Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1847 - 1853)

Stadsbestuur

Aan het begin van de jaren 1847-1853 is het college van burgemeester en wethouders samengesteld uit:
burgemeester mr. J.C. van der Meer Mohr, geboren in 1791 te Den Haag, hervormd, advocaat en procureur, plaatsvervangend rechter bij de arrondissementrechtbank te Goes;
wethouder J.W. Hecking, geboren in 1773 te Venlo, rooms-katholiek, medicine doctor;
wethouder J.W. van Kerkwijk, geboren in 1798 te Goes, hervormd, apotheker.
De gemeenteraad bestaat uit de volgende leden:
J. Kakebeeke, geboren in 1774 te Kloetinge, hervormd, dijkgraaf van de brede watering bewesten Yerseke en lid van de Staten van Zeeland;
mr. F.N. van der Bilt, geboren in 1786 te Goes, hervormd, president van de rechtbank en lid van de Staten van Zeeland;
C.P. Soutendam, geboren in 1806 te Goes, hervormd, koopman;
mr. P.H. Saaijmans Vader, geboren in 1799 te Kortgene, hervormd, griffier van de rechtbank;
mr. J.J. van Deinse, geboren in 1791 te Middelburg, hervormd, rechter in de rechtbank;
dr. N.J.F. Verschoor, geboren in 1811 te Goes, hervormd, medicine doctor;
Ph. Vervenne, geboren in 1787 te Goes, hervormd, rentenier.
Secretaris van de gemeenteraad en het college is mr. Leonard de Fouw, geboren in 1784 te Goes, hervormd, notaris, burgemeester van ‘s-Heer Arendskerke, ontvanger-griffier van de watering van Heinkenszand en lid van de Staten van Zeeland.
Gemeenteontvanger is Jacobus van Renterghem de Fouw, geboren in 1791 te Goes, hervormd, ontvanger van de stedelijke belastingen, secretaris van Hoedekenskerke, ontvangergriffier van de watering van Waarde en rentmeester van ‘s Konings particuliere domeinen.

De leden van de gemeenteraad worden gekozen door het stedelijke kiescollege. In juli 1847 zijn er twee vacatures in dit college door het overlijden van de heren H. Lenshoek van Zwake en H.J. van ’t Hoff. In hun plaatsen worden benoemd dokter N.J.F. Verschoor en mr. J.J. van Deinse.
In september 1848 benoemt de gemeenteraad tot leden van het stedelijke kiescollege in de plaats van de aftredende heren L. de Fouw, W.A. de Laat de Kanter, B.H. Janssen, Ph. Vervenne, C.P. Soutendam en mr. J.J. van Deinse de heren mr. Andries Smallegange, dokter Roelof Benjamin van den Bosch, Bartolomeus Benjamin Hubertus Janssen, Willem Albert de Laat de Kanter, Leonard de Fouw en Charles Petrus Soutendam.

In september 1848 wordt burgemeester Van der Meer Mohr benoemd tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Wethouder Van Kerkwijk vraagt direct na opening van de raadsvergadering het woord. Hij heeft aan de voorzitter en burgemeester, in naam van de vergadering, haar deelneming betuigd over de voor hem en ook voor deze stad zo bijzonder vererende benoeming tot lid van de dubbele Kamer der Staten Generaal, die eerstdaags tot behandeling van de grondwetsherziening moet bijeen komen, met welmenende felicitatie wegens deze  onderscheiding en hoogst belangrijke commissie. Hij wenst dat zijn edelachtbare in deze betrekking aan het vaderland en als gevolg daarvan aan deze stad nuttig zal mogen zijn en dat Nederland bij het verkrijgen van een vernieuwde staatsinrichting onder ‘s Hemels Zegen zal mogen bloeien en in welvaart toenemen tot bevestiging van haar bestaan en tot heil van het Nederlandse volk. Deze felicitatie wordt door de burgemeester ‘dankbaar beantwoord met de herhaling van zijn ter staatsvergadering gegeven verzekering dat hem niets meer ter harte gaat dan, en alzo zal trachten mede te werken tot, het heil van het vaderland’.

Raadslid mr. J.J. van Deinse geeft in oktober 1848 zijn verlangen te kennen om als lid van de gemeenteraad te worden ontslagen. Nadat eenparig is getracht, zij het tevergeefs, de heer Van Deinse van zijn voornemen terug te brengen wordt in het ontslag eervol bewilligd. In de plaats van de heer Van Deinse wordt tot lid van de gemeenteraad benoemd mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr. De gemeenteraad ontvangt daarop een bericht van de burgemeester met dankzegging voor de kennisgeving. Hij deelt mee het aan hem opgedragen lidmaatschap van de raad van de stad te zullen aannemen, ‘daar in ziende een vernieuwd blijk van vertrouwen, door velen in hem gesteld’. Hij wordt uitgenodigd om als benoemd raadslid de eed af te leggen, bij het Reglement voor het bestuur van de stad voorgeschreven.

Burgemeester Van der Meer Mohr wordt per 2 januari 1849 herbenoemd voor zes jaar. Zijn voorgangers sinds 1824 waren G. de Leeuw van 1825 tot 1831; J.H. Verschoor van Nisse van 1831 tot 1837; idem van 1837 tot 1843; mr. J.C. van der Meer Mohr in de plaats van de overleden J.H. Verschoor van Nisse van december 1843 tot 1849.
 
In september 1851 legt de burgemeester als voorzitter van het bureau van stemopneming  het proces-verbaal over van de stemming en benoeming van elf leden voor de gemeenteraad. Drie leden verkrijgen de vereiste meerderheid. Voor de overige acht wordt een herstemming gehouden. Er wordt een lijst overgelegd van de 16 personen die de meeste stemmen op zich hebben verenigd. De benoemde leden worden op 19 november 1851 samengeroepen voor hun beëdiging en installatie.

Het notulenboek van de vergaderingen van de gemeenteraad wordt met de vergadering van 15 november 1851 afgesloten. De notulen worden vastgesteld en getekend op 19 november door burgemeester J.C. van der Meer Mohr en waarnemend secretaris H.C. Pilaar.
In deze vergadering wordt afscheid genomen van de scheidende leden van de gemeenteraad, de heren mr. F.N. van der Bilt, dr. J.W. Hecking, J. Kakebeeke en mr. P.H. Saaymans Vader. De burgemeester bedankt hen in een toepasselijke redevoering voor de veelvuldige diensten, door hen in die en andere daaruit voortgevloeide betrekkingen aan de stad en haar ingezetenen bewezen, voor de medewerking tot stads welzijn steeds ondervonden en voor de belangeloze ijver waarmee hun medebestuur heeft plaats gehad. Hij ‘gelooft de tolk der welgezinden te zijn wanneer hij de leden dezer vergadering verzekert dat hunne medeburgers, evenals hij, aan hunne trouw en werkzaamheid hier openlijk een laatste Hulde toebrengen’. De uitgesproken rede van de burgemeester is op verzoek van de leden achter de notulen gevoegd.
De heer mr. Saaymans Vader betuigt daarna zijn erkentelijkheid voor de harmonische wijze waarop de werkzaamheden van de raad zijn behandeld, bedankt zijn medeleden, inzonderheid de burgemeester, voor hun medewerking tot bevordering van het welzijn van de stad, met de beste wensen voor de bemoeiingen van de nieuwe gemeenteraad. Daarna spreken de heren Kakebeeke en Van Kerkwijk nog een kort woord in dezelfde geest.
De notulen van deze laatste vergadering in oude samenstelling worden vervolgens voorgelezen en met eenparigheid van stemmen goedgekeurd en getekend door burgemeester Van der Meer Mohr en waarnemend secretaris H.C. Pilaar. Hij sluit deze laatste zitting van de nu afgetreden gemeenteraad. Aangrijpend is dat binnen een half jaar twee leden van de gemeenteraad in oude samenstelling overlijden. Het zijn de heren J.W. Hecking op 77-jarige leeftijd en J.C. van der Meer Mohr op 60-jarige leeftijd.
 
De nieuwe gemeenteraad bestaat uit de heren burgemeester mr. J.C. van der Meer Mohr, mr. Martinus Pieter Blaaubeen, Jacobus Walraven van Kerkwijk, mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen, dr. Roelof Benjamin van den Bosch, mr. Andries Smallegange, Gerardus Hendrikus Kakebeeke, Philip Vervenne, Pieter Andries Hochart, dr. Nicolaas Johan Frans Verschoor en Charles Petrus Soutendam.
Tot wethouders worden gekozen de heren J.W. van Kerkwijk (met tien van de elf stemmen) en mr. M.P. Blaaubeen (met acht van de elf stemmen).
De gemeenteraad overweegt in november 1851, in het kader van de vaststelling van de begroting voor 1851, of er al dan niet presentiegeld moet worden toegekend. Sommige leden zijn hiervan een fervent tegenstander, met name de heren Knokke van der Meulen en Van den Bosch. Met acht tegen drie stemmen wordt besloten geen presentiegeld toe te kennen. De jaarwedden worden bepaald voor de burgemeester op 800 gulden, voor de wethouders op 400 gulden, voor de secretaris op 1200 gulden en voor de gemeenteontvanger op 800 gulden. Het reglement van orde voor de gemeenteraad wordt ongewijzigd vastgesteld.

De oudgediende in het gemeentebestuur, de heer J.W. Hecking, overlijdt in april 1852. Vele jaren was hij huisarts in de stad, lid van de gemeenteraad en wethouder. Tot aan zijn overlijden was hij voorzitter van de Plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht en lid van de directie van de leenbank.

In februari 1852 wordt voorgeschreven dat elke gemeente jaarlijks een gemeenteverslag moet indienen. Besloten wordt het voorgeschreven formulier voor het inzenden van het gemeenteverslag aan Gedeputeerde Staten zoveel mogelijk te volgen.

In de vergadering van de gemeenteraad van de 8e mei 1852 opent wethouder Blaaubeen als plaatsvervangend voorzitter de vergadering naar aanleiding van het overlijden van burgemeester mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr in de nacht van de 5e mei. Hij deelt de vergadering mee dat het hoofd van het bestuur van de gemeente, het medelid van de gemeenteraad, ‘wiens ijver en trouw in het behartigen van de belangen van de gemeente aan haar ingezetenen gedurende een aantal jaren is gebleken en aan de raad overbekend en wiens geest zich tot in de laatste levensstonden met het welzijn dezer stad en gemeente bezig hield, na een langdurig lijden aan de gemeente, aan de raad, aan zijn kinderen, betrekkingen en vrienden, door de dood was ontrukt’. Hij heeft de vergadering bijeen geroepen om die kennisgeving aan de raad mee te delen en naar aanleiding van dit treurige voorval de nodige voorstellen te doen. De leden van de gemeenteraad zullen het aanbod doen het stoffelijk overschot van de overledene grafwaarts te begeleiden. Van het overlijden van de heer Van der Meer Mohr is de volgende dag kennis gegeven aan de Commissaris van de Koning in Zeeland.

Omdat wethouder Blaaubeen voorlopig fungeert als waarnemend burgemeester gaat de gemeenteraad over tot benoeming van een plaatsvervangend wethouder. Na wel vijf stemmingen beslist het lot tussen de heren Vervenne en Kakebeeke ten gunste van  Vervenne. Hij bedankt echter! Bij een volgende stemming krijgt de heer Verschoor vijf stemmen. Uiteindelijk wordt de heer Kakebeeke met een krappe meerderheid gekozen.
In de vacature van raadslid, ontstaan door het overlijden van burgemeester Van der Meer Mohr, wordt benoemd de heer mr. Pieter Hendrik Saaymans Vader, griffier van de arrondissementrechtbank.

In haar eerste vergadering besluit het college van burgemeester en wethouders een bezoek te brengen aan de leenbank en de godshuizen. De leden van de gemeenteraad worden uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Het bezoek is op de 11e juni 1852 om 10 uur aan de leenbank, om 12 uur aan het weeshuis en om 17 uur aan het gasthuis.

Op de 30e september 1852 leest de voorzitter van de gemeenteraad het Koninklijk Besluit van 17 september 1852 voor met de kennisgeving van de benoeming van de heer mr. M.P. Blaaubeen tot burgemeester van de gemeente Goes. De voorzitter deelt mee dat hij een maatschappelijke betrekking vervult die onverenigbaar is met die van burgemeester. Hij heeft autorisatie aan de Koning gevraagd om beide betrekkingen gelijktijdig te mogen waarnemen. De heer Van Kerkwijk betuigt namens de gemeenteraad hulde aan de benoemde burgemeester met de wens dat hij eerlang in staat zal worden gesteld om de functie, die door hem thans met zoveel ijver wordt bekleed, definitief op zich te nemen.
In december 1852 ontvangt de gemeenteraad het Koninklijk Besluit waarbij de heer Blaaubeen machtiging wordt verleend de functies van burgemeester en procureur bij de arrondissementrechtbank te verenigen. De gemeenteraad wenst de heer Blaaubeen hiermee geluk. De nieuwe burgemeester verzoekt de welwillende medewerking van de leden van de gemeenteraad zoals hij deze gedurende zijn tijdelijke waarneming heeft ondervonden.

Op 16 december 1852 gaat de gemeenteraad over tot de definitieve verkiezing van een nieuwe wethouder in de plaats van de heer Blaaubeen. Bij de stemming worden vier stemmen uitgebracht op de heer Kakebeeke, 3 op de heer Van den Bosch, 1 op de heer Vervenne en 1 op de heer Verschoor. De daarop volgende tweede vrije stemming levert dezelfde uitkomst op. Daarna wordt gestemd tussen de heren Kakebeeke en Van den Bosch. Vijf van de negen stemmen worden uitgebracht op de heer Kakebeeke en 4 op de heer Van den Bosch. De heer G.H. Kakebeeke is aldus benoemd tot nieuwe wethouder.

Secretarissen, griffiers en beambten

De stadssecretaris mr. Leonard de Fouw Jzoon richt zich eind maart 1851 tot de gemeenteraad. Hij geeft het volgende te kennen: ‘dat hij ten jare 1816, bij de organisatie van de regering, begunstigd is met het stedelijke secretariaat en hem het bijzonder voorrecht van een bijna 35-jarige waarneming is mogen te beurt vallen. Dat hij daarvoor dankbaar is, zowel als voor de aanhoudende blijken van welwillendheid ook door de tegenwoordige regering aan hem bewezen. Op gevorderde leeftijd en bij min bestendige gezondheid gevoelt hij de wensch om uit genoemde betrekking ontslagen te worden. Hij acht het zijn plicht de Raad van zijn gedane stap kennis te geven met het verzoek om hem daarin bevorderlijk te zijn’. De Fouw besluit met de verzekering van zijn dankbare herinnering aan een betrekking die hem bijzonder tot genoegen was. Hij zal zich altoos verenigen met zijn bereidvaardigheid om hun edelachtbaren en de Stad zijner geboorte naar vermogen van dienst te zijn.
De raad verklaart aan de Commissaris van de Koning dat hij het ontslag van de secretaris als een aanmerkelijk verlies voor stads administratie beschouwt, de heer de Fouw sinds een lange reeks van jaren erkend hebbende zeer nuttig en met stipte eerlijkheid in het belang van de stad werkzaam te zijn geweest. Wiens hulp door zijn grondige kennis van de raderen van de administratie en van de antecedenten wel zal worden gemist, terwijl welwillendheid bij onvermoeide ijver en werkzaamheid in zijn persoon steeds verenigd werden bevonden.
Alle leden van de gemeenteraad verklaren het eens te zijn met de beschouwingen en het gevoelen van de burgemeester en keuren een eervol ontslag van de secretaris alleszins waardig.

De Commissaris van de Koning stelt in april 1851 voor advies in handen van burgemeester en wethouders het door de stadssecretaris L. de Fouw Jzn bij Zijne Majesteit de Koning ingediend verzoek tot het bekomen van eervol ontslag uit de functie van secretaris van de stad. Dit vanwege zijn gevorderde leeftijd en min bestendige gezondheid. Het college adviseert tot het bevorderen van het verlangde eervol ontslag.
Na ontvangst van het ontslagbesluit van Zijne Majesteit de Koning verklaart de gemeenteraad, op voorstel van de burgemeester, het volgende:
‘De raad erkent de veeljarige, goede diensten door de heer afgetreden secretaris aan deze stad bewezen met verklaring van desselfs leedwezen over het gemis van zo een bekwaam, ijverig en braaf ambtenaar, aan wie zij nog een lange rust toewenscht en vertrouwt dat hij bij voorkomende gelegenheden ook door raad en daad tonen zal de belangen van deze stad en haar ingezetenen steeds ter harte te zullen nemen, bevelende zich ieder lid dezer vergadering in des ontslagenens voortdurende herinnering en welwillendheid’.

Al spoedig komen er enkele sollicitatiebrieven naar het ambt van stadssecretaris binnen. Hierbij zijn ook sollicitaties van de heren Hendrik Cornelis Pilaar, griffier ter stedelijke secretarie, en Jan de Fouw Wzn. De gemeenteraad beveelt in het bijzonder de heer Pilaar bij Zijne Majesteit de Koning aan. Gelet op de bepaling in het Reglement van bestuur, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 4 januari 1824, ‘dat burgemeester en wethouders bij de voordracht ter vervulling van het stadssecretariaat van twee personen door de raad twee andere voegen’, wordt bij besloten briefjes gestemd. Geen van de overige kandidaten verkrijgt hiervoor een meerderheid. Het college beveelt daarom voor benoeming tot stadssecretaris aan de stadsgriffier H.C. Pilaar. Daarbij wordt overwogen dat ‘de ondubbelzinnigste blijken aanwezig zijn dat, als het ware, de gansche burgerij het verlangen deelt dat de door de raad voorgestelde eerste kandidaat Hendrik Cornelis Pilaar de afgetreden secretaris, met wien hij zovele jaren heeft samengewerkt, opvolgt en het vertrouwen van Zijne Majesteit als een erkenning van zijn langdurige, getrouwe en ijverige diensten geschonken worde’.

De heer Pilaar, stadsgriffier, geeft de gemeenteraad op 12 mei 1851 te kennen dat hij het zijn plicht acht, na 36 jaren ter stedelijke secretarie te zijn werkzaam geweest, onder dankbetuiging voor het vertrouwen, als stadssecretaris te worden voorgedragen bij Zijne Majesteit de Koning. Alle stemmen van de gemeenteraad worden op de heer Pilaar uitgebracht als eerste op de nominatie. Wat betreft de tweede kandidaat worden vijf stemmen uitgebracht op Jan de Fouw Wzn en drie stemmen op Jan van den Bussche.
 
Maar eind juni 1851 schrijft de Minister van Binnenlandse zaken dat het hem voorgekomen is om, bij het vooruitzicht van een spoedige invoering van de Gemeentewet, de betrekking van secretaris van deze gemeente voorlopig onvervuld te laten. Temeer omdat de door de gemeenteraad voorgedragen kandidaat bij zijn benoeming tot secretaris van twee betrekkingen, die thans door hem bekleed worden, afstand zou moeten doen. Hij verzoekt hem bericht te geven indien in de waarneming van het secretariaat tot september niet behoorlijk mocht kunnen worden voorzien.
De gemeenteraad geeft daarop de Commissaris van de Koning te kennen dat de afgetreden stadssecretaris De Fouw tot hiertoe en in afwachting van de benoeming van zijn opvolger met de werkzaamheden van het stedelijk secretariaat is voortgegaan en het jongste raadslid zich mitsdien alleen bepaald heeft tot de ondertekening van de daaraan onderworpen stukken. Dit kan echter niet op deze wijze tot de maand september voortduren. Er is geen lid van de stedelijke raad in de gelegenheid om zich met de waarneming van deze betrekking te belasten. Naar het oordeel van de gemeenteraad is het voor de stedelijke administratie van groot belang dat bij de invoering van de Gemeentewet en bij de overgang van de oude naar de nieuwe administratie het stedelijk secretariaat vervuld is en een functionaris aanwezig is om de werkzaamheden voorlopig voort te zetten. Bovendien, er zijn billijke gronden om te verwachten dat de door de raad als eerste  voorgedragen kandidaat, die, zoals genoegzaam bekend is, bij de burgerij zo gunstig wordt beoordeeld, tot secretaris door Zijne Majesteit benoemd zijnde, door het nieuwe bestuur zal worden bevestigd. De gemeenteraad, ‘hoe zeer ook hulde doende aan de gemoedelijke bezorgdheid des ministers’, neemt de vrijheid op een spoedige vervulling van het vacante stadssecretariaat aan te dringen en roept daarvoor de gunstige ondersteuning van de Commissaris van de Koning in.
 
In juli 1851 benoemt de gemeenteraad met unanieme stemmen tot waarnemend secretaris de stadsgriffier Hendrik Cornelis Pilaar met ingang van 1 augustus 1851. De Minister van Binnenlandse zaken wordt kennis gegeven dat met de voorlopige waarneming van het secretariaat benoemd is de stadsgriffier Hendrik Cornelis Pilaar, deze als zodanig is beëdigd en in functie is getreden. De afgetreden stadssecretaris De Fouw legt in een vergadering van het college van burgemeester en wethouders aan de stadsgriffier en waarnemend secretaris over het stedelijke archief met toebehoren ‘en mitsdien van alle Acten, Boeken, Registers, Papieren, Documenten en andere stukken en zaken tot het stedelijke archief betrekkelijk, in onderscheidene lokalen geborgen en onder directie van hem berustend geweest’. Al deze stukken zijn door de heer Pilaar zonder aanmerkingen overgenomen. Dit alles ‘met herhaalde dankbetuiging aan de heer De Fouw voor zijn veeljarige goede diensten ook aan dit college bewezen’.
Op 19 november 1851 beveelt het nieuwe college van burgemeester en wethouders, na zich een ogenblik te hebben teruggetrokken, voor benoeming aan de heer Hendrik Cornelis Pilaar, thans die betrekking waarnemende, en Jan de Fouw Wzn. Uit de stemming in de gemeenteraad blijkt dat alle elf stemmen zijn uitgebracht op de heer Pilaar. Hij betuigt zijn erkentelijkheid voor deze eervolle benoeming. De jaarwedde van de secretaris wordt verhoogd van ƒ 900 tot ƒ 1200.

De gemeenteraad benoemt in maart 1852 tot griffier ter secretarie, tevens belast met het agentschap van kazernering, de heer Jozias Risseeuw, secretaris van de gemeente Kattendijke. Hij zal voortaan de openbare zittingen van de gemeenteraad bijwonen en mede aantekening houden van het verhandelde.

Er zijn geregeld twee ambtenaren van de burgerlijke stand. In 1847 zijn dit burgemeester mr. J.C. van der Meer Mohr en wethouder mr. M.P. Blaaubeen. Vanwege de langdurige ongesteldheid van de burgemeester wordt in april 1852, naast wethouder Blaaubeen, een derde ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd.

Functies en bedieningen

Stedelijke ontvanger
In 1848 wordt de stedelijke ontvanger Jacobus van Renterghem de Fouw toegestaan om gebruik te maken van zijn zoon, Jan de Fouw, op het kantoor van de stedelijke ontvanger tot zijn assistentie en hem, bij zijn afwezigheid, tot het tekenen van stukken voor de ontvanger te kwalificeren.
De gemeenteraad besluit in maart 1852 met algemene stemmen dat er een nieuwe benoeming van gemeenteontvanger dient plaats te vinden. Voor de benoeming hiervan doet het college de gemeenteraad de volgende aanbeveling: Jacobus van Renterghem de Fouw, thans gemeenteontvanger, en Jacobus Mulder, deurwaarder bij de arrondissementrechtbank en het kantongerecht. Alle negen stemmen worden uitgebracht op de heer Van Renterghem de Fouw. Na betuiging van zijn erkentelijkheid voor de benoeming en de aanvaarding van daarvan legt de heer Van Renterghem de Fouw in handen van de voorzitter de voorgeschreven eden af.

Stadsfabriek of gemeentearchitect
Gelet op de ‘volstandige ijver en nauwkeurige plichtsbetrachting’ van de stads onderfabriek  Anthony van Leent en vanwege de buitengewone werkzaamheden waarmee hij in het afgelopen jaar is belast geweest, alsook van zijn zwaar en talrijk huisgezin, besluit de gemeenteraad in januari 1850 …..?
De gemeenteraad besluit in november 1853 per 1 januari 1854 eervol ontslag te verlenen aan de heer Louis Philippe de Lannee de Betrancourt als stadsarchitect en aan Anthony van Leent als stadsonderarchitect van de gemeente.
In hun plaats wordt een opzichter van de gemeentewegen en -werken benoemd op een jaarwedde van 400 gulden. In deze functie wordt uit negen sollicitanten de heer Anthonie van Leent benoemd per 1 januari 1854, de huidige stadsonderarchitect.

Stadsbode
De stadsbode en marktmeester Johannes Groeneweg overlijdt in mei 1848. In zijn plaats wordt benoemd A.J.A.P. van Calmthout.
De conciërge van het Stadhuis Anthony Zitters verzoekt in januari 1853 vanwege zijn langdurige en aanhoudende ongesteldheid ontslag. Hij kan z’n functie niet meer naar behoren waarnemen. Hij krijgt eervol ontslag als conciërge, bode, marktmeester, waagmeester en luider van de dag- en poortklok. Stadsbode A.J.A.P. van Calmthout komt in zijn plaats als conciërge, luider van de dagklok en stadsbode.

Stads turftonder en houtmeter
De turftonder en houtmeter Willem Hartog overlijdt eind 1846. In zijn plaats wordt aangesteld de assistent Johan Pieter den Boer. Tot assistent korenmeter en assistent tonder van de korte turf en houtmeter wordt aangesteld Marinus Broos. In januari 1851 legt de stadsgriffier H.C. Pilaar zijn verantwoording af van de huur van de turfton over 1850 ten bedrage van ƒ 388,00.

Stads kolen- en hooiweger
Door het overlijden van Jan Visser besluit het gemeentebestuur in februari 1847 de stads houtteller Jacob van der Schraaf tevens te benoemen als stads kolen- en hooiweger. Tot assistent houtteller, kolen- en hooiweger wordt Willem Mijnsbergen aangesteld.

Stadsdrukker
In december 1852 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van Jacobus Mulder te Goes waarin hij kennis geeft van de overname van de zaak van wijlen G.F. Reijnders, in leven boekhandelaar en stadsdrukker onder de naam van de firma F. Kleeuwens en zoon. Hij verzoekt aanstelling als stadsdrukker. Ook de boekhandelaar Simon Jacobus de Jonge solliciteert naar de betrekking van stadsdrukker. Maar met alle tien stemmen besluit de gemeenteraad de heer Mulder te benoemen.

Sas- en buitenhavenmeester
Per 1 januari 1854 worden herbenoemd Gerrit Cornelis van Blitterswijk tot sas- en buitenhavenmeester voor de haven van Goes op een jaarwedde van ƒ 400, Joris van Boven tot binnenhavenmeester op een jaarwedde van ƒ 200 en Andries Dronkers tot sasknecht op een jaarwedde van ƒ 250, allen met vrije woning in de hen door het gemeentebestuur aan te wijzen panden.

Dijkgraaf
In mei 1847 overlijdt de dijkgraaf van de Goese Polder, Henricus Johannes van ’t Hoff. De gemeenteraad stuurt een voordracht van drie personen aan Gedeputeerde Staten met de namen Charles Petrus Soutendam, Johannes Zandee en Jacobus Pieter Kakebeeke. Benoemd wordt de heer Johannes Zandee.

Afschaffing plaatselijke bedieningen en functies
In verband met de invoering van een ander belastingstelsel besluit de gemeenteraad op 24 maart 1853 de volgende functies en bedieningen af te schaffen: de hoofdcommies; de stadsfabriek; de stadsonderfabriek; de commiezen; de poortiers van de stadspoorten; de keurmeesters van het vlees; de zoutwegers; de korenmeter en assistent korenmeter; de kolen-, kalk-, tras-, ajuin- en aardappelmeters; de turftonders en houtmeters; de tonders van de lange turf; de houttellers, kolen- en hooiwegers; de majoor van de nachtwacht; de nachtwakers en hun assistenten.

De poorten zullen voortaan geopend blijven. ‘s Nachts zal er door de politie worden gesurveilleerd. In verband daarmee wordt het aantal politieagenten vermeerderd tot vier.
Het toezicht op het vlees wordt eveneens aan de politie opgedragen.
Plaatselijke ambtenaren tot surveillance van de belastingen
In maart 1853 benoemt het gemeentebestuur de te Goes gestationeerde rijkscommiezen als plaatselijke ambtenaren tot surveillance van de belastingen. Voor hetzelfde doel worden de politieagenten aangesteld. Hun aantal wordt met twee gewone en twee buitengewone agenten vermeerderd.

Bevolking
Hieronder volgt een overzicht van het verloop van de  aantal huwelijken.

Jaar: Aantal inwoners: Hervormd: Roomsgezind: Luthers: Mennoniet: Joods: Chr. afgesch.:
31.12.1847 5324 3681 1158 3 3 57 422
31.12.1848 5318 3711 1160 5 2 66 374
31.12.1849 5317 3829 1145 9 3 55 261
31.12.1850 5352 3699 1205 5 6 71 464
31.12.1851 5410 3866 1155 20 5 35 312
31.12.1852 5458 3783 1167 5 4 57 462
31.12.1853 5480 3839 1172 7 3 56 403
  Geboren: Overleden: Gehuwd:
1846 209 233 32
1847 151 266 33
1848 175 232 30
1849 206 145 50
1850 187 205 59
1851 235 176 33
1852 235 172 33

Opmerkelijk is het grote aantal overledenen in 1846 (233), waarvan 81 in het eerste levensjaar en 142 in het tweede halfjaar. Hetzelfde deed zich voor in het jaar 1842.
Ook in 1847 overlijden 266 inwoners, waarvan 58 in het eerste levensjaar en 138 in de eerste twee levensjaren. Ook is er, wat een zeldzaamheid is, onder de overledenen één inwoner van 92 jaar.

De Gouverneur van Zeeland verzoekt in februari 1847 om toezending van een nieuwe staat van de bevolking met een meer uitgebreide aanwijzing van de godsdienstige gezindheden. Van nu af aan wordt elk jaar zo’n staat opgesteld.

Veestapel
Hieronder volgt een overzicht van het verloop van de veestapel in de gemeente gedurende enkele jaren.

Jaar: Runderen: Paarden: Schapen: Varkens:
1849 367 203 175 250
1850 259 194 170 243
1851 367 181 160 225

Grote paardenbezitters in de gemeente zijn in 1847 huurkoetsier Jan Koens (7), bierbrouwer C.M. de Jongh (5), huurkoetsier Pieter Panny (12), koopman J. Kakebeeke (8), koemelker M. van Oosten (5), landbouwer Adriaan Zandee (5), stalhouder Jan Warrens (6), koemelker J. Willeboer (6), landbouwer M. Zandee (7), landbouwer J. Verdonk (5), landbouwer J.K. van Baalen (9), vrachtrijder H. van den Berge (6) en landbouwer J. van Maldegem (10).
J. Kakebeeke heeft bovendien 147 schapen.

Kontakten van het gemeentebestuur met Zijne Majesteit de Koning
Op de 24e maart 1849 ontvangt de gemeenteraad van de Gouverneur van Zeeland de treurige tijding van het overlijden van Zijne Majesteit Koning Willem II. De gemeenten worden uitgenodigd tot rouwbedrijven. De ingezetenen wordt bij Publicatie hiervan dadelijk mededeling gedaan. Maatregelen worden genomen tot het drie maal per dag luiden van de klokken en het verbieden van openbare vermakelijkheden gedurende de voor rouwbedrijven bestemde tijd.
De begrafenis zal plaatsvinden op 4 april 1849. Hiervan wordt een Publicatie gedaan. Er worden bevelen gegeven tot het luiden van de klokken op de 3e en 4e april. Alle openbare vermakelijkheden zullen op die dagen stil staan.

Ook ontvangt de gemeenteraad een Proclamatie van de nieuwe Koning, Zijne Majesteit Koning Willem III, over de aanvaarding van de regering. Deze wordt van de pui van het Stadhuis afgekondigd en bij Publicatie aangeplakt en in de Goesche Courant opgenomen. Er worden plechtige gebeden uitgeschreven ter gelegenheid van de aanvaarding van de regering door Zijne Majesteit Koning Willem III met aanschrijving van de predikanten van de Hervormde gemeente in de stad.

De Publicatie luidt:
Burgemeester en wethouders der stad Goes maken bekend aan de ingezetenen van de stad, dat het den Almagtige behaagd heeft onzen beminden Koning Willem den Tweede tot zich te roepen. Na eene flikkering, welke aan eene bedriegelijke hoop voedsel gaf, bezweek Zijne Majesteit op den 17 dezer des morgens ten half drie uure.
Diepe rouw overdekke het Vaderland bij het afsterven van eenen Vorst, die zijn Volk boven alles lief had.
Zijn beminde zoon Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk beklimt, naar artikel 13 der Grondwet, den Troon.
Willem de Derde is Koning der Nederlanden.
De gehele Natie is Hem trouw verschuldigd.
In Zijnen naam blijven allen werkzaam tot handhaving van wet, orde en rust.
Reeds zijn de nodige bevelen gegeven om aan Koning Willem III de treurige tijding over te brengen, welke Hem tot de gewigtige taak roept, waarop Zijne geboorte en de Grondwet hem een onschendbaar regt geven.
Moge een ieder in zijne betrekking, doordrongen van liefde voor het beminde Huis van Oranje, met kalmte en met warme vaderlandsliefde medewerken, om door eene rustige houding, onder den zegen Gods, het welzijn des Vaderlands te bevorderen.
Driemaal des daags gedurende acht achtereenvolgende dagen en wel des morgens ten acht uur, des middags ten twaalf uur en des namiddags ten vier uur telkens een uur zullen de klokken van de in de stad aanwezige toren worden geluid, alsmede dat op die dagen generlei toneelvertoningen mogen plaats hebben en alle publieke danspartijen of andere dergelijke openbare vermakelijkheden worden verboden.

Ook op de 22e juni 1850 komt er een treurige mededeling van het overlijden van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Maurits. De gemeenteraad neemt van deze kennisgeving met de meeste deelneming kennis.

Grote vreugde is er op de 12e april 1851. De Minister van de Hervormde Eredienst verzoekt dankzegging voor de voorspoedige bevalling van Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Saksen Weymar Eisenbach van een Prinses. Het bericht van de geboorte van Prinses Wilhelmina wordt aan de leraren van de protestantse gemeenten in de stad uitgereikt.

Op de 7e juni 1851 geeft de burgemeester de gemeenteraad kennis van een informatie van de Commissaris van de Koning dat Zijne Majesteit de Koning voornemens is om in de volgende week de tentoonstelling van de Maatschappij van Landbouw in Zeeland, die in onze gemeente zal worden gehouden, met een bezoek te vereren, zonder evenwel bij die gelegenheid enige ceremonieën of particuliere audiënties te verlangen.

Naar aanleiding van ‘deze hoogst aangename mededeling’ besluit de gemeenteraad om burgemeester en wethouders te verzoeken en te machtigen om hierover met de besturende commissie van de Maatschappij van Landbouw te overleggen voor het beramen en uitvoeren van de nodige maatregelen om Zijne Majesteit de Koning bij deze gelegenheid op een gepaste wijze, doch in overeenstemming met de staat van de stedelijke financiën, op de minst bezwarende wijze te ontvangen en een behoorlijke receptie te doen ondervinden.
Het bezoek van de Koning aan Goes vindt plaats op de 12e juni 1851.

Op de 16e juni 1851 deelt de burgemeester de gemeenteraad mee dat Zijne Majesteit Koning Willem III, na op jongstleden donderdag de 12e juni 1851 in deze gemeente de tentoonstelling van de Zeeuwsche Maatschappij van Landbouw en Veeteelt bezichtigd en de daarbij plaats gehad hebbende volksvermakelijkheden bijgewoond te hebben, bij het verlaten van de stad hem heeft te kennen gegeven ‘dat Zijn ontvangst alhier en door de burgerij, hoogstdezelve zeer welgevallig is geweest en dit aan de ingezetenen, bij iedere gelegenheid konde worden gezegd, zodat, bij aldien aan Zijne Majesteit de tijd niet had ontbroken, hij de stad gaarne een langer bezoek zoude hebben geschonken’.
De gemeenteraad besluit deze welwillende uitdrukking van Zijne Majesteits, voor deze stad vererende gevoelens bij publicatie aan de ingezetenen bekend te maken met dankbetuiging voor de algemeen betoonde deelneming en vreugde vanwege Zijne Majesteits tegenwoordigheid in deze gemeente.

Op 30 juni 1851 geeft de burgemeester de gemeenteraad te kennen dat, ofschoon de wijze van afloop van het op de 12e juni door Zijne Majesteit de Koning, ter gelegenheid van de tentoonstelling van voortbrengselen van de landbouw, aan Goes gebrachte bezoek en het indertijd te Goes gehouden 6e Landhuishoudkundig Congres van algemene bekendheid moet zijn, het hem hoogst aangenaam is deze gunstige, alleszins gewenste en voor de stad vererende afloop hierbij te mogen herhalen. Hij voegt er aan toe dat bij deze gelegenheden steeds een volmaakte orde heeft geheerst, zodat in generlei opzicht enige stoornis of ongeregeldheid heeft plaats gevonden. Hij betuigt zijn dank aan de leden van de stedelijke commissie uit de gemeenteraad en verdere raadsleden die bij deze gelegenheid tot het goede resultaat hebben meegewerkt.

Aantreden nieuwe Commissaris van de Koning
Bij het afscheid van de Commissaris van de Koning in Zeeland, mr. Ewout baron van Vredenburch, schrijft de gemeenteraad hem een brief tot afscheid met onder meer het volgende: ‘Het heeft de Gemeenteraad van Goes zeer getroffen dat het Zijne Majesteit den Koning heeft behaagd uwe Excellentie met den eerste januari aanstaande als hoogstdesselfs Commissaris in deze provincie eervol te ontslaan. Immers had deze provincie gedurende een reeks van jaren het voorrecht hare belangen met de meeste zorg en op de nauwgezetste wijze door Uwe Excellentie behartigd te zien. Ook deze gemeente mocht daarin ruimschoots delen en haar bestuur bestendig ondervinden uwe Excellentie’s meest mogelijke welwillendheid en medewerking bij de vervulling van desselfs vaak moeilijke plichten’.

De gemeenteraad ontvangt op de 16e december 1852 een brief van de Commissaris van de Koning in Zeeland, Mr. Ewout Baron van Vredenburch. Hij dankt het gemeentebestuur in het bijzonder ‘voor de vleiende beoordeling mijner dienst, zo ten opzichte van het gewest als betrekkelijk de gemeente uwer inwoning’. Hij schrijft ‘dat het voor hem strelend is van de Gemeenteraad van Goes de betuiging te ontvangen dat bij hem een, voor hem gunstige herinnering van zijne 26-jarige beheer in Zeeland bestaat en ik heb de eer hem mijnen dank voor die betuiging aan te bieden. Zij brengt verzachting toe aan het leed, mij door het plotseling doen eindigen mijner administratieve loopbaan toegebracht. Aan den Raad zal ik steeds met een aangenaam en erkentelijk gevoel indachtig zijn en onder de verzekering dat de voorspoed van Goes bij voortduring onder mijn beste wenschen een plaats zal behouden’.

In de plaats van de eervol ontslagen mr. E. van Vredenburch benoemt Zijne Majesteit de Koning met ingang van 1 januari 1853 Jonkheer J.G.H. van Tets van Goudriaan tot Commissaris van de Koning in Zeeland. Het college van burgemeester en wethouders begeeft zich op de 18e januari ter audiëntie om zijne hoogheid met zijn benoeming en in functie treding geluk te wensen.

Op maandag de 26e september 1853 brengt de nieuwe commissaris een bezoek aan Goes. Hij verzoekt het gemeentebestuur ‘hem te willen afwachten aan het Raadhuis uwer gemeente teneinde mij aldaar, omtrent al wat het beheer en de belangen uwer gemeente aangaat, de vereiste inlichtingen te kunnen mededelen’. Hij verzoekt in de gemeente kenbaar te maken ‘dat ik aan elk, die mij over het een of ander wenscht te spreken, daartoe de gelegenheid zal geven’. Hij schrijft: ‘Ik wenschte mijne reis over het overzetveer van het Sloe te nemen en des morgens ten negen uur van Middelburg te vertrekken. U zou mij verpligten voor mij een rijtuig uit Goes te zenden en te zorgen dat dit maandag op tijd aan den Zuid-Bevelandsche waterkant van het veer gereed sta, teneinde ik daarmede dadelijk mij naar uw gemeente zou kunnen begeven. Ik wenschte verder te Goes den nacht van maandag op dinsdag door te brengen. Uw edele hebbe dus de goedheid voor mij, alsmede voor de ambtenaar en den bode ter provinciale griffie, welke mij zullen vergezellen, huisvesting te bestellen’.
De burgemeester biedt zijn woning aan tot verblijf. De gemeenteraad biedt de Commissaris een diner aan dat maandag namiddag om zes uur in de schouwburg zal plaats vinden.
Van de gelegenheid tot het aanvragen van audiëntie maken gebruik de burgemeester van ‘s-Gravenpolder P. Pijke; de commissaris van politie F. Bakker; het college van diakenen; O. Verhagen als voorzitter van de Kamer van Koophandel; de staf van de rustende schutterij; de kerkvoogden van de Hervormde gemeente; de kerkmeesters van de rooms-katholieke gemeente; de regenten van de godshuizen; de ontvanger namens de arrondissementrechtbank; de commissie van het armbestuur; de plaatselijke geneeskundige commissie; de commissie voor de economische spijsuitdeling; het kantongerecht; de commandant van de schutterij; de commissie directie van de straten en zandwegen; de ingenieur van de waterstaat; de oudste leraar van de hervormden; de directeur van de posterijen; C. de Fouw als burgemeester van Ovezande en Nisse.

Contacten met het provinciaal bestuur
In juni 1847 wordt Jonkheer Aarnout Reynier de Haze Bomme benoemd tot lid van Provinciale Staten van Zeeland namens de landelijke stand in de plaats van de overleden Hendrik Lenshoek van Zwake. De heer De Haze Bomme, tevens fungerend commissaris over het district Goes, overlijdt in september 1847. In zijn plaats wordt in mei 1848 door de kiezers van de landelijke stand gekozen de heer Boudewijn van der Mandere.
In juni 1849 worden namens Goes benoemd tot leden van Provinciale Staten van Zeeland de heren B. van der Mandere, Jacob Kakebeeke, mr. Martinus Pieter Blaaubeen en mr. Johannes Carolus van der Meer Mohr.
De heer mr. L. de Fouw Janzn is dan aftredend. Hij verzoekt verschoond te mogen blijven van herbenoeming in verband met de onbestendigheid van zijn gezondheid. De gemeenteraad betuigt haar leedwezen over dit verzoek. Benoemd wordt de heer J. Walraven van Kerkwijk. Hij verklaart echter zijn benoeming niet te kunnen aanvaarden. Bij de herstemming krijgt de heer mr. J.J. van Deinse de meeste stemmen.
Er kunnen vier leden vanuit Goes in Provinciale Staten worden benoemd. Met volstrekte meerderheid worden gekozen de heren J.C.R. van der Bilt, J. Fransen van de Putte, B. van der Mandere en mr. J.J. van Deinse. Echter in mei 1853 wordt de heer mr. J.J. van Deinse met volstrekte meerderheid van stemmen gekozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In verband daarmee verzoekt Van Deinse ontslag als lid van Provinciale Staten. In zijn plaats wordt gekozen de heer dr. R.B. van den Bosch. Daarnaast is vanuit Goes lid van de Tweede Kamer de heer Ph.J. Bachiene.

De Gouverneur deelt in januari 1849 mee dat Zijne Majesteit de Koning het district commissariaat te Goes heeft afgeschaft en heeft bepaald dat de daartoe betrekkelijke werkzaamheden bij het provinciaal gouvernement van Zeeland zullen worden ondergebracht. Met deze autoriteit dient voortaan de onmiddellijke briefwisseling te worden gevoerd.

Bijzondere gebeurtenissen
De mislukte aardappeloogsten houden ook in 1847 de gemoederen nog bezig.
Het gemeentebestuur ontvangt op 24 april 1847 van de Minister voor de Zaken der Hervormde Eredienst H. van Zuijlen van Nyevelt een brief met de volgende inhoud:
‘De Leeraars der Nederduitsche Protestantsche kerken, in hunne gebeden steeds gedachtig aan de belangen des Vaderlands, hebben ook meermaals daarbij acht geslagen op de drukkende onheilen, welke het gevolg zijn van een tweejarig misgewas der noodzakelijkste voedingsmiddelen. Hun zal het dan zeker welkom zijn een oproeping van ’s Koningswege te ontvangen tot het houden van een algemene Bededag, bestemd om in algemene behoefte den Almagtige om hulp en redding te bidden.
Bij het hiernevens gevoegd besluit van de 23e dezer vind ik mij dan ook gelast des Konings verlangen bekend te maken om zich, tot dat einde, op zondag den 2e mei aanstaande met Zijn Volk in de bedehuizen te verenigen en om de protestantsche leeraren daartoe bijzonder uit te nodigen, aan welke vererende last ik bij deze voldoe.
Moge de goedertieren Albestuurder de gebeden verhoren, waarbij wij deze en alle onze verdere belangen, Hem ootmoedig zullen opdragen in den Naam van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus’.
Er wordt dan ook een algemene bededag op de 2e mei 1847 uitgeschreven tot aanbeveling van de belangen van het vaderland bij de algemene behoefte door de tweejarige mislukking van de oogst van de noodzakelijkste levensmiddelen veroorzaakt. Overeenkomstig de aanschrijving van Zijne Majesteit wordt de aanschrijving dadelijk uitgereikt aan de in de stad aanwezige predikanten van de Hervormde gemeente en de afgescheiden gemeente en aan het Israelitische kerkbestuur.
In dit zelfde jaar stuurt de Gouverneur een aanschrijving van de Minister van de Eredienst toe voor het houden van een plechtige dankdag voor de gezegende oogst op zondag de 26e september 1847.

Op de 18e december 1847 rapporteert het gemeentebestuur aan de Gouverneur dat de ingezamelde aardappelen tot hier toe in de bewaarplaatsen goed blijven en geen geneigdheid tonen tot rotting over te gaan. Ook zijn er geen andere ongunstige verschijnselen opgemerkt die op de meerdere of mindere genoegzaamheid van de voorraad van invloed zouden kunnen zijn. De gemiddelde prijs van de aardappelen per mud bedraagt ƒ 3. Voor gelijke hoeveelheden op hetzelfde tijdstip in 1844 kan de prijs worden gesteld op ƒ 1,30 tot 1,50 per mud. Er vindt geen uitvoer van aardappelen uit deze gemeente naar andere provincies of naar het buitenland plaats.