Aanvulling? Meld het hier.
<<

Sociale zorg en gezondheid (1847 - 1853)

Gezondheidstoestand algemeen

Ook deze jaren is er in de gemeente een Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht. Voorzitter is dokter J.W. Hecking en secretaris is heelmeester T. Pieterse. Jaarlijks brengt de commissie verslag uit aan het gemeentebestuur.
In januari 1847 rapporteert de commissie aan het gemeentebestuur dat in het afgelopen jaar 1846 in de stad in hoge mate de zogenaamde najaarskoortsen hebben geheerst. Deze begonnen al in juli en zijn pas in november geëindigd. De oorzaak moet gezocht worden in de buitengewone en langdurige hitte en droogte van dat jaar. Daardoor zijn schadelijke dampen uit aangrenzende lage gronden ontstaan, die ontegenzeggelijk op de al tot ongesteldheden voorbeschikte lichamen nadelig moeten hebben gewerkt. Ook het gebruik van slecht drinkwater en slechte aardappelen kunnen hebben meegewerkt aan het ontstaan van deze koortsen. Elk geslacht en iedere leeftijd zijn door deze koortsen aangetast, vooral de minvermogenden en dan met name hun kinderen. De oorzaak daarvan kan zijn dat deze zich in de regel het meest aan de invloed van de hitte moeten blootstellen en doorgaans niet dan van slecht water en slechte aardappelen hebben kunnen bedienen.
De commissie merkt op dat de geneesheren dikwijls zéér laat bij de door de ziekte aangetaste kinderen werden geroepen. Het grootste gedeelte van deze klasse van ingezetenen leeft helaas met het verkeerde denkbeeld dat men bij ongesteldheden en vooral bij koortsen van kinderen weinig doen moet en dat men geen hulp dan wanneer deze bijna op sterven liggen, moet inroepen. Daaraan moet het dan ook voor het grootste gedeelte worden toegeschreven dat er zoveel meer kinderen dan volwassenen gestorven zijn. De verhouding van de sterfte tussen de kinderen en de volwassenen gedurende het tijdvak dat de najaarskoortsen gewoed hebben is ongeveer 4 tot 1. Dit heeft ook het cijfer van de sterfte in 1846 zo doen klimmen.

Op verzoek van de Gouverneur worden in juni 1847 de betrokken commissies en personen opgewekt om het algemeen gebruik van de koepokinenting te bevorderen. Periodiek komen de registers van de verrichte inentingen van de geneesheren en heelmeesters Verschoor, De Peval, Callenfels en Pieterse bij het gemeentebestuur binnen.

De gemeenteraad stelt in oktober 1853 een ‘Verordening op het belang der openbare gezondheid binnen de gemeente Goes’  vast. De zeven artikelen van de verordening behelzen het volgende:

  • een verbod op het verontreinigen van de straten en andere openbare plaatsen door drek, vuiligheid, stro, as, puin of dergelijke;
  • een verbod op het slachten van vee op de publieke straten of bloed of ingewanden van dieren, vuilnis van personen, grom van vis, krengen of dergelijke door de goten langs de straten vegen;
  • de eigenaren of bewoners van huizen en andere woonplaatsen moeten dagelijks de straten en goten voor en rondom hun woningen schoon en zuiver houden. Tweemaal per week zal daarop een afzonderlijke schouwing door de politiebeambten plaats hebben en wel op woensdag- en zaterdagnamiddag;
  • het ledigen of ruimen van privaten zal geen plaats hebben dan met voorkennis van en onder toezicht van de politie en in geen geval zal daarmee worden begonnen  vóór ‘s  avonds half elf;
  • het is verboden bedorven of voor de gezondheid schadelijke eetwaren en vruchten in te voeren, te vervoeren, te kopen en te verkopen;
  • het is verboden het zogenaamd Sint Nicolaasgoed, met verguldsel belegd, te verkopen.

Er wordt een strafbepaling op overtreding van een van deze artikelen opgenomen.

Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht

In 1847 wordt de commissie gevormd door dokter J.W. Hecking, voorzitter, heelmeester T. Pieterse, secretaris, en de leden dokter G.T. Callenfels en apotheker D. Steendijk.
In januari 1847 overlijdt de heer D. Steendijk. Ook overlijdt in april 1852 de voorzitter dokter J.W. Hecking. In zijn plaats wordt tot voorzitter benoemd dokter G.T. Callenfels.
Er zijn nu twee vacatures in de commissie. De vacature van wijlen apotheker D. Steendijk is nog altijd onvervuld. De gemeenteraad wordt voorgesteld de commissie aan te vullen met een medisch doctor en een apotheker. Daarvoor worden aanbevolen de medisch doctoren L.C. de Peval en N.J.F. Verschoor en de apothekers H.S. Krol van der Hoek en P. Johannissen.
Dokter De Peval krijgt alle stemmen en apotheker Krol van der Hoek 8 van de 11 stemmen.

Cholera

Op de 9e november 1848 blijkt de gevreesde cholera de gemeente meer en meer te naderen. Op advies van de Commissie voor Geneeskundig Toevoorzicht besluit de gemeenteraad om de schepen die uit verdachte plaatsen aan het Goese Sas aankomen, alvorens ze in de stadshaven toe te laten, aan een visitatie van deskundigen te onderwerpen. Verder worden de ingezetenen aangespoord tot het reinigen van straten, goten en vergaarbakken van vuilnis. Er wordt toegezien op een zorgvuldige keuring van vis en vlees, het reinigen van de instellingen voor de armenzorg, het verversen en doen aflopen van het water in de kaai en de stadsvesten, het inrichten van een doelmatig hospitaal voorzien van kribben, matrassen, dekens, hemden en slaapmutsen, badkuipen en ander materiaal, de aanstelling of aanwijzing van bedienden en oppassers en het plaatsen van een waarschuwende advertentie in de stadscourant over het volgen van een geschikte leefregel in het algemeen.
Ook besluit de gemeenteraad een commissie, de zogenaamde ‘Choleracommissie’, in te stellen om in overleg te treden met de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht in de stad. In deze commissie worden benoemd de heren wethouder J.W. van Kerkwijk, de raadsleden C.P. Soutendam en N.J.F. Verschoor en de stadsdoctor L.C. de Peval, bijgestaan als amanuensis door de heer H.C. Pilaar, griffier en rentmeester van het algemeen armbestuur.

Er komt in september 1848 een vertrouwelijke kabinetaanschrijving van de Gouverneur bij het gemeentebestuur binnen. Deze bevat de kennisgeving dat, ofschoon het Rijk tot op heden bevrijd is gebleven van de buitenlands heersende cholera morbus, het echter van belang is om nu al op maatregelen bedacht te zijn die bij het onverhoopt ontstaan van de ziekte zouden kunnen worden genomen. De Gouverneur verzoekt om te zien naar geschikte lokalen voor het opnemen en behandelen van de zieken en naar geschikte mannelijke en vrouwelijke oppassers.
Het gemeentebestuur is van mening dat de gymnastiekzaal in het Manhuis en desnoods de stadstekenschool geschikte en bestemde accommodaties zijn om zo nodig in gebruik gesteld te kunnen worden. Het in die ruimten benodigde kan grotendeels uit het Gasthuis, waar het voorheen geborgen is, aangeschaft worden. Wat betreft de oppassers, deze kunnen uit het Manhuis en het Gasthuis worden betrokken. Op de reinheid en zuiverheid zal steeds nauwgezet worden gelet. Het gebouw van de tekenschool wordt voor het opnemen van lijders aan de cholera ingericht; het Manhuis dient als een soort reserve opvang.

Op advies van de daartoe ingestelde choleracommissie treft het gemeentebestuur in november 1848 maatregelen tot preventie tegen de cholera. Deze behelzen onder meer:

  • een nauwkeurig dagelijks toezicht op het reinigen en zuiver houden van straten, wegen, goten en openbare plaatsen in de stad;
  • het dagelijks ledigen en opruimen van de stadsasbakken en alle verzamelingen van vuilnis;
  • het met de grootste zorg doen verrichten door de keurmeesters van vlees en vis van hun keuringen en daarbij speciaal toe te zien of de voor consumptie bestemde beesten wel volkomen gezond en aan generlei ziekte onderhevig zijn;
  • het dikwijls aflaten en verversen van het water in de stadshaven en kaai.

In augustus 1849 komt er via de Gouverneur van Zeeland een uitnodiging van de algemene Synode van de Nederlands Hervormde kerk tot het houden van een bid- en dankdag vanwege de heersende ziekte, alsook daarmee verband houdende aanschrijvingen aan de kerkbesturen.

De burgemeester deelt de gemeenteraad op 7 januari 1850 mee dat de omstandigheden waarin het Rijk door de heersende cholera heeft verkeerd, gunstig veranderd zijn en de stad gelukkig van deze ziekte verschoond is gebleven. Er bestaan thans geen voldoende redenen om de bij besluit van 9 november 1848 benoemde choleracommissie in stand te houden. Besloten wordt de leden van de choleracommissie eervol te ontslaan, te weten de heren wethouder J.W. van Kerkwijk en de raadsleden C.P. Soutendam en N.F.J. Verschoor, de stadsdoctor L.C. de Peval en de griffier en rentmeester van het algemeen armbestuur H.C. Pilaar.

Op 17 september 1853 deelt de burgemeester de gemeenteraad vertrouwelijk mee vernomen te hebben dat te Rotterdam en Katendrecht de cholera weer is uitgebroken. Er heeft ook gister een verdacht sterfgeval in onze gemeente plaats gevonden. Later rapporteert hij dat op de 14e september een tweede sterfgeval van een cholerazieke heeft plaats gehad en wel in hetzelfde huis als waar vroeger de cholera heerste. Hij heeft hiervan geheim rapport gedaan aan de Commissaris van de Koning. De negen personen die verder dat huis bewoonden zijn, met vriendelijke vergunning van de eigenaren van de buiten gebruik zijnde Israëlitische bijkerk, in dat gebouw getrokken om op deze wijze gelegenheid te hebben hun woningen door beroking te laten zuiveren. Dit is inmiddels gebeurd en de betrokken personen hebben hun gezuiverde woningen weer betrokken.
De Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht adviseert enkele maatregelen te treffen tot voorzorg. De meeste hiervoor benodigde ingrediënten zijn door het Gasthuis verstrekt.

Op 12 oktober 1853 bericht de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht dat op heden door stadsdoctor L.C. de Peval kennis is gegeven dat hedennacht is overleden de choleralijderes Isabella Catharina Jongepier, echtgenote van Anthony Coninckx, met alle verschijnselen van cholera Asatica. Zij behoorde tot de behoeftige stand en was inwonend in het Manhuis.
Het gemeentebestuur besluit onmiddellijk voor het ontvangen en verplegen van choleralijders het gebouw van de tekenschool in te richten en de geneesheer De Peval daarvan kennis te geven met het verzoek om het gemeentebestuur geschikte personen aan de hand te doen voor het voeren van het huishoudelijk bestuur in dat gesticht en voor het oppassen van de zieken.
Na overleg in een besloten zitting besluit de gemeenteraad op 18 oktober 1853 over het dekken van de kosten die de nodig geoordeelde maatregelen tot wering van de thans in de gemeente heersende ziekte zullen veroorzaken. Besloten wordt voorlopig een bedrag van ƒ 1. 000 ter beschikking te stellen.
De Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzicht betuigt op de 22e oktober haar tevredenheid over de inrichting van het lokaal voor de behandeling van behoeftige choleralijders.

Op 24 oktober 1853 komt er bericht van de regenten van het algemeen armbestuur dat overleden is aan de cholera Louis Philippe Vet, oud 13 jaar, zoon van Aarnout Vet, sjouwer in de ijzergieterij van de heer Boddaert en Van Renterghem te Middelburg.
Het algemeen armbestuur stuurt een declaratie toe van de kosten van het begraven van L.P. Vet uit Middelburg, die in de stad aan de cholera is overleden.

Van november 1853 bevindt zich in het gemeentearchief een lijst met 20 overledenen, waaronder 6 kinderen, gedurende de periode 9 september tot en met 25 oktober 1853. Op deze lijst staan ook de namen van genoemde aan de cholera overledenen. Mogelijk betreft het hier een lijst met alle aan de cholera in Goes overleden personen.

Van stadsdokter L.C. de Peval komt op de 12e november 1853 het verblijdende bericht dat sinds veertien dagen zich in zijn functie geen geval van cholera heeft opgedaan. De gezondheidstoestand onder de armen is thans zeer gunstig, zodat hij meent dat de ziekte in de gemeente heeft opgehouden. Hij dankt het gemeentebestuur voor de verleende medewerking om de gevreesde ziekte te bestrijden. Hij vleit zichzelf dat de door hem aangewende pogingen, zo niet tot gehele uitroeiing, tenminste tot beteugeling van de gevreesde ziekte hebben geleid.
De gemeenteraad betuigt dokter De Peval de welverdiende dank voor zijn rusteloze bemoeiingen gedurende het heersen van de ziekte. De commissie voor de economische spijsuitdeling wordt dank gezegd voor de buitengewone uitdeling van spijzen aan de armen gedurende enige weken.
Verder besluit de gemeenteraad het cholerahospitaal op te ruimen en het gebouw weer zijn vroegere bestemming als stadstekenschool te geven. De soepuitdeling aan de armen zal worden beëindigd.

Uit de afrekening van de kosten voor de uitdeling van soep en het onderhouden en begraven van choleralijders gedurende de tijd dat de cholera heerste blijkt, dat de kosten in december 1853 hebben bedragen voor soepbedeling ƒ 439,95 en voor de ziekenzaal ƒ 157,37, in totaal ƒ 597,32. De soepbedeling bestond uit verstrekte extra bedeling van soep gedurende 22 oktober tot 17 november 1853 voor in totaal 7514 porties.

Kinderziekte

De Plaatselijke Geneeskundige Commissie deelt op 2 februari 1849 mee dat de kinderziekte in de stad geheel geweken is. Er heeft zich slechts één geval voor gedaan.
Maar op 10 november 1849 bericht de commissie dat de beruchte kinderziekte weer in de stad is ontstaan. Aan het woonhuis waar de kinderziekte is geconstateerd is van politiewege een biljet aangeplakt met het woord ‘Kinderziekte’.
Eind december 1851 wordt opnieuw geconstateerd dat de kinderziekte is uitgebroken.
De Plaatselijke Geneeskundige Commissie stuurt het gemeentebestuur in april 1852 een rapport toe in verband met het weer ontstaan van de kinderziekte in de gemeente. Tijdens het heersen van de ziekte stuurt de commissie het gemeentebestuur wekelijks een staat met het verloop van de ziekte.

Beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg

Algemeen
Deze jaren zijn er doorgaans in de gemeente werkzaam zes geneesheren (van wie een tevens vroedmeester, een chirurgisch doctor en een artis en obstretics doctor), twee heel- en vroedmeesters, een vroedvrouw, tien tot elf apothekers, een drogist en twee veeartsen.

De minvermogenden en bedeelden worden door de stadsgeneesheer, heel- en vroedmeester en vroedvrouw behoorlijk bediend, waarvoor uit de stadskas een redelijke beloning wordt verstrekt. De gemeente van de Christelijke afgescheidenen heeft haar eigen genees-, heel- en verloskundige voor haar armen. Ook de godshuizen hebben hun afzonderlijke geneesheer en heelmeester.

Medische dokters
Deze jaren zijn in de gemeente de volgende zes medicine doctors werkzaam: G.T. Callenfels, J.W. Hecking, P.C. de Peval, C.A. van Renterghem, N.J.F. Verschoor en R.B. van den Bosch.
Begin april 1852 overlijdt dokter J.W. Hecking.

In september 1850 is er een conflict tussen de medische dokters De Peval en Callenfels. De burgemeester overlegt het door hem van de commissaris van politie gevorderde en door deze ingezonden rapport over het voorgevallene tussen beide geneesheren in de schouwburg. Dit rapport wordt voor kennisgeving aangenomen.

Apothekers
In deze jaren zijn als apothekers in de stad werkzaam P. Johannissen, G.P.A. de Rochefort, de weduwe C. Oversluijs, H.S. Krol van der Hoek, A.B. van den Bree, de weduwe D. Steendijk, P.A. Hochart, de weduwe Crucque en later B. van Asperen Vervenne, J.A. Le Cointre en P.J. van Kalmthout.

De gemeenteraad geeft in december 1847 de regenten van het algemeen armbestuur te kennen dat de raad van oordeel is dat de benoeming van apothekers voor de dienst van de armen behoort te geschieden door de gemeenteraad op een voordracht van de regenten van drie kandidaten voor ieder te vervullen plaats. Met ingang van 1848 doen de regenten van het algemeen armbestuur een voordracht voor de apothekers voor de levering van medicamenten voor de armen per kwartaal.

Op 30 december 1847 overlijdt de heer Dignus Steendijk, in leven apotheker binnen de stad. De apotheek wordt door zijn weduwe voortgezet. De apotheek van de weduwe Crucque gaat met ingang van 1848 over op de heer Bastiaan van Asperen Vervenne.
Met ingang van 1851 beëindigt de heer A.B. van den Bree zijn apotheek.

Veeartsen
De Gouverneur stuurt in maart 1848 een brief toe van de heer J.F. Lippens te Goes met zijn verzoek om, onder het genot van een toelage van ƒ 100 geplaatst te worden in het korps provinciale of districtveeartsen. Deze beschikking wordt hem uitgereikt.
In december 1849 geeft de Gouverneur kennis van de benoeming van de heer B.I. Vermande tot rijks veearts der 1e klasse met als standplaats Heinkenszand.
In oktober 1851 dreigt er een longziekte onder het rundvee van de landman J. van Maldegem onder Goes uit te breken. De veearts Van Kalmthout treft echter bij vier runderen van Van Maldegem geen tekenen van de gevreesde longziekte aan.

Godshuizen

De godshuizen in de stad, het gasthuis en het weeshuis, worden bestuurd door een college van regenten over de godshuizen. In het college van regenten komt in januari 1847 een vacature door het eervol ontslag wegens vergevorderde leeftijd van de heer Cornelis Beijaard. In zijn plaats komt de heer mr. P.J. van Voorst Vader. Rentmeester van de godshuizen is de heer H.C. Pilaar.

In de godshuizen worden doorgaans 140 tot 150 personen verpleegd en verzorgd, te weten: 35 oude lieden; 30 gebrekkigen en 85 kinderen.

In juni 1852 deelt de burgemeester de regenten mee dat de leden van de gemeenteraad uit één mond de meest mogelijke tevredenheid hebben betuigd over hun gisteren afgelegde bezoek aan de godshuizen en als blijk van waardering een door hen opgebracht bedrag van 25 gulden hebben gezonden aan de regenten van deze gestichten ‘als een kleine bijdrage in de algemene schotel der wezen’.

De regenten van de godshuizen berichten het gemeentebestuur in 1852 dat ze zich niet gerechtigd achten om de rekeningen en begrotingen van het gasthuis en weeshuis, als geen onderstand uit de gemeentekas genietende, aan de goedkeuring van de gemeenteraad te onderwerpen. Niettemin zijn ze volkomen bereid om de gang van zaken van hun beheer open te leggen en kenbaar te maken. Een exemplaar van de vastgestelde rekening over 1850 wordt ter kennisname aangeboden. De raad neemt hier genoegen mee en verzoekt nog statistische tabellen in te zenden omtrent de alimentatiekosten.

Gasthuis

De jaarrekeningen van het Gasthuis over deze jaren laten het volgende beeld zien:

 

  Ontvangsten Uitgaven Resultaat
1845 ƒ   8.052,95 ƒ   7.412,88 ƒ     640,07 +
1846 ƒ   8.505,36 ƒ   7.810,35 ƒ     695,01 +
1847 ƒ   9.670,74 ƒ   9.176,55 ƒ     494,19 +
1848 ƒ 15.546,55  ƒ 13.501,62  ƒ  2.044,93 +
1849  ƒ 14.205,32 ƒ 10.941,72 ƒ  3.263,60 +
1850      
1851      
1852      

De bevolking van het Gasthuis bedraagt over de jaren 1846 65, 1847 74, 1848 68, 1849 67 en 1850 68 personen. Doorgaans zijn er 60% oude lieden en 40% gebrekkigen. In het Gasthuis zijn gemiddeld zo’n 50 gealimenteerden opgenomen, te weten van de algemene armen 30 en van de Hervormde diaconie 15.

De Gouverneur van Zeeland vraagt in maart 1848 inlichtingen of het Gasthuis is opgericht onder anderen ook met het doel om daarin vreemde zieken op te nemen. Het gemeentebestuur geeft hem te kennen dat, ofschoon geen fundatiebrieven van het Gasthuis aanwezig zijn, het uit vroeger gedaan onderzoek gebleken en zeker is dat het Gasthuis vanaf 1632 en vervolgens nimmer voor eigen rekening behoeftigen, veel minder vreemdelingen en vreemde zieken verpleegd of onderhouden heeft. Het Gasthuis is gesticht alleen voor bewoning en verpleging van proveniers, die er zich hebben ingekocht, van zieken voor eigen rekening, van gealimenteerden van de buiten armen of diaconie tegen betaling, van zieke militairen en gedetineerden voor rekening van het rijk of van de stad en, in buitengewone gevallen, van zieken uit andere gemeenten tegen betaling.

Daarop informeert de Gouverneur of er van het Gasthuis geen ordonnantiën, reglementen of statuten aanwezig op grond waarvan het vanaf het jaar 1795 is bestuurd. Geantwoord wordt dat er geen ander reglement bestaat vroeger dan 1795 dan dat van 1 juni 1743, wat alleen handelt over de huishouding en inwendige dienst. Kennelijk is ook deze informatie nog niet voldoende. Want in augustus 1848 delen de regenten van de godshuizen de Gouverneur mee dat het Gasthuis bedoeld is voor het verplegen van:

  • personen onder de benaming van proveniers, die er zich uit hun eigen middelen inkopen;
  • zieken die er zich voor eigen rekening ter genezing in besteden;
  • gealimenteerden van de buitenarmen en van de diaconieën tegen betaling;
  • zieke militairen, voor rekening van het rijk;
  • zieke gedetineerden voor rekening van het rijk of van de stad en
  • in buitengewone gevallen zieken uit andere gemeenten tegen betaling.

De opgenomen personen genieten inwoning, voeding, genees- en heelkundige verzorging, begraving van overledenen en voor diegenen, die volstrekt buiten staat zijn daarin te voorzien, ook kleding.
De inwendige toestand van het gesticht laat, ondanks daaraan aangebrachte verbeteringen in de laatste jaren, nogal wat te wensen over wegens de bekrompenheid van het gebouw  over het algemeen. Daardoor is het niet mogelijk daarin alle appartementen te hebben of daar te stellen die in een zodanig gesticht vereist worden. Er is behoefte aan een tweede ziekenkamer, zodat mannen en vrouwen gescheiden kunnen liggen. Bovendien is er nog een afzonderlijk lokaal nodig dat uitsluitend dienstbaar is voor lijderessen aan geheime ziekten en kwalen. Een oplossing ligt in de teruggave van de lokalen die door het Gasthuis voor de soepkokerij zijn afgestaan.

In juli 1849 verzoeken de regenten over de godshuizen de gemeenteraad toestemming om een bedrag van ƒ  400 wegens een buitengewone ontvangst voor de inkoop van een provenierster in het Gasthuis te mogen besteden voor de bekostiging van de dringende behoefte aan vijf nieuwe ramen in de mannen- en jongensruimte in het huis. Deze noodzakelijke voorziening is van jaar tot jaar wegens gebrek aan fondsen uitgesteld. De raad gaat hiermee akkoord.

De regenten van het Gasthuis geven in juli 1851 het gemeentebestuur kennis van het ontslag van Anna de Leeuw weduwe van J. Risseeuw als regentesse van het Gasthuis. Dit in verband met haar hoge jaren en afnemende krachten. Ze is op de eervolste wijze ontslag verleend. Met unanieme stemmen hebben de regenten in haar plaats benoemd Johanna Adriana Bevier echtgenote van de heer Jan de Fouw Wzn. Het college verenigt zich hiermee.
Nog een andere regentesse vertrekt in juli 1852, namelijk E.G. de Jongh weduwe van F. Kleeuwens, in verband met haar verhuizing uit Goes. In haar plaats wordt benoemd C.J. Eversdijk de Witt Hamer weduwe van de overleden apotheker D. Steendijk.

In oktober 1851 ontvangt de gemeenteraad van de regenten over de godshuizen een kennisgeving van de ontruiming door de commissie voor de economische spijsuitdeling van de door hen gebruikte lokalen van het Gasthuis. Ze verzoeken nu te voldoen aan de voorwaarde waarop in 1838 afstand is gedaan van het lokaal voor de weeffabriek door de ontruimde appartementen voor stadsrekening in te richten tot een regentenkamer en een woonkamer van enige vrouwen. De onkosten zijn door de stadsarchitect geraamd op ƒ 1.000.
De gemeenteraad stelt in zijn vergadering van 21 november 1851 een commissie in voor het doen van onderzoek naar de doelmatigheid en noodzakelijkheid van de door de regenten van de godshuizen voorgenomen voorzieningen aan het Gasthuis tot inrichting van de lokalen die in gebruik zijn geweest voor de economische spijsuitdeling. De commissie is van oordeel dat deze veranderingen alleszins doelmatig en wenselijk genoemd mogen worden en de geraamde kosten naar evenredigheid van de te verkrijgen voordelen niet te hoog berekend zijn. De raad besluit het voorgestelde bedrag van ƒ 1.000 aan het college van regenten van het Gasthuis beschikbaar te stellen.

Weeshuis

De jaarrekeningen van het arm- en weeshuis over deze jaren laten het volgende beeld zien:

 

  Ontvangsten: UItgaven: Resultaat:
1846 ƒ  18.361,03 ƒ   15.356,48 ƒ 3.004,55 +
1847 ƒ  18.731,44 ƒ   14.594,93 ƒ 4.136,51 +
1848 ƒ  17.497,92 ƒ   14.808,67 ƒ 2.689,24 +
1849 ƒ  19.037,77 ƒ   14.426,19 ƒ 4.611,58 +
1850 ƒ  18.255,40 ƒ   15.239,39 ƒ 3.016,01 +
1852 ƒ  17.643,08 ƒ   14.188,54 ƒ 3.454,54 +
1853 ƒ  20.105,78 ƒ   15.723,02 ƒ 4.382,76 +

In het arm- en weeshuis zijn opgenomen:

  Aantal personen: Waarvan oude lieden: Waarvan gebrekkigen: Waarvan kinderen:
1845 148 35 28 58
1846 85 27 28 74
1847 90 36 28 68
1848 151 33 28 90
1849 87 35 25 75
1850 90 31 25 89
1851        
1852        
1853        

Uit een rapport van augustus 1848 blijken de volgende bijzonderheden over het weeshuis.
Dit gesticht dient tot het opnemen en verplegen van ouderloze en verlaten kinderen van hervormden, alsook van kinderen van rooms-katholieke gezindheid. Dit met het doel hen geheel te voorzien van wat voor de behoeften van het leven nodig is en hen door schoolonderwijs en deelname zowel aan het onderricht in de stadstekenschool als in de gymnastische oefeningen, de zangkunst en dergelijke, mitsgaders godsdienstige opleiding, en voorts de jongens door het aanleren van ambachten en beroepen en de meisjes door te leren naaien, breien en het verrichten van huiswerk, te vormen tot werkzame en nuttige leden van de maatschappij. Ze worden met hun 21e jaar of zoveel vroeger als ze dit mochten verlangen en werkelijk in staat zijn in hun behoeften te voorzien, uit het weeshuis ontslagen.
De inwendige toestand van het weeshuis is zeer doelmatig, ruim, luchtig en gezond, zodat het tot de zeldzaamheden behoort zieken onder de kinderen te hebben. Daarom is er geen behoefte aan bijzondere of dadelijke verbeteringen.

 

De regenten over de godshuizen delen het gemeentebestuur in januari 1850 de benoeming mee van mevrouw Gabriëlle Louise Valckenaar echtgenote van de heer mr. J.J. van Deinse en mevrouw Anna Cornelia van Meer weduwe van de heer J.B. van Kalmthout als regentessen van het weeshuis in de plaats van wijlen mevrouw Van Renterghem wegens overlijden en mevrouw Hecking wegens haar hoge jaren en zwakheid. De gemeenteraad verblijdt zich met deze keuze en benoeming en houdt zich ervan verzekerd dat deze nuttig zal zijn voor de administratie en aangenaam voor de directie.

In september 1852 overlijdt de vader van het weeshuis Hendrik Visser. Zijn nagelaten weduwe Adriana Bruaan verliest door dit overlijden haar betrekking als moeder van het weeshuis. In hun plaats wordt per 1 oktober 1852 benoemd het echtpaar Willem Jacobus Guldenberg en Maria Elisabeth van der Leije, gewoond hebbend te Oost Souburg. Er is een nieuwe Instructie voor de suppoosten en een nieuw huishoudelijk reglement voor het weeshuis ingevoerd.

Zorg voor de armen en behoeftigen

Algemeen
Deze jaren komen zeer veel gevallen van alimentaties voor. Vele besluiten van het college van burgemeester en wethouders hebben betrekking op verleende alimentatie. Er komen tussen de 1100 en 1200 bedeelde thuiszittende armen voor, waarvan er circa 750 bedeeld door het algemeen armbestuur en 380 door de diaconie.

Armenzorg
De statistiek van het armwezen over 1846 vermeldt dat het aantal bedeelden in het algemeen weer is toegenomen als gevolg van de schaarsheid en duurte van de levensmiddelen, waardoor nering, handwerkman en veldwerker dit jaar zijn bedeeld, welke in gewone tijden in hun eigen onderhoud voorzien.

In september 1853 brengt de vaste commissie voor het armwezen, bestaande uit de heren R.B. van den Bosch, P.A. Hochart en P.A. Vervenne, een uitvoerig rapport, in totaal van 37 pagina’s, uit over de reorganisatie van het armwezen. Daaruit blijkt dat de door de beide armbesturen bedeelde thuiszittenden 371 bedraagt, waarvan 219 tot het algemeen armbestuur en 128 tot de diaconie van de Hervormde gemeente behoren. De commissie voor de economische spijsuitdeling telt in het geheel 306 bedeelden, waarvan echter 282 al in het eerder genoemde cijfer zijn begrepen. Er worden er dus 24 door de commissie alleen bedeeld.
Het totaal aantal bedeelden, inclusief vrouwen en kinderen, is 1159, verdeeld in 184 mannen, 335 vrouwen en 640 kinderen. Onder de vrouwen zijn 120 weduwen en onder de mannen 35 ongehuwden of weduwnaren. Van de werkende mannen zijn 76 veldwerkers, 18 kaaiwerkers en 59 zonder beroep. Onder de kinderen zijn 23 wevers.
De gemeenteraad besluit over dit belangrijke stuk het gevoelen in te winnen van de betrokken armbesturen. Het rapport wordt gezonden aan de kerkenraad van de Hervormde gemeente voorzover het de belangen van de diaconie betreft en het algemeen armbestuur wat betreft hun administratie.

Het rapport tot reorganisatie van het armwezen leidt op 10 april 1854 tot het raadsbesluit van 10 april 1854 met de volgende bepalingen:

  1. de verplichtingen van de Hervormde diaconie tot alimentatie, verpleging, besteding en dergelijke van alle behoeftige lidmaten van dat kerkgenootschap worden opgedragen aan het algemeen armbestuur;
  2. daarentegen verbindt de kerkenraad van de Hervormde gemeente zich om jaarlijks in nader te bepalen termijnen in handen van de rentmeester van het armbestuur te stellen:
  • de inkomsten van alle ten name van de diaconie staande effecten, vaste goederen en andere eigendommen zoals die op het ogenblik van de overeenkomst door haar worden bezeten;
  • 75% van de opbrengst van de gewone kerkcollecten en de driemaandelijkse collecten en van alle zowel gewone als buitengewone giften;
  • door de kerkenraad worden zes diakenen benoemd om als regenten over de algemene armen zitting en stem te hebben in het college voor de armenzorg;
  • de administratie van de diaconie-eigendommen blijft berusten bij de kerkenraad van de Hervormde gemeente;
  • de geldelijke verplichtingen, door de diaconie aangegaan jegens de geneesheer, chirurgijn, boekhouder en verdere onderhorigen, worden door het algemeen armbestuur overgenomen;
  • aan het algemeen armbestuur zoals dit thans is samengesteld zullen worden toegevoegd zes leden, zodat dit college voortaan zal bestaan uit achttien regenten over de algemene armen.
  • Algemeen armbestuur
    De jaarrekeningen van het algemeen armbestuur laten over de jaren 1846 tot en met 1852 een vrij stabiel beeld zien. De ontvangsten zijn in 1846 ƒ 14.960,75, in 1848 ƒ 15.213,30, in 1848 ƒ 14.788,78. De uitgaven zijn in 1846 ƒ 14.955,52, in 1848 ƒ 15.185,07 en in 1848 ƒ 14.545,33.

    Het aantal door het algemeen armbestuur bedeelden is in:

      Aantal bedeelden: Waarvan uitbesteed: Waarvan gehele jaar bedeeld: Waarvan behoeftigen:
    1847 810 33 233 544
    1848 752 39 235 478
    1849 744 42 272 430
    1850 745 47 272 426
    1851 757 44 277 436
    1852 756 46 283 427
    1853 810 31 242 537

    In het algemeen armbestuur hebben deze jaren zitting de heren R.B. van den Bosch, voorzitter, Th. Pieterse, mr. J.L.H. Liebert en J. de Fouw. 

    De regenten van het algemeen armbestuur geven het gemeentebestuur in oktober 1847 kennis dat het toegestane bedrag van ƒ 3.540 over het lopende jaar voor geldelijke bedeling  al ver uitgeput is. Op die post zal een aanmerkelijk tekort ontstaan, terwijl de bestedingskosten van kinderen in de kolonie van weldadigheid door de opneming van verscheidene kinderen zeer zullen overschrijden wat daarvoor is uitgetrokken. Deze omstandigheid zal onmisbaar moeten leiden tot maatregelen van stadswege om in het tekort te voorzien.

    De regenten over de algemene armen verzoeken in maart 1848 om een buitengewone subsidie van ƒ 1.350 voor het dekken van het tekort op de administratie over het jaar 1847. Dit is voornamelijk veroorzaakt door meerdere bestedingskosten van personen in het Gasthuis en kinderen in de koloniën van weldadigheid, bedelingen en begrafeniskosten. Deze hogere uitgaven hebben niet vermeden kunnen worden. De gemeenteraad besluit, vanwege de noodzakelijkheid van de verleende onderstand en gedane uitgaven, de gevraagde subsidie te verlenen.

    In het kader van de behandeling van de begroting voor 1852 in de gemeenteraad uit raadslid Van den Bosch zijn verwondering over de cijfers voor de armenzorg. Hij verzoekt het college maatregelen te beramen om aan de klimmende behoefte paal en perk te stellen. Hij gelooft dat door een doelmatige armenverzorging voorkomen kan worden dat de ondersteuning van de armen zo’n aanmerkelijk gedeelte van de gemeentelijke huishouding absorbeert.

    De burgemeester pleit ervoor deze zo belangrijke zaak aan te houden tot het in werking treden van de nieuwe Wet op het Armwezen. Waarop de heer Van den Bosch zegt dat het zijn bedoeling is de toenemende armoede tegen te gaan door enerzijds het geven van minder bedeling en anderzijds het verschaffen van werk. De heer Van Kerkwijk erkent dat de lasten de afgelopen zijn opgelopen, maar dit moet worden toegeschreven aan het opnemen van lasten die anders voor rekening kwamen van de diaconie van de Hervormde gemeente en de toename van de bevolking, die meestal tot de behoeftige klasse behoort.

    Diaconaal armbestuur
    Het aantal door de diaconie van de Hervormde gemeente bedeelden is in:

      Aantal bedeelden: Waarvan gedurende hele jaar:
    1846 494 159
    1847 559 177
    1848 346 186
    1849 354 194
    1850 381 211
    1852 358 186

    In oktober 1847 schrijft de diaconie aan de gemeenteraad: ‘Wij hebben de eer uw edelachtbaren bij deze kennis te geven, dat bij ons is ingekomen een missive van de commissie voor de economische spijsuitdeling te Goes van de 12 oktober 1847, waarvan wij de eer hebben uw edelachtbaren hiernevens een afschrift te zenden. Uw edelachtbaren daarbij observerende diakenen nimmer gewoon zijn boven hun gewone bedeling, dan alleen des zondags in buitengewone omstandigheden, voor hun rekening hun gealimenteerden van soep te voorzien en mitsdien de vrijheid nemen zulks aan uw edelachtbaren over te laten, vermenende dat, ingeval uw edelachtbaren het verzoek van genoemde commissie mocht kunnen billijken, alsdan ook daarin door uw edelachtbaren en niet door de diaconie behoort te worden voorzien’.

    De diakenen schrijven in januari 1849 in antwoord op een aanschrijven van het college van burgemeester en wethouders dat zij menen, na de overeenkomst van 1846, een vrije werkkring te hebben en daarom aan geen burgerlijke overheid rekenschap verschuldigd zijn. Daarom hebben ze met bevreemding de uitnodiging ontvangen om de genees- en verloskundigen bij die administratie te infungeren om de vrouw van Jan Staf bijstand te bieden. Ze zijn echter bereid om, zonder benadeling van hun rechten, de nodige inlichtingen te geven, zo over de verplichtingen van de genees- en verloskundigen bij de diaconie terzake van vroedkundige diensten, als het voorgevallene betrekkelijk de vrouw van Jan Staf. Ze verzoeken aan de klachten en aanzoeken van gealimenteerden niet te geredelijk toe te geven, maar deze aan de diaconie te renvooieren, in het vertrouwen dat die administratie geen afwijzingen zal doen dan op goede gronden.
    Het college is echter van mening dat ‘de tussenkomst van het gemeentebestuur door de in 1846 gemaakte bepalingen ten aanzien van de diaconie onbevoegd zou zijn, daar dit strijden zou met het doel van de bepalingen zelf en uitsluiten de zorg voor het armbestuur in het algemeen. Terwijl het college, en in het bijzonder de burgemeester, wensten dat de diaconie armen en anderen zich niet zo aanhoudend en met aandrang over vermeende verkeerde behandelingen kwamen beklagen, hoe menigwerf zij ook afgewezen of naar de armbesturen verwezen worden. Aan welke aanzoeken dan meer dan gewoon gevolg wordt gegeven wanneer het belang der openbare orde het schijnt te vorderen. Daar in de regel steeds aan het verlangen van diakenen zal worden voldaan, door verwijzing tot die administratie, aan dewelke, dezerzijds, nog geen blijken van wantrouwen, hoe ook genaamd, gegeven zijn’.

    Koloniën van weldadigheid
    In februari 1849 geven de regenten van de godshuizen het gemeentebestuur kennis dat in het belang van de goede orde in het gesticht drie weesjongens, namelijk W. de Jonge, F. van Wuimen en A.C. Vervenne, mitsgaders op verzoek van de regenten over de algemene armen van de stad een verlaten meisje, Adriana Kornelia Moerhof, naar het 1e gesticht te Veenhuizen zullen worden opgezonden.

    Opgenomen zijn in 1851 10 wezen, vondelingen en verlaten kinderen, waarvan 7 gedurende het gehele jaar, 1 gedurende 309 dagen, 1 gedurende 182 dagen en 1 gedurende 88 dagen; 18 bedelaarskolonisten, waarvan 10 gedurende het gehele jaar, 2 voor meer dan de helft van het jaar en 6 gedurende enkele maanden.

    Zondagschool
    De zondagschool telt doorgaans 15 kinderen van bedeelde ouders en 55 tot 75 niet bedeelde behoeftige volwassenen.

    Zuid-Bevelandse Dorcas
    Tot de genootschappen die aan schamele ingezetenen onderstand verlenen behoort de vrouwenvereniging tot het vervaardigen en uitdelen van klederen aan behoeftigen onder de naam van Zuid-Bevelandse Dorcas. Deze instelling ondervindt steeds genoegzame bijval om op de bestaande voet te blijven voortgaan. Voor Dorcas zijn er gemiddeld jaarlijks zo’n 80  inschrijvingen, terwijl circa 220 personen onderstand genieten.

    Spaarkas voor minvermogenden
    De gemeenteraad besluit in maart 1848 tot herstel van de Spaarkas voor minvermogenden en bedeelden omdat dit een zo nuttige en heilzame inrichting is. Het bestuur van de Spaarkas krijgt de verzekering van de bereidwilligheid van de raad om de instandhouding van de spaarkas te helpen bevorderen.

    Vereniging van stedelijke werklieden

    In de stad bestaat een Vereniging van stedelijke werklieden. Hiervoor is door de werklieden een fonds samen gebracht, dat door hun contributies in stand wordt gehouden. Uit dit fonds kunnen zij en hun vrouwen of weduwen buiten hun kosten begraven worden. Het komt echter dikwijls voor dat de begrafenis aan een zodanig lid wordt ontzegd omdat hij met zijn contributie ten achteren is. In een zodanig geval vindt het armbestuur, dat soms al veel lasten van hem en zijn huisgezin gedurende zijn ziekte gehad heeft, zich verplicht om de achterstallige contributie aan te zuiveren om van hun begrafenisfonds genot te hebben.
    De regenten van het algemeen armbestuur beklagen zich hier in 1849 over. Het is bezwarend voor de armenfondsen. Ze stellen voor de contributie in te houden op hun werkloon. Zelfs bij zieken zal dit niet geheel onuitvoerbaar zijn als het tenminste waar is dat voor deze gewerkt wordt tegen genot van een gedeelte van het verdiende werkloon.

    In maart 1848 beveelt de Gouverneur aan om in het belang van de volksklasse bij het ingevallen werkseizoen aan deze zoveel mogelijk arbeid te verschaffen. Het gemeentebestuur besluit dit op alle mogelijke wijze te bevorderen.

    De gemeenteraad keurt de rekening van de Vereniging van stedelijke werklieden over 1851 goed. Deze behelst aan ontvangsten ƒ 803,66, aan uitgaven ƒ 590,94 en als batig saldo ƒ 212,72.

    In december 1852 wordt met algemene stemmen tot hoofdcommissaris van de Vereniging van werklieden voor het lossen, laden, vervoeren en verwerken van goederen binnen de gemeente benoemd de heer Andries Smallegange.
    Tot nu toe was het lid van de gemeenteraad in oude samenstelling, de heer Jacob Kakebeeke, dit, maar doordat hij geen zitting meer heeft in de nieuwe gemeenteraad heeft hij zetel verloren.

    Commissie voor de economische spijsuitdeling

    De commissie voor de economische spijsuitdeling bestaat deze jaren grotendeels uit de heren mr. M.P. Blaaubeen, voorzitter, mr. P. van der Meer Mohr, secretaris/thesaurier, mr. P.J.A. van Dam, dr. P.C. de Peval, mr. J.L. Liebert, J. de Fouw, J. van Renterghem de Fouw, A. Nortier, P.J.A. Knitel, N. Vervenne, J.W. van Kerkwijk en P. Johannissen. De leden Hecking en De Leeuw zijn vanaf 1847 vervangen door de heren F.J.A. Knitel en A. Nortier.

    In het winterseizoen worden gedurende 16 weken vier maal per week de volgende ingrediënten gebruikt: 1250 pond vlees, 1250 pond sellerie, 1000 kolen, 64 mud erwten, 16 mud peen, 16 mud ajuin, 3000 pond gort, 5 pond peper en 500 pond zout. Daarnaast worden 60 mud steenkolen verbruikt.
    De totale uitgaven gedurende een winterseizoen bedragen circa ƒ 2.200.

    Het aantal inschrijvers en het aantal verstrekte porties soep en warme spijs blijkt uit het volgende overzicht:

    Winterseizoen: Verstrekte porties soep en warme spijzen Aantal inschrijvers:
    1846/1847 51300 355
    1847/1848 53872 348
    1848/1849 38000 334
    1849/1850 37447 330
    1850/1851 32651 364
    1851/1852 29751 361
    1852/1853 32651 364

    In maart 1847 kent de gemeenteraad de commissie voor de economische spijsuitdeling, als tegemoetkoming in de meerdere kosten door de steeds toenemende duurte van de levensmiddelen en de vermeerdering van het aantal bedeelden deze winter, een buitengewone subsidie toe van ƒ 300 uit het fonds voor onvoorziene uitgaven.

    De diakenen van de Hervormde gemeente sturen het gemeentebestuur in oktober 1847 een brief van de commissie voor de economische spijsuitdeling toe. Deze behelst het voorstel om tegen betaling van ƒ 250 de gealimenteerden van de diaconie deze winter, als naar gewoonte, in de soepbedeling op te nemen. Ze verzoeken de gemeenteraad daarin te voorzien.
    De diakenen schrijven het volgende: ‘Wij hebben de eer uw edelachtbaren bij deze kennis te geven, dat bij ons is ingekomen een missive van de commissie tot de economische spijsuitdeling te Goes van 12 oktober 1847, waarvan wij de eer hebben uw edelachtbaren hiernevens een afschrift te zenden. Uw edelachtbaren daarbij observerende diakenen nimmer gewoon zijn boven hun gewone bedeling, dan alleen des zondags in buitengewone omstandigheden, voor hun rekening hun gealimenteerden van soep te voorzien en mitsdien de vrijheid nemen zulks aan uw edelachtbaren over te laten. Vermenende dat, ingeval uw edelachtbaren het verzoek van genoemde commissie mocht kunnen billijken, alsdan ook daarin door uw edelachbaren en niet door diakenen behoort te worden voorzien’.
    Besloten wordt de diakenen te antwoorden dat uit hoofde van de regeling van de  diaconieadministratie van 1845 en 1846 het gemeentebestuur op dit punt buiten alle betrekking en verplichting is en daarom deze zaak geheel aan de diakenen moet worden overgelaten.

    De commissie voor de spijsuitdeling deelt het gemeentebestuur in oktober 1847 mee dat de armbesturen in de stad zich hebben verschoond om in door de commissie verlangde geldelijke bijdragen te treden. Ze geven hun vrees te kennen dat de fondsen niet zullen toelaten om de gewone bedelingen van spijzen te doen en dat ze zich genoodzaakt zien om de bedelingen in te krimpen en desnoods alle behoeftigen en gealimenteerden in de bedeling op te nemen tegen het genot van een geldelijke tegemoetkoming. Daarom geven ze in overweging om de armbesturen van stadswege tot het doen van bijdragen voor hun zorgtaak in staat te stellen of daarin op een andere wijze te voorzien zodat die inrichting niet wordt beschouwd als een gesubsidieerde instelling.
    Het college besluit deze brief ter kennis van de gemeenteraad te brengen en intussen de  commissie voor de spijsuitdeling uit te nodigen om door een nadrukkelijk beroep op de milddadigheid van de ingezetenen te trachten in het benodigde te voorzien.

    Maar desondanks geeft de commissie het gemeentebestuur eind oktober 1847 kennis van haar bereidwilligheid om de werkzaamheden weer aan te vangen. Ze verzoekt de ingezetenen tot een ruime deelneming aan te sporen en om weer over het van stadswege toegestane te mogen beschikken. Opgave wordt gedaan van de samenstelling van de commissie en van de wijksgewijze samenstelling daarvan. Besloten wordt een Publicatie uit te vaardigen tot aanbeveling van deze weldadige inrichting aan de ingezetenen.

    De diakenen van de Hervormde gemeente sturen het gemeentebestuur in oktober 1847 een brief toe van de commissie voor de economische spijsuitdeling met het voorstel om tegen betaling van ƒ 250 de gealimenteerden van de diaconie deze winter, als naar gewoonte, in de soepbedeling op te nemen. Ze verzoeken daarin van gemeentewege te voorzien. Besloten wordt de diakenen te antwoorden dat uit hoofde van de regeling van de diaconieadministratie van 1845 en 1846 het stedelijk bestuur op dit punt buiten alle betrekking en verplichting is en daarom deze zaak geheel aan de diakenen moet worden overgelaten.

    De commissie voor de economische spijsuitdeling maakt de gemeenteraad in december 1847 haar behoefte kenbaar om de inrichting voor het bereiden en uitdelen van warme spijzen buiten de lokalen van het Gasthuis te verplaatsen en over te brengen in het gebouw van de oude waterkorenmolen op de Kleine Kade. Voor de inrichting daarvan is een bedrag nodig van ƒ 1.600. Dit bericht wordt voorlopig voor kennisgeving aangenomen.

    Eind december 1847 deelt de commissie mee dat bij de steeds toenemende armoede het helaas te voorzien is dat de aanvragen om bedeling zullen vermeerderen en om daaraan te voldoen in plaats van 810 porties waarschijnlijk 840 à 850 porties voor iedere bedeling nodig zullen zijn. Daardoor komt de commissie ongeveer ƒ 400 te kort. De fondsen zouden niet toereikend geweest zijn om in de bestaande behoefte te voorzien en ongetwijfeld zouden velen het zo heilzaam en onontbeerlijk voedsel hebben moeten ontberen, als niet het inrichten van een tombola een bedrag van ƒ 300 had opgeleverd.
    De inschrijvingen voor het winterseizoen 1847/1848 hebben bedragen ƒ 1.368,17. Voor de ingrediënten van de soep en de brandstoffen blijft over ƒ 1.724,44 en voor reparaties, vaatwerk en bedieningen ƒ 400.

    Zijne Majesteit de Koning verleent in januari 1848 goedkeuring voor het houden van een tombola en daaraan verbonden loterij ten behoeve van de stedelijke inrichting voor de spijsuitdeling aan de armen. Het gemeentebestuur besluit de loterij, onder bepaling van een entreegeld en onder toezicht van het stedelijk bestuur, te doen.
    De op 18 januari 1848 gehouden tombola en de daaraan verbonden verloting van vrijwillig bijeen gebrachte voorwerpen levert op dat meer dan 600 prijzen zijn ingezonden, dat 2300 loten à 25 cent zijn uitgegeven en de ontvangsten met de entreegelden ƒ 744,97 bedragen en onder aftrek van de onkosten ƒ 697,82.

    De gemeenteraad bespreekt op 24 februari 1848 nogmaals de verplaatsing van de soepkokerij uit het Gasthuis naar het gebouw van de voormalige waterkorenmolen op de Kleine Kade en het vinden van de op ƒ 1.600 geraamde  kosten. Vanwege de noodzaak om de door de soepkokerij gebruikte lokalen van het Gasthuisgebouw te ontruimen voor de noodzakelijke behoeften van het Gasthuis besluit de raad om, wanneer de inrichting van een ander geschikte ruimte zal kunnen worden tot stand gebracht, alsdan de nodige middelen van stadswege beschikbaar zullen worden gesteld voor de aflossing en teruggave in jaarlijkse termijnen van minstens honderd gulden.

    In november 1848 beraadslaagt de gemeenteraad over de verplaatsing van de soepkokerij vanuit het Gasthuis naar het gebouw van de oude waterkorenmolen. De kosten bedragen circa ƒ 2.000. De raad vindt het bezwaarlijk, gelet op de financieel precaire toestand van de stadsfinanciën, om nu deze grote uitgaaf er bij te nemen. Maar vanwege de erkende nuttigheid en doelmatigheid van het door de commissie voor de economische spijsuitdeling  beraamde plan is de raad bereid om bij een gunstige staat van de stadsfinanciën het verlangen van de commissie in welwillende overweging te nemen.

    De commissie voor de spijsuitdeling rapporteert in mei 1849 aan de gemeenteraad dat over het winterseizoen 1848/1849 een batig saldo van f 1.172 is geboekt. Tevens wordt opnieuw aangedrongen op het beschikbaar stellen van een nieuw geschikt lokaal voor deze inrichting.

    De commissie zendt in juli 1850 het gemeentebestuur de rekening toe over 1849. Daaruit blijkt een batig slot van ƒ 1.645,82. Ze wenst dit bedrag aan te wenden voor een eigen en afzonderlijk onderkomen. De lokalen in het Gasthuis kunnen dan worden teruggegeven, temeer daar het Gasthuis deze zeer dringend nodig heeft. Als alleszins geschikt is de commissie voorgekomen het gebouw van de oude waterkorenmolen aan de Kleine Kade. Het gemeentebestuur heeft zich destijds niet ongenegen getoond dat gebouw beschikbaar te stellen, maar door gebrek aan financiën is dit toen niet doorgegaan.
    De commissie stelt voor dit gebouw nu met aanwending van hun batig saldo in te richten tot een soepkokerij. De gemeenteraad besluit hiermee in te stemmen en de commissie kosteloos het stadsgebouw van de oude waterkorenmolen beschikbaar te stellen en dit voor een soepkokerij en toebehoren in te richten.
    De commissie stuurt in augustus 1850 een dankbetuiging voor de gunstige beschikking van de gemeenteraad over het verplaatsen van de soepkokerij naar het gebouw van de oude watermolen. Ze verzoekt om toezending van een indertijd door de stadsarchitect opgemaakt bestek voor deze nieuwe inrichting.

    In oktober 1851 geeft de commissie voor de spijsuitdeling kennis van de voltooiing van haar nieuwe onderkomen aan de Kleine Kade. De lokalen in het Gasthuis zijn ontruimd. Ze nodigt het college uit dit te komen bezichtigen. Het college bezoekt het nieuwe onderkomen voor de economische spijsuitdeling op woensdag 8 oktober ‘s middags om vier uur.
    De burgemeester maakt van deze gelegenheid gebruik, nu de inrichting van de economische spijsbereiding uit het Gasthuis naar het gebouw van de oude waterkorenmolen is gerealiseerd, de leden van de gemeenteraad mee te delen dat het college van burgemeester en wethouders op uitnodiging van de commissie voor de spijsuitdeling een bezoek heeft afgelegd in het nieuw ingerichte pand aan de Kleine Kade. Ze zijn daar opgewacht en rondgeleid door een delegatie uit de commissie. Met het meeste genoegen hebben ze opgemerkt de alleszins doelmatige wijze waarop het gebouw is ingericht en voor dat oogmerk geschikt is gemaakt. Hij beveelt de gemeenteraad aan ook van hun belangstelling en die van de burgerij in deze al vele jaren nuttige en loffelijk bestaande inrichting te laten blijken.

    De commissie stuurt het gemeentebestuur in november 1852 een kennisgeving van de hervatting van haar werkzaamheden en verzoekt de inrichting voor de spijsuitdeling bij vernieuwing aan te bevelen.

    In december 1853, als de werkzaamheden voor het aanleggen van het kanaal door Zuid-Beveland te Hansweert een aanvang hebben genomen, vatten de aannemers van het werk het menslievend plan op om voor de te Hansweert verblijf houdende arbeiders een soepkokerij op te richten en dagelijks daaruit een bedeling aan hen te doen. De behoeften van deze arbeiders zijn groot en de nood is dringend. De burgemeester van Kruiningen verzoekt informatie hoe deze inrichting het beste opgezet kan worden, dit vanwege de ervaringen met de Goese soepkokerij.
    Het gemeentebestuur antwoordt dat voor de bedeling van 475 porties soep worden gebruikt: 12 pond rundvlees, 30 pond gort, 50 pond erwten, 25 savooiekolen, 15 pond selderie, 10 pond ajuin, 5 pond zout en 7 loden peper.