Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1854 - 1860)

Ontwikkeling bedrijvigheid in periode 1854 tot 1860

De jaarverslagen van het gemeentebestuur over deze jaren geven over het algemeen opnieuw geen opwekkend beeld van de economische bedrijvigheid in de gemeente. Hierna volgt een weergave uit deze jaarverslagen.

1855

De voornaamste bedrijvigheid bestaat dit jaar uit:

  • een mee- en garancinefabriek, genaamd ‘Stad Goes’, gedreven door een stoomtuig van 12 paardenkracht en een stoomketel.
  • een weverij van calicots, waarin werkzaam waren twee meesterknechts en 80 weefgetouwen. Als gevolg van de stagnatie in de verzending van calicots naar Indië is met halverwege september 1855 een meesterknecht uitgevallen en het aantal wevers tot vijftig verminderd, terwijl het werkloon met 10 cent per stuk van 22½ el is verminderd. Er werden in 1855 10.176 stukken calicots vervaardigd.
  • een zoutkeet van de heer O. Verhagen, die echter in 1855 niet heeft gewerkt.
  • een looierij, waarin twee zonen van de eigenaar werken.
  • een ververij van zijden en katoenen stoffen, van weinig belang en waarin de meester alleen werk vindt.
  • een bierbrouwerij, genaamd ‘de Gans’, waarin twee volwassen manspersonen werk vinden. De brouwerij ’t Fortuin’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat is te niet gegaan en uitgebroken.
  • vier chocolade fabrieken (er is er dit jaar weer een bijgekomen).
  • twee kaarsenmakerijen. Deze zijn van weinig belang, daar in ieder daarvan ‘s winters één man werkzaam is en dan nog tot ander werk gebruikt wordt.
  • een patent oliefabriek, waarin één volwassen man werk vindt.
  • een vlasserij, waarin een gedeelte van het jaar werk wordt verschaft aan 8 à 10 personen.
  • een laboratorium van de apothekers Hochart en Zoon met een stoomtuig van drie paardenkracht met een ketel tot bereiding van geneesmiddelen.
  • aan de heer Saaymans Vader is door Gedeputeerde Staten op 7 december 1855 vergunning verleend voor het stichten van een destilleerderij van alcohol uit beetwortels; met de aanbouw van deze fabriek is een aanvang gemaakt.
  • een hoedenmakerij met drie werklieden en een jongen.
  • een zaagmolen met drie vaste knechts.
  • een oliemolen met vier werklieden in de winter en drie in de zomer.
  • een gerst- en pelmolen waarop één man vast werk heeft.
  • twee koren- tevens pelmolens met ieder twee knechts.
  • een boekweitmolen met 2 knechts en een jongen. Aan de heer J.H.C. Kakebeeke, eigenaar van deze fabriek, is bij besluit van Gedeputeerde Staten van 11 januari 1856 vergunning verleend om in deze thans door paarden gedreven grutterij een stoom-meelfabriek, grutterij en pellerij te stichten.
  • twee meestoven; in elk daarvan zijn werkzaam geweest een droger, een stamper, een onderman en vier op- en afdoeners. Over de afgelopen teelt zijn afgewerkt in meestoof ‘de Liefde’ 56.003 pond racine en 4.002 pond mul en in de meestoof ‘de Zon’ 79.197 pond racine en 4.282 pond mul.
  • een fabriek van verbeterde meekrapbereiding, genaamd ‘Zuid-Beveland’, gedreven door een stoomtuig van 30 paardenkrachten met twee ketels en werkzaam geweest met 40 werklieden. In deze fabriek zijn in 1855 nog aangebracht vier maaltoestellen, zodat er thans zes in geplaatst zijn. Er is afgewerkt 304.963 pond gemalen meekrap van inlandse en 80.587 pond dito van buitenlandse wortels, 10.224 pond poeder van inlandse meekrap, onder de benaming van Zeeuwse alizarine, en 25.675 pond racine.

1856

De voornaamste fabrieken in de gemeente zijn:

 

  • een mee- en garancinefabriek van dr. C.A. van Renterghem.
  • een fabriek van verbeterde meekrapbereiding, genaamd ‘Zuid-Beveland’, gedreven door 30 pk met twee 2 stoomketels en werkzaam geweest met 40 werklieden. Er werd afgewerkt 25.520 pond racine en 306.353 pond gemalen meekrap.
  • een zoutkeet van O. Verhagen; deze is in 1856 buiten werking geweest.
  • een hoedenmakerij van P. Magielse, werkzaam met drie knechts en een leerjongen.
  • een looierij van P.L. van der Reijt, waarin twee zonen van de eigenaar werkzaam zijn geweest.
  • een weverij van calicots van de heren G. en H. Salomonson en compagnon, waarin werkzaam zijn geweest een meesterknecht en 50 weefgetouwen, die echter langzamerhand verminderd zijn, zodat deze fabriek in juni 1856 geheel is opgeheven.
  • een ververij van zijden en katoenen stoffen, van weinig belang en waarin de meester L. Siepman alleen werk vindt.
  • een bierbrouwerij van E. de Meulemeester, genaamd ‘de Gans’, waarin twee knechts werkzaam zijn.
  • drie chocoladefabrieken van A. Nortier, C. Pilaar & zonen en G. van der Hoek. Die van Van den Bosch & comp. is teniet gegaan.
  • twee kaarsenmakerijen, van G. Buijze en G. van der Hoek, van geen groot belang en in de winter ieder met één man werkzaam.
  • een patent-oliefabriek van G.H. Kakebeeke & Comp., waarin één volwassen man werk vindt.
  • een vlasserij van J. Kakebeeke, die gedurende een gedeelte van het jaar werk verschaft aan 8 à 10 personen.
  • drie touwslagerijen, van de weduwe M. de Keijzer, N. de Lange en M. Scheffer, in elk waarvan, behalve de meester, een of twee jongens aan het werk zijn geweest.
  • een sigarenfabriek van G.M. Le Cointre, die werkte met drie jongens.
  • een laboratorium van de apothekers P.A. Hochart en zoon voor het bereiden van geneesmiddelen.
  • de alcoholfabriek uit beetwortelen van Saaymans Vader & Compagnon, genaamd 'Mercurius'; deze is in 1856 voltooid en op 1 oktober in werking gekomen met een stoomtuig van 20 pk en twee ketels. Er zijn gemiddeld werkzaam geweest 8 mannen, 4 vrouwen en 3 jongens.
  • een zaagmolen van de gebroeders Harinck met drie knechts die vast werk hadden.
  • een oliemolen, genaamd ‘de Hoop’, van G.H. Kakebeeke, met 4 werklieden in de winter en 3 in de zomer.
  • een gerst- en pelmolen van Van den Bosch en compagnon, waarop één man vast werk had. Deze molen is in de loop van het jaar afgebroken.
  • twee koren- tevens pelmolens, genaamd ‘de Koornbloem’ van J. Olbertijn en ‘de Vijf Gebroeders’ van J. Adriaanse; op elk waren twee man werkzaam.
  • een boekweitmolen van J.H.C. Kakebeeke, genaamd ‘de Vos’, waarop werkzaam waren twee knechts. In de loop van het jaar is deze fabriek, die door paarden gedreven werd, veranderd en ingericht tot stoom meelfabriek, met het oogmerk om deze verder tot grutterij en pellerij in te richten.
  • twee meestoven, genaamd ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. In elk daarvan waren werkzaam een droger, een stamper, een onderman en vier op- en afdoeners. Gedurende de teelt van 1856 zijn afgewerkt in ‘de Liefde’ 49.023 pond racine, 2.426 pond onberoofde en 9.226 pond mul en in de meestoof ‘de Zon’ 52.922 pond racine en 3.986 pond mul.

1857

De voornaamste bedrijvigheid in de gemeente is dit jaar:

  • een mee- en garancinefabriek, genaamd ‘Stad Goes’, van dr. C.A. van Renterghem en compagnon, gedreven door een 12 pk stoomtuig en een ketel. Het maken van garancine, in 1857 andermaal beproefd, is belet geworden omdat met zwavelzuur bezwangerd water in de haven vloeide. Het middel schijnt evenwel uitgevonden te zijn om zodanig water te neutraliseren en onschadelijk te maken en er is door de gemeenteraad vergunning verleend om, onder behoorlijk toezicht van de gemeente, daarvan een proef te nemen; tot heden heeft men daarvan nog geen gebruik gemaakt.
  • de zoutkeet van O. Verhagen, de enige die hier bestaat, bleef buiten werking.
  • een hoedenmakerij van P. Magielse.
  • een leerlooierij van P.L. van der Reijt.
  • een ververij van zijden en katoenen stoffen van J.L. Siepman.
  • de bierbrouwerij ‘de Gans’ van E. de Meulemeester.
  • drie chocolade fabrieken van A. Nortier, C. Pilaar & Zonen en G. van der Hoek.
  • twee kaarsenmakerijen van G. Buijze en G. van der Hoek.
  • een patent olijfabriek van G.H. Kakebeeke.
  • een vlasserij van J. Kakebeeke.
  • drie touwslagerijen, van de weduwe M. de Keijzer, overgegaan op C. Groenhof, van N. de Lange en van M. Scheffer.
  • een sigarenfabriek van G.M. Le Cointre.
  • een laboratorium van de apothekers P.A. Hochart en zoon. In dit laboratorium is in 1857 ook een destilleerderij van likeuren daargesteld voor de firma Hochart en compagnon.
  • een alcoholfabriek uit beetwortelen van Saaijmans Vader en compagnon, genaamd ‘Mercurius’, voorzien van een 20 pk stoomtuig en twee stoomketels.
  • een zaagmolen van de gebroeders Harinck.
  • een oliemolen, genaamd ‘de Hoop’, van G.H. Kakebeeke.
  • twee korenmolens, tevens pelmolens, genaamd ‘de Koornbloem’ van J. Olbertijn en ‘de Vijf Gebroeders’ van J. Adriaanse.
  • een stoom meelfabriek, in 1857 ook ingericht tot grutterij en pellerij, genaamd ‘de Vos’, van J.H.C. Kakebeeke.
  • twee meestoven, ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. Gedurende de teelt van 1857 zijn afgewerkt in de eerste 47.001 pond racine, 20.200 pond onberoofde en 10.923 pond mullen en in de tweede 51.096 pond racine, 13.505 pond onberoofde, 10.207 pond mullen en 2.568 pond verstampte mul.
  • een fabriek van verbeterde meekrapbereiding, genaamd ‘Zuid-‘Beveland’, gedreven door 30 pk met twee ketels. In het begin van het jaar is deze werkzaam geweest voor de teelt van 1856. De in die fabriek gemalen poeder is bekroond geworden te Parijs met de zilveren en te Haarlem met de tweede gouden medaille. Intussen zijn de werkzaamheden, door gebrek aan bedrijfskapitaal, gestaakt moeten worden. Dit heeft de ontbinding van de Maatschappij op 28 december 1857 tot gevolg gehad, zodat de fabriek eerlang publiek verkocht zal worden.
  • een mee- en garancinefabriek, genaamd ‘Stad Goes’, van Van Renterghem en compagnon, gedreven door een 12 pk stoomtuig en een stoomketel. Het maken van garancine, in 1857 andermaal beproefd, is belet geworden omdat met zwavelzuur bezwangerd water in de haven vloeide. Het middel schijnt evenwel uitgevonden te zijn om zodanig water te neutraliseren en onschadelijk te maken en er is door de gemeenteraad vergunning verleend om, onder behoorlijk toezicht van burgemeester en wethouders, daarvan een proef te nemen; tot heden heeft men daarvan nog geen gebruik gemaakt. Van hetgeen in deze fabriek verwerkt is, werd geen opgave gedaan.

1858

De voornaamste bedrijvigheid in de gemeente is dit jaar:

  • een mee- en garancinefabriek ‘Stad Goes’ van Van Renterghem, gedreven door een 12 pk stoommachine met een stoomketel. De vergunning, verleend om het geneutraliseerd water van de garancine in de haven te laten vloeien, is, uit hoofde van een onvoldoende uitkomst, weer ingetrokken, en na die tijd wordt het met zwavelzuur bezwangerd water met schuiten vervoerd en uitgestort buiten het Goese Sas.
  • de zoutkeet van O. Verhagen; deze bleef in 1858 weer buiten werking.
  • een leerlooierij van P.L. van der Reijt; deze werkte hierin met een zoon van de eigenaar en een knecht.
  • de ververij van zijden en katoenen stoffen, van de verver L.J. Siepman, zonder knechts.
  • de bierbrouwerij ‘de Gans’; deze werkte met twee knechts en een kuiper.
  • drie chocolade fabrieken van A. Nortier, C. Pilaar en zonen en G. van der Hoek.
  • een kaarsenmakerij van G. van der Hoek (zijnde die van G. Buijze vervallen), bestaande op de oude voet zonder speciaal daarvoor bestemde werklieden.
  • de patent oliefabriek van G.H. Kakebeeke met een knecht.
  • de vlasserij van J. Kakebeeke heeft alleen in het voorjaar met vijf personen gewerkt, doch later is de vlasbereiding niet meer uitgeoefend.
  • drie touwslagerijen, te weten van C. Goenhof met drie jongens, van N. de Lange met een knecht en een jongen en van M.J. Scheffer, werkzaam met twee zoons.
  • de sigarenfabriek van G.M. Le Cointre, werkend met acht jongens.
  • een laboratorium van de apothekers P.A. Hochart & zoon, waarin ook een destilleerderij van likeuren voor de firma Hochart en Co. is gevestigd.
  • een alcoholfabriek uit beetwortelen van Saaymans Vader en compagnon ‘Mercurius’, voorzien van een 20 pk stoommachine en twee ketels. Er vonden doorgaans 20 personen, zowel mannen, vrouwen als jongens, werk.
  • vier boekdrukkerijen, te weten van F. Kleeuwens en zoon met drie knechts, een binder, een jongmaatje en een jongen; van de weduwe P. Crombouw Mz, waarin werkzaam waren haar schoonzoon en twee kleinkinderen; van S.J. de Jonge, met vijf werklieden, en van C.H. Schetsberg met een bediende of leerling en acht knechts.
  • een hoedenmakerij van P. Magielse. Deze is overgegaan op zijn zoon J.P. Magielse, doch bleef overigens onveranderd werken.
  • een strohoedenfabriek, speciaal voor de boerenstand, bestond hier en werkte met vijf werklieden, te weten één mannelijke en vier vrouwelijke.
  • er is dit jaar een tweede hoedenfabriek gesticht, werkend sinds 1 december onder de firma A. Cornelis & compagnon met drie knechts.
  • een strohoedenfabriek, speciaal voor de boerenstand, werd in stand gehouden door de weduwe J. Heirman; in deze waren een mannelijke en vier vrouwelijke werklieden werkzaam.
  • een zaagmolen van de gebroeders Harinck; deze werkte met vier knechts.
  • een oliemolen ‘de Hoop’ van G.H. Kakebeeke, werkzaam met drie knechts.
  • twee korenmolens, tevens pelmolens, ‘de Koornbloem’ en ‘de Vijf Gebroeders’, de eerste werkend met een zoon en een knecht en de tweede met een knecht en een jongen.
  • een stoom meelfabriek, grutterij en pellerij ‘de Vos’ van J.H.C. Kakebeeke, met zes werklieden, waaronder een jongen.
  • twee meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. Gedurende de teelt van 1858 werden afgewerkt in de eerste 52.000 pond racine, 39.000 pond onberoofde en 8.000 pond mullen en in de tweede 42.280 pond racine, 39.203 pond onberoofde, 12.780 pond mul, 12.815 pond gestampte racine en 2.238 pond verstampte mul. In iedere stoof waren acht man werkzaam.
  • de fabriek van verbeterde meekrapbereiding ‘Zuid-Beveland’ met een stoomtuig van 30 pk en twee stoomketels; deze is in 1858 bij publieke verkoop in eigendom overgegaan naar de heer O. Verhagen, doch is nog niet opnieuw werkzaam geweest.

1859

De voornaamste bedrijvigheid in de gemeente bestaat dit jaar uit:

  • de zoutkeet van O. Verhagen, maar deze bleef in 1859 buiten werking.
  • de hoedenmakerij van J.P. Magielse; deze werkte met drie knechts. Er is dit jaar een tweede hoedenfabriek gesticht die vanaf december werkt onder de firma A. Cornelis & compagnon met drie knechts.
  • een strohoedenfabriek, speciaal voor de boerenstand, in stand gehouden door de weduwe J. Heirman. Hierin waren een mannelijke en vier vrouwelijke werklieden werkzaam.
  • de leerlooierij van P.L. van der Reit; deze was weer werkzaam met een zoon van de eigenaar en een knecht.
  • de ververij van zijden en katoenen stoffen van L.J. Siepman; deze werd door hem aangehouden zonder bediende.
  • bij de bierbrouwerij ‘de Gans’ van E. de Meulemeester is per september 1859 in werking gebracht een azijnmakerij; in deze alzo verenigde fabriek zijn werkzaam geweest drie werklieden alsook een kuiper.
  • drie chocoladefabrieken van A. Nortier, C. Pilaar en zonen en G. van der Hoek.
  • een kaarsenmakerij van G. van der Hoek; deze bestond op de oude voet zonder daarvoor speciaal bestemde werklieden.
  • de patent olijfabriek van G.H. Kakebeeke was weer werkzaam met een knecht.
  • drie touwslagerijen, te weten van C. Groenhof met drie jongens, N. de Lange met drie jongens en M. Scheffer met twee zoons.
  • de sigarenfabriek van G.M. Le Cointre is in 1859 werkzaam gebleven.
  • een laboratorium van P.A. Hochart en zoon, waarin ook een destilleerderij van likeuren.
  • de alcoholfabriek uit beetwortels van Saaijmans Vader en compagnon ‘Mercurius’ met 20 pk en twee stoomketels heeft opgehouden als zodanig te werken en men heeft daarin zogenaamde peekoffij of cichorei vervaardigd; doch ook dit heeft opgehouden en de fabriek is in andere handen overgegaan en buiten werking.
  • vier boekdrukkerijen, te weten van F. Kleeuwens en zoon met vier knechts, een binder, een jongmaatje en een jongen; van de weduwe Crombouw, waarin werkzaam haar schoonzoon en twee kleinzoons; van S.J. de Jonge met vier werklieden en een zoon van de eigenaar; van C.H. Schetsberg met een bediende of leerling en acht knechts.
  • twee fabrieken tot meekrap- en garancinebereiding, te weten ‘Zuid-Beveland’ met 30 pk en twee stoomketels, behorende aan O. Verhagen, in 1859 weer in werking gekomen onder de firma Verhagen & compagnon, en ‘Stad Goes’ van Van Renterghem en comp. met 123 pk met een stoomketel, doch onlangs met een tweede ketel vermeerderd.
  • een zaagmolen van de gebroeders Harinck met vier knechts.
  • een oliemolen ‘de Hoop’ van G.H. Kakebeeke met drie knechts.
  • twee korenmolens tevens pelmolens; deze werkten met een knecht en twee jongens.
  • een stoom meelfabriek, grutterij en pellerij ‘de Vos’ van J.H.C. Kakebeeke.
  • twee meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’; gedurende de teelt van 1859 zijn afgewerkt in de eerste 510 balen of 49.000 pond racine, 67 vaten of 37.100 pond onberoofde en 18 vaten en 33 balen of 10.400 pond mullen en verstampte 5.100 pond onberoofde, voor ¾ uit de reeds opgegeven mullen en het overige van elders aangevoerd. En in de tweede 485 balen of 42.690 pond racine en 17 balen afval, 91 vaten of 48.512 pond onberoofde en 30 vaten of 13.598 pond mul, terwijl in de laatste nog is verstampt 25.000 pond racine en nog 35.000 pond dito te verstampen overig bleef, samen plusminus 200 vaten van elders aangevoerd. In iedere stoof waren zeven man werkzaam.
  • een stoom meelfabriek, grutterij en pellerij ‘de Vos’ van J.H.C. Kakebeeke.

1860

De voornaamste bedrijvigheid in de gemeente bestaat dit jaar uit:

 

  • de zoutkeet van O. Verhagen bleef in 1860 opnieuw buiten werking.
  • de leerlooierij van P.L. van der Reit bleef werkzaam op de vorige voet.
  • dit is ook het geval met de ververij van zijden en katoenen stoffen van L.J. Siepman.
  • de bierbrouwerij en azijnmakerij ‘de Gans’ zijn als in 1859 werkzaam geweest.
  • drie chocoladefabrieken van A. Nortier, C. Pilaar en zoon en G. van der Hoek bleven op de oude voet.
  • een kaarsenmakerij van G. van der Hoek werkte als in 1859.
  • drie touwslagerijen, te weten van C. Groenhof met drie jongens, die van N. de Lange met drie jongens en die van M.J. Scheffer met zijn twee zonen, bleven werkzaam als in 1859.
  • de patentolijfabriek van G.H. Kakebeeke bleef eveneens werkzaam als in 1859.
  • de sigarenfabriek van G.M. Le Cointre is in 1860 werkzaam gebleven.
  • een laboratorium van de apotheker P.A. Hochart en zoon tot bereiding van geneesmiddelen was werkzaam met een stoommachine van 3 pk en een stoomketel.
  • vier boekdrukkerijen, te weten de firma F. Kleeuwens en zoon met vijf knechts, een binder en een jongen; van de weduwe P. Crombouw als in 1859; van S.J. de Jonge met behulp van een zoon en vijf bedienden; van C.H. Schetsberg tot 1 november werkzaam met zes knechts en twee leerlingen; daarna is die zaak overgegaan naar de firma Schetsberg en Kleeuwens, die, zonder drukkerij, alleen de boekhandel heeft voortgezet met een loopjongen.
  • een steenbakkerij, meer bepaald tot het vervaardigen van draineerbuizen, werd in de gemeente gesticht en heeft gewerkt met acht werklieden.
  • in de gasfabriek, die in 1860 is gebouwd en in werking gekomen, zijn werkzaam geweest een meesterknecht, een fitter, een hulpfitter, een lantaarnopsteker en daarna nog twee lantaarnopstekers.
  • twee fabrieken tot meekrap- en garancinebereiding, te weten ‘Zuid-Beveland’ met 30 pk en twee stoomketels behorende aan de firma O. Verhagen en compagnon met 44 werklieden, en ‘Stad Goes’ van Van Renterghem met 32 pk en twee stoomketels.
  • er is in 1860 een derde mee- en garancinefabriek opgericht door de firma Fransen van de Putte & Co. in de vroegere alcoholfabriek; doch deze heeft in dat jaar niet gewerkt.
  • een hoedenmakerij van J.P. Magielse is, evenals in 1859, werkzaam geweest, doch de door de firma A. Cornelis en compagnon gestichte hoedenfabriek is buiten werking geraakt.
  • een strohoedenfabriek, speciaal voor de boerenstand, van de weduwe J. Heirman, was werkzaam met vier werklieden.
  • de zaagmolen van de gebroeders Harinck.
  • de oliemolen ‘de Hoop’ van G.H. Kakebeeke.
  • twee korenmolens tevens pelmolens.
  • een op stoom gedreven meelfabriek, grutterij en pellerij met 15 pk en een stoomketel, genaamd ‘de Vos’, van J.H.C. Kakebeeke met zes werklieden en een loopjongen.
  • twee meestoven, genaamd ‘de Liefde’ en ‘de Zon’. Gedurende de teelt van 1860 zijn afgewerkt in de eerste 25.300 pond racine, 45.025 pond onberoofde en 11.700 pond mul; in de tweede 30.300 pond verstampte racine en 16.610 pond mul. Het aantal werklieden is onveranderd gebleven.

Invoering stoommachines

Deze jaren komt het gebruik van stoommachines in zwang. Stoomvaartschepen komen in gebruik en doen het Cortgeense veer en het Catse veer aan. Ook komen er in verscheidene fabrieken en bedrijven stoommachines in werking. In 1858 is dit het geval:

 

  • voor de Maatschappij van verbeterde meekrapbereiding in Zeeland: een stoommachine van 30 pk en twee stoomketels;
  • voor de meekrap- en garancinefabriek van dr. C.A. van Renterghem: een stoommachine van 12 pk en een stoomketel;
  • voor de bereiding van geneesmiddelen van de apothekerij van P.A. Hochart en zoon: een stoommachine van 3 pk en een stoomketel;
  • voor de destilleerderij van alcohol uit beetwortels van de heer Saaymans Vader: een stoommachine van 20 pk en twee stoomketels;
  • voor de meelfabriek, grutterij en pellerij van de heer J.H.C. Kakebeeke: een stoommachine van 15 pk en een stoomketel;
  • voor de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart ‘Stad Goes’, varende van Goes op Rotterdam, van de heer Fransen van de Putte: een stoommachine van 70 pk en een stoomketel.

Kamer van Koophandel en Fabrieken

Het bestuur van de Kamer van Koophandel bestaat uit de heren J. Fransen van de Putte, voorzitter, O. Verhagen, plaatsvervangend voorzitter, en H.K. Dominicus van den Bussche, secretaris. In mei 1856 dient de heer Van den Bussche zijn ontslag in als secretaris.
In juni 1857 dienen ook de heren Fransen van de Putte en J.P. Burger hun ontslag in om daarbij opgegeven redenen. In de vacature van voorzitter wordt benoemd de heer C. Pilaar.

Op 26 augustus 1857 komt er een brandbrief bij het gemeentebestuur binnen van een aantal fabrikanten en handeldrijvende ingezetenen van de stad. Het schrijven is ondertekend door:
J.H.C. Kakebeeke, Saaymans Vader en compagnon, F. Kleeuwens en zoon, C.H. Schetsberg,
J. de Jonge Mulock Houwer, J.G. Janssen, P.L. van der Reit, F.S.A. Knitel, E. de Meulmeester, S.J. de Jonge, Van Rose, J. van den Dungen, J.H. Loombre, G. Buijze, J.H. Stieger en J.C. Massee.
Ze geven te kennen ‘dat zij met leedwezen kennis genomen hebben van het raadsbesluit van 22 juli waarbij verklaard wordt dat de raad niet langer genegen is enige geldelijke toelage te verstrekken ter instandhouding van een Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen deze gemeente; dat zij, gezien hebbende dat de tegenwoordige leden zich bereid hebben verklaard en desnoods de Kamer in stand te houden zonder gelijke toelage en zij als hun overtuiging hebben verklaard dat bij de ontwikkelende nijverheid in deze gemeente er steeds bereidwilligen zullen gevonden worden om tot leden dier kamer benoemd te worden om zich gelijke opoffering te getroosten. Zo willen zij langs deze weg van hun belangstelling in die Kamer blijk geven.
Verzoekende dat de Raad moge terugkomen op zijn vroeger besluit en als blijk van belangstelling in de voortgaande bloei van handel en fabriekwezen in deze gemeente de Kamer te handhaven als gemeente instelling op zich zelve zonder ondersteuning van andere gemeenten, daartoe tot dat einde de fondsen te verstrekken, welke zij zal blijken te behoeven om aan haar roeping waardiglijk te kunnen beantwoorden en in geen geval, althans na de verklaring der tegenwoordige leden, dat zij zelfs zonder geldelijke bijdrage zal kunnen gehandhaafd worden, haar ontbinding aan Z.M. de Koning te verzoeken’.

In 1857 besluiten de deelnemende gemeenten Kattendijke, ’s-Heer Arendskerke en Kruiningen niet meer deel te nemen aan de Kamer van Koophandel. Weliswaar geeft het bestuur haar wens te kennen om in stand te worden gehouden.
De gemeenteraad beraadt zich over de vraag of de Kamer van Koophandel nu geheel ontbonden zal worden of alleen voor de gemeente Goes zal blijven voortbestaan.
De voorzitter is voor handhaving, ‘daar de Kamer toch is het enig wettige orgaan te dezer plaatse tot het voorstaan van handel en nijverheid bij de regering’. Daarom stelt hij voor de Kamer voor de gemeente te behouden. De raadsleden Van de Putte, Van Kerkwijk, Smallegange, De Knokke van der Meulen en Van Voorst Vader verklaren dat ze het nut van de Kamer gedurende haar bestaan niet zodanig hebben opgemerkt dat ze vrijheid zouden vinden om aan het bestendigen van de Kamer jaarlijks een uitgaaf van ƒ 100 uit de gemeentekas op te offeren. Behoudens de voorzitter verklaren alle leden zich tegen handhaving van de Kamer van Koophandel.
In november 1857 ontvangt het gemeentebestuur het Koninklijk Besluit tot opheffing van de Kamer van Koophandel, die uitgaat van de gemeenten Goes, Kattendijke,’s-Heer Arendskerke en Kruiningen.

Het college van burgemeester en wethouders overweegt in hoever het wenselijk is de Kamer alléén voor de gemeente Goes alleen te behouden. Ze vindt het wenselijk deze te bestendigen. De gemeenteraad besluit dan ook op voorstel van het college een nieuwe Kamer van Koophandel voor Goes alleen op te richten met ingang van 1 juni 1858.
Bij volstrekte meerderheid van stemmen benoemt de gemeenteraad in april 1858 de volgende vijf personen tot leden van de hier te vestigen Kamer van Koophandel: de heren C. Pilaar, C.A. van Renterghem, M.J. Harinck en O. Verhagen. Er vindt een herstemming plaats tussen de heren J.H.C. Kakebeeke en J. Fransen van de Putte, waarbij Kakebeeke wordt gekozen. Voorzitter wordt C. Pilaar, plaatsvervangend voorzitter O. Verhagen en secretaris C.H. Schetsberg. De heer Schetsberg vertrekt in oktober 1860 uit de gemeente. Zijn plaats als secretaris wordt voorlopig waargenomen door de heer J.H.C. Kakebeeke.

Neringdoenden

In deze jaren wordt er geen groothandel in Goes bedreven. De kleinhandel en de winkelnering zijn niet achteruit gaande.
Wat het binnenlands vertier of de zogenaamde kleinhandel betreft, zowel in koloniale waren als in laken en wollen stoffen, deze blijft in 1856 vanwege de voortdurend hoge prijzen van de eerste levensbehoeften steeds gedrukt. Daarentegen kan er opnieuw op gewezen worden dat het de kashouders in goud en zilverwerk, als ook de neringdoenden in andere voorwerpen van weelde en gerief, zeer wel ging. Dit is een natuurlijk gevolg van de nog voortdurende welvaart van de landbouwende stand, die de voornaamste steun van de gemeente is.

In 1860 zijn er hoge prijzen van de koloniale waren zoals van lakens, wollen stoffen en dergelijke. Deze drukken aanvankelijk zeer het binnenlandse vertier, terwijl de op het laatst van het jaar heersende geldcrisis zich ook in de kleinhandel, vooral in koloniale waren, doet gevoelen. Er is daardoor een belangrijke daling in koffie en suiker ontstaan, die voor vele grossiers belangrijke verliezen te weeg brengen.

Invoer van producten

In 1856 betreffen de ingevoerde waren hout en steenkolen, alsook Napelse Alizari (meekrap wortels). Wat betreft het hout is slechts 1 kofschip voor de houtzaagmolen van de firma Harinck, van Drammen in Noorwegen, binnengevallen. Wat betreft de steenkolen, daarvan heeft de aanvoer nagenoeg in gelijke evenredigheid als in het voorgaande jaar plaats gehad, zowel van de Ruhr als uit België en Engeland, de laatste in steeds afnemende hoeveelheid.
In 1858 bestaat de invoer hoofdzakelijk uit hout en steenkool. Van Drammen in Noorwegen komen twee kofschepen voor de gebroeders Harinck ten dienste van hun zaagmolen binnen. De hoeveelheid steenkolen levert weinig verschil op met vorig jaar. Door beletsel van de invoer zijn er weinig of geen Belgische aangevoerd, maar meer Ruhrkolen.
In 1859 zijn voor rekening van de gebroeders Harinck ten dienste van hun zaagmolen binnengekomen twee kofschepen van Drammen in Noorwegen. Wat betreft de steenkolen arriveren 18 schepen uit andere rijken, waarvan 16 uit Pruisen en 2 uit België. Deze zijn hoofdzakelijk bestemd voor de fabrieken.
In 1860 bestaat de invoer alleen uit steenkolen. Daarmee zijn binnengekomen 28 schepen, te weten uit Pruisen 17 voor de te Goes bestaande fabrieken en 3 voor particulieren, en uit België 5 voor de fabrieken en 3 voor particulieren.
Wat betreft de houthandel zijn, evenals in vorige jaren, geen schepen met hout voor de gebroeders Harinck voor hun zaagmolen uit Noorwegen binnengekomen. Dit als gevolg van een besluit van de gemeenteraad. Ze hebben zich daardoor gedwongen gezien om, tot vermijding van de betaling van bijna dubbel sasgeld, het door hun bevrachte zeeschip van Drammen in Noorwegen te Dordrecht te laten binnenkomen om van daar hun hout met binnenschepen naar Goes te doen vervoeren.

In 1860 is slechts 1 kofschip binnengekomen en wel van Drammen in Noorwegen, bestemd voor de zaagmolen. Wat betreft de steenkolen bevat de invoer weinig of geen verschil met vorig jaar. Er zijn, door de buitengewoon lage waterstand, weinig van de Ruhr, maar des te meer uit België (zogenaamde Brusselse steenkolen) aangevoerd, terwijl de invoer van de Engelse steenkolen gelijk met vorige jaren is.

Uitvoer van producten

In 1856 worden belangrijke hoeveelheden racin (gedroogde meekrapwortels) van het laatste gewas uitgevoerd naar Engeland. Indirect zijn weer niet onbeduidende hoeveelheden voor Frankrijk bestemde tarwe, gerst en paardebonen naar Antwerpen en Rotterdam verscheept, ook al van de nieuwe oogst. Van de meekrap is de gedroogde wortel zeer gevraagd voor Engeland, zowel direct als indirect over Rotterdam. Van het fruit is alleen de opbrengst van kersen ruim genoeg om tot enige binnenlandse verzending aanleiding te kunnen geven.

In 1858 hebben nogal belangrijke afzendingen van meekrap plaats gehad naar Noord Amerika. Ook in het laatste van december bestaat er vraag naar racin voor Engeland.
Granen zijn weinig uitgevoerd, wel veel gerst naar België. Ook zijn veel paardebonen uitgevoerd, vooral naar Engeland. Vlas wordt in het algemeen onbewerkt naar Holland gezonden. Van het ooft is er nogal wat uitvoer naar België.

In 1859 bepaalt de uitvoer zich tot voortbrengselen van de grond. Van de tarwe en gerst is er een kleine uitvoer naar België. Van de haver, bonen en erwten is de opbrengst niet groot en is er nauwelijks iets uitgevoerd. Het koolzaad bepaalt zich uitsluitend tot binnenlands debiet. Vlas is volop naar Holland verscheept.
Van de meekrap gaat zeer weinig naar het buitenland. De racin wordt door de alhier bestaande fabrieken van de markt genomen en de onberoofde worden meest voor de binnenlandse garancinefabrieken gekocht. Aardappelen zijn juist van elders ingevoerd voor consumptie. Van de appels en peren is nog veel voor Engelse rekening aangekocht en uitgevoerd.

In 1860 beperkt de uitvoer zich tot de voortbrengselen van de grond en de veestapel.
De uitvoer van tarwe is onbeduidend, van rogge volstrekt niets. Van de gerst is het meest voor België gekocht, evenals de haver slechts enkele partijtjes. Het koolzaad is merendeels voor binnenlandse fabrieken uitgevoerd. Het vlas gaat veelal naar Holland. De racine is geheel voor de fabrieken opgekocht. De gemalen of gestampte meekrap wordt voor een gedeelte door de garancinefabrikanten te Goes van de markt genomen of in Holland verkocht. In 1860 heeft in het voorjaar nogal verzending plaats gehad van meekrap en wel naar Engeland van racine of gedroogde wortels, doch later houdt dit op en staat de handel in dat artikel ten enenmale stil als gevolg van de zo algemeen heersende geldcrisis.
Wat betreft de granen heeft in het voorjaar aanzienlijke uitvoer plaats van tarwe naar België voor verzending naar Spanje. Rogge vindt daarentegen weinig aftrek naar het buitenland. Gerst wordt naar gewoonte naar België uitgevoerd. Vlas wordt meestal onbewerkt naar Holland afgezonden, waar de verdere bereiding dan plaats heeft. Aardappelen zijn weinig naar Holland uitgevoerd, maar hoofdzakelijk voor eigen consumptie gebruikt. Het ooft, waarvan de opbrengst wat de kersen betreft vrij overvloedig doch van appels en peren (ofschoon meer dan vorig jaar) slechts matig is, bedingt hoge prijzen door aftrek naar Engeland. Hout, voornamelijk van olmenbomen, vindt redelijk aftrek naar Holland.

Landbouw

De opbrengsten van de oogst zijn af te lezen uit het volgende overzicht (de aantallen zijn in bunders):

  1853 1854 1855 1856 1857 1858 1859 1860
tarwe 31 40 45 45 44 39 40 31
rogge 3 5 5 6 9 9 10 4
gerst 10 9 12 6 10 11 17 3
haver 3 4 4 4 3 1 4 5
koolzaad 15 16 5 10 4 1 5 20
vlas 9 8 - - 2 - - -
meekrap 1 2 2 2 1 3 3 5
erwten 6 13 10 18 11 13 4 8
paardenbonen 21 19 24 25 26 24 18 20
aardappelen 20 11 11 17 15 17 20 13
mangels 2 2 3 1 1 3 5 4
klavers 5 10 10 - 12 - - -
warmoezenarijen 7 7 7 7 6 6 7 6
lijnzaad 9 8 - - 2 - - -
boomgaarden 56 56 56 56 56 56 56 56
koeien 417 372 398 467 443 409 409 456
paarden 200 200 213 204 197 197 205 197
schapen 155 148 128 198 182 112 138 143
varkens 7 16 22 23 19 26 30 35
geiten 16 16 13 11 8 11 13 20

Nog enkele aanvullende bijzonderheden volgen hierna.

1854 is een goed jaar. De toestand van de landbouw is bij voortduring gunstig. Daardoor heeft de koop en huurwaarde van de landerijen geen verandering ondergaan. Voor misgewas of verlies van de oogst is de gemeente gelukkig bewaard gebleven. Integendeel was de oogst zeer overvloedig.
De opbrengst van tarwe is zeer goed. Rogge, gerst, haver en koolzaad zijn van goede kwaliteit. Vlas is bijzonder goed. Ook aardappelen zijn aanmerkelijk beter dan vorige jaren. De boter is van goede prijs. Ook de boomgaarden leveren veel ooft op. Daarentegen is de opbrengst van meekrap matig, namelijk 1000 ponden per bunder bij niet zeer hoge prijzen.
Het vee was gezond en er was geen sterfte onder. Er bevinden zich in de gemeente 54 percelen boomgaard, die een uitgestrektheid hebben van ongeveer 56 bunders.

In 1855 is de toestand van de landbouw opnieuw zeer gunstig. Voor misgewas of verlies van de oogst is de gemeente bewaard gebleven. De boomgaarden, behoudens de kersen, leveren weinig op. De boter blijft steeds hoog in prijs. Kaas wordt hier niet gemaakt.

In 1856 is de toestand van de landbouw niet minder gunstig dan in 1855, zodat koop- en huurprijzen van landerijen steeds een ongekende hoogte bereiken. Voor misgewas of verlies van oogst door onweer, overstroming of andere onheilen is de gemeente gespaard geworden. Het vee was mede gezond en er was daaronder geen sterfte. De tarwe, rogge, gerst en haver, vlas, klaver, erwten, paardenbonen, aardappelen en wortelgewassen leveren zeer goede opbrengsten op. De meekrap daarentegen is niet gunstig. Wel zijn de prijzen van de meekrap en racin hoger dan vorig jaar. De oogst van kersen, pruimen, appels en peren is dit jaar zéér ongunstig.

In 1857 is de toestand van de landbouw opnieuw gunstig, zodat koop- en huurprijzen van landerijen steeds verbazend hoog gebleven zijn. Voor misgewas of verlies van oogst of andere onheilen is de gemeente gespaard gebleven. De aanhoudende hitte en droogte gedurende de zomer- en herfstmaanden hebben weinig nadeel gedaan aan de veldvruchten. Het vee was gezond maar had veel te lijden van gebrek aan drinkwater.
De tarwe levert de beste opbrengsten op. Ook de oogst van rogge, gerst, haver, erwten en bonen, maar vooral die van de aardappelen is zeer gunstig. In het algemeen mag men de oogst als zeer gunstig beschouwen en bijna, voorzover de inzameling daarvan heeft plaats gehad, als buitengewoon gunstig en zo vroegtijdig als weinig plaats vindt. Alleen is daarvan uitgezonderd de opbrengst van koolzaad.

In 1858 is de toestand van de landbouw minder gunstig dan in 1857. Dit wordt aan de felle en aanhoudende droogte en de ongemene hitte van de zomer toegeschreven. De opbrengst van de veldgewassen is dan ook aanmerkelijk minder dan in het voorgaande jaar, behalve die van wintergerst, haver en aardappelen.
De oogst van tarwe is zeer gunstig en die van rogge en gerst zeer naar wens.
Daarentegen is de opbrengst van haver, koolzaad, paardebonen, erwten en aardappelen door uiteenlopende oorzaken ongunstig. De oogst van het fruit heeft door de storm op 24/25 juli grote schade opgelopen, maar daarentegen hebben de kersen buitengewoon veel opgebracht.

In 1859 is de toestand van de landman niet als gunstig aan te geven.
De langdurige en vrij sterke vorst in november 1858 heeft veel bijgedragen tot het vernielen van schadelijke insecten die door de langdurige droogte zeer waren toegenomen. De opbrengst van alle gewassen met uitzondering van koolzaad, paardebonen en erwten, is belangrijk minder dan in 1858. Die van de genoemde producten was in dat jaar zeer onbeduidend. Het vee is gezond en het heersende gebrek aan drinkwater is gelukkig door overvloed vervangen.

Het jaar 1860 is ongunstig door het vallen van ongemeen veel regen. De voorjaarsbezaaiing is zeer laat aangevangen vanwege de vorst in de eerste en de aanhoudende regen in de tweede helft van maart. Dit jaar heeft meer dan andere, het belang doen kennen van de drooglegging van de landen of het draineren met gebakken buizen. Het vee is gezond en de gemeente blijft bevrijd van besmettelijke ziekten onder het vee. De opbrengst van de meekrap is 9000 pond.

De commissie van geneeskundig toevoorzicht schrijft het gemeentebestuur in augustus 1855 over de verkoop in deze tijd van onrijpe vruchten, het gebruik daarvan en zelfs het te veelvuldig gebruik van rijpe vruchten. Beide zijn nadelig voor de gezondheid. Ze verzoekt de ingezetenen het schadelijke daarvan voor te houden. Het gemeentebestuur besluit het invoeren en verkopen van voor de gezondheid nadelige en onrijpe vruchten te verbieden en voor het gebruik van teveel rijpe vruchten in het algemeen te waarschuwen bij openbare bekendmaking.

Het Hoofdbestuur van de Zeeuwsche Maatschappij van Landbouw en Veeteelt geeft in februari 1857 kennis van haar in de maand juni binnen de gemeente Goes te houden algemene vergadering en tentoonstelling. Ze verzoekt om, evenals bij vorige gelegenheden, gebruik te mogen maken van de zogenaamde Stoofweide en om deze weide van gemeentewege te doen omheinen.

Azijnmakerij

De bierbrouwer Engelbrecht de Meulemeester van de brouwerij ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat vestigt in maart 1859 een azijnmakerij in de gebouwen van zijn brouwerij in wijk D nummer 8146 bis.

Bakkers

De in de gemeente gevestigde koekbakkers, Hubertus Harinck, de weduwe Johanna Harinck-den Hertog, de weduwe Suzanna Harinck-Verberkmoes en Johannes de Graag, verzoeken het gemeentebestuur in april 1854 om teruggaaf van hun betaalde plaatselijke belasting op het tarwegebak bij de uitvoer van minstens 25 Nederlandse ponden, zoals in de verordening op de invordering van die belasting is bepaald. Het gemeentebestuur neemt met verwondering kennis van dit verzoek, omdat in de regel de uitvoer door de koekbakkers bestaat uit gebak van rogge waarvoor geen belasting wordt geheven. De gemeenteraad volgt dit advies.

De gemeenteraad besluit in mei 1854 met algemene stemmen tot het intrekken van de bepalingen op de verkoop van brood en de broodzetting. Overwogen wordt dat de bepalingen betreffende de broodzetting al eerder zijn afgeschaft en dat de verkoop van brood aan de vrije concurrentie is overgelaten en deze niet door een plaatselijke verordening aan banden is gelegd.

Op de hoek Grote Kade en de Oostwal is al sinds mensenheugenis een bakkerij en bakkerswinkel gevestigd. Was deze eertijds van de bakkersfamilie Corbeel, thans heeft bakker Jacobus Scheele hier zijn broodbakkerij in het pand ‘de Neptunis’ aan de Sint Jacobstraat bij de Armenhoek in wijk B 75. Scheele heeft zijn huis ‘in den Ermenhoek’. Hij krijgt in november 1854 toestemming om een gedeelte van zijn ovenschoorsteen weg te breken en door een nieuwe te vervangen. In mei 1855 verzoekt bakker Scheele maatregelen van gemeentewege te nemen omdat de goot tussen zijn schuur en de Oostpoort nodig vernieuwd dient te worden.

Ook is er een bakkerij gevestigd aan de Keizerstraat in wijk D nummer 18. De daar gevestigde broodbakker Abraham Le Duc krijgt vergunning om daar een nieuwe bakoven te stellen. De omwonenden hebben daar geen bezwaar tegen en de vergunning wordt verleend.

Een andere broodbakker, Andries de Buck, is gevestigd op de hoek van de Wijngaardstraat en de Manhuisstraat (de latere Zusterstraat). Hij krijgt in april 1856 vergunning om daar een nieuwe bakoven te laten aanbrengen. Dit is het pand waar eertijds de bakkersfamilie Eckhart was gevestigd.
Ook broodbakker Izaak Le Clercq krijgt in mei 1856 vergunning om een bakoven te stichten in het huis aan de Nieuwstraat in wijk D nummer 213. Hij schrijft dat hij voornemens is om een broodbakkerij op te richten in zijn huis aan de Nieuwstraat volgens een overgelegde situatietekening. Op deze tekening staat het perceel aangegeven aan de kant van de stadswal naast een brandgang.
In maart 1857 wenst ook bakker Johannes de Graag een nieuwe bakoven in zijn bakkerij aan de Oprel van de Grote Markt in wijk B nummer 5 aan te brengen. Hij krijgt vergunning om zijn bestaande oven geheel tot aan de begane grond af te breken en deze te vernieuwen en op te bouwen op dezelfde wijze op voorwaarde dat er niet de minste houtbetimmering wordt aangebracht.
In januari 1859 krijgt bakker M. Sterk vergunning om de boven oven in het achterhuis van zijn bakkerij op de Turfkade in wijk D nummer 26 af te breken en te vernieuwen. Ook broodbakker Hendrik de Jonge mag in zijn huis aan de Klokstraat in wijk C nummer 153 in de achterkeuken een broodbakkersoven laten bouwen. Hij stuurt een duidelijke situatietekening met zijn verzoek mee. Het gaat hier om het tweede huis in de Klokstraat vanaf de Lange Vorststraat noordzijde.
De bakkersknecht Jan de Groot deelt het gemeentebestuur in april 1859 mee dat hij huurder is geworden van het woonhuis op de Opril van de Grote Markt in wijk A nummer 18. Hij wenst daarin het broodbakkerbedrijf te gaan uitoefenen. Hij krijgt vergunning voor het bouwen van een oven in dat pand. In de Bekendmaking wordt gerept over zijn woonhuis in de Sint Magdalenastraat. Het gaat hier om het pand op de hoek van de Magadalenastraat en de Opril Grote Markt.

Niet alleen bakkers, maar ook particulieren krijgen soms vergunning om een bakoven in hun huis aan te leggen. Zoals b.v. de hovenier M. Bookelaar in zijn huis aan de Voorstad in wijk C nummer 86 volgens een overgelegde situatietekening.

In oktober 1856 is er onenigheid tussen de bakkers en het gemeentebestuur over de broodprijzen. Er blijkt verschil te zijn tussen de in de courant gepubliceerde broodprijzen en de door de bakkers gevraagde prijzen. De burgemeester heeft de berekening voor de grondslag van de prijzen in de courant nagegaan en deze correct bevonden. Daaruit blijkt, volgens hem, dat er een coalitie tussen de bakkers in de gemeente bestaat om de prijs willekeurig op te voeren. Hij heeft al pogingen aangewend om de bakkers tot andere gedachten te brengen, maar dit heeft geen gevolg gehad. Op uitnodiging van de raadsvoorzitter geeft de heer Kakebeeke, als commissaris van de koopmansbeurs, enige inlichtingen over de juistheid van de in de courant vermelde prijzen. Met deze inlichtingen neemt de gemeenteraad genoegen.

Beurtveren

Algemeen
Aan het begin van de jaren 1854-1860 zijn er nog beurtveren op Amsterdam, twee op Rotterdam, Dordrecht, Gouda, Middelburg, Zierikzee en Bergen op Zoom.
Al spoedig loopt het beurtveer op Rotterdam ten einde als gevolg van de concessie aan de Goessche Maatschappij van stoom- en zeilvaart.

In december 1857 overweegt de gemeenteraad de eeuwenoude beurtveren af te schaffen. Hieraan liggen kritische opmerkingen over het functioneren van de beurtveren in het algemeen ten grondslag. Alom kan het verschijnsel worden waargenomen dat het publiek afhankelijk is van de beurtschippers inplaats van de beurtschippers van het publiek. Er is sprake van dat ook de keuren of reglementen op de beurtveren gaan vervallen. In afwachting van een wet, waarbij deze belangrijke aangelegenheid wordt geregeld, geeft de gemeenteraad er de voorkeur aan dat de vaart van en naar Goes overgelaten wordt aan de publieke concurrentie. De beraadslaging wordt daarom vooralsnog aangehouden.
De minister van binnenlandse zaken stuurt via de Commissaris van de Koning in december 1860 enige vragen toe over de beurtveren. Besloten wordt daarop te antwoorden dat sommige van de te Goes bestaan hebbende beurtveren te niet zijn gegaan en dat de overige in feite als opgeheven worden beschouwd door het niet vernieuwen van de reglementen op de beurtveren. Ook wordt meegedeeld op welke gronden men de scheepvaart van en op deze gemeente aan de vrije concurrentie wenst over te laten.

Vanwege de hierin vermelde interessante gegevens volgt hierna de volledige antwoordbrief van het gemeentebestuur:
‘Ter voldoening aan uw aanschrijving van 24 november hebben wij de eer uw hoog wel geboren heer ter beantwoording door Z.E. de minister van binnenlandse zaken gestelde vraagpunten betrekkelijk de beurtveren te berichten:

Ad 1. Dat vroeger beurtveren hebben bestaan van deze gemeente op Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Dordrecht, Bergen op Zoom, Middelburg en Zierikzee, doch dat de gemeenteraad het er voor houdt, dat, aangezien de verordeningen op die veren strafbepalingen bevatten tegen de niet naleving van dezelve en ze binnen vijf jaren na de dagtekening der gemeentewet niet zijn gewijzigd of vernieuwd, die beurtveren de facto zijn vervallen, terwijl bovendien de laatste beurtschipper op Amsterdam door het bestuur dier gemeente in januari 1856 van zijn betrekking is ontzet, het veer op Rotterdam zich heeft opgelost in de dienst der stoomboot, welke in 1855 is daargesteld, bij welke de toen bestaande beurtschippers zijn overgegaan met afstand van hunne schepen aan de Goessche Maatschappij van Stoom- en zeilvaart en de beurtschipper op Middelburg de 12e december 1857 overleden is.

De vroeger aangestelde beurtschippers op Gouda, Dordrecht, Bergen op Zoom en Zierikzee zijn tot hiertoe evenals vroeger blijven varen, terwijl op Rotterdam en Middelburg andere schepen in de vaart gekomen zijn, zonder dat van die alle verder als vaste beurtschippers aangemerkt wordt of gebonden is door de bestaan hebbende reglementen en tarieven.

Ad 2. Dat geen dier beurtveren titulo oneroco waren verkregen.

Ad 3. De betrokken besturen geen schadeloosstelling aan de vroegere vaste schippers hebben gegeven.

Ad 4. Terwijl de opheffing van de beurtveren generlei ongerief heeft ten gevolge gehad, aangezien er een genoegzaam getal schippers en schepen aanwezig is die op alle plaatsen varen en personen en goederen overbrengen, zodat de weder invoering van beurtveren voor deze gemeente onnodig geacht en de vaart aan de vrije concurrentie gerustelijk overgelaten worden kan.

Als onze bijzondere beschouwing vermenen wij nog hierbij te mogen voegen, dat tijdens het bestaan der beurtveren, behoudens enkele uitzonderingen, de beurtschippers zich weinig bekommerden om de voor hen bepaalde veerdagen, er geen bezwaar in vonden om, wanneer zijlieden geen voldoende vracht hadden, te blijven liggen en zodoende de handel niet zelden in onmogelijkheden gebracht en schade veroorzaakt hebben’.

In 1860 wordt door enige schippers geregeld gevaren op Rotterdam, Gouda, Dordrecht, Middelburg, Zierikzee en Bergen op Zoom. Vanaf Goes rijdt tweemaal per dag een diligence op Middelburg v.v. Verder rijden er geregeld postwagens op het Katsche veer in de gemeente Kattendijke in verband met de stoomboten die varen tussen Middelburg en Rotterdam, en op het Kortgeensche veer in de gemeente Wolphaartsdijk in verband met de stoomboten van Vlissingen op Rotterdam.

Beurtveer op Amsterdam
In februari 1856 geeft het gemeentebestuur van Amsterdam kennis van het ontslag van de beurtschipper J. Reinhout en het intrekken van zijn legplaats in de haven van Amsterdam. Dit vanwege zijn voortdurende weigering om zich te onderwerpen aan de inspectie en het toezicht op de beurtschepen.

Beurtveer op Bergen op Zoom
Er komt in september 1859 een brief van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom over het beurtveer tussen beide steden. De brief behelst het voorstel om het Reglement op het beurtveer tussen Bergen op Zoom en Goes te herzien. Het gemeentebestuur van Goes gaat hier niet op in. Geantwoord wordt dat in Goes het beginsel is aangenomen om de beurtvaart aan de vrije concurrentie over te laten.

Beurtveer op Middelburg
Er komt in juni 1859 ook een brief over het beurtveer tussen Middelburg en Goes van het gemeentebestuur van Middelburg. Hierin wordt voorgesteld om het Reglement voor het beurtveer tussen beide steden te herzien. Besloten wordt daarop te antwoorden dat bij het gemeentebestuur van Goes het beginsel is aangenomen om de beurtvaart aan de vrije concurrentie over te laten en vervallen beurtcontracten niet te vernieuwen. Wel wordt Middelburg verzocht om de schipper, die zich ten doel stelt geregeld tussen beide steden te varen, een ligplaats te geven zoals ook te Goes plaats heeft.
Burgemeester en wethouders van Middelburg sturen in oktober 1860 het raadsbesluit toe over de opheffing van het beurtveer tussen Middelburg en Goes en het buiten werking stellen van de daarop gebaseerde reglementen en vrachttijden. Maar kort hierna blijkt dat er een rijksregeling over de beurtverdragen te verwachten is. Beide gemeenten besluiten de uitslag daarvan af te wachten alvorens verder te gaan.

Beurtveer op Rotterdam
In 1853 was er sprake van opheffing van het beurtveer tussen Rotterdam en Goes. Maar in januari 1854 maakt Rotterdam bezwaar tegen de opheffing van het beurtveer tussen beide gemeenten zolang de voorgenomen stoom- en zeilvaartdienst niet ingevoerd is. Pas in januari 1859 wordt het gemeentebestuur van Rotterdam voorgesteld het beurtveer tussen Goes en Rotterdam v.v. op te heffen vanwege de ingebruikname van het stoomschip ‘Stad Goes’.

Beurtveer op Zierikzee
In mei 1855 krijgt Marinus Bakker vergunning om als beurtschipper tussen Goes en Zierikzee te varen in de vacature vanwege het overlijden van beurtschipper Willem du Claux.

Brouwerijen

Van de vier bestaan hebbende brouwerijen in de stad blijft er deze jaren nog maar één over. De brouwerij ‘’t Fortuyn’ aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat gaat in 1855 te niet en wordt uitgebroken. In werking is nog de bierbrouwerij ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 186, in exploitatie van de bierbrouwer Eduardus de Meulemeester. Het pand staat aan de rechterzijde van de Agnesgang. Hij werkt daar met twee knechts en een kuiper.
In 1859 brengt De Meulemeester in een gedeelte van zijn bierbrouwerij een azijnmakerij in werking. In de samengevoegde fabrieken zijn drie werklieden en een kuiper werkzaam.
Overigens is er in november 1854 nog sprake van de bierbrouwerij van Pieter Pijke ‘het Witte Claverblad’ aan de Beestenmarkt.

Brouwer De Meulemeester krijgt in april 1854 vergunning om overeenkomstig zijn overgelegde tekening twee woonhuisjes in wijk A nummers 182 en 183 aan de Agnesgang te verbouwen en van schoorstenen te voorzien. De twee eindgevels en de voorgevel zullen worden afgebroken en herbouwd.
Ook krijgt hij toestemming voor het verplaatsen van een stookplaats in het pand A nummer 186. Het gaat om het veranderen van een schoorsteen en het leggen van loden of pottebuizen voor zijn brouwerij. De eest zal verplaatst worden en geheel gebouwd worden met steen, kalk en ijzer zonder de minste houtverbinding of betimmering. Ook krijgt De Meulemeester toestemming om de grond op te graven die tussen de brouwerij en zijn moestuin ligt om het water van zijn put door de grond met loden of pottebuizen te trekken naar zijn brouwerij.
Op zijn verzoek mag de brouwersbaas ook een bakoven in de kookkeuken van zijn woonhuis aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 186 laten bouwen.

Bierbrouwer De Meulemeester van brouwerij ‘de Gans’ deelt het gemeentebestuur in maart 1855 mee dat hij onlangs in de noordelijke zijmuur van zijn brouwerij, die grenst aan het erf waarop thans de christelijke school van de eerste klasse is gebouwd, vier ramen heeft laten aanbrengen om in de moutkamer het van zijn bedrijf meer licht en ventilatie te verkrijgen. Hij overlegt een tekening waarop de nieuwe ramen zijn aangegeven. Er waren al vijf lichtramen in de betreffende muur aanwezig. Hij heeft deze voorziening laten aanbrengen zonder bekend te zijn met de rechten en plichten tussen eigenaren van naburige erven en heeft daardoor in strijd gehandeld met de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het doet hem leed deze voor zijn bedrijf onmisbare voorzieningen te hebben aangebracht zonder het vooraf vragen van de vereiste toestemming. Hij verzoekt de ramen te mogen behouden. Hij wijst op de volstrekte onmogelijkheid van het elders aanbrengen van deze voorziening, daar de zolder boven de moutkamer hellend is gebouwd en aan de westkant de vereiste hoogte niet verkregen kan worden.

Het gemeentebestuur stelt zijn verzoek voor advies in handen van het bestuur van de bijzondere school. Aan de school is de tegen de noordelijke zijmuur van de brouwerij liggende grond in augustus 1853 in erfpacht uitgegeven. Het schoolbestuur gaat ermee akkoord mits de ramen voorzien worden van mat glas en de ventilatie wordt aangebracht aan de bovenzijde en niet aan de onderkant van de ramen. De Meulemeester overlegt daarop een verklaring van de door hem in de zijmuur van zijn brouwerij geplaatste ramen overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad van 5 april 1855.

In mei 1856 krijgt bierbrouwer De Meulemeester vergunning voor het dicht maken van een raam in zijn pakhuis aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 79. Wel weigert het gemeentebestuur hem zijn verzoek voor het plaatsen van een secreet of huisje achter de paardenstal in de Agnesgang in wijk A nummer 186 aan de daar aanwezige moddersloot.
De Meulemeester krijgt in mei 1857 toestemming om de gevel van zijn huis in de Agnesgang A nummer 186 te veranderen.

Chocoladefabrieken

Deze jaren zijn er vier chocoladefabrieken in de stad, te weten van A. Nortier, C. Pilaar & zonen, G. van der Hoek en Van den Bosch & comp. In 1856 gaat die van Van den Bosch & compagnon te niet. Er zijn geen speciale knechts voor de chocoladebereiding; deze worden ook voor andere werkzaamheden ingezet.

Drukkerijen en boekhandelaren

Deze jaren zijn in de stad vier boekdrukkerijen, te weten van F. Kleeuwens en zoon (met vijf knechts, een binder en een jongmaatje); van de weduwe P. Crombouw Mz (met als knechts haar schoonzoon en twee kleinkinderen); van S.J. de Jonge (met vijf werklieden) en van C.H. Schetsberg (met acht knechts en een bediende of leerling).
In mei 1855 deelt de heer C.H. Schetsberg het gemeentebestuur mee dat hij zich als handelaar in papier, kantoor- en bureaubehoeften in de stad gevestigd heeft. Hij verzoekt op het rooster van de leveranciers voor de gemeente geplaatst te worden. Ook in oktober 1859 komt er een verzoek bij de gemeenteraad van de boekdrukker C.H. Schetsberg voor het drukken en leveren van drukwerk voor de gemeente. In 1859 gaat de drukkerij van de firma Schetsberg over naar de firma Schetsberg en Kleeuwens. Kleeuwens zet, zonder de drukkerij, alleen de boekhandel voort met een loopjongen.
In oktober 1859 verzoekt de firma Schetsberg en Kleeuwens het drukwerk voor de gemeente te mogen blijven uitvoeren. Het gemeentebestuur wijst het verzoek van de hand vanwege de onuitvoerbaarheid daarvan. Het drukwerk voor de gemeente kan niet met de gewone leveranties, die in de gemeente bij toerbeurt geschieden, worden gelijk gesteld. Hierbij is te denken aan bijvoorbeeld het jaarverslag, de memorie van toelichting bij de begroting, de catalogus van de boekerij. De gemeenteraad heeft namelijk in 1852 besloten voor het drukwerk een vaste drukker als gemeenteambtenaar aan te stellen en in die functie de heer Jacobus Mulder benoemd.

Gareelmakers

De gareelmaker in de stad, Johannes Babtist Arentz uit de Voorstad, verzoekt in juli 1856 in erfpacht twee roeden en veertig ellen grond op het plein buiten de Ganzepoort in de Voorstad, uitmakende volgens de overgelegde tekening een gedeelte van wijk C nummer 536 ter grootte van 2 roeden en 30 ellen. Hij wil daarop een schuur bouwen die ook geschikt is voor de uitoefening van het gareelmakerbedrijf. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.
Maar Gedeputeerde Staten maken in augustus 1856 bezwaar tegen de uitgifte van deze grond in erfpacht aan de gareelmaker Arentz. voor zover deze strekt om in erfpacht te bekomen tien ellen van de publieke weg die loopt langs sectie C nimmer 536 buiten de Ganzepoort. De gemeenteraad besluit daarop ‘bij deze te verklaren dat genoemde tien ellen van de publieke weg niet langer tot algemeen gebruik nodig zijn of bestemd zullen wezen’. Dit besluit wordt alsnog door Gedeputeerde Staten goedgekeurd.

Graanhandel

Gedeputeerde Staten sturen het gemeentebestuur in april 1860 een brief over het meten van granen. Mede naar aanleiding van het advies van de Kamer van Koophandel besluit het gemeentebestuur Gedeputeerde Staten te antwoorden ‘dat iedere wijze van meten eigenaardige bezwaren heeft en de klacht van de graanhandelaren, hoe gegrond ook, door hun voorgestelde wijze van meten, die onuitvoerlijk is, niet zou worden uit de weg geruimd, maar dat het de bescheiden mening van dit college is dat alle partijen zouden worden bevredigd door de verkoop van graan te bepalen bij het gewicht’.

Herbergen, kroegen, koffiehuizen en slijterijen

Tot uitvoering van het aan de burgemeester in artikel 188 van de gemeentewet opgedragen toezicht over de tapperijen en herbergen stelt het college van burgemeester en wethouders in juni 1854 een verordening op. De meerderheid van de gemeenteraad vindt dit echter niet nodig. Dit kan immers plaatsvinden door een nauwkeurig toezicht van de politie en dient aan de vrije loop te worden overgelaten. Als het mis gaat kan er altijd nog een verordening in het leven worden geroepen. Tevergeefs betoogt burgemeester Blaaubeen dat hij dit toezicht en het betreden van tapperijen en gelegenheden moet kunnen doen op grond van een verordening. Wel stelt de gemeenteraad een verordening op de openbare vermakelijkheden vast.

Er doen zich deze jaren verscheidene mutaties voor in de herbergen en koffiehuizen.
De logementhouder en herbergier Hermanus Werri aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk geeft in augustus 1857 te kennen dat de door hem 14 jaar geleden gepachte grond bij de ‘s-Heer Hendrikskinderenbarrière zodanig door het inkrimpen van de modder is verlaagd, dat het middelste gedeelte thans geen palm meer boven de bodem van het uitwateringsluisje ligt. De modder op dat gedeelte is nog zo zacht, dat het onmogelijk is er vee op te brengen. Dit gedeelte zal nog meer moeten krimpen en lager worden voor en aleer het door beesten kan worden betreden. Bij veel regen zal dit gedeelte dan onder water blijven staan, zodat het niet onmogelijk is dat het nimmer door vee begraasd kan worden. Hij krijgt vergunning maatregelen te treffen.

De logementhouder in ‘de Bonte Koe’ op de Beestenmarkt in wijk D nummer 123, A. Verhage, geeft in 1857 te kennen dat er bij zijn thans bewoonde huis altijd een varkenshok heeft bestaan. De aangrenzende bewoner, de heer Risseeuw, is wezen kijken en had er geen de minste aanmerking over en gaf zijn toestemming. Hij verzoekt hiervoor vergunning.
Pieter Bernardus Schaap, herbergier te Wemeldinge, krijgt in augustus 1858 vergunning om de grond van het plein buiten de Ganzepoort in erfpacht te bekomen voor het bouwen van een herberg en stalling.

Kroeghouder M. van Liere mag in februari 1859 een uithangbord plaatsen tegen de voorgevel van zijn pand op de dijk bij het Stort en het nieuwe Huis van Arrest in wijk B nummer 136 voor zijn tapperij.
Herbergier E. Besuyen krijgt in juli 1859 vergunning om voor zijn herberg ‘de Prins van Oranje’ aan de Nieuwstraat in wijk D nummer 214 een stelling te plaatsen om de gevel te beporten en nieuwe ramen in de bestaande kozijnen te plaatsen en om de gehele voorstoep te verleggen.
De herbergier Adriaan de Winter deelt in november 1859 mee dat hij door aankoop eigenaar is geworden van de herberg en stalling op het plein buiten de Ganzepoort, die toebehoorde aan P.B. Schaap. Hij wil de stalling niet als zodanig behouden en deze tot woning inrichten. Hiervoor krijgt hij toestemming.

Koffiehuishouder J.J. Crombouw krijgt in oktober 1860 vergunning om in zijn koffiehuis op de Grote Markt in wijk C nummer 62 de bestaande grote schoorsteen op de bovenvoorkamer geheel weg te breken en hiervoor in de plaats te brengen een nieuwe gemetselde pijp vanaf de vliering.

De herbergier Jan F. Koens deelt het gemeentebestuur in maart 1860 mee dat hij volgens contract van 10 september 1859 pachter is geworden van het zogenaamde ravelijn voor een periode van vijftien jaar voor ƒ 280 per jaar. Hij wil graag de belangen van de gemeente alsook van hemzelf op het oog houden. Daarom neemt hij de vrijheid om de gemeenteraad het volgende voorstel te doen.
Door de toestand van het op het ravelijn staande huis is het dringend noodzakelijk om dit een grote en kostbare verbetering te laten ondergaan, wil het fatsoenlijk bewoonbaar gemaakt worden. Hij heeft overwogen om het huis geheel weg te breken en er een ander voor in de plaats te laten bouwen, mits hem daarvoor het ravelijn op erfpacht beschikbaar wordt gesteld. Hij is graag bereid het ravelijn in erfpacht over te nemen voor 99 jaar. Mocht dit bezwaarlijk zijn, dan wil hij op het ravelijn een geheel nieuw huis laten bouwen. Hij overlegt een bouwplan met een kostenbegroting voor het bouwen van een zaal van 9 ellen lang en 7 ellen breed op het ravelijn. Deze zaal zal 9 ellen lang en 7 ellen breed zijn.

In maart 1860 schrijft J. Koens aan het gemeentebestuur: ‘Tengevolge van mijn vroeger ingediend rekest heb ik de eer u te verzoeken mij toe te staan om de nu bestaande manteling op het Ravelijn, bestaande uit 98 canada en 67 tronkbomen, geheel te rooien met nog 23 fruitbomen die bij een eventueel toe te stane bouw noodwendig zullen opgenomen moeten worden. Wanneer u mocht besluiten dit verzoek in te willigen neem ik de vrijheid te kennen te geven, dat ik gaarne zag dat het te rooien hout aan mij na taxatie voor een billijke prijs en massa werd overgegeven’.

Hoedenfabriek

Deze jaren is in de stad werkzaam een hoedenmakerij van de heer P. Magielse in wijk C nummer 217. Baas Magielse werkt met drie werklieden en een leerjongen. Vanaf eind 1855 volgt zijn zoon J.P. Magielse hem op.
In november 1855 verzoekt de nieuwe hoedenmaker J.P. Magielse om nieuwe ramen te mogen laten aanbrengen in zijn huis. De opzichter van gemeentewerken adviseert gunstig en het gemeentebestuur staat dit toe.

In november 1859 ontvangt het gemeentebestuur een bericht van Gedeputeerde Staten over de brouwerij ‘de Gans’. Het college wordt om bericht en raad gevraagd over een verzoekschrift van de bierbrouwer in ‘de Gans’, Engelbertus de Meulemeester, om vergunning voor het stichten van een hoedenfabriek op het perceel C nummer 355. Uit de onverwijld gehouden zitting voor omwonenden blijkt dat er geen bezwaren worden ingebracht. Uit het oogpunt van goede politie bestaan er bij het gemeentebestuur geen bedenkingen en de vergunning wordt dan ook verleend. De Meulemeester wil een hoedenfabriek bouwen, samengesteld met steen, kalk, tras en ijzer en afgedekt met pannen, voorzien van twee schoorstenen en drie fornuizen. Hij wil het gebouw van de hoedenfabriek plaatsen op zijn grond gelegen buiten de Koepoort tegen de singel en de rijweg naar de Poel, naast het gebouw Bekof in wijk E nummer 129. Bij zijn aanvraag voegt hij een fraaie situatietekening. Hij krijgt vergunning om op het perceel buiten de voormalige Koepoort een fabriek te bouwen

Er komt in 1859 nòg een hoedenfabriek, namelijk van de firma A. Cornelis & compagnon. Deze werkt met drie knechts. Maar deze geraakt in 1860 al buiten werking.

Zelfs komt er in 1860 nòg een hoedenfabriek in de stad. Het betreft een strohoedenfabriek, speciaal voor de boerenstand, van de firma de weduwe J. Heirman. Deze werkt met vier tot zes werklieden, twee mannelijke en vier vrouwelijke.

Kaarsenmakerijen

In de stad zijn deze jaren twee kaarsenmakerijen, namelijk van G. Buijze en G. van der Hoek. Ze zijn echter van weinig belang. In de winter is er slechts één knecht werkzaam, die ook nog voor ander werk gebruikt wordt. In 1858 gaat de kaarsenmakerij van G. Buijze teniet.

Kuipers

De kuipersbaas Willem Moeliker verzoekt in april 1854 om de kuiperij, doch zonder het branden van vaatwerk, te mogen uitoefenen in de schuur van Jacob Scheffer aan de wal of dijk bij de Kleine Kerkstraat (nu de Gasthuisstraat) in wijk C nummer 258 en in zijn woonhuis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 134. Het gaat om de percelen waar nu ongeveer drogisterij ‘de Waaihoek’ is. Bij het verzoek is een fraaie plattegrondtekening gevoegd. Hij schrijft in zijn brief ‘dat hij zijn beroep, doch zonder het branden van enig vaatwerk, aanvankelijk ook uitoefende in de schuur van Jacob Scheffer, staande aan de dijk, t’enden de Waaihoek in wijk C 258’. De gemeenteraad overweegt dat Moeliker de kuiperij ook al uitoefent in zijn woonhuis in de Sint Jacobstraat in wijk B nummer 134. Omdat de omwonenden geen overwegende bezwaren hebben verleent het gemeentebestuur de vergunning.
Moeliker verzoekt in april 1856 om zijn kuiperij van wijk C nummer 258 over te mogen brengen naar wijk C nummer 260. Tevens wil hij boven de deuren van dat gebouw een vensterraam plaatsen. De vergunning wordt verleend met dien verstande dat hij geen toestemming krijgt voor het branden van vaatwerk. Hij mag de kuiperij verplaatsen van de schuur aan de wal bij de Gasthuisstraat in wijk C nummer 258 naar een daar tegenover staande schuur aan het Kleine Kerkstraatje (de latere Gasthuisstraat) in wijk C nummer 260. Het betreft het pand op de hoek Gasthuisstraat/wal.

Lijnbaan

Deze jaren zijn er drie touwslagerijen in de stad werkzaam, namelijk van de weduwe M. de Keijzer (deze gaat in 1858 over op C. Groenhof), N. de Lange en M.J. Scheffer. In elke touwslagerij werken, naast de meester, twee of drie jongens.

De touwslager Nicolaas de Lange deelt het gemeentebestuur in juni 1856 mee dat de huur van een thans door hem gebruikt lokaal is opgezegd. Om het behoud van zijn bestaan te verzekeren verzoekt hij hem in erfpacht beschikbaar te stellen ‘de nodige grond om achter het huis in wijk E 11 (sectie D 12) een schuur te plaatsen met een lengte van 8 en een breedte van 5 Nederlandse ellen’. Zijn bedoeling is om van daar langs de schans zijn lijnbaan te leggen op erfpachtgrond ter lengte van 200 ellen en ter breedte van 1 el. De gemeenteraad besluit De Lange ingaande 1 juli 1856 voor vijftig jaar in erfpacht af te staan veertig ellen gemeentegrond achter het huis in wijk E 11 buiten de Bleekveldse barrière om daarop een schuur te bouwen. De schuur dient zodanig te worden geplaatst dat daardoor geen belemmering wordt teweeg gebracht aan de passage van personen en rijtuigen. Tevens wordt aan De Lange verpacht een reep grond om te worden gebruikt tot lijnbaan met een lengte van 200 ellen en een breedte van een el langs de weg buiten de Bleekveldse barrière.

Het gemeentebestuur ontvangt in juni 1856 een brief van de heer Saaymans Vader van de alcoholfabriek. Hij schrijft: ‘Wij hebben de eer u te verzoeken ons in erfpacht te willen afstaan het gedeelte grond, hebbende gediend tot lijnbaan van De Lange, benevens de glooiing van de dijk daaraan grenzende en een gedeelte van het water aan de teen dierzelver dijk. Wij zouden wensen dat terrein door aanvoering van grond aan de oostelijke kant zoveel mogelijk te vergroten en durven ons vleien het u zal behagen ons in de kosten daarvan enigszins tegemoet te komen door ons hetzelve op een mindere erfpacht te geven dan thans gewoonlijk van de gemeentegrond geheven wordt’. Bij het verzoek is een fraaie situatietekening gevoegd.

C. Groenhof is in april 1857 door koop eigenaar geworden van de schuur van de weduwe M. de Keijzer, gelegen aan de stadswal en bestemd voor touwslagerij. Hij verzoekt vergunning om de daar aanwezige lijnbaan op de stadswal, van de zogenaamde Agnesgang tot aan het ravelijn, met ingang van de 1e mei 1857 hem in gebruik te geven. Deze lijnbaan heeft hij gedurende vier jaren tot voordeel van zijn zuster, de weduwe M. de Keijzer, in stand gehouden.

Likeurstokerij

In juni 1857 stellen Gedeputeerde Staten voor advies in handen van het gemeentebestuur een brief van de heren P.A. Hochart, apotheker, en compagnon met het verzoek om vergunning voor het oprichten van een likeurstokerij door middel van stoom in hun laboratorium. Ze leggen een plantekening van het te gebruiken lokaal en de bijliggende percelen in wijk D nummer 1141 over. Er bestaan geen bezwaren bij omwonenden. De vergunning wordt dan ook verleend.
In mei 1857 kregen de heren P.A. Hochart en zoon al vergunning om in hun scheikundig laboratorium voortdurend gebruik te maken van de daarin geplaatste stoomketel.

Leerlooierij

Deze jaren is in de stad werkzaam een leerlooierij van de heer P.L. van der Reijt. Hij werkt daar samen met twee zoons.

Markten

Beestenmarkt
ingevolge het door de gemeenteraad vastgestelde Reglement van 26 april 1845 worden de openbare veemarkten voor de handel in paarden, runderen, schapen en varkens gehouden op de laatste dinsdag van februari, op dinsdag in de voorlaatste week voor Pasen, op de eerste dinsdag van mei en op iedere dinsdag (behalve de 1e) in de maand november. De tijdstippen van de veemarkten worden bij bekendmaking in de Goessche Courant gepubliceerd. Ter illustratie volgt hier de bekendmaking van 31 oktober 1860:

‘Burgemeester en wethouders van Goes brengen bij deze ter kennis van een ieder die het aangaat;
dat volgens artikel 1 van het Reglement op het houden van openbare veemarkten, tot handel in PAARDEN, RUNDEREN, SCHAPEN EN VARKENS,
binnen deze stad, gearresteerd den 7 april 1845, op iedere dinsdag (behalve den eersten) in de maand november, zijnde dit jaar 13, 20 en 27 dier maand, aldaar zodanige veemarkt zal gehouden worden en dat dezelve zal onderworpen zijn aan de bepalingen in dat reglement vervat’.
De voorjaarsveemarkten gaan deze jaren teniet. Ze bleven, evenals in vorige jaren, vrijwel onbezocht, zodat ze als het ware zichzelf hebben afgeschaft. De najaarsveemarkten hebben plaats op de drie laatste dinsdagen van november.

Botermarkt
Vanouds wordt de botermarkt gehouden op iedere dinsdag. De boerinnen uit Zuid-Beveland komen naar deze markt met hun korven met boter, eieren en kippen. De markt vindt plaats op het met kettingen afgespannen noordelijke deel van de Lange Vorststraat.

Jaarmarkt
De burgemeester maakt jaarlijks bij Publicatie bekend dat de jaarmarkt of kermis aanvangt op dinsdag voor of op Sint Bartholomeus, zijnde de 24e augustus, en eindigt veertien dagen of de tweede dinsdag daarna.

Weekmarkt
Al vanaf de 17e eeuw is er op iedere dinsdag weekmarkt. Daarop worden dan tevens granen, boter, eieren en varkens verhandeld.

De commissarissen van de koopmansbeurs verzoeken het gemeentebestuur in december 1860 dat de marktdagen, invallende op de eerste kerstdag en de nieuwjaarsdag, dit jaar worden gehouden op maandag 24 december en woensdag 2 januari. Besloten wordt uit hoofde van de invallende feestdagen de koopmansbeurs, in plaats van op dinsdag 25 december en dinsdag 1 januari, open te stellen op maandag 24 december en maandag 31 december. Hiervan wordt een openbare bekendmaking gedaan.

Wolmarkt
Jaarlijks is er op de eerste drie dinsdagen in juni wolmarkt.

Meekrapnering

Algemeen
Van de al vanaf de 17e eeuw bestaande vijf meestoven in de stad zijn deze jaren alleen nog de meestoven ‘de Liefde’ en ‘de Zon’ in bedrijf. De meestoven ‘de Mane’, ‘de Hope’ en ‘de Fortuyn’ zijn al lange tijd buiten gebruik.
Daarnaast zijn er deze jaren in de gemeente drie fabrieken voor de bereiding van meekrap in werking, te weten de garancinefabriek ‘Stad Goes’ van dr. C.A. van Renterghem, de fabriek voor verbeterde garancine en meekrap ‘Zuid-Beveland’ van de heer O. Verhagen en de garancinefabriek van de heer Fransen van de Putte. Op deze fabrieken wordt aan het einde van dit hoofdstuk ingegaan.

Meekrapstoven
Er zijn twee meestoven werkzaam, namelijk ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. In elke meestoof zijn zeven personen werkzaam, te weten een droger, een stamper, een onderman en vier op- en afdoeners.

Het aantal verwerkte ponden meekrap blijkt uit het volgende overzicht:

  1854 1855 1856 1857 1858 1859 1860
De Zon p.m. 74197 49023 47001 52000 49000 253000
De Liefde 42130 56003 52922 51096 55095 67690 30300

Het aantal verwerkte ponden zogenaamde mullen blijkt uit het volgende overzicht:

  1854 1855 1856 1857 1858 1859 1860
De Zon p.m. 4282 3986 10923 8000 10400 11700
De Liefde p.m. 4002 9226 12775 15018 13598 16610

Het aantal gefabriceerde ponden ‘onberoofde’ blijkt uit het volgende overzicht:

  1854 1855 1856 1857 1858 1859 1860
De Zon p.m. p.m. p.m. 20200 39000 37100 45025
De Liefde 17686 p.m. p.m. 13505 39203 48512 p.m.

De aanduiding van de productie is in de gemeenteverslagen op de volgende wijze weergegeven (als voorbeeld wordt het jaar 1859 aangehouden): Gedurende de teelt van 1859 zijn afgewerkt in de meestoof ‘de Zon’ 510 balen of 49000 pond racine, 67 vaten of 37100 pond onberoofde en 18 vaten en 33 balen of 10400 pond mullen en verstampt 5100 pond onberoofde, voor ¾ uit de reeds opgegeven mullen en het overige van elders aangevoerd. In de meestoof ‘de Liefde’ zijn afgewerkt 485 balen of 42690 pond racine en 17 balen afval, 91 vaten of 48512 pond onberoofde en 30 vaten of 13598 pond mullen, terwijl nog is verstampt 25000 pond racine en nog 35000 pond dito te verstampen overig bleef, samen plusminus 200 vaten van elders aangevoerd.

In augustus 1856 komt er een verzoekschrift bij het gemeentebestuur binnen van de boekhouder van de meestoof ‘de Liefde’ aan de Westhavendijk, de heer C.C. van den Bosch. Hij treedt op als vertegenwoordiger van de gezamenlijke geïnteresseerden van die stoof. Het verzoek betreft het verkrijgen van gemeentegrond bij de meestoof in erfpacht.
Het gemeentebestuur merkt echter op dat deze grond, waarop het afval van de meekrap pleegt gedeponeerd te worden, deel uitmaakt van een perceel dat sinds een reeks van jaren vanwege de gemeente is verpacht. Het gebruik van deze grond heeft dus vele jaren op een verkeerde wijze plaats gehad. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat dit gediend heeft als een middel tot verkrijging van de eigendom door verjaring.
Niettemin besluit de gemeenteraad op voorstel van het college het verzoek in te willigen. Zestien roeden en twaalf ellen gemeentegrond, liggende tegen de meestoof, worden in erfpacht uitgegeven.

De boekhouder van de meestoof ‘de Liefde’ Van den Bosch verzoekt namens zijn mede eigenaren eveneens om te mogen overgaan tot het rooien van 13 olmenbomen, staande aan de westelijke havendijk langs deze meestoof. Deze bomen benadelen het gebouw van de meestoof ‘grotelijks’.
In december 1859 dient boekhouder Van den Bosch opnieuw een verzoek in om drie grote olmenbomen, staande bij de meestoof en hinderlijk voor de trek van het vuur, te mogen rooien. Hij biedt aan deze op grond van een taxatie over te nemen. De gemeenteraad overweegt dat het rooien van deze bomen de reeks, waarin deze geplaatst zijn, zal ontsieren. De meerderheid van de raad betwijfelt of het probleem wel veroorzaakt wordt door deze bomen en besluit het verzoek van de hand te wijzen.

Directeur J.C. Kakebeeke en boekhouder J.P. Kakebeeke van meestoof ‘de Zon’ geven in mei 1860 namens hun verdere mede-eigenaren te kennen, dat het hun uit het verhandelde in de vergadering van de gemeenteraad van 26 april gebleken is dat door de heer O. Verhagen een verzoek is ingediend om erfpachter te worden van het terrein langs de havenkant vóór hun meestoof. Dit voor de uitbreiding van zijn bedrijf en met het oog op het stoken van alcohol en aanverwante fabrikaten. Dit geeft hen aanleiding om te wijzen op de gevolgen die uit een dergelijke concessie tot hun nadeel zullen voortkomen. Ze voelen zich daarom genoodzaakt tijdig hun belangen aan het gemeentebestuur te kennen te geven.
Hun meestoof is daar ter plaatse gedurende bijna twee eeuwen in het ongestoorde genot en bezit geweest van het open en vrije terrein aan de havenzijde, evenals van het terrein dat achter hun meestoof ligt. Daardoor hebben ze bovendien het vrije en onbelemmerde bezoek met paarden en wagens bij en rond hun meestoof ‘de Zon’. Daartoe is ook bij te brengen dat de welput, staande op perceel B nummer 249, voor rekening van de eigenaren van de meestoof is aangebracht en in onderhoud is en het vrije gebruik daarvan behoort alleen aan de meestoof toe.
De plannen van de heer Verhagen voor het verkrijgen in erfpacht van de grond aan de havenzijde vóór hun meestoof liggen voor hen vooralsnog in het duister. Evenwel de door hen gebezigde bewoordingen doen denken aan het stichten van nieuwe gebouwen daar ter plaatse. Ze wijzen op het gevaar om zulke fabrieken zo dichtbij hun meestoof te overwegen. Maar bovendien moeten deze ongetwijfeld van hinderlijke invloed zijn voor het vrije verkeer aan de havenzijde en het af- en aanvoeren van de producten met wagens en paarden van en naar hun stoof, waarvoor het thans aanwezige terrein zowel voor als naast en achter de stoof volstrekt noodzakelijk is.
Als ze het goed begrepen hebben omvat de aanvraag van Verhagen niet alleen de onmiddellijk aan de haven grenzende percelen grond in wijk B nummers 238, 239 en 259, maar ook een deel van perceel nummer 249 ten zuiden van hun meestoof. Ze willen niet treden in de vraag in hoever een en ander geheel of gedeeltelijk geacht kan worden eigendom van de stad dan wel van hun meestoof te zijn ‘na een rustig en ongestoord genot en bezit bij laatstgenoemden sedert ongeveer twee eeuwen’. Maar in elk geval willen ze er bij het gemeentebestuur op aandringen te voorkomen dat hun meestoof in de toekomst door gevaarlijke belendende gebouwen wordt bedreigd of in het vrije verkeer en de uitoefening van hun bedrijf wordt belemmerd.
 
Ze zijn niet ongenegen om zich, als het nodig mocht zijn, een opoffering te getroosten. Met terzijde stelling van al hun vermeende rechten willen ze de stad erkennen als eigenaresse van de betreffende gronden. Ze zijn bereid door een jaarlijkse recognitie of erfpacht die erkenning te betonen. Dit is de reden waarom ze verzoeken hen de erfpacht van het perceel nummer 249, zoals op de bij hun verzoek gevoegde kaart in geel aangeduid is onder a, b en c ter grootte van 2410 ellen grond en 520 ellen openbare weg, toe te wijzen. Bovendien zijn ze bereid om de 13 olmenbomen die op het oostelijke gedeelte van het perceel staan voor de prijs van vijf gulden per stuk over te nemen. Ze sluiten hun brief af met de volgende passage: ‘En als u meent het verzoek van Verhagen te moeten toestaan en mitsdien aan hem erfpacht toe te kennen, dit te doen voor de genoemde percelen B 238, 239 en 250 onder voorwaarde dat deze in geen geval zullen mogen worden aangewend tot het stichten van enige gebouwen of het daarstellen van zodanige werken of wat ook, die gevaarlijk of belemmerend voor hun stoof en de uitoefening van het daarin gedreven wordende bedrijf kunnen geacht worden’.

Molens

Windkorenmolens
In deze jaren zijn er twee windkorenmolens, die tevens fungeren als pelmolens, in de stad. Het betreft de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar Jan Adriaanse en de korenmolen ‘de Koornbloem’ van Jan Olbertijn. Op beide molens wordt gewerkt met twee knechts.

In 1854 ontvangt het gemeentebestuur twee verzoeken voor het stichten van windmolens.
In maart verzoekt de korenmolenaar Jan Adriaanse hem op erfpacht voor 99 jaar een perceel grond van 13 roeden en 4 ellen in sectie D nummer 1146 beschikbaar te stellen. Dit perceel maakt deel uit van een gedeelte van de wal tussen de korenmolens ‘de Koonbloem’ en ‘de Vijf Gebroeders’. Op dit perceel op de stadswal in wijk D nummer 1146 wil hij laten overbrengen de door hem gekochte pelmolen ‘de Grenadier’ van de heer C.C. van den Bosch om te dienen als pel- en korenmolen. Hij wil deze dan tevens inrichten tot rosmolen.
Tegelijk echter dient de andere korenmolenaar, Jan Olbertijn van ‘de Koornbloem’, een bezwaarschrift in. Daarbij maakt hij zijn bezwaren kenbaar tegen het inwilligen van het verzoek van Adriaanse. Wanneer deze toestemming wordt verleend om een derde korenmolen op gemeentegrond te bouwen, dan zal hij in meerdere of mindere mate in zijn bestaan worden gekrenkt. Hij ziet dan geen kans meer om de erfpacht voor zijn korenmolen ‘de Koornbloem’ aan de gemeente te voldoen.
Het college van burgemeester en wethouders heeft echter geen bezwaar tegen het verzoek van molenaar Adriaanse. De gemeenteraad verenigt zich in meerderheid met het collegevoorstel. In juni 1854 ontvangt het gemeentebestuur een beschikking van de Minister van Financiën waarbij Adriaanse vergund wordt om op het perceel in wijk D nummer 1146 op de stadswal de door hem beoogde windkorenmolen te stichten en deze tevens tot rosmolen in te richten.

Het gemeentebestuur neemt in juli dit jaar ook kennis van een afschrift van de beschikking van de Minister van Financiën waarbij aan korenmolenaar Jan Adriaanse wordt vergund om op zijn molen ‘de Vijf Gebroeders’ ook granen te pellen.
Kort daarop deelt molenaar Adriaanse echter mee dat hij van de stichting van de betreffende korenmolen af ziet. Hij wenst van de toegekende erfpacht ontheven te worden. De redenen hiervoor zet hij uiteen in een uitvoerige brief.

Het andere verzoek van april 1854 is van Adriaan Boer, een korenmolenaarsknecht uit Ovezande. Hij wenst op het perceel stadswal, waarop vroeger de oliemolen ‘de Dubbele Arend’ heeft gestaan buiten de Bleekveldse poort in wijk D nummer 1104, een windkorenmolen te stichten. Gedeputeerde Staten van Zeeland vragen het gemeentebestuur inlichtingen over de voorgenomen stichting van deze molen, met name over de weg waaraan de molen zal worden geplaatst en wat betreft het bedenkelijke voor de algemene veiligheid. Het gemeentebestuur antwoordt dat er geen nadere opgaven betreffende de weg kunnen worden gegeven en dat er geen bezwaar tegen de stichting kan bestaan omdat op deze plaats vroeger, nòg nader aan de weg, sinds onheugelijke tijd een molen heeft gestaan die nimmer ongelukken heeft veroorzaakt zover bekend is. In juli 1854 komt er bericht van de Minister van Financiën met een afwijzende beschikking op het verzoek van A. Boer om op de aangegeven plaats een korenmolen te stichten.

De beslissing van de gemeenteraad is voor korenmolenaar Jan Olbertijn van ‘de Koornbloem’ aanleiding om in april 1854 het gemeentebestuur te verzoeken om vermindering van de op zijn molen, het molenhuis en zijn erf gevestigde erfpacht of cijns. Als reden geeft hij op dat voor andere gronden in de gemeente een veel lagere erfpacht behoeft te worden betaald, evenals voor de derde korenmolen die molenaar Jan Adriaanse wil laten bouwen. Burgemeester en wethouders vinden dit verzoek prematuur zolang er geen derde korenmolen is gesticht. En verder heeft Olbertijn pas zeer onlangs zijn molen gekocht met de daaraan verbonden erfpachtlast.

Het gemeentebestuur besluit in november 1856 tot de openbare verpachting van de dijk aan de korenmolen ‘de Koornbloem’.

In november 1858 betogen de korenmolenaars Jan Adriaanse en Jan Olbertijn dat ze beiden eigenaar zijn van een windkorenmolen, Adriaanse van molen ‘de Vijf Gebroeders’ en Olbertijn van molen ‘de Koornbloem’. De afschaffing van de belasting op het gemaal en de daaruit gevolgde onbeperkte meelfabricage en vrije invoer van meel en brood en meer in het bijzonder het oprichten van een stoommeelfabriek door de heer Kakebeeke heeft hun molenaarsbedrijf groot nadeel toegebracht. Dit is voor hen aanleiding om een verzoek in te dienen zo mogelijk van sommige, uit het beschermingsstelsel afkomstige, thans nog op hun bedrijf drukkende lasten ontslagen te worden of althans in billijkheid hiervan vermindering te krijgen. Ze betogen verder dat de burgers thans naar genoegen worden voldaan en door hen worden bediend. Er is absoluut geen ruimte voor de stichting van een nieuwe molen in de stad.
Hier komt nog bij dat door het opslikken van de haven de waterkorenmolen meer en meer onbruikbaar wordt. Dit heeft P. Remijn er bedacht op doen zijn in de daardoor ontstane behoefte te voorzien door het plaatsen van een rosmolen bij zijn windmolen.
Ook door de stichting van de molen in Wilhelminadorp heeft hun bedrijf schade geleden. Een schade evenwel waartegen de gemeente hun voorgangers niet gewaarborgd had, want deze molen is buiten de stadsjurisdictie gebouwd.
Het nadeel echter dat ze daardoor ondervinden wordt verre overtroffen door de sinds het voorjaar 1857 in de gemeente gebouwde en in werking gekomen stoomkorenmolen van de heer Kakebeeke. Hiertegen hebben noch zij noch de gemeente zich kunnen verzetten. Ze vertrouwen er op dat de gemeenteraad ‘door dit eenvoudig verhaal van daadzaken geleid, toestemmen zal dat zo al niet het strikte recht een aanspraak op ontslag of vermindering van hun recognitie zou wettigen, hun een vermindering daarvan toe te staan in evenredigheid tot de schade die zij lijden’. Ze verzoeken dan ook om een vermindering van recognities.

Uit de notulen van de raadsvergadering van 16 december 1858 wordt duidelijk hoe een en ander ligt. Samenvattend blijkt het volgende.
De afschaffing van de accijns op het gemaal en de daaruit gevolgde onbeperkte meelfabricage en vrije invoer van meel en brood en meer in het bijzonder het oprichten van een stoommeelfabriek door de heer Kakebeeke heeft de korenmolenaars groot nadeel toegebracht. Ze verzoeken zo mogelijk van sommige, uit het beschermstelsel afkomstige, nu nog op hun bedrijf drukkende lasten ontslagen te worden of althans in billijkheid daarvan vermindering te verkrijgen. Ze doelen daarbij op de op hun molens gevestigde recognitie of cijns van respectievelijk ƒ 180 en ƒ 150 per jaar. Deze zijn zodanig buiten alle verhouding tot vroegere en latere uitgiften op cijns of erfpacht dat zij menen die nergens anders aan te kunnen toeschrijven dan aan vroeger verleende privileges. Het bestaan daarvan wordt door hen nochtans niet bespeurd.
De raadsvoorzitter, burgemeester Blaaubeen, voert aan dat de cijns bij de verkoop van de stads wind- en korenmolens op de noordzijde van de stadswal op 6 maart 1798 niet betreft een heerlijk of windrecht, maar inderdaad te maken heeft met de koopsom. De cijns moest onvoorwaardelijk en ten eeuwigen dage betaald worden als ‘koopsom, als representerende de interest van de onbetaald gebleven koopsom’. Na discussie in de gemeenteraad spreken de heren Van den Bosch, De Knokke van der Meulen en Van de Putte zich uit in het voordeel van het verzoek en de heren Van Kerkwijk, Kakebeke en Van Voorst Vader in het nadeel daarvan. Daarna wordt op voorstel van de heer Soutendam, ondersteund door de heren Smallegange en Van den Bosch, besloten de zaak aan te houden en het verzoekschrift te verwijzen naar het college van burgemeester en wethouders voor nader onderzoek. Het college komt daarna tot de conclusie dat er geen redenen zijn om het verzoek van de korenmolenaars om vermindering van cijns op hun molens in gunstige overweging te nemen. Niettemin vindt het college het van belang dat de zaak grondig wordt onderzocht alvorens de gemeenteraad een besluit neemt.

Korenmolenaar Jan Adriaanse deelt het gemeentebestuur in november 1859 mee dat hij ook eigenaar is geworden van de korenmolen ‘de Koornbloem’. Hij gebruikt voor het betreden van zijn molen het einde dijk, lopende van zijn molen tot aan de van hem gepachte hoveniering van H. Werri en thans begrepen onder de stadswallen die aan de karreman worden verpacht. Hij vergoedt daarvoor aan de tegenwoordige pachter ƒ 1,50 per jaar. Zijn wens is het betreffende perceel gedeeltelijk gelijk te maken en te bezaaien, in welk geval de waarde van die grond voor hem zou worden verhoogd. Daarom verzoekt hij hem het einde dijk te verpachten voor 21 jaar tegen ƒ 7 per jaar met verlof het te effenen en te bezaaien.

Boekweitmolen
Er is in 1854 een boekweitmolen, genaamd ‘de Vos’, in bedrijf bij de heer J.H.C. Kakebeeke. Op de molen zijn twee knechts en een jongen werkzaam.
De heer Kakebeeke krijgt bij besluit van Gedeputeerde Staten van 11 januari 1856 vergunning om in deze, thans door paarden gedreven grutterij een stoom-meel-fabriek, grutterij en pellerij te stichten. In de loop van het jaar is de rosmolen veranderd en ingericht als stoom meelfabriek met het oogmerk om deze verder tot grutterij en pellerij in te richten. Er zijn dan zes knechts en een loopjongen werkzaam.

Houtzaagmolen
Aan de noordzijde van de stad (tegenover het Bastion) is al vanaf omstreeks 1700 de houtzaagmolen van de familie Harinck in bedrijf. Op de molen van de gebroeders Harinck werken vier vaste knechts.

De gebroeders Harinck van de houtzaagmolen beklagen zich in april 1855 over de ondervonden belemmeringen bij het lossen van hout voor hun bedrijf. Ze verzoeken de sleutel van het sluisje tussen de haven en het kanaal dat naar hun zaagmolen leidt in hun bezit te mogen hebben. Ze geven de verzekering dat het water aan hun molen nimmer boven het gewone peil zal komen. De gemeenteraad besluit aan het verzoek van de houtzaagmolenaren te voldoen. Wel wordt nadrukkelijk als voorwaarde gesteld dat ze moeten zorgen dat het sluisje niet geopend wordt wanneer de stand van het water in de haven boven het gewone peil is. De gebroeders Harinck worden aansprakelijk gesteld voor alle nadelige gevolgen die handelingen in strijd met deze voorwaarde tot gevolg zullen hebben.

In maart 1856 verzoeken de houthandelaren en houtzaagmolenaars, de gebroeders Harinck, op erfpacht te nemen tegen de gewone prijs een perceel grond van twee roeden en negentig ellen groot, gelegen aan de havenkant recht voor de gebouwen in wijk B nummers 156, 157 en 158. De situatie van dit perceel is aangegeven op de overgelegde tekening.
Ze verzoeken om, als er verder grond op erfpacht mocht worden gevraagd, liggende tegen de grond die de heer C.A. van Renterghem voor zijn garancinefabriek in erfpacht heeft, daar een tussenruimte te laten van twee Nederlandse ellen. Ze bepleiten dit omdat er anders geen gelegenheid zal zijn voor degenen die hun pakhuis ‘de Groote en Kleine Meebalen’ voor opslag van graan in huur hebben, het graan van het pakhuis in de schepen te laden. Het graan wordt altijd vanuit het pakhuis in de schepen gedragen vanwege het bezuinigen van kosten.

De molenmaker en aannemer van publieke werken Johan Pieter Muller verzoekt in juli 1856 in erfpacht te verkrijgen een perceel grond ter grootte van drie roeden, gelegen aan de havenkant aan de westzijde van de haven tussen de twee poorten. Dit perceel ligt naast het perceel dat onlangs aan de gebroeders Harinck in erfpacht is uitgegeven. Hij wil deze grond gebruiken voor het stichten van een bergplaats of loods voor bouwmaterialen. Tegelijk verzoekt hij om vergunning om voor dat doel ter plaatse een gebouw of loods te stichten wanneer hem dit noodzakelijk voorkomt. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord.

Houtzaagmolenaar Marinus Johannes Harinck, handelend onder de naam ‘Gebroeders Harinck’, deelt het gemeentebestuur in juli 1857 mee dat hij indertijd met zijn broer eigenaar is geworden van verschillende percelen. Daarvan is hij nu alléén eigenaar geworden. Het gaat om de volgende percelen:

  1. een schuur buiten de voormalige Bleekveldse barrière (sectie D 14);
  2. 41 roeden en 80 ellen aangewonnen grond, gelegen bij het kanaal naar de zaagmolen (sectie D 983 en 986). Daarop rustte een verplichting tot onderhoud van de bouwvallige muur, die deel uitmaakte van de voormalige Hoofdpoort en diende tot scheiding van de straat;
  3. 35 roeden en 10 ellen grond, gelegen bij genoemde percelen (sectie D 987);
  4. de scheepstimmerwerf en erf, gelegen buiten de voormalige Bleekveldse barrière (sectie D 1173), ter grootte van 12 roeden 20 ellen.

Het was hem tot voor kort niet bekend dat op beide laatstgenoemde percelen een cijns rustte. Hij heeft nu in de oude leveringbrieven van zijn huidige eigendommen bevestigd gezien dat daadwerkelijk een van beide percelen met cijns belast is.
Bij de aankoop door zijn voorouders van 200 roeden boomgaard, gelegen aan de weg naar de zaagmolen, is vermoedelijk hetzelfde perceel als onder 1 beschreven. Deze transactie heeft plaats gehad o.a. op de voorwaarde van te zullen betalen een bijdrage voor de reparaties die aan de voormalige Hoofdpoort moeten geschieden. Op deze zelfde voorwaarde is het speelhof, het zomerhuis en de koepel, grenzend aan de straat (sectie D 988 en 989) door zijn familie verkregen. Op zijn verzoek besluit de gemeenteraad burgemeester en wethouders te machtigen met hem een cijnscontract aan te gaan, te rekenen vanaf 1 januari 1857 en het college ook te machtigen met hem op voorschreven voet een overeenkomst te sluiten voor het onderhoud van de muur, grenzend aan zijn tuin en koepel.

In september 1857 dienen de gebroeders Harinck een nader verzoek in. In overleg met de heer Otto Verhagen geven ze de voorkeur aan het in erfpacht verkregen perceel van 93 ellen grond tussen de afgebroken twee waterpoorten in sectie D 1206, liggend naast het door hen in erfpacht bezeten perceel D 1205, boven de meerdere grond die zij aldaar vroeger op het oog hebben gehad. Hierdoor zal de grond tegenover de zoutkeet van de heer Otto Verhagen open en beschikbaar blijven. Bij hun verzoek voegen ze een situatietekening. De gemeenteraad besluit het gewijzigde verzoek van de gebroeders Harinck in te willigen

De gemeenteraad besluit in oktober 1858, gelet op de beschikking van de Commissaris van de Koning van 13 oktober 1858, kosteloos aan het Rijk af te staan de oppervlakte grond die wordt ingenomen door de houten schuur van de gebroeders Harinck, staande aan de oostzijde van de haven in wijk E nummer 21. Verder wordt aan het Rijk overgedragen 46.20 vierkante ellen van de gang of weg tussen de schuur van de gebroeders Harinck en het stadsmagazijn. Dit geldt ook voor een gedeelte van de gemeengrond aan de oost- en zuidoostzijde van dat terrein. Deze gronden zijn nodig voor het stichten van een nieuwe gevangenis en een gebouw voor de arrondissementrechtbank.

De gebroeders Harinck krijgen in april 1860 vergunning om de koepel in wijk D nummer 989 af te breken. Ze schrijven: ‘Wij hebben de eer u kennis te geven dat ons voornemen is om de koepel in sectie D 989, staande in onze tuin, binnenkort af te breken, menende dat hier tegen geen bezwaren zullen zijn en wij hiermede aan de wet hebben voldaan’.

Pelmolen
In 1854 is de gerst- en pelmolen ‘de Grenadier’ op het Ravelijn de Grenadier van de heer C.C. van den Bosch & compagnon nog in bedrijf. Op de molen heeft één man vast werk. In 1856 wordt deze molen afgebroken. In juni verzoekt de eigenaar van de pelmolen vergunning voor het afbreken van zijn molen en enige daaraan grenzende lokaliteiten. De molen is verkocht om verplaatst te worden. Hij verzoekt om het hecht in steen gemetselde benedengedeelte van de molen, dat blijft staan, tegen inwatering te mogen dekken met riet zoals de molen thans gedekt is. Het gemeentebestuur staat zijn verzoek toe.

Oliemolens
Deze jaren is de oliemolen, genaamd ‘de Hoop’, van de heer G.H. Kakebeeke in bedrijf. Op de molen werken in de winter vier en in de zomer drie werklieden.
De molen brandt in 1856 af.
De heren Saaymans Vader en compagnon vragen in januari 1856 vergunning voor het aanbrengen van een stookplaats in de koepel die op het terrein van de afgebrande oliemolen achter de Bleekveldse barrière staat. Tevens vragen ze toestemming om de gebinten door middel van een ijzeren plaat zodanig door een van de wanden van de koepel te brengen dat daardoor alle gevaar van brand weggenomen wordt. Het gemeentebestuur staat hem het maken van een stookplaats in de koepel toe in die zin dat de gebinten of houten wanden met een ijzeren plaat worden voorzien om alle brandgevaar te voorkomen.
In oktober 1858 krijgen de heren Saaymans Vader en compagnon vergunning om in de woonhuisjes in wijk E nummers 8 en 9 aan de afgebrande oliemolen drie nieuwe schoorstenen te bouwen.

Molenmakerij
In maart 1860 krijgt molenmaker Willem van Riet voor 99 jaar in erfpacht van de gemeente 175 vierkante ellen dijk aan de wal tussen de korenmolens ‘de Koornbloem’ en ‘de Vijf Gebroeders’ bij de oprel van laatstgenoemde molen naar de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat. Deze grond maakt deel uit van het perceel in wijk D nummer 1244. Hij zal daarop tot genoegen van het college een woonhuis met schuur tot werk- en bergplaats van hout stichten.

Slagers of vleeshouwers

Er vestigen zich deze jaren verscheidene slachterijen in de stad.
In 1857 geeft slachter Jacobus J. Sloover te kennen dat hij verlangt om de voorgevel van zijn slachthuis te vernieuwen op dezelfde wijze als deze thans bestaat met planken afgetimmerd en de deuren naar buiten opendraaiende over de stoep in de Korte Nieuwstraat in wijk B nummer 83. In december 1859 mag slager Sloover elf runderen met de stoomboot uit Rotterdam voor zijn slachtbank invoeren. De beesten zijn door de veearts Van Kalmthout gekeurd en gezond bevonden.

De Joodse vleeshouwer E. Bannet krijgt in 1857 toestemming om een mestput aan zijn stal en slachthuis in wijk B nummer 86 aan te houden. Volgens de opzichter van gemeentewerken wordt de mestput ook gebruikt voor het werpen van vuilnis door particulieren.
De eveneens Joodse slachter D. Lion mag in 1857 de achtergebouwen van zijn woonhuis aan de Lange Kerkstraat in wijk C nummer 17, uitkomende in het Kattestraatje, inrichten als slachthuis, stalling en bergplaats van hooi en stro. Ook mag hij daarbij aanleggen een overdekte mestput. In de keuken naast de schoorsteen of stookplaats mag hij een broodfornuis laten bouwen en tevens de voorgevel te veranderen. De bestaande vleesbalken worden veranderd. In 1859 deelt vleeshouwer Lion het gemeentebestuur mee dat hij in gebruik genomen heeft het slachthuis in wijk C nummer 186, gesticht door wijlen slachter Jacobus Temperman en laatstelijk gebruikt door Hendrikus Schrijver.
In 1859 krijgt Sebastiaan Dhaenniq vergunning om in de Nieuwstraat in wijk D nummer 133 in het derde huis vanaf de Stoofstraat aan de oostzijde een slachterij te stichten. Ook P.J. Janssen mag voor zijn op te richten slachterij in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 84 een fornuis en schoorsteen bouwen.
En in mei 1860 vestigt slachter Leendert Groenendijk zich in de stad. Hij krijgt vergunning om het pakhuis in de Stoofstraat in wijk D nummer 137 in te richten tot slachthuis, stalling en bergplaats van hooi en stro met de nodige mestput. Door aankoop van dit pand is hij hiervan eigenaar geworden.

In 27 oktober 1859 bericht slager David Lion het gemeentebestuur over het zogenaamde kleine weitje, waarop een slachthuis is gevestigd dat bij verscheidene slagers in gebruik is geweest. Hij schrijft: ‘Voor zoveel nodig heb ik de eer u te infomeren dat het slachthuis in wijk C nummer 186 op het kleine weitje, vroeger behoord hebbende aan en met toestemming van u destijds ingericht tot slachthuis door wijlen Jacobus Temperman, nu laatstelijk door Hendrikus Schrijver tot dat doel gebezigd, thans door mij gebruikt wordt. Hij verzoekt als daar bedenkingen tegen zijn te worden geïnformeerd. D. Lion.’

Smeden

IJzersmeden
De smid Pieter Richard krijgt in februari 1855 vergunning om de weggebroken smidshaard in zijn smederij aan het Ossenhoofdstraatje/de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat in wijk D nummer 98 weer op te bouwen. De schoorsteen met boezem zijn nog aanwezig. Hij moet een smidsbed aanbrengen onder de bestaande boezem.
De ijzersmid Jan Wabeke krijgt in augustus 1857 toestemming om in zijn huis in wijk C nummer 202 aan de Ganzepoortstraat de smidshaard te veranderen. Ook de smid Adriaan Nonnekes mag in februari 1857 in zijn smederij aan het Waterstraatje in wijk A nummer 30 de smidsschoorsteen en bemanteling afbreken en weer in dezelfde vorm opbouwen.
In maart 1860 krijgt de smid en slotenmaker Pieter Paulus de Blok vergunning om in zijn smidse in de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 172 een gewone bakoven te stellen. Hij voegt bij zijn verzoek een situatietekening.
Ook de ijzersmid Jacobus Robijn mag in oktober 1860 in het huis aan de Korte Nieuwstraat in wijk B nummer 90 een smederij stichten. De smidshaard moet geheel van ijzer, steen en metselspecie samengesteld worden. Uit de bijgevoegde situatietekening blijkt dat de smidse zich tegenaan de wal bevindt.

Koper- en blikslagers
De meester loodgieter, pompenmaker en leidekker Cornelis Frederik van Ettinger mag in mei 1860 achter zijn woonhuis in de Lange Vorststraat in wijk D nummer 133 een koper- en bliksmederij stichten. Hij overlegt een uittreksel uit de kadastrale legger wat betreft dit perceel alsook een uittreksel van het kadastrale plan van dat en de aangrenzende percelen. Bij zijn verzoek zit een fraaie tekening van de smederij en een situatietekening van de ligging aan de Lange Vorststraat.

Goud- en zilversmeden
Uit de briefwisseling tussen de controleur van het middel van waarborg van gouden en zilveren werken te Middelburg en het gemeentebestuur blijkt dat deze jaren de volgende goud- en zilversmeden of handelaars in goud en zilver in de gemeente gevestigd zijn:
P.F. de Jonge (1855), J.P. van der Does (1855), G.M. Smolders (1855), de weduwe M. Vreeke-Goossen (1855), J. Mesure (1856), P.J. Simons (1856), G. van de Velde (1856), B.D. Cohen (1857) en J.G. Roelofse (1857). In 1856 beëindigen de handelaars in gouden en zilveren werken J. Mesure en G.M. Smolders hun bedrijvigheid.

In augustus 1856 deelt de kashouder in goud en zilver Gerard van de Velde mee dat zijn echtgenote bij successie van haar moeder eigenaresse is geworden van het woonhuis achter de voormalige klapbank ten oosten van de nu afgebroken Sint Maartenspoort of donkere poort. Hij had geen kennis gegeven van de bezwarende lasten die aan dat pand verbonden zijn. Hij verzoekt het gemeentebestuur de belangen van hem en de zijnen in billijke overweging te nemen en het daarheen te leiden dat gebruik gemaakt wordt van het recht van naasting, opdat hij daardoor enigszins gecompenseerd wordt voor het schromelijk verlies dat hij anders staat te lijden.

P.J. Simons krijgt in december 1856 vergunning om in het voorvertrek van zijn huis aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 113 een zilversmidhaard, geheel van ijzer, te laten bouwen. De bestaande zilversmidhaard in het achtervertrek wordt afgebroken en vervangen door een gewone kleine schoorsteen.

Horlogemakers
Er vestigen zich deze jaren drie horlogemakers in de stad. In april 1856 is dit J.A. Stokmans, in 1857 A.J. Heirman en in november 1859 J.W. van Heuven.

Vergulders
J.G. Roelofse krijgt in februari 1857 vergunning om in het huis aan de Korte Kerkstraat in wijk A nummer 121 een stookplaats te bouwen voor het uitoefenen van het verguldersbedrijf. Op de achterbovenkamer laat hij een stookplaats bouwen zonder enige houtverbinding of betimmering. Hij beëindigt in februari 1858 zijn goud- en zilversmederij.

Steenbakkerij

In juli 1859 verzoekt de Goese timmermansbaas Johannes Marinus van der Made de gemeenteraad om beschikbaarstelling van een perceel gemeentegrond aan de oostzijde van de haven in wijk B nummer 241 ter grootte van 70 roeden en 40 ellen. Hij betoogt dat deze grond uitnemend geschikt is voor het vervaardigen van draineerbuizen en steen. Hij wil deze grond ontgraven en gebruiken voor het bakken op die plaats van dergelijke buizen en steen in een daar op te richten fabriek. Na uitvoerig onderzoek en overleg met Van der Made zijn burgemeester en wethouders tot de overtuiging gekomen dat dit perceel zonder gevaar voor dat doel in pacht kan worden afgestaan. Omwonenden hebben hier geen bedenkingen tegen.
Met algemene stemmen besluit de gemeenteraad aan Van der Made voor veertien jaar onderhands te verpachten 70 roeden en 40 ellen gemeentegrond, liggende aan de oostzijde van de haven in wijk B nummer 241, tegen een pachtsom van 100 gulden per jaar om op deze grond een fabriek te stichten voor het vervaardigen en bakken van draineerbuizen en steen. De benodigde grond mag worden uitgegraven op de volgende voorwaarden:

  • de ontgraving moet worden aangevangen van de stadszijde en vervolgens voortgaande in de richting van Wilhelminadorp;
  • bij de ontgraving vanaf de kant van de haven moet een strook grond met een kruin van minstens 75 duim worden gelaten om aan de drukking van water in de haven weerstand te bieden;
  • zodra er een oppervlakte van vijf strekkende ellen is uitgegraven, moet deze onverwijld worden aangevuld tot de huidige hoogte met grond van de dijk die loopt langs het verpachte perceel; deze mag daarvoor tot een nader te bepalen peil worden uitgegraven, echter zodanig dat de communicatie langs deze dijk niet zal worden belemmerd.

In oktober 1859 is het zover dat J.M. van der Made zijn steenbakkerij van draineerbuizen en steen in de stad vestigt op het perceel in wijk B nummer 241. In het bedrijf werken acht werklieden.

Tabaknering en sigarenfabriekjes

Er zijn deze jaren verscheidene tabakfabriekjes in de stad.
De tabakkerver, sigarenfabrikant en winkelier Gerardus Marinus Le Cointre krijgt in oktober 1858 vergunning om in het achtergebouw van zijn pand aan de Kaai in wijk D nummer 22 een tabakeest te bouwen. Dit zal geheel van steen zijn, ter breedte van 1 el en ter lengte van 1.15 el, van binnen voorzien van een rooster en van boven gedekt met een ijzeren plaat en het stookgat afgesloten met een ijzeren deur. Bij het verzoek is een ingekleurde situatietekening gevoegd. Het gaat om het meest links gelegen pand aan de Turfkaai, naast het pand ‘de Patiëntie’ in de Keizerstraat. Volgens het gemeenteverslag over 1858 werkt hij met acht jongens.

Timmerlieden en metselaars

De timmerman en metselaar Johannes Dekker verzoekt in november 1855 het gemeentebestuur om meerdere grond in erfpacht voor zijn bedrijf. Het gaat om een perceel ter gootte van 630 ellen, gelegen aan de oostzijde van de haven in wijk D nummer 1124. Het huidige terrein is te klein voor zijn aannemersbedrijf. Bij hun verzoek overleggen ze een duidelijke situatietekening.
Maar de houtzaagmolenaars, de gebroeders Harinck, maken daar bezwaar tegen in het belang van hun houthandel. Ze vrezen namelijk dat door die uitgifte in erfpacht de plaats voor het leggen en laden van bomen aan de zogenaamde Boomkaai te bekrompen wordt om de houthandelaars op een behoorlijke wijze plaats te kunnen aanwijzen voor hun bomen.
Uiteindelijk gaat de gemeenteraad akkoord met het verzoek van Dekker, zij het dat enigszins tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van de gebroeders Harinck.

In augustus 1858 krijgt de timmermansbaas Johannes Dekker in volle eigendom 20 roeden en 30 ellen gemeentegrond. Deze grond ligt aan de wal bij het zogenoemde ‘stort’ buiten de voormalige Oostpoort. Maar in januari 1859 doet Dekker een nader verzoek om in plaats van de hem toegestane 20 roeden en 30 ellen gemeentegrond, als gevolg van de bouw van de nieuwe gevangenis in eigendom te verkrijgen 17 roeden en 96 ellen moeras in sectie D nummer 1234 en 47 roeden en 92 ellen moeras in sectie D nummer 13, gelegen buiten de afgebroken Oostpoort te verkrijgen voor de vroeger bepaalde som van 300 gulden.
De gemeenteraad overweegt ‘dat de oppervlakte grond bij dit laatste verzoek 90 ellen minder bedraagt dan reeds toegezegd was en de grotere oppervlakte moeras of water in de brakke vest voor de gemeente geen waarde heeft en het aanleggen daarvan een aanzienlijke verfraaiing zal te weeg brengen die door Dekker niet dan met opoffering van grote kosten te verkrijgen is’. Met eenparigheid besluit de raad hiermee in te stemmen. Wel wordt als voorwaarde gesteld dat tussen de ringmuur van de nieuw te bouwen gevangenis en de door Dekker in gebruik te nemen grond een breedte van drie ellen zal worden gereserveerd en door hem aangelegd tot uitweg. Deze dient in verband te worden gebracht met de uitweg voor de erven achter de zogenaamde stadsschuur gelegen aan de noordzijde van de ringmuur.

Opnieuw vraag timmermansbaas Johannes Dekker in juli 1860 een strook grond in erfpacht aan de Oosthavendijk. Het gemeentebestuur oordeelt dat deze grond geen waarde heeft voor de gemeente en het wenselijk is dat deze met de eigendom van Dekker wordt verenigd. Deze strook dient nu alleen tot verzamelplaats van vuilnis.
De gemeenteraad besluit Dekker in eigendom af te staan 160 vierkante ellen gemeentegrond aan de Oosthavendijk tegenaan zijn eigendom in sectie D nummer 1233 voor ƒ 25.

Ververij van zijden en katoenen stoffen

Deze jaren heeft de zijdeverver, Lambert Joseph Siepman, een ververij van zijden en katoenen stoffen in de Voorstad. De meester vindt daar alleen werk; hij heeft geen knechts.
Volgens het gemeenteverslag over 1855 is de ververij van weinig belang.
In maart 1860 krijgt L.J. Siepman vergunning om ingaande 1 mei z’n zijdeververij over te brengen van de Voorstad naar het pand aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 149. Zijn voornemen is dat huis met toestemming van de eigenaar voor de ververij van stoffen in te richten. Bij zijn verzoek voegt hij een situatietekening. Het gemeentebestuur verleent hem vergunning.

Vlasserij

In de stad is ook werkzaam de vlasserij van de heer J. Kakebeeke. Gedurende het voorjaar en de zomer wordt daarin werk verschaft aan 5 à 10 personen.

Wagenmakers

De wagenmaker Adamus Meijler verzoekt het gemeentebestuur in februari 1854 een perceel grond in erfpacht beschikbaar te stellen op het plein buiten de Ganzepoort in wijk C nummer 484 ter grootte van 126 vierkante ellen. Zijn oogmerk is om daarop een gebouwtje te zetten voor het uitoefenen van zijn wagenmakerbedrijf. Bij zijn verzoek is een situatietekening gevoegd.
Wagenmaker Meijler schrijft in zijn verzoekschrift dat door het overlijden van zijn vader in het afgelopen jaar diens wagenmakerij is overgegaan op zijn jongste broer. Omdat hij gewoon was zijn ambacht van wagenmaker in die wagenmakerij uit te oefenen is hij daarvan nu verstoken. Vandaar dat hij een geschikte gelegenheid wenst om ‘het brood voor zich en zijn gezin te winnen’. Het aankopen van een geschikt lokaal is op dit ogenblik voor hem een onmogelijkheid. Daarom verzoekt hij hem in erfpacht af te staan een gedeelte grond in wijk C nummer 484 om daarop een gebouwtje te zetten voor de uitoefening van zijn bedrijf.

Bartel Meijers geeft in maart 1855 te kennen door aankoop eigenaar te zijn geworden van een schuur op het zogenaamde Plein tegenover de Ganzepoort. Hij is voornemens zich binnen enige dagen metterwoon in de Voorstad te vestigen. Hij zou die schuur willen inrichten om paarden te kunnen stallen. Om daartoe te kunnen geraken heeft hij nodig om op het Plein voor die schuur enige wagens te mogen plaatsen. Dit heeft alleen op dinsdag plaats. Hij verzoekt vergunning om bij de schuur op het stadsplein wagens te mogen plaatsen.

Wagenmaker Meijler schrijft het gemeentebestuur in juli 1857 dat de functie van keurder van de postwagens en diligences door het overlijden van zijn oom Jacobus Bal vacant is geworden. Hij meent als wagenmaker geschikt te zijn om daarover een goed toezicht te kunnen uitoefenen en met goed gevolg deze betrekking te kunnen waarnemen. Hij verzoekt dan ook in die functie te worden benoemd.

In september 1860 schrijft wagenmaker Leendert Meijler het gemeentebestuur dat hij uit de Goessche courant vernomen heeft dat de heer Van der Made op erfpacht een gedeelte grond, gelegen ten zuiden naast de smidse van de weduwe Robijn nabij de ‘s-Heer Hendrikskinderen barrière, gevraagd heeft. En indien hij het wel begrijpt is daar onder geheel of gedeeltelijk begrepen de grond die door zijn voorganger, en nu door hem, vele jaren ongestoord in gebruik is geweest als bergplaats van bomen alsook voor het zagen daarvan voor zijn daar tegenover liggende wagenmakerij. Hij wenst dit perceel, gelegen in het noordeinde ten zuiden van de smidse van de weduwe Robijn bij het telegraafkantoor, in erfpacht te verkrijgen voor het leggen en zagen van bomen. Deze grond is aan zijn voorgangers bij de aanleg van de plantage aldaar door het toenmalige gemeentebestuur voor dat gebruik beschikbaar gesteld. Bij zijn verzoek is een kadastrale tekening gevoegd waarop in geel de betreffende grond is aangegeven. Bij gemis van die grond zal hij zijn wagenmakerij niet kunnen voortzetten en zou hij in zijn bestaan geruïneerd worden.
De gemeenteraad wijst echter het verzoek van de hand. Wel mag Meijler tot wederopzeggen het gebruik van deze grond behouden voor het beoogde doel tegen betaling van een gulden per jaar.

Wijnnering

Wijnhandelaren in de gemeente zijn deze jaren de heer M.J. de Jongh, de weduwe M.W. Steendijk-Nortier en de heer S. de Jonge Mulock Houwer.
In juli 1855 verstuurt het gemeentebestuur aan het departement van koloniën certificaten van oorsprong voor ieder een aantal kisten wijn, bestemd voor verzending naar Nederlands Oost Indië. Van wijnhandelaar Marinus Johannes de Jongh zijn 13 kisten gemerkt VDP # 31 à 43, inhoudende 475 Nederlandsche Kannen Roode wijn in 650 flesschen en van wijnhandelaarster Maria Wijnanda Nortier weduwe van Abraham Steendijk zijn 13 kisten gemerkt VDP # 44 à 56, inhoudende 475 Nederlandsche Kannen Roode wijn in 650 flesschen.

In augustus 1855 richten de wijnhandelaren, de weduwe A. Steendijk-Nortier, S. de Jonge Mulock Houwer en M.J. de Jongh, zich tot de gemeenteraad. Indertijd hebben ze berust in het raadsbesluit waarbij hun verzoek om vermindering van het bedrag van de plaatselijke belasting op de wijn, als zeer bezwarend voor hun handel, van de hand is gewezen. Sedert maart hebben ze al te zeer de gevreesde nadelen ondervonden die verhoogde belasting voor hen tot gevolg heeft gehad.
Uit het verhandelde in de raadsvergadering van 31 juli hebben ze opgemerkt dat door de vaste commissie van financiën is overgelegd een rapport en voorstel tot afschaffing met ingang van 1 januari 1856 van de accijns op de tarwe en de vervanging door verhoging en uitbreiding van de hoofdelijke omslag. Ze wensen niet te herhalen hetgeen eenmaal door hen is aangevoerd, maar nemen de vrijheid thans de gemeenteraad nogmaals te wijzen op een belasting ‘waarvan het bedrag buiten Goes en Nederland geen wederga heeft’.

Deze belasting wordt bijna uitsluitend gedragen door de meer gegoede stand, die nu al aanzienlijk in de hoofdelijke omslag bijdraagt. Als het voorstel van de commissie van financiën wordt aangenomen, zal de wijnhandel ondanks de voorgenomen wijzigingen in de grondslagen altijd, in verhouding tot de consumptie van het brood, onevenredig worden aangeslagen. De wijnhandelaren betogen: ‘Een gevolg hiervan zal zijn dat de afschaffing ook van de plaatselijke belasting op de wijn en de verhoging van de hoofdelijke omslag met het bedrag van haar opbrengst door die stand een billijk en rechtvaardig equivalent zou daarstellen. Een zodanige afschaffing zou ook voor hen van het hoogste belang zijn, daar toch de exorbitante hoogte van die plaatselijke belasting de tak van handel die zij drijven en waarin zij hun enige middel van bestaan moeten vinden, bovenmatig drukt en hun debiet van lieverlede doet verminderen. Het is daardoor te voorzien dat bij de steeds klimmende prijzen van de wijnen, de handel in dat artikel binnen de gemeente geheel en al zal te gronde gaan'.
De afschaffing van de plaatselijke belasting op de wijn is daarom uit het oogpunt van billijkheid jegens de hoogst aangeslagenen in de hoofdelijke omslag wenselijk en voor de instandhouding van de wijnhandel in de gemeente noodzakelijk. Dit is de reden waarom ze zich verplicht voelen om zich andermaal tot de gemeenteraad te wenden met het verzoek, gelijkelijk met de accijns op de tarwe, met ingang van 1 januari 1856 de gemeentelijke belasting op de wijn af te schaffen en deze te vervangen door een verhoging van de hoofdelijke omslag met het bedrag van de opbrengst van de genoemde belasting op de wijn.

In juli 1856 richten de drie wijnhandelaren zich opnieuw tot de gemeenteraad met het verzoek de belasting op de wijn af te schaffen of belangrijk te verminderen. Ze verzoeken afschaffing ‘als zijnde onbillijk jegens de hoogst aangeslagene in de hoofdelijke omslag en hoogst nadelig voor hun handel, dewelke daardoor met algehele vernietiging bedreigd wordt’. Diverse malen hebben ze hun bezwaren al geuit, maar deze zijn steeds afgewezen, laatstelijk bij besluit van 25 oktober 1855. Ze moeten ‘al meer en meer ondervinden dat zich maar al te zeer de nadelen verwezenlijken, die te verwachten waren van een zo exorbitant hoog opgevoerde belasting. En dat in een tijd waarin het artikel tengevolge van de opvolgende misgewassen en wanoogsten mede een zo aanmerkelijke hoogte heeft bereikt, zodat hun debiet binnen de stad van lieverlede al zodanig is verminderd dat ze zich daarmee ten hoogste bezwaard gevoelen’. Bovendien is het stellig te verwachten dat de wijnhandel, hun enig middel van bestaan, als gevolg van het bezwarende belastingstelsel geheel en al zal te gronde gaan.

De gemeenteraad stelt voor het aangevoerde probleem van de wijnhandelaren een commissie van advies in. De commissie buigt zich over een overzicht van de omzet van de wijnhandelaren. Daaruit blijkt de volgende omzet:

  • de weduwe Steendijk 103,69 kannen: 15,83 kannen in de stad en 69,96 kannen van buiten, totaal 85,59 kannen;
  • M. de Jongh 45,34 kannen: 20,80 kannen in de stad en 13,60 kannen van buiten, totaal 34,40 kannen;
  • S. Mulock Houwer 87,08 kannen: 27,32 kannen in de stad en 21,47 kannen van buiten, totaal 48,79 kannen.

De weduwe Steendijk-Nortier blijkt de meeste wijn te verhandelen, ook naar Nederlands Indië. Dit blijkt o.a. uit een archiefstuk van oktober 1860 met de volgende inhoud: ‘Naar aanleiding der daaromtrent bestaande voorschriften hebben wij de eer hierbij in te zenden een certificaat van oorsprong met duplicaat op ongezegeld papier, voor drie kisten, tezamen inhoudende 270 flessen met 113 kan wijn, afgetapt en bewerkt in het entrepot van mejuffrouw W.M. Nortier weduwe Steendijk, bestemd ter verzending naar de Oost Indiën met het Nederlandsch schip ‘de Twee Anthonijs’, gezagvoerder de Meij van Alkemade’.

Zoutnering

Nog steeds is er in de stad één zoutkeet, genaamd ‘de Hoop’, in bedrijf. Deze is in exploitatie bij de heer Otto Verhagen. Echter uit de gemeentelijke jaarverslagen over de jaren 1855 tot en met 1860 blijkt dat de zoutkeet buiten werking is geweest.

Verhagen geeft het gemeentebestuur in augustus 1857 te kennen dat hij informatie heeft dat bij de gemeenteraad van meer dan één zijde verzoeken zijn ingekomen om de grond, gelegen aan de havenzijde voor zijn aldaar staande zoutziederij ‘de Hoop’, in erfpacht te verkrijgen. Hij zou zich zeer bezwaard voelen indien door de gemeenteraad die grond aan anderen zou worden afgestaan. Daardoor zou hij zich zeer belemmerd zien in al datgene wat voor deze zijn fabriek wenselijk te achten is of later kan worden, namelijk om een zo ruim mogelijke communicatie met de waterzijde te behouden. Dit voor de gelijktijdige lossing en bevrachting van schepen als voor de mogelijke behoefte om wellicht meerdere waterbuizen te leggen in communicatie met de fabriek en de haven.
Hij verzoekt de grond, voor zover deze gelegen is voor zijn zoutziederij ‘de Hoop’, op erfpacht te mogen ontvangen op gelijke wijze en voorwaarden als dit reeds aan anderen op die plaats is toegestaan. Hij ‘durft zich te vleien dat hem de preferentie deswegens niet zal worden ontzegd’. Bij zijn verzoek is een schets gevoegd van de percelen van zijn zoutkeet en van de percelen van Harinck en Van der Made.

De gemeenteraad neemt op 20 augustus 1857 kennelijk een voor hem ongunstig besluit. Want in september verzoekt fabrikant Verhagen de raad terug te komen op zijn beslissing en nader te besluiten om de gemeentegrond, liggend tegenover zijn zoutkeet ‘de Hoop’ tussen de voormalige twee waterpoorten, hem in erfpacht te geven op de gebruikelijke voorwaarden ofwel deze grond open te laten, zodat de eigenaar van de zoutziederij daarvan steeds het onbelemmerde gebruik kan blijven houden. Dit voor zover dit in verband staat met de aard en de bestemming van de fabriek. De gemeenteraad kan zich hiermee verenigen.

Overige neringen en hanteringen

Handel in draineerbuizen
In juli 1859 deelt de timmerman Johannes Marinus van der Made het gemeentebestuur mee dat hem na gedaan onderzoek is gebleken dat een gedeelte grond, in eigendom van de gemeente en gelegen aan de oostzijde van de haven, uitnemend geschikt is voor het vervaardigen van draineerbuizen en steen. Het is zijn wens om daar ter plaatse een fabriek van draineerbuizen en steen te stichten. Hij wil dan ook die grond, ter grootte van 70 roeden en 40 ellen, kopen op cijns of in erfpacht verkrijgen. Hij overlegt een schets waarop staan ingetekend o.a. de oosterschans, een gedeelte van de oude haven, meestoof ‘de Zon’ en het roosjeshof.

Meubelmakers
De meubelmaker E.F. van Kalmthout verzoekt in maart 1857 om op de achterkeuken van zijn huis aan de Oprel van de Grote Markt in wijk B nummer 3, uitkomende in het Zevenhoekstraatje, een verdieping te mogen bouwen. Daar wil hij op de zolder een werkschoorsteen laten bouwen van metselsteen, dienende voor een meubelmaker.

Oliekokerij
In juli 1856 verkeert het gebouwtje bezijden de Oostpoort, dat bestemd is voor het koken van olie voor schilders en handelaren in verfwaren, in een bouwvallige toestand. Bovendien zal het bij het slopen van de Oostpoort moeten worden weggeruimd. De gemeenteraad besluit, op voorstel van burgemeester Blaaubeen, voor de oliekokerij het thans buiten gebruik zijnde brandspuithuisje in de Voorstad te gaan gebruiken. Dit is het enige gebouwtje dat daarvoor in aanmerking kan komen.
Maar de gemeenteraad besluit in januari 1857 tot het inrichten van een gebouwtje, bestemd voor het koken van schildersolie, in de nabijheid van de Schotteput buiten de Koepoort. Het gebouwtje is 2 ellen lang en 1.50 ellen breed.

Schrijnwerkers
Deze jaren is aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 131 de schrijnwerker N. Blonkert gevestigd. In december 1856 geeft hij het gemeentebestuur te kennen dat hij verlangt op zijn bovenkamer een nieuwe schrijnwerkerschoorsteen te bouwen of een stookplaats aan weerszijden van de opgaande gemetselde wangen in zijn pand.

Weverij
Naast de calicotweverij is er nòg minstens een weverij in de gemeente. Dit kan worden afgeleid uit de mededeling in 1854 van F. Behage aan het gemeentebestuur dat hij voornemens is om in zijn woonhuis in wijk C nummer 263 ‘in den Waaihoek naast de weverij’ een nieuwe schoorsteen te laten bouwen.

Alcoholfabriek

Het gemeentebestuur ontvangt in oktober 1855 van Gedeputeerde Staten voor advies en raad een door de heer Abraham Johan Petrus Saaymans Vader ingediend verzoek om vergunning voor het oprichten van een fabriek voor de fabricage van alcohol uit beetwortels. De fabriek zou moeten komen aan de oostzijde van de haven in wijk D nummer 1125. De omwonenden krijgen gelegenheid om hun mening hierover te geven. Dit leidt niet tot overwegende bezwaren. Burgemeester en wethouders oordelen daarop dat er vanuit het oogpunt van een goede politie geen bedenkingen bestaan tegen het stichten van deze fabriek op de aangegeven plaats.
In december 1855 sturen Gedeputeerde Staten hun beschikking voor de oprichting van een destilleerderij van alcohol uit beetwortelen door de heer A.J.P. Saaymans Vader. Met de aanbouw van de fabriek wordt dan een aanvang gemaakt. De fabriek werkt met een stoommachine van 20 paardekrachten. Soms zijn er wel twintig werknemers werkzaam.
In april 1856 is het zover dat de eerste steen voor de fabriek kan worden gelegd. Het gemeentebestuur krijgt een uitnodiging voor het bijwonen van het leggen van de eerste steen voor de in aanbouw zijnde alcoholfabriek op woensdag de 9e april om half twaalf. Ze schrijven: ‘Wij hebben de eer u beleefdelijk uit te nodigen tot het bijwonen van het leggen der eerste steen der in aanbouw zijnde Alcoholfabriek op woensdag de 9e april des voormiddags ten half twaalf uur’.

In juni 1856 schrijft Saaymans Vader het gemeentebestuur het volgende: ‘Wij hebben de eer u te verzoeken ons in erfpacht te willen afstaan het gedeelte grond hebbende gediend tot lijnbaan van De Lange, benevens de glooiing van de dijk daaraan grenzende en een gedeelte van het water aan de teen dierzelver dijk. Wij zouden wensen dat terrein door aanvoering van grond aan de oostelijke kant zoveel mogelijk te vergroten en durven ons vleien het u zal behagen ons in de kosten daarvan enigszins tegemoet te komen door ons hetzelve op een mindere erfpacht te geven dan thans gewoonlijk van de gemeentegrond geheven wordt’. Bij de brief is een fraaie situatietekening gevoegd.

In de loop van 1856 komt de alcoholfabriek tot stand. Op blauw briefpapier richt de heer Saaymans Vader een aantal kort en bondig omschreven verzoeken tot het gemeentebestuur.
Zo verzoekt hij in januari vergunning voor op het hem in erfpacht afgestaan terrein een beschoeiing in de haven te mogen aanbrengen volgens een overgelegde tekening. Hiervoor krijgt hij vergunning. Evenals om, inplaats van de nu bestaande sloot tussen dit terrein en de scheepstimmerwerf, een uitwatering te maken door middel van stenen buizen. Ook staat het gemeentebestuur hem toe een stookplaats te maken in de koepel op het terrein van de afgebrande oliemolen.

Saaymans Vader vraagt ook vergunning voor de invoering van een destilleertoestel. In februari 1856 verzoekt de Commissaris van de Koning inlichtingen over zijn financiële omstandigheden en of er voldoende vertrouwen gesteld kan worden in de hem ten dienste staande middelen voor deze investering. De burgemeester antwoordt dat Saaymans hiervoor financieel volkomen in staat moet worden geacht. In oktober 1856 komt de beschikking van de Commissaris van de Koning af waarbij vergunning wordt verleend voor het bezigen van een stoommachine in de alcoholfabriek.
In maart 1856 verzoeken de heren Saaymans Vader of er bezwaren bestaan om de kelder onder het gemetselde gedeelte van de woning van hun machinist op het fabrieksterrein in te richten voor het opslaan van de fusten of flessen voor de alcohol. Het gemeentebestuur gaat hiermee akkoord.
Ook krijgen ze vergunning voor het leggen van buizen van de fabriek naar de haven voor de afvoer van water en het aanvoeren van water voor hun stoommachine. Hier is wel de voorwaarde aan verbonden dat het in de haven vloeiende water geen reuk geeft of schadelijke bestanddelen bevat en de haven op zijn huidige diepte wordt gehouden.

Voor de in aanbouw zijnde fabriek krijgen de heren Saaymans Vader toestemming om, onder bepaalde voorzorgen, gedurende enige tijd gebruik te maken van een smederij, bestaande uit een daartoe speciaal ingericht fornuis met toebehoren en blaasbalg.

In november 1856 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van de heren Saaymans Vader en compagnon om buizen te leggen tot het leiden van water uit de zoete vest naar hun alcoholfabriek volgens een overgelegde tekening. Ze schrijven: ‘Bij deze nemen wij de vrijheid uw edel achtbaren beleefdelijk te verzoeken ons te willen toestaan het leggen van pollen en andere buizen langs de kant der zoete en brakke vest, zoals op nevengaande tekening is aangewezen, moetende dienen voor waterloop tot het verkrijgen van zoet water ten dienste van onze fabriek’. Bij de stukken bevindt zich een prachtige gekleurde tekening.
De heer Saaymans Vader verzoekt in december 1856 hem in erfpacht te willen afstaan twee roeden en dertig ellen grond voor het maken van een mestput zoals op de bij het verzoek gevoegde situatietekening is aangegeven.

De heren Saaymans Vader leggen de gemeenteraad in december 1856 het probleem voor van de afvoer van afvalwater en het betrekken van zoet water. Ze willen graag een vergunning om buizen te leggen voor het trekken van water uit de zoete vest in hun alchoholfabriek volgens een overgelegde plantekening. De raad gaat hiermee akkoord.
Maar in februari 1857 komen de heren tot een andere zienswijze. Ze verzoeken toestemming om de buizen tot het maken van een waterloop uit de aan M. Olivier toebehorende en nabij de oude singel gelegen put door de zogenaamde brakke vest en met doorgraving van de grindweg aan te mogen leggen. Deze oplossing komt dan in de plaats van de bij raadsbesluit van 18 december 1856 verleende vergunning om zoet water te trekken uit de zoete vest. Er blijken geen bezwaren tegen deze andere oplossing. Het verzoek wordt dan ook ingewilligd onder voorwaarde dat de doorgesneden weg behoorlijk gelijk wordt gemaakt zoals deze was vóór de doorgraving. De palen en de verdere inrichting dienen in de vest onder water te worden aangebracht, zodat de waterspiegel geheel vrij blijft.

Een ander probleem is de opslag van de afvalstoffen. In december 1856 verzoeken de heren Saaymans Vader hen in erfpacht af te staan twee roeden en dertig ellen grond voor het maken van een mestput zoals uit een door hen overgelegde tekening blijkt. Het gaat om een perceel buiten de voormalige Bleekveldse poort. Het gemeentebestuur heeft hier geen bezwaar tegen.
Maar in september 1857 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van de heren Saaymans Vader om vergunning voor het vergraven en verplaatsen van grond gelegen voor hun schuur of koestal. Deze grond hebben ze in erfpacht verkregen van de gemeente.
De gemeentelijke opzichter stelt een onderzoek in. Daaruit blijkt dat de heren Saaymans Vader al daadwerkelijk met de voorgenomen vergraving voor het aanleggen van een mestput zijn begonnen. De heren verzoeken daarop om met de vergraving voort te mogen gaan. Hieraan wordt voldaan mits de gemeenteraad hiermee instemt.

Ook in april 1858 komt er een verzoekschrift van de heren Saaymans Vader bij het gemeentebestuur. Het behelst een verzoek om op zon- en feestdagen de werkzaamheden in de alcoholfabriek te mogen voortzetten. Het gemeentebestuur staat dit vooralsnog alleen voor de volgende zondag toe.

De alcoholfabriek komt in september dit jaar opnieuw in het nieuws. Van de rijksambtenaren is een afschrift ontvangen van het proces verbaal tegen de heren Saaymans Vader vanwege het wegruimen van gistkuipen zonder het doen van aangifte. En in oktober 1858 krijgen de heren Saaymans Vader & compagnon vergunning voor het aanbrengen van een eest in een daarvoor bestemd en afgezonderd lokaal in hun alcoholfabriek ‘Mercurius’, die zich bevindt in de bierbrouwerij ‘de Gans’ van de heer E. de Meulemeester. Ook in augustus 1859 verleent het gemeentebestuur vergunning om een gedeelte van de fabriek in te richten voor een eest, gelijk aan de reeds vroeger daar gestelde, die dient voor het drogen van cichorei wortels.

Maar volgens het gemeenteverslag over 1859 is de alcoholfabriek van Saaymans Vader & comp. ‘Mercurius’ opgehouden als zodanig te werken. Men heeft daarin nog even zogenaamde peekoffy of cichorei vervaardigd. Want in augustus 1859 krijgen de heren Saaymans Vader vergunning om in hun fabriek een eest te stichten voor het drogen van cichorei wortels. Doch ook dit heeft opgehouden. De fabriek is in andere handen overgegaan en buiten werking.
In januari 1860 brengt de burgemeester ter kennis van de burgemeester van Delft dat de heer A.J.P. Saaymans Vader verklaard heeft zijn woonplaats over te brengen naar Delft. In zijn plaats van luitenant bij de Goese compagnie schutterij komt P.A. Hochart.

Begin april 1860 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heren Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte en Izaac Dignus Fransen van de Putte. Ze geven kennis van hun aankoop van de vroegere alcoholfabriek. Ze willen deze verbouwen en inrichten tot een garancinefabriek. Een tekening van de verbouwing leggen ze over. Ze verzoeken hiervoor toestemming.
Ook Gedeputeerde Staten leggen een bij hen ingekomen verzoekschrift over van beide heren Fransen van de Putte om vergunning voor het inrichten van de in deze gemeente bestaande alcoholfabriek ‘Mercurius’ tot garancinefabriek. Ze willen deze exploiteren onder de naam van ‘Firma Fransen van de Putte en compagnon’. Het gemeentebestuur bericht het provinciaal bestuur dat er geen bezwaren van omwonenden zijn ingekomen en dat er uit het oogpunt van politie geen bezwaren zijn. De gevraagde vergunning wordt dan ook verleend onder de bepaling dat het van de fabriek afvloeiende water, wanneer dit bezwangerd mocht zijn met zwavelhoudende bestanddelen of voor de gezondheid nadelige uitwasemingen of stank veroorzaakt, nimmer zal mogen afvloeien in de haven, de vesten of waterleidingen van de gemeente dan na bijzondere toestemming van de gemeenteraad.

De heren Fransen van de Putte en compagnon, eigenaren van de voormalige alcoholfabriek, verzoeken in juni 1860 om gemeentegrond bij het terrein (sectie D 1211) van deze fabriek in erfpacht. Het gemeentebestuur willigt dit verzoek in voor 95 jaar ingaande 1 januari 1860. Het betreft een perceel van drie ellen breed tussen hun in erfpacht verkregen grond en die van de heer Johannes Dekker, liggend buiten de voormalige Bleekveldse poort. De bedoeling is dat deze grond gaat dienen voor de bouw van een loods voor de berging van mee- en garancinevaten en als toegang naar de haven. Bij de correspondentie bevindt zich een fraaie tekening van de te bouwen loods en een situatietekening.

Timmerman en metselaar Johannes Dekker geeft in augustus 1860 te kennen dat tussen zijn eigendom buiten de Bleekveldse barrière en de op erfpacht afgestane grond aan de firma Saaymans Vader (nu Fransen van de Putte) nog een perceel grond ligt, bij het kadaster bekend in sectie D nummer 1233, ter grootte van 1 roede en 95 ellen, volgens de bijgevoegde situatietekening. Dit perceel heeft voor de gemeente weinig waarde en levert niets op. Hij wenst hiervan de eigendom te verkrijgen.

Calicotweeffabriek

De geschiedenis van de weeffabriek voor calicots loopt gedurende de jaren 1854-1860 ten einde. De oprichting van de calicotweverij was destijds een gevolg van een aanschrijving van de Gouverneur van Zeeland van 4 oktober 1838, waarbij kennis werd gegeven dat door de Minister van Koloniën voor de provincie Zeeland de gelegenheid werd geopend om jaarlijks een aandeel te krijgen in de levering van katoenen stoffen voor Indië.
De heer Salomonson uit Almelo had reeds te Middelburg en Zierikzee schikkingen gemaakt om dergelijke fabrieken op te richten. Voor Goes was het aandeel bepaald op ƒ 50.000 in de levering van katoenen stoffen voor Indië.
In de jaren 1849 tot en met 1853 werden gemiddeld per jaar 11841 stukken calicot gemaakt, respectievelijk 11285 (1849), 11339 (1850), 12288 (1851), 12819 (1852) en 11475 (1853).
De verdiensten waren gemiddeld ƒ 7.369 per jaar, in totaal derhalve ƒ 36.844 over deze jaren. In de fabriek werken 79 personen, waarvan de helft mannen en de helft vrouwen, over het algemeen tussen 20 en 30 jaar.

Deze jaren gaat de calicotweverij echter teniet.
De commissie voor het armwezen vestigt in haar jaarlijks rapport aan de gemeenteraad in april 1854 de aandacht op de calicotweverij in de gemeente. Deze beantwoordt naar haar mening niet geheel aan het doel waarvoor zij tot stand is gebracht. De commissie adviseert om de Commissie van Toezicht over de fabriek aan de gemeenteraad nadere voorstellen te laten doen. Het rapport komt in de raadsvergadering van 22 juni 1854 aan de orde. Eerst wordt het aan de raadsleden toegezonden om dit te kunnen bestuderen.

Wethouder J.W. van Kerkwijk, lid van de Commissie van Toezicht op de weeffabriek, legt op 3 juni 1854 een rapport van de commissie over de wording en werking van deze inrichting over. Het rapport bevat een voorstel tot instandhouding van de fabriek, dit tot voldoening aan hetgeen in het jaarverslag van de commissie voor het armwezen over 1853 over de fabriek is opgemerkt.
Het rapport vermeldt dat de oprichting van de weeffabriek het gevolg is van een aanschrijving van de Gouverneur van 4 oktober 1838, waarbij kennis werd gegeven dat door de Minister van Koloniën voor deze provincie de gelegenheid werd geopend om jaarlijks een aandeel te krijgen in de levering van katoenen stoffen voor Indië. De heer Salomonson te Almelo had reeds te Middelburg en Zierikzee schikkingen gemaakt om dergelijke fabrieken op te richten. Voor Goes was het aandeel bepaald op ƒ 50.000 in de levering van katoenen stoffen voor Indië. In de jaren 1849 tot en met 1853 werden gemiddeld per jaar 11841 stukken gemaakt, respectievelijk 11285, 11339, 12288, 12819 en 11475. De verdiensten waren gemiddeld ƒ 7369 per jaar, in totaal over deze jaren ƒ 36844. In de fabriek werkten doorgaans circa 80 personen, waarvan de helft mannelijke en de helft vrouwelijke, over het algemeen tussen 20 en 30 jaar.

De regenten over de algemene armen delen het gemeentebestuur in januari 1855 het volgende mee:
‘In den laatsten tijd zijn ons enige voorbeelden voorgekomen van jonge lieden op de calicotweverij alhier werkzaam, die, in plaats van de verdiende arbeidslonen ten dienste van het gezin waartoe zij behoren aan te wenden, goedvinden hun bejaarde ouders of andere meer hulpeloze leden van het gezin aan hun lot over te laten, waardoor wij in de verplichting gebracht worden dezelve te ondersteunen.
Dit komt ons voor in strijd te zijn met het doel, door de oprichting der weverij beoogd. Dat doel was, van de zijde der regering, werkverschaffing tot leniging of voorkoming van armoede. Wil men aan dat beginsel de hand houden, dan zal het nodig zijn dat de Commissie over de Weverij, ons op een krachtdadige wijze de hand reikt en zo nodig, door wegzending van de jonge lieden die zich aan de ondersteuning van hun gezinnen onttrekken, een einde maakt aan dergelijke zedeloze handelingen’. Deze brief wordt in handen gesteld van de Commissie van Toezicht over de calicotfabriek met verzoek om bericht en raad.
De Commissie bericht terug dat ‘wij de vaste gewoonte hebben om toe te zien dat de jongelieden die op de weverij werkzaam zijn, blijven inwonen bij hun ouders en alzo mede zorgen voor de instandhouding van het huisgezin en wij niet dan om gewichtige, ons gegrond voorkomende redenen toestaan dat zij hun familie verlaten om het verdiende weefloon alleen tot eigen onderhoud te bezigen’.
De commissie zegt toe en geeft de verzekering dat ‘wij steeds zullen voortgaan om zoveel mogelijk te zorgen dat de weverij voldoet aan haar bestemming, in de brief van de regenten zo juist uitgedrukt, en waartoe wij hen gaarne de hand zullen reiken’.
Deze brief is ondertekend door de heren J.W. van Kerkwijk, P.A. Hochart en Ph. Vervenne.

In 1855 zijn in de weverij nog werkzaam twee meesterknechts en 80 weefgetouwen. Maar als gevolg van de stagnatie in de verzending van calicots naar Indiër, is met de helft van de maand september 1855 een meesterknecht uitgevallen en het aantal wevers tot 50 verminderd. Verder is het werkloon met 10 cent per stuk van 22½ el verminderd. Er zijn in 1855 10.176 dergelijke stukken calicot vervaardigd. In 1856 is de weverij van calicots van de heren G. en H. Salomonson en compagnon, waarin werkzaam waren een meesterknecht en 50 weefgetouwen, echter langzamerhand verminderd, zodat de fabriek in juni 1856 geheel is opgeheven.

Regelmatig verleent het gemeentebestuur certificaten van oorsprong.
Zo worden in augustus 1854 aan het Departement van Koloniën gezonden vier certificaten van oorsprong, tezamen van 2000 stukken 5/4 en 2000 stukken 6/4 calicots, volgens een verklaring onder ede in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders gedaan door de heer H.C. Pilaar, vervaardigd in de weeffabriek van de heren G. en H. Salomonson. En in augustus 1855 worden aan het Departement van Koloniën opgezonden drie certificaten van oorsprong van vervaardigde calicots in de weeffabriek, bestemd voor verzending naar Oost Indië.

In juli 1855 neemt het gemeentebestuur kennis van het provinciaal blad waarin herinnerd wordt aan zekere voorschriften betreffende certificaten van oorsprong tot uitvoer naar Nederlands Indië bestemd. Bij voorkomende gelegenheden zal hier op worden gelet.

Signalen over de teloorgang van de calicotweverij bereiken het gemeentebestuur half augustus 1855. De burgemeester geeft kennis van de ontvangst van een aan hem persoonlijk geadresseerde brief van de heer M. Salomonson, gedagtekend ‘Haarlem de 8 augustus 1855’. Daarin worden bezwaren geopperd tegen de instandhouding van de weverijen door de heren G. en H. Salomonson, in deze provincie daargesteld. Verzocht wordt om aan het bestuur van deze gemeente voor te stellen ten spoedigste een adres aan de Commissaris van de Koning te zenden volgens een erbij gevoegd model.
De brief van de heer M. Salomonson heeft de volgende inhoud:
‘Door een verblijf van 17 jaren in de provincie Zeeland heb ik betrekkingen gekregen en gevoel ik sympathieën welke mij, meer dan andere bezwaren in het geval dat de weverijen in de provincie moesten komen te vervallen. En evenwel weet ik, dat toch alle persoonlijke vlijt, moeite en werkdadigheid, welke ik aan de oprichting gaarne ten offer bracht, die ondergang voor de deur staat.
Om echter bloot aanschouwer te zijn dezer ondergang, zonder moeite aan te wenden haar te voorkomen, zulks kan ik niet van mij verkrijgen en bij de verzekering welke ik geef haar met alle mijne kracht te zullen bestrijden, reken ik mede, dat van de kant der gemeentebesturen ook daartoe al het mogelijke zal worden aangewend. En ik geloof dat de eerste bemoeiing door uw gemeentebestuur zijn kan, zich te wenden tot de Commissaris des Konings en het zoude mij aangenaam zijn, wanneer daartoe ingesloten project in zijn geheel zoude worden gevolgd en dat wel zonder enige wijziging of verandering (behoudens hetgeen in de plaats der achteruitgang van de visscherij treden moet).
Het is aan Uw edelachtbaren in het bijzonder dat ik heden mede in het bijzonder schrijf en ik hoop dat uw edelachtbare als burgemeester aan uwe medebestuursleden zult voorstellen ten spoedigste een adres aan de Commissaris des Konings te zenden en daarvan aan mijne firma afschrift over te maken’.

Burgemeester en wethouders overwegen ten aanzien van deze brief ‘dat tot op heden generlei kennisgeving van de heren G. en H. Salomonson is ontvangen ten aanzien van het geopperde bezwaar en in ieder geval het ontvangen conceptadres onwaarheid bevat en hoogst overdreven is’.
Besloten wordt een zodanig adres niet op te zenden, maar de heer M. Salomonson te schrijven dat deze vergadering vóór alles, op een legale wijze wenst bekend gemaakt te worden met de oorzaken van het bestaande bezwaar. Toegezegd wordt dat het college bereidwillig is om middelen te helpen beramen en aan de gemeenteraad voor te stellen om de stilstand van de weeffabriek te voorkomen.

Daarop schrijft burgemeester Blaaubeen een brief aan de Commissaris van de Koning met de volgende indrukwekkende inhoud:
‘Wij hebben de eer Uw hoog edelgestrenge mede te delen dat in de weverij binnen deze gemeente een aantal werklieden is ontslagen, en dat men er mede voortgaat en schijnt te zullen blijven voortgaan totdat alle werkzaamheden hebben opgehouden. Het is een treurige plicht welke wij te vervullen hebben door Uw H.G. deze inderdaad jammervolle mededeling te moeten doen, Want wij overdrijven het geenszins wanneer wij plechtig verklaren niet te begrijpen wat in het aanstaande barre winterseizoen van onze arme ingezetenen moet worden, en huiverende beantwoorden wij ons die twijfels als bijna zeker, dat het lot van velen zal zijn den hongerdood te sterven.
Een verschrikkelijke uitspraak, inderdaad om het toekomstig lot van een aantal onzer natuurgenoten, doch welke wij niet aan Uw H.G. verbergen mogen.
Bij de benarde toestand waarin onze gemeentemiddelen zich bevinden en bij de algemene bekendheid hoe de visscherijen sedert lange tijd reeds in een kwijnende toestand verkeren, kunnen wij ons noch van het eene noch van het andere enige hulp of enige tegemoetkoming voorstellen om in het groote verlies der weverij zelf de geringste verlichting te kunnen bieden.
Wij achten het overbodig Uw H.G. uiteengezette beschouwing mede te delen over de al meer en meer aangroeiende bevolking onzer gemeente en als gevolg daarvan de vermeerdering welke er met dat plaats heeft van armlastige personen, want bij aangroeiing van bevolking zouden er zich nieuwe bronnen van volksbestaan moeten opdoen, en helaas! Zoals wij het zo even van de achteruitgang der visscherijen zeiden, laten zich in tegenstelling ook slechts achteruitgang met bedreiging van gehele ondergang der burgerklasse tegemoet zien.
Zal het nodig zijn Uw H.G. te betogen dat een verlies, hetgeen de weverij jaarlijks in een gemeente aan lonen uitbetaalde, de laatste slag aanbrengt om onze gehele bevolking als het ware met rasse doch zekere schreden op een lijn te brengen; de burgerstand zal zich oplossen in armen, de armen zullen worden bedeelden en uit welke middelen en van welke openbare liefdadigheid die bedeelden dan de mond zullen moeten openhouden weten wij ons niet te verklaren.
Onze toestand is dan ook zonder overdrijving onhoudbaar te noemen en wij aarzelen niet Uw H.G. dien toestand zoals zij werkelijk is, bloot te leggen, met het oogmerk van hulp en bijstand te erlangen.
Gretig toch wierd door ons in den jare 1833 hier door uw edel gestrenge geachte voorganger gedane voorstel aangegrepen tot vestiging van een weverij binnen onze gemeente en wij vermenen dat er toen zekerheid bestond om die vestiging als van blijvende aard te mogen beschouwen. Immers konden wij niet anders veronderstellen, daar de fabrikanten de heren G. en H. Salomonson in een tegenovergestelde verwachting niet zouden besloten hebben, met opoffering van grote sommen hun nijverheid in deze provincie te komen vestigen en naar wij vermenen reeds lang zonder ondersteuning werkten en vele verliezen leden; doch het was ook de opgevatte zekerheid welke men vermeende van de hoge regering verkregen te hebben en daardoor te meer is de weverij binnen onze gemeente tot stand gekomen en vele gebouwen daartoe uit gemeentefondsen met grote kosten ingericht.
Hadden wij het vermoedelijk uiteinde kunnen voorzien, voorzeker het ware beter geweest dat wij haar nimmer hadden gevestigd, edoch wij willen op gedane zaken niet terugwijzen en veeleer bij Uw H.G. er op aandringen onze toestand in overweging te willen nemen, bij onze innige overtuiging dat Uw H.G. de gemeentebelangen ter harte neemt, durven wij ook nog vleien een betere toekomst tegemoet te gaan Uw H.G. bekende invloed bij de heren G. en H. Salomonson daartoe te willen aanwenden’.

Op 17 augustus 1855 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Nederlandsche Handel Maatschappij, getekend door de heren De Monchy en De Clercq met de volgende inhoud:
‘Het doet ons leed het dringend beroep, door u in een brief van 15 augustus op onze medewerking gedaan, van de hand te moeten wijzen.
Het kan u echter niet vreemd klinken dat de opeenstapeling van lijnwaden in Indië, welke u huiverig maakt de reeds zo belangrijke voorraad, die aldaar voor u in consignatie ligt, nog te vermeerderen, ook ons op dit ogenblik van nieuwe uitzendingen terug houdt.
Doch al ware dit het geval niet, en wij geloven u hierop ook tot voorkoming van latere teleurstellingen met nadruk te moeten wijzen, zo zouden wij nimmer in een voorstel kunnen treden, waarbij uw belangen ten koste uwer concurrenten zouden gebaat worden.
Het zal ons tot een wezenlijk genoegen strekken wanneer de omstandigheden weder zullen veroorloven enige inkopen van ruwe en gebleekte lijnwaden op meer uitgebreide schaal dan in de laatste tijd, voort te zetten, doch het is ons vaste voornemen in zodanig geval onze gehele behoefte bij openbare inschrijving aan te besteden.
Zulks wordt geboden door ons belang, daar wij op die wijze alleen de zekerheid kunnen bekomen tot de laagste prijs mogelijk in onze inkopen te slagen. Zulks wordt vooral geboden door de rechtvaardigheid die vordert dat alle fabrikanten gelijkelijk in de gelegenheid worden geplaatst om in onze bestellingen te delen.
Wij zouden het voorzeker betreuren zo een of meerdere uwer belangrijke etablissementen moesten worden opgebroken, doch zo inderdaad de toestand der Indische markt een vermindering der fabricage in Nederland eist, ligt het buiten ons vermogen de door u gevreesde slag af te wenden
De door u gevraagde medewerking zou alleen ten gevolge kunnen hebben dat de slag uitsluitend op uw concurrenten nederkwam en uwe inrichtingen spaarde en daartoe mogen wij die niet verlenen. Getekend, de Nederlandse Handel Maatschappij, De Clercq jr.’

Vervolgens komt er op 21 augustus 1855 opnieuw een brief van de heer M. Salomonson aan burgemeester Blaaubeen met de volgende inhoud:
‘In antwoord op uw missive van 18 augustus heb ik de eer uw edelachtbare mede te delen dat de heren G. en H. Salomonson zich nog onthouden op een legale wijze mededeling te doen van de aanstaande opheffing van de weverijen in Zeeland, zolang het hun nog niet bepaald gebleken is dat de geopende onderhandelingen op geen gunstig gevolg mogen rekenen. Daarom deed ik aan de gemeentebesturen een onderhandse mededeling op grond vooral dat de weg van die onderhandelingen weinig goeds voorstelt EN het daarom hoogst wenselijk geacht wordt, dat de gemeentebesturen zich met nadruk tot het provinciaal bestuur wenden en dit bestuur zich evenzo bij hogere colleges, om genoemde onderhandelingen met de meeste kracht te ondersteunen. Kunnende zich niet bedienen van het door mij gegeven adres, zo laat ik het aan uw achtbare beter oordeel over zulks te wijzigen of terzijde te leggen, en heb ik wijders de eer uw edelachtbare hierbij te zenden kopieën van de adressen door de gemeenten Middelburg en Veere aan de Commissaris des Konings ingezonden.
Een spoedige behandeling der zaak kan vooral veel nut aanbrengen en zal het mij aangenaam zijn dat uw achtbaren tot een spoedige beslissing zullen kunnen komen.'
Bij deze brief is een afschrift gevoegd van een brief van burgemeester en wethouders van Middelburg, getekend Paspoort van Grijpskerke, burgemeester, en M.F. Lantsheer, secretaris, evenals van burgemeester en wethouders van Veere, getekend De Stoppelaar, burgemeester, en J.P. van den Heuvel, secretaris.

Burgemeester en wethouders schrijven daarop de heer M. Salomonson een brief met de mededeling dat de gemeenteraad niet voelt voor de door hem voorgestelde brief aan de Commissaris van de Koning. De brief vermeldt o.a.:
‘Wanneer de moeilijkheden van plaatselijke aard waren en er mogelijkheid was die uit de weg te ruimen, dan zou de gemeenteraad zeer zeker daartoe met de meeste bereidwilligheid medewerken, maar wanneer, zoals ten deze het geval schijnt te zijn, het bezwaar algemeen bestaat, ziet de raad niet in dat een zo onbepaald adres aan de Commissaris van de Koning van enig gunstig gevolg kan zijn’.

Eindelijk komt er op de 6e september 1855 een brief binnen van de heren G. en H. Salomonson met de volgende inhoud:
‘Middelburg, 6 september 1855
Bij ons schrijven van onze hoofddirecteur is u reeds bekend gemaakt, dat wij door samenwerking van omstandigheden vreesden buiten de mogelijkheid gesteld te zijn, de weverijen in Zeeland werk te blijven geven; is het ons onaangenaam die vroegere verklaring thans te moeten bevestigen, niet minder onaangenaam is het ons uw edelachtbaren daarboven nog te moeten berichten dat de onderhandelingen onzerzijds, geopend om de gevreesde slag af te wenden, zoals uw edelachtbaren uit bijgevoegd afschrift blijken zal, met een gunstig gevolg geëindigd zijn, het blijkt toch dat de provincie Zeeland op één lijn gesteld wordt met andere provincies, terwijl wij in de laatste jaren een loon uitbetaalden dat aanzienlijk hoger is als in die andere provincies toegestaan wordt.
In afwachting van de onderhandelingen welke het provinciaal bestuur gewis openen zal, houden wij nog een gedeelte van de werklieden bezig. En om aan het inderdaad hartverscheurend smeken om werk van vele werklieden enige voldoening te geven, zijn wij niet ongenegen gedurende de winter daartoe te besluiten, doch zal het uw edelachtbaren genoegzaam uit bijgaand afschrift blijken, dat zulks alleen kan geschieden in concurrentie met andere provincies, waar de lonen lager dan in Zeeland zijn en waarmee dezelve zullen moeten gelijk gesteld worden, zodat wij te beginnen met 10 september aanstaande het loon zullen uitbetalen gelijk in Overijssel, zijnde 45 voor 5/4, 55 voor 6/4 en 65 voor 7/4 cent.
Bij onze verklaring zulks alleen te willen doen om een gedeelte der werklieden gedurende de winter bezig te houden, mogen wij aan de andere kant niet verbergen dat, wilden wij alleen ons eigen belang raadplegen, het beter ware daartoe niet over te gaan en het zal ons dus aangenaam zijn te vernemen of uw edelachtbaren er prijs op stellen dat een gedeelte der werklieden als boven gezegd wordt bezig gehouden’.

De burgemeester legt deze brief op 8 september 1855 voor aan het college van burgemeester en wethouders. Uit de brief blijkt de bereidheid van de heren Salomonson om de weverij in deze gemeente gedurende de aanstaande winter gaande te houden met een vermindering op het weefloon van 10 cent per stuk calicot.
Afgesproken wordt dat hij daarover zijn tevredenheid aan de heren zal te kennen geven. Nog dezelfde 8e september schrijft de burgemeester de volgende korte brief aan de heren Salomonson:
‘Het deed mij genoegen uit uw brief van de 6e dezer te vernemen dat bij uw ed. het voornemen bestaat om althans voor enige werklieden gedurende de aanstaande winter de weverij alhier gaande te houden. Ik stel hoge prijs op die instandhouding, in hoop dat de bezwaren daartegen eerlang zullen worden uit de weg geruimd. Heb de eer mij met hoogachting te noemen.
De burgemeester van Goes’.

Maar het is slechts uitstel. Want op 31 mei 1856 stelt de Commissaris van de Koning het gemeentebestuur in kennis van de op handen zijnde opheffing van de calicotweeffabrieken in Zeeland. Dit als gevolg van de bij de firma G. en H. Salomonson bestaande bezwaren tegen het aanhouden daarvan. Een overzicht van de opbrengsten gedurende de jaren 1833 tot en met 1856 wordt daarbij overgelegd.
Interessant is de inhoud van de brief van de Commissaris van de Koning:
‘Toen in het vorige jaar verschillende gemeentebesturen mijn tussenkomst hadden ingeroepen om van de regering de instandhouding van de Zeeuwse calicotfabrieken te verkrijgen heb ik tot dat einde pogingen aangewend bij de Minister van Koloniën en van Binnenlandse zaken en ook bij de firma G. en H. Salomonson.
De Minister van Koloniën gaf mij te kennen dat de moeilijkheden waarmede de calicotfabrieken in Zeeland te kampen hadden door de regering of door de Handelmaatschappij niet uit de weg konden worden geruimd; dat die moeilijkheden niet alleen in Zeeland maar ook in Overijssel bestonden en dat naar aanleiding van de laatst gesloten overeenkomst met de Handelmaatschappij de regering zich met de bevordering van het afzetten der Nederlandse katoenfabrieken in Oost Indië niet meer kan inlaten.
Intussen onttrok de Handelmaatschappij haar ondersteuning aan deze fabrieken niet geheel. Zij stelde in oktober een algemene inschrijving open voor 100.000 stuks, waaraan de firma
G. en H. Salomonson kon deelnemen.
Het schijnt dat de bezwaren voor die firma sedert zijn toegenomen. Ik ontving althans de 25 dezer een brief van de heer Salomonson alhier, waarin gemeld wordt dat die firma tot de opheffing van de calicotfabrieken in Zeeland heeft besloten; dat een groot gedeelte der werklieden reeds is ontslagen en dat weldra de nog overgeblevenen zullen worden afgedankt. De heer Salomonson meldt mij nog, dat hij herhaaldelijk heeft gepoogd de zaak der weverijen aan anderen over te dragen, doch dat hem zulks is mislukt. Het doet mij leed u geen betere uitslag mijner pogingen te kunnen melden’.

Op 21 juli 1856 bericht de Commissie van Toezicht over de calicotweverij bij monde van de heer Van Kerkwijk de gemeenteraad het volgende:
‘Weinige dagen na de ontvangst van de kennisgeving van de Commissaris van de Koning over de op handen zijnde opheffing van de fabrieken in Zeeland is de weverij, binnen deze gemeente in het jaar 1839 in werking gekomen, werkelijk opgeheven en is het werkend personeel bedankt. De werktuigen zijn grotendeels weggevoerd en eerstdaags zullen deze zijn opgeruimd. De lokaliteiten van de fabriek zullen dan voor andere doeleinden beschikbaar zijn’.
De commissie legt bij deze gelegenheid een staat over van de geweven calicots in de fabriek, gedurende haar bestaan vervaardigd. Deze bedragen 163.404 stukken van 22.5 el lengte, waaraan aan werkloon is verdiend ƒ 106.102,40.
Met deze mededeling ‘verricht de Commissie een onaangename taak, maar betuigt nochtans haar tevredenheid dat de sluiting van de fabriek in de zomer heeft plaats gehad als wanneer er voor de afgedankte werklieden meer dan in de winter gelegenheid bestaat tot het bekomen van ander werk’.
De raadsvoorzitter bedankt de Commissie voor het uitgebrachte rapport en de overgelegde staat. En omdat door het opheffen van de weeffabriek de Commissie van Toezicht geen functie meer heeft, stelt de voorzitter voor de heren Van Kerkwijk, Hochart en Smallegange, onder dankbetuiging voor het in die functie verrichte, als leden van de Commissie van Toezicht over de weverij eervol te ontslaan.

Bij de behandeling van de begroting voor 1857 in de raadsvergadering van 21 oktober 1856 heeft het college de inrichting van de voormalige weeffabriek voor memorie begroot. Er is namelijk nog geen bestemming voor dat gebouw bekend. Op deze wijze staat de gelegenheid open daarop terug te komen wanneer in 1857 tot enig plan wordt gekomen.

Garancinefabriek ‘Stad Goes’

Ook deze jaren blijft de in 1852 opgerichte mee- en garancinefabriek ‘Stad Goes’ van de heer dr. Charles Albert van Renterghem en compagnon in bedrijf, maar is zeer omstreden.
De fabriek werkt op een stoommachine van 12 paardenkrachten en een stoomketel. In 1859 wordt de fabriek met een tweede stoomketel uitgebreid, waardoor gewerkt kan worden met 32 paardenkrachten.

Van Renterghem voldoet jaar op jaar niet aan de door het gemeentebestuur gevraagde opgave van gegevens voor het gemeentelijk jaarverslag.
De afvoer van het garancinewater blijft een voortdurend en zeer groot probleem.
In mei 1855 doet directeur Van Renterghem het gemeentebestuur het verzoek om de stenen op het heultje buiten de hoofdpoort te mogen opbreken met het oogmerk om buizen te leggen voor de afvoer van garancinewater uit de fabriek naar een te graven blinde sloot op het zogenaamde Stoofweitje. Hiermee wordt ingestemd.

In oktober 1855 legt Van Renterghem het gemeentebestuur een verzoek voor om mee te werken aan de uitbreiding van zijn fabriek. Daarvoor zou hij graag in erfpacht ontvangen 10 à 20 roeden grond gelegen aan de zuidzijde van de fabriek. De gemeenteraad besluit positief en staat de grond af tegen ƒ 1 per roede met ingang van 1 januari 1856 en onder voorwaarde dat die grond behoorlijk met een schutting wordt afgesloten en dat in een rechte lijn op de buitenmuur van de voormalige poort. Op deze grond zal een secreet voor de werklieden worden gebouwd.
Van Renterghem heeft in februari 1856 nog steeds niet de juiste grootte van de grond die door hem in erfpacht wordt verlangd tot bergplaats bij zijn fabriek opgegeven. Evenmin heeft hij een plantekening van het perceel overlegd. Per brief herinnert het gemeentebestuur hem hieraan.

De directie van de Goessche Polder stuurt het gemeentebestuur in juni 1856 een brandbrief. Het gaat over de blijkbaar zeer schadelijke gevolgen die door de afwatering van het garancine water uit de fabriek door de Goessche Polder worden ondervonden en verder te vrezen zijn. De directie verzoekt dringend deze afleiding te doen staken en voor het vervolg niet meer toe te staan. Gevreesd moet worden dat het garancinewater door de grond dringt, waardoor het drinkwater voor de beesten bedorven wordt en voor de gezondheid zeer nadelig is. De gemeenteraad draagt het college op om een onderzoek in te stellen.
In de vergadering van de gemeenteraad van 21 juli 1856 rapporteert de voorzitter over het ingestelde onderzoek. Volgens het rapport heeft het college, in bijzijn van de dijkgraaf J. Zandee en de gezworene M. de Dreu, de situatie ter plaatse opgenomen. Ze rapporteren o.a. het volgende:
‘Daarbij bleek dat het water in de sloot tussen de singel en de begraafplaats met garancinewater bezwangerd is. Dit is evenzeer het geval met de sloot die loopt achter de woning van de grafdelver langs de achterzijde van de begraafplaats van de gemeente en van de Israëlitische begraafplaats. Het garancinewater wordt in toenemende kracht aangetroffen naarmate men de laatstgenoemde begraafplaats naderde. Het gras aan de kanten van die sloot was geheel verdroogd en de vruchten op enkele laagliggende stukken bouwland bevonden ze dood of kwijnende.
Gekomen zijnde aan de watergang, die door een dam is afgescheiden van de blinde sloot, welke door de firma Van Renterghem gegraven is om te dienen tot reservoir voor het uit de fabriek uitvloeiende garancinewater, was duidelijk zichtbaar dat op een plaats het garancinewater uit die sloot voortdurend afvloeide in de watergang en dat dit water over de gehele lengte in de watergang doorsijpelde. Bovendien blijkt de dam veel te smal te zijn en is door de persing van het water op diverse punten naar de oost- en noordoostzijde van de watergang afgebrokkeld en weggezakt, zodat het te voorzien is dat eerlang op het punt waar nu reeds het garancinewater in de watergang uitvloeit, dit later zich een vrije en onbelemmerde weg tot die watergang zal banen.
Geconstateerd is verder dat het garancinewater in de sloot, ofschoon tijdens de inspectie enigszins gezakt, nochtans vrij hoog stond. Immers hoger dan het water in de watergang.
Volgens berichten van de dijkdirectie ligt de bodem van de sloot waterpas met het water in de vest; er valt dus aan geen doorzakking van het garancinewater te denken. De sloot heeft voorzeker geen voldoende capaciteit om voortdurend het garancinewater te bevatten, vooral niet bij een grote toevoer van regenwater’.

De gemeenteraad concludeert uit het rapport van de commissie dat uit de bevindingen blijkt dat de maatregelen tot kering van het garancinewater door de dijkdirectie van de Goese Polder ten volle gerechtvaardigd zijn. De kosten daarvoor en voor het aanleggen van een geheel nieuwe watergang zijn niet gering. De vrees van de directie voor allernadeligste gevolgen in de toekomst zijn niet ongegrond, daar toch een overstorting van het garancinewater in de Goese Polder het drinkwater voor het vee onbruikbaar zal maken en een groot duizend tal gemeten lager liggend bouw- en weiland zal bezetten en aanmerkelijk beschadigen. Bovendien is het zeer te vrezen dat de directie van de Brede Watering bewesten Yerseke de suatie van de Goese Polder door haar watergang niet langer zal gedogen. De gemeenteraad zal binnen veertien dagen hierover besluiten, als ook raadslid Van den Bosch aanwezig is.

Op 26 juli 1856 komt het rapport van de commissie over het uitlozen van garancinewater uit de fabriek van Van Renterghem opnieuw in behandeling in de gemeenteraad. Dit naar aanleiding van hernieuwde klachten van de dijkdirectie van de Goese Polder.
Ondertussen is er op 24 juli ook een brief binnen gekomen van de Officier van Justitie bij de rechtbank te Goes met daarbij gevoegd een proces-verbaal van de commissaris van politie wegens ontdekte overstorting door blekken buizen of hevels van het garancinewater uit de fabriek in de Goessche Polder.
Daarvoor is de gemeenteraad bij elkaar geroepen. De raad overweegt dat het gebleken is dat volgens hun locale bevinding het water in de watergangen en leisloten van de Goese Polder in mindere en meerdere mate door garancine water bezwangerd is. Uit het proces verbaal is nu gebleken dat het garancinewater zich door andere middelen en in grotere hoeveelheid in de polder heeft uitgestort dan door het college in haar rapport is aangegeven en door hen kon worden vermoed. Ook uit gister en eergister gehouden metingen is duidelijk geworden dat het garancinewater thans een veel hogere stand in de blinde sloot bereikt heeft, zodat het aan de oostelijke zijde al op een gedeelte van de weide waarop die sloot is gegraven is overgevloeid. Het is met zekerheid te voorzien dat bij meerdere en aanhoudende toevoer dit water zich op alle punten over de dam in de Goese Polder zal overstorten.

Door deze feiten voelen burgemeester en wethouders zich verplicht vroeger dan hun bedoeling was, een beslissing over deze aangelegenheid te nemen. Daarvoor is de gemeenteraad bij elkaar geroepen.
Overwogen wordt dat het de raad gebleken is dat volgens de bevindingen van de commissie het water in de watergangen en leisloten van de Goese Polder in mindere en meerdere mate door garancinewater bezwangerd is. Uit het proces verbaal is nu gebleken dat het garancinewater zich door andere middelen en in grotere hoeveelheid in de Goese Polder heeft uitgestort dan door het college in haar rapport is aangegeven en door haar kon worden vermoed. Ook uit gister en eergister gehouden metingen is duidelijk geworden dat het garancinewater thans een veel hogere stand in de blinde sloot heeft bereikt, zodat het aan de oostelijke zijde al op een gedeelte van de weide waarop de sloot is gegraven, is overgevloeid. Het is met zekerheid te voorzien dat bij meerdere en aanhoudende toevoer dit water zich op alle punten over de dam in de Goese Polder zal overstorten.

Om al deze redenen ziet het college zich verplicht de gemeenteraad voor te stellen de bezwaren en klachten van de dijkdirectie van de Goese Polder gegrond te verklaren en uit te spreken dat het noodzakelijk is daartegen te voorzien. Tevens wordt voorgesteld de aan de firma dr. C.A. van Renterghem en compagnon verleende vergunning tot uitlozing van het garancinewater uit hun fabriek in te trekken en mitsdien van stonde aan te verbieden het gebruik maken van het krachtens de vergunning daargestelde uitlozingsmiddel. Tevens stelt het college voor de firmanten te gelasten de uitlozingsbuizen weg te nemen en de ontgraven gronden terug te brengen in de staat waarin ze zich bevonden vóór de daarstelling van de uitlozing. De gemeenteraad neemt het voorstel met algemene stemmen aan.

De voorzitter geeft de gemeenteraad aanvullend op 21 juli 1856 nog de volgende toelichting over het onderzoek naar de schadelijke gevolgen van de afleiding van het garancinewater uit de fabriek van Van Renterghem . Het college heeft, in bijzijn van dijkgraaf J. Zandee en gezworene M. de Dreu, de situatie ter plaatse opgenomen. Gebleken is dat:

  • het water in de sloot tussen de singel en de begraafplaats met garancinewater is bezwangerd;
  • dit evenzeer het geval is met de sloot die loopt achter de woning van de grafdelver langs de achterzijde van de gemeentelijke begraafplaats en van de Israëlitische begraafplaats;
  • het garancinewater in toenemende kracht werd aangetroffen naarmate men laatstgenoemde begraafplaats naderde, zodat ook het gras aan de kanten van de sloot geheel verdroogd en de vruchten op enkele laaggelegen gedeelten bouwland dood of kwijnende bevonden werden;
  • gekomen zijnde aan de watergang die door een dam is afgescheiden van de blinde sloot, die door de firma Van Renterghem gegraven is om te dienen tot reservoir van het uit de fabriek uitvloeiende garancinewater, duidelijk zichtbaar was dat op een plaats het garancinewater uit de sloot voortdurend afvloeide in de watergang en dat dit water over de gehele lengte in de watergang doorsijpelde;
  • de dam daarenboven veel te smal is en door de persing van het water op diverse punten naar de oost- en noordoostzijde van de watergang is afgebrokkeld en wegzakt, zodat het te vrezen is dat eerlang op het punt waar nu reeds het garancinewater in de watergang uitvloeit, dit later zich een vrije en onbelemmerde weg tot die watergang zal banen;
  • het garancinewater in de sloot, ofschoon tijdens de inspectie enigszins gezakt, nochtans vrij hoog stond, immers hoger dan het water in de watergang;
  • volgens berichten van de dijkdirectie de bodem van de sloot waterpas ligt met het water in de vest en er dus aan geen doorzakking van het garancinewater te denken valt;
  • de sloot voorzeker geen voldoende capaciteit heeft om voortdurend het garancinewater te bevatten, vooral niet bij een grote toevoer van regenwater.

Uit de bevindingen blijkt dat de maatregelen, die tot kering van het garancinewater door de dijkdirectie van de Goese polder genomen zijn, ten volle gerechtvaardigd zijn. De vraag van de directie ten aanzien van allernadeligste gevolgen in de toekomst is niet ongegrond. Een overstorting van het garancinewater in de Goese polder zou het drinkwater voor het vee onbruikbaar maken en een groot duizendtal gemeten lager liggend bouw- en weiland bezetten en aanmerkelijk beschadigen. Bovendien is het zeer te vrezen dat de directie van de brede watering bewesten Yerseke de suatie van de Goese Polder door haar watergang niet langer zal gedogen.

Het gemeentebestuur ontvangt ook een brief van de Officier van Justitie van 24 juli 1856 met een proces-verbaal, opgemaakt door de commissaris van politie wegens een ontdekte overstorting door blekken buizen of hevels van het garancinewater uit de fabriek van Van Renterghem in de Goese Polder.

Daags na het raadsbesluit komt er op 27 juli 1856 een brief binnen van de heer dr. C.A. van Renterghem. Hij betoogt dat hem door het raadsbesluit van gister belet is zijn in bereiding zijnde garancine af te werken. Dit levert hem een schade op van circa ƒ 1.500. Hij verzoekt met klem toestemming om nog twee dagen te mogen doorwerken alvorens de werkzaamheden te beëindigen.
Burgemeester en wethouders delen hem mee niet bevoegd te zijn af te wijken van het raadsbesluit. Hij wordt daarentegen gelast onverwijld, immers vóór negen uur in de ochtend van maandag 28 juli, te beginnen met het wegnemen van de buizen voor de uitlozing van het garancinewater uit hun fabriek overeenkomstig het raadsbesluit van 26 juli. Als dit niet gebeurt zal dit van gemeentewege gebeuren op kosten van de firma.

Op 2 augustus 1856 komt er opnieuw een brief binnen van dr. Van Renterghem. Daarin deelt hij mee dat de buizen zijn verwijderd. Hij verzoekt andermaal toestemming om nog enige dagen garancine te kunnen bereiden. Maar het gemeentebestuur deelt hem mee dat de concessie van Gedeputeerde Staten dit belet. Echter, als hij het garancinewater in de fabriek bergt of van daar vervoert, zonder dat de voorwaarden van de concessie worden geschonden, dan zal het college daar tegen geen bezwaar maken.

In de loop van augustus wordt met de firma Van Renterghem een uitgebreide correspondentie gevoerd. Daaruit komt voort dat tot voorkoming van een belangrijke schade en tot afwerking van de in bewerking zijnde garancine alsnog vergunning wordt verleend: a. om de opgebroken buizen weer te plaatsen en deze na twee dagen werken in de fabriek andermaal op te breken, waartoe het reservoir thans ruimschoots de gelegenheid biedt; b. het garancinewater te laten afvloeien naar de aanwezige put in het fabrieksgebouw en daarin a petit feu en met alle mogelijke voorzorg af te wassen, desnoods en bij voorkeur onder surveillance om telkens op te houden wanneer de afvloeiing mocht blijken strijdig te zijn met de gemaakte bepalingen.

De gemeenteraad spreekt uit het ten zeerste te betreuren dat de werkzaamheden in de garancinefabriek door de genomen onvermijdelijke maatregelen zijn geschorst en geeft zijn verlangen te kennen om deze in stand te houden en weer te begunstigen. Maar de raad ziet echter geen middel om voorshands aan het verlangen van de heer Van Renterghem te voldoen. Met algemene stemmen besluit de gemeenteraad dan ook geen toestemming te geven voor het uitvoeren van het voorstel.

In december 1856 komt de garancinefabriek van Van Renterghem weer aan de orde. Het college besluit de heren dr. C.A. van Renterghem en compagnon aan te manen nu over te gaan tot het aanvullen van de blinde sloot die gediend heeft voor zijn garancinewater en tot het effenen van het gehele beloop van de voormalige waterleiding uit hun fabriek naar deze sloot.

In de periode dat de garancinefabriek stil staat komt er een aantal verzoeken van voormalige werknemers van de fabriek om ondersteuning vanwege het gemis aan inkomsten.
Ook Van Renterghem zelf verzoekt aanpassing van de aanslag van zijn hoofdelijke omslag in de belasting. Hij betoogt dat zijn gehele bestaan afhangt van de bloei van zijn garancinefabriek. Daarin kan nu slechts een gedeelte van het jaar gewerkt worden, waardoor zijn onderneming genoodzaakt is het personeel te bedanken wanneer daarvoor geen middelen kunnen worden beraamd.
De gemeenteraad overweegt in februari 1857 dat Van Renterghem in dezelfde klasse is geplaatst als vorig jaar, ‘hoezeer dan ook het bedrag van de aanslag hoger moge zijn, iets wat hij met alle contribuanten gelijkelijk draagt’. De raad spreekt uit dat hij met leedwezen zou zien dat de fabriek gesloten zou moeten worden, doch zo lang dit niet werkelijk plaats heeft kan de raad de aangevoerde grond voor het bezwaar niet overnemen. Bovendien, zo motiveert de gemeenteraad, is Van Renterghem medicine doctor, welk beroep door hem mede wordt uitgeoefend, zodat de bewering dat zijn gehele bestaan van de fabriek afhangt
niet aannemelijk is. De raad besluit de aanslag niet te wijzigen.

In april 1857 gaat het weer mis met de garancinefabriek!
De commissaris van politie legt twee processen verbaal van 11 en 12 april over. Daaruit blijkt het vermoeden dat in de fabriek van de heren Van Renterghem opnieuw garancine wordt bereid en het daarvan afvloeiende water in de haven loopt. Vergezeld van twee agenten is hij de eerste dag in de nabijheid van de fabriek water gaan scheppen. Op de tweede dag zagen ze dat op de bodem van de haven, tegen de beschoeiing van de fabriek, door een geul water in de haven liep. Daarvan hebben ze een kan gevuld in het vermoeden dat dit met zwavelzuur vermengd was. Het gemeentebestuur heeft dit water laten onderzoeken en het is gebleken dat dit in hoge mate met zwavelzuur bezwangerd was.
Burgemeester en wethouders stellen, na rijpe deliberatie, de gemeenteraad nu voor tot vernietiging van het contract van 20 september 1852 te besluiten met alle gevolgen daaraan verbonden. Maar vooraf zal een rechtskundig advies worden ingewonnen. Hiervoor zal aan Gedeputeerde Staten toestemming worden gevraagd. Een grote meerderheid van de gemeenteraad stemt hiermee in en machtigt burgemeester en wethouders tot het voeren van een rechtsgeding.

Maar op 10 juni 1857 besluit de gemeenteraad met algemene stemmen het in de vorige vergadering genomen besluit te schorsen. De heren Van Renterghem hebben namelijk een ernstige en plechtige verklaring overgelegd. Daarin verklaren ze dat van hun kant afdoende maatregelen genomen zijn om het afvloeien van met zwavelzuur of andere schadelijke bestanddelen bezwangerd water uit hun fabriek in de haven of andere kanalen belet wordt. Tevens geven ze de verzekering dat van nu af aan geen garancine in hun fabriek zal worden gefabriceerd zonder voorkennis, goedkeuring en autorisatie van burgemeester en wethouders.
Inderdaad houden de heren Van Renterghem zich ordelijk en getrouw aan de met de gemeenteraad gemaakte afspraak over de afvoer van zwavelhoudend garancinewater. In november 1857 verzoeken ze om vergunning voor het aanleggen van een waterleiding uit hun fabriek naar de haven om daar langs ‘het neutrale en geheel onschadelijke water’ naar de haven af te leiden ‘opdat zij daardoor eenmaal in de gelegenheid mogen komen de voordelen te trekken uit de daarstelling van de fabriek’. De gemeenteraad staat het verzoek op 26 november 1857 toe als proef. Om gevolg te geven aan dit raadsbesluit wordt de heren Van Renterghem bij brief verzocht aan het gemeentebestuur een door hen te benoemen deskundige het bewijs te leveren dat het neutraliseren en onschadelijk maken van het met zwavelzuur bezwangerd water op den duur en tot een zodanige hoeveelheid als hun garancinefabriek zal opleveren mogelijk is.

In 1857 wordt de bereiding van garancine andermaal beproefd, maar is vervolgens door de gemeente weer belet geworden omdat het met zwavelzuur bezwangerd water in de haven vloeide. Het middel schijnt evenwel uitgevonden te zijn om zodanig water te neutraliseren en onschadelijk te maken. De gemeenteraad verleent vergunning om, onder behoorlijk toezicht van burgemeester en wethouders, daarvan een proef te nemen.
In 1858 wordt de verleende vergunning om het geneutraliseerde water van de garancine in de haven te laten vloeien weer ingetrokken vanwege onvoldoende resultaat. Hierna wordt het met zwavelzuur bezwangerd water met schuiten vervoerd en uitgestort buiten het Goessche Sas.

Een en ander kan ook afgeleid worden uit de informatie die burgemeester Blaaubeen desgevraagd in januari 1858 aan de burgemeester van Zevenbergen verstrekt over de stoom garancinefabriek in Goes. Daar wil men namelijk ook zo’n fabriek stichten.
Blaaubeen schrijft hem het volgende:

  • er bestaat in de gemeente wel een meekrap- en garancinefabriek, die met stoom gedreven wordt;
  • afgescheiden van deze bestaat er een alcoholfabriek, die mede door stoom wordt gedreven, doch geen garancinefabriek waarin tevens gedestilleerd wordt;
  • beide genoemde fabrieken liggen aan de haven;
  • het water van de alcoholfabriek is geheel onschadelijk, doch het met zwavelzuur bezwangerd water van de garancinefabriek is dat niet, vandaar dat in de concessie tot stichting van deze fabriek uitdrukkelijk is bepaald dat het garancinewater nimmer in de haven, kanalen of watergangen zal mogen essueren;
  • desniettegenstaande is dit geschied en al dadelijk waren de treurige gevolgen daarvan merkbaar;
  • behalve een ondragelijke stank die zich op verre afstand verspreidde, stierf de vis bij menigte en klaagde men over het aanslaan van koperen, stalen en ijzeren huisraad, zodat wij verplicht zijn geweest het fabriceren van garancine te verbieden en zelfs een besluit door de raad is genomen om de concessie te vernietigen;
  • de eigenaren van de fabriek maken dus geen garancine meer en bepalen zich tot het maken van de meede.

Hij concludeert: ‘Ik raad u mitsdien aan om ten aanzien van deze aangelegenheid te werk te gaan en bij het eventuele verlenen van concessie zodanige bepalingen te maken dat aan het bestuur het recht verblijft om casu quo de fabriek te doen ophouden, desnoods te sluiten en de concessie in te trekken. Ik raad u aan ook eens informatie in te winnen bij de burgemeester van Middelharnis, die u waarschijnlijk belangrijke mededelingen hieromtrent zal kunnen doen’.

In juni 1858 rapporteert burgemeester Blaaubeen de gemeenteraad dat aanvankelijk door de heer Van Renterghem een kleine proef is genomen voor het neutraliseren van met zwavelzuur bezwangerd water. Deze proeven zullen op grote schaal worden voortgezet en van de uitslag zal de raad nadere mededelingen worden gedaan.
Eind juni wordt de gemeenteraad meegedeeld dat de heer Van Renterghem in de laatste dagen met kracht heeft gewerkt met zijn garancinefabriek. Dit heeft geen nadelige gevolgen opgeleverd. Er is dan ook geen bezwaar vooralsnog op deze wijze voort te gaan en de proef voort te zetten.

Maar helaas, in de raadsvergadering van 26 juli 1858 doet de voorzitter, burgemeester Blaaubeen, mededeling van een bij het college ingekomen brief van enige bewoners van de Kleine Kade. Ze beklagen zich over de overlast die zij ondervinden van de hinderlijke en voor de gezondheid schadelijke stank van het zich sedert enige dagen in de stadshaven bevindende water. Dit is klaarblijkelijk met schadelijke bestanddelen bezwangerd. Ze voeren aan ‘dat de kleur van het water en de aanslag van koperen deurknoppen en schelknoppen, ja zelfs van binnenmuren en de gedane toetsing met zogenaamd lakmoespapier, zo zij menen, voldoende bewijzen zijn voor de gegrondheid van dit bezwaar en hun klachten’.
Ze verzoeken maatregelen te nemen om de oorzaak van de stank te weren en de ingezetenen voor het vervolg voor deze nadelige uitwerpselen te vrijwaren.
Burgemeester en wethouders hebben daarop onmiddellijk een onderzoek ingesteld. Ze zijn ervan overtuigd geraakt dat de stank veroorzaakt wordt door het invloeien van geneutraliseerd water uit de garancinefabriek van de heren Van Renterghem, wat tot het nemen van een proef door de gemeenteraad was toegestaan.
Het college heeft de heren verzocht, en desnoods gelast, onmiddellijk op te houden met het laten invloeien in de haven van water uit hun fabriek. Het af te vloeien water dient met een vaartuig vervoerd te worden naar het Goese sas en uitgestort te worden in de kolk tussen de beide havensluizen om het met de eb te laten afvloeien naar zee.

De heren Van Renterghem vragen daarop het gemeentebestuur naar de oorzaken waarom ze vermoeden dat de stank door hun fabriek wordt veroorzaakt. Ze vragen een commissie in te stellen om na te gaan op welke wijze zij tegemoet kunnen komen om in de gelegenheid gesteld te worden hun fabriek onafgebroken werk te verschaffen.
De gemeenteraad besluit daarop het college te machtigen aan de firma Van Renterghem te kennen te geven dat er geen bezwaar bestaat om de door hen verlangde commissie te benoemen. Niettemin is de raad bereid om de in het belang van hun fabriek door hen in te zenden verzoeken of voorstellen in overweging te nemen.
Ook neemt de raad kennis van de brief van de heren Van Renterghem over de gedane aankoop van een grote waterschuit voor het vervoer van hun garancinewater buiten het Goese sas om dit bij eb te lossen en op die wijze hunnerzijds alle oorzaken van schadelijke of hinderlijke stank te voorkomen. Als tegemoetkoming verzoeken ze opnieuw in de grote kosten van vervoer en tot instandhouding van hun fabriek vrijstelling voor het betalen van sas- en havengelden. De gemeenteraad willigt dit verzoek met eenparigheid van stemmen in.

Tussendoor speelt er nog een andere zaak met betrekking tot directeur C.A. van Renterghem. In februari 1857 besluit de gemeenteraad naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift van Van Renterghem tegen zijn aanslag op het kohier van de hoofdelijke omslag. Hij betoogt dat zijn gehele bestaan afhangt van de bloei van zijn garancinefabriek. Daarin kan slechts een gedeelte van het jaar worden gewerkt, zodat de onderneming genoodzaakt zal zijn het personeel te bedanken wanneer daarvoor geen middelen kunnen worden beraamd. De gemeenteraad overweegt echter dat Van Renterghem in dezelfde klasse is geplaatst als vorig jaar, hoezeer dan ook het bedrag van de aanslag hoger moge zijn, iets wat hij met alle contribuanten gelijkelijk draagt. De raad zou met leedwezen zien als de fabriek zou moeten worden gesloten. Zolang dit echter niet werkelijk plaats heeft kan zijn bezwaar niet gegrond worden verklaard. Bovendien oefent Van Renterghem mede het beroep uit van medisch doctor, zodat de bewering dat zijn gehele bestaan van de fabriek afhangt niet aannemelijk is. Zijn bezwaarschrift wordt dan ook niet gegrond verklaard.

Maar op 22 oktober 1859 komt er opnieuw een brief van enige bewoners van de kaai. Ze beklagen zich over de ondragelijke stank die naar hun overtuiging het invloeien van garancinewater in de haven veroorzaakt. Ze betogen dat ze door de zichtbare uitwerkselen als door een bijzonder onderzoek tot de zekere overtuiging gekomen zijn dat het water in de kaai bij herhaling sedert enige dagen door garancinewater is bezwangerd. Daarom vinden ze zich opnieuw verplicht het gemeentebestuur van deze omstandigheid kennis te geven. De klaagbrief is ondertekend door de heren P. Lenshoek van Kerkwijk, A. Nortier, C. de Fouw, W. de Fouw, J. Paardekoper-Tromp, F. Snoep, M.P. Saaymans Vader en A. Schraver.
De brief wordt in handen gesteld van de commissaris van politie. Na onderzoek bericht deze dat hem niet gebleken is waardoor het garancinewater in de haven is gelaten, ofschoon dit ongetwijfeld uit de fabriek van Van Renterghem komt. Hij zal hierop verder surveilleren.

De gemeenteraad besluit in december 1859 de meekrap- en garancinefabrikanten Van Renterghem per 1 januari 1860 in erfpacht af te staan met ingang van 1 januari 1860 voor 92 jaar elf ellen gemeentegrond, gelegen tussen zijn meekrap- en garancinefabriek en het zijkanaal uit de haven naar de zaagmolen. Dit om ter breedte van een el met de fabriek uit te springen naar dat kanaal en deze grond te betrekken bij het fabriekgebouw.
Maar ook dit leidt tot problemen. In april 1860 overweegt het gemeentebestuur dat de heer Van Renterghem niet voldoet aan de voorwaarde waarop zijn firma in erfpacht is afgestaan elf ellen gemeentegrond voor het vergroten van zijn mee- en garancinefabriek. Voorwaarde was dat hij zou zorgen dat aan de zijde van het kanaal naar de zaagmolen niets wordt geplaatst, gelegd of gestort. Men gaat echter steeds voort om daar ter plaatse koolas neer te werpen. Besloten wordt de heer Van Renterghem aan te schrijven om van deze grond niet langer gebruik te maken en de aanwezige ashoop binnen acht dagen op te ruimen.

In augustus 1860 ontvangt het gemeentebestuur bericht van de Commissaris van de Koning dat aan de firma Van Renterghem een voorlopige vergunning is verleend voor het gebruik van een tweede stoomketel in hun garancinefabriek.

Meelfabriek, grutterij en pellerij

De heer Jan Hendrik Cornelis Kakebeeke exploiteerde de laatste jaren een door paarden gedreven grutterij en een patentoliefabriek in wijk D nummer 217 in de gemeente. In juni 1854 krijgt hij vergunning om in zijn grutterij twee lichtkozijnen te plaatsen en in juni 1855 om in zijn patentoliefabriek een nieuwe schoorsteen aan te brengen.
 
In december 1855 komt er bericht van Gedeputeerde Staten waarbij voor raad en advies in handen van burgemeester en wethouders wordt gesteld een verzoekschrift van de grutter J.H.C. Kakebeeke om in zijn thans door paarden gedreven grutterij een stoom meelfabriek, grutterij en pellerij te mogen stichten. Omwonenden brengen geen bezwaren in en Gedeputeerde Staten wordt bericht dat er geen bedenkingen tegen de stichting zijn.
Hij legt een uittreksel uit het kadaster over waarop de percelen, waarin hij zijn stoomfabriek wenst te stichten, zijn aangegeven. Wanneer deze stichting wordt toegestaan, dan verzoekt hij een ijzeren buis uit de fabriek te mogen leiden in de vest om van het water uit de vest gebruik te kunnen maken. De gemeenteraad overweegt dat, om dit plan uit te voeren, een aanmerkelijke vergraving van de wal zal moeten plaats hebben. Besloten wordt het verzoek in te willigen mits de realisering geschiedt met goedvinden van burgemeester en wethouders en uitsluitend met het doel om water uit de vest te pompen en nimmer om water of ander vocht daarin te laten afvloeien.
In januari 1856 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Gedeputeerde Staten met de beschikking voor de heer J.H.C. Kakebeeke om in zijn grutterij een stoom meelfabriek, grutterij en pellerij te vestigen. In juni 1857 krijgt Kakebeeke vergunning voor het gebruik van een stoomtuig met ketel in zijn meelfabriek, grutterij en pellerij.
In juni 1860 krijgt Kakebeeke vergunning om ijzeren pijpen of buizen uit zijn stoom meelfabriek te leiden in het riool nabij zijn fabriek teneinde de stoom te ontlasten aan de kant van de stadsvest.

Patentoliefabriek

Deze jaren is er een patent oliefabriek in de stad. Deze wordt gedreven door de heer G.H. Kakebeeke met een knecht.

Stoomfabriek voor verbeterde meekrapbereiding ‘Zuid-Beveland’

De in 1852 gestichte stoomfabriek voor verbeterde meekrapbereiding in Zeeland, genaamd ‘Zuid-Beveland’, is gevestigd aan de haven buiten de Bleekveldse poort. Hoofddirecteur is de heer Otto Verhagen. De fabriek beschikt over 1 stoommachine van 30 pk en twee stoomketels. Bij de fabriek zijn veertig werklieden, zowel mannen als kinderen, in vaste dienst. Daarnaast is er afwisselend personeel voor tijdelijke assistentie. In de fabriek zijn in 1855 nog vier maaltoestellen aangebracht, zodat er thans zes in geplaatst zijn.
Gedurende het jaar 1855 zijn er in de fabriek afgewerkt: 304.963 ponden gemalen meekrap van binnenlandse wortels, 80.587 ponden gemalen meekrap van buitenlandse wortels, 25.675 ponden racin en 10.224 ponden poeder van binnenlandse meekrap, in de handel gebracht onder de benaming van ‘Zeeuwsche Alizarine’, in kwaliteit nabij komend aan de Derbetsche krap. Alizarine of alizarinerood is een rood pigment dat uit de wortels van de meekrap gewonnen wordt. Dit is bijzonder geschikt voor het verven van textiel en leer. Het pigment wordt in de schilderkunst ook wel kraplak genoemd.
De racijnmakerij is door bijzondere omstandigheden niet volledig in bedrijf. De maalderij is eerst met ingang van september in volle werking gekomen.

In 1856 zijn er in de fabriek afgewerkt 25.520 ponden racin en 306.353 ponden gemalen meekrap. De in 1856 in de fabriek gemalen poeder is bekroond geworden te Parijs met de zilveren en te Haarlem met de tweede gouden medaille.
Maar ondertussen zijn de werkzaamheden, door gebrek aan bedrijfskapitaal, gestaakt moeten worden. Dit heeft de ontbinding van de maatschappij op 28 december 1857 tot gevolg gehad, zodat de fabriek publiek verkocht zal worden. Dit gebeurt in 1858. Bij publieke verkoop gaat de fabriek in eigendom over op de heer Otto Verhagen, doch dit jaar is deze niet opnieuw werkzaam geweest. Verhagen brengt de fabriek in 1859 in werking onder de naam ‘Firma Verhagen & co’. Er werken dan 44 werklieden.

In januari 1854 rapporteert de opzichter van gemeentewerken dat bij de fabriek van verbeterde meekrapbereiding ‘Zuid-Beveland’ door het wassen van meekrap in of nabij de haven of het kanaaltje aan de scheepstimmerwerf een uitlozing van met aarde bezwangerd water plaats heeft gehad. Hierdoor zal uiteindelijk een dam ontstaan die hinderlijk is voor de scheepvaart en de werf. Ook is de opgezette kant aan de zijde van dat kanaaltje afgeschoven en is er vóór de scheepstimmerwerf een dam gevormd die het aflopen van de schepen belemmert. Het gemeentebestuur besluit de Algemene Raad der Maatschappij van verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland aan te schrijven om deze belemmeringen voor de scheepvaart weg te laten ruimen en dit in het vervolg te voorkomen.
De Maatschappij krijgt nog een maand toestemming om hiermee door te gaan. Daarna moet het afgelopen zijn. Overigens heeft de wal voor de scheepswerf er altijd bestaan en is deze geen gevolg van de meekrapfabriek.

Op 17 februari 1854 ontstaat er brand in de meekrapfabriek ‘Zuid-Beveland’. Nog dezelfde dag wordt hierover rapport gedaan aan de Commissaris van de Koning.
De burgemeester rapporteert dat heden ochtend tussen vier en vijf uur brand is ontstaan in een van de droogtorens van de fabriek, staande aan de oostzijde van de haven. De brand heeft zich uitgebreid tot de tweede toren en beide droogtorens zijn uitgebrand en een van de verwelven is ingestort. Het is door de ijverige bemoeiingen van de brandweer gelukt de brand te beperken tot het binnenste gedeelte van de droogtorens en te voorkomen dat deze naar buiten sloeg. Vanwege de vrij hevige wind zou daardoor het gehele gebouw waarschijnlijk in de as gelegd zijn. ’s Middags om een uur is de brand geheel geblust. Vier brandspuiten, te weten de grote spuit, de keetspuit, de nieuwe spuit en de oude spuit, zijn bij het bluswerk opgetreden.

De volgende dag ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Algemene Raad en het bestuur der Maatschappij van verbeterde Meekrapbereiding in Zeeland met een dankbetuiging voor de betoonde hulp en de bescherming van de brandweer en de schutterij van de gemeente bij de brand die de vorige dag heeft plaats gehad in de meefabriek. Het college van burgemeester en wethouders stuurt deze dankbetuiging ook door naar de directeur van de Wilhelminapolder, de heer heer I.G.J. van den Bosch te Wilhelminadorp, ‘die met de brandspuit van de Wilhelminapolder mede te hulp was gesneld’.

De Maatschappij van verbeterde Meekrapbereiding krijgt in mei 1854 toestemming voor het leggen van een afwatering van zuiver water in de haven. Wel wordt de Maatschappij herinnerd aan de wegruiming van de aarde die door het wassen van de mede in het kanaal langs de scheepstimmerwerf is gevloeid.
De hoofddirecteur van de fabriek geeft daarop kennis van de intussen gedane opruiming van de aarde in de haven. Dit zou echter vollediger kunnen plaatsvinden bij het aflaten van het water uit de haven. Verzocht wordt om de wassing, die door de brand is gestaakt, voor de overgebleven hoeveelheid verder te mogen afdoen. Het gemeentebestuur staat dit toe voor de voorhanden zijnde mede op voorwaarde dat de afvloeiende aarde dadelijk wordt opgeruimd. Dit zal voortaan niet meer worden gedoogd.

De gemeenteraad neemt op 17 april 1857 kennis van een brief van hoofddirecteur O. Verhagen. Hij schrijft dat het hem door genomen proeven gelukt is het middel te ontdekken om op een minder kostbare wijze dan tot nu toe garancine te bereiden. Bij deze nieuwe methode zal het af te vloeien water geen schadelijke bestanddelen meer bevatten. Hij verzoekt van zijn verklaring voorlopig kennis te nemen.
De raadsvoorzitter voegt daarbij dat de heer Verhagen hem verzocht heeft aan de gemeenteraad te verklaren dat hij tot het maken van garancine niet zal overgaan, alvorens ten overstaan van burgemeester en wethouders een proef geleverd te hebben dat het garancinewater geen schadelijke bestanddelen bevat.

In april 1859 deelt de meekrapfabrikant O. Verhagen mee dat hij door verdere uitbreiding van zijn onderneming en de daaraan verbonden werkzaamheden, alsook in verband met nog enige te stichten gebouwen voor geheel nieuwe werkplaatsen als tot berging van grondstoffen en fabrikaten, dringend behoefte heeft aan een vergroting van zijn terrein langs de havenzijde. Hij verzoekt beide thans tot moestuinen ingerichte stukken grond, gezamenlijk ter grootte van 0,17 roeden en 90 ellen, gelegen vóór de meestoof ‘de Zon’, in erfpacht te worden gegeven.
Ook vraagt Verhagen in 1859 vergunning om een pomp aan te mogen brengen in zijn garancinefabriek. Deze zal met een buis het water moeten kunnen trekken uit de haven. En omdat de haven in de loop van deze week droog staat, verzoekt hij snel een vergunning te verlenen.

Hoofddirecteur Verhagen schrijft het gemeentebestuur dat op vrijdag 11 november 1859 een begin zal worden gemaakt met de fabricage van garancine in de fabriek ‘Zuid-Beveland’. Tot voorkoming van verdenkingen waarin zij zouden kunnen worden gebracht, als zou uit hun fabriek met zwavelzuur bezwangerd water in de haven vloeien, is de directie bereid zich te onderwerpen aan elk verlangen en overleg die de surveillance van het gemeentebestuur kan vergemakkelijken. Hij verklaart ‘als mannen van eer met de meest mogelijke goede trouw te zullen handelen’. Besloten wordt deze brief in het archief ‘neder te leggen’.

Begin 1860 speelt opnieuw het probleem van de afvoer van garancinewater.
Het leidt tot een correspondentie waaruit irritatie blijkt.
Eind januari komt er een brief van de directie van de Brede Watering bewesten Yerseke over het schadelijke water dat uit de garancinefabriek van de heren Verhagen en compagnon vloeit in de brakke vest die uitloost in de brede watering. De heer Verhagen wordt in de vergadering van het gemeentebestuur ontboden. Hij verklaart niets te maken te hebben met de directie van de brede watering, maar enkel met de gemeente Goes. Hij meent dat het contract hem de ruimte biedt het water op deze wijze te laten afvloeien. Hoewel daartoe onverplicht verklaart hij dat dit voortaan zal worden nagelaten.

In februari 1860 besluit het gemeentebestuur de directie van de mee- en garancinefabriek ‘Zuid-Beveland’ vergunning te verlenen om het hek dat dient tot ingang naar de fabriek, met de afsluitingsmuur te plaatsen meer nabij de rijweg buiten de voormalige Bleekveldse poort. Dit op gemeentegrond op een afstand van 24 ellen van de grond die voor de fabriek in erfpacht is uitgegeven. Op de daarvoor in gebruik gegeven gemeentegrond mag niets worden geplaatst en deze zal steeds ter beschikking moeten blijven van het gemeentebestuur voor het geval van brand of andere aangelegenheden van publieke dienst.
Verhagen schrijft in zijn brief het volgende:
‘Wensende over te gaan tot de plaatsing van een hek met afsluitingsmuur voor de ingang mijner fabriek, zo neem ik de vrijheid vergunning te vragen dit te mogen doen buiten mijn erf, meer bovenaan den rijweg, volgens het hierbij gevoegde schetsje.
In der tijd schijnt men daar tegen het bezwaar geopperd te hebben, dat door de afstand van dat gedeelte weg het aangrenzende terrein (links) zou verstoken blijven van het wellicht eenmaal wenselijke om communicatie te hebben met het water (rechts), doch dit bezwaar zou in mijn oog vervallen, indien men zich enkel bepaalde tot de inwilliging van mijn verzoek om mijn hek met zijmuren te plaatsen volgens de schetstekening, zonder dat het daardoor afgesloten terrein in eigendom behoeft over te gaan met bijbepaling dat indien die communicatie eenmaal wenselijk mogt worden, deze altijd zou moeten worden verleend.
Het nevengaande ruwe schertsje zal, naar ik vertrouw, duidelijk genoeg zijn om mijn verzoek op te helderen’.

De verhouding tussen directie en gemeentebestuur komt onder druk te staan als de gemeenteraad in een besloten vergadering op 7 maart 1860 besluit de meekrap- en garancinefabrikanten, de heren O. Verhagen en compagnon, door toezending van een afschrift van het raadsbesluit aan te manen om zich binnen drie dagen na dagtekening van dit besluit overeenkomstig de daarin opgenomen voorwaarden bij het voortzetten van hun garancinefabriek te gedragen. De directie gaat tegen dit raadsbesluit in hoger beroep.

Meekrap- en garancinefabrikant Verhagen schrijft het gemeentebestuur op 21 april 1860 het gemeentebestuur het volgende:
‘Ik heb de eer onder geleide dezes een vernieuwd verzoek in te dienen om vergroting van mijn erf langs de havenzijde tot uitbreiding van mijn industrie. Ten voorleden jare reeds had ik de eer een gelijksoortig verzoek in te zenden, doch om bijzondere redenen verzocht ik destijds uw voorzitter om hetzelve voorlopig buiten gevolg te stellen.
Het ruime erf waarop de ‘Zonstoof’ staat, hoezeer gemeente eigendom, schijnt niets op te brengen aan de gemeentekas en ik vlei mij daarom dat mijn verzoek om daarvan zoveel aan de door mij gevraagde grond toe te voegen als zonder enige hinder voor het bezoeken en rondom berijden van dat gebouw kan worden gemist, vooral ook daarom geen bezwaar zal ondervinden, omdat op die wijze het in cijns gegeven wordende gedeelte van dat erf in allen gevalle productief zal worden voor de gemeente. Het ligt geheel in mijn bedoeling om rondom het stoofgebouw zoveel ruimte over te laten als volkomen ruim genoeg zal zijn om die stoof langs alle zijden met wagens te kunnen bezoeken en af en aan te kunnen rijden zonder hinder. Ik roep uw medewerking in om een gunstige dispositie op dit mijn verzoek aan de gemeenteraad te verkrijgen. Verhagen’.

Zijn eerder verzoek luidde:
‘Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, Otto Verhagen, meekrap- en garancinefabrikant te Goes; dat hij, ter uitbreiding zijner industrie en meer bepaald met het oog op het stoken van alcohol en aanverwante fabrikaten uit het waswater zijner garancinefabriek behoefte heeft aan meerder terrein langs de water- of havenzijde annex liggende aan het tegenwoordige erf zijner fabriek en wel de percelen B 250, 238 en 239; dat, hoezeer het hem bekend is dat die percelen als tuin of moesgrond zijn verpacht en voor en aleer hij daarvan op het gebruik kan komen of de expiratie van die huur zal moeten afwachten of met die huur der vrijwillige overeenkomsten zal moeten treffen om van die huur afstand te doen, dit in zoverre voor hem geen bezwaar oplevert, omdat het geheel slechts opvolgend zal benodigd zijn en er uitzicht bestaat om die pachters voor hun afstand van huur volkomen te kunnen bevredigen, zonder dat het gemeentebestuur deswegens enige namaning zal hebben; dat hoe hoog de tegenwoordige pachtsom ook zijn moge, hij zich met het oog op de doelmatige ligging voor zijn voorgenomen industrie, bereid verklaart in evenredigheid met de tegenwoordige opbrengst een overeenkomst aan te gaan met het gemeentebestuur en mitsdien verzoekt dat de percelen moes- of tuingrond B 250, 238 en 239 alsmede een zodanig gedeelte van B nr. 249 als op het nevengaande kadastrale plan met rood gestippelde lijnen is aangewezen aan hem in eigendom worde overgedragen tegen een jaarlijkse recognitie of cijns geëvenredigd aan derzelver waarde met recht om die te bepalen grondrente ten allen tijde in kapitaal op te leggen’. Bij de brief is een duidelijke situatietekening gevoegd.

In een brief van 28 april 1860 deelt de directie mee dat, hangende de uitspraak van het hoger beroep, door hen is aangekocht een vaartuig voor het nemen van een proef om hun waswater buiten de haven te vervoeren.
Tevens verzoeken ze om, wat betreft de verschuldigde sas- en havengelden, dezelfde rechten en vrijdommen te mogen genieten die aan de heren dr. C.A. van Renterghem en compagnon voor het vervoer van het afvalwater zijn toegestaan.
Het college overweegt dat de inwilliging van dit verzoek behoort tot de competentie van de gemeenteraad. Het college zou alleen kunnen besluiten tijdelijk en in afwachting van de beslissing van de raad te vergunnen dat, zonder betaling, de haven en schutsluis wordt gepasseerd met de schuit uitsluitend bestemd tot vervoer van het waswater van de in de fabriek bereide garancine. Maar dit levert het bezwaar op dat deze toestemming de fabrikanten aanleiding zal geven tot het garancineren hetgeen het college wenst te voorkomen zolang het uitlozingsmiddel bestaat uit het reservoir van het waswater naar de sloot die in de vest uitwatert. Besloten wordt de directie te kennen te geven dat het college een schriftelijke verzekering wenst te ontvangen dat de uitlozingsbuizen zijn weggenomen om daarna het onherroepelijk verzoek in nadere overweging te nemen en vervolgens aan de definitieve beschikking van de gemeenteraad te onderwerpen.
Hierop komt weer een brief van de heren O. Verhagen en compagnon van 12 mei 1860 met bezwaren tegen de weigering van burgemeester en wethouders van een vergunning om het waswater van hun garancine kosteloos buiten het sas te vervoeren. Het college schrijft terug dat de vergunning niet kan worden verleend dan na verkregen verzekering dat geen gebruik zal worden gemaakt van het door hen aangelegde uitlozingsmiddel naar de vest.

In juni 1860 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van de meekrap- en garancinefabrikanten O. Verhagen en compagnon om tot uitbreiding van hun fabriek te mogen overgaan. Dit met het oog op het stoken van alcohol en aanverwante fabrikaten uit het waswater van hun garancinefabriek. Ze verzoeken de gemeentelijke percelen in wijk
B nummers 250, 238 en 239 en een gedeelte van 249 aan hen in eigendom af te staan tegen een jaarlijkse recognitie.
De eigenaren van de meestoof ‘de Zon’ maken echter in het belang van hun stoof bezwaar tegen de gevraagde afstand aan de heren Verhagen en compagnon. Ze verzoeken hen in erfpacht te geven het perceel B nummer 249 en een gedeelte van de openbare weg in de nabijheid van hun stoof met het aanbod om de daarop staande bomen over te nemen.
Burgemeester en wethouders stellen de gemeenteraad voor beide verzoeken van de hand te wijzen. Wat betreft de heer Verhagen om de volgende redenen: 1. omdat het in erfpacht afgestaan terrein bij de meekrap- en garancinefabriek alleszins voldoende is voor de aangegeven uitbreiding van hun industrie; 2. uit hoofde daaruit inconveniënten kunnen geboren worden ‘voor de sedert twee en een halve eeuw aldaar gevestigde meestoof de Zon’ en 3. uit hoofde dat de innerlijke waarde van de percelen B nummers 250, 238 en 239 vooralsnog bezwaarlijk te bepalen is, zelfs niet naar de tegenwoordige dagwaarde.
Wat betreft het verzoek van de eigenaren van meestoof ‘de Zon’ om de volgende redenen:
1. van de openbare weg kan, evenmin als de los- en ladingplaats tussen de percelen 250 en 238, gezegd worden dat deze niet meer voor de openbare dienst bestemd is; 2. omdat de grassetting van het oostelijke gedeelte van B 249 zowel als het westelijke gedeelte al sedert het jaar 1671 tot op de huidige dag is gevoegd geweest bij de verpachting van de mestput van de gemeente en 3. uit hoofde dat de innerlijke waarde van dat perceel even ruim te bepalen is. De gemeenteraad neemt het collegevoorstel met algemene stemmen over.
 
Uiteindelijk besluit de gemeenteraad op 30 juli 1860, na uitvoerige overweging, met eenparigheid van stemmen aan de heren Verhagen en compagnon, mee- en garancinefabrikanten, tot wederopzeggen te verlenen vrijdom van sas- en havengelden voor het vaartuig, dat door hen zal worden gebruikt voor het vervoer van het waswater van de garancine die in hun fabriek ‘Zuid-Beveland’ vervaardigd wordt. Dit vervoer zal moeten geschieden buiten het sas om daar bij eb te lossen, onder voorwaarde dat dit vaartuig tot geen ander vervoer mag worden gebruikt.

In september 1860 ontstaat het voornemen om de garancine- en meekrapfabriek van de heren Verhagen met gas te verlichten. Om daartoe te komen wordt een plan ingediend om daarvoor een zinker als het meest doeltreffend te bezigen. De directeur van de gasfabriek W.G. van den Broecke wendt zich tot het gemeentebestuur met het verzoek toe te staan om het water uit de haven af te laten, teneinde omstreeks die tijd of wel gelijktijdig de havendijk te doorgraven om de fabriek aldaar met de zinkstukken te annexeren. Hij geeft de garantie dat wat de havendijk betreft de directe communicatie niet zal worden gestremd en alles weer in orde zal worden opgeleverd.

Garancinefabriek van Fransen van de Putte

In 1860 ontstaat er een derde mee- en garancinefabriek in de gemeente. Deze wordt opgericht door de firma Fransen van de Putte & Co. in het gebouw van de vroegere alcoholfabriek van Saaymans Vader.
De firma Fransen van de Putte schrijft in april 1860 aan het gemeentebestuur dat zij door aankoop eigenaren zijn geworden van de voormalige alcoholfabriek, gelegen buiten de Bleekveldse barrière. Ze zijn voornemens deze tot een garancinefabriek te verbouwen en in te richten. De fabriek ligt op het perceel grond kadastraal bekend in sectie D nummer 1211 ter grootte van 80 Nederlandse ellen en dit langs de heining van de heer J. Dekker naar de haven ter breedte van 3 Nederlandse ellen, dienend tot toegang naar de haven. Het is voor hen van belang om in die richting een loods of bergplaats te realiseren. Ze verzoeken daarom hen de betreffende strook grond in erfpacht af te staan. Bij de stukken zit een fraaie tekening van de bestaande fabriek ‘Mercurius’ in zwart en de aanbouw met een kooklokaal en een filtreerlokaal in rood. In 1860 komt deze fabriek echter nog niet in werking.

In mei 1860 ontvangt de gemeenteraad een verzoek van de heren Fransen van de Putte voor het verkrijgen van een strook grond in wijk D nummer 1211, liggend tussen het terrein van hun fabriek en dat van de timmermansbaas Johannes Dekker. Deze strook moet dienen als toegang naar de haven. Fransen van de Putte is bereid te verklaren dat hij ten allen tijde, wanneer het gemeentebestuur dit mocht goedvinden, hen toegang over deze strook grond voor een uitweg naar de haven te verlenen.
De gemeenteraad besluit eerst een onderzoek ter plaatse te laten doen. Ook zal de raad de beslissing op het gelijktijdig aan het gemeentebestuur gedaan verzoek om op die strook grond een bergplaats of loods te bouwen volgens een overgelegde schetstekening aanhouden totdat de grond op erfpacht zal zijn afgestaan.
Wel komt er een brief van de Commissaris van de Koning met een opgave van de heren Fransen van de Putte voor het plaatsen van een stoomtuig in hun in te richten garancinefabriek met het verzoek deze door hen te doen aanvullen.

Ook in september 1860 ontvangt het gemeentebestuur een verzoekschrift van de heren Fransen van de Putte. Ze vragen vergunning voor:

  • het maken van een waterleiding of koker vanaf de haven, beneden de waterspiegel, naar een reservoir, dit tot voeding van hun pompen en machinerieën;
  • het maken van een riool, uitkomende in de haven, tot ontlasting van het overtollige regenwater en het afgeblazen water uit de stoomketel;
  • het leggen van uitmondingen in het havenboord tot ontlasting van het water uit de onder het terrein van hun fabriek aan te leggen draineerbuizen.

Het gemeentebestuur verleent voor al deze voorzieningen vergunning.

Het college overweegt dat de door de hoofdingenieur opgegeven voorwaarden, volgens welke de gevraagde vergunning tot uitlozing van het garancinewater in de suatiesluis van de Wilhelminapolder aan het Goessche Sas zou kunnen worden toegestaan, voldoende waarborgen biedt voor de zekerheid van het algemeen, maar er alleen enige bepalingen in het belang van de gemeente Goes kunnen worden gemaakt. Besloten wordt, onder mededeling van zodanige bepalingen, de stukken aan Gedeputeerde Staten terug te zenden met bericht dat daarmee de concessie zou kunnen worden verleend.

Gedeputeerde Staten sturen het gemeentebestuur in november 1860 een brief met bijlagen van de garancinefabrikanten Fransen van de Putte en compagnon toe voor het verkrijgen van een vergunning om het garancinewater in de suatiesluis van de Wilhelminapolder uit te lozen met het verzoek om het gevoelen van het gemeentebestuur te vernemen. Het college antwoordt dat het geen bedenkingen heeft tegen het verzoek. Maar, alvorens daarover de gemeenteraad een voorstel te doen, wenst het college het gevoelen van de hoofdingenieur van de waterstaat in Zeeland te vernemen in hoever namelijk de aanhoudende uitlozing van dat water aan de suatiesluis nadeel zou kunnen toebrengen. Enkele weken later sturen Gedeputeerde Staten het advies van de hoofdingenieur toe.