in een ijzerfabriek te Deventer te laten vervaardigen. In maart kan de bouw van de twee gebouwtjes worden aanbesteed aan aannemer Hermanus Boet voor ƒ 1500. En in juli wordt besloten onderhands aan te besteden enig aardewerk aan de barrière bij de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat aan Arie Bruynshoofd en Dirk de Heer als minste inschrijvers voor ƒ 55.

Op voordracht van de voorzitter besluit de gemeenteraad op 16 september 1850 om de op 13 september 1847 benoemde en op 7 januari 1850 aangevulde commissie voor het beramen van een beplantingsplan in de omtrek van de barrière aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk en verder daarmee in verband staande werken te verzoeken om zich bij de voortduur met deze aangelegenheid te belasten.
Gedeputeerde Staten verlenen in november 1850 goedkeuring om op de post voor onvoorziene uitgaven van de begroting van 1850 te beschikken over ƒ 250 voor de voltooiing van de werkzaamheden aan de nieuwe barrière bij de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat.

Koepoort
Tot meerdere verzekering van een nauwkeurige waarneming van de stedelijke belastingen en het faciliteren van het opzicht door de politie besluit het gemeentebestuur de Koepoort van 18 oktober 1847 tot eind maart 1848 steeds een uur later te openen en een uur vroeger te sluiten dan de overige stadspoorten. Hetzelfde gebeurt voor het winterseizoen 1848/1849 en 1849/1850.

In 1848 wordt een gedeelte (vijf taarlingsche ellen) metselwerk aan de Koepoortbrug vernieuwd door aannemer Govert Klemkerke, samen met metselwerk aan de Ganzepoortbrug voor ƒ 295. In 1849 worden aan de landhoofden van de Koepoortbrug vijf kubieke ellen metselwerk vernieuwd. Er worden 5000 stenen afgebroken en 2500 nieuwe hardgrauwe kleine moppen, van vorm soortgelijk aan de oude, en 2500 oude stenen vermetseld. De kosten zijn ƒ 92,96.

In december 1853 wordt schriftelijk opdracht gegeven aan de eigenaar J.F. Lippens om een gebouwtje of stal in de Wijngaardstraat bij de Koepoort in wijk D 811, vanwege gebleken bouwvalligheid, te herstellen of af te breken. Onder dat gebouwtje loopt een riool van de gemeente, dat gedeeltelijk is ingestort en hersteld moet worden.  

Sint Maartenspoort
Ook de Sint Maartenspoort, ook wel genoemd de Havenpoort of de Donkere Poort, wordt deze jaren gesloopt. Deze poort heeft een fraaie toren, die in de volksmond de kaaikloktoren wordt genoemd.

De schoenlapper Johannes van der Horst, wonend in het huis in wijk B 168, verzoekt in januari 1850 herstel van de ingevallen en verder bouwvallige staat ‘van de stadskasteelmuur aan de kaaikloktoren van de Sint Maartenspoort’. Zijn huis is daar tegen gebouwd en is daarmee verbonden. Alvorens hierop te beslissen wil het gemeentebestuur van de schoenmaker Van der Horst weten wie hem of de vorige eigenaren het recht of de bevoegdheid verleend heeft om tegen deze muur te bouwen en zijn huis in die muur vast te hechten.
Van der Horst geeft daarop te kennen dat ‘een gedeelte van de muur van het kasteel op de Molendijk aan stadskaaiklok door ouderdom is ingestort en gevallen door het dak en de zolder in de keuken van zijn woonhuis’. Een ander gedeelte van de muur alsook nog een gedeelte uitkomende op een bovenportaal staat ook eerstdaags in te storten en ‘te vallen  door het dak en de zolder en door een bovenportaal tot beneden in de voorvloer, waarvan de grootste ongelukken en schaden te vrezen zijn’.
Overigens verkeert de gehele kasteelmuur, uitkomende tegen en langs de erve van zijn woonhuis, in een zodanige bouwvallige staat dat van deze erve niet dan met groot gevaar gebruik kan worden gemaakt. Hij verzoekt een en ander zo spoedig mogelijk van stadswege te herstellen.
Het gemeentebestuur overweegt dat het woonhuis is gebouwd tegen en verenigd is ‘met de stadsmuur van den Cavalier op de Molendijk bij de kaaiklok’. Dit is al zo sinds onheugelijke tijden. Er zijn gegronde redenen tot herstel van de stadsmuur. Vanwege de aangebrachte schade zal aankoop van het pand goedkoper zijn dan herstel. Besloten wordt het college te machtigen tot de aankoop van de woning voor f 250.

De gemeenteraad besluit in januari 1851 de muur van de oude cavalier bij de kaaikloktoren op de Sint Maartenspoort zoveel mogelijk te doen af- en uitbreken. De bedoeling is om de daarvoor geschikte steen te benutten voor de te metselen muur aan de oude watermolen en het overige voor brikken ten dienste van de haven.

Op de 27e oktober 1853 deelt de burgemeester de gemeenteraad mee dat bij de storm van 25 op 26 september de spits van de kaaikloktoren van de Sint Maartenspoort zeer beschadigd is. De torenspits is oud en in een zeer bouwvallige staat. Het zal veel kosten vereisen om deze te herstellen. Aan het behoud van de toren is zijns inziens geen behoefte, omdat de wijzerborden van het uurwerk lager gesteld kunnen worden.
Overigens heeft bij deze storm ook de toren van de Ganzepoort veel schade geleden. Ook daarvan overweegt de raad dat deze toren geen nut meer heeft en kosten tot herstel nutteloze uitgaven zouden zijn.

Raadslid Van den Bosch ‘wenst dit denkbeeld uit te breiden door in beraadslaging te brengen het afbreken van de gehele kaaikloktoren met de daaronder staande poort, annexe klapbank enzovoorts, wat door hem ter uitvoering wordt voorgesteld’.
Burgemeester en wethouders wensen dit punt aan te houden tot na deze gelegenheid, maar inmiddels wel te amoveren wat zonder grote kosten niet te behouden is.
Raadslid Van Kerkwijk gaat nog verder. Hij geeft de gemeenteraad in overweging om het college te machtigen onderzoek te doen naar de kosten van aankoop van de naastliggende gebouwen. Dat zijn twee naast de poort staande woonhuisjes, namelijk van G. van de Velde dat tegen de klapbank staat en van N. Vertregt dat naast de poort staat. Dit voorstel, zowel tot afbraak van de torenspitsen van de Sint Maartenspoort en van de Ganzepoort, als tot het instellen van een onderzoek naar de kosten van sloop van de Sint Maartenspoort en naastliggende panden, worden met eenparigheid van stemmen aangenomen.

In november 1853 doet wethouder Van Kerkwijk verslag van zijn onderzoek naar de afbraak van de Sint Maartenspoort, de kaaikloktoren en twee ernaast liggende huisjes. Beide buurlieden hebben het wenselijke erkend van de voorgenomen ‘afbraak tot bevordering van gemak en sieraad’. Ze verklaarden zich bereid voor het bereiken van dat doel mee te werken en daarvoor hun eigendommen af te staan, het eerste huisje voor ƒ 1.000 en het tweede voor ƒ 2.000. Burgemeester en wethouders vinden echter deze bedragen zo overdreven hoog, dat ze menen daaraan geen gevolg te kunnen geven. De waarden van deze pandjes bedragen nauwelijks ƒ 300 en ƒ 600.  

Raadslid mr. Knokke van der Meulen legt de vraag voor of met de kaaikloktoren en de Sint Maartenspoort ook de klok zal wegvallen. Deze strekt toch tot gemak van de bewoners in die omgeving? De voorzitter merkt op dat er wellicht gelegenheid zal gevonden worden de klok naar elders te verplaatsen. De gemeenteraad besluit de beide huiseigenaren het gevoelen van de gemeenteraad mee te delen. De zaak wordt daarom aangehouden.

Oostpoort
In november 1848 deelt de burgemeester de gemeenteraad vertrouwelijk mee dat hem uit informatie van de Gouverneur is gebleken dat de aangewezen stadsgrond buiten de Oostpoort alleszins geschikt is bevonden voor de bouw van een nieuwe gevangenis. Het is echter zo dat de Oostpoort verbonden is met het oude stadsretranchement. Dit grenst onmiddellijk aan of staat op het voor de bouw van de gevangenis bestemde terrein. In dit retranchement bevindt zich een particuliere woning die geen stadseigendom is. Deze woning heeft ook nog eens een tuin op het retranchement, waar vandaan een vrij uitzicht op het afgesloten terrein voor de te bouwen gevangenis zal zijn. Dit zou aanleiding kunnen geven ‘tot het aanknopen van gemeenschap met de gevangenen’.
Het is daarom wenselijk dat deze woning wordt onteigend of aangekocht wanneer de gehele poort met het retranchement zou kunnen worden afgebroken. Waarschijnlijk kunnen de kosten van de aankoop van de woning uit de opbrengst van de afbraak van het poortgebouw worden bestreden. Geprobeerd zal worden om tot de aankoop van de particuliere woning over te gaan. Lukt de aankoop van de particuliere woning, dan is het de bedoeling om dan tevens de Oostpoort en het daarmee verbonden retranchement af te breken. Vandaar vindt het college het van belang om vooraf bekend te zijn met het gevoelen van de gemeenteraad of tegen sloop van het poortgebouw al dan niet bedenkingen bestaan.
De gemeenteraad neemt daarop een geheim besluit en spreekt uit dat het in het belang van de stichting van een nieuwe gevangenis is dat ingestemd wordt met de sloop van de Oostpoort en het daarmee verbonden retranchement, alsook met het daar aanwezige brugophaaldershuisje en het brandspuithuisje.

In december 1849 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de rijkscontroleur met de kennisgeving dat de Arrondissement Directeur van de Directe Belastingen genoegen neemt met de schikking om de rijkscommiezen het medegebruik van het wachthuis aan de Oostpoort toe te staan. Besloten wordt het declaratiekantoor van de stad aan de Oostpoort gratis beschikbaar te stellen. Mocht dit lokaal in het belang van de stad voor ander gebruik nodig zijn of bestemd worden, dan zal dat medegebruik zes maanden van tevoren aan ’s rijks administratie worden opgezegd.

Bleekveldse poort
Timmerman, metselaar en koopman Johannes Dekker Lzn, wonend buiten de Bleekveldse poort, verzoekt in mei 1847 zowel voor de vergroting van zijn daar staande timmermanswerkplaats en -winkel als tot meerdere vrijheid voor zijn tuin alsnog enige stadsgrond in gebruik af te staan, noordelijk tegen zijn timmermanswinkel tot onder aan de dijk en verder het gehele einde dijk, zuid oost tot aan  en in een rechte lijn met het einde van zijn tuin. Het gemeentebestuur is bereid deze grond voor acht jaar in erfpacht te geven. In maart 1851 wordt aan Dekker afgestaan 120 ellen bebouwde grond en erf alsook 1025 ellen wal of dijk liggende buiten de Bleekveldse poort voor een bedrag van ƒ 171,75.
Timmermansbaas Dekker geeft het gemeentebestuur kennis dat hij verlangt te profiteren van de vergunning, verleend bij raadsbesluit van 19 mei 1847, om timmerhout in te slaan tegen dadelijke betaling van de stedelijke belasting, met afschrijving en restitutie voor de uitvoer naar buiten de gemeente, zonder dat daaronder gemaakt of ongemaakt timmerwerk zal begrepen zijn of het verleende consent tot deze voorwerpen zal uitgebreid worden. Dekker krijgt bericht dat hij van deze vergunning gebruik zal kunnen maken op voorwaarde dat hij de door de gemeenteraad gemaakte bepalingen en gestelde voorwaarden nakomt.
Ook in juli 1853 dient timmerman en metselaar Johannes Dekker een verzoek in om op erfpacht een lap grond van de gemeente, groot 630 ellen, liggende aan de oostzijde van de haven, in wijk D 1124 te mogen gebruiken. Hij biedt aan de daarop staande 17 olmenbomen van de gemeente over te nemen tegen ƒ 100.

Postwezen

In januari 1847 verzoekt Adriaan Pieter Dronkers te Schore Gedeputeerde Staten toestemming voor de aanleg van een postwagendienst van Goes op de Yersekendam. Dit in verband met de stoomboten van de Stoomvaart Maatschappij te Rotterdam en de stoomboot ‘Amicitia’ van de heren Smits te Rotterdam, die van Rotterdam op Bergen op Zoom en Antwerpen varen. Het gemeentebestuur geeft hiervoor een gunstig advies aan het provinciaal bestuur met de aanbeveling van een bepaling in de concessie dat deze postdienst ook zal strekken tot gerief van reizigers van Goes naar Bergen op Zoom.
Gedeputeerde Staten verlenen de heer Dronkers de concessie voor het aanleggen van een (post)wagendienst van Goes op Yersekendam met verzoek om te zorgen voor de bepaalde borgtocht.

Het gemeentebestuur ontvangt in februari 1847 van de heren Dirk Dronkers, J.I. de Kanter en mr. P. van den Broeke een prospectus voor een op te richten Zeeuwsche Maatschappij van Stoomvaart op Londen. Omdat deze onderneming in het grootste belang voor Zeeland is stellen ze voor daaraan als gemeente deel te nemen en voor stadsrekening vijf aandelen te nemen, die één stem opleveren en samen goed zijn voor ƒ 1.200. De gemeenteraad besluit hiertoe. Het bedrag wordt gedekt uit het fonds van de voormalige gilden binnen de stad.
In april blijkt echter dat de onderneming een mislukking is. Het raadsbesluit tot het nemen van aandelen ten laste van de voormalige gildefondsen wordt ingetrokken.

In juni 1847 echter ontvangt het gemeentebestuur bericht van W. de Fouw Wzn namens de concessionaris A.P. Dronkers met de kennisgeving dat de wagendienst naar de Yersekendam op de boot van de Stoombootmaatschappij te Rotterdam gestaakt zal worden. Alleen de wagendienst voor de stoomboot ‘Amicitia’ zal worden voortgezet.
Daarop komt er in juli bericht van Gedeputeerde Staten aan de concessionaris A.P. Dronkers te Schore dat geen verandering in de dienst van zijn postwagen van Goes op Yersekendam gemaakt mag worden zonder hun toestemming. Ingeval deze dienst niet volgens de bepalingen van de concessie wordt waargenomen, zal dit bij proces-verbaal geconstateerd en vervolgd worden. Hiervan wordt kennis gegeven aan Dronkers en aan de commissaris van politie.
Maar in augustus 1847 komt er bericht van Gedeputeerde Staten dat Dronkers vergunning krijgt om zijn postwagendienst van Goes op Yersekendam alléén uit te oefenen wat betreft de stoomboot Amicitia van de heren Smits te Rotterdam die van Rotterdam op Antwerpen v.v. vaart. De Gouverneur vraagt in maart 1848 een verslag van de diligencedienst van Goes op Yersekendam met betrekking tot de stoomboot ‘Amicitia’.

In december 1847 komt er ook een postwagendienst op het Kortgeense veer.
Gedeputeerde Staten hebben Adriaan Pieter Dronkers te Schore en Willem de Fouw Wzn te Goes concessie verleend voor het aanleggen van een postwagendienst voor het vervoer van passagiers en goederen, waaronder vis en wild, tussen Goes en het Kortgeense veer in verband met de stoombootdienst tussen Middelburg en Rotterdam vice versa. Hiervoor geldt een personele borgtocht van ƒ 700. De diligencedienst gebeurt met gewone rijtuigen op riemen of veren voor het vervoer van passagiers en gewone vrachtwagens voor het vervoer van vrachtgoederen. In de gewone rijtuigen is het aantal zitplaatsen zes. Het aantal paarden voor deze rijtuigen is twee. De uren van vertrek uit Goes worden bepaald op 1 uur voor het vertrek van de stoomboot te Middelburg en 5½ uur na het vertrek van de stoomboot te Rotterdam. De rijtuigen zullen onmiddellijk na de aankomst van de stoomboot van het Kortgeense veer vertrekken.

Willem de Fouw deelt de Gouverneur in mei 1848 mee dat hij zijn postwagendienst van Goes op Hoedekenskerke v.v. in verband met de stoombootdienst van Vlissingen op Antwerpen wil beëindigen. Bij gebrek aan passagiers is deze dienst niet vol te houden. In zijn advies geeft het gemeentebestuur de Gouverneur te kennen dat het billijk is dit verzoek in te willigen. Deze diligencedienst wordt beëindigd met ingang van 30 juni 1848.
Ook de heer A.P. Dronkers wenst zijn postwagendienst tussen Goes en Yersekendam, bestaande volgens de concessie van 5 maart 1847, met ingang van de 30e juni 1848 te beëindigen.

In juni 1848 ontvangt het stadsbestuur verzoeken voor postwagen- of diligencediensten van:

  1. Cornelis de Jonge te Goes, concessionaris van de postwagendienst tussen Goes en Katsche Veer in verband met de stoomboot tussen Rotterdam en Middelburg;
  2. Cornelis de Jonge samen met Adriaan Pieter Dronkers en Willem de Fouw, concessionarissen van de postwagendienst tussen Goes en het Kortgeensche veer, gemeente Wolphaartsdijk, in verband met de stoomboot tussen Rotterdam en Middelburg, om hun wederzijdse concessies te verenigen onder de ‘Firma van Dronkers en De Fouw en compagnon’;
  3. Laurus Willeboer en Jan Koens, verhuurder van rijtuigen en paarden, voor de postwagendienst van Goes op het Katsche veer, in de veronderstelling dat de concessie van Cornelis de Jonge voor deze postwagendienst is vervallen;
  4. Adriaan Bruggeman, rijtuigverhuurder te Goes, voor de postwagendienst tussen Goes en het Katsche veer.

Het gemeentebestuur verenigt zijn adviezen op alle ingekomen verzoeken in één rapport. Gunstig wordt geadviseerd over de verzoeken van Cornelis de Jonge afzonderlijk en van De Jonge met Dronkers en De Fouw gezamenlijk. Dit wel met de bepaling dat de postwagendienst op het Kortgeense veer altijd met afzonderlijke voertuigen voor passagiers en voor vrachtgoederen zal moeten worden waargenomen. Door deze gunstige adviezen kunnen de verzoeken van Willeboer en Koens en ook van Bruggenman buiten aanmerking blijven.
Gedeputeerde Staten volgen de adviezen van het gemeentebestuur. Ze besluiten A.P. Dronkers en W. de Fouw, concessionarissen van een postwagendienst op het Kortgeense veer, en C. de Jonge, concessionaris van een postwagendienst op het Katse Veer, te vergunnen om deze diensten te verenigen en gezamenlijk uit te oefenen onder de ‘Firma Dronkers en De Fouw en comp.’, terwijl de verzoeken van L. Willeboer en J. Koens en ook van A. Bruggeman niet worden ingewilligd. Wel worden deze vrij gelaten zich nader te adresseren met inachtneming van de bestaande bepaling dat de postwagens van twee wedijverende ondernemingen niet dan met een tussenruimte van tenminste een vol uur na elkaar in dezelfde richting mogen vertrekken.

De commissionarissen van de postwagendiensten van Goes op het Catse en Cortgeense veer, de ‘Firma Dronkers en De Fouw en comp.’, delen het gemeentebestuur in april 1850 hun voornemen mee om met ingang van 1 mei 1850 de dienst op het Catse veer te staken, terwijl die op het Cortgeense veer zal worden gecontinueerd. Maar een week later blijkt uit het rapport van de commissaris van politie dat de postwagendienst op het Catse veer op de 1e april is hervat en geregeld wordt voortgezet.

De postwagendienst van Dronkers van Goes op het Catseveer v.v. houdt met ingang van 1 mei 1850 op. Het gemeentebestuur geeft Gedeputeerde Staten in juni 1850 bericht dat de concessionarissen van de postwagendienst van Goes op het Catseveer deze dienst met ingang van 1 mei finaal hebben gestaakt en daarvan meer dan een week tevoren op de voorgeschreven wijze aan het publiek hebben bekend gemaakt. Hun dienst op het Kortgeense veer wordt wel bij de voortduur geregeld waargenomen zoals dat ook op het Katse veer tot 1 mei heeft plaats gehad.

De Goese huurkoetsier Laurus Rijk vraagt daarop een concessie op dit veer in verband met de stoomboten van Middelburg op Rotterdam v.v. Hierover wordt gunstig geadviseerd. In augustus krijgt Rijk hiervoor een concessie.
Ook Pieter Panny te Goes, aannemer van het vervoeren van de brieven tussen Bergen op Zoom en Middelburg, verzoekt in augustus 1850 een concessie voor de aanleg van een postwagendienst van Goes op Katseveer v.v. Hij wil deze verbinden met de op te richten postdienst voor brieven, waarvan hij aannemer is geworden. Dit verzoek wordt afgewezen omdat Laurus Rijk in augustus 1850 al een vergunning heeft verkregen voor een postwagendienst op het Katse veer. Er kunnen geen twee diensten op dat veer bestaan.
Het gevolg hiervan is dat Pieter Panny en Laurus Rijk gezamenlijk gaan optrekken. In september 1850 verzoeken ze om het brievenvervoer naar het Katse veer van Panny te mogen verenigen met de concessie voor een postwagendienst naar dat veer van Rijk, dit met vermindering van de vracht op 60 c voor iedere passagier. Het gemeentebestuur adviseert hier gunstig op.

Er is in mei 1850 ook sprake dat de huurkoetsier Jan Koens een postwagen- of diligencedienst onderhoudt op de Vlissingse stoomboot. De Gouverneur wijst er op dat Koens hiervoor een concessie dient aan te vragen. De commissaris van politie gelast Koens hieraan te voldoen.
De Gouverneur verzoekt in juli om nadere inlichtingen over de postwagendienst van Koens naar het Katse veer in verband met de stoomboot van Vlissingen op Rotterdam. Het gemeentebestuur antwoordt dat deze dienst niet publiek wordt aangekondigd. De wagendienst heeft plaats onder directie van de logementhouder Breker zonder verplichting tot een geregelde waarneming zodat het reizende publiek daarop niet vast kan rekenen.

Aarnout Wisse, logementhouder te Yersekendam, krijgt in juni 1851 vergunning voor het aanleggen van een wagendienst van daar naar Goes in verband met de stoomboot Amicitia, die tussen Rotterdam en Antwerpen vaart. Hij moet wel steeds de wagen met twee paarden bespannen en de afstand uiterlijk in anderhalf uur rijden voor het vervoer van reizigers en vrachtgoederen die met de stoomboot te Yersekendam aankomen langs de straatweg over Kapelle en Kloetinge rechtstreeks naar Goes.

In oktober 1851 dient de huurkoetsier Laurus Rijk een verzoek in bij Zijne Majesteit de Koning om de hem in vereniging met Pieter Panny verleende concessie voor het aanleggen van een postwagendienst tussen Goes en Katseveer in verband met de stoombootdienst tussen Middelburg en Rotterdam in te trekken en geheel op hem alleen over te brengen. Het blijkt uit onderzoek dat er drie overtredingen begaan zijn, die achtervolgend zijn door drie vonnissen. Het is duidelijk dat deze overtredingen alleen aan Panny, die aan het Sloe woonachtig is, te wijten zijn. Bij voortzetting van de bestaande concessie zijn moeilijkheden te verwachten. Het gemeentebestuur adviseert de bestaande concessie te ontbinden en die alleen te vergunnen aan Laurus Rijk.

In mei 1852 wordt de concessie voor de postwagendienst tussen Middelburg en Goes van A.P. Dronkers overgedragen aan W. de Fouw.
Dirk Dronkers te Middelburg deelt in januari 1853 mee voornemens te zijn een stoombootdienst aan te leggen tussen Middelburg, Goes, Zierikzee en Bergen op Zoom. Hij verzoekt om voor rekening van de stad aan het Sas van Goes een gelegenheid te maken om met deze stoomboot aan te leggen. Dit kan op een eenvoudige en weinig kostbare wijze gebeuren.
Ook een andere Goese ondernemer, de heer J.A.A. Fransen van de Putte, vraagt in september 1853 vergunning voor een stoom- en zeilschependienst tussen Goes en Rotterdam v.v. voor het vervoer van personen en goederen.

Soms zijn er ook klachten over de postwagendiensten.
In juli 1848 ontvangt het gemeentebestuur klachten over het slechte rijtuig voor het vervoer van passagiers van de ‘Firma Dronkers en De Fouw en comp.’ van Goes op het Kortgeense veer naar de stoomboten van Middelburg op Rotterdam v.v. Dit is aanleiding om het rijtuig buiten dienst te stellen en door een nieuw rijtuig te vervangen.
In juni 1850 zijn er klachten over het niet overeenstemmen van de aankomst van de diligence van Goes op de dam van het Sloe en die van Middelburg aan de overzijde. Ook klagen passagiers over het laat aankomen van de postkoetsen, zodat ze wel eens lang in de open lucht aan de kant van Zuid-Beveland moeten wachten. De klachten kunnen meestal door de commissaris worden verholpen.

Jaarlijks rapporteert het gemeentebestuur aan Gedeputeerde Staten over de wijze van vervulling van de postwagendiensten in de stad.
Elk jaar moeten de postwagens gekeurd worden. Dit gebeurt door de commissaris van politie vergezeld van een wagenmaker en een smid. In 1847 zijn dit commissaris Frans Bakker, de wagenmaker Jacobus Lokerse uit ’s-Gravenpolder en de smid Cornelis Slink uit Wissekerke. Ze begeven zich naar de Nieuwstraat waar de rijen voertuigen samen zijn gebracht om de staat daarvan te inspecteren. Bij het constateren van gebreken krijgen de eigenaren een bepaalde termijn om de gebreken te herstellen. Daarna vindt een definitieve keuring plaats. Als de postwagens goedgekeurd worden krijgen ze als blijk van goedkeuring het stadswapen als waarmerk ingebrand. Bij de keuring in 1847 gaat het om de volgende postwagens of diligences:

  1. een diligence, toebehorend aan de heer A.P. Dronkers te Middelburg, gevoerd wordend door Jan Warrens, huurkoetsier en stalhouder te Goes;
  2. een kleinere diligence, toebehorend aan de heer A.P. Dronkers;
  3. een boerenwagen van Laurens Willeboer, vrachtrijder en koemelker te Goes, rijdend op de stoomboten op en van het Catse veer door de Wilhelminapolder, in dienst van de heer W. de Fouw;
  4. een boerenwagen van Pieter Panny, eveneens rijdend op en van het Catseveer op de stoomboot tussen Middelburg en Rotterdam, in dienst van de heer Cornelis de Jonge.

Bij de keuring in juni 1850 gaat het om de volgende postwagens of diligences:

  1. een driebanks diligence, rijdend tussen Goes en het veer van het Sloe;
  2. een driebanks diligence, eveneens rijdend tussen Goes en het veer van het Sloe; deze heeft sinds de laatste keuring geen dienst meer gedaan en zal nu inplaats van nummer 1 gebruikt worden;
  3. een bruine driebanks wagen, rijdend op het Cortgeense veer; deze is ter verfraaiing bij de schilder De Wijs in behandeling;
  4. een groene driebanks wagen, rijdend op het Cortgeense veer;
  5. een met een kap overdekte boerenwagen, uitsluitend dienend voor het vervoer van pakgoederen; deze is onlangs nog grotendeels vernieuwd;
  6. twee driebankswagens, rijdend tussen de stad en het Catseveer. De voerwagen die in deze dienst gebruikt wordt voor het vervoer van pakgoederen is door de keurmeesters tot zo lang de nodige herstellingen daaraan niet zijn verricht, finaal afgekeurd;
  7. een groene driebankswagen en een gele tweebankswagen; de laatste fungeert als bijwagen en dient volgens de keurmeesters van een derde bank te worden voorzien.

In januari 1852 zijn keurmeesters de wagenmaker Jacobus Bal en de smid Heertje de Graaf. Ze hebben zich naar de onderscheidene bergplaatsen van publieke middelen begeven en bevinden daar:  

  1. twee driebanks diligences, rijdend bij afwisseling tussen de stad en het veer van het Sloe, onder directie van W. de Fouw;
  2. twee gele driebankswagens, rijdend tussen de stad en het Cortgeense veer, onder directie van W. de Fouw;
  3. een met een kap overdekte boerenwagen, rijdend tussen de stad en het Cortgeense veer voor het vervoer van pakgoederen, onder directie van W. de Fouw;
  4. drie driebanks wagens, te weten twee groene en een gele, mitsgaders een met een kap overdekte boerenwagen, van de huurkoetsier L. Rijk en rijdend tussen de stad en het Catse veer;
  5. twee driebanks wagens, te weten een groene en een bruine alsook een gele, met kap overdekt boerenwagentje, van de huurkoetsier P. Panny, rijdend tussen de stad en het Catse veer.

In mei 1853 legt de burgemeester de gemeenteraad over een bij hem ingekomen aanschrijving van de Commissaris van de Koning over het houden van toezicht door de politie op het dragen van de brieventas door de brievenbestellers. Een aanschrijving hiervoor wordt verzonden aan de commissaris van politie.

De ondernemer Dirk Dronkers verzoekt in juni 1853 vergunning voor de aanleg van een steiger in de buitenhaven voor een door hem aan te leggen stoombootdienst tussen Middelburg, Goes, Zierikzee en Bergen op Zoom en om de boot van Zierikzee naar Bergen op Zoom bij het Goese sas aan te laten leggen en omgekeerd van Bergen op zoom naar Middelburg.

Reiniging en hygiëne

In mei 1847 wordt de bestaande pomp bij de stadsrioolgang in de Lange Vorststraat afgebroken. Er wordt een nieuwe pomp geplaatst in de Lange Vos.
De pomp op de Oude Vischmarkt wordt geheel uit elkaar gehaald, schoongemaakt en weer in elkaar gezet. De renovatie wordt uitgevoerd door aannemer G.L. Warrens.
Ook de pomp op de Grote Markt tegen het Stadhuis wordt geheel gereviseerd.

De stadsfabriek heeft in maart 1849 onderzoek gedaan om de oorzaken op te sporen van het dreunen van de ruimkarren bij het vervoer van de beer en om middelen te adviseren die beproefd zouden kunnen worden om het dreunen te verminderen. Raadslid Saaymans Vader wijst op de grote overlast die de ruimkarren veroorzaken met name voor de bewoners van de huizen op de kaaien. Volgens hem is het noodzakelijk om nu al weer terug te keren tot het oude middel van vervoer per slee. De meerderheid van de gemeenteraad besluit om de aannemer te verbieden met de huidige wijze van vervoer voort te gaan en terug te keren tot het vervoer van de beer per slee.

Bij de jaarlijkse verpachting van de vuilnis en de asbakken in juni 1849 komt een bepaald plan tot het beter regelen van het baggerwerk aan de orde. Een van de gegadigden oppert om de gemeenteraad voor te stellen om aan degene die pachter wordt gedurende zijn pachttermijn de bevoegdheid te geven om op zijn kosten de zoete en brakke vesten uit te baggeren en alle verdere verzamelplaatsen van modder te ledigen en zich toe te eigenen. Deze modder kan dan opgevoerd worden op stadsgrond en gedroogd worden. De gemeenteraad besluit tot deze concessie. Wel zal in de plaats van de brakke vest, de vest lopende vanaf het Stort tot in de Galgenhoek worden genomen.

De pachter van stads haardas en vuilnis, Otto Verhagen, geeft in januari 1850 zijn voornemen te kennen om een begin te maken met het opvoeren van zijn modder in de gewone stadsmestput. Hij verzoekt om gedurende de betreffende dagen de Koepoort niet vroeger te laten sluiten dan de overige stadspoorten. Hij wijst er op dat de stadsmestput binnen korte tijd zo vol zal zijn dat daarop geen meerdere mest zal kunnen worden gevoerd. Hij verzoekt een nieuwe plaats voor de opslag van straatmest aan te wijzen. Ook wijst hij op de bijna onberijdbare weg naar de tegenwoordige mestput. De gemeenteraad laat het aan burgemeester en wethouders over om aan de pachter toe te staan op het oude paardenkerkhof de vuilnis, as en andere stoffen op te voeren wanneer de huidige mestput volgevoerd is.

In april 1850 komt het laten uitvoeren van een plan tot aanleg van de grond in de nabijheid van de ’s-Heer Hendrikskinderenbarrière aan de orde. Besloten wordt om de asbak aan de binnenzijde van de dijk bij de Nieuwstraat te verplaatsen en naar een andere geschikte plaats over te brengen, alsook om een verdere afgraving te bewerkstelligen.

Er komt ook een aparte verzamelplaats voor oud ijzer, tin, lood en vodden. In mei 1851 krijgt de Joodse koopman Jacob Blitz toestemming om zijn pakhuis in de Korte Vorststraat te gebruiken tot bergplaats van oud ijzer, koper, tin, lood en vodden. Hij wil hier ook beenderen opslaan, maar dit wordt niet toegestaan.

De pachter van de haardas en het vuilnis, O. Verhagen, beklaagt zich in januari 1852 over het meer en meer toenemende misbruik wat betreft de straatmest. Dit in strijd met de bestaande bepalingen in de Publicaties van 11 mei 1816 en 26 mei 1832. Hij verzoekt een strikte handhaving van de bepalingen tot wering van het nadeel dat hem door zulke handelingen wordt toegebracht. De politie krijgt opdracht op deze misbruiken op de meest ernstige wijze te surveilleren.

Tal van ingezetenen verzoeken het gemeentebestuur om nieuwe schoorstenen te mogen aanbrengen. Zo bijvoorbeeld in 1853 de kleermaker Gerrit den Herder uit de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat, Ph. Vervenne in zijn huis op de Kaai, de kleermaker Benjamin Remijnse in zijn woonhuis in het Witte Paardstraatje, Johannes de Jonge in wijk B 167 en molenaar Adriaan de Bruijne in zijn woonhuis in wijk D 63.

Schansen en westerschansdijken

In 1846 is besloten de westerschansdijken af te graven en met de afkomende grond de bijliggende moerassen aan te vullen door de behoeftige volksklasse in de stad. Gedeputeerde Staten verlenen begin januari 1847 toestemming om tot voortzetting van het afgraven van de westerschansdijken en verdere werkzaamheden uit de in de stedelijke kas voor handen zijnde gelden te mogen beschikken over ƒ 2.400. Verder wordt berust in het daardoor noodzakelijke rooien van bomen aldaar. Deze worden geraamd op een waarde van ƒ 280.

De uit de gemeenteraad ingestelde commissie om de directie te voeren over het afgraven van de westerschansdijken bestaat uit de raadsleden Kakebeeke, Vervenne en Saaymans Vader. De commissie signaleert in februari 1847 dat het zich laat aanzien dat de uitgetrokken ƒ 2.400 voor het voltooien van het werk ontoereikend is. Dit komt vooral door de meerdere grond die naar verwachting nodig is, maar ook omdat een aantal daglonen is besteed voor de afzondering van het zeer goede zand dat in deze gemeente weinig of niet voorhanden is, alsook voor het rooien van de daarna verkochte bomen die daardoor een hogere waarde verkregen en opgebracht hebben.
De commissie geeft in overweging nog eens ƒ 400  voor dit werk uit te trekken. Dit bedrag kan worden gedekt uit de hogere waarde bij verkoop van de weggeruimde bomen en door de opbrengst van een massa uitgegraven en voor de stad niet benodigd zand dat te gelde gemaakt zal worden. Op 18 februari 1847 gaat de gemeenteraad akkoord met het voorstel. Gedeputeerde Staten krijgen een brief met de volgende inhoud:
‘Wij hebben de eer u te zenden de deliberatie van de gemeenteraad van de 18e februari, houdende aanvraag om autorisatie om tot voltooiing van de voorgenomen werken tot afgraving van de westerschansdijken en de aanwalling der bijliggende moerassen gedurende de lopende winter alsnog te mogen beschikken over een som van vier honderd gulden, te vinden uit de in de stadskas voorhanden zijnde gelden ter regularisatie in de stedelijke begroting van 1848’. In maart 1847 keuren Gedeputeerde Staten het raadsbesluit goed dat er in voorziet om voor de voltooiing van de werken aan de westerschansdijk te beschikken over een bedrag van ƒ 400 uit de beschikbare fondsen.  

De nieuw verkregen grond van de afgegraven westerschansdijk, liggend in de brakke vest, met de grondslag van de afgegraven dijk langs het Stoofweitje, wordt vanaf 1 januari 1847 voor negen jaar in massa ter grootte van 1 bunder en 37 roeden en 12 ellen publiek verpacht aan Hendrik van den Berge voor ƒ 100 per jaar.
Bij Gedeputeerde Staten wordt in maart 1847 aangifte gedaan van de verrichte droogmaking van het moeras, dat een gedeelte uitmaakt van de brakke vest in sectie A 274, tot het verkrijgen van vrijdom van verhoging van grondbelasting voor de tijd van 25 jaar.
In juli geeft de controleur van het kadaster kennis dat de stad voor de droogmaking van de brakke vest voor 25 jaar vrijdom is verleend van verhoging van grondbelasting.

De commissie, belast met de uitvoering van de werken tot afgraving van de westerschansdijken gedurende de afgelopen winter, legt de gemeenteraad in april 1847 een schriftelijk rapport over van de afloop van het werk. De kosten hebben bedragen ƒ 2.773,96. Onder dankzegging aan de commissie voor haar werkzaamheden gaat de raad akkoord met de afrekening.

In september 1851 verzoekt de aannemer van het verleggen van de postweg de, vanwege de rooms-katholieke kerk, gedeeltelijk ontgraven grond van de dijk achter de meestoof ‘de Liefde’  te mogen brengen onder hetzelfde beloop als de nieuw aangewonnen grond op die plaats. Tevens verzoekt hij de voor hem niet bruikbare grond te mogen voeren in de brakke vest met de aanwezige teelaarde boven en daarvoor tot zijn profijt te mogen wegvoeren ten dienste van de postweg het aanwezige zand, berekend op 100 kubieke el voor dertig gulden.

Schutterijgebouwen

De metselaarsbazen Hermanus Boet en Gillis Levinis Warrens en de politieagent Jan van de Weert dienen in januari 1848 een rekest in bij de gemeenteraad. Ze verzoeken beëindiging van de huur van de stadsgrond waarop voorheen de schutterij van de Edele Busse of het Sint Adriaangilde heeft gestaan. Politieagent Van de Weert verzoekt de huur op dezelfde voet te mogen voortzetten. Het gemeentebestuur besluit het verzoek in te willigen en Van de Weert toestemming te verlenen om het plein van de schutterij te gebruiken.

Hendrik van den Berge, pachter van de zogenaamde Stoofweide van de stad, geeft het gemeentebestuur in juli 1849 kennis dat hij door het schuttersgilde van de edele Handboog ‘Altijd in Roeren’ is aangezocht om op de weide tegen enige vergoeding vergunning te verlenen tot het daarstellen van een Steng voor het vogelschieten op deze weide en om die schieting daar van tijd tot tijd te doen plaats hebben. Hij verzoekt om te mogen vernemen of bij het college bedenkingen bestaan die beletten om het verlangen van het schuttersgilde in te willigen. Besloten wordt Van den Berge te kennen te geven dat, wanneer de oefeningen van het schuttersgilde geschieden onder de nodige voorzorgen, tot voorkoming van ongelukken, en het gebruik, dat de stedelijke schutterij van deze weide maakt, daardoor niet verhinderd of bemoeilijkt wordt. In dat geval heeft het college geen bedenkingen tegen het inwilligen van het verlangen van het schuttersgilde.

Spoorweg

Op de 1e oktober 1853 ontvangt de gemeenteraad een brief van de Commissaris van de Koning van de 21e september. Deze bevat het nieuws dat de Minister van Binnenlandse zaken, door Zijne Majesteit de Koning gemachtigd, een voorlopige concessie verleent voor de aanleg en exploitatie van een spoorweg vanaf Vlissingen via Middelburg, het Sloe, Goes en de Oosterschelde langs Bergen op Zoom, Roosendaal, Breda en ‘s-Hertogenbosch tot de Maas tegenover Venlo. De voorlopige concessie is verleend onder de voorwaarde dat aanvankelijk een zeker kapitaal in ‘s rijks schatkist zal worden gestort of de waarde daarvan op een rijkskantoor zal worden gedeponeerd.

Straten, wegen en plantsoenen

In 1847 constateert het gemeentebestuur dat de buurtwegen en voetpaden alle in goede staat verkeren.
Sinds vele jaren is er, als gevolg van de droogte en menigvuldige aanmaningen, zeer veel gedolven, waardoor de af- en doorwatering aanzienlijk is bevorderd. De verbeterde afwatering van de zogenaamde Poel en van de suatie van de Goese Polder in de brede watering werken ook mee aan de verbetering van de waterleidingen en wegen.

De gemeenteraad besluit in juli 1847 om de nieuw aangelegde weg, lopende van de Geldeloozeweg naar en over de weide achter de meestoof ‘de Liefde’, tot gerief van de werkzaamheden voor de landbouw nu en vervolgens jaarlijks op bepaalde tijden open te stellen. Wel zijn de passanten verplicht om telkens de slagbomen behoorlijk te sluiten. De weg zal alleen bij gedoging en toelating mogen worden gebruikt en bereden.

Deze jaren worden de straten over de stadssingels volledig begrind.
Eind 1846 was al besloten tot het bepuinen en verbeteren van de rijweg langs een gedeelte van de Oostsingel. In juli 1847 krijgt aannemer Charles Cornu opdracht voor het over een lengte van 300 ellen leggen van een bepuinde baan op de stadssingel voor ƒ 180.

In september 1849 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van de heer Jan Karel van Baalen en andere eigenaren en gebruikers van landerijen in de Goesche Polder. Ze geven te kennen dat na het aanleggen van de nieuwe begraafplaats van stadswege uitsluitend gebruik is gemaakt van de dijk naar de begraafplaats. Deze werd vroeger door de eigenaren en gebruikers van die gronden mede bereden. Ze zijn daardoor verplicht zich te bedienen van de aarden weg binnendijks die bij regenachtig weer bijna onbruikbaar is. Hun verzoek is van stadswege het benodigde zand dat daar in de nabijheid aanwezig is af te staan voor het opzanden van de aarden weg. Ze zijn bereid dit voor hun rekening op te laden en op die weg te voeren. De gemeenteraad besluit toe te staan de bedoelde weg te verbeteren. Ze mogen van de in de nabijheid van de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort voorhanden zandgrond zoveel afnemen en laten vervoeren als nodig is, zonder dat dit tot benadeling of vermindering van wat de stad zelf nodig heeft zal leiden.

Op woensdag 26 september 1849 houdt het college schouw over alle buurtwegen in de gemeente. In verband daarmee worden de wegplichtigen en verdere belanghebbenden aangemaand en gewaarschuwd om te zorgen dat de voorgeschreven wegen in behoorlijke staat en geëffend zijn. Alle laagten, slagsporen, gaten en putten moeten behoorlijk
aangevuld en de kanten van de wegen van distels, brandnetels en verdere ruigten gezuiverd zijn. Ook de waterleidingen, sprinken, sloten en gruppen langs de wegen moeten volkomen zijn schoongemaakt.

Het gemeentebestuur geeft in juli 1850 de heer Verhagen als pachter van de stadsvuilnis- en asbakken, op grond van de voorwaarden voor de verpachting van 9 juni 1849, opdracht om zorg te dragen voor het vervoer van de keisteentjes die bestemd zijn om daarmee het voetpad of de wandeling langs de stadssingels, te beginnen buiten de Oostpoort, te beleggen. Deze zijn in de stadsschuur aan de Houtkaai voorhanden.

Als gevolg van de werkzaamheden rondom de voormalige ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de aangelegde barrière zijn er verzakkingen en daardoor waterplassen ontstaan. De gemeenteraad besluit in februari 1851 om dit euvel weg te nemen en de nieuwe weg van de Nieuwstraat naar de barrière ter breedte van vier ellen te bestraten.

Enige bewoners van de Sint Jacobstraat verzoeken in juli 1851 om aandacht voor de behoefte aan herstel of herbestrating van deze straat en de oprel vanuit deze straat naar de Kaai. De gemeenteraad overweegt dat de bekrompenheid van de fondsen voor straatwerk niet toelaat aan dat verzoek direct gevolg te geven. In een volgend jaar zal worden bezien of dit werk mogelijk is.

De landbouwer en grondeigenaar Jan Karel van Baalen betoogt in juni 1847 dat het voor hem noodzakelijk is geworden een dam met heul te leggen in een sloot tussen de oude singelweg en de door hem bewoonde hofstede ‘Klein Frankrijk’. Hij verzoekt hiervoor vergunning ingevolge het Reglement op de buurtwegen. Hij krijgt toestemming om in de sloot tussen de oude singelweg en het Hof ‘Klein Frankrijk’ een dam te leggen, voorzien van buizen voor de aflozing van het water. Deze zullen over de gehele lengte van de dam, zijnde drie ellen en ruim zeven duim, een wijdte moeten hebben van tien en een halve Nederlandse duimen.
Ook in februari 1852 geeft J.K. van Baalen te kennen voornemens te zijn om een gedeelte van de weg aan zijn hofstede ‘Klein Frankrijk’ en wel van de dijk tot aan de eerste dam van de hofstede, voor eigen rekening te laten bestraten en voortdurend te onderhouden. Hij krijgt hiervoor toestemming en wel voor het gedeelte lopende van de ’s-Heer Hendrikskinderendijk tot aan de eerste dam van zijn hofstede.

In april 1852 deelt de Minister van Binnenlandse zaken mee dat door de stad kan worden beschikt over de straatkeien, afkomstig van een voetpad naast ’s rijks grote weg der 1e klasse. Hij verzoekt die keien zodra mogelijk van ‘s rijks weg weg te voeren. Daaraan wordt direct voldaan.

In de vergadering van de gemeenteraad van 3 december 1852 vraagt raadslid Vervenne aandacht voor het begrinden van de singel van de Voorstad tot aan de Oostpoort. Dit is een weg die, zoals ieder zal moeten erkennen, dringend een zodanige verbetering vordert.
Na onderzoek is het college van oordeel dat de weg op deze singel in een onbruikbare staat verkeert. Het gevolg hiervan is dat het vervoer van bomen en andere zware vrachten, dat vroeger langs die weg plaats vond, thans door de stad gebeurt. Dit is zeer tot nadeel van de inwoners, want de straten aan de oostzijde van de stad zijn zeer nauw en er zijn al verscheidene klachten ingekomen over de schade aan huizen en kelders door het gedreun van de zware vrachten. Het college wil zelfs nog verder gaan en de begrinding uitbreiden van de Oostpoort tot aan de zogenaamde galghoek, waar de weg ook ten enenmale onbruikbaar is en niet dan met grote kosten in redelijke staat te brengen en te onderhouden zou zijn. Niettemin wordt het college weerhouden een voorstel te doen vanwege de grote kosten. Daarop doet de heer mr. P.J. van Voorst Vader, bewoner van de buitenplaats, vanwege zijn persoonlijk belang een aanbod om een bijdrage in de kosten te verlenen van ƒ 500 à ƒ 600.
Het college vindt dit zeer aannemelijk en stelt nu voor om de beide wegen te begrinden. De
kosten van het eerste perceel zullen bedragen ƒ 700 en van het tweede perceel ƒ 2.030. Op de kosten van het tweede perceel wordt in mindering gebracht de bijdrage van de heer Van Voorst Vader van ƒ 530, zodat voor rekening van de gemeente komt een bedrag van ƒ 1.500. De totale kosten voor het begrinden van de singels zullen in totaal ƒ 2.200 bedragen.
De heer Van den Bosch ziet in het begrinden van het tweede perceel bezwaar omdat die weg weinig bezocht wordt behalve door de heer Van Voorst Vader, die er zijn buitenplaats aan heeft liggen. Het komt hem voor dat de singel aan de westzijde van de stad, van de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière tot aan de Ganzepoort, veel meer behoefte aan een zodanige verbetering heeft.
Uiteindelijk gaat de gemeenteraad voltallig akkoord met het begrinden van de singel van de Voorstad tot aan de Oostpoort. Ook tot het begrinden van de weg van de Oostpoort tot in de Galghoek wordt besloten met 7 stemmen voor en 3 tegen (van de heren Van den Bosch, Hochart en Smallegange). De gemeenteraad besluit ook op 3 december 1852 tot het begrinden van de weg langs de westzijde van de haven, vanaf de Havenpoort tot aan de Wilhelminapolder, met een lengte van 1200 ellen en een breedte van drie ellen. De kosten bedragen ƒ 1.200. Hiervoor wordt Gedeputeerde Staten om een renteloos voorschot gevraagd. Deze weg kan in de winter niet dan met gevaar worden bereden.

Gedeputeerde Staten geven in mei 1853 goedkeuring voor een renteloos voorschot van ƒ 3.400 voor het begrinden van de weg even buiten de Havenpoort tot de Wilhelminapolder, van de weg van de Voorstad tot aan de Oostpoort en van die van de Oostpoort tot de galghoek.
Wat betreft het begrinden van de straten over de stadssingels wordt het werk gemijnd door aannemer Servaas Lamsue voor ƒ 4200. Hiervan draagt de provincie renteloos een voorschot bij van ƒ 3.400 en de heer mr. P.J. van Voorst Vader ƒ 530. Er blijft dan nog een tekort van ƒ 270. Om dit te dekken is de heer Van Voorst Vader bereid zijn bijdrage te verhogen naar ƒ 700 en is de aannemer Lamsue bereid zijn aanneemsom te verlagen naar ƒ 4.100.   

In januari 1853 blijkt dat de straten van de stad zeer veel te wensen overlaten. Een ruime verbetering is dringend noodzakelijk. Als een wezenlijke en duurzame verbetering bereikt wil worden, dan moet niet voortdurend met oude en grotendeels versleten stenen bijgeboet of enkele vakken daartussen met nieuwe steen belegd worden, maar moet een gehele straat opgebroken en door nieuwe steen vervangen worden. Uit de opengebroken oude straat moeten de nog bruikbare stenen uitgezocht worden om die weer in een andere, minder bereden straat te worden verwerkt.
De leden van de gemeenteraad hebben waarschijnlijk de nieuw aangekochte straatkeien gezien die buiten de Bleekveldse barrière gelegd zijn. Dat zijn een soort keien die in de Belgische steden voor de bestrating worden gebruikt en die wel tot voorbeeld kunnen strekken. De daar liggende keien waren aanvankelijk bestemd voor de nieuwe bestrating van de Lange Kerkstraat en de Klokstraat tot aan het Witte Paardstraatje. Maar een inspectie van het overige gedeelte van de Lange Kerkstraat heeft de gemeenteraad doen inzien het wenselijke en noodzakelijke van nieuwe bestrating van de gehele straat tot aan de Grote Markt toe. Dus ruim 600 vierkante ellen meer dan begroot was. Daarvoor zouden nog eens ruim 30.000 keien nodig zijn. Dit zou voor aankoop en transport ongeveer ƒ 1.200 hebben gevergd. De gemeenteraad besluit, gelet op de financieel gunstige staat van de gemeente, deze uitgaaf van ƒ 1.200 te doen voor de gehele herbestrating van de Lange Kerkstraat.

Telegraafkantoor

In maart 1853 bepleit de Kamer van Koophandel een positief advies af te geven ten aanzien van een ontvangen brief van de Minister van Binnenlandse zaken over het verkrijgen van de elektromagnetische telegrafische lijn langs de gemeente. De gemeenteraad besluit naar aanleiding van het verzoek van de Kamer van Koophandel een positief advies aan de Minister te geven.  
In november 1853 verneemt het college met zekerheid dat een telegraafkantoor noch in Goes noch in een ander gedeelte van het eiland zal worden gevestigd. Alleen zal de bodem dienen om de draad voor de communicatie met andere provincies en rijken te dragen zonder daarvan enig genot te hebben. Dit zou bij veelvuldige stremming van de gewone middelen van communicatie voor de ingezetenen in het algemeen en voor de handel in het bijzonder van zeer veel belang zijn. Om zo’n kantoor in Goes te verkrijgen zou aan het gouvernement een jaarlijkse bijdrage van ƒ 2.000 moeten worden gegarandeerd. Dit is voor het gemeentebestuur al te bezwarend en naar haar oordeel kan daaraan niet worden gedacht. De gemeenteraad stuurt daarop een nader adres aan de Minister van Binnenlandse zaken.

Verkoop stadsbomen

In de gemeentelijke begroting voor 1848 zijn voor verkoop aangewezen 400 rooibare bomen op de stadswal van de Ganzepoort tot aan de oprel van de katoenweverij. Deze zijn in november 1848 andermaal in het openbaar geveild. Er is echter niet meer dan ƒ 2.123 voor geboden, terwijl in de begroting hiervoor ƒ 2.400 is geraamd. Maar nadien hebben zich liefhebbers opgedaan die uit de hand geboden hebben een bedrag van ƒ 2.605. Overgegaan wordt tot verkoop van deze bomen.
In april 1849 worden de bomen aan de stadswal van de Ganzepoort tot de weeffabriek publiek verkocht. De opbrengst is ƒ 238,68.
Ook in 1852 wordt weer een groot aantal stadsbomen publiek verkocht. Het gaat om 234 essen en 57 wilgenbomen aan de buitensingel van de gemeente naar de zogenaamde galghoek, vanaf de dijk tot aan de woningen van de afgebrande oliemolen van de erven Peeman. De opbrengst is ƒ 156,85.
In 1853 komt ook het rooien en verkopen van bomen in de gemeente aan de orde. Het gemeentebestuur stelt voor hieronder ook de bomen op de Grote Markt mee te nemen. Dit om de volgende redenen: a. omdat ze niet groeien; b. omdat ze niet genoeg wortel schieten en daardoor telkens uitwaaien en c. omdat ze daardoor niet tot sieraad strekken.
De gemeenteraad besluit hiertoe.

Ook de houtzaagmolenaars en houthandelaren, de gebroeders Harinck, verzoeken in december 1853 om enige bomen van de gemeente, die hinderlijk zijn voor de windvang van hun molen, te rooien. Bij inwilliging van hun verzoek zijn ze bereid jaarlijks aan de gemeente een bedrag van ƒ 1.200 te betalen, namelijk door de gebroeders Harinck ƒ 800 en door de  korenmolenaar J. Adriaanse van de molen ‘de Vijf Gebroeders’ ƒ 400.  Het blijkt overigens dat molenaar Adriaanse zijn molen al heeft opgehoogd met drie ellen, maar dit heeft onvoldoende geholpen.
De gemeenteraad besluit in grote meerderheid (de voorzitter en wethouder Van Kerkwijk zijn voor) het voorstel af te wijzen. Men vindt het een te grote aantasting van het sieraad van de gemeente en van het genoegen dat de plantsoenen voor de ingezetenen betekenen.
Uiteindelijk worden in december 1853 de volgende bomen gerooid:

  • op de Grote Markt 13 platanen en 8 essen;
  • op de wal tussen de Keizersdijk en de Koepoort 6 wilgen en 4 zachte olmenbomen, samen 10;
  • op de wal van de Koepoort tot de gortmolen 27 olmen en 4 wilgen, samen 31;
  • op de wal van het lijndraaiershuisje tot het ravelijn 3 wilgen, 1 essen en 4 olmen, samen 8;
  • van het ravelijn tot de oliemolen 9;
  • op de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk van de westpoort tot het scheid 94 olmen, 16 abelen en 1 es, samen 111.

Uit een inventarisatie van de gemeentelijke bomen op de markten en wallen in 1853 blijkt de aanwezigheid van 8 azalea’s en 13 platanen op de Grote Markt, 10 essen en 11 zachte olmen op de Beestenmarkt, 83 zachte olmen op de wal tussen de Oostpoort tot aan de waaihoek, 22 zachte olmen op de Keizersdijk, 20 zachte olmen op het plein ‘van de hoge bomen’, 190 zachte olmen en 6 tronkbomen op de wal van het plein ‘van de hoge bomen’ tot aan de Koepoort, 27 zachte olmen en 4 wilgentronkbomen op de wal van de Koepoort tot de gortmolen, 107 zachte olmen, 1 es en 3 wilgentronkbomen op de wal van het lijndraaiershuisje tot het ravelijn, 9 essen op de wal voor de oliemolen ‘de Hoop’, 99 gekandelaarde bomen, 3 essen, 27 gekandelaarde olmen en 5 fruitbomen op het ravelijn. Dit betreft alleen de wallen en markten. Uit de totale inventarisatie blijkt dat de gemeente ettelijke duizenden bomen bezit, voornamelijk olmenbomen.

Verlichting

De commissaris van politie dient in oktober 1848 een proces-verbaal in tegen Johannes Goossen, de aannemer van de stedelijke verlichting, wegens het te vroeg uitgaan van de stadslantaarns. De aannemer zou daardoor over 66 lantaarns volgens de condities van aanbesteding verbeuren ƒ 66, te korten op zijn aannemingsprijs. Dit zal zeker gebeuren tenzij Goossen voldoende redenen van verschoning weet aan te voeren. Het gemeentebestuur verschoont aannemer Goossen voor dit maal wegens zijn huiselijke omstandigheden.

In augustus 1851 ontvangt de gemeenteraad een brief van C.C. Ferrari te Amsterdam met het voorstel om de stad door middel van gas te verlichten. Dit voorstel wordt aangehouden omdat de stedelijke verlichting tot eind december 1852 is aanbesteed.

Vesten en putten

De gemeenteraad overweegt in maart 1848 dat bij de verpachting van de brakke vest in 1843 voor de visserij deze voor zeven jaar is toegewezen aan Servaas Lamsue voor ƒ 5 per jaar. Door het toegroeien, opdrogen en grotendeels overgraven van de vest heeft de pachter in het jaar 1847 geen inkomsten uit deze visserij gehad. Ook in het vervolg zal hij deze niet kunnen hebben. Daarom is er alle reden om de wens van de pachter om de pacht per 1847 voor geëindigd te houden in te willigen. Besloten wordt om vanwege het geheel vervallen van de visserij in de brakke vest de bestaande pacht vanaf 1847 voor geëindigd en vervallen te houden.

In juli 1849 komt het uitbaggeren van de vesten in de gemeenteraad ter sprake. Besloten wordt de pachter en concessionaris, de heer O. Verhagen, toe te staan om op de eerste van de volgende maand te beginnen met het baggeren of modderen aan het einde van de gracht van de Oosterschans tegen de oude zeedijk. Hij krijgt toestemming om de uitgehaalde modder neer te leggen eerst op de driehoek achter het zomerhuis van de heer Van Voorst Vader en op de volgende driehoek achter de Oosterschans. Daarna kan dit gebeuren op de laagte bij het Stort aan de Oostpoort. Dit alles dient te gebeuren met de nodige omzichtigheid tot bescherming van het houtgewas en in goed overleg met de pachters van de visserijen en van de grassetting.

De heer Verhagen geeft in oktober 1849 te kennen dat de hem aangewezen grond voor het opvoeren van modder eerstdaags volgestort zal zijn en dat de laagte beneden het Stort daarvoor ongeschikt is. Daarom verzoekt hij aanwijzing van andere stadsgrond. Het gemeentebestuur geeft hem te kennen dat naar haar oordeel op dit ogenblik geen andere grond beschikbaar is dan die van de Schotteput naar de Oude Karremans mestput.

Waag onder het Stadhuis

In december 1852 verhuurt het gemeentebestuur aan de controleur van de directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijnzen, J.L. Liebert, het genot en gebruik van het in de Waag van de stad, onder het Stadhuis op de Grote markt, aanwezige weegtoestel. Dit is mede ingericht voor het wegen van slachtvee. In het gemeentearchief bevindt zich een tekening van het weegtoestel in de waag van de hand van stadsarchitect De Lannee de Betrancourt.

Wallen en kaden

De gemeenteraad besluit in januari 1851 om 90 bomen, staande aan de westzijde van de Pier en Pinkspolder bij de afgegraven schans, te laten rooien. De bomen zullen gebruikt worden voor de te vernieuwen beschoeiing van de Boomkaai.
In juli 1851 stelt de gemeenteraad de condities voor de openbare aanbesteding van de werken tot herstel van de Boomkaai buiten de Bleekveldse poort vast. In augustus vindt de publieke besteding plaats van het voorgenomen timmerwerk voor de vernieuwing van de beschoeiing van de Boomkaai. Het werk wordt aangenomen door aannemer Servaas Lamsue voor ƒ 1.440. Nog dit jaar wordt de Boomkade hersteld. De leverantie van de hiervoor benodigde houtmaterialen wordt publiek aanbesteed aan de gebroeders Harinck voor ƒ 1.100.
In september 1851 worden de voorwaarden van aanbesteding van het metselwerk aan de kademuren en het leggen van zerken daarop aanbesteed. Op 11 oktober worden de reparaties aan de Kaaimuren en zerken in het openbaar aanbesteed aan metselaarsbaas Gilles Levinus Warrens voor ƒ 385.

Ook het applaneren of effenen van de wal tussen de Ganzepoort en de calicotweverij komt in mei 1852 aan de orde. De architect is aangeschreven om te zorgen voor de inzending van tekeningen van ijzeren goten en rioolkleppen alsook de tekening en het bestek voor het applaneren van de wal tussen de Ganzepoort en de weverij.

Het bestek voor het leveren en plaatsen van 23 ellen en 37 duimen arduinstenen zerken met een breedte van 58 duimen met daaronder twee nieuwe lagen metselwerk op de kaaimuren aan het Rotterdamse veer wordt in december 1852 openbaar aanbesteed aan de metselaarsbaas Adriaan de Bruijne.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 22e oktober 1852, bij het behandelen van de begroting voor 1853, stelt raadslid Van den Bosch voor om een commissie te benoemen tot onderzoek van het plan voor de aanleg van de wal tussen de Ganzepoort en de Oostpoort. Op de 24e januari 1853 worden tot leden van een commissie van onderzoek benoemd de heren wethouder G.H. Kakebeeke, raadslid R.B. van den Bosch en raadslid P. Vervenne. De commissie krijgt de tekeningen en berekeningen ter bestudering ter inzage met het verzoek daarover een plan en voorstel aan de gemeenteraad aan te bieden.
Het rapport van de commissie voor de aanleg van de wal, lopende van de Ganzepoort tot aan de Oostpoort, komt op de 1e juli 1853 in behandeling. Het is de bedoeling nog dit jaar de wal te applaneren (effenen) en in 1854 met de verdere aanleg verder te gaan. De gemeenteraad gaat graag akkoord met het plan.
In oktober 1853 wordt het bestek voor het applaneren van de wallen van de Ganzepoort tot aan de Waaihoek goedgekeurd en aanbesteed. Aannemer Charles Cornu krijgt het werk voor ƒ 750. Het plan voorziet in het afwerken van de borstwering en het geregeld uitzetten van het buitenbeloop van de wallen. Het is de bedoeling een gelijk terrein te verkrijgen en de wal bovenop een verhoogd gelijkmatig terrein te geven met een wandelpad in de onderbuitenglooiing.
Het bestek bestaat globaal uit de volgende onderdelen: 1. de sloot bij de noordbarrière beginnende en aan de oostzijde opgaande; 2. de borstwering op de wal aan het ravelijn naar de oliemolen gaande; 3. de verlenging van de gronden aan de oosterschans van de dijk op de onderkruin; 4. het afgraven van de leidijk van de westerschans en het in de gracht voeren daarvan; 5. het verbeteren van de singelweg beoosten de oosterschans over 945 ellen lengte.
In april 1853 krijgt Leendert Mange, onder overlegging van een schriftelijk akkoord van de heer Otto Verhagen als pachter, toestemming om gedurende de maand april tot ‘s middags 12 uur het onbeplante gedeelte van de stadswal door 2 à 3 koeien te laten afgrazen. Het gaat om de stadswal van de Ganzepoort tot aan de calicotweverij. Het afgrazen moet gebeuren onder behoorlijk opzicht van een koeiewachter, die zal moeten zorgen dat de beesten de wandelpaden niet betreden dan alleen om op het begroeide gedeelte te komen.

Gebouw waterkorenmolen later soepuus aan Kleine Kade

Het gebouw van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade krijgt deze jaren de functie van ‘soepuus', tot gebruik van de economische spijsuitdeling in de stad.  
Onder het hoofdstuk Zorg, de paragraaf economische spijsuitdeling, zijn verdere bijzonderheden hierover vermeld.
In februari 1851 stelt de gemeenteraad de condities vast voor ‘het bemetselen van de muur tegen de boog onder de oude watermolen’.

Overige openbare werken

De gemeenteraad stelt in oktober 1848 de condities vast voor de openbare verpachting van de boomvakken en Houtkade buiten de Bleekveldse poort voor vijf jaar ingaande 1849.

Laurens Duvekot verzoekt in februari 1849 om een uitgestrektheid stadsgrond van 4 ellen breed en 12 à 13 ellen lang, tegen de achterzijde van zijn schuur aan het einde van de ‘s -Heer Hendrikskinderenstraat, te bekomen. Hij wil daarop een wagenhuis met afdak bouwen tegen betaling van een retributie aan de stad. De gemeenteraad machtigt het college om voor de tijd van acht jaar aan Duvekot de verlangde stadsgrond onderhands te verpachten.

De pachter van het stadsravelijn aan de wal bij de Beestenmarkt (het latere Ravelijn de Groene Jager), J. de Jonge, verzoekt om van deze grond aan de zuidzijde ongeveer 75 ellen oppervlakte te mogen omspitten en voor hoveniering te gebruiken. Hij wil daarop dan enige bessenbossen en op de vier hoeken fruitbomen planten. Hiermee wordt akkoord gegaan.

In december 1851 besluit het gemeentebestuur tot de verpachting van de zogenaamde ‘Groote Stoofweide’, liggende ten noorden van de zoute vest langs de begraafplaats in Zwarthoek. Daarin zal een sloot langs de weg van de begraafplaats worden gegraven. De daar geplante doornenhaag wordt weggeruimd. Vastgesteld worden de voorwaarden voor de verpachting aan de meest biedende van de ‘Groote Stoofweide’.
De verpachting van de Stoofweide, groot 1 bunder, 76 roeden en 60 ellen, vindt plaats aan de heer dr. G.F. Callenfels voor ƒ 139 per jaar en van de tuingrond in de voormalige zoute vest, groot 1890 ellen, aan Jan Pros voor ƒ 22 per jaar.

De gerechtsdienaar W.C. Platz verzoekt in augustus 1853 in bewaring te mogen hebben de sleutel van de brandgang in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat en hem vrijheid te geven om door deze gang de door hem van J. van Waardenburg gehuurde moestuin te bezoeken. Dat is akkoord. Wel moet hij de gang zindelijk houden. De bierbrouwer Pijke mag van deze gang mede gebruik maken voor het bezoeken van zijn waterput. De sleutel dient op 1 maart 1854 terug bezorgd te worden bij D. Dronkers, de vroegere bewaarder van de sleutel.